Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer (Haarlemmermeer)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer regelt diverse activiteiten en aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, met een focus op het bouwen van bouwwerken en de bescherming van de bodemkwaliteit. Het stelt regels en doelen vast voor veiligheid, gezondheid, milieu en ruimtelijke waarden.
Voor wie: Iedereen die een activiteit verricht die onder Hoofdstuk 5 valt, tenzij anders bepaald; Degene die een bodemgevoelig gebouw wil bouwen op een bodemgevoelige locatie.
Termijnen:
- Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is een melding vereist, ten minste 4 weken voor aanvang, tenzij een omgevingsvergunning nodig is (Artikel 5.8).
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 387
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Algemene bepalingen en begripsbepalingen voor specifieke hoofdstukken.
- Doelen en programma's met betrekking tot de fysieke leefomgeving.
- Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, onderverdeeld in thema's (zoals beschermingsgebieden, bouwen, circulariteit, duurzaamheid, cultureel erfgoed) en gebiedstypen (zoals bedrijventerrein, buitengebied, woongebied).
- Regels voor activiteiten, met name het bouwen van bouwwerken, thematische activiteiten en gebiedsgerichte activiteiten.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die een activiteit verricht die onder Hoofdstuk 5 valt, tenzij anders bepaald.
- Degene die een bodemgevoelig gebouw wil bouwen op een bodemgevoelige locatie.
Wat zijn de kernpunten?
- Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de toegedeelde functies in dit omgevingsplan (Artikel 5.4).
- Degene die een activiteit verricht, heeft een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen voor veiligheid, gezondheid, milieu en ruimtelijke waarden te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken (Artikel 5.5).
- Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is een melding vereist, ten minste 4 weken voor aanvang, tenzij een omgevingsvergunning nodig is (Artikel 5.8).
- Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt alleen verleend als de bodemkwaliteit voldoet aan de gestelde eisen of als er sanerende maatregelen worden genomen (Artikel 5.11).
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (387)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 5.1 Toepassing
- Artikel 5.2 Doelen
- Artikel 5.3 Normadressaat
- Artikel 5.4 Algemeen gebruiksverbod
- Artikel 5.5 Specifieke zorgplicht
- Artikel 5.6 Gelijkwaardige methoden of technieken
- Artikel 5.7 Toepassing
- Artikel 5.8 Meldingsplichtige activiteit
- Artikel 5.9 Gegevens bij een melding
- Artikel 5.10 Vergunningplichtige activiteit
- Artikel 5.11 Beoordelingsregels
- Artikel 5.12 Vergunningvoorschriften
- Artikel 5.13 Aanvraagvereisten
- Artikel 5.14 Voorrangsregel
- Artikel 5.15 Toepassing
- Artikel 5.16 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onver
- Artikel 5.17 Inperkingen artikel
- Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevings
- Artikel 5.19 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
- Artikel 5.20 Inperkingen artikel
- Artikel 5.21 Inperkingen artikel
- Artikel 5.22 Toepassing
- Artikel 5.23 Bodemfunctieklassen
- Artikel 5.24 Toepassing
- Artikel 5.25 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen
- Artikel 5.26 Geen mobiele verontreiniging herschikken
- Artikel 5.27 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepas
- Artikel 5.28 Maatwerk
- Artikel 5.29 Toepassing
- Artikel 5.30 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst
- Artikel 5.31 Toepassing
- Artikel 5.32 Voorafgaand bodemonderzoek
- Artikel 5.33 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 5.34 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie
- Artikel 5.35 Gescheiden houden verschillende grondsoorten
- Artikel 5.36 Geen grond met PFAS terugplaatsen
- Artikel 5.37 Toepassing
- Artikel 5.38 Voorafgaand bodemonderzoek
- Artikel 5.39 Informeren bij actuele risico's
- Artikel 5.40 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 5.41 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
- Artikel 5.42 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond
- Artikel 5.43 Grond gescheiden houden
- Artikel 5.44 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
- Artikel 5.45 Toepassing
- Artikel 5.46 Voorafgaand bodemonderzoek
- Artikel 5.47 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 5.48 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastr
- Artikel 5.49 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
- Artikel 5.50 Grond gescheiden houden
- Artikel 5.51 Tijdelijk uitnemen van grond
- Artikel 5.52 Geen grond met PFAS terugplaatsen
- Artikel 5.53 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Artikel 5.54 Toepassing
- Artikel 5.55 Voorafgaand bodemonderzoek
- Artikel 5.56 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 5.57 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastr
- Artikel 5.58 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
- Artikel 5.59 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond
- Artikel 5.60 Grond gescheiden houden
- Artikel 5.61 Tijdelijk uitnemen van grond
- Artikel 5.62 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
- Artikel 5.63 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Artikel 5.64 Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag
- Artikel 5.65 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven
- Artikel 5.66 Toepassing
- Artikel 5.67 Maatregelen bij uitvoeren activiteit
- Artikel 5.68 Toepassing
- Artikel 5.69 Melding toepassen staalslakken
- Artikel 5.70 Melding grondstabilisatie
- Artikel 5.71 Gegevens bij een melding
- Artikel 11.1 Toepassing
- Artikel 11.2
- Artikel 11.3 Overgangsrecht: aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift en
- Artikel 11.4 Overgangsrecht: vergunning van rechtswege
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6 Overgangsrecht voor ruimtelijke regels over bouwwerken (gereserveerd)
- Artikel 11.7 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
- Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
- Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
- Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
- Artikel 22.6 Vervallen
- Artikel 22.7 Repressief welstand
- Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
- Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Artikel 22.25 Mantelzorg
- Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 22.27 Uitzondering op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onvermi
- Artikel 22.28 Inperking artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
- Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
- Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
- Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
- Artikel 22.42 Oogmerken
- Artikel 22.43 Normadressaat
- Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
- Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
- Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
- Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
- Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Artikel 22.51 Toepassingsbereik
- Artikel 22.52 Energie: maatregelen
- Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
- Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
- Artikel 22.54 Toepassingsbereik
- Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
- Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
- Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
- Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
- Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
- Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
- Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.62 Toepassingsbereik
- Artikel 22.62a (tijdelijke uitzondering windparken)
- Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
- Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
- Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
- Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
- Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
- Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
- Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
- Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.75 Toepassingsbereik
- Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
- Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
- Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.79 Toepassingsbereik
- Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
- Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
- Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.83 Toepassingsbereik
- Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
- Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
- Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
- Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
- Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.90 Toepassingsbereik
- Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
- Artikel 22.93 Geur: functionele binding
- Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
- Artikel 22.95 Geur: cumulatie
- Artikel 22.96 Toepassingsbereik
- Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
- Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
- Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
- Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
- Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106 Vervallen
- Artikel 22.107 Vervallen
- Artikel 22.108 Vervallen
- Artikel 22.109 Vervallen
- Artikel 22.110 Vervallen
- Artikel 22.111 Vervallen
- Artikel 22.112 Vervallen
- Artikel 22.113 Vervallen
- Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
- Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
- Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
- Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
- Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
- Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
- Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
- Artikel 22.121 Toepassingsbereik
- Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
- Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
- Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
- Artikel 22.125 Toepassingsbereik
- Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
- Artikel 22.127 Toepassingsbereik
- Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
- Artikel 22.131 Toepassingsbereik
- Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
- Artikel 22.133 Gereserveerd
- Artikel 22.134 Gereserveerd
- Artikel 22.135 Gereserveerd
- Artikel 22.136 Gereserveerd
- Artikel 22.137 Toepassingsbereik
- Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
- Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
- Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.142 Toepassingsbereik
- Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
- Artikel 22.145 Toepassingsbereik
- Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
- Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.151 Toepassingsbereik
- Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.153 Koelwater
- Artikel 22.154 Toepassingsbereik
- Artikel 22.155 Periodiek reinigen
- Artikel 22.156 Toepassingsbereik
- Artikel 22.157 Inerte goederen
- Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
- Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162 Toepassingsbereik
- Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
- Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
- Artikel 22.165 Toepassingsbereik
- Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
- Artikel 22.167 Toepassingsbereik
- Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
- Artikel 22.170 Toepassingsbereik
- Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
- Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
- Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
- Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
- Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.177 Toepassingsbereik
- Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.179 Water
- Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.181 Toepassingsbereik
- Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.183 Water
- Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.185 Toepassingsbereik
- Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.187 Water: lozingsroute
- Artikel 22.188 Toepassingsbereik
- Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.190 Water
- Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.192 Toepassingsbereik
- Artikel 22.193 Bodem
- Artikel 22.194 Water
- Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.196 Toepassingsbereik
- Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.198 Water
- Artikel 22.199 Geur
- Artikel 22.200 Toepassingsbereik
- Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
- Artikel 22.202 Toepassingsbereik
- Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
- Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
- Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
- Artikel 22.214 Toepassingsbereik
- Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
- Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
- Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
- Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
- Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
- Artikel 22.221 Toepassingsbereik
- Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.224 Toepassingsbereik
- Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
- Artikel 22.227 Toepassingsbereik
- Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
- Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.237 Toepassingsbereik
- Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.239 Licht
- Artikel 22.240 Toepassingsbereik
- Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.242 Bodem: opslag
- Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.244 Water: lozingsroute
- Artikel 22.245 Geur
- Artikel 22.246 Toepassingsbereik
- Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
- Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.252 Toepassingsbereik
- Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.255 Bodem: logboek
- Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
- Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.258 Toepassingsbereik
- Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
- Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
- Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
- Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
- Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
- Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
- Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
- Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
- Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
- Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
- Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
- Artikel 22.271 Toepassingsbereik
- Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
- Artikel 22.273 Aandachtsgebied
- Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
- Artikel 22.277 Toepassingsbereik
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283 Toepassingsbereik
- Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
- Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
- Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
- Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
- Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
- Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
- Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
- Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
- Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
- Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
- Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
- Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
- Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
- Artikel 23.1 (citeertitel)
- Artikel 2.4 Omgevingswet
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696552 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0394/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-06-04 2025-06-04 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696552/nld@2025-07-03 /join/id/proces/gm0394/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0394/2024/4_1061_integraletekstvervanging /join/id/proces/gm0394/2024/4_1064_mutatie /join/id/proces/gm0394/2025/4_1070_mutatie 2025-07-03 2026-06-11 2025-07-03 2026-06-11 2025-07-03 2026-06-11 /akn/nl/act/gm0394/2020/omgevingsplan/nld@1070 /akn/nl/act/gm0394/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0394/2020/omgevingsplan/nld@1070 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, gelden voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 .
