Omgevingsplan gemeente Bronckhorst (Bronckhorst)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan regelt het gebruik van gronden en bouwwerken in de gemeente Bronckhorst, met een focus op agrarische activiteiten en ontwikkelingen in een overgangsfase. Het stelt regels vast voor wat wel en niet is toegestaan binnen verschillende agrarische gebieden.
Voor wie: Eigenaren en gebruikers van gronden en bouwwerken in de gemeente Bronckhorst, met name in agrarische gebieden; Agrarische bedrijven die nevenfuncties willen uitoefenen of teeltondersteunende voorzieningen willen plaatsen.
Termijnen:
- Teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan onder specifieke voorwaarden, zoals maximale hoogtes (bijv. 1,50 meter of 3,50 meter) en oppervlaktes (bijv. 1000 m² of 5000 m² per bouwvlak), en tijdelijkheid (maximaal 8 maanden).
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 524
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het gebruik van gronden en bouwwerken voor diverse activiteiten, met name agrarische.
- De toegestane nevenfuncties bij agrarische bedrijven.
- De toepassing van teeltondersteunende voorzieningen.
- Specifieke verboden gebruiksactiviteiten in agrarische gebieden.
Voor wie geldt deze regeling?
- Eigenaren en gebruikers van gronden en bouwwerken in de gemeente Bronckhorst, met name in agrarische gebieden.
- Agrarische bedrijven die nevenfuncties willen uitoefenen of teeltondersteunende voorzieningen willen plaatsen.
Wat zijn de kernpunten?
- Begrippen uit dit plan zijn gedefinieerd in de Omgevingswet en bijbehorende besluiten.
- In het gebied "Agrarisch - landelijk gebied" is maximaal één agrarisch bedrijf per bouwvlak toegestaan.
- Nevenfuncties bij agrarische bedrijven zijn beperkt tot maximaal 350 m² van de bedrijfsgebouwen en specifieke typen, met uitzonderingen voor detailhandel (maximaal 50m²) en horeca (maximaal 50m²).
- Teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan onder specifieke voorwaarden, zoals maximale hoogtes (bijv. 1,50 meter of 3,50 meter) en oppervlaktes (bijv. 1000 m² of 5000 m² per bouwvlak), en tijdelijkheid (maximaal 8 maanden).
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (524)
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2
- Artikel 21.1
- Artikel 21.2
- Artikel 21.3
- Artikel 21.4
- Artikel 21.5
- Artikel 21.6
- Artikel 21.7
- Artikel 21.8
- Artikel 21.9
- Artikel 21.10
- Artikel 21.11
- Artikel 21.12
- Artikel 21.13
- Artikel 21.14
- Artikel 21.15
- Artikel 21.16
- Artikel 21.17
- Artikel 21.18
- Artikel 21.19
- Artikel 21.20
- Artikel 21.21
- Artikel 21.22
- Artikel 21.23
- Artikel 21.24
- Artikel 21.25
- Artikel 21.26
- Artikel 21.27
- Artikel 21.28
- Artikel 21.29
- Artikel 21.30
- Artikel 21.31
- Artikel 21.32
- Artikel 21.33
- Artikel 21.34
- Artikel 21.35
- Artikel 21.36
- Artikel 21.37
- Artikel 21.38
- Artikel 21.39
- Artikel 21.40
- Artikel 21.41
- Artikel 21.42
- Artikel 21.43
- Artikel 21.44
- Artikel 21.45
- Artikel 21.46
- Artikel 21.47
- Artikel 21.48
- Artikel 21.49
- Artikel 21.50
- Artikel 21.51
- Artikel 21.52
- Artikel 21.53
- Artikel 21.54
- Artikel 21.55
- Artikel 21.56
- Artikel 21.57
- Artikel 21.58
- Artikel 21.59
- Artikel 21.60
- Artikel 21.61
- Artikel 21.62
- Artikel 21.63
- Artikel 21.64
- Artikel 21.65
- Artikel 21.66
- Artikel 21.67
- Artikel 21.68
- Artikel 21.69
- Artikel 21.70
- Artikel 21.71
- Artikel 21.72
- Artikel 21.73
- Artikel 21.74
- Artikel 21.75
- Artikel 21.76
- Artikel 21.77
- Artikel 21.78
- Artikel 21.79
- Artikel 21.80
- Artikel 21.81
- Artikel 21.82
- Artikel 21.83
- Artikel 21.84
- Artikel 21.85
- Artikel 21.86
- Artikel 21.87
- Artikel 21.88
- Artikel 21.89
- Artikel 21.90
- Artikel 21.91
- Artikel 21.92
- Artikel 21.93
- Artikel 21.94
- Artikel 21.95
- Artikel 21.96
- Artikel 21.97
- Artikel 21.98
- Artikel 21.99
- Artikel 21.100
- Artikel 21.101
- Artikel 21.102
- Artikel 21.103
- Artikel 21.104
- Artikel 21.105
- Artikel 21.106
- Artikel 21.107
- Artikel 21.108
- Artikel 21.109
- Artikel 21.110
- Artikel 21.111
- Artikel 21.112
- Artikel 21.113
- Artikel 21.114
- Artikel 21.115
- Artikel 21.116
- Artikel 21.117
- Artikel 21.118
- Artikel 21.119
- Artikel 21.120
- Artikel 21.121
- Artikel 21.122
- Artikel 21.123
- Artikel 21.124
- Artikel 21.125
- Artikel 21.126
- Artikel 21.127
- Artikel 21.128
- Artikel 21.129
- Artikel 21.130
- Artikel 21.131
- Artikel 21.132
- Artikel 21.133
- Artikel 21.134
- Artikel 21.135
- Artikel 21.136
- Artikel 21.137
- Artikel 21.138
- Artikel 21.139
- Artikel 21.140
- Artikel 21.141
- Artikel 21.142
- Artikel 21.143
- Artikel 21.144
- Artikel 21.145
- Artikel 21.146
- Artikel 21.147
- Artikel 21.148
- Artikel 21.149
- Artikel 21.150
- Artikel 21.151
- Artikel 21.152
- Artikel 21.153
- Artikel 21.154
- Artikel 21.155
- Artikel 21.156
- Artikel 21.157
- Artikel 21.158
- Artikel 21.159
- Artikel 21.160
- Artikel 21.161
- Artikel 21.162
- Artikel 21.163
- Artikel 21.164
- Artikel 21.165
- Artikel 21.166
- Artikel 21.167
- Artikel 21.168
- Artikel 21.169
- Artikel 21.170
- Artikel 21.171
- Artikel 21.172
- Artikel 21.173
- Artikel 21.174
- Artikel 21.175
- Artikel 21.176
- Artikel 21.177
- Artikel 21.178
- Artikel 21.179
- Artikel 21.180
- Artikel 21.181
- Artikel 21.182
- Artikel 21.183
- Artikel 21.184
- Artikel 21.185
- Artikel 21.186
- Artikel 21.187
- Artikel 21.188
- Artikel 21.189
- Artikel 21.190
- Artikel 21.191
- Artikel 21.192
- Artikel 21.193
- Artikel 21.194
- Artikel 21.195
- Artikel 21.196
- Artikel 21.197
- Artikel 21.198
- Artikel 21.199
- Artikel 21.200
- Artikel 21.201
- Artikel 21.202
- Artikel 21.203
- Artikel 21.204
- Artikel 21.205
- Artikel 21.206
- Artikel 21.207
- Artikel 21.208
- Artikel 21.209
- Artikel 21.210
- Artikel 21.211
- Artikel 21.212
- Artikel 21.213
- Artikel 21.214
- Artikel 21.215
- Artikel 21.216
- Artikel 21.217
- Artikel 21.218
- Artikel 22.1
- Artikel 22.2
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7
- Artikel 22.8
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 22.11
- Artikel 22.12
- Artikel 22.13
- Artikel 22.14
- Artikel 22.15
- Artikel 22.16
- Artikel 22.17
- Artikel 22.18
- Artikel 22.19
- Artikel 22.20
- Artikel 22.21
- Artikel 22.22
- Artikel 22.23
- Artikel 22.24
- Artikel 22.25
- Artikel 22.26
- Artikel 22.27
- Artikel 22.28
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35
- Artikel 22.36
- Artikel 22.37
- Artikel 22.38
- Artikel 22.39
- Artikel 22.40
- Artikel 22.41
- Artikel 22.42
- Artikel 22.43
- Artikel 22.44
- Artikel 22.45
- Artikel 22.46
- Artikel 22.47
- Artikel 22.48
- Artikel 22.49
- Artikel 22.50
- Artikel 22.51
- Artikel 22.52
- Artikel 22.53
- Artikel 22.54
- Artikel 22.55
- Artikel 22.56
- Artikel 22.57
- Artikel 22.58
- Artikel 22.59
- Artikel 22.60
- Artikel 22.61
- Artikel 22.62
- Artikel 22.63
- Artikel 22.64
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68
- Artikel 22.69
- Artikel 22.70
- Artikel 22.71
- Artikel 22.72
- Artikel 22.73
- Artikel 22.74
- Artikel 22.75
- Artikel 22.76
- Artikel 22.77
- Artikel 22.78
- Artikel 22.79
- Artikel 22.80
- Artikel 22.81
- Artikel 22.82
- Artikel 22.83
- Artikel 22.84
- Artikel 22.85
- Artikel 22.86
- Artikel 22.87
- Artikel 22.88
- Artikel 22.89
- Artikel 22.90
- Artikel 22.91
- Artikel 22.92
- Artikel 22.93
- Artikel 22.94
- Artikel 22.95
- Artikel 22.96
- Artikel 22.97
- Artikel 22.98
- Artikel 22.99
- Artikel 22.100
- Artikel 22.101
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113
- Artikel 22.114
- Artikel 22.115
- Artikel 22.116
- Artikel 22.117
- Artikel 22.118
- Artikel 22.119
- Artikel 22.120
- Artikel 22.121
- Artikel 22.122
- Artikel 22.123
- Artikel 22.124
- Artikel 22.125
- Artikel 22.126
- Artikel 22.127
- Artikel 22.128
- Artikel 22.129
- Artikel 22.130
- Artikel 22.131
- Artikel 22.132
- Artikel 22.133
- Artikel 22.134
- Artikel 22.135
- Artikel 22.136
- Artikel 22.137
- Artikel 22.138
- Artikel 22.139
- Artikel 22.140
- Artikel 22.141
- Artikel 22.142
- Artikel 22.143
- Artikel 22.144
- Artikel 22.145
- Artikel 22.146
- Artikel 22.147
