In het kort
Dit omgevingsplan van de gemeente Dordrecht regelt hoe gronden en bouwwerken gebruikt mogen worden en welke activiteiten zijn toegestaan, met speciale aandacht voor cultureel erfgoed en gebruiksactiviteiten. Het doel is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het behoud van cultuurhistorische waarden.
Wat het reguleert
- Het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de gemeente Dordrecht.
- Activiteiten die van invloed zijn op cultureel erfgoed, zoals archeologische waarden, gemeentelijke monumenten, cultuurhistorische waarden, gebedshuizen en rijksbeschermde stadsgezichten.
- De voorwaarden voor het starten of wijzigen van gebruiksactiviteiten, inclusief parkeerbehoefte en hinder voor de woonomgeving.
- Specifieke regels voor bedrijfsactiviteiten op bedrijventerreinen met hoge milieucategorie en diverse andere gebruiksactiviteiten zoals horeca, maatschappelijke activiteiten, recreatie en wonen.
Wie het aangaat
- Iedereen die een activiteit verricht of laat verrichten die onder dit omgevingsplan valt.
- Eigenaren en gebruikers van locaties met archeologische waarden, gemeentelijke monumenten, cultuurhistorische waarden, gebedshuizen en rijksbeschermde stadsgezichten.
Kernpunten
- Begripsbepalingen uit de Omgevingswet en bijbehorende besluiten zijn van toepassing, aangevuld met specifieke begrippen in Bijlage I van dit plan.
- Degene die een activiteit verricht of laat verrichten, moet voldoen aan de regels in dit omgevingsplan.
- Voor het starten of wijzigen van gebruiksactiviteiten die leiden tot een toename van parkeerbehoefte of hinder voor de woonomgeving, is een omgevingsvergunning vereist.
- Op bedrijventerreinen met hoge milieucategorie is een omgevingsvergunning nodig voor het starten van bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2, het splitsen van bedrijven, of bedrijfsverzamelgebouwen met eenheden kleiner dan 200 m2, tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw ook vereist is.
Wettekst
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696337 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-07-16 2025-07-16 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696337/nld@2025-08-13 /join/id/proces/gm0505/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0505/2020/inbeheerWijziging /join/id/proces/gm0505/2020/eersteWijziging /join/id/proces/gm0505/2025/tweedeWijziging 2025-08-13 2026-03-19 2025-08-13 2026-03-19 2025-08-13 2026-03-19 /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan/nld@2025-07-11;V3 /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan/nld@2025-07-11;V3 /join/id/stop/work_019 2 Omgevingsplan gemeente Dordrecht Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.
- Bijlage I, bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan. Artikel 1.2 Normadressaat uitvoeren activiteiten Tenzij anders in dit omgevingsplan is bepaald, wordt door degene die de activiteit verricht of laat verrichten aan de regels in dit omgevingsplan voldaan. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Hoofdstuk 2 Doelen Hoofdstuk 3 Programma's Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Index van op locaties toegestane activiteiten Paragraaf 4.1.1 GERESERVEERD Paragraaf 4.1.2 Cultureel erfgoed Artikel 4.1 Doelen cultureel erfgoed Voor cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: aantrekkelijke stad, behoud en waar mogelijk versterking van cultuurhistorische waarden. Artikel 4.2 Archeologisch waardevolle locaties
- Er zijn locaties met de functie-aanduiding archeologische waarden, onderverdeeld in: a. archeologische waarde 1; b. archeologische waarde 2; en c. archeologische waarde
- Bij grondwerkzaamheden wordt voldaan aan paragraaf 8.1.1 Grondwerkzaamheden archeologie.
- Bij het wijzigen van het waterpeil op archeologisch waardevolle locaties wordt voldaan aan paragraaf 8.1.2 Waterpeil wijzigen archeologie. Artikel 4.3 Gemeentelijke monumenten
- Er zijn gebouwen met de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten.
- Bij het slopen, verstoren, beschadigen, vernielen, verplaatsen, wijzigen, herstellen, gebruiken of het onthouden van onderhoud van een gemeentelijk monument, wordt voldaan aan afdeling 8.2 Gemeentelijke monumenten. Artikel 4.4 Cultuurhistorische waarden
- Er zijn bouwwerken met de functie-aanduiding cultuurhistorische waarden.
- Bij het slopen van een bouwwerk met cultuurhistorische waarden wordt voldaan aan afdeling 8.3 Cultuurhistorische waarden. Artikel 4.5 Gebedshuizen
- Er zijn gebouwen met de functie-aanduiding gebedshuizen.
- Bij het slopen van gebedshuizen wordt voldaan aan afdeling 8.4 Gebedshuizen. Artikel 4.6 Rijksbeschermde stadsgezichten
- Er zijn locaties met de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht.
- Bij het bouwen, slopen, of wijzigen van bouwwerken en het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde, in een rijksbeschermd stadsgezicht wordt voldaan aan afdeling 8.5 Rijksbeschermd stadsgezicht. Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten Afdeling 5.1 Algemene regels gebruiksactiviteiten Paragraaf 5.1.1 Regels voor de locatie begrensd gebied Artikel 5.1 Toepassingsbereik gebruiksactiviteiten
- De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen de locatie 'begrensd gebied'.
- Onder een gebruiksactiviteit wordt verstaan: de activiteit gronden en bouwwerken gebruiken.
- Deze paragraaf gaat niet over activiteiten die worden verricht in het openbaar toegankelijk gebied. Artikel 5.2 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 5.3 Toegestane gebruiksactiviteiten
- Het is uitsluitend toegestaan gebruiksactiviteiten te verrichten overeenkomstig de regels in de afdelingen 5.2 t/m 5.
- In aanvulling op het eerste lid geldt dat tevens een gebruiksactiviteit is toegestaan die: a. betrekking heeft op het inrichten of in stand houden van gronden voor groen, natuur, nutsvoorzieningen, parkeren op eigen terrein, perceelsontsluitingen en water; en b. ondersteunend en ondergeschikt is aan de gebruiksactiviteit die feitelijk wordt uitgeoefend. Artikel 5.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebruiksactiviteit starten
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten te starten of te wijzigen die leiden tot een toename van de parkeerbehoefte voor auto of fiets.
