Dit omgevingsplan regelt het gebruik van gronden en bouwwerken in de gemeente Bronckhorst, met een focus op agrarische activiteiten en ontwikkelingen in een overgangsfase. Het stelt regels vast voor wat wel en niet is toegestaan binnen verschillende agrarische gebieden.
paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Artikel 21.3 Toegelaten activiteiten Een locatie en daarop aanwezige bouwwerken worden alleen gebruikt voor activiteiten die daar zijn toegelaten volgens dit hoofdstuk. Afdeling 21.2 Agrarisch Paragraaf 21.2.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.4 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Agrarisch Paragraaf 21.2.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.5 Toelaten activiteiten - agrarisch
het bestemmingsplan Landelijk gebied.
artikel 21.5, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van: a. landschapselementen; b. landschappelijke waarden, zoals de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap zoals vastgelegd in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van de Omgevingsverordening Gelderland; c. specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO), zoals
het tweede lid, aanhef en onder b met in begrip van de oppervlakte aan activiteiten die worden verricht op grond van die leden.
het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor opslag, anders dan het opslaan van hooibalen; c. het opslaan van hooibalen bouwen het bouwvlak, gedurende een periode van langer dan 6 weken; d. het huisvesten van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en tijdelijke arbeidsplaatsen; e. het gebruiken van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf; f. het bewerken, verwerken en vergisten van mest afkomstig van derden; g. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor kuilvoer- en mestplaten tenzij een vergunning is verleend als
In het gebied Agrarisch-stedelijk gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten ook altijd verboden: a. het opslaan, storten of lozen van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het in dit omgevingsplan toegelaten gebruik van de grond en opstallen. Artikel 21.12 Verboden gebruiksactiviteiten – toename van stikstofemissie - landelijk gebied
het eerste lid. 5. Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als
het eerste lid. 6. Als uitzondering op het tweede tot en met vijfde lid is er geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer de emissie N/kg/jaar afkomstig van het agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het gebruik van gronden en bouwwerken als
het tweede of vierde lid of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de het agrarisch bedrijf als
het derde of vijfde lid conform een verleende en onherroepelijke natuurvergunning waarvoor een passende beoordeling is gemaakt en opgenomen in bijlage VI.
het eerste lid wordt verleend als: a. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; b. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor bed & breakfast al dan niet in combinatie met groepskamperen als
de oppervlakte die wordt gebruikt voor bed & breakfast is niet meer dan 500 m2; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; e. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen,
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als
artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; h. wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.
het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfuncties zijn opgenomen in bijlage V; b. de (gezamenlijke) oppervlakte van bebouwing voor recreatiewoningen, recreatieappartementen, voorzieningen voor bed & breakfast, trekkershutten en kampeerterrein inclusief kleinschalige horecavoorzieningen, niet meer is dan 500 m²; c. de oppervlakte van bebouwing voor horecavoorzieningen niet meer is dan 50 m2; d. een eventuele horecavoorziening uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen; e. er alleen gebruik gemaakt wordt van nieuwe of niet-karakteristieke bebouwing als het gebruik van bestaande karakteristieke bebouwing naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is; f. niet meer dan 3 trekkershutten worden gerealiseerd; g. voor wat betreft recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties: er sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie voor recreatieve doeleinden; h. voor wat betreft kampeerterreinen: er sprake is van een kampeerterrein, met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); i. het aantal kampeerplaatsen is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Omgevingsnorm kampeerplaatsen; j. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; k. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor deze recreatieve functies; l. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in het bijzonder de belangen,
er geen buitenopslag plaatsvindt; n. de activiteiten plaatsvinden in fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen, dan wel in nieuwe gebouwen voor zover dit wordt gecompenseerd door sloop van niet-karakteristieke bebouwing; o. nieuwbouw als
onderdeel l uitsluitend kleinschalig is, en aansluit bij de bestaande karakteristieken; p. wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; q. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredige wordt aangetast; r. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; s. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; t. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als
artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; u. er wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.
het eerste lid wordt een bedrijfs- en inrichtingsplan overgelegd.
het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; c. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor groepskamperen al dan niet in combinatie met bed & breakfast als
artikel Artikel 21.13; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; e. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen,
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als
artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen; h. wordt voldaan wordt aan de regels van afdeling 22.
het tweede lid wordt verleend als: a. de activiteit betrekking heeft op een nevenfunctie als
de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); c. het kleinschalig kampeerterrein wordt gesitueerd:
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; m. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als
artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen; n. wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.