- Artikel 22.148
- Artikel 22.149
- Artikel 22.150
- Artikel 22.151
- Artikel 22.152
- Artikel 22.153
- Artikel 22.154
- Artikel 22.155
- Artikel 22.156
- Artikel 22.157
- Artikel 22.158
- Artikel 22.159
- Artikel 22.160
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162
- Artikel 22.163
- Artikel 22.164
- Artikel 22.165
- Artikel 22.166
- Artikel 22.167
- Artikel 22.168
- Artikel 22.169
- Artikel 22.170
- Artikel 22.171
- Artikel 22.172
- Artikel 22.173
- Artikel 22.174
- Artikel 22.175
- Artikel 22.176
- Artikel 22.177
- Artikel 22.178
- Artikel 22.179
- Artikel 22.180
- Artikel 22.181
- Artikel 22.182
- Artikel 22.183
- Artikel 22.184
- Artikel 22.185
- Artikel 22.186
- Artikel 22.187
- Artikel 22.188
- Artikel 22.189
- Artikel 22.190
- Artikel 22.191
- Artikel 22.192
- Artikel 22.193
- Artikel 22.194
- Artikel 22.195
- Artikel 22.196
- Artikel 22.197
- Artikel 22.198
- Artikel 22.199
- Artikel 22.200
- Artikel 22.201
- Artikel 22.202
- Artikel 22.203
- Artikel 22.204
- Artikel 22.205
- Artikel 22.206
- Artikel 22.207
- Artikel 22.208
- Artikel 22.209
- Artikel 22.210
- Artikel 22.211
- Artikel 22.212
- Artikel 22.213
- Artikel 22.214
- Artikel 22.215
- Artikel 22.216
- Artikel 22.217
- Artikel 22.218
- Artikel 22.219
- Artikel 22.220
- Artikel 22.221
- Artikel 22.222
- Artikel 22.223
- Artikel 22.224
- Artikel 22.225
- Artikel 22.226
- Artikel 22.227
- Artikel 22.228
- Artikel 22.229
- Artikel 22.230
- Artikel 22.231
- Artikel 22.232
- Artikel 22.233
- Artikel 22.234
- Artikel 22.235
- Artikel 22.236
- Artikel 22.237
- Artikel 22.238
- Artikel 22.239
- Artikel 22.240
- Artikel 22.241
- Artikel 22.242
- Artikel 22.243
- Artikel 22.244
- Artikel 22.245
- Artikel 22.246
- Artikel 22.247
- Artikel 22.248
- Artikel 22.249
- Artikel 22.250
- Artikel 22.251
- Artikel 22.252
- Artikel 22.253
- Artikel 22.254
- Artikel 22.255
- Artikel 22.256
- Artikel 22.257
- Artikel 22.258
- Artikel 22.259
- Artikel 22.260
- Artikel 22.261
- Artikel 22.262
- Artikel 22.263
- Artikel 22.264
- Artikel 22.265
- Artikel 22.266
- Artikel 22.267
- Artikel 22.268
- Artikel 22.269
- Artikel 22.270
- Artikel 22.271
- Artikel 22.272
- Artikel 22.273
- Artikel 22.274
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276
- Artikel 22.277
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283
- Artikel 22.284
- Artikel 22.285
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287
- Artikel 22.288
- Artikel 22.289
- Artikel 22.290
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293
- Artikel 22.294
- Artikel 22.295
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297
- Artikel 22.298
- Artikel 22.299
- Artikel 22.300
- Artikel 22.301
- Artikel 22.302
- Artikel 22.303
- Artikel 23.1
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696508 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-02-18 2026-02-18 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696508/nld@2026-03-19 /join/id/proces/gm1876/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm1876/2023/procedureafd97acb785b4eaba0dace89ce1e8bab /join/id/proces/gm1876/2024/procedure6672904249344aaa9c86c02e979ee7b3 /join/id/proces/gm1876/2024/procedurecf5a3ce4c0de4532bb065fdae9aa9774 /join/id/proces/gm1876/2025/procedure7da8e16e46b34940a4d58e7d2412b611 2026-03-19 2026-03-19 /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan/nld@2026-02-12;11060737 /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan/nld@2026-02-12;11060737 /join/id/stop/work_019 5 Omgevingsplan gemeente Bronckhorst
Hoofdstuk 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Begrippen in dit omgevingsplan hebben de betekenis die daarin is toegekend in de bijlage bij de Omgevingswet, artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
2.
Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 21 en hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Artikel 1.2Meet- en rekenbepalingen
Bij de toepassing van hoofdstuk 21 van dit omgevingsplan, worden de meet- en rekenbepalingen in acht genomen die zijn opgenomen in bijlage III meet- en rekenbepalingen.
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Hoofdstuk 18
Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 20
Hoofdstuk 21
Ontwikkelingen in de transitiefase
Afdeling 21.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.1Toepassingsbereik
1.
Dit hoofdstuk bevat regels die nodig zijn voor gewenste ontwikkelingen omdat deze ontwikkelingen in strijd zijn met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarom is het hoofdstuk alleen van toepassing in het gebied Ontwikkelingen in de transitiefase.
2.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
Artikel 21.2Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 21.3Toegelaten activiteiten
Een locatie en daarop aanwezige bouwwerken worden alleen gebruikt voor activiteiten die daar zijn toegelaten volgens dit hoofdstuk.
Afdeling 21.2
Agrarisch
Paragraaf 21.2.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.4Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Agrarisch
Paragraaf 21.2.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.5Toelaten activiteiten - agrarisch
1.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied mogen gronden worden gebruikt voor: a. het uitoefenen van een reëel agrarisch bedrijf, uitsluitend in een bouwvlak; b. het uitoefenen van nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf; c. een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop; d. bed & breakfast; e. grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie uitsluitend binnen een bouwvlak en bedoeld voor de eigen energievoorziening; f. verharde en onverharde paden en ondergeschikte erfverharding ten dienste van het agrarische bedrijf; g. (toegangs)wegen ten dienste van:
2.
In het gebied Agrarisch-stedelijk gebied mogen gronden worden gebruikt voor: a. de uitoefening van agrarische activiteiten; b. kaasboerderijen; c. ontsluitingswegen.
3.
In het gebied Agrarisch mogen gronden, in aanvulling op het eerste en tweede lid, ook worden gebruikt voor: a. bedrijfswoningen; b. extensief recreatief medegebruik; c. waterhuishoudkundige doeleinden; d. nutsvoorzieningen.
4.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied gebied mogen gronden ook worden gebruikt voor tuinen behorend bij de woningen die op aangrenzende gronden zijn toegelaten op grond van de volgende bepalingen, uitsluitend voor zover de tuin al legaal aanwezig was op 25 oktober 2016: a.
Artikel 21.156 (toegelaten activiteiten – wonen); of b. de regels met betrekking tot de bestemming ‘Wonen’, ‘Wonen – 1’ of ‘Wonen-2’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied.
5.
In het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied) mogen gronden ook worden gebruikt voor: a. waterberging.
6.
In het gebied Agrarisch - parkeerterrein mogen gronden ook worden gebruik voor een parkeerterrein.
7.
In afwijking van het eerste lid, onder a mogen gronden in het gebied Agrarisch-kringlooplandbouw uitsluitend worden gebruikt voor kringlooplandbouw.
Artikel 21.6Oogmerken
1.
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in artikel 21.5, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van: a. landschapselementen; b. landschappelijke waarden, zoals de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap zoals vastgelegd in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van de Omgevingsverordening Gelderland; c. specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO), zoals 1. het behoud van open essen en gave broekgebieden, afwisseling van landgoederen, bouwland en grotere bossen, karakteristiek verspreide bebouwing en, het behoud van rivier- en stuifduinen met micro-reliëf;
2.
In aanvulling op het eerste lid zijn de regels die betrekking hebben op het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur (landelijk gebied) gesteld met het oog op het belang van: a. behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van (overige) natuurwaarden en cultuurhistorische waarden; b. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen.
3.