- Binnen de locatie 'woonomgeving' is het verboden zonder omgevingsvergunning een gebruiksactiviteit te starten of te wijzigen die leidt tot hinder voor de woonomgeving. Artikel 5.5 Aanvraagvereisten vergunning gebruiksactiviteit Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond met daarop aangegeven het huidige gebruik in m2 bruto-vloeroppervlakte en het nieuwe aangevraagde gebruik in m2 bruto-vloeroppervlakte; b. een motivering van de parkeerbehoefte door het invullen van het formulier parkeerbehoefte; en c. een onderzoek woonhinder, met name voor stemgeluid, binnen de locatie 'woonomgeving' door het invullen van het formulier woonhinder. Artikel 5.6 Beoordelingsregel gebruiksactiviteit De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 wordt in ieder geval verleend als: a. voldaan wordt aan de parkeernormering voor auto, fiets en laadvoorzieningen zoals vastgesteld in de Beleidsregel parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht; en b. de gebruiksactiviteit niet leidt tot onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving. Artikel 5.7 Voorrangsbepaling Binnen de locatie 'begrensd gebied' zijn de regels in afdeling 22.2 die zien op het gebruik van gronden en bouwwerken niet van toepassing, tenzij in dit hoofdstuk anders is aangegeven. Paragraaf 5.1.2 Aanvullende regels Subparagraaf 5.1.2.1 Regels afwijkend gebruik buitenplanse omgevingsplanactiviteit(BOPA) Artikel 5.8 Afwijkend gebruik BOPA Binnen de locatie 'BOPA afwijking' zijn tevens gebruiksactiviteiten toegestaan overeenkomstig de beschrijving zoals opgenomen per adres in het register BOPA's. Subparagraaf 5.1.2.2 Regels bedrijventerreinen met hoge milieucategorie Artikel 5.9 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op de gebruiksactiviteit 'bedrijfsactiviteit' binnen de locatie 'bedrijventerrein met hoge milieucategorie'. Artikel 5.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Binnen de locatie 'bedrijventerrein met hoge milieucategorie' is het verboden zonder omgevingsvergunning de gebruiksactiviteit 'bedrijfsactiviteit' te starten die betrekking heeft op: a. bedrijfsactiviteiten milieucategorie 1 of 2; b. het splitsen van een bedrijf in twee of meer bedrijven; c. een bedrijfsverzamelgebouw met een of meer eenheden die kleiner zijn dan 200 m
- Artikel 5.11 Vergunningvrije gevallen gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Het verbod, als bedoeld in artikel 5.10, is slechts van toepassing op het uitvoeren van de gebruiksactiviteit 'bedrijfsactiviteit' als daarvoor tevens een omgevingsvergunning voor de activiteit 'gebouw bouwen' is vereist. Artikel 5.12 Aanvraagvereisten vergunning nieuwe gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt dat de gebruiksactiviteit geen afbreuk doet aan de beschikbaarheid van bedrijfskavels voor milieucategorie 3.1 en hoger. Artikel 5.13 Beoordelingsregel gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.10 wordt in ieder geval verleend als binnen de locatie 'bedrijventerrein met hoge milieucategorie' de gebruiksactiviteit geen afbreuk doet aan een doelmatig gebruik en een doelmatige inrichting van het bedrijventerrein ten behoeve van bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 3.1 en hoger. Artikel 5.14 Voorrangsregels gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, blijven onverminderd van toepassing. Afdeling 5.2 Agrarische activiteiten Afdeling 5.3 Bedrijfsactiviteiten Afdeling 5.4 Culturele activiteiten Afdeling 5.5 Detailhandelsactiviteiten Afdeling 5.6 Dienstverleningsactiviteiten Afdeling 5.7 Horeca-activiteiten Paragraaf 5.7.1 Horeca 1 activiteiten Artikel 5.15 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit horeca 1 De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gebruiksactiviteit 'horeca-activiteit 1' binnen de locatie 'horeca 1'. Artikel 5.16 Toegestane gebruiksactiviteiten horeca 1 Binnen de locatie 'horeca 1' is de gebruiksactiviteit 'horeca-activiteit 1' toegestaan. Artikel 5.17 Omvang en situering gebruiksactiviteit horeca 1 Binnen de locatie 'horeca 1' mag de bruto-vloeroppervlakte van de gebruiksactiviteit 'horeca-activiteit 1' niet meer bedragen dan 1000 vierkante meter (m2). Afdeling 5.8 Kantooractiviteiten Afdeling 5.9 Maatschappelijke activiteiten Paragraaf 5.9.1 Maatschappelijk niet-milieugevoelig Artikel 5.18 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit maatschappelijk niet-milieugevoelig
- De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de gebruiksactiviteit 'maatschappelijke activiteit niet-milieugevoelig' binnen de locatie 'maatschappelijk niet-milieugevoelig'.
- Onder een gebruiksactiviteit 'maatschappelijke activiteit niet-milieugevoelig' wordt verstaan: een niet-milieugevoelige activiteit gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve of openbare dienstverlening, met inbegrip van gezondheidszorg, zorg- en welzijn, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, religie, uitvaart en begraafplaats, bibliotheek en verenigingsleven, anders dan een recreatie-activiteit of sportactiviteit. Artikel 5.19 Toegestane gebruiksactiviteiten maatschappelijk niet-milieugevoelig Binnen de locatie 'maatschappelijk niet-milieugevoelig' is de gebruiksactiviteit 'maatschappelijke activiteit niet-milieugevoelig' toegestaan. Artikel 5.20 Omvang en situering gebruiksactiviteit maatschappelijk niet-milieugevoelig De bruto-vloeroppervlakte van de gebruiksactiviteit 'maatschappelijke activiteit niet-milieugevoelig' mag niet meer bedragen dan de omgevingsnorm maximum vloeroppervlakte bruto maatschappelijk niet-milieugevoelig, gemeten in vierkante meters (m2). Afdeling 5.10 Nutsvoorzieningen Afdeling 5.11 Recreatie-activiteiten Paragraaf 5.11.1 Recreatie - dagrecreatie Artikel 5.21 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit recreatie-dagrecreatie
- Deze paragraaf is van toepassing op de gebruiksactiviteit 'dagrecreatie-activiteit' binnen de locatie 'recreatie-dagrecreatie'.
- Onder dagrecreatie-activiteit wordt verstaan: dagrecreatie. Artikel 5.22 Toegestane gebruiksactiviteiten recreatie-dagrecreatie Binnen de locatie 'recreatie-dagrecreatie' is de gebruiksactiviteit 'dagrecreatie-activiteit' toegestaan. Afdeling 5.12 Sportactiviteiten Afdeling 5.13 Verkeer Afdeling 5.14 Wonen Paragraaf 5.14.1 Wonen algemeen Artikel 5.23 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit wonen algemeen
- De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de gebruiksactiviteit 'woonactiviteit'.
- Onder woonactiviteit wordt verstaan: wonen. Artikel 5.24 Toegestane gebruiksactiviteiten wonen algemeen Binnen de locatie 'wonen' is de gebruiksactiviteit 'woonactiviteit' toegestaan. Artikel 5.25 Omvang en situering wonen algemeen Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan de omgevingsnorm maximum aantal woningen. Artikel 5.26 Mantelzorg bij bestaand bouwwerk Het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan. Hoofdstuk 6 Bouwwerken Afdeling 6.1 Bouwwerken algemeen Paragraaf 6.1.1 Regels voor de locatie begrensd gebied Artikel 6.1 Toepassingsbereik bouwwerken algemeen De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de volgende activiteiten binnen de locatie 'begrensd gebied': a. 'gebouw bouwen'; b. 'ander bouwwerk bouwen'; c. 'bouwwerk in stand houden'. Artikel 6.2 Oogmerken bouwwerken algemeen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; en b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 6.3 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 6.4 Wijze van meten Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bebouwingsgebied: achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; b. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; c. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak; d. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. straatpeil: voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; en voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Artikel 6.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 6.6 Voorrangsbepaling Binnen de locatie 'begrensd gebied' zijn de regels in paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en de regels in de artikelen 22.5 en 22.7 niet van toepassing, tenzij in dit hoofdstuk anders is aangegeven. Afdeling 6.2 Bouwwerk slopen Afdeling 6.3 Bouwwerk in stand houden Paragraaf 6.3.1 Regels bouwwerk in stand houden begrensd gebied Artikel 6.7 Toepassingsbereik bouwwerk in stand houden De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de activiteit 'bouwwerk in stand houden' binnen de locatie 'begrensd gebied'. Artikel 6.8 Algemene regel instandhouding bouwwerk Het is verboden een bouwwerk zonder omgevingsvergunning in stand te houden, tenzij het bouwwerk in dit omgevingsplan of het Besluit bouwwerken leefomgeving is aangewezen als vergunningvrij bouwwerk. Artikel 6.9 Voorrangsbepaling Binnen de locatie 'begrensd gebied' zijn de regels in paragraaf 22.2.7 niet van toepassing. Afdeling 6.4 Gebouw bouwen Paragraaf 6.4.1 Regels gebouw bouwen begrensd gebied Artikel 6.10 Toepassingsbereik gebouw bouwen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'gebouw bouwen' binnen de locatie 'begrensd gebied'. Artikel 6.11 Algemene regels gebouw bouwen Voor de activiteit 'gebouw bouwen' gelden de volgende eisen: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de locatie 'bouwvlak'; b. binnen de locatie 'bouwvlak' mag de bouwhoogte in meters niet meer bedragen dan bepaald door de omgevingsnorm maximum bouwhoogte; en c. ondergronds mag niet dieper worden gebouwd dan één bouwlaag onder straatpeil. Artikel 6.12 Uitzonderingen op de algemene regels gebouw bouwen De algemene regels in artikel 6.11 zijn niet van toepassing op gebouwen als bedoeld in artikel 22.36 onderdeel a. Artikel 6.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebouw bouwen
- Het is verboden binnen de locatie 'welstandsgebied' zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' uit te voeren.