het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder k. Artikel 21.17 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - mestbewerking - landelijk gebied
het tweede lid wordt verleend als: a. uitsluitend mest wordt bewerkt, verwerkt of vergist die van het eigen bedrijf afkomstig is; b. de hoeveelheid te verwerken mest op jaarbasis niet meer is dan 20.000 ton; c. de activiteiten uitsluitend plaatsvinden binnen het bouwvlak; d. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leiden tot onevenredige verkeerstoename; e. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag gelet op milieuhygiënische eisen inpasbaar zijn; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, waaronder de belangen
4. Met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder e wordt in elk geval voldaan aan de regels over geur als
paragraaf 22.3.
het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfunctie op oogpunt is naar het oordeel van het bevoegd gezag in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar met een toegelaten nevenfunctie als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
4. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
het tweede lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder f. Artikel 21.19 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – oppervlakte nevenfunctie - landelijk gebied
het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfunctie in bijlage V is aangeduid met ‘N’; b. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in het bijzonder de belangen,
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; d. niet meer dan 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor de nevenfunctie; e. de oppervlakte die wordt gebruikt voor de nevenfunctie is niet meer dan aangegeven in het vierde lid; f. de nevenfunctie vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering; g. voor de grotere oppervlakte gebruik wordt gemaakt van fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen; h. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; i. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; j. parkeren en laden en lossen vindt plaats op eigen erf; k. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast. 4. De oppervlakte als
het derde lid, aanhef en onder e is: a. voor dagrecreatie niet meer dan 750 m2; b. voor zorg niet meer dan 750 m2; c. voor opslag niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte nevenfunctie; d. voor overige nieuwe economische dragers als nevenfunctie niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte nevenfunctie. 5. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
het tweede lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder c. Artikel 21.20 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - plattelandswoning - landelijk gebied
het eerste lid wordt verleend als: a. de plattelandswoning wordt gerealiseerd in het bouwvlak; b. de aanvraag betrekking heeft op een reeds aanwezige (tweede of derde) bedrijfswoning met dien verstande dat geen vergunning wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op:
artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen. 4. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
het tweede lid wordt een luchtkwaliteitsonderzoeksrapport overgelegd met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder d.
Artikel 21.23 Bouwregels gebouwen
het bestemmingsplan Landelijk gebied.
13. De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan
het tweede tot en met twaalfde lid, is maximaal 6 meter. Artikel 21.26 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – buiten het bouwvlak 1. Het is verboden een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen buiten het bouwvlak, met uitzondering van de bouwwerken,
het tweede tot en met vijfde lid.
de bestemmingen ‘Agrarisch’, 'Wonen’, ‘Wonen – 1’, ‘Wonen- 2' of 'Wonen - Landhuis' die van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied.
het tweede tot en met vierde lid, maximaal 4 meter. Artikel 21.27 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - mestsilo - landelijk gebied 1. Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied. 2. Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 die betrekking heeft op een mestsilo die hoger is dan is toegelaten volgens Artikel 21.25, wordt verleend als: a. de bouwhoogte van de mestsilo niet meer is dan de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf; b. de goothoogte van de mestsilo niet meer is dan de helft van de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf; c. de grotere hoogte naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de activiteiten,
naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld; e. de bouwactiviteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen,
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Artikel 21.28 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – mestsilo - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
.27 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
Artikel 21.29 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - paardenbak buiten bouwvlak - landelijk gebied
artikel 22.26 die betrekking heeft op een paardenbak die in strijd is met Artikel 21.26. 3. Een omgevingsvergunning als
het eerste lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten,
de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen het bouwvlak; b. de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend aan het eigen bouwvlak; c. wordt voldaan aan het vijfde lid. 4. Een omgevingsvergunning als
tweede lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten
de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd in het gebied Wonen - landelijk gebied; b. de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend of binnen een afstand van 50 meter van de grens van het gebied, bedoeld onder a; c. wordt voldaan aan het vijfde lid. 5. Een omgevingsvergunning als
het derde of vierde lid wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte van de paardenbak niet meer is dan 1.500 m2; b. de afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden niet minder is dan 50 meter; c. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot extra (licht)hinder voor omwonenden; d. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in het bijzonder de belangen,
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden; g. wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten,
paragraaf 22.3.
