← Nederland

Omgevingsplan gemeente Haarlem (Haarlem)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Haarlem regelt welk gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan binnen de gemeentegrenzen, met specifieke bepalingen voor diverse activiteiten en functies. Het stelt regels vast voor wat wel en niet mag op bepaalde locaties.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696299 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0392/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-12-04 2025-12-04 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696299/nld@2026-01-01 /join/id/proc

Artikel 1.1 Begripsbepalingen Omgevingswet 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op het omgevingsplan gemeente Haarlem.

  1. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die van toepassing zijn op dit omgevingsplan.
  2. Bijlage III bevat in aanvulling op het tweede lid de begripsbepalingen die van toepassing zijn op dit omgevingsplan.
  3. Indien een begripsbepaling in het eerste of het tweede lid in strijd is met een begripsbepaling in het derde lid, is de begripsbepaling van het derde lid van toepassing. Hoofdstuk 2 Regels voor gebruik gronden en bouwwerken Afdeling 2.1 Inleidende regels Artikel 2.1 Normadressaat
  4. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Haarlem, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
  5. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 2.2 Toegestaan planologisch gebruik
  6. Het is verboden locaties en bouwwerken in de gemeente Haarlem te gebruiken voor andere vormen van planologisch gebruik dan is toegestaan op grond van het omgevingsplan.
  7. Op een locatie is alleen het planologisch gebruik toegestaan conform de aanduiding die verbonden is aan deze locatie.
  8. Voor zover bij de uitoefening van planologisch gebruik mede sprake is van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 6, dan worden de in dat hoofdstuk opgenomen regels mede in acht genomen. Artikel 2.3 Functies begane grond ook vanaf de eerste verdieping De in afdeling 2.2 genoemde functies die alleen op de begane grond zijn toegestaan, zijn ook mogelijk vanaf de eerste verdieping bij de aanduiding functies begane grond ook vanaf de eerste verdieping. Afdeling 2.2 Gebruiksregels voor gronden en bouwwerken Paragraaf 2.2.1 Bedrijf geschikt voor functiemenging Subparagraaf 2.2.1.

Artikel 2

.4 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.1 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsmatige activiteiten en geldt ter plaatse van de aanduiding bedrijf geschikt voor functiemenging. Artikel 2.5 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor een bedrijf geschikt voor functiemenging.
  2. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.1.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.6 Aannemersbedrijf met werkplaats Bij de aanduiding aannemersbedrijf met werkplaats is een aannemersbedrijf met werkplaats toegestaan met een bedrijfsoppervlakte kleiner dan 1000 m2 (SBI-code 2008: 41, 43). Artikel 2.7 Autoplaatwerkerij
  3. Bij de aanduiding werkplaats is een autoplaatwerkerij of een autospuitinrichting toegestaan.
  4. Bij de aanduiding werkplaats begane grond is een autoplaatwerkerij of een autospuitinrichting toegestaan. Artikel 2.8 Autoverhuurbedrijf Bij de aanduiding autoverhuurbedrijf is een autoverhuurbedrijf toegestaan (SBI-code 2008: 77.11). Artikel 2.9 Bedrijf geschikt voor functiemenging
  5. Bij de aanduiding De Koepel (bedrijf) is een bedrijf geschikt voor functiemenging toegestaan. Het maximum bruto vloeroppervlak voor de bedrijfsactiviteiten en dienstverlening als bedoeld in artikel 2.101 vierde lid is maximaal 5250 m
  6. Bij de aanduiding bedrijf geschikt voor functiemenging vanaf de eerste verdieping mogen locaties vanaf de eerste verdieping gebruikt worden voor een bedrijf geschikt voor functiemenging. Artikel 2.10 Bedrijfswoning Bij de aanduiding bedrijfswoning is een bedrijfswoning op de eerste en tweede verdieping toegestaan. Artikel 2.11 Garagebedrijf Een garagebedrijf is toegestaan bij de aanduiding garagebedrijf (SBI-code 2008: 45.11, 45.20, 45.40). Artikel 2.12 Glas-in-lood-bedrijf Bij de aanduiding glas-in-lood-bedrijf is een glas-in-lood-bedrijf toegestaan (SBI-code 2008: 23.12). Artikel 2.13 Groothandel
  7. Bij de aanduiding groothandel in hout- en bouwmaterialen of verfwaren is een groothandel in hout- en bouwmaterialen of verfwaren toegestaan.
  8. Bij de aanduiding groothandel in vaten is een groothandel in vaten toegestaan.
  9. Bij de aanduiding groothandel in meubels is een groothandel in meubels toegestaan (SBI-code 2008: 46.47.1, 46.65). Artikel 2.14 Natuursteenbewerkingsbedrijf Bij de aanduiding natuursteenbewerkingsbedrijf is een natuursteenbewerkingsbedrijf toegestaan (SBI-code 2008: 23.70). Artikel 2.15 Pottenbakkerij Bij de aanduiding pottenbakkerij is een pottenbakkerij met school toegestaan (SBI-code 2008: 23.4). Artikel 2.16 Sociale werkvoorziening Bij de aanduiding sociale werkvoorziening is een sociale werkvoorziening toegestaan (SBI-code 2008: 32.99, 32.99.1). Artikel 2.17 Textielbedrijf Bij de aanduiding textielbedrijf is een textielbedrijf toegestaan (SBI-code 2008: 14.1, 14.12). Artikel 2.18 Verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG Bij de aanduiding verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG is een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG, met ondergeschikte en daarmee verbonden detailhandel toegestaan Subparagraaf 2.2.1.3 Gebruiksregels Artikel 2.19 Gebruiksregels
  10. In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 wordt tot een strijdig gebruik van locaties en bouwwerken gerekend het gebruik of laten gebruiken voor: a. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zoals bedoeld in artikel 2.11a Omgevingswet; b. activiteiten genoemd in de kolommen 2 en 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit; c. milieubelastende activiteiten genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving; d. activiteiten, waarvan de in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving met betrekking tot die activiteiten voorgeschreven afstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, reiken tot gronden waar kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen of op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan; e. wonen, met uitzondering van de als 'wonen' of 'bedrijfswoning' aangeduide locaties; f. een verkooppunt voor motorbrandstoffen, met uitzondering van de als zodanig aangeduide locaties.
  11. De reeds legaal gevestigde activiteiten genoemd in paragraaf 2.2.1.2 mogen onverminderd het bepaalde in eerste lid worden uitgeoefend.
  12. Het gebruik van een bedrijf geschikt voor functiemenging mag niet leiden tot overschrijding van de normen zoals opgenomen in hoofdstuk
  13. Paragraaf 2.2.2 Casino Subparagraaf 2.2.2.

Artikel 2

.20 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.2 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een casino en geldt ter plaatse van de aanduiding casino. Artikel 2.21 Toegestane activiteiten

  1. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor het exploiteren van een casino.
  2. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.2.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.22 Casino ook vanaf de eerste verdieping Bij de aanduiding casino ook vanaf de eerste verdieping is een casino op de begane grond en vanaf de eerste verdieping toegestaan. Paragraaf 2.2.3 Consumentgerichte dienstverlening Subparagraaf 2.2.3.

Artikel 2.23 Toepassingsbereik 1.

Paragraaf 2.2.3 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor consumentgerichte dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding consumentgerichte dienstverlening.

  1. Op vormen van planologisch gebruik op het gebied van zakelijke dienstverlening, is niet deze paragraaf, maar paragraaf 2.2.14 van toepassing. Artikel 2.24 Toegestane activiteiten algemeen
  2. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor consumentgerichte dienstverlening.
  3. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.3.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.25 Belwinkel Bij de aanduiding belwinkel is een belwinkel toegestaan. Artikel 2.26 Consumentgerichte dienstverlening verdiepingen
  4. Bij de aanduiding consumentgerichte dienstverlening eerste verdieping is consumentgerichte dienstverlening op de eerste verdieping toegestaan.
  5. Bij de aanduiding consumentgerichte dienstverlening vanaf de eerste verdieping is consumentgerichte dienstverlening vanaf de eerste verdieping toegestaan. Artikel 2.27 Veilinghuis Bij de aanduiding veilinghuis is een veilinghuis toegestaan. Paragraaf 2.2.4 Culturele voorzieningen Subparagraaf 2.2.4.

