← Nederland

Omgevingsplan gemeente Veere (Veere)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan regelt het gebruik van gronden en bouwwerken in de gemeente Veere, met als doel een goede leefomgeving te waarborgen. Het bevat algemene regels en specifieke bepalingen voor verschillende gebieden en activiteiten.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696554 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0717/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-02-21 2025-02-21 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696554/nld@2025-03-21 /join/id/proc

Artikel 3.10 (schaaldier-, schelpdier-, kreeften- en viskweekbedrijf) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Intensieve schaaldier-, schelpdier-, kreeften- en viskweekbedrijf'.

  1. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor intensieve schaaldier-, schelpdier-, kreeften- en viskweekbedrijven. Artikel 3.11 (inkoopstation)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Inkoopstation'.
  3. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een inkoopstation. Artikel 3.12 (windturbine)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbine'.
  5. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een windturbine. Artikel 3.13 (mosselhangcultuur)
  6. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Mosselhangcultuur'.
  7. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor mosselhangcultuur. Artikel 3.14 (opslag)
  8. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Opslag'.
  9. Gronden mogen worden gebruikt voor opslag. Artikel 3.15 (windturbinepark)
  10. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbinepark'.
  11. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een windturbinepark. Artikel 3.16 (ondergrondse midden- en hoogspanningsverbinding)
  12. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Ondergrondse midden- en hoogspanningsverbinding'.
  13. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een ondergrondse midden- en hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kilovolt en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die midden- en hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Subparagraaf 3.2.1.2 Specifieke gebruiksregels Artikel 3.17 (nadere regels opslag)
  14. Dit artikel gaat over nadere regels voor opslag.
  15. Ter plaatse van de Aanduiding 'Intensieve schaaldier-, schelpdier-, kreeften- en viskweekbedrijf' geldt het volgende: a. de totale stapelhoogte niet meer mag bedragen dan 4 meter; en b. de opslag van schalen en schelpen niet is toegestaan.
  16. Ter plaatse van de Aanduiding 'Opslag Rijkswaterstaat' mogen gronden worden gebruikt voor de opslag van droog en nat stortmateriaal, materieel voor zandsuppleties en andere waterstaatsvoorzieningen. Artikel 3.18 (nadere regels mosselhangcultuur) De maximale oppervlakte aan mosselhangcultuur ter plaatse van de Aanduiding 'Mosselhangcultuur Mattenhaven' mag niet meer bedragen dan 10.000 m². Artikel 3.19 (oppervlakte kraanopstelplaatsen en onderhoudswegen)
  17. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Maximale oppervlakte kraanopstelplaatsen en onderhoudswegen'.
  18. De oppervlakte aan kraanopstelplaatsen en onderhoudswegen, ten behoeve van windturbines, mag niet meer bedragen dan 12.015 m². Artikel 3.20 (nadere regels veiligheidszone windturbine - 1)
  19. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Veiligheidszone windturbine 1'.
  20. Binnen de risicocontour van 146 meter uit de as van de windturbine (PR = 10-6) is het gebruik van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen, als bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet toegestaan.
  21. Binnen de risicocontour van 63 meter uit de as van de windturbine (PR = 10-5) is het gebruik van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en beperkte kwetsbare gebouwen, als bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet toegestaan. Artikel 3.21 (nadere regels veiligheidszone windturbine - 2)
  22. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Veiligheidszone windturbine 2'.
  23. Het gebruik van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en beperkte kwetsbare gebouwen, als bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is niet toegestaan. Subparagraaf 3.2.1.3 Omgevingsplanactiviteit Artikel 3.22 (ander bedrijf Neeltje Jans)
  24. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Intensieve schaaldier-, schelpdier-, kreeften- en viskweekbedrijf'.
  25. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een ander bedrijf te exploiteren dan met artikel 3.10 is toegestaan.
  26. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: a. het andere bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met het bedrijf dat is toegestaan; en b. indien de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
  27. Voordat de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag advies over het bepaalde in het derde lid in bij een milieudeskundige.
  28. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel worden in ieder geval de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor een beoordeling van het derde lid.
  29. Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die het bevoegd gezag gelet op het bepaalde in het derde lid noodzakelijk acht. Paragraaf 3.2.2 Cultuur en ontspanning Subparagraaf 3.2.2.

Artikel 3.23 (educatie en beleving) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Educatie en beleving'.

  1. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. expositie, educatie en voorlichting; b. bassins voor dolfijnen, zeehonden en dergelijke. Artikel 3.24 (multifunctionele ruimte)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Multifunctionele ruimte'.
  3. Gronden en bouwwerken mogen ondergeschikt worden gebruikt voor expositie-, vergader- en werkruimten. Artikel 3.25 (ontvangstbalie)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Ontvangstbalie'.
  5. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een ontvangstbalie ter ondersteuning van toerisme en dagrecreatie. Paragraaf 3.2.3 Detailhandel Subparagraaf 3.2.3.

Artikel 3.26 (ondergeschikte detailhandel) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Ondergeschikte detailhandel'. 2. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor ondergeschikte detailhandel die rechtstreeks samenhangt met de overige functie(s) die op de locatie zijn toegestaan. Subparagraaf 3.2.3.2 Specifieke gebruiksregels Artikel 3.27 (bedrijfsvloeroppervlakte horeca, detailhandel en baliefunctie) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bedrijfsvloeroppervlakte horeca, detailhandel en baliefunctie' mag de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte aan horeca-activiteiten, detailhandel en een baliefunctie ter ondersteuning van de dagrecreatie niet meer mag bedragen dan is aangegeven. Artikel 3.28 (bedrijfsvloeroppervlakte ondergeschikte detailhandel) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bedrijfsvloeroppervlakte ondergeschikte detailhandel' mag de bedrijfsvloeroppervlakte aan ondergeschikte detailhandel niet meer bedragen dan is aangegeven. Paragraaf 3.2.4 Horeca Subparagraaf 3.2.4.