.29 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
Artikel 21.31 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid buiten bouwvlak 1. Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid voor vee buiten het bouwvlak wordt verleend als: a. de bebouwing, gezien de specifieke situatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet binnen het bouwvlak kan worden geplaatst; b. de schuilgelegenheid wordt gebouwd op een terrein met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 1 hectare; c. de goothoogte niet meer is dan 2,5 meter; d. de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter; e. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer is dan 30 m2; f. de afstand van de schuilgelegenheid tot woningen van derden niet minder is dan 30 meter; g. de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel is gesitueerd en landschappelijk wordt ingepast 2. In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning in het gebied Agrarisch - landelijk gebied alleen verleend als realisatie van de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen,
3. Een omgevingsvergunning als
het eerste lid wordt niet verleend voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor hobbydieren als
Artikel 21.32 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - sleufsilo buiten bouwvlak - landelijk gebied
artikel 22.26 die betrekking heeft op een sleufsilo die in strijd is met Artikel 21.26 wordt verleend als: a. situering van de sleufsilo binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is; b. de sleufsilo direct aangrenzend aan het bouwvlak wordt gebouwd; c. de hoogte van de sleufsilo niet meer is dan 2 meter; d. de oppervlakte van de sleufsilo niet meer is dan 500 m2; e. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. realisatie van de sleufsilo naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen,
wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten,
paragraaf 22.3.6. Artikel 21.33 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – sleufsilo buiten bouwvlak - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
.32 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
Artikel 21.34 Maatwerkvoorschriften
Artikel 21.35 Voorwaardelijke verplichtingen – landschappelijke inpassing
het tweede lid, ook voor: a. aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; b. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken; c. het wijzigen van het verkavelingspatroon. 4. In het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur geldt het verbod,
het tweede lid ook voor: a. draineren; b. diepploegen; c. het scheuren van grasland. Artikel 21.38 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen - landelijk gebied Het verbod,
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is. Artikel 21.39 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen - landelijk gebied Een omgevingsvergunning als
.37 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van: a. de bodemstructuur, het bodemniveau en de waterhuishouding; b. het reliëfrijke karakter van de bolle akkers; c. de belangen,
Afdeling 21.3 Archeologische verwachting Paragraaf 21.3.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.40 Toepassingsbereik In deze afdeling staan regels over het gebied Archeologische verwachting. Paragraaf 21.3.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Paragraaf 21.3.3 Bouwen Artikel 21.41 Toegelaten activiteiten – archeologische verwachting In het gebied Archeologische verwachting mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties. Artikel 21.42 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt gedaan of kan worden gedaan aan de archeologische waarden. 2. Voor zover het bevoegd gezag dat nodig acht, wordt, in aanvulling op het eerste lid, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat proefsleuvenonderzoek of een opgraving heeft plaatsgevonden. Artikel 21.44 Advies archeoloog Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als
.43 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Artikel 21.45 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Als uit het rapport,
.42, eerste lid, of de andere beschikbare informatie,
.42, tweede lid, aanhef en onder a, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 21.46 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting en het gebruik van gronden als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. Paragraaf 21.3.4 Aanleggen Artikel 21.47 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld over een oppervlakte met een oppervlakte die groter is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen; c. verlagen van de bodem verlagen; d. het of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; e. verlagen van het waterpeil; f. tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g. uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i. aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 21.48 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen Het verbod,
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt; e. als de activiteit betrekking heeft op een rijksmonument; f. als is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, dan wel andere beschikbare informatie; g. voor werken en werkzaamheden als
.47, aanhef en onderdeel c of d, voor zover hiervoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit is vereist. Artikel 21.49 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Een vergunning als
de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast. Artikel 21.50 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als
.47 wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld. 2. Het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Artikel 21.51 Advies archeoloog Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als