In aanvulling op het eerste lid zijn de regels die betrekking hebben op het gebied Agrarisch met waarden - Landschap (landelijk gebied) gesteld met het oog op het belang van: a. behoud en bescherming van cultuurhistorische waarde; b. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen; c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van historische verkaveling, bestaande uit de instandhouding van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen, grote landschappelijke, esthetische en geomorfologische waarden en de recreatieve belevingswaarde en; d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het milieu van de natuurlijke leefgemeenschappen.
Artikel 21.7Toegelaten activiteiten – agrarisch bedrijf
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is per bouwvlak maximaal één agrarisch bedrijf toegelaten.
Artikel 21.8Toegelaten activiteiten – nevenfuncties - landelijk gebied
1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Voor het uitoefenen van nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf gelden de volgende regels: a. uitsluitend de in bijlage V aangegeven nevenfuncties zijn toegelaten; b. maximaal 350 m² van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen wordt gebruikt voor nevenfuncties; c. het is verboden detailhandel uit te oefenen, anders dan detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten tot een maximale oppervlakte van 50m2; d. maximaal 50 m2 van de bebouwing wordt gebruikt voor catering, café, restaurant, eethuis, ijssalon, terras/theetuin en theeschenkerij, zoals genoemd in bijlage V onder de categorie 'Dagrecreatie'; e. maximaal 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor nevenfuncties.
3.
Als het tweede lid van toepassing is op een locatie waar ook een van de hierna volgende leden van toepassing is, geldt het maximum oppervlakte als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b met in begrip van de oppervlakte aan activiteiten die worden verricht op grond van die leden.
4.
In het gebied Specifieke vrom van recreatie - 43 zijn de volgende nevenfuncties toegelaten op een oppervlakte van maximaal 290 m2: a. kleinschalig kampeerterrein; b. trekkershutten; c. bed & breakfast; d. kantoor.
Artikel 21.9Toegelaten activiteiten – extensief recreatief medegebruik
1.
Ter ondersteuning van extensief recreatief medegebruik mogen gronden in beperkte mate worden gebruikt voor recreatieve voorzieningen zoals fiets-, voet en ruiterpaden, banken, picknicktafels en bewegwijzering.
2.
Activiteiten in het kader van extensief recreatief medegebruik, met uitzondering van nachtvissen, vinden alleen plaats tussen zonsopgang en zonsondergang.
Artikel 21.10Toegelaten activiteiten – teeltondersteunende voorzieningen
1.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied gelden Voor het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorziening de volgende regels: a. teeltondersteunende voorzieningen zijn alleen toegelaten bij agrarische bedrijven die als doel hebben het op of boven de grond telen van gewassen; b. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een tijdelijk karakter, zoals insectengaas, afdekfolie en lage tunnels, zijn toegelaten zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden; c. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een permanent karakter, zoals containervelden, zijn alleen toegelaten binnen het bouwvlak en met een maximale oppervlakte van 1000 m2 per bouwvlak; d. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 2 meter en met een tijdelijk karakter, zoals menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten, zijn toegelaten zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden, en alleen binnen het bouwvlak en met een maximale gezamenlijke oppervlakte, tezamen met de voorzieningen, bedoeld onder e, van 500m2 per bouwvlak; e. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 3,50 meter en met een permanent karakter, zoals stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen, zijn alleen toegelaten binnen het bouwvlak en met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 5000 m2, tezamen met de voorzieningen, bedoeld onder d, per bouwvlak.
2.
In het gebied Agrarisch-stedelijk gebied gelden voor het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorzieningen de volgende regels: a. teeltondersteunende voorziening zijn alleen toegelaten ten dienste van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; b. alleen teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter zijn toegelaten, zoals insectengaas, afdekfolie en lage tunnels, zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden; c. de hoogte is maximaal 1,50 meter.
Artikel 21.11Verboden gebruiksactiviteiten
1.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn altijd verboden: a. het gebruiken van gronden voor een glastuinbouwbedrijf;
2.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten ook altijd verboden: a. het in gebruik geven, nemen of hebben van gronden voor groepskamperen, tenzij een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 21.15; b. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor opslag, anders dan het opslaan van hooibalen; c. het opslaan van hooibalen bouwen het bouwvlak, gedurende een periode van langer dan 6 weken; d. het huisvesten van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en tijdelijke arbeidsplaatsen; e. het gebruiken van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf; f. het bewerken, verwerken en vergisten van mest afkomstig van derden; g. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor kuilvoer- en mestplaten tenzij een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 21.37;
3.
In het gebied Agrarisch-stedelijk gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten ook altijd verboden: a. het opslaan, storten of lozen van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het in dit omgevingsplan toegelaten gebruik van de grond en opstallen.
Artikel 21.12Verboden gebruiksactiviteiten – toename van stikstofemissie - landelijk gebied
1.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het is verboden gronden en bouwwerken: a. niet behorende tot een agrarisch bedrijf te gebruiken of te laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken; b. behorende tot een agrarisch bedrijf te gebruiken of te laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken; te gebruiken of laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken.
2.
Voor de toepassing het eerste lid, aanhef en onder a wordt onder ‘toename van stikstofemissie’ verstaan: een stikstofemissie in N/kg/jaar die meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b wordt onder ‘toename van stikstofemissie’ verstaan: een stikstofemissie in N/kg/jaar die meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting.
4.
Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als bedoeld in het eerste lid.
5.
Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als bedoeld in het eerste lid.
6.
Als uitzondering op het tweede tot en met vijfde lid is er geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer de emissie N/kg/jaar afkomstig van het agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in het tweede of vierde lid of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de het agrarisch bedrijf als bedoeld in het derde of vijfde lid conform een verleende en onherroepelijke natuurvergunning waarvoor een passende beoordeling is gemaakt en opgenomen in bijlage VI.
7.
Waar in de voorgaande leden 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
Artikel 21.13
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - bed & breakfast - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een bed & breakfast als daarbij wordt afgeweken van Artikel 21.198.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; b. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor bed & breakfast al dan niet in combinatie met groepskamperen als bedoeld in Artikel 21.15; c. de oppervlakte die wordt gebruikt voor bed & breakfast is niet meer dan 500 m2; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; e. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6; g. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; h. wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
Artikel 21.14
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - combinatie van recreatieve activiteiten 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor (een combinatie van) recreatieve activiteiten als nevenfunctie, voor zover het gaat om verblijfsrecreatie anders dan bed & breakfast overeenkomstig Artikel 21.198 en Artikel 21.13.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfuncties zijn opgenomen in bijlage V; b. de (gezamenlijke) oppervlakte van bebouwing voor recreatiewoningen, recreatieappartementen, voorzieningen voor bed & breakfast, trekkershutten en kampeerterrein inclusief kleinschalige horecavoorzieningen, niet meer is dan 500 m²; c. de oppervlakte van bebouwing voor horecavoorzieningen niet meer is dan 50 m2; d. een eventuele horecavoorziening uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen; e. er alleen gebruik gemaakt wordt van nieuwe of niet-karakteristieke bebouwing als het gebruik van bestaande karakteristieke bebouwing naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is; f. niet meer dan 3 trekkershutten worden gerealiseerd; g. voor wat betreft recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties: er sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie voor recreatieve doeleinden; h. voor wat betreft kampeerterreinen: er sprake is van een kampeerterrein, met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); i. het aantal kampeerplaatsen is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Omgevingsnorm kampeerplaatsen; j. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; k. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor deze recreatieve functies; l. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; m. er geen buitenopslag plaatsvindt; n. de activiteiten plaatsvinden in fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen, dan wel in nieuwe gebouwen voor zover dit wordt gecompenseerd door sloop van niet-karakteristieke bebouwing; o. nieuwbouw als bedoeld in onderdeel l uitsluitend kleinschalig is, en aansluit bij de bestaande karakteristieken; p. wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; q. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredige wordt aangetast; r. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
s. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; t. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; u. er wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
3.
In aanvulling op het tweede lid wordt in het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur (landelijk gebied) een omgevingsvergunning alleen verleend als er geen significante negatieve effecten optreden voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO).
4.
Binnen het kader van deze omgevingsvergunningsmogelijkheid is het mogelijk de ene bestaande recreatieve functie om te zetten in een andere recreatieve functie.
5.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een bedrijfs- en inrichtingsplan overgelegd.
6.
Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inpassingsplan wordt overgelegd.
Artikel 21.15
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - groepskamperen - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; c. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor groepskamperen al dan niet in combinatie met bed & breakfast als bedoeld in artikel Artikel 21.13; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; e. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6; g. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen; h. wordt voldaan wordt aan de regels van afdeling 22.3.
4.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de inrichting van het terrein; b. de plaatsing van kampeermiddelen op het terrein; c. het aantal personen op het terrein.
Artikel 21.16
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - kleinschalig kampeerterrein - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een kampeerterrein, tenzij dit op grond van Artikel 21.8 al uitdrukkelijk is toegelaten.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend als: a. de activiteit betrekking heeft op een nevenfunctie als bedoeld in Artikel 21.5, eerste lid, aanhef en onder b; b. de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); c. het kleinschalig kampeerterrein wordt gesitueerd:
4.
In aanvulling op het derde lid wordt in het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur (landelijk gebied) een omgevingsvergunning alleen verleend als er geen significante negatieve effecten optreden voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO).
5.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder k.
