Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op het omgevingsplan gemeente Haarlem.
.4 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.1 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsmatige activiteiten en geldt ter plaatse van de aanduiding bedrijf geschikt voor functiemenging. Artikel 2.5 Toegestane activiteiten algemeen
.20 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.2 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een casino en geldt ter plaatse van de aanduiding casino. Artikel 2.21 Toegestane activiteiten
Paragraaf 2.2.3 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor consumentgerichte dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding consumentgerichte dienstverlening.
.28 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.4 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor culturele voorzieningen en geldt ter plaatse van de aanduiding culturele voorzieningen. Artikel 2.29 Toegestane activiteiten algemeen
.42 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.5 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor dagrecreatie en geldt ter plaatse van de aanduiding dagrecreatie. Artikel 2.43 Toegestane activiteiten algemeen
.45 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.6 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor detailhandel en geldt ter plaatse van de aanduiding detailhandel. Artikel 2.46 Toegestane activiteiten algemeen
.60 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.8 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding maatschappelijke dienstverlening. Artikel 2.61 Toegestane activiteiten algemeen
.70 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.9 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting en geldt ter plaatse van de aanduiding seksinrichting. Subparagraaf 2.2.9.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.71 Seksinrichting
.74 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.11 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor sportvoorzieningen en geldt ter plaatse van de aanduiding sportvoorzieningen. Artikel 2.75 Toegestane activiteiten algemeen
.81 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.12 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor tuinactiviteiten en geldt ter plaatse van de aanduiding tuin. Artikel 2.82 Toegestane activiteiten algemeen Locaties zijn bedoeld voor: a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing; b. bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw; c. bij aangrenzende activiteiten behorende voorzieningen zoals buitentrappen, pergola's; d. parkeren op bebouwde gronden. Subparagraaf 2.2.12.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.83 Bijgebouw pension Bij de aanduiding pension zijn bijgebouwen voor een pension toegestaan. Artikel 2.84 Parkeerterrein Bij de aanduiding parkeerterrein is een parkeerterrein toegestaan. Subparagraaf 2.2.12.3 Gebruiksregels Artikel 2.85 Gebruiksregels tuin In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende gebruiksregels: a. tot een strijdig gebruik van locaties wordt gerekend het gebruik of laten gebruiken voor: 1. het parkeren van motorvoertuigen op onbebouwde gronden, tenzij de aanduiding parkeerterrein van toepassing is; 2. dakterrassen voor horeca. Artikel 2.86 Voorwaardelijke verplichting voor locatie Wijngaardtuin Voor locatie Wijngaardtuin geldt de volgende voorwaardelijke verplichting: a. tot strijdig gebruik van locaties wordt eveneens gerekend: 1. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen, indien de bestaande erfafscheiding tussen de tuin van Jansstraat 46 en de Wijngaardtuin niet is verwijderd. Paragraaf 2.2.13 Wonen Subparagraaf 2.2.13.
.87 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.13 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen en geldt ter plaatse van de aanduidingen wonen, wonen vanaf de eerste verdieping en wonen vanaf de tweede verdieping. Artikel 2.88 Toegestane activiteiten algemeen
Paragraaf 2.2.14 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor zakelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding zakelijke dienstverlening.