.49 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Artikel 21.52 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het bevoegd gezag kan één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Afdeling 21.4 Bedrijf Paragraaf 21.4.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.53 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Bedrijf. Paragraaf 21.4.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.54 toegelaten activiteiten – bedrijf In het gebied Bedrijf (landelijk gebied) mogen gronden gebruikt worden voor: a. niet-agrarische bedrijven; b. detailhandel in zelf vervaardigde en/of voortgebrachte producten; c. parkeervoorzieningen, alleen op eigen terrein; d. groenvoorzieningen; e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop; h. bed & breakfast; i. grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie voor de eigen energievoorziening. Artikel 21.55 toegelaten activiteiten – niet-agrarisch bedrijf 1. In het gebied Bedrijf Pluimersdijk 25-25A Halle Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten zijn een agrarisch loonbedrijf, akkerbouwbedrijf, landmechanisatiebedrijf en verhuur van werktuigen en landbouwmachines; b. de oppervlakte van het bedrijfsbebouwing, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(
artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. activiteiten waarop paragraaf 5.1.2 en bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn (risicoveroorzakende activiteiten). Artikel 21.60 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken: buitenopslag
het eerste lid wordt verleend als: a. de grotere oppervlakte dient ten behoeve van een gebiedsgebonden bedrijf; b. bij uitbreiding van de oppervlakte buitenopslag boven de 250 m2 of boven de in Artikel 21.55 opgenomen specifieke oppervlakte, per m2 uitbreiding buitenopslag 2 m2 sloop elders wordt gerealiseerd; c. de verruiming van de mogelijkheden naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefenen van de op de locatie toegelaten activiteiten; d. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Artikel 21.61 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - toegelaten functie 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning functieverandering te realiseren en gronden te gebruiken voor een niet-agrarisch bedrijf dat niet is toegelaten op grond van Artikel 21.55. 2. Een omgevingsvergunning als
het eerste lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende activiteiten, anders dan detailhandel: a. een activiteit als
bijlage V; b. een activiteit die qua aard en omvang en invloed op het milieu vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
het eerste lid wordt verleend als is voldaan aan het tweede lid en: a. voor de oppervlakte van de bedrijfsactiviteitactiviteit wordt voldaan aan Artikel 21.55; b. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag milieuhygiënisch inpasbaar zijn; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; e. parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf; f. de verkeersafwikkeling naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; g. naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; h. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden; i. de aanwezige waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; j. geen sprake is van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als
artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 4. Met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan: a. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als
5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. de regels van afdeling 22.
het eerste lid een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
het derde lid, aanhef en onder g. Artikel 21.62 Voorwaardelijke verplichtingen – landschappelijke inpassing
3. De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan
het eerste en het tweede lid, is maximaal 6 meter. Artikel 21.68 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwen: oppervlakte
het eerste lid wordt verleend als: a. de uitbreiding niet meer is dan 10% van de oppervlakte als genoemd in Artikel 21.55; b. de uitbreiding van de bedrijfsfunctie naar het oordeel van het bevoegd gezag op verantwoorde wijze milieuhygiënisch inpasbaar is; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; d. voor wat betreft parkeren is voldaan aan Artikel 21.200; e. parkeren en laden en lossen plaatsvinden plaats op eigen erf; f. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd niet onevenredige wordt aangetast; g. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; h. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden. 3. Met het oog op de beoordeling als
het tweede lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan de regels van afdeling 22.3. 4. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
het eerste lid wordt een inrichtingsplan landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
het tweede lid, aanhef en onder g. Paragraaf 21.4.4 Aanleggen Afdeling 21.5 Beschermingszone Natte Natuurparel Paragraaf 21.5.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.69 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel . Paragraaf 21.5.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.70 Toegelaten activiteiten – beperkingengebied natte natuurparel In het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die hogen bij andere hoofdfuncties. Paragraaf 21.5.3 Bouwen Paragraaf 21.5.4 Aanleggen Artikel 21.71 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm onder straatpeil een en ander voor zover geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit vereist is; b. aanleggen van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage; c. verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk. Artikel 21.72 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen Het verbod, bedoel in Artikel 21.71, geldt niet voor: a. werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak; b. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met uitzondering van permanente teeltondersteunende voorzieningen. Artikel 21.73 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Een vergunning als
.71 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van: a. de waterhuishoudkundige situatie; b. de daarmee samenhangende (natuur)waarden. Afdeling 21.6 Bos Paragraaf 21.6.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.74 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Bos. Paragraaf 21.6.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.75 Toegelaten activiteiten – bos In het gebied Bos mogen gronden gebruikt worden voor: a. bos met bijbehorende voorzieningen; b. houtproductie; c. extensief recreatief medegebruik; d. water en waterlopen; e. nutsvoorzieningen; f. (recreatieve) voet- en fietspaden. Artikel 21.76 Oogmerken Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten,