Artikel 21.17
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - mestbewerking - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een installatie voor mestbewerking, mestverwerking of mestvergisting.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend als: a. uitsluitend mest wordt bewerkt, verwerkt of vergist die van het eigen bedrijf afkomstig is; b. de hoeveelheid te verwerken mest op jaarbasis niet meer is dan 20.000 ton; c. de activiteiten uitsluitend plaatsvinden binnen het bouwvlak; d. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leiden tot onevenredige verkeerstoename; e. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag gelet op milieuhygiënische eisen inpasbaar zijn; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, waaronder de belangen bedoeld in Artikel 21.6.
4.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder e wordt in elk geval voldaan aan de regels over geur als bedoeld in paragraaf 22.3.6.
Artikel 21.18
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - nevenfuncties - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een nevenfunctie die niet is toegelaten volgens Artikel 21.8.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfunctie op oogpunt is naar het oordeel van het bevoegd gezag in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar met een toegelaten nevenfunctie als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
4.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder f.
Artikel 21.19
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – oppervlakte nevenfunctie - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nevenfunctie uit te oefenen waarbij een oppervlakte wordt gebruikt die groter is dan is toegelaten op grond van Artikel 21.8.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfunctie in bijlage V is aangeduid met ‘N’; b. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; d. niet meer dan 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor de nevenfunctie; e. de oppervlakte die wordt gebruikt voor de nevenfunctie is niet meer dan aangegeven in het vierde lid; f. de nevenfunctie vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering; g. voor de grotere oppervlakte gebruik wordt gemaakt van fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen; h. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; i. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; j. parkeren en laden en lossen vindt plaats op eigen erf; k. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast.
4.
De oppervlakte als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder e is: a. voor dagrecreatie niet meer dan 750 m2; b. voor zorg niet meer dan 750 m2; c. voor opslag niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte nevenfunctie; d. voor overige nieuwe economische dragers als nevenfunctie niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte nevenfunctie.
5.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder c.
Artikel 21.20
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - plattelandswoning - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een plattelandswoning.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de plattelandswoning wordt gerealiseerd in het bouwvlak; b. de aanvraag betrekking heeft op een reeds aanwezige (tweede of derde) bedrijfswoning met dien verstande dat geen vergunning wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op:
4.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt een luchtkwaliteitsonderzoeksrapport overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder d.
5.
Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat geen vervangende bedrijfswoning wordt gerealiseerd.
Artikel 21.21Voorwaardelijke verplichtingen – landschappelijke inpassing
1.
In het Plangebied Pluimersdijk 45A Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassingsplan Pluimersdijk 45a Zelhem. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het realiseren van de tweede bedrijfswoning waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
Paragraaf 21.2.3
Bouwen
Artikel 21.22Bouwregels hobbymatig gebruik
Het is verboden buiten het bouwvlak een bouwwerk te bouwen in de vorm van een stal, schuilgelegenheid of schuur bedoeld voor het hobbymatig houden van dieren of telen van gewassen als bedoeld in Artikel 21.5, eerste lid, aanhef en onder g.
Artikel 21.23Bouwregels gebouwen
1.
Het is verboden een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn in het gebied Agrarisch-stedelijk gebied gebouwen toegelaten buiten het bouwvlak als is voldaan aan de volgende regels: a. het gebouw was feitelijk aanwezig op 31 maart 2016; b. het gebouw was in overeenstemming met de op dat moment geldende planologische regels, met inbegrip van het daarin opgenomen overgangsrecht; c. de maatvoering en situering het gebouw wijkt niet af van de maatvoering en situering op 31 maart 2016.
3.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied zijn nieuwe bedrijfsgebouwen en emissiepunten, beide behorend tot de niet-grondgebonden veehouderijtak, alleen toegelaten op een afstand van minimaal 25 meter van een locatie waar de aanduiding Specifieke vorm van wonen – plattelandswoning ligt als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied.
4.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied gelden de volgende regels over maatvoering van bedrijfsgebouwen en (daar) bijbehorende gebouwen: a. de goothoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter; b. de goothoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 3 meter; c. de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 12 meter; d. de bouwhoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 6 meter.
5.
De goothoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied 6.
De bouwhoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied
Artikel 21.24Bouwregels bedrijfswoningen
1.
Het is verboden een bedrijfswoning te bouwen buiten een bouwvlak.
2.
Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten.
3.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw.
4.
In het gebied Bedrijfswoning uitgesloten is het verboden een bedrijfswoning te realiseren.
5.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.
6.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het vorige lid niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
7.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het hoofdgebouw een inhoud hebben die groter is dan de inhoud die is toegelaten op grond van het vijfde of zesde lid voor zover het meerdere wordt gebruikt voor agrarische bedrijfsactiviteiten anders dan wonen.
8.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de goothoogte van een bedrijfswoning maximaal 4,5 meter.
9.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de bouwhoogte van een bedrijfswoning maximaal 10 meter.
Artikel 21.25Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – binnen het bouwvlak
1.
Dit artikel is van toepassing voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat wordt gebouwd binnen het bouwvlak.
2.
De goothoogte van een mestsilo is maximaal 4 meter.
3.
De bouwhoogte van een mestsilo is maximaal 8,5 meter.
4.
De hoogte van een silo, anders dan een mestsilo, is maximaal 12 meter.
5.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de hoogte van een staande mestopslagtank maximaal 12 meter.
6.
De hoogte van een erfafscheiding is maximaal 3 meter.
7.
De goothoogte van een hooiberg is maximaal 6 meter.
8.
De bouwhoogte van een hooiberg is maximaal 9 meter.
9.
De bebouwde oppervlakte van een hooiberg is maximaal 36 m2.
10.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de hoogte van een verlichting- of vlaggenmast is maximaal 8 meter.
11.
In het gebied Agrarisch (landelijk gebied) is de hoogte van een verlichtingsmast maximaal 8 meter 12.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de hoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.5, is maximaal 3 meter.
13.
De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het tweede tot en met twaalfde lid, is maximaal 6 meter.
Artikel 21.26Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – buiten het bouwvlak
1.
Het is verboden een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen buiten het bouwvlak, met uitzondering van de bouwwerken, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.
2.
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat is bedoeld voor agrarisch grondgebruik voldoet buiten het bouwvlak aan de volgende regels: a. de bouwhoogte is maximaal 3 meter; b. sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten, kassen en paardenbakken zijn niet toegelaten, behalve bestaand (bouwwerk) sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten en bestaand (bouwwerk) paardenbakken bedoeld voor:
3.
De bouwhoogte van een perceelafscheiding buiten het bouwvlak is maximaal 1 meter.
4.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak bedoeld voor het extensief recreatief medegebruik, zoals een bank, een wegwijzer of een picknicktafel is maximaal 2 meter.
5.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, maximaal 4 meter.
Artikel 21.27
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - mestsilo - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een mestsilo die hoger is dan is toegelaten volgens Artikel 21.25, wordt verleend als: a. de bouwhoogte van de mestsilo niet meer is dan de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf; b. de goothoogte van de mestsilo niet meer is dan de helft van de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf; c. de grotere hoogte naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.5; d. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld; e. de bouwactiviteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Artikel 21.28
Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – mestsilo - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.27 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.27, aanhef en onder f.
Artikel 21.29
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - paardenbak buiten bouwvlak - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een paardenbak die in strijd is met Artikel 21.26.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.5 wordt verleend als: a. de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen het bouwvlak; b. de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend aan het eigen bouwvlak; c. wordt voldaan aan het vijfde lid.
4.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in tweede lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten bedoeld in Artikel 21.156 wordt verleend als: a. de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd in het gebied Wonen - landelijk gebied; b. de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend of binnen een afstand van 50 meter van de grens van het gebied, bedoeld onder a; c. wordt voldaan aan het vijfde lid.
5.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde of vierde lid wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte van de paardenbak niet meer is dan 1.500 m2; b. de afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden niet minder is dan 50 meter; c. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot extra (licht)hinder voor omwonenden; d. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; e. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden; g. wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten, bedoeld in paragraaf 22.3.6.
6.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een paardenbak die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemming ‘Agrarisch’ die van toepassing is op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied.
7.
Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor een paardenbak die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Wonen – 1’, ‘Wonen- 2' of 'Wonen - Landhuis' die van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied.
Artikel 21.30
Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – paardenbak buiten bouwvlak - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.29 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.29 aanhef en onder e.
Artikel 21.31
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid buiten bouwvlak 1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid voor vee buiten het bouwvlak wordt verleend als: a. de bebouwing, gezien de specifieke situatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet binnen het bouwvlak kan worden geplaatst; b. de schuilgelegenheid wordt gebouwd op een terrein met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 1 hectare; c. de goothoogte niet meer is dan 2,5 meter; d. de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter; e. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer is dan 30 m2; f. de afstand van de schuilgelegenheid tot woningen van derden niet minder is dan 30 meter; g. de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel is gesitueerd en landschappelijk wordt ingepast 2.
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning in het gebied Agrarisch - landelijk gebied alleen verleend als realisatie van de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor hobbydieren als bedoeld in Artikel 21.22.