(2023)' met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 3. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in het omgevingsplan wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig de beleidsregels als bedoeld in dat lid. Artikel 3.14 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 2.4.1; b. het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3. de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 is van toepassing op het eerste lid, aanhef en onder c. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. 3. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 4. Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, beoordeeld volgens de de criteria van: a. de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Deel 2 als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. de Beleidsregels 'Zonne-energie binnen beschermd stadsgezicht en op monumenten'. 5. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in het vierde lid onder a. zijn de criteria van het Beeldkwaliteitsplan Wijngaardtuin van toepassing op de locatie Wijngaardtuin. 6. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in het vierde lid onder b. zijn de criteria van het Beeldkwaliteitsplan De Koepel van toepassing op locatie De Koepel. Artikel 3.15 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 3. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 3.16 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 3.14. Artikel 3.17 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.18 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1. In afwijking van artikel 3.14 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden. 2. In afwijking van artikel 3.14 wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd. 3. In afwijking van het eerste of tweede lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 3.19 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 3.2.1.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 3.20 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 6.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 3.12, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw; 2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 3.21 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.20, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 3.20, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 2. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.20, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 3.20, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 3.22 Inperkingen artikel 3.20 vanwege externe veiligheid Artikel 3.20, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 13. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 3.2.2 Algemene bouwregels Artikel 3.23 Algemene bouwregels 1. gebouwen a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. bij de aanduiding maximum bebouwingspercentage (%) is ten hoogste het aangegeven bebouwingspercentage toegestaan; c. bij de aanduiding maximum goothoogte (
- m)is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan; d. bij de aanduiding maximum bouwhoogte (
- m)is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan; e. bij de aanduiding minimum goothoogte (
- m)moet minimaal de aangegeven goothoogte aangehouden worden; f. bij de aanduiding minimum bouwhoogte (
- m)moet minimaal de aangegeven bouwhoogte aangehouden worden; g. bij de aanduiding minimum afstand (
- m)dient tussen de gebouwen binnen het bouwvlak de aangegeven onderlinge afstand te worden aangehouden; h. bij de aanduiding dakhelling is ten hoogste de aangegeven dakhelling toegestaan; i. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk mag niet meer dan 7 m bedragen. 2. Oorspronkelijke kap en dakvormen a. bij de aanduiding maximum goothoogte (m), dient binnen het bouwvlak boven de goot gebouwd te worden binnen de contouren van een kap: 1. waarvan de maximum bouwhoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de goothoogte, tenzij op de verbeelding anders staat aangegeven; 2. waarvan de dakhelling niet minder bedraagt dan 35 en niet meer dan 70 graden. b. bij de aanduiding maximum goothoogte (m), dient boven de goot te worden afgedekt met een kap of zadeldak: 1. waarvan de maximum bouwhoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de goothoogte; 2. waarvan de dakhelling niet minder bedraagt dan 30 en niet meer dan 70 graden. 3. dakkapellen in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Op gebouwen, niet zijnde beeldbepalende bouwwerken of monumenten, mogen dakkapellen in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak worden opgericht, mits: a. de dakkapel een maximum breedte heeft van 2,5 m, waarbij de breedte nooit meer mag bedragen dan 50% van de breedte van het dakvlak; b. de onderzijde van de dakkapel: 1. minimaal 0,5 m en maximaal 1 m boven de dakvoet wordt geplaatst; 2. in of binnen 0,5 m van de dakvoet wordt geplaatst, waarbij de breedte van de dakkapel niet meer bedraagt dan 1,5 m en niet breder is dan één derde van de breedte van het dakvlak; c. de hoogte van de dakkapel gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger is dan 1,5 m; d. de afstand van de bovenzijde van de dakkapel tot de nok minimaal 0,5 m bedraagt; e. de afstand van de zijkant van de dakkapel tot de zijkant van het dakvlak minimaal 0,9 m bedraagt; f. bij meerdere dakkapellen in serie er tevens sprake is van een regelmatige rangschikking van de dakkapellen met een minimum afstand van 0,5 m tussen de afzonderlijke kapellen en de totale breedte van de dakkapellen maximaal 50% van de breedte van het dakvlak bedraagt. 