Artikel 3.29 (horeca 1a) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Horeca 1a'.

  1. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor horecabedrijven in de horeca - categorie 1a 'lichte horeca'. Artikel 3.30 (terras)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Terras'.
  3. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een terras. Artikel 3.31 (strandpaviljoen)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Strandpaviljoen'.
  5. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een strandpaviljoen met hierbij behorende (opslag)voorzieningen. Artikel 3.32 (consumptiekraam)
  6. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Consumptiekraam'.
  7. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een horecabedrijf in de vorm van een (mobiele-) horecagelegenheid, -snackwagen of frietkraam en de hierbij behorende voorzieningen. Artikel 3.33 (ondergeschikte horeca)
  8. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Ondergeschikte horeca'.
  9. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor ondergeschikte horeca. Artikel 3.34 (opslag ten behoeve van horeca)
  10. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Opslag horeca'.
  11. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor opslag ten behoeve van horeca. Subparagraaf 3.2.4.2 Specifieke gebruiksregels Artikel 3.35 (ondergeschikte horeca deltapark)
  12. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Ondergeschikte horeca deltapark'.
  13. Het gebruik als bedoeld in artikel 3.33 is alleen toegestaan, voor zover het gaat om horeca - categorie 1a 'lichte horeca' of horeca - categorie 1b 'lichte horeca'. Artikel 3.36 (nadere regels terras)
  14. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum oppervlakte terras''.
  15. Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum oppervlakte terras' mag de oppervlakte van het terras niet meer bedragen dan is aangegeven. Artikel 3.37 (maximale bedrijfsvloeroppervlakte horeca) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximale bedrijfsvloeroppervlakte horeca' mag de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedragen dan is aangegeven. Paragraaf 3.2.5 Kantoor Subparagraaf 3.2.5.

Artikel 3.38 (onzelfstandig kantoor) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Onzelfstandig kantoor'. 2. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor onzelfstandig kantoor. Subparagraaf 3.2.5.2 Specifieke gebruiksregels Artikel 3.39 (oppervlakte onzelfstandig kantoor) De vloeroppervlakte aan onzelfstandig kantoor mag ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum vloeroppervlakte onzelfstandig kantoor' niet meer bedragen dan daar is aangegeven in % van de totale bedrijfsvloeroppervlakte. Paragraaf 3.2.6 Maatschappelijk Subparagraaf 3.2.6.

Artikel 3.40 (zend- en ontvangstinstallatie) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Zend- en ontvangstinstallatie'.

  1. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een zend- en ontvangstinstallatie. Artikel 3.41 (radartoren)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Radartoren'.
  3. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een radartoren. Artikel 3.42 (hulpradartoren)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Hulpradartoren'.
  5. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een hulpradartoren. Paragraaf 3.2.7 Natuur Subparagraaf 3.2.7.

Artikel 3.43 (natuur) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Natuur'.

  1. Gronden mogen worden gebruikt voor natuur en bouwwerken staan ten dienste daarvan. Artikel 3.44 (duingebied)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Duingebied'.
  3. Gronden mogen worden gebruikt voor duingebied en bouwwerken staan ten dienste daarvan. Artikel 3.45 (strand)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Strand'.
  5. Gronden mogen worden gebruikt voor een strand en bouwwerken staan ten dienste daarvan. Paragraaf 3.2.8 Recreatie Subparagraaf 3.2.8.

Artikel 3.46 (dagrecreatie) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Dagrecreatie'.

  1. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor dagrecreatie en de daarbij behorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen. Artikel 3.47 (badpost)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Badpost'.
  3. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een badpost. Artikel 3.48 (openbare sanitaire voorzieningen)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Openbare sanitaire voorzieningen'.
  5. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor openbare sanitaire voorzieningen. Subparagraaf 3.2.8.2 Specifieke gebruiksregels Paragraaf 3.2.9 Verkeer Subparagraaf 3.2.9.

Artikel 3.49 (verkeer) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Verkeer'.

  1. Gronden mogen worden gebruikt voor wegen, straten, voet- en fietspaden, pleinen en overig verblijfsgebied en bouwwerken staan ten dienste daarvan.
  2. In aanvulling op het tweede lid mogen enkel gronden ten noorden van de Dijkgraaf A.M. Gelukweg gebruikt worden voor parkeervoorzieningen. Artikel 3.50 (parkeerterrein)
  3. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Parkeerterrein'.
  4. Gronden mogen worden gebruikt voor een parkeerterrein en bouwwerken staan ten dienste daarvan. Artikel 3.51 (landingsplaats)
  5. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Landingsplaats'.
  6. Gronden mogen worden gebruikt voor een landingsplaats voor helikopters en bouwwerken staan ten dienste daarvan. Paragraaf 3.2.10 Water Subparagraaf 3.2.10.

Artikel 3.52 (water) 1.

Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Water'.