Artikel 2

.28 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.4 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor culturele voorzieningen en geldt ter plaatse van de aanduiding culturele voorzieningen. Artikel 2.29 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties zijn bedoeld voor culturele voorzieningen: a. multifunctionele ruimten ten behoeve van cursussen, exposities, expressionele opvoeringen, en het gebruik als praktijkruimte; b. creativiteitscentrum, atelier.
  2. Verder zijn toegestaan aan de hoofdfunctie ondergeschikte en daarmee verbonden: a. horeca categorie 1 en horeca categorie 2 tot niet meer dan 20% van het bruto vloeroppervlak, tot een maximum van 100 m²; b. detailhandel, tot niet meer dan 20% van het bruto vloeroppervlak, tot een maximum van 100 m².
  3. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.4.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.30 Bioscoop
  4. Bij de aanduiding bioscoop is een bioscoop toegestaan.
  5. Bij de aanduiding De Koepel (bioscoop) is een bioscoop toegestaan met een maximum van 600 stoelen en een maximum bruto vloeroppervlak van 2300 m
  6. Artikel 2.31 Dansschool
  7. Bij de aanduiding dansschool is een dansschool toegestaan.
  8. Bij de aanduiding dansschool begane grond is een dansschool op de begane grond toegestaan. Artikel 2.32 Museum
  9. Bij de aanduiding museum is een museum toegestaan.
  10. Bij de aanduiding museum begane grond is een museum op de begane grond toegestaan. Artikel 2.33 Muziek- en concertzaal Bij de aanduiding muziek en concertzaal is een muziek- en concertzaal toegestaan. Artikel 2.34 muziekschool
  11. Bij de aanduiding muziekschool is een muziekschool toegestaan.
  12. Bij de aanduiding muziekschool begane grond is een muziekschool op de begane grond toegestaan. Artikel 2.35 Sauna Bij de aanduiding sauna is een sauna toegestaan. Artikel 2.36 Schouwburg
  13. Bij de aanduiding schouwburg is een schouwburg toegestaan.
  14. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.29, mogen de aan de schouwburg ondergeschikte en daarmee verbonden horeca-activiteiten tot en met categorie 2 maximaal 600 m2 bedragen. Artikel 2.37 Theater
  15. Bij de aanduiding theater is een theater toegestaan.
  16. Bij de aanduiding theater begane grond is een theater op de begane grond toegestaan. Artikel 2.38 Wellness Bij de aanduiding wellness begane grond is wellness op de begane grond toegestaan. Artikel 2.39 Culturele voorzieningen begane grond Locaties met de aanduiding culturele voorzieningen begane grond zijn bedoeld voor: a. multifunctionele ruimten ten behoeve van cursussen en exposities en het gebruik als praktijkruimte; b. atelier. Artikel 2.40 Culturele voorzieningen eerste verdieping (Brinkmann) Locaties met de aanduiding culturele voorzieningen eerste verdieping mogen op de eerste verdieping worden gebruikt voor: a. multifunctionele ruimten ten behoeve van cursussen, exposities, expressionele opvoeringen; b. creativiteitscentrum, atelier, praktijkruimte; c. dansschool; d. museum; e. muziek- en concertzaal; f. theater; g. muziekschool; h. wellness. Artikel 2.41 Drijfriemenfabriek
  17. In aanvulling en met voorrang op artikel 2.29 gelden voor de locatie Drijfriemenfabriek de gebruiksregels van dit aritkel.
  18. De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. horeca categorie 1 en horeca categorie 2; b. het organiseren van feesten en partijen; c. stadsstrand; d. muziekstudio's/oefenruimtes; e. dakterras op het paviljoen ten behoeve van de horeca.
  19. Aan de gebruiksactiviteiten gelden de volgende voorwaarden: a. het is niet toegestaan om versterkt geluid ten gehore te brengen op het dakterras en het stadsstrand. Het geluid op het dakterras en het stadsstrand dient beperkt te blijven tot (onversterkte) stemgeluid van bezoekers; b. uitpandige activiteiten zijn na 01.00 uur 's nachts niet toegestaan; c. culturele activiteiten dienen volledig binnen het gebouw plaats te vinden. Dit geldt ook voor de uitvoering van muziek. Paragraaf 2.2.5 Dagrecreatie Subparagraaf 2.2.5.

Artikel 2

.42 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.5 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor dagrecreatie en geldt ter plaatse van de aanduiding dagrecreatie. Artikel 2.43 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties zijn bedoeld voor: a. dagrecreatie, buitengalerie, theetuin, terras; b. aan de hoofdactiviteit ondergeschikte en daarmee verbonden detailhandel ten dienste van deze voorzieningen met niet meer dan 20% van het bruto vloeroppervlak; c. sanitaire voorzieningen ten behoeve van de pleziervaart; d. speelvoorzieningen; e. clubgebouw, dienstgebouw; f. waterlopen en waterpartijen;
  2. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.5.2 Gebruiksregels Artikel 2.44 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.114 gelden de volgende regels: a. het is verboden locaties en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning van recreatiewoningen. Paragraaf 2.2.6 Detailhandel Subparagraaf 2.2.6.

Artikel 2

.45 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.6 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor detailhandel en geldt ter plaatse van de aanduiding detailhandel. Artikel 2.46 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor: a. detailhandel; b. aan detailhandel ondergeschikte en daarmee verbonden horeca categorie 1 met niet meer dan 30% van de verkoopvloeroppervlakte, zonder terras en zonder het schenken van alcoholische dranken.
  2. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.6.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.47 Detailhandel
  3. Bij de aanduiding detailhandel eerste verdieping is detailhandel op de eerste verdieping toegestaan.
  4. Bij de aanduiding detailhandel vanaf de eerste verdieping is detailhandel vanaf de eerste verdieping toegestaan.
  5. Bij de aanduiding De Koepel (detailhandel) is detailhandel toegestaan met een maximale bruto vloeroppervlak van 235 m
  6. Artikel 2.48 Goudsmederij Bij de aanduiding goudsmederij is een goudsmederij toegestaan (SBI-code 2008: 32.11, 32.12, 95.25). Artikel 2.49 Kledingmakerij Bij de aanduiding kledingmakerij is een kledingmakerij (SBI-code 2008: 14.1) toegestaan. Artikel 2.50 Reparatie- en servicebedrijf motorfietsen Bij de aanduiding reparatie- en servicebedrijf motorfietsen is een reparatie- en servicebedrijf motorfietsen toegestaan (SBI-code 2008: 45.40.2). Artikel 2.51 Supermarkt begane grond Een supermarkt op de begane grond is toegestaan bij de aanduiding supermarkt begane grond. Artikel 2.52 Supermarkt uitgesloten Bij de aanduiding supermarkt uitgesloten is een supermarkt niet toegestaan. Paragraaf 2.2.7 Horeca Artikel 2.53 Horeca categorie 1
  7. Bij de aanduiding horeca categorie 1 is horeca categorie 1 op de begane grond toegestaan.
  8. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.54 Horeca t/m categorie 2
  9. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 2 zijn horeca categorie 1 en horeca categorie 2 op de begane grond toegestaan.
  10. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 2 eerste verdieping zijn horeca categorie 1 en horeca categorie 2 toegestaan op de eerste verdieping.
  11. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 2 verdiepingen zijn horeca categorie 1 en horeca categorie 2 vanaf de eerste verdieping toegestaan.
  12. Bij de aanduiding De Koepel (horeca categorie 2) is horeca categorie 2 toegestaan. Het maximum bruto vloeroppervlak is 240 m
  13. In aanvulling op het vijfde lid zijn ook toegestaan: campusvoorzieningen en speel- en sportvoorzieningen.
  14. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.55 Horeca t/m categorie 3
  15. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 3 zijn horeca categorie 1, horeca categorie 2 en horeca categorie 3 toegestaan op de begane grond.
  16. Bij de aanduiding brouwerij zijn horeca categorie 1 , horeca categorie 2 en horeca categorie 3 toegestaan. Daarnaast is een brouwerij toegestaan op de begane grond ten dienste van de hoofdactiviteit.
  17. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.56 Horeca categorie 4
  18. Bij de aanduiding horeca categorie 4 is horeca categorie 4 op de begane grond toegestaan.
  19. Bij de aanduiding horeca categorie 4 vanaf de eerste verdieping is horeca categorie 4 vanaf de eerste verdieping toegestaan.
  20. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.57 De Koepel horeca categorie 4
  21. Bij de aanduiding De Koepel (horeca categorie 4) is een hotel met lunchroom/restaurant toegestaan.
  22. Het hotel heeft maximaal 70 kamers en een bovengronds maximum bruto vloeroppervlak van 2550 m2, waarvan maximaal 540 m2 bvo voor restaurant.
  23. Maximaal 320 m2 bvo van het restaurant als bedoeld in het tweede lid mag worden gebruikt voor niet-hotelgasten.
  24. Ook zijn toegestaan: bij de bestemming behorende 'bouwwerken geen gebouw zijnde', groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, campusvoorzieningen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, speel- en sportvoorzieningen, kunstwerken, voorzieningen van openbaar nut, kunstobjecten, waterberging, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport.
  25. Bij de aanduiding eerste voorwaardelijke verplichting De Koepel geldt het volgende: a. binnen vier jaar na het gebruik van een hotel als bedoeld in het eerste lid dient een inrichtingsplan buitenruimte te worden gemaakt, vastgesteld door burgemeester en wethouders; b. het bouwen en gebruiken van een hotel als bedoeld in het eerste lid alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen vijf jaar na het gebruiken, de gronden zijn ingericht en ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan. Artikel 2.58 Horeca categorie 5
  26. Bij de aanduiding horeca categorie 5 is horeca categorie 5 op de begane grond toegestaan.
  27. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.59 Ondersteunende horeca-activiteiten
  28. Bij de aanduiding ondergeschikte horeca is aan de hoofdfunctie ondergeschikte horeca toegestaan tot een gezamenlijke maximale bruto vloeroppervlak van 330 m
  29. Bij de aanduiding beperking oppervlakte horeca mag het bruto vloeroppervlak voor horeca categorie 1 en/of horeca categorie 2 maximaal 400 m2 zijn. De oppervlakte van een terras voor horeca-activiteiten blijft buiten beschouwing.
  30. Bij de aanduiding horecaterras is een terras voor de activiteiten horeca categorie 1 en horeca categorie 2 toegestaan.
  31. Bij de aanduiding De Koepel (terras) zijn onoverdekte en onverwarmde terrassen toegestaan. Terrassen dienen in de nachtperiode tussen 23.00 uur - 07.00 uur te zijn gesloten voor het publiek. Paragraaf 2.2.8 Maatschappelijke dienstverlening Subparagraaf 2.2.8.