- Het is verboden binnen de locatie 'ontwikkelgebied' zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' uit te voeren.
- Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voor gebouwen als bedoeld in artikel 22.36 onderdeel a. Artikel 6.14 Aanvraagvereisten vergunning gebouw bouwen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan de gegevens en bescheiden verstrekt als bedoeld in artikel 22.
- Artikel 6.15 Beoordelingsregels gebouw bouwen
- De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand; en b. het bouwplan binnen de locatie 'ontwikkelgebied' voldoet aan een goede stedenbouwkundige kwaliteit.
- Bij de beoordeling van het eerste lid, onder a, wordt getoetst aan de Welstandsnota.
- Bij de beoordeling van het eerste lid, onder b, wordt getoetst of het gebouw voldoet aan de eisen met betrekking tot positie, bouwmassa, woningtype en programma zoals beschreven in de beleidsregel 'stedenbouwkundige voorwaarden ontwikkellocaties'. Artikel 6.16 Advies Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder a, wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Afdeling 6.5 Bijbehorend bouwwerk bouwen Afdeling 6.6 Ander bouwwerk bouwen Paragraaf 6.6.1 Regels ander bouwwerk bouwen Artikel 6.17 Toepassingsbereik ander bouwwerk bouwen Deze afdeling is van toepassing op de activiteit 'ander bouwwerk bouwen' binnen de locatie 'begrensd gebied'. Artikel 6.18 Verbod ander bouwwerk bouwen Binnen de locatie 'begrensd gebied' is het verboden de activiteit 'ander bouwwerken bouwen' uit te voeren. Artikel 6.19 Uitzonderingen op het verbod ander bouwwerk bouwen Het verbod als bedoeld in artikel 6.18 is niet van toepassing op: a. straatmeubilair; b. buisleidingen; en c. erf- of perceelafscheidingen die voldoen aan de volgende eisen: 1°. niet hoger dan 2 m; en 2°. gelegen achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en die vanaf daar evenwijdig loopt aan het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Afdeling 6.7 Dakkapel bouwen, in stand houden of gebruiken Afdeling 6.8 Ondergronds bouwen Hoofdstuk 7 Activiteiten met een direct effect op het openbaar toegankelijk gebied Afdeling 7.1 Algemeen Afdeling 7.2 Roerende zaken opslaan Afdeling 7.3 Bouwobject plaatsen Afdeling 7.4 Terras aanbrengen Afdeling 7.5 Uitstallingen plaatsen Afdeling 7.6 Weg aanleggen of veranderen Afdeling 7.7 Parkeeractiviteit verrichten Afdeling 7.8 Reclame maken Afdeling 7.9 Uitweg maken, hebben of veranderen of het gebruik daarvan veranderen Afdeling 7.10 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken Afdeling 7.11 Inrichten openbaar toegankelijk gebied ontwikkelgebied Artikel 7.1 Toepassingsbereik inrichten openbaar toegankelijk gebied
- De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de activiteit 'inrichten openbaar toegankelijk gebied' binnen de locatie 'ontwikkelgebied'.
- Onder inrichten openbaar toegankelijk gebied wordt verstaan: bouwrijp en woonrijp maken. Artikel 7.2 Oogmerken inrichten openbaar toegankelijk gebied De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de kwaliteit van het openbaar gebied; b. toegankelijkheid van het openbaar gebied; c. sociale veiligheid. Artikel 7.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen inrichten openbaar toegankelijk gebied Het is verboden binnen de locatie 'ontwikkelgebied' zonder omgevingsvergunning de activiteit 'inrichten openbaar toegankelijk gebied' uit te voeren. Artikel 7.4 Aanvraagvereisten vergunning inrichten openbaar toegankelijk gebied Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit 'inrichten openbaar toegankelijk gebied' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met de ligging van het projectgebied en het ontwikkelgebied; b. een inrichtingstekening met de ligging van water, groen en verkeer binnen het gehele ontwikkelgebied; c. een ecologisch onderzoek; d. een speelplan voor het gehele ontwikkelgebied; en e. een klimaatberekening voor het gehele ontwikkelgebied. Artikel 7.5 Beoordelingsregels inrichten openbaar toegankelijk gebied
- De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.3, wordt alleen verleend als de activiteit bijdraagt aan de kwaliteit van het openbaar gebied.
- Bij de beoordeling geven burgemeester en wethouders toepassing aan de inrichtingseisen zoals opgenomen in de beleidsregel "stedenbouwkundige voorwaarden ontwikkellocaties". Hoofdstuk 8 Cultureel erfgoed Afdeling 8.1 Archeologisch waardevolle locaties Paragraaf 8.1.1 Grondwerkzaamheden archeologie Artikel 8.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden op locaties met de functie-aanduiding archeologische waarden. Artikel 8.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwerkzaamheden archeologie Het is binnen de functie-aanduiding archeologische waarden verboden zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten. Artikel 8.3 Vergunningvrije gevallen grondwerkzaamheden archeologie
- Het verbod, bedoeld in artikel 8.2, is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 1 en niet binnen de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten: tot een diepte van 40 cm beneden het maaiveld.
- Het verbod, bedoeld in artikel 8.2, is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 2: tot een diepte van 70 cm beneden het maaiveld.
- Het verbod, bedoeld in artikel 8.2, is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 3: tot een diepte van 100 cm beneden het maaiveld.
- Het verbod, bedoeld in artikel 8.2, is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarden: a. voor normale onderhoudswerkzaamheden; b. die bestaan uit funderingspalen tot 5% van het te bebouwen oppervlak; c. voor het vervangen van bestaande riolering en andere ondergrondse kabels en leidingen, waarbij de afmetingen en horizontale en verticale ligging van de leidingen niet veranderen; en d. voor het verrichten van archeologisch onderzoek door een hiervoor gecertificeerd opgravingsbedrijf. Artikel 8.4 Aanvraagvereisten vergunning grondwerkzaamheden archeologie Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een archeologisch onderzoeksrapport overgelegd, waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 8.5 Beoordelingsregels vergunning grondwerkzaamheden archeologie
- Binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 1 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarde niet wordt of kan worden aangetast, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet wordt of kan worden verkleind.