Artikel 21.32
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - sleufsilo buiten bouwvlak - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een sleufsilo die in strijd is met Artikel 21.26 wordt verleend als: a. situering van de sleufsilo binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is; b. de sleufsilo direct aangrenzend aan het bouwvlak wordt gebouwd; c. de hoogte van de sleufsilo niet meer is dan 2 meter; d. de oppervlakte van de sleufsilo niet meer is dan 500 m2; e. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. realisatie van de sleufsilo naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6; g. wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten, bedoeld in paragraaf 22.3.6.
Artikel 21.33
Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – sleufsilo buiten bouwvlak - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.32 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.32, aanhef en onder e.
Artikel 21.34Maatwerkvoorschriften
1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied).
2.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering van nieuw op te richten bebouwing. Een maatwerkvoorschrift is gericht op de bescherming van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6.
Artikel 21.35Voorwaardelijke verplichtingen – landschappelijke inpassing
1.
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle en Plangebied Halsedijk 8 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 alleen toegelaten als de landschapsmaatregelen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heurneweg 2-4 Halle en Landschappelijke inpassing Halsedijk 8 Halle, zoals vastgelegd in het Versterkingsplan Heurnedijk 2-4 Halle en Halsedijk 8 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
Artikel 21.36Voorwaardelijke verplichting – staken gebruik
1.
In het gebied Plangebied Halsedijk 8 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 alleen toegelaten als het agrarisch gebruik van gronden in het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle, zoals dat voorheen werd toegelaten door het bestemmingsplan, is gestaakt.
Paragraaf 21.2.4
Aanleggen
Artikel 21.37Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen - landelijk gebied
1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem; b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; c. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten; d. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²; e. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die kunnen leiden tot de dood of beschadiging van bomen; f. verwijderen van onverharde wegen en paden; g. het aanleggen van kuilvoer- en mestplaten buiten het bouwvlak.
3.
In het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied) geldt het verbod, bedoeld in het tweede lid, ook voor: a. aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; b. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken; c. het wijzigen van het verkavelingspatroon.
4.
In het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur geldt het verbod, bedoeld in het tweede lid ook voor: a. draineren; b. diepploegen; c. het scheuren van grasland.
Artikel 21.38Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen - landelijk gebied
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.37, geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
Artikel 21.39
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen - landelijk gebied Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.37 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van: a. de bodemstructuur, het bodemniveau en de waterhuishouding; b. het reliëfrijke karakter van de bolle akkers; c. de belangen, bedoeld in Artikel 21.6.
Afdeling 21.3
Archeologische verwachting
Paragraaf 21.3.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.40Toepassingsbereik
In deze afdeling staan regels over het gebied Archeologische verwachting.
Paragraaf 21.3.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Paragraaf 21.3.3
Bouwen
Artikel 21.41Toegelaten activiteiten – archeologische verwachting
In het gebied Archeologische verwachting mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Artikel 21.42Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
1.
In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk met een oppervlakte die groter is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie een rapport van archeologisch onderzoek overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld.
2.
Het overleggen van een rapport is niet nodig als: a. de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de uitbreiding van de oppervlakte niet meer is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of d. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Artikel 21.43Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.42 wordt alleen verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt gedaan of kan worden gedaan aan de archeologische waarden.
2.
Voor zover het bevoegd gezag dat nodig acht, wordt, in aanvulling op het eerste lid, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat proefsleuvenonderzoek of een opgraving heeft plaatsgevonden.
Artikel 21.44Advies archeoloog
Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.43 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Artikel 21.45Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Als uit het rapport, bedoeld in Artikel 21.42, eerste lid, of de andere beschikbare informatie, bedoeld in Artikel 21.42, tweede lid, aanhef en onder a, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Artikel 21.46Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting en het gebruik van gronden als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.
Paragraaf 21.3.4
Aanleggen
Artikel 21.47Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld over een oppervlakte met een oppervlakte die groter is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen; c. verlagen van de bodem verlagen; d. het of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; e. verlagen van het waterpeil; f. tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g. uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i. aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 21.48Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.47, geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt; e. als de activiteit betrekking heeft op een rijksmonument; f. als is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, dan wel andere beschikbare informatie; g. voor werken en werkzaamheden als bedoeld in Artikel 21.47, aanhef en onderdeel c of d, voor zover hiervoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit is vereist.
Artikel 21.49Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.47 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
Artikel 21.50Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.47 wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld.
2.
Het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Artikel 21.51Advies archeoloog
Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.49 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Artikel 21.52Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het bevoegd gezag kan één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Afdeling 21.4
Bedrijf
Paragraaf 21.4.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.53Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Bedrijf.
Paragraaf 21.4.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.54toegelaten activiteiten – bedrijf
In het gebied Bedrijf (landelijk gebied) mogen gronden gebruikt worden voor: a. niet-agrarische bedrijven; b. detailhandel in zelf vervaardigde en/of voortgebrachte producten; c. parkeervoorzieningen, alleen op eigen terrein; d. groenvoorzieningen; e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop; h. bed & breakfast; i. grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie voor de eigen energievoorziening.
Artikel 21.55toegelaten activiteiten – niet-agrarisch bedrijf
1.
In het gebied Bedrijf Pluimersdijk 25-25A Halle Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten zijn een agrarisch loonbedrijf, akkerbouwbedrijf, landmechanisatiebedrijf en verhuur van werktuigen en landbouwmachines; b. de oppervlakte van het bedrijfsbebouwing, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(en) en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal 986 m2; c. buitenopslag vindt plaats op een oppervlakte van maximaal 1.446 m²; d. de toegestane hoogte buitenopslag is maximaal 4 meter.
2.
In het gebied Bedrijf Zanddijk 1 en 1a Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten is een fouragehandel; b. de oppervlakte van het bedrijf, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(en) en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal 875 m2.
3.
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten zijn een kantoor, kinderopvang, sportschool en trainingsfaciliteit voor honden; b. de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal:
1.
301 m2 voor het kantoor;
2.
90 m2 voor de kinderopvang;
3.
185 m2 voor de sportschool; c. de oppervlakte van de buitenruimte is maximaal:
1.
6.000 m2 voor de kinderopvang en sportschool gecombineerd;
2.
3.000 m2 voor de trainingsfaciliteit voor honden.
Artikel 21.56toegelaten activiteiten – nevenfuncties
1.
Het uitoefenen van nevenfuncties is toegelaten in overeenstemming met de regels van afdeling 21.17.
2.
In aanvulling op het eerste lid is in het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle agrarisch medegebruik toegestaan onder de voorwaarde dat hiervoor maximaal 648 m2 aan bebouwing in gebruik is.
Artikel 21.57toegelaten activiteiten – buitenopslag, stalling en grondopslag
1.
De oppervlakte voor buitenopslag is maximaal 250 m² tenzij anders aangegeven in Artikel 21.55.
2.
De hoogte van buitenopslag is maximaal 2 meter, tenzij anders aangegeven in Artikel 21.55.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de buitenstalling van voertuigen en machines die worden gebruikt voor de eigen bedrijfsvoering en niet worden aangeboden ter reparatie, verhuur en/of verkoop.
4.
Het tweede lid is niet van toepassing op de buitenstalling van voertuigen en machines.
Artikel 21.58toegelaten activiteiten – detailhandel
1.
Het is toegelaten gronden te gebruiken voor detailhandel voor zover het betreft: a. detailhandel in zelf vervaardigde of voortgebrachte producten; b. verkoopactiviteiten als bedoeld in Artikel 21.55.
2.
Detailhandel in zelf vervaardigde of voortgebrachte producten vindt uitsluitend plaats in bestaande gebouwen en met een oppervlakte van maximaal 25 m2.
Artikel 21.59Verboden gebruiks activiteiten
De volgende activiteiten zijn altijd verboden: a. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. activiteiten waarop paragraaf 5.1.2 en bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn (risicoveroorzakende activiteiten).
Artikel 21.60Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken: buitenopslag
1.
Het is verboden gronden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor buitenopslag als de hoogte of de oppervlakte van de buitenopslag groter is dan toegelaten volgens Artikel 21.55.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de grotere oppervlakte dient ten behoeve van een gebiedsgebonden bedrijf; b. bij uitbreiding van de oppervlakte buitenopslag boven de 250 m2 of boven de in Artikel 21.55 opgenomen specifieke oppervlakte, per m2 uitbreiding buitenopslag 2 m2 sloop elders wordt gerealiseerd; c. de verruiming van de mogelijkheden naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefenen van de op de locatie toegelaten activiteiten; d. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Artikel 21.61Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - toegelaten functie
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning functieverandering te realiseren en gronden te gebruiken voor een niet-agrarisch bedrijf dat niet is toegelaten op grond van Artikel 21.55.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende activiteiten, anders dan detailhandel: a. een activiteit als bedoeld in bijlage V; b. een activiteit die qua aard en omvang en invloed op het milieu vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als is voldaan aan het tweede lid en: a. voor de oppervlakte van de bedrijfsactiviteitactiviteit wordt voldaan aan Artikel 21.55; b. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag milieuhygiënisch inpasbaar zijn; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; e. parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf; f. de verkeersafwikkeling naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; g. naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; h. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden; i. de aanwezige waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; j. geen sprake is van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
4.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan: a. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. de regels van afdeling 22.3.
5.
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder g.
Artikel 21.62Voorwaardelijke verplichtingen – landschappelijke inpassing
1.
In het Plangebied Zanddijk 1 en 1a Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.54 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Zanddijk 1 en 1a Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
2.