2.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die gelden voor
Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11
en Hoofdstuk 22 .
Hoofdstuk 2
Doelen
Hoofdstuk 3
Programma's
Hoofdstuk 4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 4.1
Thema's
Paragraaf 4.1.1
Beschermingsgebieden
Paragraaf 4.1.2
Bouwen van een bouwwerk
Paragraaf 4.1.3
Circulariteit
Paragraaf 4.1.4
Cultureel erfgoed
Paragraaf 4.1.5
Duurzaamheid
Paragraaf 4.1.6
Energietransitie
Paragraaf 4.1.7
Evenement
Paragraaf 4.1.8
Externe veiligheid
Paragraaf 4.1.9
Klimaat
Paragraaf 4.1.10
Milieu
Paragraaf 4.1.11
Natuur en landschap
Paragraaf 4.1.12
Ondersteunende activiteit
Paragraaf 4.1.13
Open erf en terrein gebruiken
Paragraaf 4.1.14
Parkeren, stallen, laden en lossen
Paragraaf 4.1.15
Reclame
Paragraaf 4.1.16
Wegen, water en overige openbare ruimte
Paragraaf 4.1.17
Woonruimte en woningen
Afdeling 4.2
Gebiedstypen
Paragraaf 4.2.1
Algemeen
Paragraaf 4.2.2
Bedrijventerrein
Paragraaf 4.2.3
Buitengebied
Paragraaf 4.2.4
Kantorenterrein
Paragraaf 4.2.5
Luchthaventerrein
Paragraaf 4.2.6
Recreatiegebied
Paragraaf 4.2.7
Woongebied
Hoofdstuk 5
Activiteiten
Titel 5.1
Algemene bepalingen
Afdeling 5.1.1
Algemeen
Artikel 5.1Toepassing
Hoofdstuk 5
gaat over het bouwen van een bouwwerk, thematische activiteiten en gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte.
Artikel 5.2Doelen
De regels in Hoofdstuk 5 hebben als doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk; f. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en g. het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 5.3Normadressaat
Aan Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in Hoofdstuk 5 anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5.4Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit omgevingsplan aan de locatie toegedeelde functies.
Artikel 5.5Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit als bedoeld in Hoofdstuk 5 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, bedoeld in Artikel 5.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet te verrichten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
De plicht, bedoeld in Artikel 5.5, eerste lid, houdt in ieder geval in dat blootstelling aan verontreiniging van de bodem door gebruikers van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoveel mogelijk wordt voorkomen.
3.
Artikel 5.5, eerste lid, geldt niet voor de nadelige gevolgen van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht van Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de specifieke zorgplicht van Artikel 22.44 al geldt.
Artikel 5.6Gelijkwaardige methoden of technieken
1.
Degene die een activiteit verricht, kan alleen met toestemming vooraf voor het verrichten hiervan een andere methode of techniek toepassen dan staat in de algemene regels in
Hoofdstuk 5
staat of in maatwerkvoorschriften die op grond van
Hoofdstuk 5
zijn gesteld.
2.
Voor het verkrijgen van toestemming als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid , wordt een aanvraag bij het bevoegd gezag ingediend.
3.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de methode of techniek, bedoeld in het Artikel 5.6, eerste lid , gelijkgesteld kan worden aan de voorwaarden in de algemene regels of maatwerkvoorschriften.