- Binnen de aanduiding archeologische waarde 2 en archeologische waarde 3 wordt de omgevingsvergunning verleend als door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarde niet onevenredig wordt of kan worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet onevenredig wordt of kan worden verkleind. Artikel 8.6 Advies Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige. Artikel 8.7 Intrekking De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van archeologisch waardevolle locaties zich verzet tegen instandhouding van de vergunning. Artikel 8.8 Voorrangsregeling Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, over activiteiten als bedoeld in deze paragraaf op locaties met een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden zijn niet van toepassing. Paragraaf 8.1.2 Waterpeil wijzigen archeologie Artikel 8.9 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het waterpeil op locaties met de functie-aanduiding archeologische waarden. Artikel 8.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterpeil wijzigen Het is binnen de functie-aanduiding archeologische waarden verboden zonder omgevingsvergunning het waterpeil te wijzigen. Artikel 8.11 Aanvraagvereisten vergunning waterpeil wijzigen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een archeologisch onderzoeksrapport overgelegd, waarin de archeologische waarden van de locatie in voldoende mate zijn vastgesteld. Artikel 8.12 Beoordelingsregels vergunning waterpeil wijzigen De omgevingsvergunning wordt verleend als door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Artikel 8.13 Advies Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige. Artikel 8.14 Intrekking De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van archeologisch waardevolle locaties zich verzet tegen instandhouding van de vergunning. Artikel 8.15 Voorrangsregeling Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, over activiteiten op locaties met een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden zijn niet van toepassing. Afdeling 8.2 Gemeentelijke monumenten Artikel 8.16 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten op of bij locaties met de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten. Artikel 8.17 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit verricht die een gemeentelijk monument betreft en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 8.18 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 8.17 . Artikel 8.19 Verbod Het is verboden: a. een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen; of b. aan een gemeentelijk monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 8.20 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gemeentelijke monumenten Het is binnen de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten verboden zonder omgevingsvergunning: a. een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel 8.21 Vergunningvrije gevallen gemeentelijke monumenten Het verbod, bedoeld in artikel 8.20, is niet van toepassing op: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, mits detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of b. inpandige wijzigingen van een onderdeel van het gemeentelijk monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. het binnen een gemeentelijk monument dat als begraafplaats in gebruik is, met inachtneming van de monumentale waarden: 1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of 3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. Artikel 8.22 Aanvraagvereisten vergunning gemeentelijke monumenten algemeen Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit aan, in of bij een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het gemeentelijk monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument of archeologisch monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument of het archeologisch monument. Artikel 8.23 Aanvraagvereisten vergunning slopen van een gemeentelijk monument
- Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het slopen van een gemeentelijk monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het gemeentelijk monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2°. foto's van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen: 1°. als sprake is van het slopen van een deel van het gemeentelijk monument waarbij de omvang van het gemeentelijk monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het gemeentelijk monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het gemeentelijk monument of het onderdeel van het gemeentelijk monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. Artikel 8.24 Aanvraagvereisten vergunning verplaatsen van een gemeentelijk monument
- Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een gemeentelijk monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het gemeentelijk monument of het onderdeel van het gemeentelijk monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het gemeentelijk monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; 2°. foto's van de bestaande toestand; en 3°. overzichtsfoto's van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen: 1°. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen: een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het gemeentelijk monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie of over de relatie van het gemeentelijk monument tot zijn historische en zijn nieuwe omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen. Artikel 8.25 Aanvraagvereisten vergunning wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk monument herstellen
- Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het gemeentelijk monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2°. detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het gemeentelijk monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen: 1°. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; 3°. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 5°. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 1°. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2°. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het gemeentelijk monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het gemeentelijk monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van gemeentelijk monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een gemeentelijk monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. Artikel 8.26 Aanvraagvereisten vergunning gemeentelijk monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het gebruik van een gemeentelijk monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Artikel 8.27 Aanvraagvereisten vergunning eisen aan tekeningen gemeentelijke monumenten
- Tekeningen als bedoeld in artikel 8.23 tot en met artikel 8.25 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
- Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
- Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het gemeentelijk monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
- Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: 1°. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2°. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. Artikel 8.28 Beoordelingsregels vergunning gemeentelijke monumenten
- De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
- Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.
- Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning wordt aan de hand van de "Beleidsregels monumenten" bepaald of de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
- Voor zover het gaat om een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, beslist het bevoegd gezag alleen in overeenstemming met de eigenaar. Artikel 8.29 Advies Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 8.30 Intrekking De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument zich verzet tegen instandhouding van de vergunning. Afdeling 8.3 Cultuurhistorische waarden Paragraaf 8.3.1 Bouwwerken met cultuurhistorische waarden Artikel 8.31 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten op locaties met de functie-aanduiding cultuurhistorische waarden. Artikel 8.32 Meldingsplichtige gevallen cultuurhistorische waarden
- Het is binnen de functie-aanduiding cultuurhistorische waarden verboden een bouwwerk te slopen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
- De in het eerste lid genoemde termijn is anders indien op grond van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een andere termijn is gesteld. Artikel 8.33 Indieningsvereisten melding cultuurhistorische waarden Bij de melding wordt een bouwhistorisch onderzoeksrapport verstrekt dat voldoet aan de actuele Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek. Artikel 8.34 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 8.33 . Artikel 8.35 Voorrangsregeling Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, over activiteiten met betrekking tot bouwwerken met cultuurhistorische waarden, zijn niet van toepassing. Paragraaf 8.3.2 Locaties met cultuurhistorische waarden Afdeling 8.4 Gebedshuizen Artikel 8.36 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten op locaties met de functie-aanduiding gebedshuizen. Artikel 8.37 Meldingsplichtige gevallen gebedshuizen
- Het is binnen de functie-aanduiding gebedshuizen verboden een gebedshuis te slopen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
- De in het eerste lid genoemde termijn is anders indien op grond van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een andere termijn is gesteld. Artikel 8.38 Indieningsvereisten melding gebedshuizen Bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Een beschrijving ten aanzien van de transformatieladder met daarin de opstaptrede en per stap hoe over wordt gestapt naar een andere trede; b. Een onderbouwing waarom (her)gebruik van het bestaande gebouw niet mogelijk is en nieuwbouw noodzakelijk is; c. Een bouwhistorisch onderzoeksrapport. Artikel 8.39 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 8.38 . Afdeling 8.5 Rijksbeschermd stadsgezicht Artikel 8.40 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten op locaties met de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht. Artikel 8.41 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht houdt voor het veranderen van de bestaande bebouwing in een rijksbeschermd stadsgezicht in dat rekening wordt gehouden met behoud en zo nodig verbetering van de structuur, waarbij voor wat betreft schaal, schikking van gebouwonderdelen, gevelgeleding, gevelindeling, hoogtedifferentiatie, gevelbeëindiging, kapvorm, silhouetvorming, rooilijn, materiaal- en kleurgebruik en detaillering aansluiting wordt gezocht bij de bestaande omgeving. Artikel 8.42 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen rijksbeschermd stadsgezicht Het is binnen de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht verboden zonder omgevingsvergunning: a. bouwwerken te slopen; b. nieuwe bouwwerken te plaatsen; of c. bestaande bouwwerken te wijzigen, voor zover de wijziging zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Artikel 8.43 Vergunningvrije gevallen rijksbeschermd stadsgezicht Het verbod, bedoeld in artikel 8.42 geldt niet voor activiteiten als bedoeld in: a. artikel 2.30, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en b. artikel 22.27 in samenhang met artikel 22.28, derde lid. Artikel 8.44 Aanvraagvereisten vergunning rijksbeschermd stadsgezicht
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stadsgezicht wordt een motivering opgenomen dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk op een locatie met bouwhistorische verwachting, wordt een bouwhistorisch rapport overgelegd. Artikel 8.45 Beoordelingsregels vergunning rijksbeschermd stadsgezicht
- De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de wijzigingen passen bij de bestaande historische bebouwing en structuur en met respect voor cultuurhistorische waarden; en b. bij het slopen van een bouwwerk: naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd dat passend is in het rijksbeschermd stadsgezicht.