In het gebied Plangebied Pluimersdijk 25-25B Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.54 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Pluimersdijk 25-25B. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
Paragraaf 21.4.3
Bouwen
Artikel 21.63Bouwregels bedrijfsgebouwen
1.
Als binnen een functievlak een bouwvlak ligt, zijn gebouwen alleen toegelaten in het bouwvlak.
2.
De bouwhoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 10 meter.
3.
Ter plaatse van de aanduiding maximum goothoogte en maximum bouwhoogte geldt deze.
4.
De goothoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter.
Artikel 21.64Bouwregels bedrijfswoningen - algemeen
1.
Per functievlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten.
2.
Het is verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw.
3.
Het aantal bedrijfswoningen en de verdeling van de woningen over de hoofdgebouwen voldoet aan Artikel 21.65.
4.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.
5.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
6.
De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter.
7.
De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter.
8.
Ter plaatse van de Bedrijfswoning uitgesloten uitgesloten is geen bedrijfswoning toegestaan.
Artikel 21.65Bouwregels bedrijfswoningen – aantal en verdeling
1.
Op de locatie Bedrijf Zanddijk 1 en 1a Halle zijn twee bedrijfswoningen toegelaten, verdeeld over twee hoofdgebouwen.
Artikel 21.66Bouwregels bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen – aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen
1.
De bebouwde oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen per woning is maximaal 150 m2.
2.
De goothoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 3 meter.
3.
De bouwhoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 6 meter.
Artikel 21.67Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
1.
De hoogte van een verlichting- of vlaggenmast is maximaal 8 meter.
2.
De hoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.54 is maximaal 3 meter.
3.
De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het eerste en het tweede lid, is maximaal 6 meter.
Artikel 21.68Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwen: oppervlakte
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing te realiseren met een oppervlakte groter dan is toegelaten volgens Artikel 21.55.
2.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de uitbreiding niet meer is dan 10% van de oppervlakte als genoemd in Artikel 21.55; b. de uitbreiding van de bedrijfsfunctie naar het oordeel van het bevoegd gezag op verantwoorde wijze milieuhygiënisch inpasbaar is; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; d. voor wat betreft parkeren is voldaan aan Artikel 21.200; e. parkeren en laden en lossen plaatsvinden plaats op eigen erf; f. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd niet onevenredige wordt aangetast; g. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; h. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
3.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
4.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een inrichtingsplan landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder g.
Paragraaf 21.4.4
Aanleggen
Afdeling 21.5
Beschermingszone Natte Natuurparel
Paragraaf 21.5.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.69Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel .
Paragraaf 21.5.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.70Toegelaten activiteiten – beperkingengebied natte natuurparel
In het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die hogen bij andere hoofdfuncties.
Paragraaf 21.5.3
Bouwen
Paragraaf 21.5.4
Aanleggen
Artikel 21.71Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm onder straatpeil een en ander voor zover geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit vereist is; b. aanleggen van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage; c. verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk.
Artikel 21.72Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen
Het verbod, bedoel in Artikel 21.71, geldt niet voor: a. werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak; b. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met uitzondering van permanente teeltondersteunende voorzieningen.
Artikel 21.73Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.71 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van: a. de waterhuishoudkundige situatie; b. de daarmee samenhangende (natuur)waarden.
Afdeling 21.6
Bos
Paragraaf 21.6.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.74Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Bos.
Paragraaf 21.6.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.75Toegelaten activiteiten – bos
In het gebied Bos mogen gronden gebruikt worden voor: a. bos met bijbehorende voorzieningen; b. houtproductie; c. extensief recreatief medegebruik; d. water en waterlopen; e. nutsvoorzieningen; f. (recreatieve) voet- en fietspaden.
Artikel 21.76Oogmerken
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.75, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op: a. bescherming van droge en natte natuur- en landschapswaarden; b. het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO); c. bescherming van cultuurhistorische waarden; d. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen.
Artikel 21.77Toegelaten activiteiten – voet- en fietspaden
Gronden mogen alleen worden gebruikt voor (recreatieve) voet- en fietspaden die legaal aanwezig waren op het moment dat Artikel 21.75 op die locatie van toepassing is geworden.
Artikel 21.78verboden gebruiksactiviteiten
Het is verboden een pad ongeschikt te maken als (recreatieve) route.
Artikel 21.79Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - groepskamperen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.76.
3.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de inrichting van het terrein; b. de plaatsing van kampeermiddelen op het terrein; c. het aantal personen op het terrein.
Paragraaf 21.6.3
Bouwen
Artikel 21.80Bouwregels gebouwen
Het is verboden een gebouw te bouwen, anders dan een schuilgelegenheid als bedoeld in Artikel 21.81.
Artikel 21.81
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid wordt verleend als: a. de schuilgelegenheid ten dienste staat van natuurbeheer; b. de hoogte niet meer is dan 4 meter; c. de oppervlakte niet meer is dan 30 m²; d. het aantal schuilgelegenheden niet meer is dan 1 per 25 aaneengesloten ha bos- en natuurgebied waarop van toepassing is:
1.
Artikel 21.74;
2.
Artikel 21.93; of 3. de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied; e. het oprichten van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.76.
Artikel 21.82Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
1.
Het is verboden een overkapping te bouwen.
2.
De bouwhoogte van een brandtoren is maximaal 30 meter.
3.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van informatievoorzieningen, is maximaal 2 meter.
4.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het tweede of derde lid is maximaal 1 meter.
Artikel 21.83
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken – afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.27 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.82, eerste, tweede of derde lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.76.
Paragraaf 21.6.4
Aanleggen
Artikel 21.84Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem; b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; c. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten; d. aanleggen en (half)verharden van wegen; e. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen dan bedoeld onder d, groter dan 200 m²; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur; g. het verwijderen van onverharde wegen.
Artikel 21.85Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen - landelijk gebied
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.84, geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoegd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. de aanleg van een centrale parkeervoorziening in halfverharding.
Artikel 21.86Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.84 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden: a. geen onevenredige aantasting optreedt van de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap of de waterhuishouding; b. geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.76; c. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
2.
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 21.84, aanhef en onderdeel g alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van (recreatieve) routes.
Afdeling 21.7
Maatschappelijk
Paragraaf 21.7.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.87Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Maatschappelijk .
Paragraaf 21.7.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.88Toegelaten activiteiten – maatschappelijk
1.
In het gebied Maatschappelijk mogen gronden gebruikt worden voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. horecadoeleinden en kantoordoeleinden ondergeschikt en ondersteunend aan de activiteiten, bedoeld onder a; c. voorzieningen ten behoeve van een solarpark; d. molen; e. groenvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen; g. sport- en speelvoorzieningen.
2.
In het gebied Zorginstelling is een zorginstelling toegestaan.
Artikel 21.89Solarpark
De voorzieningen ten behoeve van een solarpark omvatten alleen technische ruimten voor de energiewinning en een educatieruimte.
Paragraaf 21.7.3
Bouwen
Artikel 21.90
1.
Het is verboden een gebouw te bouwen buiten een Bouwvlak.
2.
Het eerste lid geldt niet voorondergeschikte bouwdelen met een diepte van maximaal 1,5 meter.
3.
De goothoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied.
4.
De bouwhoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied.
5.
De afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 5 meter.
Artikel 21.91
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - afstand tot zijdelingse perceelsgrens 1.
Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een gebouw dat dichter bij de perceelsgrens wordt gebouwd dan is toegelaten op grond van Artikel 21.90, vijfde lid.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. sprake is van verbouw en/of uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw, voor zover het bestaande bedrijfsgebouw al dichter bij de perceelsgrens is gelegen; b. de afstand tot de perceelsgrens niet kleiner wordt dan bij het bestaande bedrijfsgebouw; c. de hoogte van het gebouw binnen 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer is dan de hoogte van het bestaande bedrijfsgebouw(gedeelte) in dat gebied; d. wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.191; d. naar het oordeel van het bevoegd gezag:
3.
Met het oog op de belangen, bedoeld in het tweede lid, onder e, kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden over de inrichting van het terrein en met name de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.
Artikel 21.92Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
1.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak is maximaal 1 meter.
2.
In het gebied [PM] is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak maximaal 1,20 meter.
3.
De bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding binnen het bouwvlak is maximaal 2 meter.
4.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde binnen het bouwvlak anders dan bedoeld in het tweede lid is maximaal 4 meter.
Afdeling 21.8
Natuur
Paragraaf 21.8.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.93Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Natuur.
Paragraaf 21.8.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.94Toegelaten activiteiten – natuur
In het gebied Natuur mogen gronden gebruikt worden voor: a. natuur; b. bos met bijbehorende voorzieningen; c. houtproductie; d. extensief agrarisch grondgebruik; e. extensief recreatief grondgebruik; f. nutsvoorzieningen; g. water en watergangen; h. bestaande (recreatieve) voet- en fietspaden; i. kikkerpoel.
Artikel 21.95Oogmerken
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.94, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op: a. de instandhouding en ontwikkeling van de droge en natte natuurwaarden en de landschapswaarden; b. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen; c. het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO).
Artikel 21.96Toegelaten activiteiten – voet- en fietspaden
Gronden mogen alleen worden gebruikt voor (recreatieve) voet- en fietspaden die legaal aanwezig waren op het moment dat Artikel 21.94 op die locatie van toepassing is geworden.