Artikel 2

.60 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.8 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding maatschappelijke dienstverlening. Artikel 2.61 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties zijn bedoeld voor maatschappelijke dienstverlening: a. bibliotheek; b. buitenschoolse opvang; c. educatieve voorzieningen; d. gezondheidszorg; e. levensbeschouwelijke voorzieningen; f. openbare dienstverlening; g. (para)medische voorzieningen; h. peuterspeelzaalwerk; i. praktijkruimte; j. welzijnsinstellingen; k. woonzorgvoorzieningen.
  2. Verder zijn toegestaan aan de hoofdfunctie ondergeschikte en daarmee verbonden: a. detailhandel en horeca categorie 1, ten dienste van deze functie met niet meer dan 30 % van het bruto vloeroppervlak; b. sportactiviteiten.
  3. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Subparagraaf 2.2.8.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.62 Basisschool
  4. Bij de aanduiding basisschool is toegestaan: a. een basisschool; b. buitenschoolse opvang.
  5. Ook zijn toegestaan: bijbehorende voorzieningen zoals speelvoorzieningen, erfafscheidingen, groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen. Artikel 2.63 Kinderdagverblijf
  6. Bij de aanduiding kinderdagverblijf is een kinderdagverblijf toegestaan.
  7. Bij de aanduiding kinderdagverblijf met begrenzing vloeroppervlak is een kinderdagverblijf toegestaan met een bruto vloeroppervlak van maximaal 30%. Artikel 2.64 Maatschappelijke dienstverlening begane grond Bij de aanduiding maatschappelijke dienstverlening begane grond zijn de activiteiten genoemd in artikel 2.61 op de begane grond toegestaan. Artikel 2.65 Opvang
  8. Bij de aanduiding dagopvang is een dagopvang toegestaan.
  9. Bij de aanduiding opvang dak- en thuislozen is een opvang voor dak- en thuislozen toegestaan. Artikel 2.66 Religieuze doeleinden Bij de aanduiding religieuze doeleinden zijn religieuze doeleinden toegestaan. Artikel 2.67 Studentenhuisvesting
  10. Bij de aanduiding De Koepel (studentenhuisvesting) is studentenhuisvesting toegestaan.
  11. Het maximum is 250 eenheden en maximum bruto vloeroppervlak van 9400 m
  12. Ook zijn toegestaan: bij de bestemming behorende 'bouwwerken geen gebouw zijnde', groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, campusvoorzieningen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, speel- en sportvoorzieningen, kunstwerken, voorzieningen van openbaar nut, kunstobjecten, waterberging, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport.
  13. Artikel 2.93 vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op studentenhuisvesting als bedoeld in het eerste lid.
  14. Bij de aanduiding derde voorwaardelijke verplichting De Koepel mogen gebouwen voor studentenhuisvesting als bedoeld in het eerste lid niet eerder in gebruik worden genomen, voordat een ondergrondse parkeergarage met een minimum bruto vloeroppervlak van 4000 m2 is gerealiseerd.
  15. Bij de aanduiding vierde voorwaardelijke verplichting De Koepel geldt dat het bouwen van studentenhuisvesting als bedoeld in het eerste lid alleen is toegestaan op voorwaarde dat: a. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' boven de goot wordt afgedekt met een overkapping (privacy-geluidscherm), die voor minimaal 90% gesloten is; b. de dakhelling niet meer bedraagt dan ter plaatse van de aanduiding dakhelling is aangeven. Artikel 2.68 Universitair en hoger onderwijs
  16. Bij de aanduiding universitair en hoger onderwijs is universitair en hoger onderwijs toegestaan.
  17. Het minimum bruto vloeroppervlak is 2800 m2 en het maximaal aantal studenten bedraagt
  18. Ook zijn toegestaan: bij de bestemming behorende 'bouwwerken geen gebouw zijnde', groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, campusvoorzieningen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, speel- en sportvoorzieningen, kunstwerken, voorzieningen van openbaar nut, kunstobjecten, waterberging, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.69 Vereniging
  19. Bij de aanduiding vereniging begane grond is een vereniging op de begane grond toegestaan.
  20. Bij de aanduiding vereniging is een vereniging toegestaan. Paragraaf 2.2.9 Seksinrichting Subparagraaf 2.2.9.

Artikel 2

.70 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.9 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting en geldt ter plaatse van de aanduiding seksinrichting. Subparagraaf 2.2.9.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.71 Seksinrichting

  1. Bij de aanduiding seksinrichting is een seksinrichting op de begane grond toegestaan.
  2. Bij de aanduiding seksinrichting vanaf de eerste verdieping is een seksinrichting vanaf de eerste verdieping toegestaan.
  3. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Paragraaf 2.2.10 Shortstay Artikel 2.72 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.10 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van shortstay en geldt ter plaatse van de aanduiding shortstay. Artikel 2.73 Algemene regels
  4. Bij de aanduiding shortstay is shortstay vanaf de eerste verdieping toegestaan.
  5. Bij de aanduiding shortstay vanaf de tweede verdieping is shortstay vanaf de tweede verdieping toegestaan. Paragraaf 2.2.11 Sportvoorzieningen Subparagraaf 2.2.11.