Titel 5.2
Thematische activiteiten
Afdeling 5.2.1
Beschermingsgebieden
Paragraaf 5.2.1.1
Beschermingsgebied vanwege een CO2-leiding
Paragraaf 5.2.1.2
Beschermingsgebied vanwege een gasleiding
Paragraaf 5.2.1.3
Beschermingsgebied vanwege een hoogspanningsverbinding
Paragraaf 5.2.1.4
Beschermingsgebied vanwege een olieleiding
Paragraaf 5.2.1.5
Beschermingsgebied vanwege een rioolleiding
Paragraaf 5.2.1.6
Beschermingsgebied vanwege een waterleiding
Paragraaf 5.2.1.7
Beschermingsgebied vanwege een molen
Paragraaf 5.2.1.8
Beschermingsgebied vanwege een modelvliegtuigbaan
Paragraaf 5.2.1.9
Beschermingsgebied vanwege een waterkering
Afdeling 5.2.2
Bouwen van een bouwwerk
Paragraaf 5.2.2.1
Bouwwerk bouwen - algemeen
Paragraaf 5.2.2.2
Vergunningplicht bouwwerk bouwen - algemeen
Paragraaf 5.2.2.3
Bouwen - aansluiting op distributienetwerken voor nutsvoorzieningen
Paragraaf 5.2.2.4
Bouwen - voorwaarden ten behoeve van hulpverleningsdiensten
Paragraaf 5.2.2.5
Hoofdgebouw bouwen
Paragraaf 5.2.2.6
Vergunningplicht hoofdgebouw bouwen
Paragraaf 5.2.2.7
Bijbehorende bouwwerk bouwen
Paragraaf 5.2.2.8
Vergunningplicht bijbehorende bouwwerk bouwen
Paragraaf 5.2.2.9
Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
Paragraaf 5.2.2.10
Vergunningplicht bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
Paragraaf 5.2.2.11
Stedenbouwkundige en landschappelijke waarden - inperking algemene regels bouwen [reserveren]
Paragraaf 5.2.2.12
Uiterlijk van een bouwwerk - Algemeen
Paragraaf 5.2.2.13
Uiterlijk van een bouwwerk - [reserveren]
Paragraaf 5.2.2.14
Bodemgevoelig gebouw bouwen
Artikel 5.7Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
2.
In Paragraaf 5.2.2.14 wordt onder sanerende maatregel verstaan: a. sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2; of b. sanering waarvoor artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet geldt en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van Artikel 5.7, tweede lid, onder a.
Artikel 5.8Meldingsplichtige activiteit
1.
Het is verboden zonder melding een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin hiervan te melden.
2.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid : gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
3.
In aanvulling op Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
4.
In aanvulling op Artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
5.
Artikel 5.8, vierde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen.
6.
De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
7.
Artikel 5.8 geldt niet als voor het bouwen een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.10 nodig is.
Artikel 5.9Gegevens bij een melding
1.
Als op grond van Artikel 5.8 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en d. de dagtekening.
2.
Als het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in Artikel 5.9, eerste lid, onder b, of de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.9, eerste lid, onder c, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 5.10Vergunningplichtige activiteit
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen als voor het bouwen van het gebouw ook een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit nodig is.
Artikel 5.11Beoordelingsregels
1.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt als de aanvraag gaat over een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als ook: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem:
1°. niet wordt overschreden; of 2°. wordt overschreden maar aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat:
1°. er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2°. als er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in Artikel 5.11, eerste lid, onder a, sub 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
2.
Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1°. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
3.
In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
4.
In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.
Artikel 5.12Vergunningvoorschriften
1.
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, geldt, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder b sub 2, geldt, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
3.
Als aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in Artikel 5.12, tweede lid , wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.
Artikel 5.13Aanvraagvereisten
1.
In aanvulling op Artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid , en Artikel 5.11, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving,wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
2.
In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
3.
In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
4.
Artikel 5.13, derde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid , niet rechtvaardigen.
5.
De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 5.2.2.15
Bouwrijp maken
Paragraaf 5.2.2.16
Woonrijp maken
Paragraaf 5.2.2.17
Bouwen ontwikkelgebied
Paragraaf 5.2.2.18
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.19
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.20
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.21
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.22
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.23
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.24
[Gereserveerd]
Paragraaf 5.2.2.25
Bouwen van een bouwwerk - kleine bouwwerken
Artikel 5.14Voorrangsregel
Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, gelden de bepalingen uit Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan onverkort.
Artikel 5.15Toepassing
1.
Deze paragraaf gaat over het bij een woning bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing bij een recreatiewoning, een tijdelijke woning, een woonwagen, een woonschip, een mantelzorgwoning of een bedrijfswoning.
Artikel 5.16Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing
1.
Artikel 22.27 onder a, sub 3⁰, is niet van toepassing bij een woning.
2.
Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning dat voldoet aan de eisen in Artikel 22.27, aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰, en dat voorzien is van een dakterras dat voldoet aan de volgende eisen: a. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; en b. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
3.
In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van die woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 5 meter; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 meter; en c. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
4.
Artikel 22.27, onder c, sub 1⁰, is niet van toepassing bij een woning.
5.
In aanvulling op Artikel 22.27, aanhef en onder f, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
6.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant, bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van een woning; b. op de grond staand; c. niet dieper dan 2,50 m; d. niet breder dan het bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak.
7.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.
8.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de gevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied.
9.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. niet meer dan één bouwlaag; c. niet dieper dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein.
10.
In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. a. gelegen in het achtererfgebied; b. niet hoger dan 5 m; c. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; d. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en wordt voldaan aan de eisen bedoeld in Artikel 5.16, tweede lid en Artikel 5.16, derde lid; en e. voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid.