4. dakterrassen Een dakterras is toegestaan mits: a. gesitueerd op een aan- of uitbouw; b. het dakterras van binnenuit wordt ontsloten; c. privacyschermen op aanbouwen niet hoger zijn dan 1,5 m en niet dieper dan 2,5 m; d. de afstand tussen de tegenoverliggende achtergevels van de hoofdbebouwing minimaal 15 m bedraagt; e. de diepte van het dakterras niet meer bedraagt dan 2,5 m gemeten vanuit de achtergevel; f. voorzien van een afscheiding met een maximum hoogte van 1,2 m; g. er geen overige bouwwerken op het dakterras worden geplaatst. 5. Vergunningsvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften aan de vergunning stellen aan de plaats en afmetingen, de nokrichting, dakkapel, kap- en dakvormvorm, dakhelling en de indeling en vormgeving van de bebouwing ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de privacy en bezonning van omwonenden; c. de cultuurhistorische waarden; d. de verkeerssituatie ter plaatse; e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; f. de brandveiligheid en rampenbestrijding. Artikel 3.24 Bouwregels tuin 1. Ter plaatse van de aanduiding tuin gelden de bouwregels van dit artikel. 2. Bouwwerken zijn niet toegestaan, met uitzondering van: a. vergunningsvrije bouwwerken, zoals genoemd in artikel 3.20; b. vergunningsvrije bouwwerken genoemd in het derde en vijfde lid. 3. Geen vergunning als bedoeld in artikel 3.11 is nodig voor activiteiten die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan ter plaatse van de functieaanduiding rijksbeschermd stadsgezicht, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; 2. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt per adres niet meer dan 50% van de gronden met een maximum van 40 m2, tenzij een afwijkend maximum bebouwingspercentage (%) is aangegeven; 3. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bedraagt voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van de achtergevelrooilijn niet meer dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw met een maximum bouwhoogte van 4 m, gemeten vanaf het aansluitend peil; 4. de bouwhoogte van overige aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 3 m, tenzij een afwijkende maximum bouwhoogte is aangegeven; 5. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m, tenzij een afwijkende maximum bouwhoogte is aangegeven. 4. In afwijking van artikel 3.20 (aanhef en onder a, sub 3) bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied ter plaatse van de aanduiding maximum bebouwingspercentage (%) niet meer dan het aangegeven bebouwingspercentage. 5. Geen vergunning als bedoeld in artikel 3.11 is nodig voor het bouwen en in stand houden van een fietsenberging in de voor- of zijtuin onder de volgende voorwaarden: a. er is geen achterom aanwezig bij de woning; b. de diepte van de voortuin of de breedte van de zijtuin is minimaal 2,5 m; c. de hoogte van de berging mag maximaal 1,4 m bedragen; d. de verticale diepte van een berging mag maximaal 1 m bedragen; e. de oppervlakte van de berging mag maximaal 20% van de oppervlakte van de voor- of zijtuin bedragen met een maximum van 4 m²; f. de gevels van de berging evenwijdig aan de voorgevel, mogen maximaal 30% van de breedte van die voorgevel beslaan; g. niet in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. 6. Voor dakterrassen gelden de bouwregels van artikel 3.23 vierde lid. Artikel 3.25 Bouwregels Wmo-voorziening Burgemeester en wethouders wijken met een omgevingsvergunning af van de regels van dit omgevingsplan om toe te staan dat een Wmo-voorziening in openbaar toegankelijk gebied wordt geplaatst, mits: a. er geen achterom aanwezig is bij de woning; b. de hoogte van de voorziening maximaal 1,3 meter bedraagt; c. de oppervlakte van de voorziening maximaal 4 m2 bedraagt; d. de vrije doorgang minimaal 1 meter bedraagt. Paragraaf 3.2.3 Bouwregels voor specifieke locaties Artikel 3.26 Bouwregels trap Bij de aanduiding trap bedraagt de breedte van de trap tussen de 2,5 m en 3,5 m Artikel 3.27 Bouwregels geluidszone industrie Ter plaatse van de aanduiding geluidszone industrie is het - met uitzondering van herbouw ten behoeve van een bestaande geluidsgevoelige functie - niet toegestaan om: a. gebouwen ten behoeve van geluidsgevoelige functies te bouwen of; b. het gebruik van gebouwen ten behoeve van niet-geluidsgevoelige functies om te zetten in het gebruik van gebouwen ten behoeve van geluidgevoelige functies, tenzij de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van de nieuwe gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende standaardwaarde of een vastgestelde hogere waarde. Artikel 3.28 Bestaande maatvoering handhaven Bij de aanduiding bestaande maatvoering handhaven dient, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.23 dan wel 4.34, de bestaande maatvoering gehandhaafd te blijven. Artikel 3.29 Bouwregels De Koepel Bij de aanduiding De Koepel geldt als aanvullende bouwregel dat het plangebied voor maximaal 55% mag worden bebouwd met een maximum floor space index (FSI) van 1,2. Ondergrondse voorzieningen en vergroting van de vloeroppervlakte binnen de reeds bestaande bouwvolumes worden bij het bepalen van de FSI niet meegerekend. Paragraaf 3.2.4 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 3.30 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Deel 2, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 3.31 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 3.32 Aansluiting op distributienet voor gas 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 3.33 Aansluiting op distributienet voor warmte 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 3.34 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 3.35 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 3.36 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 3.37 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering. 4. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 3.38 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 3.37, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. 5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Afdeling 3.3 Regels over afvoer van hemelwater Artikel 3.39 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op: a. nieuwe gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak; b. bestaande gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak indien: 1. een ingrijpende renovatie conform artikel 5.20 lid 5 Besluit bouwwerken leefomgeving wordt uitgevoerd; of 2. aan het gebouw één of meer bouwlagen worden toegevoegd. Artikel 3.40 Verplichting tot hemelwaterberging 1. Het is verboden om vanaf gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak, zoals bedoeld in artikel 3.39, hemelwater op het openbaar riool of in de openbare ruimte te lozen. Het verbod is niet van toepassing als een hemelwaterberging (met of zonder hergebruiksysteem) is aangebracht en in stand wordt gehouden. 2. Het college kan voor bestaande gebouwen een ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, wanneer voor de eigenaar van het bouwwerk of het perceel de aanleg van een hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 3.41 Eisen hemelwaterberging 1. Een hemelwaterberging (met of zonder hergebruiksysteem) zoals bedoeld in artikel 3.40, eerste lid dient aan de volgende eisen te voldoen: a. heeft een minimale capaciteit van 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak; en b. loost maximaal 3 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak per uur op een openbaar riool met een maximum van 3 m3 per uur per perceel; en c. heeft 24 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer een capaciteit van ten minste 28 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar; en d. heeft 60 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer een capaciteit van ten minste 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar; en e. volgt de verwerkingsvolgorde zoals bedoeld in het derde lid. 2. Voor ontwikkelingen die meerdere gebouwen en omliggend (half)verhard perceeloppervlak beslaan is een gezamenlijke hemelwaterberging toegestaan, mits aantoonbaar aan de eisen in het eerste lid wordt voldaan. 3. Voor het geborgen hemelwater geldt een verwerkingsvolgorde die op perceelniveau is bepaald zoals aangegeven in de bij het omgevingsplan behorende en daarvan deel uitmakende kaart (bijlage V). Het college is bevoegd de verwerkingsvolgorde op perceelniveau (de kaart) te wijzigen. Artikel 3.42 Nadere regels en aanpassen capaciteit Het college kan nadere regels stellen aan hemelwaterbergingen zoals bedoeld in artikel 3.41 voor door het college aan te wijzen gebieden. Daarbij kan het college afwijken van de voorgeschreven capaciteit van de hemelwaterberging en de verwerkingsvolgorde zoals bedoeld in artikel 3.41 door een aangepaste norm te stellen indien dit noodzakelijk wordt geacht met het oog op een doelmatige hemelwaterberging. Artikel 3.43 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van de bepalingen bij of krachtens afdeling 3.3 gesteld, zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen of groep van personen. Artikel 3.44 Overgangsrecht Afdeling 3.3 is niet van toepassing op: a. gebouwen waarvoor vóór 22-11-2023 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of b. gebouwen waarvoor eerder dan zes weken na 22-11-2023 een intentie-, samenwerkings- of anterieure overeenkomst is afgesloten waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt en waarin geen of afwijkende afspraken zijn gemaakt over het bergen en lozen van hemelwater; of c. gebouwen waarvoor eerder dan zes weken na 22-11-2023, een ontwerpbesluit voor inspraak is vrijgegeven in de vorm van een op het project gericht Stedenbouwkundig programma van eisen, Programma voor de fysieke leefomgeving of Stedenbouwkundig plan waarin geen of afwijkende kaders zijn opgenomen voor het bergen en lozen van hemelwater. Afdeling 3.4 Aanlegactiviteiten op bijzondere locaties Paragraaf 3.4.1 Niet gesprongen explosieven Artikel 3.45 Toepassingsbereik Locaties met de aanduiding niet gesprongen explosieven zijn, naast de daar voorkomende activiteiten, bedoeld voor de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in verband met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in de bodem. Artikel 3.46 Aanlegvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden 1. Bij de aanduiding niet gesprongen explosieven is een aanlegvergunning vereist indien: a. grondroerende werkzaamheden worden verricht waarbij dieper wordt gegraven dan 1m onder het maaiveld en; b. uit het in het tweede lid genoemde rapport, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in onvoldoende mate is gewaarborgd. 2. Er is geen aanlegvergunning vereist indien: a. een rapport in de vorm van een (beperkte) risicoanalyse is overlegd waaruit, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in voldoende mate is gewaarborgd. Dit rapport dient te bestaan uit informatie over de naoorlogse (graaf)werkzaamheden op de locatie, waaruit blijkt dat de grond al zodanig is geroerd dat de kans op het alsnog aantreffen van niet gesprongen explosieven van explosieven verwaarloosbaar klein is. Deze informatie hoeft niet te zijn verkregen van een gecertificeerd bedrijf; b. sprake is van grondroerende werkzaamheden waarbij dieper wordt gegraven dan 1 m onder het maaiveld, waarmee rechtens is of mag worden begonnen op 1 januari 2024, of welke mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. de omvang van de grondroerende werkzaamheden of het te realiseren bouwwerk van dien aard is, dat een rapport als bedoeld onder a niet redelijk is om te eisen. 