Artikel 2

.74 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.11 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor sportvoorzieningen en geldt ter plaatse van de aanduiding sportvoorzieningen. Artikel 2.75 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties zijn bedoeld voor: a. sportactiviteiten; b. sportvelden; c. sportvoorzieningen; d. sporthal; e. sportevenementen en evenementen tot en met categorie 2; f. verenigingsleven; g. aan de sportactiviteit ondergeschikte horeca categorie 1, detailhandel, maatschappelijke activiteiten, met niet meer dan 30% van het bruto vloeroppervlak, tenzij een specifieke locatie anders bepaald.
  2. Ook zijn toegestaan: bijbehorende voorzieningen zoals sportvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, tribunes. Subparagraaf 2.2.11.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.76 Sporthal
  3. Bij de aanduiding sporthal is toegestaan: a. een sporthal; b. aan de hoofdfunctie ondergeschikte en daarmee verbonden detailhandel en horeca categorie 1, ten dienste van deze functie met niet meer dan 30 % van het bruto vloeroppervlak.
  4. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.77 Sport- en evenementenhal
  5. Bij de aanduiding sport- en evenementenhal is een sport- en evenementenhal op de begane grond, de eerste en de tweede verdieping toegestaan.
  6. De sport- en evenementenhal is bedoeld voor sportdoeleinden, zaalsport en het houden van congressen, vergaderingen, tentoonstellingen en festiviteiten met bijbehorende ondergeschikte horeca.
  7. Ook zijn toegestaan: bijbehorende voorzieningen, zoals bergingen, mede ten behoeve van de bovengelegen functies. Artikel 2.78 Sportschool
  8. Bij de aanduiding sportschool is een sportschool toegestaan.
  9. Bij de aanduiding sportschool eerste verdieping is een sportschool op de begane grond en de eerste verdieping toegestaan.
  10. Bij de aanduiding sportschool begane grond is een sportschool op de begane grond toegestaan. Artikel 2.79 Zwembad Bij de aanduiding zwembad is een zwembad toegestaan. Subparagraaf 2.2.11.3 Gebruiksregels Artikel 2.80 Gebruiksregels In aanvulling op de gebruiksregels van afdeling 2.5 gelden de volgende regels: a. het maximaal toegestane aantal dagen per locatie voor evenementen in categorie 1 is 12; b. het maximaal toegestane aantal dagen per locatie voor evenementen in categorie 2 en sportevenementen gezamenlijk is 12; c. het maximaal aantal bezoekers dat bij een (sport)evenement tegelijk aanwezig mag zijn is 1500; d. het totaal aantal bezoekers per (sport)evenement per dag is 2500; e. de dagen die nodig zijn voor op- en afbouw worden niet meegerekend bij het maximaal aantal toegestane dagen. Paragraaf 2.2.12 Tuin Subparagraaf 2.2.12.

Artikel 2

.81 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.12 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor tuinactiviteiten en geldt ter plaatse van de aanduiding tuin. Artikel 2.82 Toegestane activiteiten algemeen Locaties zijn bedoeld voor: a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing; b. bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw; c. bij aangrenzende activiteiten behorende voorzieningen zoals buitentrappen, pergola's; d. parkeren op bebouwde gronden. Subparagraaf 2.2.12.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.83 Bijgebouw pension Bij de aanduiding pension zijn bijgebouwen voor een pension toegestaan. Artikel 2.84 Parkeerterrein Bij de aanduiding parkeerterrein is een parkeerterrein toegestaan. Subparagraaf 2.2.12.3 Gebruiksregels Artikel 2.85 Gebruiksregels tuin In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende gebruiksregels: a. tot een strijdig gebruik van locaties wordt gerekend het gebruik of laten gebruiken voor: 1. het parkeren van motorvoertuigen op onbebouwde gronden, tenzij de aanduiding parkeerterrein van toepassing is; 2. dakterrassen voor horeca. Artikel 2.86 Voorwaardelijke verplichting voor locatie Wijngaardtuin Voor locatie Wijngaardtuin geldt de volgende voorwaardelijke verplichting: a. tot strijdig gebruik van locaties wordt eveneens gerekend: 1. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen, indien de bestaande erfafscheiding tussen de tuin van Jansstraat 46 en de Wijngaardtuin niet is verwijderd. Paragraaf 2.2.13 Wonen Subparagraaf 2.2.13.

Artikel 2

.87 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.13 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen en geldt ter plaatse van de aanduidingen wonen, wonen vanaf de eerste verdieping en wonen vanaf de tweede verdieping. Artikel 2.88 Toegestane activiteiten algemeen

  1. Locaties zijn bedoeld voor: a. wonen in woningen; b. aan-huis-verbonden beroep; c. gastouderopvang; d. bed&breakfast; e. hospitaverhuur; f. mantelzorg.
  2. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.89 Wonen op de begane grond uitgesloten Bij de aanduiding wonen op de begane grond uitgesloten is wonen op de begane grond niet toegestaan. Subparagraaf 2.2.13.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.90 Inpandige dienstwoning Bij de aanduiding inpandige dienstwoning zijn bestaande inpandige dienstwoningen toegestaan. Artikel 2.91 Kamerverhuurbedrijf Bij de aanduiding kamerverhuurbedrijf is uitsluitend op de begane grond een kamerverhuurbedrijf toegestaan. Artikel 2.92 Wonen verdiepingen
  3. Een woning vanaf de eerste verdieping is toegestaan bij de aanduiding wonen vanaf de eerste verdieping.
  4. Een woning vanaf de tweede verdieping is toegestaan bij de aanduiding wonen vanaf de tweede verdieping. Artikel 2.93 Wonen De Koepel
  5. Bij de aanduiding De Koepel (wonen) zijn maximaal 96 woningen toegestaan, waarvan 92 woningen met een maximum bruto vloeroppervlak per woning van 31 m
  6. Het maximum bruto vloeroppervlak voor wonen als bedoeld in het eerste lid bedraagt 3800 m
  7. De gebruiksmogelijkheden van artikel 2.95 zijn van toepassing.
  8. Ook zijn toegestaan: bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.
  9. Bij de aanduiding tweede voorwaardelijke verplichting De Koepel geldt het volgende: a. binnen twee jaar na het gebruik van woningen als bedoeld in het eerste lid dan wel studentenhuisvesting als bedoeld in artikel 2.67 dient een inrichtingsplan buitenruimte te worden gemaakt, vastgesteld door burgemeester en wethouders; b. het bouwen van woningen als bedoeld in het eerste lid en studentenhuisvesting als bedoeld in artikel 2.67 alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na vaststelling van het inrichtingsplan, de gronden zijn ingericht en ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan. Artikel 2.94 Zorgwoning Bij de aanduiding zorgwoning is een zorgwoning toegestaan. Subparagraaf 2.2.13.3 Gebruiksregels Artikel 2.95 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende gebruiksregels: a. het gebruik van een woning voor een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang en/of bed&breakfast, mag in totaal niet meer bedragen dan:
  10. 35% van het bruto vloeroppervlak met een maximum van 50 m2 en;
  11. waarbij het aanbod voor bed&breakfast zich beperkt tot maximaal 2 kamers en maximaal 4 personen tegelijk. b. het gebruik van een woning voor hospitaverhuur is onder de volgende voorwaarden toegestaan:
  12. de hoofdbewoner heeft de woning feitelijk als hoofdverblijf;
  13. de hoofdbewoner heeft voor aanvang van hospitaverhuur al minimaal twee jaar hoofdverblijf in de woning;
  14. de hoofdbewoner verhuurt niet meer dan twee kamers en verhuurt aan maximaal twee personen tegelijk;
  15. de verhuurde ruimten beslaan niet meer dan 35% van het bruto vloeroppervlak. c. het gebruik van een woning voor mantelzorg is onder de volgende voorwaarden toegestaan:
  16. de hoofdbewoner heeft de woning als hoofdverblijf en ontvangt of verleent mantelzorg conform de voorwaarden als omschreven in artikel 2.3.5, lid 1 onder b van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022;
  17. de verhuurde ruimten beslaan niet meer dan 35% van het bruto vloeroppervlak. d. Tot een strijdig gebruik van locaties en bouwwerken wordt gerekend het gebruik of laten gebruiken voor:
  18. met inachtneming van artikel 2.88 tweede lid, onbebouwde gronden voor het parkeren van motorvoertuigen; Artikel 2.96 Aanvullende gebruiksregels Fietsznfabriek
  19. In aanvulling op artikel 2.95 gelden voor locatie Fietsznfabriek de gebruiksregels van artikel 2.
  20. Het aantal woningen bedraagt tenminste 54 en maximaal
  21. De oppervlakte van een woning bedraagt ten minste 60 m2 bruto vloeroppervlak.
  22. Minimaal 30% van de woningen moet worden gebruikt als sociale huurwoning.
  23. Minimaal 40% van de woningen moet worden gebruikt als middeldure huurwoning of middeldure koopwoning. Artikel 2.97 Aanvullende gebruiksregels wonen De Koepel In aanvulling op artikel 2.95 gelden bij de aanduiding De Koepel (wonen) de volgende bepalingen: a. 100% van de woningen als bedoeld in artikel 2.93 mag uitsluitend worden gebruikt als sociale huurwoning; b. de woningen met een maximum oppervlak van 31 m2 bruto vloeroppervlak mogen uitsluitend worden gebruikt voor eenpersoonshuishoudens. Paragraaf 2.2.14 Zakelijke dienstverlening Subparagraaf 2.2.14.