Artikel 5.17Inperkingen artikel
5.16 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 5.16geldt niet voor een activiteit die wordt verricht:
a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht.
Artikel 5.18Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
1.
Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning, en die in strijd is met dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning ook verleend als: a. het bouwwerk niet op een bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst; b. het gaat om een standaardoptie; of c. het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
2.
Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een verbindend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.16 , zesde lid, van het omgevingsplan of een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.16 , zevende lid en die in strijd is met dit omgevingsplan, de vergunning verleend als: a. het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing; en1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden
Artikel 5.19Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
1.
In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a, sub 3⁰, gestelde eis niet bij woningen.
2.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1°. voorzien van een plat dak;2°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;3°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;4°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en5°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
3.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erfafscheiding of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
4.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van de woning; b. op de grond staand; c. diepte niet meer dan 2,50 m; d. breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak.
5.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, gelegen in het voorerfgebied bij een woning als voldaan wordt aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.
6.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan een activiteit die betrekking heeft op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied.
7.
In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii gestelde eis niet voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken die worden gebouwd bij een vrijstaande of een twee-aan-een-geschakelde woning.
8.
In afwijking van Artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 3⁰, onder iii, bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied groter dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m².
9.
In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a sub 6°, gestelde eis voor zover deze ziet op dakterrassen niet als het dakterras voldoet aan de volgende eisen: a. op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder 2 m; en c. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
10.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; b. afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; c. hoogte niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
11.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. oppervlakte niet meer dan 50 m²; c. niet meer dan één bouwlaag d. diepte niet meer dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein bedoeld in artikel 2.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw; e. er geen functie Waterstaat beschermingszone is toegedeeld of gelijksoortige functies die als doel hebben de waterkering te beschermen.
12.
In aanvulling op Artikel 22.36, is in ieder geval ook in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in het achtererfgebied; b. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; c. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en als wordt voldaan aan de eisen bedoeld in Artikel 5.16, tweede lid , Artikel 5.16, derde lid, Artikel 5.19, negende lid en Artikel 5.19, tiende lid; d. voor zover bovengronds gelegen zijn de eisen, bedoeld in Artikel 22.36, onder a, onder 1° tot en met 4°, en Artikel 5.19, zevende lid, en Artikel 5.19, achtste lid, van overeenkomstige toepassing; en e. voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid, en Artikel 5.19, elfde lid .
Artikel 5.20Inperkingen artikel
5.19 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 5.19geldt niet voor een activiteit die wordt verricht:
a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht.
Artikel 5.21Inperkingen artikel
5.19 vanwege externe veiligheid
Artikel 5.19
, eerste lid, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, elfde lid en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:1°. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;2°. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;3°. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;4°. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;5°. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;6°. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;7°. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;8°. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;9°. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;10°. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;11°. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;12°. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of13°. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
Afdeling 5.2.3
Circulariteit
Afdeling 5.2.4
Cultureel erfgoed
Paragraaf 5.2.4.1
Algemene bepalingen
Paragraaf 5.2.4.2
Archeologische waarden
Paragraaf 5.2.4.3
Bouwen aan, op of bij een monument - inperking algemene regels voor bouwen
Paragraaf 5.2.4.4
Activiteiten in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Paragraaf 5.2.4.5
Activiteiten met betrekking tot een provinciaal monument
Paragraaf 5.2.4.6
Activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument
Paragraaf 5.2.4.7
Activiteiten met betrekking tot het werelderfgoed Stelling van Amsterdam
Paragraaf 5.2.4.8
Ringvaart en Ringdijk
Afdeling 5.2.5
Duurzaamheid
Afdeling 5.2.6
Energietransitie
Afdeling 5.2.7
Evenement
Paragraaf 5.2.7.1
Evenement - algemeen
Paragraaf 5.2.7.2
Algemene regels evenement
Paragraaf 5.2.7.3
Vergunningplichtige activiteit evenement
Afdeling 5.2.8
Externe veiligheid
Paragraaf 5.2.8.1
Externe veiligheid algemeen
Paragraaf 5.2.8.2
[reserveren]
Paragraaf 5.2.8.3
[reserveren]
Afdeling 5.2.9
Klimaat
Afdeling 5.2.10
Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 5.2.10.1
Algemene bepalingen
Paragraaf 5.2.10.2
Milieubelastende activiteiten met uitzondering van lozen - Algemene bepalingen
Paragraaf 5.2.10.3
Energiebesparing
Paragraaf 5.2.10.4
Zwerfafval
Paragraaf 5.2.10.5
Geluid
Paragraaf 5.2.10.6
Trillingen
Paragraaf 5.2.10.7
Geur
Paragraaf 5.2.10.8
Specifieke regels voor geur voor aangewezen agrarische activiteiten
Paragraaf 5.2.10.9
Specifieke milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur
Paragraaf 5.2.10.10
Specifieke milieuregels voor activiteiten met betrekking tot voedingsmiddelen
Paragraaf 5.2.10.11
Specifieke milieuregels bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine
Paragraaf 5.2.10.12
Specifieke milieuregels bij het exploiteren van zuiveringtechnische werken
Paragraaf 5.2.10.13
Specifieke milieuregels bij het verkrijgen van bodemenergie
Paragraaf 5.2.10.14
Specifieke milieuregels bij overige activiteiten
Paragraaf 5.2.10.15
Overige vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels
Paragraaf 5.2.10.16
Overige meldingsplichtige activiteiten
Paragraaf 5.2.10.17
Lozen bij wonen
Paragraaf 5.2.10.18
Lozen anders dan bij wonen
Afdeling 5.2.11
Bodembeheer
Paragraaf 5.2.11.1
Bodem - toepassen van grond of baggerspecie
Artikel 5.22Toepassing
Paragraaf 5.2.11.1 gaat over het toepassen van grond en baggerspecie.