  1. Gronden mogen worden gebruikt voor waterlopen, waterpartijen, overig oppervlaktewater en waterhuishoudkundige voorzieningen, bouwwerken staan ten dienste daarvan. Artikel 3.53 (verkeer te water)
  2. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Verkeer te water'.
  3. Gronden mogen worden gebruikt voor beroeps-, rond- en recreatievaart, inclusief incidentele passantenplaatsen. Artikel 3.54 (haven)
  4. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Haven'.
  5. Gronden en bouwwerken mogen mede worden gebruikt voor aanloop- en passantenhaven voor de beroeps, rond- en recreatievaart. Artikel 3.55 (trailerhellingen en aanlegplaatsen)
  6. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Trailerhellingen en aanlegplaatsen'.
  7. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor voorzieningen zoals trailerhellingen en aanlegplaatsen, ten behoeve van de vissportvaart en voor verhuurboten voor sportvissen en sportduiken. Artikel 3.56 (waterkering)
  8. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Waterkering'.
  9. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor waterstaatkundige voorzieningen, zoals waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, opslag en onderhoud ten behoeve van vaar- en waterwegen, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Artikel 3.57 (vrijwaringszone - dijk)
  10. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Vrijwaringszone - dijk'.
  11. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen primaire waterkering. Artikel 3.58 (waterstaatswerken)
  12. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Waterstaatswerken'.
  13. Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor waterstaatswerken. Subparagraaf 3.2.10.2 Specifieke gebruiksregels Artikel 3.59 (haven Neeltje Jans)
  14. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Haven Neeltje Jans'.
  15. Er zijn niet meer dan 60 ligplaatsen ten behoeve van de rond- en recreatievaart toegestaan.
  16. Vaste ligplaatsen voor de recreatievaart zijn niet toegestaan. Artikel 3.60 (nadere regels trailerhelling en aanlegplaatsen)
  17. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Trailerhellingen en aanlegplaatsen'.
  18. Het overnachten aan boord van een vaartuig is niet toegestaan. Hoofdstuk 4 REGELS OVER BOUWEN Titel 4.1 GENERIEKE BEPALINGEN Afdeling 4.1.1 Algemene bepalingen Paragraaf 4.1.1.1 Algemeen Artikel 4.1 (activiteiten) Dit hoofdstuk gaat over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Artikel 4.2 (oogmerken)
  19. De regels over bouwactiviteiten in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. een goede ruimtelijke ordening, b. een goed woon- en leefklimaat, c. een doelmatig en duurzaam gebruik van de ruimte, d. een hoge belevingskwaliteit van de leefomgeving, e. het beschermen van cultureel erfgoed, f. het voorkomen en beperken van hinder, g. het beschermen van de gezondheid, h. het waarborgen van de veiligheid.
  20. In afwijking van het eerste lid zijn de regels over bouwactiviteiten in afdeling 4.1.2 gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. de duurzaamheid; d. de bruikbaarheid; e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 4.3 (maatwerkvoorschriften)
  21. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels in dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  22. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk. Paragraaf 4.1.1.2 Omgevingsvergunning Artikel 4.4 (vergunningplicht) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, tenzij in titel 4.2 uitdrukkelijk anders is bepaald. Artikel 4.5 (uitzondering vergunningplicht)
  23. Het verbod, bedoeld in artikel 4.4, geldt niet, voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken, tenzij in titel 4.2 anders is bepaald: a. een bouwwerk dat is aangewezen in paragraaf 2.3.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
  24. op de grond staand;
  25. gelegen in achtererfgebied;
  26. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  27. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m, II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en III. het hoofdgebouw;
  28. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg;
  29. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;
  30. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
  31. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  32. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; c. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  33. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  34. op een gebouwerf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  35. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
  36. Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  37. Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
  38. Bij toepassing van het eerste lid: a. wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw; b. blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in het eerste lid, onder b, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
  39. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in het eerste lid, onder b, onder 8, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; c. buiten de bebouwde kom.
  40. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid, onder b, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen het eerste lid, onder b, onder 5, onder II, van overeenkomstige toepassing.
  41. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: a. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; b. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; c. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; d. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; e. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; f. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; g. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; h. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; i. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; j. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; k. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; l. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; m. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of n. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Artikel 4.6 (aanvraagvereisten omgevingsvergunning) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  42. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  43. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  44. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  45. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  46. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. informatie die nodig is voor de toetsing aan de nagestreefde omgevingskwaliteit volgens de beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
  47. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  48. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  49. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  50. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 4.7 (specificatie aanvraagvereisten bodem) Tot de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.6 behoren in elk geval: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.17, redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.17, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.17, redelijkerwijs is uit te sluiten. Artikel 4.8 (specificatie aanvraagvereisten archeologie) Gereserveerd. Artikel 4.9 (vergunningvoorschriften) Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de plaats en de afmetingen van de bebouwing, indien dit nodig is ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de milieusituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; e. de sociale veiligheid; f. de externe veiligheid; g. de waterveiligheid. Paragraaf 4.1.1.3 Beoordelingsregels Subparagraaf 4.1.1.3.1 Algemeen Artikel 4.10 (type regels in deze paragraaf) In deze paragraaf worden regels gesteld over het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 4.11 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk in overeenstemming is met: a. de algemene bepalingen over het verlenen van de omgevingsvergunning in de andere subparagrafen van deze paragraaf; b. de algemene bepalingen over het bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken in afdeling 4.1.2; c. de gebiedsspecifieke regels over het gebruik van bouwwerken in afdeling 3.2; d. de gebiedsspecifieke regels over het bouwen van bouwwerken in titel 4.2; e. de gebiedsspecifieke bepalingen over het verlenen van de omgevingsvergunning in paragraaf 4.2.