bescherming van droge en natte natuur- en landschapswaarden; b. het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO); c. bescherming van cultuurhistorische waarden; d. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen. Artikel 21.77 Toegelaten activiteiten – voet- en fietspaden Gronden mogen alleen worden gebruikt voor (recreatieve) voet- en fietspaden die legaal aanwezig waren op het moment dat Artikel 21.75 op die locatie van toepassing is geworden. Artikel 21.78 verboden gebruiksactiviteiten Het is verboden een pad ongeschikt te maken als (recreatieve) route. Artikel 21.79 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - groepskamperen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen. 2. Een omgevingsvergunning als
het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen,
3. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de inrichting van het terrein; b. de plaatsing van kampeermiddelen op het terrein; c. het aantal personen op het terrein. Paragraaf 21.6.3 Bouwen Artikel 21.80 Bouwregels gebouwen Het is verboden een gebouw te bouwen, anders dan een schuilgelegenheid als
Artikel 21.81 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid wordt verleend als: a. de schuilgelegenheid ten dienste staat van natuurbeheer; b. de hoogte niet meer is dan 4 meter; c. de oppervlakte niet meer is dan 30 m²; d. het aantal schuilgelegenheden niet meer is dan 1 per 25 aaneengesloten ha bos- en natuurgebied waarop van toepassing is: 1. Artikel 21.74; 2. Artikel 21.93; of 3. de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ als
het bestemmingsplan Landelijk gebied; e. het oprichten van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als
Artikel 21.82 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
het tweede of derde lid is maximaal 1 meter. Artikel 21.83 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken – afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw Een omgevingsvergunning als
artikel 21.27 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.82, eerste, tweede of derde lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als
Paragraaf 21.6.4 Aanleggen Artikel 21.84 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem; b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; c. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten; d. aanleggen en (half)verharden van wegen; e. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen dan bedoeld onder d, groter dan 200 m²; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur; g. het verwijderen van onverharde wegen. Artikel 21.85 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen - landelijk gebied Het verbod,
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoegd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. de aanleg van een centrale parkeervoorziening in halfverharding. Artikel 21.86 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen 1. Een omgevingsvergunning als
.84 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden: a. geen onevenredige aantasting optreedt van de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap of de waterhuishouding; b. geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen als
voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als
.84, aanhef en onderdeel g alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van (recreatieve) routes. Afdeling 21.7 Maatschappelijk Paragraaf 21.7.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.87 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Maatschappelijk . Paragraaf 21.7.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.88 Toegelaten activiteiten – maatschappelijk
artikel 22.26 voor een gebouw dat dichter bij de perceelsgrens wordt gebouwd dan is toegelaten op grond van Artikel 21.90, vijfde lid. 2. Een omgevingsvergunning als
het eerste lid wordt verleend als: a. sprake is van verbouw en/of uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw, voor zover het bestaande bedrijfsgebouw al dichter bij de perceelsgrens is gelegen; b. de afstand tot de perceelsgrens niet kleiner wordt dan bij het bestaande bedrijfsgebouw; c. de hoogte van het gebouw binnen 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer is dan de hoogte van het bestaande bedrijfsgebouw(gedeelte) in dat gebied; d. wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.191; d. naar het oordeel van het bevoegd gezag:
het tweede lid, onder e, kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden over de inrichting van het terrein en met name de inrichting en situering van parkeervoorzieningen. Artikel 21.92 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
het tweede lid is maximaal 4 meter. Afdeling 21.8 Natuur Paragraaf 21.8.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.93 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Natuur. Paragraaf 21.8.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.94 Toegelaten activiteiten – natuur In het gebied Natuur mogen gronden gebruikt worden voor: a. natuur; b. bos met bijbehorende voorzieningen; c. houtproductie; d. extensief agrarisch grondgebruik; e. extensief recreatief grondgebruik; f. nutsvoorzieningen; g. water en watergangen; h. bestaande (recreatieve) voet- en fietspaden; i. kikkerpoel. Artikel 21.95 Oogmerken Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten,
de instandhouding en ontwikkeling van de droge en natte natuurwaarden en de landschapswaarden; b. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen; c. het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO). Artikel 21.96 Toegelaten activiteiten – voet- en fietspaden Gronden mogen alleen worden gebruikt voor (recreatieve) voet- en fietspaden die legaal aanwezig waren op het moment dat Artikel 21.94 op die locatie van toepassing is geworden. Artikel 21.97 Verboden gebruiksactiviteiten 1. Het is verboden een pad ongeschikt te maken als recreatieve route. 2. Het is verboden gronden te gebruiken voor natuurkampeerterreinen. Artikel 21.98 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - groepskamperen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen. 2. Een omgevingsvergunning als
