← Nederland

Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer (Haarlemmermeer)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer regelt diverse activiteiten en aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, met een focus op het bouwen van bouwwerken en de bescherming van de bodemkwaliteit. Het stelt regels en doelen vast voor veiligheid, gezondheid, milieu en ruimtelijke waarden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696552 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0394/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-06-04 2025-06-04 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696552/nld@2025-07-03 /join/id/proc

Hoofdstuk 5

verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen,

Artikel 5.2, is verplicht: a.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet te verrichten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht,

Artikel 5

.5, eerste lid, houdt in ieder geval in dat blootstelling aan verontreiniging van de bodem door gebruikers van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  1. Artikel 5.5, eerste lid, geldt niet voor de nadelige gevolgen van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht van Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de specifieke zorgplicht van Artikel 22.44 al geldt. Artikel 5.6 Gelijkwaardige methoden of technieken
  2. Degene die een activiteit verricht, kan alleen met toestemming vooraf voor het verrichten hiervan een andere methode of techniek toepassen dan staat in de algemene regels in Hoofdstuk 5 staat of in maatwerkvoorschriften die op grond van Hoofdstuk 5 zijn gesteld.
  3. Voor het verkrijgen van toestemming als

Artikel 5.6, eerste lid , wordt een aanvraag bij het bevoegd gezag ingediend.

3. Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de methode of techniek,

het Artikel 5.6, eerste lid , gelijkgesteld kan worden aan de voorwaarden in de algemene regels of maatwerkvoorschriften. Titel 5.2 Thematische activiteiten Afdeling 5.2.1 Beschermingsgebieden Paragraaf 5.2.1.1 Beschermingsgebied vanwege een CO2-leiding Paragraaf 5.2.1.2 Beschermingsgebied vanwege een gasleiding Paragraaf 5.2.1.3 Beschermingsgebied vanwege een hoogspanningsverbinding Paragraaf 5.2.1.4 Beschermingsgebied vanwege een olieleiding Paragraaf 5.2.1.5 Beschermingsgebied vanwege een rioolleiding Paragraaf 5.2.1.6 Beschermingsgebied vanwege een waterleiding Paragraaf 5.2.1.7 Beschermingsgebied vanwege een molen Paragraaf 5.2.1.8 Beschermingsgebied vanwege een modelvliegtuigbaan Paragraaf 5.2.1.9 Beschermingsgebied vanwege een waterkering Afdeling 5.2.2 Bouwen van een bouwwerk Paragraaf 5.2.2.1 Bouwwerk bouwen - algemeen Paragraaf 5.2.2.2 Vergunningplicht bouwwerk bouwen - algemeen Paragraaf 5.2.2.3 Bouwen - aansluiting op distributienetwerken voor nutsvoorzieningen Paragraaf 5.2.2.4 Bouwen - voorwaarden ten behoeve van hulpverleningsdiensten Paragraaf 5.2.2.5 Hoofdgebouw bouwen Paragraaf 5.2.2.6 Vergunningplicht hoofdgebouw bouwen Paragraaf 5.2.2.7 Bijbehorende bouwwerk bouwen Paragraaf 5.2.2.8 Vergunningplicht bijbehorende bouwwerk bouwen Paragraaf 5.2.2.9 Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Paragraaf 5.2.2.10 Vergunningplicht bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Paragraaf 5.2.2.11 Stedenbouwkundige en landschappelijke waarden - inperking algemene regels bouwen [reserveren] Paragraaf 5.2.2.12 Uiterlijk van een bouwwerk - Algemeen Paragraaf 5.2.2.13 Uiterlijk van een bouwwerk - [reserveren] Paragraaf 5.2.2.14 Bodemgevoelig gebouw bouwen Artikel 5.7 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.2.14 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. 2. In Paragraaf 5.2.2.14 wordt onder sanerende maatregel verstaan: a. sanering als

paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2; of b. sanering waarvoor artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet geldt en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van Artikel 5.7, tweede lid, onder a. Artikel 5.8 Meldingsplichtige activiteit

  1. Het is verboden zonder melding een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin hiervan te melden.
  2. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de onderzoeken,

paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem,

Artikel 5

.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid : gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  1. In aanvulling op Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
  2. In aanvulling op Artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als

artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem,

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 5. Artikel 5.8, vierde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als

artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem,

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als

Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen.