- Bij het bepalen of de wijzigingen passend zijn, wordt rekening gehouden met: a. de bouwhoogte en diepte van de bouwmassa; b. de opbouw van de bouwmassa; c. de rooilijnen; d. de architectuur; e. het materiaal- en kleurgebruik; f. de detaillering; en g. de bouwhistorische waarden. Artikel 8.46 Advies Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 8.47 Intrekking De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het rijksbeschermd stadsgezicht zich verzet tegen instandhouding van de vergunning. Artikel 8.48 Voorrangsregeling Regels in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, die opgenomen zijn in de dubbelbestemming "Waarde -Beschermd Stadsgezicht" zijn niet van toepassing. Hoofdstuk 9 Evenementen Hoofdstuk 10 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur Afdeling 10.1 Algemeen Afdeling 10.2 Hoogspanningsverbindingen Paragraaf 10.2.1 Algemene regels hoogspanningsverbindingen Paragraaf 10.2.2 Beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding Paragraaf 10.2.3 Beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Artikel 10.1 Toepassingsbereik beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding'. Artikel 10.2 Oogmerk bovengrondse hoogspanningsverbinding De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van een goede en veilige energievoorziening. Artikel 10.3 Specifieke zorgplicht bovengrondse hoogspanningsverbinding Degene die een activiteit verricht binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of aantasten van een goede en veilige energievoorziening, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of aantasting van de bovengrondse hoogspanningsverbinding te voorkomen. Artikel 10.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bovengrondse hoogspanningsverbinding
- Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' en 'ander bouwwerk bouwen' uit te voeren.
- Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'grondwerkzaamheden verrichten' uit te voeren.
- Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'waterpeil wijzigen' uit te voeren.
- Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwwerk slopen' uit te voeren.
- Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'plaatsen van een windturbine' uit te voeren.
- Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en of materialen' uit te voeren. Artikel 10.5 Vergunningvrije gevallen beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Het verbod in artikel 10.4 is niet van toepassing op: a. het wijzigen van een bouwwerk, mits de oppervlakte en hoogte niet wordt vergroot en gebruik gemaakt wordt van de bestaande fundering; b. activiteiten die in opdracht van de beheerder van de bovengrondse hoogspanningsverbinding worden verricht; en c. normaal onderhoud van de bestaande situatie. Artikel 10.6 Aanvraagvereisten vergunning bovengrondse hoogspanningsverbinding Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.4 wordt een tekening ingediend waarop wordt aangegeven waar de activiteit plaatsvindt en tot welke hoogte ten opzichte van de hoogspanningsverbinding. Artikel 10.7 Beoordelingsregels vergunning beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4 wordt alleen verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. Artikel 10.8 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit als bedoeld in artikel 10.
- Artikel 10.9 Advies Voordat een maatwerkvoorschrift wordt gesteld of op een aanvraag omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door het college advies ingewonnen bij de beheerder van de hoogspanningsverbinding. Afdeling 10.3 Leidingen Hoofdstuk 11 Milieu Afdeling 11.1 Algemene bepalingen milieu Afdeling 11.2 Bodem Paragraaf 11.2.1 Algemene bepalingen bodem Artikel 11.1 Oogmerken bodem De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen; en e. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 met uitzondering van de beperking voor maatwerkvoorschriften ten aanzien van grondwatersanering zoals gesteld in artikel 11.
- Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten Er is een locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' met daarbinnen 'bodemkwaliteitsklassen' en 'toepassingszones' voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem en voor het afwijken via een maatwerkvoorschrift van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: a. landbouw/natuur; b. wonen; en c. industrie. Paragraaf 11.2.2 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Deze paragraaf gaat over de activiteit 'toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem'. Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Artikel 11.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning thermisch gereinigde grond toe te passen. Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid, kritische parameters van deze bouwstof en indien relevant de eisen van het productcertificaat; d. de ligging en de omvang van de toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een identificatie en een beschrijving van kritische aspecten en hoe hier de zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ingevuld, waaronder in ieder geval grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting, PH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie; f. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving wordt voorkomen in de vorm van stofvorming en ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang, als dit vrijkomt uit het materiaal, wordt voorkomen; g. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast; h. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar. Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1°. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de toepassing past bij de functie van de locatie; f. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; g. de thermisch gereinigde grond: 1°. zodanig wordt toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater; en 2°. wordt toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; h. de bovenafdichting waaronder de thermisch gereinigde grond wordt toegepast binnen 1 jaar na toepassing wordt aangebracht; en i. de thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m
- Artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie
- Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een grootschalige toepassing als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de afdeklaag als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Artikel 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie
- Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.11.
- Tabel 11.11.1 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Alle zones pH waarde is minimaal 5 en maximaal 9 Alle zones Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride Alle zones Maximaal 920 mg/kg droge stof barium wonen Maximaal 90 mg/kg droge stof lood Volks-/Moestuin Maximaal 50 mg/kg droge stof lood Asbestgevoelige locatie Maximaal 10 mg/kg droge stof asbest (gewogen gehalte)
- Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: Tabel 11.11.2 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) wonen Maximaal 56 mg/kg droge stof nikkel a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en c. voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.11.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie
- Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in aanvulling op artikel 4.1278, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen als bepaald in tabel 11.12.
- Tabel 11.12.1 afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie Zones Kwaliteitseisen (voor standaardbodem) Alle zones Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride
- Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie wordt verspreid op een naastgelegen perceel of op percelen die reeds belast zijn met chloride in gehalten boven de kwaliteitseis. Dit dient middels een (water)bodemonderzoek of beheerplan te zijn aangetoond. Artikel 11.13 GERESERVEERD GERESERVEERD. Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom
- Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond of baggerspecie toegepast met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur.
- Onder een wegberm buiten de bebouwde kom wordt verstaan: een strook grond langs een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet of langs een spoorweg, die buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt. Een afstand van 10 meter geldt daarbij als maximale bermbreedte, gemeten vanaf de verhardingskant. Artikel 11.15 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. afkomstig is uit het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' en toegepast wordt op een bedrijventerrein met een oppervlakte groter dan 2 hectare; en b. voldoet aan de kwaliteitseisen van de kwaliteitsklassen industrie, wonen of landbouw/natuur, als bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: Tabel 11.16.1 afwijkende kwaliteitseisen zone B Zones Stof Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof) Landbouw/natuur PFOA 0,0023 Landbouw/natuur PFOS 0,0024 Volks-/moestuin PFOA 0,0023 Volks-/moestuin PFOS 0,0024 a. voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; b. afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en c. voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.16.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. Artikel 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie
- Voor zover de milieuverklaring bodemkwaliteit, als bedoeld in artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart, wordt ook met een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat aan het eerste en tweede lid van artikel 4.1272 van dat besluit wordt voldaan.
- In aanvulling op het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën voor (grootschalige) onverdachte locaties, als bedoeld in NEN 5740; b. gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht; en c. niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater. Artikel 11.18 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie
- Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing.
- In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook de volgende rapporten verstrekt: a. een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 11.17 als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart; b. een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit, als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemonderzoek; en c. een rapport van een partijkeuring als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een partijkeuring.