Artikel 2.98 Toepassingsbereik 1.

Paragraaf 2.2.14 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor zakelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding zakelijke dienstverlening.

  1. Op vormen van planologisch gebruik op het gebied van consumentgerichte dienstverlening is niet deze paragraaf, maar paragraaf 2.2.3 van toepassing. Artikel 2.99 Toegestane activiteiten
  2. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor; a. zakelijke dienstverlening; b. praktijkruimte, atelier.
  3. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Artikel 2.100 Beperking baliefunctie
  4. Bij de aanduiding zakelijke baliefunctie uitgesloten is zakelijke dienstverlening met baliefunctie uitgesloten.
  5. Bij de aanduiding zakelijke baliefunctie verdieping uitgesloten is zakelijke dienstverlening met baliefunctie op de verdiepingen uitgesloten. Subparagraaf 2.2.14.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.101 Zakelijke dienstverlening
  6. Bij de aanduiding zakelijke dienstverlening eerste verdieping is zakelijke dienstverlening op de eerste verdieping toegestaan.
  7. Bij de aanduiding zakelijke dienstverlening vanaf de tweede verdieping is zakelijke dienstverlening vanaf de tweede verdieping toegestaan.
  8. Bij de aanduiding zakelijke dienstverlening vanaf de eerste verdieping is zakelijke dienstverlening vanaf de eerste verdieping toegestaan.
  9. Bij de aanduiding De Koepel (dienstverlening) zijn zowel zakelijke dienstverlening als consumentgerichte dienstverlening toegestaan. Het maximum bruto vloeroppervlak voor dienstverlening en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9 is maximaal 5250 m
  10. Ook zijn toegestaan: groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport. Afdeling 2.3 Gebruiksregels voor specifieke locaties Artikel 2.102 Fietsenstalling
  11. Op locatie De Koepel mag een openbare fietsenstalling worden gerealiseerd. Het minimum bruto vloeroppervlak is 350 m
  12. Bij de aanduiding fietsenstalling mag een fietsenstalling worden gerealiseerd.
  13. Bij de aanduiding fietsenkelder mag een fietsenkelder worden gerealiseerd. Artikel 2.103 Garage
  14. Bij de aanduiding garage mag een garage worden gerealiseerd.
  15. Bij de aanduiding parkeergarage mag een parkeergarage worden gerealiseerd.
  16. Bij de aanduiding parkeergarage begane grond mag een parkeergarage op de begane dan wel half verdiept worden gerealiseerd.
  17. Bij de aanduiding parkeergarage t/m eerste verdieping mag een parkeergarage op de begane grond en eerste verdieping, met eventueel een beheerdersruimte, worden gerealiseerd. Artikel 2.104 Nutsvoorziening Bij de aanduiding nutsvoorziening zijn nutsvoorzieningen toegestaan. Artikel 2.105 Onderdoorgang Bij de aanduiding onderdoorgang mag een onderdoorgang worden gerealiseerd. Artikel 2.106 Ondergrondse parkeergarage
  18. Bij de aanduiding ondergrondse parkeergarage mag een ondergrondse of half verdiepte parkeergarage worden gerealiseerd. Een ondergrondse of half verdiepte parkeergarage mag, in afwijking van artikel 3.23 eerste lid buiten het bouwvlak worden gebouwd.
  19. Bij de aanduiding De Koepel mag een ondergrondse parkeergarage worden gerealiseerd met minimaal 187 en maximaal 207 parkeerplaatsen en een minimum bruto vloeroppervlak van 4000 m
  20. Een ondergrondse parkeergarage mag, in afwijking van artikel 3.23 eerste lid, buiten het bouwvlak worden gebouwd. Artikel 2.107 Rioolgemaal Bij de aanduiding rioolgemaal is een rioolgemaal toegestaan. Afdeling 2.4 Regels voor veilig gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Paragraaf 2.4.1 Gebruik van bouwwerken Artikel 2.108 Overbewoning woonruimte
  21. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  22. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 2.109 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 2.110 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  23. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  24. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  25. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 2.4.2 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 2.111 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  26. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  27. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  28. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  29. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  30. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  31. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  32. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  33. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 2.112 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  34. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  35. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  36. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 2.113 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Afdeling 2.5 Gebruiksverbod Artikel 2.114 Verbod Het is in Haarlem verboden locaties en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor: a. prostitutie, drugsopvang en seksinrichtingen, tenzij expliciet toegestaan; b. dienstverlening ten behoeve van vervoer, tenzij expliciet toegestaan; c. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, waaronder kampeermiddelen, van aan hun gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie, puin- en vuilstortingen. Deze bepaling is niet van toepassing op opslag van materialen welke noodzakelijk is voor de realisering van de bestemming, welke voortvloeien uit het normale dagelijkse onderhoud; d. bijgebouwen als zelfstandige woning. Artikel 2.115 Verbod op flitsbezorging
  37. Het is verboden het gebruik van gronden en bouwwerken of gedeelten daarvan te wijzigen naar vormen van bedrijfsvoering, die blijkens hun reclame-uiting, presentatie of assortiment zijn te kwalificeren als flitsbezorgdienst.
  38. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het verbod genoemd in het eerste lid. Burgemeester en wethouders geven hierbij toepassing aan de beleidsregels 'Toetsingscriteria flitsbezorging', die op 20 december 2022 zijn vastgesteld, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Hoofdstuk 3 Regels voor bouwen Afdeling 3.1 Inleidende regels Artikel 3.1 Normadressaat
  39. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Haarlem, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
  40. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 3.2 Anti-dubbeltelregel Grond in Haarlem die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing. Artikel 3.3 Bestaande maten
  41. Voor een bouwwerk, dat op 1 januari 2024 legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning en dat in het omgevingsplan Haarlem is toegelaten, maar waarvan de bestaande maten (zoals afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, hellingshoeken, etc.) afwijken van de bouwregels van dit hoofdstuk, geldt dat: a. bestaande maten, die meer bedragen dan in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; b. bestaande maten, die minder bedragen dan in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
  42. ingeval van herbouw is het eerste lid uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
  43. op een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid, is het overgangsrecht bouwen in hoofdstuk 10, niet van toepassing. Artikel 3.4 Maatwerkvoorschriften
  44. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over hoofdstuk 3, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  45. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk. Artikel 3.5 Meet- en rekenbepalingen Meet- en rekenbepalingen: a. afstand tot de bouwperceelsgrens: tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. b. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte onderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen. Siergevels zoals trapgevels, halsgevels, klokgevels en lijstgevels worden niet meegerekend bij het bepalen van de bouwhoogte. c. breedte dakvlak bij dakdoorbreking: de meetlijn wordt gelegd op de helft van de hoogte van de dakdoorbreking. d. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. e. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. f. hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. g. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. h. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. i. verticale diepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de laagstgelegen vloer; j. waarden die in m of m2 worden uitgedrukt worden op de volgende wijze gemeten:
  46. afstanden loodrecht;
  47. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
  48. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven. k. Voor de toepassing van sub j, aanhef en onder 2, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 3.6 Overschrijden bouwgrenzen Het is toegestaan de in het omgevingsplan Haarlem aangegeven bouwgrenzen te overschrijden ten behoeve van: a. stoepen, stoeptreden, funderingen, plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,5 m; b. gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en dergelijke onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 10 % van de breedte van de aangrenzende straat en met een maximum van 1 m. Deze werken mogen niet lager gelegen zijn dan 4,2 m boven de rijweg met inbegrip van een strook van 0,6 m breedte ter weerzijde van de rijweg, dan wel 2,2 m boven een fiets- en/of voetpad; c. hijsinrichtingen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m en deze werken niet lager zijn gelegen dan 5 m boven peil. Artikel 3.7 Overschrijding bouwvlak door hoofdgebouw Indien een bouwvlak niet geheel samenvalt met de daadwerkelijke grenzen van een legaal gerealiseerd hoofdgebouw, gelden de bouw- en gebruiksmogelijkheden die binnen het bouwvlak aan het hoofdgebouw zijn toegekend, voor het hele hoofdgebouw. Artikel 3.8 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Afdeling 3.2 Bouwregels en vergunningsplichten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen Paragraaf 3.2.1 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 3.2.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.9 Algemene afbakeningseisen
  49. De artikelen 3.12 en 3.20 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  50. Bij de toepassing van de artikelen 3.12 en 3.20 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 3.12, onder a, of 3.20, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 3.20, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 3.10 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 3.2.1.2 en 3.2.1.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 3.2.1.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 3.11 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 3.12 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 3.11 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 3.11, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  51. op de grond staand;
  52. gelegen in achtererfgebied;
  53. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  54. niet hoger dan 5 m;
  55. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  56. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  57. op de grond staand;
  58. niet hoger dan 5 m; en
  59. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  60. niet hoger dan 4 m; en
  61. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; d. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; e. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  62. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  63. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  64. op minimaal 1 m achter de voorgevelrooilijn; en
  65. op minimaal 1 m afstand van openbaar toegankelijk gebied; f. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  66. een silo; of
  67. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; g. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of h. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  68. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  69. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  70. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 3.13 Benodigd aantal parkeerplaatsen
  71. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken in Haarlem geldt dat in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden overeenkomstig de 'Nota parkeernormen, duurzame parkeeroplossingen bij ruimtelijke ontwikkelingen

