← Nederland

Omgevingsplan gemeente Nieuwegein (Nieuwegein)

In het kort

Dit omgevingsplan regelt de fysieke leefomgeving binnen de gemeente Nieuwegein, met als doel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het bevat regels voor activiteiten en bouwwerken om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696286 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-11-12 2025-11-12 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696286/nld@2025-12-10 /join/id/proces/gm0356/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0356/2023/procedure9eeb1553c0c04aa5bea91383f29a5d38 /join/id/proces/gm0356/2024/procedurede633e13bd1b4376ad524a281dbbbc4d /join/id/proces/gm0356/2024/procedure6675207e66e44b17a4c70712a35bfb9d /join/id/proces/gm0356/2024/procedure4cd861a9dcc9491a84f0b745b9c6b74f /join/id/proces/gm0356/2024/proceduree8fc69fcd9e14a6d95fea18a5835d796 2025-12-10 2026-03-03 2025-12-10 2026-03-03 2025-12-10 2026-03-03 /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan/nld@2025-11-10;13593963 /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan/nld@2025-11-10;13593963 /join/id/stop/work_019 6 Omgevingsplan gemeente Nieuwegein Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen uit overige wetgeving 1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan. 2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen In dit omgevingsplan wordt als volgt gemeten en gerekend: Dakhelling Bij het bouwen van bouwwerken met een dak, wordt de dakhelling gemeten in graden, waarbij horizontaal 0 graden is en verticaal 90 graden. Hoogte van een bouwwerk op een erf- of perceelsgrens De hoogte van een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Hoogte van een woonark De hoogte van een woonark wordt gemeten vanaf het waterpeil tot het hoogste punt van de woonark, uitgezonderd masten, luchtbehandelingsinstallaties en schoorstenen. Meetbepaling in meter of vierkante meter Bij het bouwen van bouwwerken worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven. Artikel 1.3 Geografisch werkingsgebied van de regels De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Nieuwegein, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is. Artikel 1.4 Normadressaat 1. Aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Aan de regels wordt eveneens voldaan door degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel door degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 1.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 1.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat 1. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.5, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Hoofdstuk 2 Doelen Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten behoeve van: a. het versterken van de ruimtelijke kwaliteit; b. het verduurzamen van de stad; c. het beperken van de gevolgen van klimaatverandering; d. het waarborgen van de veiligheid van de inwoners; e. een gezond stedelijk leven voor iedereen; f. het stimuleren van een duurzaam Nieuwegein; g. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; h. het waarborgen van een goed functionerende infrastructuur en watersystemen; i. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; j. het stimuleren van beweging door inrichting van de buitenruimte; k. het realiseren en beheren van het Natuurnetwerk Nieuwegein; l. het kunnen benutten van de openbare ruimte; m. het bieden van voldoende woonruimte; n. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat van de inwoners. Hoofdstuk 3 Kwaliteit van de fysieke leefomgeving Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Algemeen Afdeling 4.2 Thema's Paragraaf 4.2.1 (Bouw)werken Artikel 4.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken. Artikel 4.2 Doelen Voor (bouw)werken gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het verduurzamen van de stad; b. het beperken van de gevolgen van klimaatverandering; c. het waarborgen van de veiligheid van de inwoners; d. het stimuleren van een duurzaam Nieuwegein; e. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; f. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat van de inwoners. Artikel 4.3 Regels over bouwen van bouwwerken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen voldaan aan: a. subparagraaf 5.1.2.2.1 Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd; b. subparagraaf 5.1.2.1.1 – windhinder en windgevaar; c. afdeling 5.3.2 – bouwen. Artikel 4.4 Regels over in stand houden van bouwwerken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het in stand houden van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen voldaan aan afdeling 5.3.3 - het instandhouden van een bouwwerk. Paragraaf 4.2.2 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Artikel 4.5 Locatiebepaling De regels waarnaar in deze paragraaf wordt verwezen zijn van toepassing in het werkingsgebied Duurzaam bouwen. Artikel 4.6 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot duurzaamheid en klimaatadaptatie. Artikel 4.7 Doelen Voor duurzaamheid en klimaatadaptatie gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het versterken van de ruimtelijke kwaliteit; b. het verduurzamen van de stad; c. het beperken van de gevolgen van klimaatverandering; d. een gezond stedelijk leven voor iedereen; e. het stimuleren van een duurzaam Nieuwegein; f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; g. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat van de inwoners. Artikel 4.8 Regels over duurzaamheid en klimaatadaptatie Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.7, wordt bij het bouwen van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen en het inrichten van een bouwperceel bij een woning voldaan aan: a. paragraaf 5.1.2.2 – duurzaamheid en klimaatadaptatie; en b. afdeling 5.3.2 – bouwen. Artikel 4.9 Regels over in stand houden van bouwwerken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.7, wordt bij het in stand houden van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen en in stand houden van een bouwperceel bij een woning voldaan aan: a. subparagraaf 5.1.2.2.2 - Bergen en infiltratie van hemelwater; b. subparagraaf 5.1.2.2.3 – Beperking warmte-uitstraling woningen; c. subparagraaf 5.1.2.2.4 – Voorkomen wateroverlast woningen; en d. afdeling 5.3.3 – het instandhouden van een bouwwerk. Paragraaf 4.2.3 Milieu Artikel 4.10 Bebouwingscontour geur 1. In het werkingsgebied bebouwingscontour geur wordt bij het verrichten van activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en overige agrarische activiteiten voldaan aan de regels van paragraaf 5.1.2.4 die zien op gebieden gelegen binnen de bebouwingscontour geur. 2. In het werkingsgebied buiten bebouwingscontour geur wordt bij het verrichten van activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en overige agrarische activiteiten voldaan aan de regels van paragraaf 5.1.2.4 die zien op gebieden gelegen buiten de bebouwingscontour geur. Afdeling 4.3 Gebiedstypen Hoofdstuk 5 Activiteiten Titel 5.1 Algemene en activiteitoverstijgende bepalingen Afdeling 5.