- In aanvulling op artikel 4.1267 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij de toepassing van grond of baggerspecie. Paragraaf 11.2.3 Toepassen van bouwstoffen Artikel 11.19 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem'. Artikel 11.20 Oogmerk toepassen van bouwstoffen De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan het milieu door het gebruik van bouwstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, toe te passen. Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.1258 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. de RD-coördinaten van de ontvangende landbodem; d. de ligging, de omvang en de dimensionering van de functionele toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een onderbouwing van de toepassingshoogte na zetting van het werk ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); f. de hoeveelheid AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; g. de aanduiding van de functionele toepassing, als bedoeld in artikel 4.1260 Bal, in het kader waarvan de AVI-bodemassen, grondstabilisatie, immobilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, worden toegepast; h. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, die de kwaliteit duidt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid en kritische parameters van deze bouwstof; i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van stofvorming wordt voorkomen en, indien de bouwstof met een toepassingseis gericht op het voorkomen van permanent in contact komen van de bouwstof met hemel-, grond- en oppervlaktewater wordt geleverd, ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal wordt voorkomen; m. bij het toepassen van immobilisaten: een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; n. bij het toepassen van immobilisaten: de hoeveelheid bindmiddelen en de exacte beschrijving en receptuur van het type immobilisaat die in totaal voor de immobilisatie of stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; o. een beschrijving van de voorzieningen en de maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden. Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.22, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1°. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de locatie van de toepassing zich niet in een waterwingebied bevindt, tenzij het de uitvoering van taken betreft door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet; f. de toepassing past bij de functie van de locatie; g. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; h. de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan: 1°. zodanig worden toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater; en 2°. worden toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; i. indien de bouwstoffen met aanvullende toepassingseisen (zogenaamde 'wenken' voor de toepasser) worden geleverd, wordt voldaan aan de aanvullende toepassingseisen; j. beschreven is welke voorzieningen of maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in de aanlegfase en in de gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; en k. de toepassing in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Paragraaf 11.2.4 Opslaan van grond en baggerspecie Artikel 11.24 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie'. Artikel 11.25 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Artikel 11.26 Afscherming bij opslaan grond
- Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt. Er is sprake van asbesthoudende grond als meer dan 10 mg/kg droge stof asbest aanwezig is in de grond of als asbesthoudend materiaal zichtbaar aanwezig is in de partij grond.
- Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 11.27 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit In aanvulling op artikel 5.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag de resultaten van het bodemonderzoek verstrekt in het bestandsformaat XML. Paragraaf 11.2.5 Graven in bodem Subparagraaf 11.2.5.1 Algemene bepalingen graven in de bodem Artikel 11.28 Oogmerken graven in de bodem De regels in subparagraaf 11.2.5.2 en subparagraaf 11.2.5.3 zijn, in aanvulling op artikel 11.1 gesteld met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en doelmatig beheer van afvalstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Subparagraaf 11.2.5.2 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m
- Artikel 11.30 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof. Artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij het graven in de bodem. Subparagraaf 11.2.5.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.32 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m
- Artikel 11.33 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het graven in de bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof. Artikel 11.34 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML. Artikel 11.35 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit
- In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij het graven in de bodem.
- In afwijking van het eerste lid, geldt bij het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week, als bedoeld in artikel 4.1226, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 11.2.6 Saneren van de bodem Subparagraaf 11.2.6.1 Algemene bepalingen saneren van de bodem Artikel 11.36 Oogmerken saneren van de bodem De regels in subparagraaf 11.2.6.2 en subparagraaf 11.2.6.3 zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem; b. het beschermen van het milieu waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu. Subparagraaf 11.2.6.2 Regels voor saneren van de bodem Artikel 11.37 Toepassingsbereik saneren Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteit 'saneren van de bodem'. Artikel 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag
- Met het oog op het beschermen van het milieu kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde en vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een afdeklaag worden toegepast bestaande uit: a. een halfopen verharding als hieronder tenminste 10 cm grond van de kwaliteit landbouw/natuur aanwezig is en de grond in de halfopen verharding ook van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur is; b. een boomrooster; of c. een gelijkwaardige maatregel die hetzelfde doel bereikt.
- Voor een gelijkwaardige maatregel, bedoeld in het eerste lid onder c, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet niet vereist. Artikel 11.39 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en het beschermen van het milieu heeft, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte opgenomen in tabel 11.39.1 voor het betreffende bodemgebruik. Tabel 11.39.1 minimale dikte van de afdeklaag Minimale dikte leeflaag (in cm) Bodemgebruik 50 Industrie- en bedrijventerreinen, groenzones industrie- en bedrijventerrein, zonneparken en wegbermen Artikel 11.40 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 11.58 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan de waarde opgenomen in tabel 11.40.1 voor de betreffende zone. Tabel 11.40.1 terugsaneerwaarden bij verwijderen van verontreiniging Zone en bodemfunctieklasse/ gebruiksfunctie Waarden stof (in mg/kg droge stof voor standaard bodem) Lood Volks-/moestuin 50 wonen 90 PFOA zone B Landbouw/natuur 0,0023 Volks-/moestuin 0,0023 wonen 0,007 Industrie 0,007 PFOA zone A Landbouw/natuur 0,0019 Volks-/moestuin 0,0019 wonen 0,007 Industrie 0,007 Artikel 11.41 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het saneren van de bodem op een bodemgevoelige locatie met vluchtige stoffen in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 11.42 Maatwerkregel meldingsplicht saneren In aanvulling op artikel 4.1236, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML. Artikel 11.43 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren In aanvulling op artikel 4.1237 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij het saneren van de bodem. Subparagraaf 11.2.6.3 Regels voor grondwatersaneringen Artikel 11.44 Toepassingsbereik grondwatersaneringen Deze subparagraaf is van toepassing op het saneren van de grondwaterbodem ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Artikel 11.45 Maatwerkvoorschrift grondwatersanering Een maatwerkvoorschrift voor een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt alleen gesteld als deze saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Artikel 11.46 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- In afwijking van het eerste lid, kan de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast indien: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Artikel 11.47 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit In aanvulling op artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ook een afschrift van de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten verstrekt. Artikel 11.48 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de sanering wordt een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan Gedeputeerde Staten verstrekt. Paragraaf 11.2.7 Nazorg Artikel 11.49 Toepassingsbereik nazorg Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als: a. saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van: 1°. het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. dit omgevingsplan; 3°. een omgevingsvergunning; of 4°. een maatwerkvoorschrift; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet. Artikel 11.50 Nazorg na afloop van saneren van de bodem Met het oog op het beschermen van de gezondheid, treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de aangebrachte afdeklaag. Artikel 11.51 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst Met het oog op het beschermen van de gezondheid, eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de tijdelijke beschermingsmaatregelen. Paragraaf 11.2.8 Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 11.52 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 11.53 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Artikel 11.54 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
- Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.52 verricht, neemt in het belang van de bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
- Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.52 verricht, neemt in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen maatregelen om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken, of als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 11.2.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw Artikel 11.55 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw
- Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie'.
- Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt; of b. een woonschip of woonwagen. Artikel 11.56 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Artikel 11.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan. Artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie
- Voor de stoffen, bedoeld in bijlage XIIIa van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
- Er is sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
- In afwijking van het tweede lid is het zinsdeel "in meer dan 25 m3 bodemvolume" niet van toepassing op de stof asbest.
- In afwijking van het eerste lid zijn voor lood de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.58.
- In afwijking van het eerste lid zijn voor PFOA de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.58.