het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen,
3. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de inrichting van het terrein; b. de plaatsing van kampeermiddelen op het terrein; c. het aantal personen op het terrein. Paragraaf 21.8.3 Bouwen Artikel 21.99 Bouwregels gebouwen Het is verboden een gebouw te bouwen, anders dan een schuilgelegenheden als
Artikel 21.100 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid wordt verleend als: a. de schuilgelegenheid ten dienste staat van natuurbeheer; b. de hoogte niet meer is dan 4 meter; c. de oppervlakte niet meer is dan 30 m²; d. het aantal schuilgelegenheden niet meer is dan 1 per 25 aaneengesloten hectarea bos- en natuurgebied waarop van toepassing is: 1. Artikel 21.93 2. Artikel 21.74; of 3. de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ als
het bestemmingsplan Landelijk gebied; e. het oprichten van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als
Artikel 21.101 Bouwregels gebouwen, geen gebouwen zijnde
het eerste of tweede lid is maximaal 1 meter. Artikel 21.102 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken - afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw zijnde Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.101, eerste of tweede lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatigere uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als
.95 Paragraaf 21.8.4 Aanleggen Artikel 21.103 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem; b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; c. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten; d. aanleggen en (half)verharden van wegen; e. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen dan bedoeld onder d, groter dan 200 m²; f. het scheuren van grasland; g. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben; h. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur; i. het verwijderen van onverharde wegen. Artikel 21.104 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen - landelijk gebied Het verbod,
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoegd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is. Artikel 21.105 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen 1. Een omgevingsvergunning als
.103 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden: a. geen onevenredige aantasting optreedt van de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap of de waterhuishouding; b. geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen als
2. In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als
.103, aanhef en onderdeel i alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van (recreatieve) routes. Afdeling 21.9 Recreatiewoning Paragraaf 21.9.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.106 toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Recreatiewoning. Paragraaf 21.9.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.107 toegelaten activiteiten – recreatiewoning In het gebied Recreatiewoning mogen gronden gebruikt worden voor: a. recreatieve doeleinden in de vorm van recreatiewoningen; b. bijbehorende voorzieningen. Paragraaf 21.9.3 Bouwen Artikel 21.108 bouwregels bouwwerken - recreatiewoning
het eerste tot en met derde lid, is maximaal 4 meter. Artikel 21.111 binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit afwijken bouwregels: hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
het eerste lid wordt verleend als: a. de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger gebruik van de gronden in overeenstemming met Artikel 21.
2. Een vergunning als
het eerste lid wordt verleend als: a. wordt gebouwd ten behoeve van een gebruiksactiviteit die op grond van deze afdeling op die locatie is toegelaten; b. wordt voldaan aan de regels voor het bouwen van bouwwerken die voor die gebruiksactiviteit van toepassing zijn; c. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit hoofde van bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van de vergunning. 3. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning als
het eerste lid wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder. Paragraaf 21.10.4 Aanleggen Artikel 21.116 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. aanleggen van wegen of paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. graafwerkzaamheden; c. heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen; d. aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; e. wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoping; f. vellen of rooien van houtgewas; g. aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur van 2,5 meter of hoger. Artikel 21.117 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen Het verbod,
werken en werkzaamheden waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt; b. werken en werkzaamheden die op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt in uitvoering waren; c. werken en werkzaamheden in het kader van het normale onderhoud van leidingen; d. werken en werkzaamheden die vallen onder de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. Artikel 21.118 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Een omgevingsvergunning als
.116 wordt verleend als, naar oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico’s ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast. Artikel 21.119 Advies binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
Afdeling 21.11 Verblijfsrecreatie Paragraaf 21.11.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.120 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Verblijfsrecreatie. Paragraaf 21.11.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.121 Toegelaten activiteiten – verblijfsrecreatie In het gebied Verblijfsrecreatie mogen gronden gebruikt worden voor a. recreatieve doeleinden, zoals:
het eerste lid is maximaal 2,5 meter. Artikel 21.133 specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactvitieit bouwwerken – afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.132, eerste of tweede lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten. Afdeling 21.12 Verkeer Paragraaf 21.12.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.134 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Verkeer. Paragraaf 21.12.2 Gebruik van de fysieke leefomgeving Artikel 21.135 toegelaten activiteiten - verkeer