Artikel 21.97Verboden gebruiksactiviteiten
1.
Het is verboden een pad ongeschikt te maken als recreatieve route.
2.
Het is verboden gronden te gebruiken voor natuurkampeerterreinen.
Artikel 21.98Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - groepskamperen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.95.
3.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de inrichting van het terrein; b. de plaatsing van kampeermiddelen op het terrein; c. het aantal personen op het terrein.
Paragraaf 21.8.3
Bouwen
Artikel 21.99Bouwregels gebouwen
Het is verboden een gebouw te bouwen, anders dan een schuilgelegenheden als bedoeld in Artikel 21.100.
Artikel 21.100
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid wordt verleend als: a. de schuilgelegenheid ten dienste staat van natuurbeheer; b. de hoogte niet meer is dan 4 meter; c. de oppervlakte niet meer is dan 30 m²; d. het aantal schuilgelegenheden niet meer is dan 1 per 25 aaneengesloten hectarea bos- en natuurgebied waarop van toepassing is:
1.
Artikel 21.93
2.
Artikel 21.74; of 3. de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied; e. het oprichten van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.95.
Artikel 21.101Bouwregels gebouwen, geen gebouwen zijnde
1.
De bouwhoogte van een brandtoren is maximaal 30 meter.
2.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van informatievoorzieningen, is maximaal 2 meter.
3.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het eerste of tweede lid is maximaal 1 meter.
Artikel 21.102
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken - afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw zijnde Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.101, eerste of tweede lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatigere uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.95
Paragraaf 21.8.4
Aanleggen
Artikel 21.103Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem; b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; c. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten; d. aanleggen en (half)verharden van wegen; e. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen dan bedoeld onder d, groter dan 200 m²; f. het scheuren van grasland; g. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben; h. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur; i. het verwijderen van onverharde wegen.
Artikel 21.104Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen - landelijk gebied
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.103, geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoegd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
Artikel 21.105Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
1.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.103 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden: a. geen onevenredige aantasting optreedt van de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap of de waterhuishouding; b. geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.95.
2.
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 21.103, aanhef en onderdeel i alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van (recreatieve) routes.
Afdeling 21.9
Recreatiewoning
Paragraaf 21.9.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.106toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Recreatiewoning.
Paragraaf 21.9.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.107toegelaten activiteiten – recreatiewoning
In het gebied Recreatiewoning mogen gronden gebruikt worden voor: a. recreatieve doeleinden in de vorm van recreatiewoningen; b. bijbehorende voorzieningen.
Paragraaf 21.9.3
Bouwen
Artikel 21.108bouwregels bouwwerken - recreatiewoning
1.
Het aantal recreatiewoningen is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm aantal recreatiewoningen. Als geen omgevingsnorm is aangegeven, is per functievlak maximaal één recreatiewoning toegelaten.
2.
Als binnen een functievlak een bouwvlak ligt, zijn gebouwen alleen toegelaten in het bouwvlak.
3.
De inhoud van een recreatiewoning, inclusief de inhoud van bijbehorende bouwwerken, is maximaal 300 m³.
4.
De goothoogte van een recreatiewoning is maximaal 3,5 meter.
5.
De bouwhoogte van een recreatiewoning is maximaal 7 meter.
Artikel 21.109bouwregels bouwwerken – bijbehorend bouwwerk
1.
In het gebied Recreatiewoning - bijbehorend bouwwerk uitgesloten is het verboden een bijbehorend bouwwerk te bouwen. Artikel 22.36 is niet van toepassing.
Artikel 21.110bouwregels bouwwerken – bouwwerk, geen gebouw zijnde
1.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevelrooilijn is maximaal 1 meter.
2.
De bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding achter de voorgevelrooilijn is maximaal 2,5 meter.
3.
De hoogte van een verlichtings- of vlaggenmast is maximaal 8 meter.
4.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid, is maximaal 4 meter.
Artikel 21.111
binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit afwijken bouwregels: hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen dat hoger is dan is toegelaten volgens Artikel 21.110.
2.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger gebruik van de gronden in overeenstemming met Artikel 21.107.
Afdeling 21.10
Rioolleiding
Paragraaf 21.10.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.112toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Rioolleiding.
Paragraaf 21.10.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.113toegelaten activiteiten – rioolleiding
In het gebied Rioolleiding mogen gronden gebruikt worden voor een drukrioolleiding, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Paragraaf 21.10.3
Bouwen
Artikel 21.114bouwregels bouwwerken - algemeen
De bouwhoogte van een bouwwerk is maximaal 4 meter.
Artikel 21.115
binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit afwijken bouwregels: bouwen ten behoeve van andere gebruiksactiviteiten 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen anders dan ten behoeve van de rioolleiding, bedoeld in Artikel 21.113.
2.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. wordt gebouwd ten behoeve van een gebruiksactiviteit die op grond van deze afdeling op die locatie is toegelaten; b. wordt voldaan aan de regels voor het bouwen van bouwwerken die voor die gebruiksactiviteit van toepassing zijn; c. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit hoofde van bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van de vergunning.
3.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
Paragraaf 21.10.4
Aanleggen
Artikel 21.116Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. aanleggen van wegen of paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. graafwerkzaamheden; c. heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen; d. aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; e. wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoping; f. vellen of rooien van houtgewas; g. aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur van 2,5 meter of hoger.
Artikel 21.117Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.116, geldt niet voor: a. werken en werkzaamheden waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt; b. werken en werkzaamheden die op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt in uitvoering waren; c. werken en werkzaamheden in het kader van het normale onderhoud van leidingen; d. werken en werkzaamheden die vallen onder de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
Artikel 21.118Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.116 wordt verleend als, naar oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico’s ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.
Artikel 21.119Advies binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.116 wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
Afdeling 21.11
Verblijfsrecreatie
Paragraaf 21.11.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.120Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Verblijfsrecreatie.
Paragraaf 21.11.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.121Toegelaten activiteiten – verblijfsrecreatie
In het gebied Verblijfsrecreatie mogen gronden gebruikt worden voor a. recreatieve doeleinden, zoals:
Artikel 21.122Toegelaten activiteiten – recreatieve doeleinden
1.
In het gebied specifieke vorm van recreatie - 10 mogen gronden worden gebruikt voor recreatieve doeleinden onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten is een bungalowpark (bekend staand onder de naam ‘Het Zonnetje’); b. het aantal recreatiewoningen is maximaal 54; c. het aantal recreatiestudio’s is maximaal 5; d. de oppervlakte van gemeenschappelijke voorzieningen is maximaal 760 m2 inclusief luifels van het terras e. de horeca en bowlingbanen zijn ook toegankelijk voor bezoekers van buiten het bungalowpark.
Artikel 21.123Gebod – afschermende groenvoorziening
Rondom de verblijfsrecreatieterreinen dient een strook van minimaal 5 meter met afschermende groenvoorzieningen aanwezig te zijn.
Artikel 21.124Parkeren
Het parkeren behorende bij de functie Verblijfsrecreatie vindt op het perceel plaats.
Artikel 21.125Verboden gebruiksactiviteiten
De volgende activiteiten zijn altijd verboden: a. het gebruik van gronden voor verblijfsrecreatieve parken die niet bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.
Artikel 21.126Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing
1.
In het gebied Plangebied Ruurloseweg 30-30a Zelhem is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.121 en Artikel 21.122alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Versterkingsplan Ruurloseweg 30-30a Zelhem. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
Paragraaf 21.11.3
Bouwen
Artikel 21.127Bouwregels recreatiewoning
1.
De inhoud van een recreatiewoning is maximaal 300 m3.
2.
De bebouwde oppervlakte van een recreatiewoning is maximaal 75 m2.
3.
De bebouwde oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning is maximaal 15 m2.
4.
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning is maximaal 3 meter.
5.
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning is maximaal 6 meter.
Artikel 21.128Bouwregels recreatiestudio
1.
De bebouwde oppervlakte per recreatiestudio is maximaal 127 m² 2.
De goothoogte van een recreatiestudio is maximaal 3 meter.
3.
De bouwhoogte van de recreatiestudio is maximaal 6 meter hoog.
4.
Er zijn geen bijbehorende bouwwerken toegestaan.
Artikel 21.129Bouwregels bedrijfswoning
1.
Per functievlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan.
2.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.
3.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
4.
De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter.
5.
De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter.
6.
De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens is minimaal 3 meter.
Artikel 21.130Bouwregels gebouw met gemeenschappelijke voorzieningen
1.
De goothoogte van een gebouw met gemeenschappelijke voorzieningen is maximaal 4 meter.
2.
De bouwhoogte van een gebouw met gemeenschappelijke voorzieningen is maximaal 6 meter.
Artikel 21.131Bouwregels bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen – aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen
1.
De goothoogte van een aangebouwe of vrijstaand bijgebouw is maximaal 3 meter.
2.
De bouwhoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 6 meter.
3.
De bebouwde oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen per woning is maximaal 150 m2.
4.
De afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de bedrijfswoning is maximaal 20 meter.
Artikel 21.132Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
1.
De bouwhoogte van een vlaggenmast of een verlichtingsmast is maximaal 8 meter.
2.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het eerste lid is maximaal 2,5 meter.