Artikel 5.23Bodemfunctieklassen
1.
De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Landbouw-Natuur is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2.
De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Wonen is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Wonen voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3.
De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Industrie is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Industrie voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 5.2.11.2
Bodem - saneren van de bodem
Artikel 5.24Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.11.2 gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In Paragraaf 5.2.11.2 wordt verstaan onder: a. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.
Artikel 5.25Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen
1.
In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de locatie van het gebouw.
2.
Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in de tabel in Artikel 5.25, derde lid , opgenomen vluchtige stoffen.
3.
Vluchtige stoffen a. Aromatische verbindingen:
Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per)
Artikel 5.26Geen mobiele verontreiniging herschikken
1.
In afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
2.
Artikel 5.26, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid , opgenomen mobiele stoffen.
3.
Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:
Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen:
Minerale olie
Artikel 5.27Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond
Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt, wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde.
Artikel 5.28Maatwerk
Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in Artikel 5.25, eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging.
Paragraaf 5.2.11.3
Bodem - nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem
Artikel 5.29Toepassing
Paragraaf 5.2.11.3 gaat over het verrichten van nazorg als:
a. bij het saneren een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; b. bij het saneren een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift op artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; of c. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn genomen.
Artikel 5.30Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst
1.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.
2.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan.
Paragraaf 5.2.11.4
Bodem - graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 5.31Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.11.4 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 5.32Voorafgaand bodemonderzoek
1.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.
2.
Artikel 5.32, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
3.
Artikel 5.32, eerste lid , geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
Artikel 5.33Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
1.
In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 5.32 verstrekt.
2.
Artikel 5.33, eerste lid , geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.33, eerste lid , worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 5.34Beschikbaar hebben van gegevens op locatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.32, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
Artikel 5.35Gescheiden houden verschillende grondsoorten
1.
In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden.
2.
Gescheiden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.35, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.
Artikel 5.36Geen grond met PFAS terugplaatsen
In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
Paragraaf 5.2.11.5
Bodem - graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 5.37Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.11.5 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In Paragraaf 5.2.11.5 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 5.38Voorafgaand bodemonderzoek
1.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.
2.
Artikel 5.38, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
3.
Artikel 5.38, eerste lid , geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
Artikel 5.39Informeren bij actuele risico's
Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd.
Artikel 5.40Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
1.
In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste 4 weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in Artikel 5.38, verstrekt.
2.
De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.40, eerste lid , worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101 als het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 5.41Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.38, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
Artikel 5.42Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond
Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.
Artikel 5.43Grond gescheiden houden
1.
In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft.
2.
Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.43, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.
Artikel 5.44Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
1.
In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.44, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1°. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
2.
Artikel 5.44, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.
3.
Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:
Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen:
Minerale olie
Paragraaf 5.2.11.6
Bodem - kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 5.45Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.11.6 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.
2.
Graven in bodem als bedoeld in Artikel 5.45, eerste lid , omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
3.
Artikel 5.45, eerste lid , geldt niet voor: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
4.
In Paragraaf 5.2.11.6wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 5.46Voorafgaand bodemonderzoek
1.
Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
Artikel 5.46, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
4.
In afwijking van Artikel 5.46, tweede lid , kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van Paragraaf 5.2.11.7.
5.
Artikel 5.46, tweede lid , geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
6.
Artikel 5.46 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
Artikel 5.47Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
1.
Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
2.
Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
3.
Artikel 5.47 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
Artikel 5.48Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur
In het werkingsgebied informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in dat werkingsgebied waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
Artikel 5.49Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.47, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van het kleinschalig graven.
Artikel 5.50Grond gescheiden houden
1.
Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
2.
Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.50, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.
Artikel 5.51Tijdelijk uitnemen van grond
1.
Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
2.
In afwijking van Artikel 5.51, eerste lid , wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
Artikel 5.52Geen grond met PFAS terugplaatsen
In afwijking van Artikel 5.51, eerste lid , wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
Artikel 5.53Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen, wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Paragraaf 5.2.11.7
Bodem - kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 5.54Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.11.7 gaat over het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven maximaal 25 m3 is.