(2023)', en waarbij geldt dat (toekomstige) bewoners/gebruikers geen recht hebben op een parkeervergunning en bezoekersregeling in de openbare ruimte. 2. Burgemeester en wethouders passen de in het eerste lid genoemde regels toe met inachtneming van de 'Nota parkeernormen, duurzame parkeeroplossingen bij ruimtelijke ontwikkelingen
(2023)' met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 3. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in het omgevingsplan wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig de beleidsregels als bedoeld in dat lid. Artikel 3.14 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 2.4.1; b. het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3. de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 is van toepassing op het eerste lid, aanhef en onder c. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. 3. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 4. Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, beoordeeld volgens de de criteria van: a. de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Deel 2 als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. de Beleidsregels 'Zonne-energie binnen beschermd stadsgezicht en op monumenten'. 5. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in het vierde lid onder a. zijn de criteria van het Beeldkwaliteitsplan Wijngaardtuin van toepassing op de locatie Wijngaardtuin. 6. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in het vierde lid onder b. zijn de criteria van het Beeldkwaliteitsplan De Koepel van toepassing op locatie De Koepel. Artikel 3.15 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 3. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 3.16 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 3.14. Artikel 3.17 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.18 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1. In afwijking van artikel 3.14 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden. 2. In afwijking van artikel 3.14 wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd. 3. In afwijking van het eerste of tweede lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 3.19 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 3.2.1.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 3.20 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 6.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 3.12, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw; 2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 3.21 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.20, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 3.20, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 2. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.20, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 3.20, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 3.22 Inperkingen artikel 3.20 vanwege externe veiligheid Artikel 3.20, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 13. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 3.2.2 Algemene bouwregels Artikel 3.23 Algemene bouwregels 1. gebouwen a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. bij de aanduiding maximum bebouwingspercentage (%) is ten hoogste het aangegeven bebouwingspercentage toegestaan; c. bij de aanduiding maximum goothoogte (
  1. m)is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan; d. bij de aanduiding maximum bouwhoogte (
  2. m)is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan; e. bij de aanduiding minimum goothoogte (
  3. m)moet minimaal de aangegeven goothoogte aangehouden worden; f. bij de aanduiding minimum bouwhoogte (
  4. m)moet minimaal de aangegeven bouwhoogte aangehouden worden; g. bij de aanduiding minimum afstand (
  5. m)dient tussen de gebouwen binnen het bouwvlak de aangegeven onderlinge afstand te worden aangehouden; h. bij de aanduiding dakhelling is ten hoogste de aangegeven dakhelling toegestaan; i. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk mag niet meer dan 7 m bedragen. 2. Oorspronkelijke kap en dakvormen a. bij de aanduiding maximum goothoogte (m), dient binnen het bouwvlak boven de goot gebouwd te worden binnen de contouren van een kap: 1. waarvan de maximum bouwhoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de goothoogte, tenzij op de verbeelding anders staat aangegeven; 2. waarvan de dakhelling niet minder bedraagt dan 35 en niet meer dan 70 graden. b. bij de aanduiding maximum goothoogte (m), dient boven de goot te worden afgedekt met een kap of zadeldak: 1. waarvan de maximum bouwhoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de goothoogte; 2. waarvan de dakhelling niet minder bedraagt dan 30 en niet meer dan 70 graden. 3. dakkapellen in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Op gebouwen, niet zijnde beeldbepalende bouwwerken of monumenten, mogen dakkapellen in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak worden opgericht, mits: a. de dakkapel een maximum breedte heeft van 2,5 m, waarbij de breedte nooit meer mag bedragen dan 50% van de breedte van het dakvlak; b. de onderzijde van de dakkapel: 1. minimaal 0,5 m en maximaal 1 m boven de dakvoet wordt geplaatst; 2. in of binnen 0,5 m van de dakvoet wordt geplaatst, waarbij de breedte van de dakkapel niet meer bedraagt dan 1,5 m en niet breder is dan één derde van de breedte van het dakvlak; c. de hoogte van de dakkapel gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger is dan 1,5 m; d. de afstand van de bovenzijde van de dakkapel tot de nok minimaal 0,5 m bedraagt; e. de afstand van de zijkant van de dakkapel tot de zijkant van het dakvlak minimaal 0,9 m bedraagt; f. bij meerdere dakkapellen in serie er tevens sprake is van een regelmatige rangschikking van de dakkapellen met een minimum afstand van 0,5 m tussen de afzonderlijke kapellen en de totale breedte van de dakkapellen maximaal 50% van de breedte van het dakvlak bedraagt. 4. dakterrassen Een dakterras is toegestaan mits: a. gesitueerd op een aan- of uitbouw; b. het dakterras van binnenuit wordt ontsloten; c. privacyschermen op aanbouwen niet hoger zijn dan 1,5 m en niet dieper dan 2,5 m; d. de afstand tussen de tegenoverliggende achtergevels van de hoofdbebouwing minimaal 15 m bedraagt; e. de diepte van het dakterras niet meer bedraagt dan 2,5 m gemeten vanuit de achtergevel; f. voorzien van een afscheiding met een maximum hoogte van 1,2 m; g. er geen overige bouwwerken op het dakterras worden geplaatst. 5. Vergunningsvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften aan de vergunning stellen aan de plaats en afmetingen, de nokrichting, dakkapel, kap- en dakvormvorm, dakhelling en de indeling en vormgeving van de bebouwing ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de privacy en bezonning van omwonenden; c. de cultuurhistorische waarden; d. de verkeerssituatie ter plaatse; e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; f. de brandveiligheid en rampenbestrijding. Artikel 3.24 Bouwregels tuin 1. Ter plaatse van de aanduiding tuin gelden de bouwregels van dit artikel. 2. Bouwwerken zijn niet toegestaan, met uitzondering van: a. vergunningsvrije bouwwerken, zoals genoemd in artikel 3.20; b. vergunningsvrije bouwwerken genoemd in het derde en vijfde lid. 3. Geen vergunning als bedoeld in artikel 3.11 is nodig voor activiteiten die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan ter plaatse van de functieaanduiding rijksbeschermd stadsgezicht, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; 2. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt per adres niet meer dan 50% van de gronden met een maximum van 40 m2, tenzij een afwijkend maximum bebouwingspercentage (%) is aangegeven; 3. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bedraagt voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van de achtergevelrooilijn niet meer dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw met een maximum bouwhoogte van 4 m, gemeten vanaf het aansluitend peil; 4. de bouwhoogte van overige aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 3 m, tenzij een afwijkende maximum bouwhoogte is aangegeven; 5. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m, tenzij een afwijkende maximum bouwhoogte is aangegeven. 4. In afwijking van artikel 3.20 (aanhef en onder a, sub 3) bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied ter plaatse van de aanduiding maximum bebouwingspercentage (%) niet meer dan het aangegeven bebouwingspercentage. 5. Geen vergunning als bedoeld in artikel 3.11 is nodig voor het bouwen en in stand houden van een fietsenberging in de voor- of zijtuin onder de volgende voorwaarden: a. er is geen achterom aanwezig bij de woning; b. de diepte van de voortuin of de breedte van de zijtuin is minimaal 2,5 m; c. de hoogte van de berging mag maximaal 1,4 m bedragen; d. de verticale diepte van een berging mag maximaal 1 m bedragen; e. de oppervlakte van de berging mag maximaal 20% van de oppervlakte van de voor- of zijtuin bedragen met een maximum van 4 m²; f. de gevels van de berging evenwijdig aan de voorgevel, mogen maximaal 30% van de breedte van die voorgevel beslaan; g. niet in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. 