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk. 2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of het Besluit Bouwwerken Leefomgeving zich daartegen verzet. 3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden. 4. Het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. het stellen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van bepalingen over meet- en rekenmethoden; en b. het stellen van maatwerkvoorschriften voor zover dit is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving. 5. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de doelen, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling, paragraaf of subparagraaf zijn gesteld, in acht genomen. 6. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels die vallen onder het toepassingsbereik van 5.7 worden, indien de betreffende titel, afdeling, paragraaf of subparagraaf geen oogmerken bevat, de algemene oogmerken van artikel 5.9 in acht genomen. Artikel 5.2 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag 1. Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. 2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 5.3 Algemene zorgplicht Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht ter voorkoming van milieuhinder Degene die een activiteit verricht zorgt, ter voorkoming van milieuhinder, er in ieder geval voor dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. beslag op gebruiksruimte buiten de locatie waar de activiteit wordt verricht, onder meer door zichtbare stofverspreiding, zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; c. buitenverlichting op de locatie van de activiteit is beperkt tot het noodzakelijke voor het verrichten van de nodige werkzaamheden op die locatie, de bewaking of de beveiliging; d. verlichting zodanig is opgesteld en ingericht en de lampen zodanig zijn afgeschermd, dat hinderlijke lichtstraling voor de omgeving zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en e. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden. Artikel 5.5 Informeren over een ongewoon voorval 1. Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 5.6 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval 1. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet. 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 5.7 Algemeen toepassingsbereik milieubelastende activiteit 1. De volgende afdelingen, paragrafen en subparagrafen zijn van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de wet: a. subparagraaf 5.1.2.3.1 - nazorg en saneren van bodem bij toevalsvondst; b. subparagraaf 5.1.2.3.2 - activiteiten locaties (zonder onaanvaardbare risico'

  1. s)c. paragraaf 5.1.2.4 - geur bij agrarische activiteiten; d. paragraaf 5.1.2.5 - trillingen; e. subparagraaf 5.1.2.6.1 - geluid door een activiteit op of in een gebouw; f. paragraaf 5.3.32 - specifieke regels voor zuiveringtechnische werken; g. subparagraaf 5.2.2.2.1 - specifieke regels voor faciliteiten waarbij terreinverlichting wordt toegepast; h. afdeling 5.3.8 - lozen van afvalwater; i. afdeling 5.3.9 - energiebesparende maatregelen nemen; j. afdeling 5.3.10 - zwerfvuil opruimen; k. afdeling 5.3.11 - wassen van motorvoertuigen; l. afdeling 5.3.12 - in werking hebben van een acculader; m. afdeling 5.3.13 - traditioneel schieten; n. subparagraaf 5.3.15.1 - kleinschalig graven; o. subparagraaf 5.3.16.2 - opwekken van elektriciteit met een windturbine; p. afdeling 5.3.17 - slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen q. afdeling 5.3.18 - niet-industriële voedselbereiding; r. afdeling 5.3.19 - polyesterhars verwerken; s. afdeling 5.3.20 - maden van vliegende insecten kweken; t. afdeling 5.3.21 - propaan of propeen opslaan; u. afdeling 5.3.22 - LPG tanken; v. afdeling 5.3.23 - antihagelkanonnen in werking hebben; w. afdeling 5.3.24 - werken met biologische agens; x. afdeling 5.3.25 - genetisch gemodificeerde organismen; y. afdeling 5.3.26 - parkeergelegenheid in een parkeergarage bieden; z. afdeling 5.3.27 - vaste mest opslaan; aa. afdeling 5.3.31 - opslaan dierlijke meststoffen; ab. afdeling 5.3.28 - kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan; ac. afdeling 5.3.29 - voedingsmiddelenindustrie; en ad. afdeling 5.3.30 - het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. 3. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk. 4. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in: a. subparagraaf 5.1.2.3.1 - nazorg en saneren van bodem bij toevalsvondst; b. subparagraaf 5.1.2.3.2 - Activiteiten locaties (zonder onaanvaardbare risico's); en c. paragraaf 5.3.15.1 - kleinschalig graven. Artikel 5.8 Voorrangsbepaling milieubelastende activiteit 1. In het werkingsgebied ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen, zijn de regels waarnaar in artikel 5.7, eerste lid, wordt verwezen, niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet. 2. De regels waarnaar in artikel 5.7, eerste lid, wordt verwezen, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de wet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 5.9 Algemene oogmerken milieuregels De regels die vallen onder het toepassingsbereik van artikel 5.7 zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 5.10 Toepassingsbereik Met uitzondering van afdeling 5.1.1 en titel 5.3 en 5.4 is een titel, afdeling, paragraaf of subparagraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald. Artikel 5.11 Normadressaat Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Afdeling 5.1.2 Activiteitoverstijgende regels Paragraaf 5.1.2.1 Regels ter voorkoming van (milieu)hinder Subparagraaf 5.1.2.1.1 Windhinder en windgevaar Artikel 5.12 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen van een woongebouw. Artikel 5.13 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beperken van hinder; en c. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 5.14 Windhinder en windgevaar 1. Er wordt aangetoond dat sprake is van een goed windklimaat conform NEN 8100. 2. Er wordt aangetoond dat er geen sprake is van een windgevaarlijke situatie conform NEN 8100. 3. Als wordt aangetoond dat het niet mogelijk is om een goed windklimaat, bedoeld in het eerste lid te realiseren, wijkt het bevoegd gezag af van het bepaalde in het eerste lid, als: a. sprake is van een matig windklimaat conform NEN 8100; b. het belang dat met het te bouwen gebouw wordt gediend naar het oordeel van het bevoegd gezag zwaarder weegt dan het garanderen van een goed windklimaat. Subparagraaf 5.1.2.1.2 Parkeernormering Artikel 5.