3. Bij een aanvraag om een aanlegvergunning dient de aanvrager aan te geven op welke wijze de risico's teniet worden gedaan. Dit dient te worden aangegeven door het indienen van: a. een Projectgebonden Risicoanalyse als bedoeld in bijlage XII Arbeidsomstandighedenregeling, indien nodig gevolgd door; b. een detectieonderzoek als bedoeld in bijlage XII Arbeidsomstandighedenregeling en indien nodig gevolgd door: c. een benadering als bedoeld in bijlage XII Arbeidsomstandighedenregeling. 4. De in het derde lid genoemde onderzoeken dienen uitgevoerd te worden conform het Werkspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) uit bijlage XII behorende bij artikel 4.17f Arbeidsomstandighedenregeling, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een aanlegvergunning. 5. Een aanlegvergunning wordt verleend indien, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, uit de in het derde lid genoemde onderzoeken blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in voldoende mate is gewaarborgd. Paragraaf 3.4.2 Groeiplaats monumentale boom Artikel 3.47 Groeiplaats monumentale boom 1. Gronden met de aanduiding groeiplaats monumentale boom zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten, bedoeld voor de bescherming van de groeiplaats van monumentale bomen. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)geldt dat het verboden is om op deze locaties te bouwen. Artikel 3.48 Aanlegvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Voor de volgende werken of werkzaamheden is een aanlegvergunning vereist bij de aanduiding groeiplaats monumentale boom: a. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; b. bodem verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; c. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; e. het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies; f. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; g. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; h. het wijzigen van de grondwaterstand en/of waterhuishouding door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of andere wijze. 2. Geen aanlegvergunning is vereist voor werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. plaatsvinden op het moment dat de monumentale boom niet meer aanwezig is; c. werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de monumentale waarden van de boom. 3. Een omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend indien: a. de waarde die de boom monumentaal maakt niet langer aanwezig is en deze niet kan worden hersteld; b. de boom niet in onevenredige mate worden aangetast, waarbij de gemeente desgewenst aan de aanvrager kan verzoeken een onderzoek aan te leveren waarin dit aangetoond wordt; c. de mogelijkheden voor het behoud van de boom niet worden verkleind. Hoofdstuk 4 Regels voor cultureel erfgoed Afdeling 4.1 Inleidende regels Artikel 4.1 Normadressaat 1. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Haarlem, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 4.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 4 is van toepassing op: a. cultureel erfgoed en de zorg daarvoor; b. de aanwijzing van gemeentelijke monumenten; en c. omgevingsplanactiviteiten in, aan, op of bij cultureel erfgoed. Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over hoofdstuk 4, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk. Afdeling 4.2 Monumentenzorg Paragraaf 4.2.1 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 4.4 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag, besluiten een onroerende zaak of terrein, dan wel een historisch woonschip, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Artikel 4.4 is niet van toepassing op: a. een rijksmonument, en b. (archeologische) monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Een aanvraag om aanwijzing vermeldt de kadastrale aanduiding en zakelijke gerechtigden en vermeldt het vermeende belang in deze van belanghebbende. De aanvraag gaat vergezeld van een redengevende omschrijving en relevante foto’s. 4. Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat het college het ontwerpbesluit ter inzage legt na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit, bedoeld in artikel 4.6. 5. Het college informeert vooraf aan een aanwijzing alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 6. Het college stelt de gemeenteraad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument. 7. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 4.5 Spoedprocedure tot aanwijzing gemeentelijk monument 1. Het college kan in een uitzonderlijk geval direct een monument of archeologisch monument aanwijzen als gemeentelijk monument, wanneer er sprake is van spoedeisend belang. 