  1. De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
  2. Artikel 5.8 geldt niet als voor het bouwen een omgevingsvergunning als

Artikel 5.10 nodig is.

Artikel 5.9 Gegevens bij een melding

  1. Als op grond van Artikel 5.8 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en d. de dagtekening.
  2. Als het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie,

Artikel 5

.9, eerste lid, onder b, of de naam of het adres,

Artikel 5

.9, eerste lid, onder c, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 5.10 Vergunningplichtige activiteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen als voor het bouwen van het gebouw ook een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit nodig is. Artikel 5.11 Beoordelingsregels 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt als de aanvraag gaat over een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als ook: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem: 1°. niet wordt overschreden; of 2°. wordt overschreden maar aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat: 1°. er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2°. als er een verontreiniging van de bodem is anders dan

Artikel 5

.11, eerste lid, onder a, sub 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel. 2. Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit,

bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 3. In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit,

bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  1. In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 5.12 Vergunningvoorschriften
  2. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, geldt, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder b sub 2, geldt, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  4. Als aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als

Artikel 5

.12, tweede lid , wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 5.13 Aanvraagvereisten 1. In aanvulling op Artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken,

paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem,

Artikel 5

.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid , en Artikel 5.11, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering,

bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving,wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

  1. In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
  2. In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als

artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem,

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4. Artikel 5.13, derde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als

artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem,

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als

Artikel 5.13, derde lid , niet rechtvaardigen.

  1. De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Paragraaf 5.2.2.15 Bouwrijp maken Paragraaf 5.2.2.16 Woonrijp maken Paragraaf 5.2.2.17 Bouwen ontwikkelgebied Paragraaf 5.2.2.18 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.19 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.20 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.21 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.22 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.23 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.24 [Gereserveerd] Paragraaf 5.2.2.25 Bouwen van een bouwwerk - kleine bouwwerken Artikel 5.14 Voorrangsregel Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, gelden de bepalingen uit Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan onverkort. Artikel 5.15 Toepassing
  2. Deze paragraaf gaat over het bij een woning bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.
  3. Deze paragraaf is niet van toepassing bij een recreatiewoning, een tijdelijke woning, een woonwagen, een woonschip, een mantelzorgwoning of een bedrijfswoning. Artikel 5.16 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing
  4. Artikel 22.27 onder a, sub 3⁰, is niet van toepassing bij een woning.
  5. Het verbod,

Artikel 22

.26, geldt niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning dat voldoet aan de eisen in Artikel 22.27, aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰, en dat voorzien is van een dakterras dat voldoet aan de volgende eisen: a. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; en b. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 3. In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van die woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 5 meter; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 meter; en c. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 4. Artikel 22.27, onder c, sub 1⁰, is niet van toepassing bij een woning. 5. In aanvulling op Artikel 22.27, aanhef en onder f, geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten. 6. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant, bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van een woning; b. op de grond staand; c. niet dieper dan 2,50 m; d. niet breder dan het bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak. 7. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw. 8. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de gevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied. 9. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. niet meer dan één bouwlaag; c. niet dieper dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein. 10. In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als

Artikel 22

.26, niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. a. gelegen in het achtererfgebied; b. niet hoger dan 5 m; c. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; d. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en wordt voldaan aan de eisen

Artikel 5.16, tweede lid en Artikel 5.16, derde lid; en e.

voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid. Artikel 5.17 Inperkingen artikel 5.16 vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.16 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  1. Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning, en die in strijd is met dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning ook verleend als: a. het bouwwerk niet op een bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst; b. het gaat om een standaardoptie; of c. het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een verbindend bouwwerk als

Artikel 5

.16 , zesde lid, van het omgevingsplan of een bijbehorend bouwwerk als

Artikel 5

.16 , zevende lid en die in strijd is met dit omgevingsplan, de vergunning verleend als: a. het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing; en1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden Artikel 5.19 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