- Tabel 11.58.1 waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en PFOA per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie (in de zin van de bodemfunctiekaart en bodemfunctieklassen) Gebruiksfunctie Waarden (in mg/kg droge stof) Lood Landbouw/natuur 370 wonen 370 PFOA (perfluoroctaanzuur) Landbouw/natuur 0,030 wonen 0,030 Industrie 0,030 Artikel 11.59 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een locatie waar sprake is van een overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is uitsluitend toegestaan als een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 11.60 Aanvraagvereisten vergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bodemonderzoek; en b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
- De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML. Artikel 11.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie
- De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als het bevoegd gezag van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 11.62 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw
- Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het eerste lid is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan. Artikel 11.63 Indieningsvereisten melding bouwen van een bodemgevoelig gebouw
- Een melding als bedoeld in artikel 11.62 bevat: a. de resultaten van een bodemonderzoek; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 11.58de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
- Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.
- De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML. Artikel 11.64 Maatwerkvoorschriften meldingsplicht bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 11.
- Artikel 11.61 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 11.65 Informatieplicht na het bouwen op een bodemgevoelige locatie Bij overschrijding van een waarde van de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college is geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in artikel 11.59, zijn getroffen. Paragraaf 11.2.10 Bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Artikel 11.66 Toepassingsbereik bouwen van een grondwatergevoelig gebouw
- Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie als bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
- Onder een significante verontreiniging van het grondwater wordt verstaan een significante verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 3.131 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Artikel 11.67 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan. Artikel 11.68 Voorafgaand grondwateronderzoek
- Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als onderzocht is of sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
- Aan het eerste lid wordt voldaan door: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 11.69 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit
- Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is uitsluitend toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.4.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
- Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of uit een beschikking als bedoeld inartikel 11.68, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.
- Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; of b. een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 11.70 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging
- Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; of b. een grondwatersanering, zoals bepaald in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft vanuit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit.
- Het eerste lid, aanhef onder b, is niet van toepassing indien sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is. Artikel 11.71 Aanvraagvereisten vergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw
- Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 11.68, verstrekt.
- De resultaten van het voorafgaand onderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.
- Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt ook een afschrift verstrekt van de volgende gegevens en bescheiden: a. indien sprake is van een verontreiniging van grondwater: 1°. een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; 2°. de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft verricht; 3°. een onderbouwing van de daarbij toegepaste methode(n), bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; en 4°. de uitkomst van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; b. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak bedoeld in artikel 11.70, eerste lid, wordt verricht; en c. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht. Artikel 11.72 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw De omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' wordt alleen verleend als aannemelijk is gemaakt dat sanerende maatregelen als bedoeld in artikel 11.70 worden getroffen. Artikel 11.73 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 11.74 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw
- Een melding bevat: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. het voorafgaand onderzoek, als bedoeld in artikel 11.68; e. als er sprake is van verontreiniging van grondwater; een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 11.70 wordt verricht; en g. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt verricht.
- Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 11.75 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwater gevoelig gebouw Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, wordt een grondwatergevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 11.70, zijn getroffen, of als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert. Afdeling 11.3 Geluid Paragraaf 11.3.1 GERESERVEERD Paragraaf 11.3.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Artikel 11.76 Toepassingsbereik geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
- Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'toevoegen van een geluidgevoelig gebouw', als bedoeld in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen de geluidaandachtsgebieden als bedoeld artikel 17 van de Omgevingsregeling en de locatie 'geluidaandachtsgebied industrie stedelijk wonen'.
- Onder toevoegen wordt verstaan: het bouwen van een geluidgevoelig gebouw of een gedeelte daarvan en het in gebruik nemen van een geluid gevoelig gebouw of een gedeelte daarvan.
- Onder het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw wordt mede verstaan het toevoegen van een geluidgevoelige ruimte, als bedoeld in bijlage I Bkl, aan een gebouw. Artikel 11.77 Oogmerken geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een gezonde stad; en b. een aanvaardbaar akoestische woon- en leefomgeving. Artikel 11.78 Zorgplicht geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Degene die een geluidgevoelig gebouw bouwt of in gebruik neemt of houdt, neemt daarbij alle redelijkerwijs te verwachten maatregelen om te komen tot een akoestisch aanvaardbare woon- en leefomgeving. Artikel 11.79 Aanvullende meetbepalingen geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
- Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf wordt verstaan onder: a. geluidluw stedelijk gebied: een geluidsniveau van 55 dB of lager, cumulatief van alle wegen (rijkswegen, lokale wegen inclusief 30 km-wegen), spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen; b. geluidluwe gevel stedelijk gebied: de gevel van een gebouw die geheel geluidluw is of ter plaatse van die gevel minimaal één te openen deel per geluidgevoelige ruimte dat geluidluw is.
- Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf gelden standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Artikel 11.80 Maatwerkvoorschriften geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit als bedoeld in artikel 11.
- Paragraaf 11.3.3 Geluid stedelijk wonen Artikel 11.81 Toepassingsbereik geluid stedelijk wonen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'toevoegen van een geluidgevoelig gebouw' binnen: a. de locatie 'geluidaandachtsgebied industrie stedelijk wonen'; b. de locatie 'geluidaandachtsgebied 50 stedelijk wonen'; c. de locatie 'geluidaandachtsgebied snelweg stedelijk wonen'. Artikel 11.82 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen geluid stedelijk wonen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'toevoegen van een geluidgevoelig gebouw' binnen de locatie 'geluidaandachtsgebied industrie stedelijk wonen', de locatie 'geluidaandachtsgebied 50 stedelijk wonen' en de locatie 'geluidaandachtsgebied snelweg stedelijk wonen' uit te voeren. Artikel 11.83 Aanvraagvereisten vergunning geluid stedelijk wonen Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt een akoestisch rapport ingediend. Artikel 11.84 Beoordelingsregels geluid stedelijk wonen
- Een omgevingsvergunning voor het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw wordt verleend als naar het oordeel van het college sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.
- Van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat is sprake, als het geluid op de gevel niet meer bedraagt dan de standaardwaarden: a. voor rijkswegen 50 dB; b. voor overige wegen 53 dB; c. voor industrielawaai 50 dB.
- Van het tweede lid kan worden afgeweken indien: a. maatregelen ter verlaging van de geluidsbelasting op de gevel tot 50 dB niet doelmatig zijn; b. het geluid op de gevel niet meer bedraagt dan de grenswaarden: 1°. voor rijkswegen 60 dB; 2°. voor overige wegen 70 dB; 3°. voor industrielawaai 55 dB; en c. aan de akoestische eisen zoals opgenomen in de artikel 11.85 tot en met artikel 11.87 wordt voldaan. Artikel 11.85 Akoestische eisen grondgebonden woningen geluid stedelijk wonen Bij toepassing van artikel 11.84, derde lid, gelden voor grondgebonden woningen de volgende eisen: a. de woning beschikt over een geluidluwe gevel; b. de woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte; en c. in de woning zijn minimaal de helft van de slaapkamers, waarbij naar boven toe wordt afgerond, geluidluw ter plaatse van één te openen deel. Artikel 11.86 Akoestische eisen appartementen geluid stedelijk wonen Bij toepassing van artikel 11.84, derde lid, gelden voor appartementen de volgende eisen: a. zowel de woonkamer als de hoofdslaapkamer beschikt over een geluidluw te openen deel; en b. de woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte. Artikel 11.87 Akoestische eisen niet-woongebouwen geluid stedelijk wonen GERESERVEERD. Artikel 11.88 Bouwen van een niet-geluidgevoelige gevel In afwijking van het bepaalde in artikel 11.84, derde lid, onder b, is het toegestaan een geluidgevoelig gebouw te bouwen waarbij het geluid op de gevel hoger is dan de grenswaarden, mits: a. de gevel bestaat uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. geborgd wordt dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte niet hoger is dan de grenswaarde. Paragraaf 11.3.4 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 11.3.5 Railverkeerlawaai Paragraaf 11.3.6 Scheepsverkeerlawaai Paragraaf 11.3.7 Wegverkeerlawaai Afdeling 11.4 Omgevingsveiligheid Paragraaf 11.4.1 Algemene bepalingen omgevingsveiligheid Artikel 11.89 Toepassingsbereik omgevingsveiligheid Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten die binnen de locaties in het Besluit kwaliteit leefomgeving als aandachtsgebied zijn aangewezen: a. 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen'; b. 'toevoegen van kwetsbare gebouwen'; c. 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen'; d. 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties'; en e. 'toevoegen van kwetsbare locaties'. Artikel 11.90 Oogmerken omgevingsveiligheid De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een veilige fysieke leefomgeving; b. ruimte voor economische bedrijvigheid. Artikel 11.91 Meetbepalingen algemene bepalingen omgevingsveiligheid
- De afstanden voor het plaatsgebonden risico in deze paragraaf gelden, tenzij anders bepaald, vanaf het meetpunt zoals aangegeven in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- De afstanden voor het plaatsgebonden risico in deze paragraaf gelden, tenzij anders bepaald, tot: a. voor kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen, anders dan woonschepen of woonwagens: de gevel; b. voor nieuw te bouwen kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen: de locatie waar een gevel mag komen; c. voor woonschepen en woonwagens: de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. voor kwetsbare locaties: de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen.