  51. Artikel 4.12 (anti-dubbeltelbepaling) Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 4.13 (toegelaten bouwwerken met afwijkende maten)
  52. In afwijking van het bepaalde in 4.11 wordt de omgevingsvergunning voor een bouwwerk toch verleend als de dakhelling, afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en situering afwijken van het bepaalde krachtens artikel 4.11 maar voor het bouwwerk eerder een omgevingsvergunning is verleend en het het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk niet in strijd is met de gebiedsspecifieke regels over het gebruik van bouwwerken in afdeling 3.
  53. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien het bepaalde in artikel 18.3 van toepassing is. Subparagraaf 4.1.1.3.2 Omgevingskwaliteit Artikel 4.14 (specifieke beoordelingsregel omgevingskwaliteit)
  54. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk in overeenstemming is met de nagestreefde omgevingskwaliteit.
  55. Bij de beoordeling wordt het uiterlijk zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot de bestaande of in de nabije toekomst te verwachten toestand in de redelijkerwijs in beschouwing te nemen omgeving.
  56. Bij de beoordeling wordt de 'Nota Ruimtelijke kwaliteit', vastgesteld in de raadsvergadering van 26 mei 2016, inclusief latere wijzigingen, in acht genomen.
  57. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, toch moet worden verleend. Subparagraaf 4.1.1.3.3 Bodem Artikel 4.15 (toepassingsbereik) Deze subparagraaf is van toepassing op het toelaten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Artikel 4.16 (specifieke beoordelingsregel bodem)
  58. Een bodemgevoelig gebouw wordt alleen toegelaten als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden.
  59. In afwijking van het eerste lid kan een bodemgevoelig gebouw ook worden toegelaten bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
  60. Een sanerende of andere beschermende maatregel als bedoeld in het tweede lid is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.17 (toelaatbare kwaliteit bodem)
  61. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij anders is bepaald in titel 4.
  62. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden bedoeld in het eerste lid.
  63. Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 4.18 (vergunningvoorschrift) Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 4.16, tweede lid, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in datzelfde lid, zijn getroffen. Subparagraaf 4.1.1.3.4 Activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken Artikel 4.19 (toepassingsbereik) Gereserveerd. Artikel 4.20 (specifieke beoordelingsregel grote lawaaimakers) Gereserveerd. Subparagraaf 4.1.1.3.5 Archeologie Artikel 4.21 (specifieke beoordelingsregel archeologie) Gereserveerd. Artikel 4.22 (vergunningvoorschrift) Gereserveerd. Afdeling 4.1.2 Veilig en gezond gebruik, aansluiting op distributienetten, hulpverlening en overige regels Paragraaf 4.1.2.1 Gebruik van bouwwerken Artikel 4.23 (specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk)
  64. De zorgplicht bedoeld in artikel 1.6 van de Omgevingswet houdt voor het gebruik van een bouwwerk in ieder geval in dat degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  65. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. en het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  66. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken als bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.24 (bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk) Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 4.25 (overbewoning woonruimte)
  67. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  68. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Paragraaf 4.1.2.2 Aansluiting op nutsvoorzieningen Artikel 4.26 (aansluiting op distributienet voor elektriciteit)
  69. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  70. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 4.27 (aansluiting op distributienet voor gas)
  71. Met het oog op het beschermen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  72. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 4.28 (aansluiting op distributienet voor warmte)
  73. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  74. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  75. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  76. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 4.29 (aansluiting op distributienet voor drinkwater) Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 4.30 (aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater)
  77. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  78. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  79. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rotting put.
  80. Bij maatwerkvoorschrift kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of dat systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Paragraaf 4.1.2.3 Voorzieningen voor hulpverlening Artikel 4.31 (bluswatervoorziening) Gereserveerd. Artikel 4.32 (bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten) Gereserveerd. Artikel 4.33 (opstelplaatsen voor brandweervoertuigen) Gereserveerd. Paragraaf 4.1.2.4 Overige regels Artikel 4.34 (uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en peil) Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het peil is uitgezet. Artikel 4.35 (minimale omgevingskwaliteit) Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen aan de belevingskwaliteit van de leefomgeving, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.36 (maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit bodem)
  81. Bij overschrijding van een waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen toegestaan, als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
  82. Een sanerende of andere beschermende maatregel als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  83. Bij overschrijding van een waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn getroffen. Titel 4.2 GEBIEDSSPECIFIEKE BEPALINGEN Afdeling 4.2.1 BOUWWERKGERICHTE REGELS Paragraaf 4.2.1.1 Gebouwen en overkappingen Artikel 4.37 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in het Werkingsgebied Neeltje Jans. Artikel 4.38 (toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over gebouwen en overkappingen. Artikel 4.39 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.40 (plaatsing) Gebouwen en overkappingen worden gebouwd binnen de Aanduiding 'Bouwvlak'. Artikel 4.41 (bouwhoogte gebouwen) De bouwhoogte van gebouwen mag ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bouwhoogte gebouwen en overkappingen' niet meer bedragen dan de aangegeven bouwhoogte. Artikel 4.42 (oppervlakte) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bebouwde oppervlakte (m2)' mag de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de aangeduide oppervlakte. Artikel 4.43 (dakhelling) Indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling, tenzij met een aanduiding anders is aangegeven, ten hoogste 65°. Artikel 4.44 (aanvulling uitzondering vergunningplicht) Gereserveerd. Paragraaf 4.2.1.2 Hoofdgebouwen en bedrijfswoningen Artikel 4.45 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in ter plaatse van het Werkingsgebied Neeltje Jans. Artikel 4.46 (toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over hoofdgebouwen en bedrijfswoningen. Artikel 4.47 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.48 (goothoogte) Gereserveerd. Artikel 4.49 (bouwhoogte)