  1. In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a, sub 3⁰, gestelde eis niet bij woningen.
  2. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. voorzien van een plat dak;2°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;3°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;4°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en5°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
  3. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erfafscheiding of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
  4. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van de woning; b. op de grond staand; c. diepte niet meer dan 2,50 m; d. breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak.
  5. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, gelegen in het voorerfgebied bij een woning als voldaan wordt aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.
  6. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan een activiteit die betrekking heeft op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied.
  7. In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii gestelde eis niet voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken die worden gebouwd bij een vrijstaande of een twee-aan-een-geschakelde woning.
  8. In afwijking van Artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 3⁰, onder iii, bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied groter dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m².
  9. In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a sub 6°, gestelde eis voor zover deze ziet op dakterrassen niet als het dakterras voldoet aan de volgende eisen: a. op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder 2 m; en c. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
  10. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; b. afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; c. hoogte niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
  11. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. oppervlakte niet meer dan 50 m²; c. niet meer dan één bouwlaag d. diepte niet meer dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein

artikel 2.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw; e. er geen functie Waterstaat beschermingszone is toegedeeld of gelijksoortige functies die als doel hebben de waterkering te beschermen. 12. In aanvulling op Artikel 22.36, is in ieder geval ook in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in het achtererfgebied; b. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; c. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en als wordt voldaan aan de eisen

Artikel 5

.16, tweede lid , Artikel 5.16, derde lid, Artikel 5.19, negende lid en Artikel 5.19, tiende lid; d. voor zover bovengronds gelegen zijn de eisen,

Artikel 22

.36, onder a, onder 1° tot en met 4°, en Artikel 5.19, zevende lid, en Artikel 5.19, achtste lid, van overeenkomstige toepassing; en e. voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid, en Artikel 5.19, elfde lid . Artikel 5.20 Inperkingen artikel 5.19 vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.19 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 5.21 Inperkingen artikel 5.19 vanwege externe veiligheid Artikel 5.19 , eerste lid, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, elfde lid en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als

:1°. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;2°. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;3°. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;4°. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;5°. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;6°. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;7°. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;8°. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;9°. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;10°. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;11°. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;12°. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of13°. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Afdeling 5.2.3 Circulariteit Afdeling 5.2.4 Cultureel erfgoed Paragraaf 5.2.4.1 Algemene bepalingen Paragraaf 5.2.4.2 Archeologische waarden Paragraaf 5.2.4.3 Bouwen aan, op of bij een monument - inperking algemene regels voor bouwen Paragraaf 5.2.4.4 Activiteiten in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Paragraaf 5.2.4.5 Activiteiten met betrekking tot een provinciaal monument Paragraaf 5.2.4.6 Activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument Paragraaf 5.2.4.7 Activiteiten met betrekking tot het werelderfgoed Stelling van Amsterdam Paragraaf 5.2.4.8 Ringvaart en Ringdijk Afdeling 5.2.5 Duurzaamheid Afdeling 5.2.6 Energietransitie Afdeling 5.2.7 Evenement Paragraaf 5.2.7.1 Evenement - algemeen Paragraaf 5.2.7.2 Algemene regels evenement Paragraaf 5.2.7.3 Vergunningplichtige activiteit evenement Afdeling 5.2.8 Externe veiligheid Paragraaf 5.2.8.1 Externe veiligheid algemeen Paragraaf 5.2.8.2 [reserveren] Paragraaf 5.2.8.3 [reserveren] Afdeling 5.2.9 Klimaat Afdeling 5.2.10 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 5.2.10.1 Algemene bepalingen Paragraaf 5.2.10.2 Milieubelastende activiteiten met uitzondering van lozen - Algemene bepalingen Paragraaf 5.2.10.3 Energiebesparing Paragraaf 5.2.10.4 Zwerfafval Paragraaf 5.2.10.5 Geluid Paragraaf 5.2.10.6 Trillingen Paragraaf 5.2.10.7 Geur Paragraaf 5.2.10.8 Specifieke regels voor geur voor aangewezen agrarische activiteiten Paragraaf 5.2.10.9 Specifieke milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur Paragraaf 5.2.10.10 Specifieke milieuregels voor activiteiten met betrekking tot voedingsmiddelen Paragraaf 5.2.10.11 Specifieke milieuregels bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine Paragraaf 5.2.10.12 Specifieke milieuregels bij het exploiteren van zuiveringtechnische werken Paragraaf 5.2.10.13 Specifieke milieuregels bij het verkrijgen van bodemenergie Paragraaf 5.2.10.14 Specifieke milieuregels bij overige activiteiten Paragraaf 5.2.10.15 Overige vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels Paragraaf 5.2.10.16 Overige meldingsplichtige activiteiten Paragraaf 5.2.10.17 Lozen bij wonen Paragraaf 5.2.10.18 Lozen anders dan bij wonen Afdeling 5.2.11 Bodembeheer Paragraaf 5.2.11.1 Bodem - toepassen van grond of baggerspecie Artikel 5.22 Toepassing Paragraaf 5.2.11.1 gaat over het toepassen van grond en baggerspecie. Artikel 5.23 Bodemfunctieklassen 1. De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Landbouw-Natuur is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur voor het toepassen van grond of baggerspecie als

artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Wonen is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Wonen voor het toepassen van grond of baggerspecie als

artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3. De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Industrie is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Industrie voor het toepassen van grond of baggerspecie als

artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 5.2.11.2 Bodem - saneren van de bodem Artikel 5.24 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.2 gaat over het saneren van de bodem als

artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.2 wordt verstaan onder: a. grond: grond als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. baggerspecie: baggerspecie als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan,

artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Artikel 5.25 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 1. In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging,

artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de locatie van het gebouw.

  1. Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in de tabel in Artikel 5.25, derde lid , opgenomen vluchtige stoffen.
  2. Vluchtige stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Artikel 5.26 Geen mobiele verontreiniging herschikken
  3. In afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit,

bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

  1. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  4. Artikel 5.26, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering,

bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid , opgenomen mobiele stoffen. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 5.27 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt, wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Artikel 5.28 Maatwerk Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen,

Artikel 5

.25, eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging. Paragraaf 5.2.11.3 Bodem - nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem Artikel 5.29 Toepassing Paragraaf 5.2.11.3 gaat over het verrichten van nazorg als: a. bij het saneren een afdeklaag als

artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; b. bij het saneren een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift op artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; of c. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als

artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn genomen. Artikel 5.30 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst

  1. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.
  2. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan. Paragraaf 5.2.11.4 Bodem - graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.31 Toepassing
  3. Paragraaf 5.2.11.4 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als

artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.32 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem een verkennend bodemonderzoek als

artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 2. Artikel 5.32, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  1. Artikel 5.32, eerste lid , geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 5.33 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  2. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken,

paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 5.32 verstrekt. 2. Artikel 5.33, eerste lid , geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. De onderzoeken,

Artikel 5.33, eerste lid , worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 5.34 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie De gegevens en bescheiden,

artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken,

paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.32, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 5.35 Gescheiden houden verschillende grondsoorten

  1. In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden.
  2. Gescheiden partijen grond als

Artikel 5.35, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 5.36 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Paragraaf 5.2.11.5 Bodem - graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.37 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.5 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als

artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.5 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.38 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem, een verkennend bodemonderzoek als

artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 2. Artikel 5.38, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  1. Artikel 5.38, eerste lid , geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 5.39 Informeren bij actuele risico's Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Artikel 5.40 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  2. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste 4 weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek,

Artikel 5.38, verstrekt.

2. De onderzoeken,

Artikel 5.40, eerste lid , worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101 als het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 5.41 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden,

artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.38, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 5.42 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 5.43 Grond gescheiden houden 1. In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als

Artikel 5.43, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 5.44 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als

bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.44, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Artikel 5.44, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering,

bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.