2.
Kleinschalig graven in bodem als bedoeld in Artikel 5.54, eerste lid , omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
3.
Artikel 5.54, eerste lid , geldt niet voor: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
4.
In Paragraaf 5.2.11.7 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en d. afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.
Artikel 5.55Voorafgaand bodemonderzoek
1.
Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.54, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt voorafgaand aan het kleinschalig graven een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.
3.
Artikel 5.55, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
4.
In afwijking van Artikel 5.55, tweede lid , kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden wel alle overige regels van Paragraaf 5.2.11.7 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
5.
Artikel 5.55, tweede lid , geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
6.
Artikel 5.55 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
Artikel 5.56Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
1.
Als het gaat om afvoer van grond of als het kleinschalig graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in Artikel 5.64, gaan verrichten.
2.
Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
3.
Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
4.
Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
5.
Artikel 5.56 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval geldt Artikel 5.57.
Artikel 5.57Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur
In het werkingsgebied informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
Artikel 5.58Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.56, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
Artikel 5.59Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond
Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.
Artikel 5.60Grond gescheiden houden
1.
Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
2.
Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.60, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.
Artikel 5.61Tijdelijk uitnemen van grond
1.
Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
2.
In afwijking van Artikel 5.61, eerste lid , wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
Artikel 5.62Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
1.
In afwijking van Artikel 5.61, eerste lid , wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.62, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1°. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
2.
Artikel 5.62, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze stoffen niet worden overschreden.
3.
Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:
Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen:
Minerale olie
Artikel 5.63Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Bij het kleinschalig graven wordt grond die is vrijgekomen maximaal acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Artikel 5.64Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag
Het kleinschalig graven in bodem wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 5.65Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven
Het kleinschalig graven in bodem het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Paragraaf 5.2.11.8
Bodem - activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Artikel 5.66Toepassing
Paragraaf 5.2.11.8 gaat over een activiteit op een locatie waar de bodem ernstig verontreinigd is en waarvoor voordat de Omgevingswet in werking is getreden een beschikking is vastgesteld: a. op grond van artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde direct voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. waarin staat dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 5.67Maatregelen bij uitvoeren activiteit
Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 5.66 verricht neemt maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
Paragraaf 5.2.11.9
Bodem - toepassen van staalslakken en stabiliseren van de bodem tot stabilisaat
Artikel 5.68Toepassing
1.
Paragraaf 5.2.11.9 gaat over het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover het gaat om:
a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie.
2.
Paragraaf 5.2.11.9 is een aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
In Paragraaf 5.2.11.9 wordt verstaan onder a. bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips; c. grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat door het toevoegen van bindmiddelen aan de bodem; d. staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak; e. hoogovenslak: slak die vrijkomt bij het bereiden van ruwijzer in een hoogoven; en f. LD-staalslak: slak die vrijkomt bij het bereiden van staal volgens de methode van Linz-Donawitz.
Artikel 5.69Melding toepassen staalslakken
1.
Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
2.
De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk waarvoor de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
3.
Artikel 5.69, tweede lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
4.
Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 5.70Melding grondstabilisatie
1.
Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
2.
Artikel 5.70, eerste lid , geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m2.
3.
De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over het stabilisaat; d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toevoegen van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt, beïnvloeden of op een andere manier in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
4.
Artikel 5.70, derde lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
5.
Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 5.71Gegevens bij een melding
1.
Als op grond van Artikel 5.69 of Artikel 5.70 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres waar de activiteit wordt verricht, of bij het ontbreken van een adres de relevante kadastrale gegevens; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en d. de dagtekening.
2.
Als de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.71, eerste lid, onder c, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag.