  84. De bouwhoogte van hoofdgebouwen en bedrijfswoningen mag ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bouwhoogte hoofdgebouwen en bedrijfswoningen (m)' niet meer bedragen dan de aangegeven bouwhoogte.
  85. Gereserveerd. Artikel 4.50 (aantal woningen) Gereserveerd. Artikel 4.51 (aantal recreatie-eenheden) Gereserveerd. Artikel 4.52 (aanvulling uitzondering vergunningplicht) Gereserveerd. Paragraaf 4.2.1.3 Bijbehorende bouwwerken bij woningen Artikel 4.53 (waar deze paragraaf geldt) Gereserveerd. Artikel 4.54 (toepassingsbereik) Gereserveerd. Artikel 4.55 (beoordelingsregel) Gereserveerd. Artikel 4.56 (plaatsing) Gereserveerd. Artikel 4.57 (oppervlakte) Gereserveerd. Artikel 4.58 (goothoogte) Gereserveerd. Artikel 4.59 (bouwhoogte) Gereserveerd. Artikel 4.60 (aanvulling uitzondering vergunningplicht) Gereserveerd. Paragraaf 4.2.1.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde Artikel 4.61 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in het Werkingsgebied Neeltje Jans. Artikel 4.62 (toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde. Artikel 4.63 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.64 (overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde)
  86. Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, 1 meter.
  87. In afwijking van het eerste lid, geldt ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Afwijkende bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde' dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte.
  88. Gereserveerd. Artikel 4.65 (lichtmast) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bouwhoogte lichtmast' zijn lichtmasten toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte. Artikel 4.66 (vlaggenmast) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bouwhoogte vlaggenmast' zijn vlaggenmasten toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte. Artikel 4.67 (bliksemafleiders) Ter plaatse van de Aanduiding 'Bliksemafleider' zijn bliksemafleiders toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 24 meter. Artikel 4.68 (radartoren) Ter plaatse van de Aanduiding 'Radartoren' is een radartoren toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 120 meter. Artikel 4.69 (hulpradartoren) Ter plaatse van de Aanduiding 'Hulpradartoren' is een hulpradartoren toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 20 meter. Artikel 4.70 (zend- en ontvangstinstallatie)
  89. Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Zend- en ontvangstinstallatie' is een zend- en ontvangstinstallatie toegestaan waarbij het aantal niet meer mag bedragen dan is aangegeven.
  90. De bouwhoogte van een zend- en ontvangstinstallatie mag niet meer bedragen dan 40 meter. Artikel 4.71 (bouwwerken ten behoeve van windturbines) Ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbine' zijn bouwwerken, geen gebouw zijnde, toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6,5 meter. Artikel 4.72 (erf- en terreinafscheidingen) Ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen' zijn erf- en terreinafscheidingen toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte. Artikel 4.73 (meetmast) Ter plaatse van de Aanduiding 'Meetmast' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 34 meter. Artikel 4.74 (antennes ten behoeve van telecommunicatie) Ter plaatse van de Aanduiding 'Antennes ten behoeve van telecommunicatie' zijn antennes ten behoeve van telecommunicatie, niet zijn zijnde schotelantennes, toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 15 meter. Artikel 4.75 (speelvoorziening) Ter plaatse van de Aanduiding 'Speelvoorziening' zijn speelvoorzieningen toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter. Artikel 4.76 (glijbaan) Ter plaatse van de Aanduiding 'Glijbaan' is niet meer dan één glijbaan toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 12 meter. Paragraaf 4.2.1.5 Ondergrondse gebouwen Artikel 4.77 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in het Werkingsgebied Neeltje Jans. Artikel 4.78 (toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over ondergrondse gebouwen. Artikel 4.79 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.80 (plaatsing en oppervlakte) Ondergrondse gebouwen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak en onder het bebouwde oppervlak van bovengrondse gebouwen. Paragraaf 4.2.1.6 Windturbine Artikel 4.81 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbine'. Artikel 4.82 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van windturbines als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.83 (windturbine toegestaan) Een windturbine en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van het functioneren van de windturbine zijn toegestaan. Artikel 4.84 (maatvoering windturbine)
  91. Ter plaatse van de Aanduiding 'Maatvoering - windturbine 1' zijn uitsluitend windturbines toegestaan, waarvoor de volgende bouwregels gelden: a. de bouwhoogte bedraagt ten minste 90 en ten hoogste 140 m; b. de rotordiameter bedraagt ten minste 120 en ten hoogste 140 m; c. de tiphoogte bedraagt ten minste 150 en ten hoogste 210 m; d. de tiplaagte bedraagt ten minste 30 m.
  92. Ter plaatse van de Aanduiding 'Maatvoering - windturbine 2' zijn uitsluitend windturbines toegestaan, waarvoor de volgende bouwregels gelden: a. de bouwhoogte bedraagt ten minste 90 en ten hoogste 140 m; b. de rotordiameter bedraagt ten minste 120 en ten hoogste 140 m; c. de tiphoogte bedraagt ten hoogste 165 m; d. de tiplaagte bedraagt ten minste 30 m. Artikel 4.85 (aantal windturbines)
  93. Het aantal windturbines per aanduidingsvlak mag niet meer bedragen dan één windturbine.
  94. In afwijking van het bepaalde in lid 1 zijn ter plaatse van de Aanduiding 'Maximum aantal windturbines: 2' maximaal twee windturbines per aanduidingsvlak toegestaan. Paragraaf 4.2.1.7 Nutsvoorzieningen Artikel 4.86 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in de Aanduiding 'Verkeer'. Artikel 4.87 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van nutsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.88 (gebouwen voor nutsvoorzieningen) Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen zijn toegestaan. Artikel 4.89 (maatvoering) Voor gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gelden de volgende bouwregels: a. de oppervlakte bedraagt ten hoogste 15 m2; en b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3,5 m. Afdeling 4.2.2 LOCATIEGERICHTE REGELS Paragraaf 4.2.2.1 Windturbinepark Artikel 4.90 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbinepark'. Artikel 4.91 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van windturbines als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.92 (windturbine toegestaan) Een windturbine en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van het functioneren van de windturbine zijn toegestaan. Artikel 4.93 (aantal windturbines) Ter plaatse van de Aanduiding 'Maximum aantal windturbines: 9'' zijn niet meer dan 9 windturbines toegestaan. Artikel 4.94 (bouwhoogte windturbine) De bouwhoogte van windturbines mag niet meer bedragen dan 120 m. Artikel 4.95 (overige bouwwerken toegestaan)
  95. Bouwwerken ten behoeve van windturbines, zoals een transformatorstation, service- en bedieningsgebouw en radarpost zijn toegestaan.
  96. De bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van winturbines bedraagt niet meer dan 6,5 m.
  97. Ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbinepark - natuur' mag de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van windturbines niet meer bedragen dan 700 m
  98. Ter plaatse van de Aanduiding 'Windturbinepark - cultuur en ontspanning' mag de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van windturbines niet meer bedragen dan 1.200 m