  1. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Paragraaf 5.2.11.6 Bodem - kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.45 Toepassing
  2. Paragraaf 5.2.11.6 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m
  3. Graven in bodem als

Artikel 5.45, eerste lid , omvat ook: a.

het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  1. Artikel 5.45, eerste lid , geldt niet voor: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
  2. In Paragraaf 5.2.11.6wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.46 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek,

paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als

artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Artikel 5.46, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  1. In afwijking van Artikel 5.46, tweede lid , kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van Paragraaf 5.2.11.
  2. Artikel 5.46, tweede lid , geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
  3. Artikel 5.46 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 5.47 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  4. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
  5. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
  6. Artikel 5.47 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 5.48 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In het werkingsgebied informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in dat werkingsgebied waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 5.49 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De onderzoeken,

Artikel 5

.47, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van het kleinschalig graven. Artikel 5.50 Grond gescheiden houden

  1. Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
  2. Gescheiden gehouden partijen grond als

Artikel 5.50, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 5.51 Tijdelijk uitnemen van grond

  1. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
  2. In afwijking van Artikel 5.51, eerste lid , wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 5.52 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van Artikel 5.51, eerste lid , wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Artikel 5.53 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen, wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Paragraaf 5.2.11.7 Bodem - kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.54 Toepassing
  3. Paragraaf 5.2.11.7 gaat over het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven maximaal 25 m3 is.
  4. Kleinschalig graven in bodem als

Artikel 5.54, eerste lid , omvat ook: a.

het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  1. Artikel 5.54, eerste lid , geldt niet voor: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
  2. In Paragraaf 5.2.11.7 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en d. afdeklaag: een afdeklaag als

artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming. Artikel 5.55 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit,

Artikel 5

.54, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek,

paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt voorafgaand aan het kleinschalig graven een verkennend bodemonderzoek als

artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 3. Artikel 5.55, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als

artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  1. In afwijking van Artikel 5.55, tweede lid , kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden wel alle overige regels van Paragraaf 5.2.11.7 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  2. Artikel 5.55, tweede lid , geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
  3. Artikel 5.55 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 5.56 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  4. Als het gaat om afvoer van grond of als het kleinschalig graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding,

Artikel 5.64, gaan verrichten.

  1. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
  2. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
  3. Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
  4. Artikel 5.56 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval geldt Artikel 5.
  5. Artikel 5.57 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In het werkingsgebied informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 5.58 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden,

Artikel 5.56, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 5.59 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 5.60 Grond gescheiden houden

  1. Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
  2. Gescheiden gehouden partijen grond als

Artikel 5.60, eerste lid , worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 5.61 Tijdelijk uitnemen van grond

  1. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
  2. In afwijking van Artikel 5.61, eerste lid , wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 5.62 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  3. In afwijking van Artikel 5.61, eerste lid , wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit,

bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.62, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Artikel 5.62, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering,

bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze stoffen niet worden overschreden. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 5.63 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Bij het kleinschalig graven wordt grond die is vrijgekomen maximaal acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Artikel 5.64 Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag Het kleinschalig graven in bodem wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Artikel 5.65 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven Het kleinschalig graven in bodem het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Paragraaf 5.2.11.8 Bodem - activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 5.66 Toepassing Paragraaf 5.2.11.8 gaat over een activiteit op een locatie waar de bodem ernstig verontreinigd is en waarvoor voordat de Omgevingswet in werking is getreden een beschikking is vastgesteld: a. op grond van artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde direct voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. waarin staat dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 5.67 Maatregelen bij uitvoeren activiteit Degene die een activiteit als

Artikel 5

.66 verricht neemt maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 5.2.11.9 Bodem - toepassen van staalslakken en stabiliseren van de bodem tot stabilisaat Artikel 5.68 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.9 gaat over het toepassen van bouwstoffen als

artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover het gaat om: a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie.