6. Voor dakterrassen gelden de bouwregels van artikel 3.23 vierde lid. Artikel 3.25 Bouwregels Wmo-voorziening Burgemeester en wethouders wijken met een omgevingsvergunning af van de regels van dit omgevingsplan om toe te staan dat een Wmo-voorziening in openbaar toegankelijk gebied wordt geplaatst, mits: a. er geen achterom aanwezig is bij de woning; b. de hoogte van de voorziening maximaal 1,3 meter bedraagt; c. de oppervlakte van de voorziening maximaal 4 m2 bedraagt; d. de vrije doorgang minimaal 1 meter bedraagt. Paragraaf 3.2.3 Bouwregels voor specifieke locaties Artikel 3.26 Bouwregels trap Bij de aanduiding trap bedraagt de breedte van de trap tussen de 2,5 m en 3,5 m Artikel 3.27 Bouwregels geluidszone industrie Ter plaatse van de aanduiding geluidszone industrie is het - met uitzondering van herbouw ten behoeve van een bestaande geluidsgevoelige functie - niet toegestaan om: a. gebouwen ten behoeve van geluidsgevoelige functies te bouwen of; b. het gebruik van gebouwen ten behoeve van niet-geluidsgevoelige functies om te zetten in het gebruik van gebouwen ten behoeve van geluidgevoelige functies, tenzij de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van de nieuwe gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende standaardwaarde of een vastgestelde hogere waarde. Artikel 3.28 Bestaande maatvoering handhaven Bij de aanduiding bestaande maatvoering handhaven dient, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.23 dan wel 4.34, de bestaande maatvoering gehandhaafd te blijven. Artikel 3.29 Bouwregels De Koepel Bij de aanduiding De Koepel geldt als aanvullende bouwregel dat het plangebied voor maximaal 55% mag worden bebouwd met een maximum floor space index (FSI) van 1,2. Ondergrondse voorzieningen en vergroting van de vloeroppervlakte binnen de reeds bestaande bouwvolumes worden bij het bepalen van de FSI niet meegerekend. Paragraaf 3.2.4 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 3.30 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Deel 2, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 3.31 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 3.32 Aansluiting op distributienet voor gas 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 3.33 Aansluiting op distributienet voor warmte 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 3.34 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 3.35 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 3.36 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 3.37 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering. 4. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 3.38 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 3.37, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. 5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Afdeling 3.3 Regels over afvoer van hemelwater Artikel 3.39 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op: a. nieuwe gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak; b. bestaande gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak indien: 1. een ingrijpende renovatie conform artikel 5.20 lid 5 Besluit bouwwerken leefomgeving wordt uitgevoerd; of 2. aan het gebouw één of meer bouwlagen worden toegevoegd. Artikel 3.40 Verplichting tot hemelwaterberging 1. Het is verboden om vanaf gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak, zoals bedoeld in artikel 3.39, hemelwater op het openbaar riool of in de openbare ruimte te lozen. Het verbod is niet van toepassing als een hemelwaterberging (met of zonder hergebruiksysteem) is aangebracht en in stand wordt gehouden. 2. Het college kan voor bestaande gebouwen een ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, wanneer voor de eigenaar van het bouwwerk of het perceel de aanleg van een hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 3.41 Eisen hemelwaterberging 1. Een hemelwaterberging (met of zonder hergebruiksysteem) zoals bedoeld in artikel 3.40, eerste lid dient aan de volgende eisen te voldoen: a. heeft een minimale capaciteit van 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak; en b. loost maximaal 3 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak per uur op een openbaar riool met een maximum van 3 m3 per uur per perceel; en c. heeft 24 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer een capaciteit van ten minste 28 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar; en d. heeft 60 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer een capaciteit van ten minste 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar; en e. volgt de verwerkingsvolgorde zoals bedoeld in het derde lid. 2. Voor ontwikkelingen die meerdere gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak beslaan is een gezamenlijke hemelwaterberging toegestaan, mits aantoonbaar aan de eisen in het eerste lid wordt voldaan. 3. Voor het geborgen hemelwater geldt een verwerkingsvolgorde die op perceelniveau is bepaald zoals aangegeven in de bij het omgevingsplan behorende en daarvan deel uitmakende kaart (bijlage V). Het college is bevoegd de verwerkingsvolgorde op perceelniveau (de kaart) te wijzigen. Artikel 3.42 Nadere regels en aanpassen capaciteit Het college kan nadere regels stellen aan hemelwaterbergingen zoals bedoeld in artikel 3.41 voor door het college aan te wijzen gebieden. Daarbij kan het college afwijken van de voorgeschreven capaciteit van de hemelwaterberging en de verwerkingsvolgorde zoals bedoeld in artikel 3.41 door een aangepaste norm te stellen indien dit noodzakelijk wordt geacht met het oog op een doelmatige hemelwaterberging. Artikel 3.43 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van de bepalingen bij of krachtens afdeling 3.3 gesteld, zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen of groep van personen. Artikel 3.44 Overgangsrecht Afdeling 3.3 is niet van toepassing op: a. gebouwen waarvoor vóór 22-11-2023 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of b. gebouwen waarvoor eerder dan zes weken na 22-11-2023 een intentie-, samenwerkings- of anterieure overeenkomst is afgesloten waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt en waarin geen of afwijkende afspraken zijn gemaakt over het bergen en lozen van hemelwater; of c. gebouwen waarvoor eerder dan zes weken na 22-11-2023, een ontwerpbesluit voor inspraak is vrijgegeven in de vorm van een op het project gericht Stedenbouwkundig programma van eisen, Programma voor de fysieke leefomgeving of Stedenbouwkundig plan waarin geen of afwijkende kaders zijn opgenomen voor het bergen en lozen van hemelwater. Afdeling 3.4 Aanlegactiviteiten op bijzondere locaties Paragraaf 3.4.1 Niet gesprongen explosieven Artikel 3.45 Toepassingsbereik Locaties met de aanduiding niet gesprongen explosieven zijn, naast de daar voorkomende activiteiten, bedoeld voor de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in verband met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in de bodem. Artikel 3.46 Aanlegvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden 1. Bij de aanduiding niet gesprongen explosieven is een aanlegvergunning vereist indien: a. grondroerende werkzaamheden worden verricht waarbij dieper wordt gegraven dan 1m onder het maaiveld en; b. uit het in het tweede lid genoemde rapport, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in onvoldoende mate is gewaarborgd. 2. Er is geen aanlegvergunning vereist indien: a. een rapport in de vorm van een (beperkte) risicoanalyse is overlegd waaruit, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in voldoende mate is gewaarborgd. Dit rapport dient te bestaan uit informatie over de naoorlogse (graaf)werkzaamheden op de locatie, waaruit blijkt dat de grond al zodanig is geroerd dat de kans op het alsnog aantreffen van niet gesprongen explosieven van explosieven verwaarloosbaar klein is. Deze informatie hoeft niet te zijn verkregen van een gecertificeerd bedrijf; b. sprake is van grondroerende werkzaamheden waarbij dieper wordt gegraven dan 1 m onder het maaiveld, waarmee rechtens is of mag worden begonnen op 1 januari 2024, of welke mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. de omvang van de grondroerende werkzaamheden of het te realiseren bouwwerk van dien aard is, dat een rapport als bedoeld onder a niet redelijk is om te eisen. 3. Bij een aanvraag om een aanlegvergunning dient de aanvrager aan te geven op welke wijze de risico's teniet worden gedaan. Dit dient te worden aangegeven door het indienen van: a. een Projectgebonden Risicoanalyse als bedoeld in bijlage XII Arbeidsomstandighedenregeling, indien nodig gevolgd door; b. een detectieonderzoek als bedoeld in bijlage XII Arbeidsomstandighedenregeling en indien nodig gevolgd door: c. een benadering als bedoeld in bijlage XII Arbeidsomstandighedenregeling. 4. De in het derde lid genoemde onderzoeken dienen uitgevoerd te worden conform het Werkspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) uit bijlage XII behorende bij artikel 4.17f Arbeidsomstandighedenregeling, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een aanlegvergunning. 5. Een aanlegvergunning wordt verleend indien, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, uit de in het derde lid genoemde onderzoeken blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in voldoende mate is gewaarborgd. Paragraaf 3.4.2 Groeiplaats monumentale boom Artikel 3.47 Groeiplaats monumentale boom 1. Gronden met de aanduiding groeiplaats monumentale boom zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten, bedoeld voor de bescherming van de groeiplaats van monumentale bomen. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