Artikel 21.133
specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactvitieit bouwwerken – afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.132, eerste of tweede lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten.
Afdeling 21.12
Verkeer
Paragraaf 21.12.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.134Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Verkeer.
Paragraaf 21.12.2
Gebruik van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.135toegelaten activiteiten - verkeer
1.
In het gebied Verkeer mogen gronden gebruikt worden voor: a. groenvoorzieningen; b. parkeervoorzieningen; c. nutsvoorzieningen; d. water en watervoorzieningen.
2.
In het gebied Verkeer (landelijk gebied) mogen gronden ook gebruikt worden voor: a. erftoegangswegen; b. watergangen.
3.
In het gebied Verkeer (stedelijk gebied) mogen gronden ook gebruikt worden voor: a. wegen; b. voet- en fietspaden; c. verblijfsgebieden; d. tuinen; e. sport- en speelvoorzieningen; f. straatmeubilair; g. beeldende kunstwerken; h. geluidswerende voorzieningen.
Paragraaf 21.12.3
Bouwen
Artikel 21.136Bouwregels gebouwen
Het is verboden een gebouw te bouwen.
Artikel 21.137Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
1.
In het gebied Verkeer (landelijk gebied) is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, maximaal 2,5 meter.
2.
In het gebied Verkeer (stedelijk gebied) is de bouwhoogte van een bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 4 meter.
3.
In het gebied Verkeer (stedelijk gebied) is de bouwhoogte van een erf- of terreinafscheidingen ten behoeve van tuinen maximaal 1 meter.
Artikel 21.138
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit afwijken bouwregels: bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1.
Dit artikel geld voor het gebied Verkeer (landelijk gebied).
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen dat hoger is dan is toegelaten volgens artikel 21.137.
3.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger gebruik van de gronden in overeenstemming met artikel 21.12.
Afdeling 21.13
Water
Paragraaf 21.13.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.139Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Water.
Paragraaf 21.13.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.140Toegelaten activiteiten – water
In het gebied Water mogen gronden gebruikt worden voor: a. waterhuishoudkundige doeleinden; b. groenvoorzieningen; c. bijbehorende voorzieningen zoals bermen en beschoeiing; d. het beheer en onderhoud van watergangen en retentievoorzieningen.
Artikel 21.141Oogmerken
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.140, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op: a. instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden.
Paragraaf 21.13.3
Bouwen
Artikel 21.142Bouwregels gebouwen
Het is verboden een gebouw te bouwen.
Artikel 21.143bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde is maximaal 4 meter.
Afdeling 21.14
Waterberging
Paragraaf 21.14.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.144Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Waterberging .
Paragraaf 21.14.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.145Toegelaten activiteiten – waterberging
In het gebied Waterberging mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Paragraaf 21.14.3
Bouwen
Artikel 21.146
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - waterberging 1.
Artikel 22.36 is niet van toepassing.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van de verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt geschaad: a. een bouwwerk ten behoeve van een hoofdfunctie, anders dan waterberging, die op die locatie is toegelaten; b. een gebouw; c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een hoogte van meer dan 2 meter.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op een bouwwerk dat legaal aanwezig was op 25 oktober 2016.
Paragraaf 21.14.4
Aanleggen
Artikel 21.147Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; d. aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.
Artikel 21.148Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen
Het verbod, bedoel in Artikel 21.147, geldt niet voor: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoerd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden.
Artikel 21.149Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen
Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.147 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterbergingscapaciteit van de gronden.
Artikel 21.150Advies waterbeheerder
Het bevoegd gezag wint advies in bij de waterbeheerder over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.149 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Afdeling 21.15
Waterkering
Paragraaf 21.15.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.151Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Waterkering.
Paragraaf 21.15.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.152Toegelaten activiteiten – waterkering
In het gebied Waterkering mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Paragraaf 21.15.3
Bouwen
Artikel 21.153
Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - waterkering 1.
Artikel 22.36 is niet van toepassing.
2.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een bouwwerk ten behoeve van een hoofdfunctie, anders dan waterkering, die op die locatie is toegelaten, wordt alleen verleend als de belangen van de waterkering naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 21.154Advies waterbeheerder
Het bevoegd gezag wint advies in bij de waterbeheerder over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.153 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Afdeling 21.16
Wonen
Paragraaf 21.16.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.155Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied Wonen.
Paragraaf 21.16.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.156Toegelaten activiteiten – wonen
1.
In het gebied Wonen mogen gronden worden gebruikt voor: a. woondoeleinden; b. aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop; c. bed & breakfast; d. groen, zoals tuinen en andere beplanting; e. beheer, berging en afvoer van water; f. wegen en paden.
2.
In het gebied Wonen - landelijk gebied mogen gronden ook worden gebruikt voor grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie bedoeld voor de eigen energievoorziening.
Artikel 21.157toegelaten activiteiten – nevenfuncties
1.
Het uitoefenen van nevenfuncties is toegelaten in overeenstemming met de regels van afdeling 21.17.
2.
In aanvulling op het eerste lid is in het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle agrarisch medegebruik toegestaan onder de voorwaarde dat hiervoor maximaal 118 m2 aan bebouwing in gebruik is.
Artikel 21.158
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - nevenfuncties - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor nevenfuncties anders dan bedoeld in Artikel 21.197 en Artikel 21.198.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende nevenfuncties: a. nevenfuncties als bedoeld in bijlage V, met uitzondering van verblijfsrecreatie, detailhandel of horeca (anders dan een theetuin); b. activiteiten die in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder 2.a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
4.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend als is voldaan aan het derde lid en: a. alleen bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen worden gebruikt en er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt ten behoeve van de nevenfunctie(s); b. alleen vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen worden gebruikt voor de nevenfunctie(s); c. niet meer dan 50% van deze bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de nevenfunctie(s), tot een maximum van 350 m2; d. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij "overige gebouwen" bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; f. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.200; g. parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; i. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; j. de volgende waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast:
Artikel 21.159
Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – nevenfuncties - landelijk gebied In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.158 een inrichtingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.158, vierde lid, aanhef en onder h.
Artikel 21.160
Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – kleinschalig kampeerterrein - landelijk gebied 1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied 2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een kampeerterrein.
3.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend als: a. de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); b. het kampeerterrein wordt gerealiseerd op een locatie die is gelegen buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO); c. het kampeerterrein wordt gerealiseerd in het gebied Wonen - landelijk gebied; d. van de bebouwde oppervlakte wordt niet meer dan 100 m² gebruikt voor het kleinschalige kampeerterrein (inclusief trekkershutten); e. voor trekkershutten:
4.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inrichtingsplan wordt overgelegd.
Artikel 21.161voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
1.
In het gebied Plangebied Heisterboomsdijk 20-22 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.156 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heisterboomsdijk 20-22 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
2.
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.156 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heurneweg 2-4 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
Paragraaf 21.16.3
Bouwen
Artikel 21.162Bouwregels algemeen: bebouwd oppervlakte – landelijk gebied
1.
Het maximum bebouwd oppervlak in het gebied Venderinkweg 2 en 2A is 300m2.
Artikel 21.163Bouwregels algemeen: bebouwingspercentage – stedelijk gebied
1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
2.
Het bebouwingspercentage van het Bouwvlak is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Bebouwingspercentage.
3.
De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is bij vrijstaande en twee-aaneen woningen minimaal 3 meter.
Artikel 21.164Bouwregels gebouwen - landelijk gebied
1.
In het gebied Wonen - landelijk gebied is het is verboden een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak.
Artikel 21.165Bouwregels hoofdgebouwen - aantal woningen
1.
In het gebied Wonen (landelijk wonen) is per functievlak maximaal één woning toegelaten.
2.
In het gebied Wonen - 1 woningen zijn per functievlak maximaal twee woningen toegelaten.
3.
In het gebied Wonen (stedelijk) is het aantal woningen niet meer dan aangegeven met een omgevingsnorm Wonen-stedelijk gebied-aantal woningen. Als geen omgevingsnorm is aangegeven is het aantal woningen niet meer dan feitelijk legaal aanwezig op 31 maart 2016.
Artikel 21.166bouwregels hoofdgebouwen – woningtypes
1.
In het gebied Wonen - landelijk gebied zijn alleen vrijstaande woningen toegelaten.
2.
In het gebied Bouwaanduiding vrijstaand zijn alleen vrijstaande woningen toegelaten.
3.
In het gebied Bouwaanduiding twee-aaneen zijn alleen twee-aaneengebouwde woningen toegelaten.
4.
In het gebied Bouwaanduiding aaneengebouwd zijn alleen aaneengebouwde woningen toegelaten.
Artikel 21.167bouwregels hoofdgebouwen – inhoud - landelijk gebied
1.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
2.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de woning is gelegen, is maximaal 750 m³.
3.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
Artikel 21.168bouwregels hoofdgebouwen – hoogte
1.
In het gebied Wonen - landelijk gebied is de bouwhoogte van een hoofdgebouw maximaal 10 meter.
2.
In het gebied Wonen - landelijk gebied is de goothoogte van een hoofdgebouw maximaal 4,5 meter.
3.
De bouwhoogte is maximaal de hoogte die is aangegeven met een omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied.
4.
De goothoogte is maximaal de hoogte die is aangegeven met een omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied.
Artikel 21.169bouwregels hoofdgebouwen – afstand tot perceelsgrens
1.