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanvangen, wijzigen of intensiveren van een activiteit waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 5.16 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. voorkomen van parkeerhinder; b. waarborgen van voldoende parkeergelegenheid. Artikel 5.17 Voorrangsbepaling 1. In afwijking van de regels over parkeren in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gelden in het werkingsgebied ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ de regels in deze subparagraaf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende onderdelen van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet: a. het bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein; b. het bestemmingsplan Erfstede; c. het bestemmingsplan Doorslagzone; d. het wijzigingsplan Blok B1 Weverstede. Artikel 5.18 Voldoende parkeergelegenheid 1. Indien op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist voor het aanvangen, wijzigen of intensiveren van een activiteit, wordt deze omgevingsvergunning alleen verleend als op het perceel of in de omgeving daarvan in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien en in stand zal worden gehouden. 2. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld op basis van het Koersdocument parkeren 2020-2025, of de opvolger daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde document wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 3. Het bevoegd gezag past het Koersdocument parkeren, of de opvolger daarvan, toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning. Paragraaf 5.1.2.2 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Subparagraaf 5.1.2.2.1 Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd Artikel 5.19 Toepassingsbereik 1. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen van: a. een grondgebonden woning; en b. een woongebouw. 2. De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op: a. bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van: 1. het vernieuwen van een bouwwerk; 2. het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of 3. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt. b. het inrichten van het bouwperceel bij een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid bedoeld onder a. 3. De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van woningen voor een periode van maximaal tien jaar. Artikel 5.20 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen danwel beperken van wateroverlast; b. het tegengaan van hittestress; c. het vergroten van de biodiversiteit; en d. het bijdragen aan een groene leefomgeving. Artikel 5.21 Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd 1. Een bouwperceel waarop een of meer grondgebonden woningen worden gebouwd, blijft voor ten minste 50% onverhard. 2. Een bouwperceel waarop een woongebouw wordt gebouwd, blijft voor ten minste 30% onverhard. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft het bouwperceel waarop een aaneengesloten woningbouwontwikkeling met zowel grondgebonden woningen als woongebouwen worden gebouwd, voor ten minste 30% onverhard. Artikel 5.22 Berekening van de mate van verharding Bij het bepalen van de mate van verharding, bedoeld in artikel 5.21: a. worden hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, wegen, straten, en dergelijke gezien als verhard; b. wordt als kengetal gehanteerd dat 40% van het totale erf van een rijwoning onverhard is; c. wordt als kengetal gehanteerd dat 67% van het totale erf van een half vrijstaande en vrijstaande woning onverhard is; en d. wordt een groenvoorziening op bebouwing, zoals een binnentuin of daktuin op een gebouwde parkeervoorziening of hoofdgebouw gezien als onverhard als de substraatlaag een minimale dikte heeft van 30 cm. Artikel 5.23 Voorrangsbepaling met betrekking tot verharding van percelen tijdelijk deel omgevingsplan Regels over de mate van bebouwing en verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd die zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden niet. In plaats daarvan gelden de regels in deze paragraaf. Artikel 5.24 Ontheffing met betrekking tot verharding van percelen In uitzondering op artikel 5.21 kan het bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van de mate van bebouwing en verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd. Hiervoor moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan: a. Er is sprake van een transformatie van kantoor naar wonen; b. Er is sprake van verbouw, niet van sloop nieuwbouw; en c. Er kan worden aangetoond dat een groen dak van minimaal 30 cm dik, waarmee een totaal van 30% onverhard mogelijk zou worden, constructief niet mogelijk is. Subparagraaf 5.1.2.2.2 Bergen en infiltratie van hemelwater Artikel 5.25 Toepassingsbereik 1. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een grondgebonden woning; b. een woongebouw; en c. een woonwagen. 2. De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op: a. Bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van: 1. het vernieuwen van een bouwwerk; 2. het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of 3. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt. b. het inrichten en in stand houden van het bouwperceel bij een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid. 3. De regels in deze subsubparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van een woning voor een periode van maximaal tien jaar. Artikel 5.26 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen danwel beperken van wateroverlast. Artikel 5.27 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, of vernieuwen, gedeeltelijk vernieuwen of vergroten van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.25, tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt: a. een berekening van de waterbergingsopgave; en b. de beoogde voorzieningen voor waterberging en infiltratie, inclusief de daarbij behorende: 1. dimensionering van de voorzieningen; en 2. de bergings-, infiltratie-, en leidingcapaciteit. Artikel 5.28 Bergen en infiltratie van hemelwater De aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.25 wordt alleen verleend, als wordt aangetoond dat: a. bij een regenbui waar minimaal 70 millimeter regen in een uur valt, minimaal 50 millimeter daarvan geïnfiltreerd, vastgehouden en geborgen wordt in voorzieningen op het bouwperceel; b. hemelwatervoorzieningen de eerste 24 uur bij een regenbui minimaal 50 mm water vasthouden binnen het bouwperceel, bedoeld onder a. Na maximaal 60 uur is de hemelwatervoorziening weer volledig beschikbaar voor nieuwe hemelwateropvang; c. van de gemiddelde jaarlijkse neerslagsom van 936 millimeter minimaal 50% op het bouwperceel wordt