  99. Paragraaf 4.2.2.2 Strand Artikel 4.96 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in de Aanduiding 'Strand'. Artikel 4.97 (beoordelingsregel) De omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken op het strand als bedoeld in artikel 4.4, wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 4.98 (strandpaviljoen)
  100. De oppervlakte van een strandpaviljoen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm 'Maximum oppervlakte strandpaviljoen' aangegeven oppervlakte.
  101. In aansluiting op een strandpaviljoen is een terras toegestaan met een oppervlakte van maximaal 300 m².
  102. De bouwhoogte van een strandpaviljoen mag ten hoogste 6 meter bedragen, met dien verstande dat beneden de vloerhoogte slechts bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zonder wanden zijn toegestaan, met uitzondering van opslagruimte en/of kleed- en strandhuisjes met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 25 m². Artikel 4.99 (kleedcabines) Gereserveerd. Artikel 4.100 (openbare sanitaire voorzieningen) Ter plaatse van de Aanduiding 'Openbare sanitaire voorzieningen' bedraagt de oppervlakte per voorziening niet meer dan 15 m
  103. Artikel 4.101 (badposten)
  104. Het aantal badposten bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de Omgevingsnorm 'Maximum aantal badposten'.
  105. De oppervlakte van een badpost mag niet meer bedragen dan 50 m
  106. De bouwhoogte van een badpost mag niet meer bedragen dan 3,5 m. Artikel 4.102 (overige bouwwerken toegestaan)
  107. Bouwwerken ten behoeve van stranddouches en voorzieningen voor het verzamelen van afval van het strand, zijn toegestaan.
  108. De bouwhoogte van bouwwerken zoals bedoeld in lid 1 mag niet meer bedragen dan 2 meter. Artikel 4.103 (aanvulling uitzondering vergunningplicht)
  109. Het verbod, bedoeld in artikel 4.4, geldt in aanvulling op artikel 4.5 ook niet, voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
  110. op de grond staand;
  111. gelegen in achtererfgebied;
  112. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  113. de oppervlakte niet in strijd met de oppervlaktebepalingen in deze paragraaf;
  114. de bouwhoogte: I. niet in strijd met de bouwhoogtebepalingen in deze paragraaf; en II. niet hoger dan 5 m;
  115. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;
  116. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  117. op de grond staand;
  118. de oppervlakte: I. niet in strijd met de oppervlaktebepalingen in deze paragraaf; en II. niet meer dan 70 m2;
  119. de bouwhoogte: I. niet in strijd met de bouwhoogtebepalingen in deze paragraaf; en II. niet hoger dan 5 m; c. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  120. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  121. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  122. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
  123. Het eerste lid is alleen van toepassing, als het gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de regels over het gebruik van bouwwerken in hoofdstuk
  124. Bij toepassing van het eerste lid is artikel 4.5, tweede, derde, vierde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4.2.2.3 Neeltje Jans Artikel 4.104 (dakhelling)
  125. Ter plaatse van het Werkingsgebied Neeltje Jans geldt dat indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, de dakhelling ten hoogste 55° bedraagt.
  126. Ter plaatse van de Aanduiding 'Mobiele horecagelegenheid' geldt dat indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, de dakhelling ten hoogste 20° bedraagt.
  127. Dit artikel geldt in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.
  128. Artikel 4.105 (specifiek maatwerkvoorschrift strandpaviljoen Neeltje Jans)
  129. Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Strandpaviljoen Neeltje Jans'.
  130. Met het oog op het waterkeringsbelang en natuurbelangen kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van: a. de minimale en maximale afstand van strandpaviljoen tot de duinvoet/dijk; b. minimale afstand tot strand- en stenen bermen; c. de constructie van bouwwerken; d. de fundering en in geval van paalfundering aan de paaldiepte en de minimale paalafstand; e. de hoogte van de onderkant van de vloer van ten opzichte van het strand in verband met zandsuppletie op het strand. Afdeling 4.2.3 THEMAGERICHTE REGELS Paragraaf 4.2.3.1 Bodem Paragraaf 4.2.3.2 Bouwen in belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen Paragraaf 4.2.3.3 Bouwen in beschermingszone waterkering Artikel 4.106 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in de Aanduiding 'Beschermingszone waterkering'. Artikel 4.107 (specificatie aanvraagvereisten waterkering) Tot de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.6 behoort in elk geval een advies van de beheerder van de waterkering over het functioneren van de waterkering. Artikel 4.108 (specifieke beoordelingsregel waterkering)
  131. Een bouwwerk wordt alleen toegelaten als dat verenigbaar is met het goed functioneren van de waterkering.
  132. Het eerste lid geldt niet voor zover het gaat om a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van maximaal 3,5 m; b. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
  133. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met het advies bedoeld in artikel 4.
  134. Artikel 4.109 (specifieke vergunningvoorschriften waterkering) Met het oog op het belang van artikel 4.108, eerste lid, kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4 voorschriften worden verbonden. Paragraaf 4.2.3.4 Bouwen in radarverstoringsgebied Artikel 4.110 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in de Aanduiding 'Radarverstoringsgebied''. Artikel 4.111 (specificatie aanvraagvereisten radarverstoringsgebied) Tot de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.6 behoort in elk geval een schriftelijk advies van het ministerie van Defensie over de werking van het Radarstation Wemeldinge en van het radarstation van Vliegbasis Woensdrecht. Artikel 4.112 (specifieke beoordelingsregel radarverstoringsgebied)
  135. Een windturbine met een tiphoogte hoger dan 95 meter, als bedoeld in bijlage XIV onder E uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt alleen toegelaten als die geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het radarbeeld.
  136. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, wordt het advies als bedoeld in artikel 4.111 in acht genomen. Artikel 4.113 (specifieke vergunningvoorschriften radarverstoringsgebied) Met het oog op het belang van artikel 4.112, eerste lid, kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4 voorschriften worden verbonden. Hoofdstuk 5 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Hoofdstuk 6 REGELS OVER AANLEGGEN Afdeling 6.1 GENERIEKE BEPALINGEN Paragraaf 6.1.1 Algemene bepalingen Artikel 6.1 (aanwijzing activiteiten)
  137. Dit hoofdstuk gaat over het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
  138. Dit hoofdstuk gaat niet over werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het bouwen van een bouwwerk. Artikel 6.2 (oogmerken) De regels over aanlegactiviteiten in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. een goede ruimtelijke ordening; b. een goed woon- en leefklimaat; c. een doelmatig en duurzaam gebruik van de ruimte; d. een hoge belevingskwaliteit van de leefomgeving; e. het beschermen van cultureel erfgoed; f. het voorkomen en beperken van hinder; g. het beschermen van de gezondheid; h. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 6.3 (aanvraagvereisten omgevingsvergunning) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over:
  139. de te gebruiken materialen;