Afdeling 5.2.12
Natuur en landschap
Paragraaf 5.2.12.1
Beschermingsgebied vanwege natuurnetwerk
Paragraaf 5.2.12.2
Bomen en planten - Algemeen
Paragraaf 5.2.12.3
Boom kappen of ernstig beschadigen - algemene regels
Paragraaf 5.2.12.4
Vergunningplichtige activiteit kappen of ernstig beschadigen van een boom
Paragraaf 5.2.12.5
Maatregelen vanwege iepziekte
Afdeling 5.2.13
Ondersteunende activiteit
Afdeling 5.2.14
Open erf en terrein gebruiken
Afdeling 5.2.15
Ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen
Paragraaf 5.2.15.1
Parkeren, stallen, laden en lossen - Algemeen
Paragraaf 5.2.15.2
Normen voor parkeren en stallen van voertuigen
Afdeling 5.2.16
Reclame
Afdeling 5.2.17
Wegen, water en overige openbare ruimte
Paragraaf 5.2.17.1
Inleidende bepalingen
Paragraaf 5.2.17.2
Inrichten en herinrichten van de openbare ruimte
Paragraaf 5.2.17.3
Honden in openbare ruimte
Paragraaf 5.2.17.4
Kabels en leidingen aanleggen
Paragraaf 5.2.17.5
Voorwerpen voor een niet-publieke functie plaatsen in de openbare ruimte
Paragraaf 5.2.17.6
Vergunningplicht voorwerpen voor een niet-publieke functie plaatsen in de openbare ruimte
Paragraaf 5.2.17.7
Parkeren in openbare ruimte (parkeerexcessen)
Paragraaf 5.2.17.8
Standplaats innemen
Paragraaf 5.2.17.9
Uitrit aanleggen
Paragraaf 5.2.17.10
Waterstaatswerk beschadigen of veranderen
Paragraaf 5.2.17.11
Weg aanleggen
Afdeling 5.2.18
Woonruimte en woningen
Titel 5.3
Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte
Afdeling 5.3.1
Algemeen
Afdeling 5.3.2
Agrarische activiteit
Paragraaf 5.3.2.1
Algemene regels agrarische activiteit
Paragraaf 5.3.2.2
Algemene regels bijzondere agrarische activiteit
Paragraaf 5.3.2.3
Algemene regels nevenactiviteiten bij agrarische activiteit
Afdeling 5.3.3
Bedrijfsactiviteit
Paragraaf 5.3.3.1
Bedrijfsactiviteit algemeen
Paragraaf 5.3.3.2
Algemene regels bedrijfsactiviteit
Paragraaf 5.3.3.3
Vergunningplichtig bedrijfsactiviteit
Afdeling 5.3.4
Culturele activiteit en ontspanningsactiviteit
Afdeling 5.3.5
Detailhandelsactiviteit
Afdeling 5.3.6
Dienstverlenende activiteit
Afdeling 5.3.7
Horeca-activiteit
Afdeling 5.3.8
Kantooractiviteit
Afdeling 5.3.9
Maatschappelijke activiteit
Afdeling 5.3.10
Ontspanningsactiviteit
Afdeling 5.3.11
Recreatie-activiteit
Afdeling 5.3.12
Sportactiviteit
Afdeling 5.3.13
Wonen
Afdeling 5.3.14
Parkeeractiviteit
Hoofdstuk 6
Beheer en onderhoud
Hoofdstuk 7
Financiële bepalingen
Hoofdstuk 8
Procesregels
Hoofdstuk 9
Handhaving
Hoofdstuk 10
Monitoring en informatie
Hoofdstuk 11
Overgangsrecht
Afdeling 11.1
Overgangsrecht bodemactiviteiten
Artikel 11.1Toepassing
1.
Hoofdstuk 11 gaat over algemene bepalingen over overgangsrecht voor bodemactiviteiten.
2.
Als in een ander hoofdstuk van dit omgevingsplan van Hoofdstuk 11 wordt afgeweken met een specifieke overgangsrechtelijke bepaling geldt die specifieke bepaling.
Artikel 11.2
Overgangsrecht: verleende vergunningen, ontheffing, maatwerkvoorschriften en ander besluit (gereserveerd) Gereserveerd
Artikel 11.3Overgangsrecht: aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift en ander besluit
Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.
Artikel 11.4Overgangsrecht: vergunning van rechtswege
1.
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en door een wijziging van dit omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege als die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
2.
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 11.4, eerste lid, vervalt van rechtswege als de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in Artikel 11.4, eerste lid na inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht voor een periode van meer dan een jaar wordt onderbroken.
Artikel 11.5
Overgangsrecht: gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten (gereserveerd) Gereserveerd
Artikel 11.6Overgangsrecht voor ruimtelijke regels over bouwwerken (gereserveerd)
Gereserveerd
Artikel 11.7Overgangsrecht handhavingsbesluiten
Op een bestuurlijke sanctie voor het uitvoeren of het handhaven van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd;
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3°. de last is opgeheven.
Hoofdstuk 12
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 13
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 14
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 15
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 16
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 17
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 18
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 19
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 20
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 21
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 22
Bruidsschat: activiteiten
Afdeling 22.1
ALGEMEEN
Artikel 22.1Voorrangsbepaling
1.
De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6Vervallen
Paragraaf 22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7Repressief welstand
1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in Artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 22.2.4
Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 22.2.6
Cultureel erfgoed
Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek
1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen
1.
Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24Meetbepalingen
1.
Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 22.25Mantelzorg
Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27Uitzondering op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.28Inperking artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; en b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet . c. [Vervangen door Artikel 5.11.] 2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie [Vervangen door Artikel 5.11.]
Artikel 22.31
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit [Vervangen door Artikel 5.12, derde lid.]
Artikel 22.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
In afwijking van Artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 22.34
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
I.
5 m;
II.
0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;
I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
I. een woonwagen;
II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in Artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
1.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen Artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
2.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in Artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.
Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
9.