verwerkt. Artikel 5.29 Ontheffing met betrekking tot bergen en infiltratie van hemelwater In uitzondering op artikel 5.28 kan het bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van de eisen voor het bergen en infiltreren van hemelwater op het perceel waarop woningen worden gebouwd. Hiervoor moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan: a. Er is sprake van een transformatie van kantoor naar wonen; b. Er is sprake van verbouw, niet van sloop nieuwbouw; en c. Er is geen grondgebonden buitenruimte aanwezig. Artikel 5.30 In stand houden voorzieningen berging en infiltratie hemelwater Voorzieningen voor de berging en infiltratie van hemelwater die noodzakelijk zijn om aan de regels in artikel 5.25 te voldoen, worden in stand gehouden. Artikel 5.31 Zorgplicht klimaatadaptief inrichten van perceel Eenieder draagt er zorgt voor dat de inrichting van het bouwperceel van een grondgebonden woning, woongebouw of woonwagen niet leidt tot schade aan omliggende bouwwerken, infrastructuur of vitale voorzieningen op het bouwperceel of omliggende percelen bij hevige regenval. Subparagraaf 5.1.2.2.3 Beperking warmte-uitstraling en warmte-uitstoot woningen Artikel 5.32 Toepassingsbereik 1. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een grondgebonden woning; b. een woongebouw; c. een woonark; en d. een woonwagen. 2. De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van: a. het vernieuwen van een bouwwerk; b. het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of c. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt. 3. De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van een woning voor een periode van maximaal tien jaar. Artikel 5.33 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van hittestress. Artikel 5.34 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.32, eerste lid, of vernieuwen, gedeeltelijk vernieuwen of vergroten van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.32, tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt: a. een BENG-berekening; b. een onderbouwing waaruit blijkt dat van alle horizontale en verticale buitenoppervlakten 40% warmtewerend of verkoelend is ingericht; en c. indien gebruik gemaakt wordt van een luchtwarmtepomp, een onderbouwing waaruit blijkt dat de luchtwarmptepomp niet leidt tot opwarming van de omgeving van dat gebouw. Artikel 5.35 Beperking warmte-uitstraling Van alle horizontale en verticale buitenoppervlakten is 40% warmtewerend of verkoelend ingericht. Artikel 5.36 Zorgplicht Eenieder draagt er zorg voor dat bij het plaatsen van een gebouwgebonden of mobiele installatie voor verwarming en koeling van een grondgebonden woning, woonark, woonwagen of woongebouw in de maanden mei tot en met september niet leidt tot opwarming van de omgeving van dat gebouw. Subparagraaf 5.1.2.2.4 Voorkomen wateroverlast woningen Artikel 5.37 Toepassingsbereik 1. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een grondgebonden woning; b. een woongebouw; en c. een woonwagen. 2. De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van: a. het vernieuwen van een bouwwerk; b. het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of c. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt. 3. De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een woning voor een periode van maximaal tien jaar; b. een woonark. Artikel 5.38 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van wateroverlast. Artikel 5.39 Voorkomen wateroverlast grondgebonden woningen en gebouwen 1. De begane grondlaag van een grondgebonden woning of woongebouw wordt ten minste 30 centimeter hoger gerealiseerd dan de hoogte van de weg waaraan de woning gesitueerd is. 2. Het bevoegd gezag wijkt af van het eerste lid als niet wordt voldaan aan de toegankelijkheidseisen, bedoeld in artikel 4.182 en artikel 4.189 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, met dien verstande dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen over de hoogte van de begane grondlaag ten opzichte van het straatniveau. Paragraaf 5.1.2.3 Bodem (kwaliteit) Subparagraaf 5.1.2.3.1 Nazorg na saneren van de bodem en toevalsvondst Artikel 5.40 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden en op tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Artikel 5.41 Nazorg na saneren van de bodem en toevalsvondst 1. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet. Subparagraaf 5.1.2.3.2 Activiteiten locaties (zonder onaanvaardbare risico'
  2. s)Artikel 5.42 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 5.43 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 5.42, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 5.1.2.4 Geur Subparagraaf 5.1.2.4.1 Geur bij agrarische activiteiten Subsubparagraaf 5.1.2.4.1.1 Geur: algemene bepalingen Artikel 5.44 Toepassingsbereik 1. Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door de volgende activiteiten: a. het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, bedoeld in subsubparagraaf 5.1.2.4.1.2; b. overige agrarische activiteiten bedoeld in subsubparagraaf 5.1.2.4.1.3; en c. activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar. Artikel 5.45 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 1. In afwijking van artikel 5.44, tweede lid, is deze subparagraaf ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet. 2. In afwijking van artikel 5.44, eerste lid, is deze subparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet. Artikel 5.46 Waar waarden gelden en tot waar afstanden gelden De waarden en afstanden, bedoeld in deze subparagraaf, gelden: a. als het gaat om een geurgevoelig gebouw: op of tot de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. Artikel 5.47 Functionele binding Deze subparagraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 5.48 Voormalige functionele binding Bij een activiteit zijn de waarden en afstanden, bedoeld in deze subparagraaf, niet van toepassing op een geurgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn. Artikel 5.49 Geur: cumulatie De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 5.1 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag in afwijking van de waarden en afstanden als bedoeld in deze subparagraaf andere waarden en afstanden kan vaststellen vanwege cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Subsubparagraaf 5.1.2.4.1.2 Geur: houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden Artikel 5.50 Toepassingsbereik 1. Deze subsubparagraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van: a. landbouwhuisdieren; en b. paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. 2. Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren. Artikel 5.51 Geur vanaf waar afstanden gelden Een afstand als bedoeld in deze subsubparagraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.52 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig gebouw door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel. Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw Waarde Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 2,0 ouE/m3 Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 8,0 ouE/m3 2. Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 5.53 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden 1. Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 5.52, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 5.52, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen. 2. Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als: a. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en b. de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken. Artikel 5.54 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige gebouwen Artikel 5.52, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel, tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; b. een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; c. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd: 1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; 2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en 3. in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en d. een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd. Afstand tot een geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m Artikel 5.55 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig gebouw, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel. Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden Geurgevoelig gebouw Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m Artikel 5.56 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand 1. Artikel 5.55 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel. 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afnemen. Artikel 5.57 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf 1. Onverminderd de artikelen 5.52 tot en met 5.56 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel. Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden Geurgevoelig gebouw Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 50 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 25 m 2. In afwijking van artikel 5.51 geldt de afstand, bedoeld in het eerstelid, vanaf de gevel van een dierenverblijf. Artikel 5.58 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 5.57, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. die afstand niet afnemen; b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toenemen; en c. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen. Artikel 5.59 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 5.57, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden: a. die afstand niet afnemen; en b. het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen. Subsubparagraaf 5.1.2.4.1.3 Geur: overige agrarische activiteiten Artikel 5.60 Geur: opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand 1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van: a. vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden; b. champost; of c. dikke fractie. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder; b. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en c. het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest. 3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in de onderstaande tabel: Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie Afstand Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw, gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m Artikel 5.61 Geur: opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand 1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3. 2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Afstand Geurgevoelig gebouw, gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw, gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m Artikel 5.62 Geur: opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand 1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoerdermiddelen: a. bij een veehouderij als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving of bij een loonwerkbedrijf als bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. bij andere activiteiten als er sprake is van: 1. het opslaan van kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of 2. het opslaan van vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3 . 2. Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen. 3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel: Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Afstand Niet afgedekt opslaan 50 m Afgedekt opslaan 25 m Artikel 5.63 Geur: opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand 1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3. 2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel: Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Afstand tot geurgevoelig gebouw Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 50 m 25 m Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 100m 50m Artikel 5.64 Geur: voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand 1. Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel: Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Afstand Geurgevoelig gebouw, gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw, gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m Artikel 5.65 Geur: composteren of opslaan van groenafval: afstand 1. Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3 . 2. Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is. 3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel: Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het composteren of opslaan van groenafval Composteren of opslaan van groenafval Afstand Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m Artikel 5.66 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking 1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 5.60, het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 5.61, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 5.62, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 5.65, als: a. het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; b. de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 5.60, derde lid, artikel 5.61, tweede lid, artikel 5.62, derde lid, of artikel 5.65, derde lid; en c. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 2. Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 5.63, eerste lid, als: a. de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 5.63, eerste lid, en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 5.63, tweede lid; b. het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en c. verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 3. In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 5.60, derde lid, artikel 5.61, tweede lid, artikel 5.62, derde lid, artikel 5.63, tweede lid, of artikel 5.65, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af. Artikel 5.67 Geur: vaste mest 1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van anders dan landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3. 2. Dit artikel is niet van toepassing: a. op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op een plek; en b. als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen: a. in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of b. op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig gebouw. Paragraaf 5.1.2.5 Trillingen Artikel 5.68 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en b. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar. Artikel 5.69 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking In afwijking van artikel 5.68 tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 5.70 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit Onverminderd artikel 5.7 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 5.71 Trillingen: functionele binding De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 5.72 Trillingen: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn. Artikel 5.73 Trillingen: waarden voor continue trillingen 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in onderstaande tabel 2. Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in onderstaande tabel. Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort Waarden 07.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur A1 trillingssterkte Vmax 0,1 0,1 A2trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 A3trillingssterkte Vper 0,05 0,05 Artikel 5.74 Trillingen: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing. Paragraaf 5.1.2.6 Geluid Subparagraaf 5.1.2.6.1 Geluid door een activiteit op of in een gebouw Subsubparagraaf 5.1.2.6.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.75 Toepassingsbereik 1. Subparagraaf 5.1.2.6.1 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. 2. In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel. 3. Deze subparagraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen. 4. Deze subparagraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 5.76 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 1. In afwijking van artikel 5.75 tweede lid onder b, is deze subparagraaf wel van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 2. In afwijking van artikel 5.75 eerste lid, is deze subparagraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 3. In afwijking van artikel 5.75 eerste lid, artikel 5.84 eerste lid en artikel 5.97 eerste lid is paragraaf 5.1.2.6 niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV. Artikel 5.77 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 5.7 worden voor de toepassing van subparagraaf 5.1.2.6.1 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 5.78 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 5.79 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 5.80 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn. Artikel 5.81 Geluid: onderzoek 1. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 5.97; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: I. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht. 2. Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. 3. Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur. 4. Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 5.1.2.6.1.2 en 5.1.2.6.1.3 of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden. Artikel 5.82 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 5.81, verstrekt aan het bevoegd gezag. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 5.83 Gegevens en bescheiden 1. Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein, alsmede voor activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt; 3. Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 5.82 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit. 4. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 5. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Subsubparagraaf 5.1.2.6.1.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 5.84 Toepassingsbereik 1. Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de subsubparagrafen 5.1.2.6.1.3 en het opwekken van elektriciteit met een windturbine als bedoeld in paragraaf 5.3.16.2. 2. Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit. 3. Deze paragraaf is ook niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 5.85 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) 07.00 – 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4. De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur. Artikel 5.86 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 5.85 eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A) 07.00 – 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2. De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur. Artikel 5.87 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1. Tabel: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 5.85, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: 2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 5.85, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied. 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3. Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur. Artikel 5.88 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 5.85, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 5.85, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel: Tabel: Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3. Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. . het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur. Artikel 5.89 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1. Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 5.85, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening. 2. Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 5.87, eerste lid, en 5.88, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening. Artikel 5.90 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012 Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 5.85, eerste lid, 5.86, eerste lid, 5.87, eerste lid en 5.88, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en: 1. voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten. Artikel 5.91 Geluid: eerbiedigende werking 1. Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden. 2. Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden. Artikel 5.92 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen 1. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 5.85 tot en met 5.91 en 5.93, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 5.3.13 , behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. 2. Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 5.85 tot en met, 5.89 en 5.91, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan. 3. De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 5.85 tot en met 5.91, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A). Artikel 5.93 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 5.85, eerste lid, en 5.86, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 5.94 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond 1. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 5.85 tot en met 5.91, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing. 2. Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 5.95 Geluid: festiviteiten 1. De waarden, bedoeld in de in artikelen 5.85 tot en met 5.93, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar. 2. Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag. Artikel 5.96 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing. Subsubparagraaf 5.1.2.6.1.3 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 5.97 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden. Artikel 5.98 Geluid: waarden buitenschietbanen Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 5.97 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan. Artikel 5.99 Registratie gegevens buitenschietbanen 1. De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie. 2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard Artikel 5.100 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 5.98, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing. Titel 5.2 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte Afdeling 5.2.1 Algemeen Artikel 5.101 Toepassingsbereik De regels van deze afdeling zijn van toepassing op alle activiteiten en afdelingen van titel 5.2. Artikel 5.102 Oogmerken [Gereserveerd] Artikel 5.103 Specifieke zorgplicht 1. De algemene zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3 houdt specifiek voor activiteiten met gebruiksruimte in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. 2. De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.4 houdt voor het gebruik van bouwwerken in dat: a. degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. b. degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: 1. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; 2. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en 3. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. Het tweede lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 5.104 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 5.105 Verbod zonder benodigde omgevingsvergunning Voor zover een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.3.2 is vereist, is het verboden het te bouwen bouwwerk in gebruik te nemen zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Artikel 5.106 Beoordelingsregels omgevingsvergunning ingebruiknemen van een bouwwerk De omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van een bouwwerk als bedoeld in 5.105 wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van afdeling 5.3.4; Afdeling 5.2.2 Faciliteit ten behoeve van sport en bewegen exploiteren Paragraaf 5.2.2.1 Algemene regels Paragraaf 5.2.2.2 Specifieke regels over het exploiteren van sportfaciliteiten Subparagraaf 5.2.2.2.1 Specifieke regels voor faciliteiten waarbij terreinverlichting wordt toegepast Artikel 5.107 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. Artikel 5.108 Gegevens en bescheiden 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.107 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; 2. de ligging en de indeling van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 5.109 Licht 1. Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld: a. tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en b. als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met: a. de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt; b. de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of c. door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar. 3. Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag. Titel 5.3 Thematische activiteiten Afdeling 5.3.1 Algemene bepalingen Artikel 5.110 Toepassingsbereik De regels van deze afdeling zijn van toepassing op alle activiteiten en afdelingen van titel 5.3. Artikel 5.111 Specifieke zorgplicht 1. De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.4 houdt voor activiteiten van titel 5.3, met uitzondering van afdeling 5.3.2 tot en met 5.3.7 in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. 2. De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.4 houdt voor het gebruik van bouwwerken in dat: a. degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. b. degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: 1. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; 2. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en 3. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. Het tweede lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Afdeling 5.3.2 Bouwen Paragraaf 5.3.2.1 Algemeen Artikel 5.112 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing het: a. bouwen van een hoofdgebouw; b. bouwen van een woonark; c. bouwen van een woonwagen; d. bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel; e. bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin; f. bouwen van een bijbehorend bouwwerk; g. bouwen van een berging bij een woonark; h. bouwen van een dakkapel; i. bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking; j. bouwen van overige bebouwing; k. veranderen van een bouwwerk; en l. bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is. Artikel 5.113 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het: a. beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. beschermen van het uiterlijk aanzien van bouwwerken; en d. waarborgen dat bouwwerken aangesloten zijn op de benodigde nutsvoorzieningen. Artikel 5.114 Voorrangsbepaling 1. In het werkingsgebied ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ zijn de regels in deze afdeling niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de regels met betrekking tot het bouwen van bijbehorende bouwwerken zoals opgenomen in artikel 5.179. Artikel 5.115 Specifieke zorgplicht De algemene zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3 houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.112, in ieder geval in dat a. beschadiging van bestaande (bouw)werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande (bouw)werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de volgende beschadigingen of belemmeringen te voorkomen of niet te laten voortduren: 1. beschadigingen of belemmeringen van wegen; 2. beschadigingen of belemmeringen van in de weg gelegen (bouw)werken; 3. beschadigingen of belemmeringen van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouwterrein grenzende openbare weg; 4. beschadigingen of belemmeringen van openbaar water; of 5. beschadigingen of belemmeringen van openbaar groen. Artikel 5.116 Repressief welstandstoezicht 1. Het uiterlijk van een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist, mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, vastgelegd in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 2. Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van ernstige mate van strijd met de redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet. Artikel 5.117 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 5.118 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 100 meter; of b. groter is dan 100 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 meter. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.119 Aansluiting op distributienet voor gas 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.120 Aansluiting op distributienet voor warmte 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 5.121 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter. Artikel 5.122 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.1 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 5.123 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 5.124 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 meter; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter; en d. een doeltreffende afwatering. 4. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.125 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m , bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. 5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.126 Algemene regel bijbehorend bouwwerk 1. Het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding ligt aan of bij, of is een uitbreiding van, een hoofdgebouw. 2. Onder een hoofdgebouw bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan: a. een woonwagen; b. een tijdelijk hoofdgebouw: een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die omgevingsvergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden. Artikel 5.127 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in deze afdeling bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 5.128 Algemene afbakeningseisen 1. Het zonder omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk dat is toegestaan op grond van de regels in deze afdeling, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning. 2. Bij de toepassing van paragraaf 5.3.2.7 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, of een bestaand bouwwerk, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Paragraaf 5.3.2.2 Bouwen van een hoofdgebouw Artikel 5.129 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een hoofdgebouw. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het: a. bouwen van een woonark; b. bouwen van een woonwagen; c. bouwen van hoofdgebouwen op een agrarisch perceel; d. bouwen van hoofdgebouwen op een volks- of recreatietuin; e. veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Artikel 5.130 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; b. bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; en c. beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 5.131 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een hoofdgebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen. Artikel 5.132 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een hoofdgebouw Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het hoofdgebouw en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het hoofdgebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het hoofdgebouw ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen hoofdgebouw; e. de hoogte van het hoofdgebouw ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. voor zover dat in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet: 1. tekeningen met maatvoering van alle gevels van het hoofdgebouw, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande hoofdgebouw in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het hoofdgebouw; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.136, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.136, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.136, redelijkerwijs is uit te sluiten; en j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 5.133 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een hoofdgebouw [Gereserveerd] Artikel 5.134 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een hoofdgebouw met betrekking tot het uiterlijk 1. De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. 3. Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 4. Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet. 5. Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 6. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang. Artikel 5.135 Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein 1. Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.131 schriftelijk advies in bij de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.134. 2. Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.134 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.134 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.134 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen. Artikel 5.136 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een hoofdgebouw met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1. Voor zover het gaat om een te bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 4. Het zinsdeel "in meer dan 25 m³ bodemvolume" in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. 5. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw die is verleend met toepassing van het eerste lid onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het hoofdgebouw alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in het eerste lid, onder b. Artikel 5.137 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een hoofdgebouw bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van artikel 5.133, kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet. 2. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 5.138 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een hoofdgebouw met betrekking tot een voorbereidingsbesluit of beschermd stads- of dorpsgezicht 1. In afwijking van artikel 5.133 wordt de omge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.