  140. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  141. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; b. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Paragraaf 6.1.2 Aanleg of wijziging van een weg Artikel 6.4 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. Artikel 6.5 (specifiek oogmerk) De regels over aanlegactiviteiten in deze paragraaf zijn specifiek gesteld met het oog op het voorkomen en beperken van geluidhinder en het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.6 (aanwijzing activiteiten) Deze paragraaf gaat over de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden: a. het aanleggen van wegen; b. het wijzigen van wegen, waaronder wordt verstaan:
  142. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m;
  143. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m;
  144. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
  145. het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of
  146. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. Artikel 6.7 (vergunningplicht) Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten bedoeld in artikel 6.6 te verrichten. Artikel 6.8 (voldoen aan standaardwaarde)
  147. De aanleg of de wijziging van een weg wordt alleen toegelaten, als het geluid, uitgedrukt als de geluidbelasting Lden, op een geluidgevoelig gebouw niet meer bedraagt dan 53 dB.
  148. In afwijking van het eerste lid kan de wijziging van een weg ook worden toegelaten, als het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet meer bedraagt dan het geluid op dat gebouw op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Artikel 6.9 (overschrijding standaardwaarde of toename)
  149. In afwijking van artikel 6.8, eerste of tweede lid, kan de aanleg of wijziging van een weg ook worden toegelaten als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de waarde, bedoeld in artikel 6.8, eerste of tweede lid, te voldoen; b. de overschrijding van de waarde, bedoeld in artikel 6.8, eerste of tweede lid, door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen, uitgedrukt als de geluidbelasting Lden, niet meer is dan 70 dB; en d. geoordeeld wordt dat het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is.
  150. Bij de toepassing van het eerste lid worden de geluidbeperkende maatregelen in aanmerking genomen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
  151. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het gezamenlijke geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw bepaald en in de omgevingsvergunning vastgelegd. Artikel 6.10 (overschrijding grenswaarde)
  152. In afwijking van artikel 6.9, eerste lid, kan de aanleg of wijziging van een weg ook worden toegelaten als het geluid hoger is dan de grenswaarden bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, onder c, als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen en door een milieudeskundige geoordeeld wordt dat het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is.
  153. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het gezamenlijke geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw bepaald en in de omgevingsvergunning vastgelegd. Afdeling 6.2 GEBIEDSSPECIFIEKE BEPALINGEN Paragraaf 6.2.1 Werken en werkzaamheden in archeologische beleidszones Paragraaf 6.2.2 Werken en werkzaamheden in belemmeringengebieden buisleidingen gevaarlijke stoffen Paragraaf 6.2.3 Werken en werkzaamheden in beschermingszone waterkering Artikel 6.11 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing in de Aanduiding 'Beschermingszone waterkering'. Artikel 6.12 (specifiek oogmerk) De regels over aanlegactiviteiten in deze paragraaf zijn specifiek gesteld met het oog op de bescherming en veiligstelling van de waterkering. Artikel 6.13 (aanwijzing activiteiten) Deze paragraaf gaat over de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a. het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden; b. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; e. het verrichten van grondophogingen; f. het indrijven van voorwerpen; g. het verrichten van graafwerkzaamheden. Artikel 6.14 (vergunningplicht)
  154. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten bedoeld in artikel 6.13 te verrichten.
  155. Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. werken en werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel reeds in uitvoering zijn; b. werken en werkzaamheden die normaal onderhoud en beheer van de waterkering betreffen. Artikel 6.15 (specificatie aanvraagvereisten waterkering) Tot de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 6.3 behoort in elk geval een advies van de beheerder van de waterkering over het functioneren van de waterkering. Artikel 6.16 (specifieke beoordelingsregel waterkering)
  156. De werken en werkzaamheden worden alleen toegelaten als dat verenigbaar is met het goed functioneren van de waterkering.
  157. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met het advies bedoeld in artikel 6.
  158. Paragraaf 6.2.4 Werken en werkzaamheden in natuur Artikel 6.17 (waar deze paragraaf geldt) Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van de Aanduiding 'Natuur'. Artikel 6.18 (specifiek oogmerk) De regels over aanlegactiviteiten in deze paragraaf zijn specifiek gesteld met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van actuele en potentiële landschaps- en natuurwaarden. Artikel 6.19 (aanwijzing activiteiten) Deze paragraaf gaat over de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a. het aanleggen van paden, wegen, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; b. het aanleggen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen, diepploegen of egaliseren van de bodem; d. het verwijderen van grasland; e. het graven of afdammen van sloten of greppels met een bodemdiepte van meer dan 0,50 m beneden het maaiveld; f. het aanbrengen van drainage; g. het op mechanische wijze spitten van pieren en winnen van zand; h. het aanleggen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen; i. het storten en lozen van specie; j. het zuigen en baggeren van specie en schelpen. Artikel 6.20 (vergunningplicht)
  159. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten bedoeld in artikel 6.19 te verrichten.
  160. Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de functie, de waterkering en de waterbeheersing; b. het aanbrengen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen ten behoeve van windenergie; c. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties en apparatuur ten behoeve van windenergie; d. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden. Artikel 6.21 (specificatie aanvraagvereisten natuurgebied) Tot de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 6.3 behoort in elk geval een advies van de landschaps- en natuurdeskundige over de gevolgen van de werken of werkzaamheden voor de landschaps- en natuurwaarden. Artikel 6.22 (specifieke beoordelingsregel)
  161. De werken of werkzaamheden worden alleen toegelaten als de natuur- en landschapswaarden, bedoeld in artikel 6.18: a. niet significant worden of kunnen worden aangetast, of b. de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet significant worden of kunnen worden verkleind, zo nodig door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden over het uitvoeren van mitigerende en zo nodig compenserende maatregelen.
  162. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarde in het eerste lid, wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 6.
  163. Artikel 6.23 (vergunningvoorschriften natuur) Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 6.22, eerste lid, onder b, worden in ieder geval voorschriften verbonden met het oog op het herstel van de natuur- en landschapswaarden. Hoofdstuk 7 REGELS OVER SLOPEN Afdeling 7.1 GENERIEKE BEPALINGEN Afdeling 7.2 GEBIEDSSPECIFIEKE BEPALINGEN Hoofdstuk 8 REGELS OVER KAPPEN VAN HOUTOPSTANDEN Afdeling 8.1 GENERIEKE BEPALINGEN Afdeling 8.2 GEBIEDSSPECIFIEKE BEPALINGEN Hoofdstuk 9 REGELS OVER GEMEENTELIJKE WEGEN Hoofdstuk 10 REGELS OVER GEMEENTELIJKE MONUMENTEN Hoofdstuk 11 REGELS OVER EVENEMENTEN Hoofdstuk 12 REGELS OVER HANDELSRECLAME Hoofdstuk 13 OVERIGE REGELS Hoofdstuk 14 BEHEER EN ONDERHOUD Afdeling 14.1 Bodem Artikel 14.1 (nazorg)