  6. en)geldt dat het verboden is om op deze locaties te bouwen. Artikel 3.48 Aanlegvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Voor de volgende werken of werkzaamheden is een aanlegvergunning vereist bij de aanduiding groeiplaats monumentale boom: a. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; b. bodem verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; c. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; e. het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies; f. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; g. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; h. het wijzigen van de grondwaterstand en/of waterhuishouding door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of andere wijze. 2. Geen aanlegvergunning is vereist voor werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. plaatsvinden op het moment dat de monumentale boom niet meer aanwezig is; c. werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de monumentale waarden van de boom. 3. Een omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend indien: a. de waarde die de boom monumentaal maakt niet langer aanwezig is en deze niet kan worden hersteld; b. de boom niet in onevenredige mate worden aangetast, waarbij de gemeente desgewenst aan de aanvrager kan verzoeken een onderzoek aan te leveren waarin dit aangetoond wordt; c. de mogelijkheden voor het behoud van de boom niet worden verkleind. Hoofdstuk 4 Regels voor cultureel erfgoed Afdeling 4.1 Inleidende regels Artikel 4.1 Normadressaat 1. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Haarlem, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 4.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 4 is van toepassing op: a. cultureel erfgoed en de zorg daarvoor; b. de aanwijzing van gemeentelijke monumenten; en c. omgevingsplanactiviteiten in, aan, op of bij cultureel erfgoed. Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over hoofdstuk 4, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk. Afdeling 4.2 Monumentenzorg Paragraaf 4.2.1 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 4.4 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag, besluiten een onroerende zaak of terrein, dan wel een historisch woonschip, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Artikel 4.4 is niet van toepassing op: a. een rijksmonument, en b. (archeologische) monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Een aanvraag om aanwijzing vermeldt de kadastrale aanduiding en zakelijke gerechtigden en vermeldt het vermeende belang in deze van belanghebbende. De aanvraag gaat vergezeld van een redengevende omschrijving en relevante foto’s. 4. Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat het college het ontwerpbesluit ter inzage legt na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit, bedoeld in artikel 4.6. 5. Het college informeert vooraf aan een aanwijzing alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 6. Het college stelt de gemeenteraad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument. 7. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 4.5 Spoedprocedure tot aanwijzing gemeentelijk monument 1. Het college kan in een uitzonderlijk geval direct een monument of archeologisch monument aanwijzen als gemeentelijk monument, wanneer er sprake is van spoedeisend belang. 2. Artikel 4.4 vierde t/m het zevende lid en artikel 4.6 zijn in dat geval niet van toepassing. Artikel 4.6 Advies Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.4 advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de Adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2. De Adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De Adviescommissie brengt binnen 6 weken weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 4.7 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken weken na ontvangst van de aanvraag, zoals bepaald in afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 4.8 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt bekendgemaakt in het elektronisch gemeenteblad, het omgevingsplan, aan alle belanghebbenden en zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister en het omgevingsplan. Paragraaf 4.2.2 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 4.9 Specifieke zorgplicht gemeentelijk monument Degene die een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten verricht of een andere activiteit verricht die een gemeentelijk monument betreft, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 4.10 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 4.11 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. gemeentelijke begraafplaats: gereserveerd 4. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel 4.12 Termijnen advisering Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1. Na ontvangst van de aanvraag omgevingsvergunning gemeentelijk monument stuurt het college zo snel mogelijk een cultuurhistorisch advies en een afschrift van de ontvankelijke aanvraag door naar de Adviescommissie Omgevingskwaliteit met een verzoek voor inhoudelijk advies. 2. De Adviescommissie brengt binnen 4 weken na ontvangst van de adviesvraag schriftelijk advies uit aan het college. 3. Het college kan de procedure zonder advies van de Adviescommissie vervolgen, indien binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen advies is uitgebracht. Artikel 4.13 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.11 wordt alleen verleend als het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. 2. Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.11 wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden. Artikel 4.14 Weigeringsgronden 1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het college rekening met het gebruik van het monument. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Voor zover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het college geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar. Artikel 4.15 Vergunningvoorschriften Aan de in artikel 4.11 bedoelde omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn in het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 4.16 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 4.17 Schadevergoeding 1. Indien en voor zover blijkt dat de belanghebbende ten gevolge van: a. de weigering van het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.11 te verlenen; b. voorschriften door het college verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.11, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2. Voor de behandeling van het verzoek als bedoeld in het eerste lid zijn de bepalingen van de geldende beleidsregels met betrekking tot planschade van toepassing. Dit geldt ook voor verzoeken die – ná de inwerkingtreding van de Omgevingswet - vallen onder de reikwijdte van artikel 4.17 van de Invoeringswet Omgevingswet (overgangsrecht). 3. Voor de behandeling van een verzoek als bedoeld in het eerste lid waarop de Omgevingswet van toepassing is - en niet valt onder het overgangsrecht als bedoeld in het tweede lid - zijn de bepalingen van de geldende Beleidsregel nadeelcompensatie Omgevingswet gemeente Haarlem van toepassing. Paragraaf 4.2.3 Rijksmonumenten Artikel 4.18 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid. Artikel 4.6, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing Paragraaf 4.2.4 Provinciale monumenten Artikel 4.19 Provinciale monumenten provinciaal monument: gereserveerd Paragraaf 4.2.5 Werelderfgoed Artikel 4.20 Werelderfgoed werelderfgoed: gereserveerd Paragraaf 4.2.6 Archeologie Artikel 4.21 Archeologisch onderzoek 1. Binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem uitgevoerd onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dient te voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 2. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen, in de zin van artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet, dient het college, onverminderd de overige bepalingen van deze wet, een Programma van Eisen vast te stellen, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het uit te voeren onderzoek. 3. Het college is bevoegd om nadere regels vast te stellen ten behoeve van een zorgvuldige bescherming en omgang met het boven- en ondergrondse erfgoed. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek, waarmee aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld aan de uitvoeringsmethodiek en rapportage van archeologisch onderzoek (Haarlemse richtlijnen). Zij laat zich hierbij adviseren door de gemeentelijk archeoloog. 4. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het onderzoek en de uitwerking en rapportage van het onderzoek. Tijdens het onderzoek, het veldonderzoek en de uitwerking en rapportage ervan, dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. Zij laat zich hierbij adviseren door de gemeentelijk archeoloog. Artikel 4.22 Betreding Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet, hoofdstuk 3 Omgevingswet en afdeling 5.1 Omgevingswet. De rechthebbende ten aanzien van dit terrein moet desgevraagd dulden dat dit terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan. Paragraaf 4.2.7 Overgangsbepalingen Artikel 4.23 Overgangsbepalingen 1. Een krachtens de Erfgoedverordening Haarlem 2023 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4.2. 2. Vergunningen die zijn

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.