  1. Paragraaf 5.2.11.9 is een aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  2. In Paragraaf 5.2.11.9 wordt verstaan onder a. bouwstof: bouwstof als

artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips; c. grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat door het toevoegen van bindmiddelen aan de bodem; d. staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak; e. hoogovenslak: slak die vrijkomt bij het bereiden van ruwijzer in een hoogoven; en f. LD-staalslak: slak die vrijkomt bij het bereiden van staal volgens de methode van Linz-Donawitz. Artikel 5.69 Melding toepassen staalslakken

  1. Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
  2. De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk waarvoor de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht,

artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  1. Artikel 5.69, tweede lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
  2. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Artikel 5.70 Melding grondstabilisatie
  3. Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
  4. Artikel 5.70, eerste lid , geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m
  5. De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over het stabilisaat; d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toevoegen van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt, beïnvloeden of op een andere manier in strijd met de specifieke zorgplicht,

artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  1. Artikel 5.70, derde lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
  2. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Artikel 5.71 Gegevens bij een melding
  3. Als op grond van Artikel 5.69 of Artikel 5.70 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres waar de activiteit wordt verricht, of bij het ontbreken van een adres de relevante kadastrale gegevens; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en d. de dagtekening.
  4. Als de naam of het adres,

Artikel 5

.71, eerste lid, onder c, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag. Afdeling 5.2.12 Natuur en landschap Paragraaf 5.2.12.1 Beschermingsgebied vanwege natuurnetwerk Paragraaf 5.2.12.2 Bomen en planten - Algemeen Paragraaf 5.2.12.3 Boom kappen of ernstig beschadigen - algemene regels Paragraaf 5.2.12.4 Vergunningplichtige activiteit kappen of ernstig beschadigen van een boom Paragraaf 5.2.12.5 Maatregelen vanwege iepziekte Afdeling 5.2.13 Ondersteunende activiteit Afdeling 5.2.14 Open erf en terrein gebruiken Afdeling 5.2.15 Ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen Paragraaf 5.2.15.1 Parkeren, stallen, laden en lossen - Algemeen Paragraaf 5.2.15.2 Normen voor parkeren en stallen van voertuigen Afdeling 5.2.16 Reclame Afdeling 5.2.17 Wegen, water en overige openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.1 Inleidende bepalingen Paragraaf 5.2.17.2 Inrichten en herinrichten van de openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.3 Honden in openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.4 Kabels en leidingen aanleggen Paragraaf 5.2.17.5 Voorwerpen voor een niet-publieke functie plaatsen in de openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.6 Vergunningplicht voorwerpen voor een niet-publieke functie plaatsen in de openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.7 Parkeren in openbare ruimte (parkeerexcessen) Paragraaf 5.2.17.8 Standplaats innemen Paragraaf 5.2.17.9 Uitrit aanleggen Paragraaf 5.2.17.10 Waterstaatswerk beschadigen of veranderen Paragraaf 5.2.17.11 Weg aanleggen Afdeling 5.2.18 Woonruimte en woningen Titel 5.3 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte Afdeling 5.3.1 Algemeen Afdeling 5.3.2 Agrarische activiteit Paragraaf 5.3.2.1 Algemene regels agrarische activiteit Paragraaf 5.3.2.2 Algemene regels bijzondere agrarische activiteit Paragraaf 5.3.2.3 Algemene regels nevenactiviteiten bij agrarische activiteit Afdeling 5.3.3 Bedrijfsactiviteit Paragraaf 5.3.3.1 Bedrijfsactiviteit algemeen Paragraaf 5.3.3.2 Algemene regels bedrijfsactiviteit Paragraaf 5.3.3.3 Vergunningplichtig bedrijfsactiviteit Afdeling 5.3.4 Culturele activiteit en ontspanningsactiviteit Afdeling 5.3.5 Detailhandelsactiviteit Afdeling 5.3.6 Dienstverlenende activiteit Afdeling 5.3.7 Horeca-activiteit Afdeling 5.3.8 Kantooractiviteit Afdeling 5.3.9 Maatschappelijke activiteit Afdeling 5.3.10 Ontspanningsactiviteit Afdeling 5.3.11 Recreatie-activiteit Afdeling 5.3.12 Sportactiviteit Afdeling 5.3.13 Wonen Afdeling 5.3.14 Parkeeractiviteit Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Hoofdstuk 8 Procesregels Hoofdstuk 9 Handhaving Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht bodemactiviteiten Artikel 11.1 Toepassing 1. Hoofdstuk 11 gaat over algemene bepalingen over overgangsrecht voor bodemactiviteiten. 2. Als in een ander hoofdstuk van dit omgevingsplan van Hoofdstuk 11 wordt afgeweken met een specifieke overgangsrechtelijke bepaling geldt die specifieke bepaling. Artikel 11.2 Overgangsrecht: verleende vergunningen, ontheffing, maatwerkvoorschriften en ander besluit (gereserveerd) Gereserveerd Artikel 11.3 Overgangsrecht: aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift en ander besluit Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist. Artikel 11.4 Overgangsrecht: vergunning van rechtswege 1. Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en door een wijziging van dit omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege als die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht. 2. De omgevingsvergunning,