  164. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag, als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die is aangebracht tijdens de sanering van de bodem door middel van een afdeklaag, die heeft plaatsgevonden op grond van artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
  165. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet. Hoofdstuk 15 FINANCIËLE BEPALINGEN Hoofdstuk 16 PROCEDURELE BEPALINGEN Hoofdstuk 17 MONITORING EN INFORMATIE Hoofdstuk 18 OVERGANGSRECHT Afdeling 18.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 18.1 (nieuwe vergunningplicht) Als een activiteit zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en als gevolg van een wijziging van dit omgevingsplan voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wijziging van het omgevingsplan een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van die wijziging van het omgevingsplan. Afdeling 18.2 GEBRUIKSACTIVITEITEN Paragraaf 18.2.1 Zaaksgebonden overgangsrecht Artikel 18.2 (overgangsrecht gebruik)
  166. Het gebruik van grond en bouwwerken dat als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan is strijd is met het plan en bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van die wijziging, mag worden voortgezet.
  167. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  168. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip als bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  169. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan. Paragraaf 18.2.2 Persoonsgebonden overgangsrecht Afdeling 18.3 BOUWWERKEN Artikel 18.3 (overgangsrecht bestaande bouwwerken)
  170. Een bouwwerk dat als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan afwijkt van het plan en op het tijdstip van inwerkingtreding van die wijziging aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. in stand worden gehouden; b. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; c. na het tenietgaan als gevolg van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  171. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip bedoeld in het eerste lid, maar die zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het omgevingsplan zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan. Hoofdstuk 19 GERESERVEERD Hoofdstuk 20 GERESERVEERD Hoofdstuk 21 GERESERVEERD Hoofdstuk 22 REGELS VAN RIJKSWEGE Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  172. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  173. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
  174. De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing indien deze regels afwijken van het bepaalde in de overige hoofdstukken van dit omgevingsplan. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  175. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  176. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  177. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  178. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  179. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  180. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  181. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  182. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  183. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  184. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  185. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  186. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  187. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  188. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  189. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  190. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  191. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  192. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  193. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  194. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  195. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  196. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  197. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  198. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  199. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  200. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  201. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  202. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  203. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  204. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  205. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  206. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  207. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  208. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  209. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  210. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  211. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  212. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  213. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  214. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  215. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  216. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  217. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  218. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  219. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  220. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  221. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  222. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  223. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  224. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  225. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  226. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  227. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  228. op de grond staand;
  229. gelegen in achtererfgebied;
  230. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  231. niet hoger dan 5 m;
  232. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  233. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  234. op de grond staand;
  235. niet hoger dan 5 m; en
  236. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  237. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  238. voorzien van een plat dak;
  239. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  240. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  241. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  242. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  243. niet hoger dan 4 m; en
  244. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  245. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  246. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  247. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  248. een silo; of
  249. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  250. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  251. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  252. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  253. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  254. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  255. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  256. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  257. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  258. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  259. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  260. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  261. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  262. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  263. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  264. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  265. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  266. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.