het eerste lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger gebruik van de gronden in overeenstemming met artikel 21.12. Afdeling 21.13 Water Paragraaf 21.13.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.139 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Water. Paragraaf 21.13.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.140 Toegelaten activiteiten – water In het gebied Water mogen gronden gebruikt worden voor: a. waterhuishoudkundige doeleinden; b. groenvoorzieningen; c. bijbehorende voorzieningen zoals bermen en beschoeiing; d. het beheer en onderhoud van watergangen en retentievoorzieningen. Artikel 21.141 Oogmerken Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten,
instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden. Paragraaf 21.13.3 Bouwen Artikel 21.142 Bouwregels gebouwen Het is verboden een gebouw te bouwen. Artikel 21.143 bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde is maximaal 4 meter. Afdeling 21.14 Waterberging Paragraaf 21.14.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.144 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Waterberging . Paragraaf 21.14.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.145 Toegelaten activiteiten – waterberging In het gebied Waterberging mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties. Paragraaf 21.14.3 Bouwen Artikel 21.146 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - waterberging 1. Artikel 22.36 is niet van toepassing. 2. Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 die betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van de verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt geschaad: a. een bouwwerk ten behoeve van een hoofdfunctie, anders dan waterberging, die op die locatie is toegelaten; b. een gebouw; c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een hoogte van meer dan 2 meter.
.147 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterbergingscapaciteit van de gronden. Artikel 21.150 Advies waterbeheerder Het bevoegd gezag wint advies in bij de waterbeheerder over de beoordeling als
.149 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Afdeling 21.15 Waterkering Paragraaf 21.15.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.151 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Waterkering. Paragraaf 21.15.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.152 Toegelaten activiteiten – waterkering In het gebied Waterkering mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties. Paragraaf 21.15.3 Bouwen Artikel 21.153 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - waterkering 1. Artikel 22.36 is niet van toepassing. 2. Een omgevingsvergunning als
artikel 22.26 die betrekking heeft op een bouwwerk ten behoeve van een hoofdfunctie, anders dan waterkering, die op die locatie is toegelaten, wordt alleen verleend als de belangen van de waterkering naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad. Artikel 21.154 Advies waterbeheerder Het bevoegd gezag wint advies in bij de waterbeheerder over de beoordeling als
.153 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Afdeling 21.16 Wonen Paragraaf 21.16.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.155 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Wonen. Paragraaf 21.16.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.156 Toegelaten activiteiten – wonen
3. Een omgevingsvergunning als
het tweede lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende nevenfuncties: a. nevenfuncties als
bijlage V, met uitzondering van verblijfsrecreatie, detailhandel of horeca (anders dan een theetuin); b. activiteiten die in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder 2.a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3: 1. van de nevenfunctie als milieubelastende activiteit; 2. op de nevenfunctie van nabij gelegen milieubelastende activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning als
het tweede lid wordt verleend als is voldaan aan het derde lid en: a. alleen bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen worden gebruikt en er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt ten behoeve van de nevenfunctie(s); b. alleen vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen worden gebruikt voor de nevenfunctie(s); c. niet meer dan 50% van deze bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de nevenfunctie(s), tot een maximum van 350 m2; d. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij "overige gebouwen" bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; f. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; g. parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; i. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; j. de volgende waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast: 1. de belangen als
landschappelijke waarden als
de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ als bedoeld het bestemmingsplan Landelijk gebied; 3. landschappelijke en natuurwaarden als
de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’ als
van het bestemmingsplan Landelijk gebied; k. de oppervlakte van een theetuin niet meer is dan 50 m2. Artikel 21.159 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – nevenfuncties - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als
.158 een inrichtingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als
Artikel 21.160 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – kleinschalig kampeerterrein - landelijk gebied
het tweede lid wordt verleend als: a. de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); b. het kampeerterrein wordt gerealiseerd op een locatie die is gelegen buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO); c. het kampeerterrein wordt gerealiseerd in het gebied Wonen - landelijk gebied; d. van de bebouwde oppervlakte wordt niet meer dan 100 m² gebruikt voor het kleinschalige kampeerterrein (inclusief trekkershutten); e. voor trekkershutten:
het tweede lid kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inrichtingsplan wordt overgelegd. Artikel 21.161 voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.