Artikel 11

.4, eerste lid, vervalt van rechtswege als de vergunningplichtige activiteit,

Artikel 11

.4, eerste lid na inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht voor een periode van meer dan een jaar wordt onderbroken. Artikel 11.5 Overgangsrecht: gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten (gereserveerd) Gereserveerd Artikel 11.6 Overgangsrecht voor ruimtelijke regels over bouwwerken (gereserveerd) Gereserveerd Artikel 11.7 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Op een bestuurlijke sanctie voor het uitvoeren of het handhaven van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom: 1°. de last volledig is uitgevoerd; 2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3°. de last is opgeheven. Hoofdstuk 12 [Gereserveerd] Hoofdstuk 13 [Gereserveerd] Hoofdstuk 14 [Gereserveerd] Hoofdstuk 15 [Gereserveerd] Hoofdstuk 16 [Gereserveerd] Hoofdstuk 17 [Gereserveerd] Hoofdstuk 18 [Gereserveerd] Hoofdstuk 19 [Gereserveerd] Hoofdstuk 20 [Gereserveerd] Hoofdstuk 21 [Gereserveerd] Hoofdstuk 22 Bruidsschat: activiteiten Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  1. De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  2. Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  3. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als

die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als

artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Vervallen Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  3. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,

artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

Artikel 22

.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  3. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  5. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  6. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  7. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  8. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  9. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  10. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  11. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  12. Bij maatwerkvoorschrift als

Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a.

als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als

artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  1. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  4. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  5. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte,

het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  1. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  4. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte,

Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  1. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  2. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  4. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  5. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  6. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken,

afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als

tabel 22.2.1 aanwezig.

  1. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  2. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  3. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  4. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  6. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid,

het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend. 5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als

dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

  1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  2. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  3. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  4. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen

  1. Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  2. Bij de toepassing van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als

Artikel 22

.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als

Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen

  1. Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrich​​ten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzondering op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod,

Artikel 22

.26, geldt niet voor de activiteiten,

dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  1. op de grond staand;
  2. gelegen in achtererfgebied;
  3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  4. niet hoger dan 5 m;
  5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  7. op de grond staand;
  8. niet hoger dan 5 m; en
  9. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

  1. voorzien van een plat dak;
  2. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  3. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  4. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  5. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  6. niet hoger dan 4 m; en
  7. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  8. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  9. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  10. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  11. een silo; of
  12. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  13. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  14. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  15. geen bouwwerk als

artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperking artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

  1. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.
  2. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  3. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  4. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als

Artikel 22

.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als

Artikel 22

.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; en b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,

artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet . c. [Vervangen door Artikel 5.11.] 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie [Vervangen door Artikel 5.11.] Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit [Vervangen door Artikel 5.12, derde lid.] Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  1. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  2. In afwijking van Artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als

artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als

artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als

artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als

artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  1. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  2. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

  1. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  2. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  3. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  4. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  5. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  6. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,

artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

  1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; en j. [Vervangen door Artikel 5.13, eerste lid.] k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als

Artikel 22

.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

  1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;
  2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als

Artikel 22.27, onder f; en c.

het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1. Als een bijbehorend bouwwerk als

Artikel 22

.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen Artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 2. Als een bijbehorend bouwwerk als

Artikel 22

.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in Artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als

:

  1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover h

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.