- De afstanden gelden voor zeer kwetsbare gebouwen ook tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen buiten het gebouw, als het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A, onder 1a, B, C, D, onder 2, en E, onder 2 tot en met 13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 11.92 Algemene regels plaatsgebonden risico GERESERVEERD. Artikel 11.93 Algemene regels brandvoorschriftengebied Voor de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen' en 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen' binnen de locatie 'brandvoorschriftengebied' gelden de bouweisen als bedoeld in de artikelen 4.90 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 11.94 Algemene regels explosievoorschriftengebied Voor de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen' en 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen' binnen de locatie 'explosievoorschriftengebied' gelden de bouweisen als bedoeld in de artikelen 4.90 en 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 11.4.2 Brandaandachtsgebieden Subparagraaf 11.4.2.1 Brandaandachtsgebied wegen Artikel 11.95 Toepassingsbereik brandaandachtsgebied wegen Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties' en 'toevoegen van kwetsbare locaties' binnen de locatie 'brandaandachtsgebied wegen'. Artikel 11.96 Verbod brandaandachtsgebied wegen Het is verboden binnen de locatie 'brandaandachtsgebied wegen' de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties' en 'toevoegen van kwetsbare locaties' te verrichten. Subparagraaf 11.4.2.2 Brandaandachtsgebied leidingen Artikel 11.97 Toepassingsbereik brandaandachtsgebied leidingen Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties' en 'toevoegen van kwetsbare locaties' binnen de locatie 'brandaandachtsgebied leidingen'. Artikel 11.98 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen brandaandachtsgebied leidingen Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'brandaandachtsgebied leidingen' de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties' en 'toevoegen van kwetsbare locaties' te verrichten. Artikel 11.99 Aanvraagvereisten vergunning brandaandachtsgebied leidingen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 11.98 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) waaruit de hoogte van het groepsrisico blijkt; b. een tekening met het bouwplan en/of terreininrichting; en c. de maatregelen op het gebied van beheersbaarheid en zelfredzaamheid. Artikel 11.100 Beoordelingsregels brandaandachtsgebied leidingen De vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 11.98 wordt alleen verleend als: a. voldoende beschermingsmaatregelen zijn getroffen; b. in een woongebied voldoende blusvoorzieningen aanwezig zijn; c. een woongebied van twee zijden toegankelijk is voor hulpdiensten; en d. de redelijkerwijs te treffen veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Artikel 11.101 Advies omgevingsvergunning brandaandachtsgebied leidingen Voordat op een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.98 wordt beslist, wordt door het college advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Paragraaf 11.4.3 Explosie-aandachtsgebieden Subparagraaf 11.4.3.1 Explosie-aandachtsgebied wegen Artikel 11.102 Toepassingsbereik explosie-aandachtsgebied wegen Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties' en 'toevoegen van kwetsbare locaties' binnen de locatie 'explosie-aandachtsgebied wegen'. Artikel 11.103 Verbod explosie-aandachtsgebied wegen Het is verboden binnen de locatie 'explosie-aandachtsgebied wegen' de activiteit 'toevoegen van zeer kwetsbare gebouwen' te verrichten. Artikel 11.104 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen explosie-aandachtsgebied wegen Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'explosie-aandachtsgebied wegen' de activiteiten 'toevoegen van beperkt kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van kwetsbare gebouwen', 'toevoegen van beperkt kwetsbare locaties' en 'toevoegen van kwetsbare locaties' te verrichten. Artikel 11.105 Aanvraagvereisten vergunning explosie-aandachtsgebied wegen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 11.104 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) waaruit de hoogte van het groepsrisico blijkt; b. een tekening met het bouwplan en/of terreininrichting; en c. de maatregelen op het gebied van beheersbaarheid en zelfredzaamheid. Artikel 11.106 Beoordelingsregels explosie-aandachtsgebied wegen
- De vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 11.104 wordt alleen verleend als sprake is van een veilige omgeving.
- Van een veilige omgeving is in ieder geval sprake als: a. het groepsrisico niet meer dan 0,75 x de oriëntatiewaarde bedraagt of een personendichtheid die hiermee gelijk te stellen is; b. in een woongebied voldoende blusvoorzieningen aanwezig zijn; c. een woongebied van twee zijden toegankelijk is voor hulpdiensten; en d. de redelijkerwijs te treffen veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Artikel 11.107 Advies omgevingsvergunning explosie-aandachtsgebied wegen Voordat om een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door het college advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Paragraaf 11.4.4 Spoor Paragraaf 11.4.5 Water Paragraaf 11.4.6 Wegen Afdeling 11.5 Milieu overig Paragraaf 11.5.1 Geurhinder Paragraaf 11.5.2 Lichthinder Paragraaf 11.5.3 Luchtkwaliteit Paragraaf 11.5.4 Trillingen Paragraaf 11.5.5 Windhinder Paragraaf 11.5.6 Magneetveldzone Hoofdstuk 12 Gezondheid Afdeling 12.1 Speelplekken aanleggen, bouwen, in stand houden of gebruiken Afdeling 12.2 Hittestress Hoofdstuk 13 Energietransitie Afdeling 13.1 Aansluitplicht warmtenet Afdeling 13.2 Afsluitplicht gas Hoofdstuk 14 Water Afdeling 14.1 Waterberging Afdeling 14.2 Droogte Afdeling 14.3 Overstromingen Paragraaf 14.3.1 Beperkingengebied waterkeringen Afdeling 14.4 Waterkwaliteit Afdeling 14.5 Grondwater lozen Afdeling 14.6 Watergang dempen Hoofdstuk 15 Natuur Afdeling 15.1 Biodiversiteit Paragraaf 15.1.1 Beperkingengebied natuurnetwerk Nederland Afdeling 15.2 Bomen kappen Afdeling 15.3 Groen verwijderen Afdeling 15.4 Stikstofuitstoot Hoofdstuk 16 Gereserveerd Hoofdstuk 17 Gereserveerd Hoofdstuk 18 Gereserveerd Hoofdstuk 19 Gereserveerd Hoofdstuk 20 Gereserveerd Hoofdstuk 21 Gereserveerd Hoofdstuk 22 Bruidsschat Afdeling 22.1 Algemeen Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- De regels in afdeling 22.2 , met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3 -, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
- VERVALLEN
- VERVALLEN Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 [vervallen] Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
- Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluita
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.