2. Artikel 4.4 vierde t/m het zevende lid en artikel 4.6 zijn in dat geval niet van toepassing. Artikel 4.6 Advies Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.4 advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de Adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2. De Adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De Adviescommissie brengt binnen 6 weken weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 4.7 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken weken na ontvangst van de aanvraag, zoals bepaald in afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 4.8 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt bekendgemaakt in het elektronisch gemeenteblad, het omgevingsplan, aan alle belanghebbenden en zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister en het omgevingsplan. Paragraaf 4.2.2 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 4.9 Specifieke zorgplicht gemeentelijk monument Degene die een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten verricht of een andere activiteit verricht die een gemeentelijk monument betreft, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 4.10 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 4.11 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. gemeentelijke begraafplaats: gereserveerd 4. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel 4.12 Termijnen advisering Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1. Na ontvangst van de aanvraag omgevingsvergunning gemeentelijk monument stuurt het college zo snel mogelijk een cultuurhistorisch advies en een afschrift van de ontvankelijke aanvraag door naar de Adviescommissie Omgevingskwaliteit met een verzoek voor inhoudelijk advies. 2. De Adviescommissie brengt binnen 4 weken na ontvangst van de adviesvraag schriftelijk advies uit aan het college. 3. Het college kan de procedure zonder advies van de Adviescommissie vervolgen, indien binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen advies is uitgebracht. Artikel 4.13 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.11 wordt alleen verleend als het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. 2. Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.11 wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden. Artikel 4.14 Weigeringsgronden 1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het college rekening met het gebruik van het monument. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Voor zover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, neemt het college geen beslissing dan in overeenstemming met de eigenaar. Artikel 4.15 Vergunningvoorschriften Aan de in artikel 4.11 bedoelde omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn in het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 4.16 Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 4.17 Schadevergoeding 1. Indien en voor zover blijkt dat de belanghebbende ten gevolge van: a. de weigering van het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.11 te verlenen; b. voorschriften door het college verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.11, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2. Voor de behandeling van het verzoek als bedoeld in het eerste lid zijn de bepalingen van de geldende beleidsregels met betrekking tot planschade van toepassing. Dit geldt ook voor verzoeken die – ná de inwerkingtreding van de Omgevingswet - vallen onder de reikwijdte van artikel 4.17 van de Invoeringswet Omgevingswet (overgangsrecht). 3. Voor de behandeling van een verzoek als bedoeld in het eerste lid waarop de Omgevingswet van toepassing is - en niet valt onder het overgangsrecht als bedoeld in het tweede lid - zijn de bepalingen van de geldende Beleidsregel nadeelcompensatie Omgevingswet gemeente Haarlem van toepassing. Paragraaf 4.2.3 Rijksmonumenten Artikel 4.18 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid. Artikel 4.6, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing Paragraaf 4.2.4 Provinciale monumenten Artikel 4.19 Provinciale monumenten provinciaal monument: gereserveerd Paragraaf 4.2.5 Werelderfgoed Artikel 4.20 Werelderfgoed werelderfgoed: gereserveerd Paragraaf 4.2.6 Archeologie Artikel 4.21 Archeologisch onderzoek 1. Binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem uitgevoerd onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dient te voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 2. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen, in de zin van artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet, dient het college, onverminderd de overige bepalingen van deze wet, een Programma van Eisen vast te stellen, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het uit te voeren onderzoek. 3. Het college is bevoegd om nadere regels vast te stellen ten behoeve van een zorgvuldige bescherming en omgang met het boven- en ondergrondse erfgoed. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek, waarmee aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld aan de uitvoeringsmethodiek en rapportage van archeologisch onderzoek (Haarlemse richtlijnen). Zij laat zich hierbij adviseren door de gemeentelijk archeoloog. 4. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het onderzoek en de uitwerking en rapportage van het onderzoek. Tijdens het onderzoek, het veldonderzoek en de uitwerking en rapportage ervan, dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. Zij laat zich hierbij adviseren door de gemeentelijk archeoloog. Artikel 4.22 Betreding Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet, hoofdstuk 3 Omgevingswet en afdeling 5.1 Omgevingswet. De rechthebbende ten aanzien van dit terrein moet desgevraagd dulden dat dit terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan. Paragraaf 4.2.7 Overgangsbepalingen Artikel 4.23 Overgangsbepalingen 1. Een krachtens de Erfgoedverordening Haarlem 2023 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4.2. 2. Vergunningen die zijn