Dit omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer regelt diverse activiteiten en aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, met een focus op het bouwen van bouwwerken en de bescherming van de bodemkwaliteit. Het stelt regels en doelen vast voor veiligheid, gezondheid, milieu en ruimtelijke waarden.
verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen,
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet te verrichten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht,
.5, eerste lid, houdt in ieder geval in dat blootstelling aan verontreiniging van de bodem door gebruikers van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoveel mogelijk wordt voorkomen.
3. Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de methode of techniek,
het Artikel 5.6, eerste lid , gelijkgesteld kan worden aan de voorwaarden in de algemene regels of maatwerkvoorschriften. Titel 5.2 Thematische activiteiten Afdeling 5.2.1 Beschermingsgebieden Paragraaf 5.2.1.1 Beschermingsgebied vanwege een CO2-leiding Paragraaf 5.2.1.2 Beschermingsgebied vanwege een gasleiding Paragraaf 5.2.1.3 Beschermingsgebied vanwege een hoogspanningsverbinding Paragraaf 5.2.1.4 Beschermingsgebied vanwege een olieleiding Paragraaf 5.2.1.5 Beschermingsgebied vanwege een rioolleiding Paragraaf 5.2.1.6 Beschermingsgebied vanwege een waterleiding Paragraaf 5.2.1.7 Beschermingsgebied vanwege een molen Paragraaf 5.2.1.8 Beschermingsgebied vanwege een modelvliegtuigbaan Paragraaf 5.2.1.9 Beschermingsgebied vanwege een waterkering Afdeling 5.2.2 Bouwen van een bouwwerk Paragraaf 5.2.2.1 Bouwwerk bouwen - algemeen Paragraaf 5.2.2.2 Vergunningplicht bouwwerk bouwen - algemeen Paragraaf 5.2.2.3 Bouwen - aansluiting op distributienetwerken voor nutsvoorzieningen Paragraaf 5.2.2.4 Bouwen - voorwaarden ten behoeve van hulpverleningsdiensten Paragraaf 5.2.2.5 Hoofdgebouw bouwen Paragraaf 5.2.2.6 Vergunningplicht hoofdgebouw bouwen Paragraaf 5.2.2.7 Bijbehorende bouwwerk bouwen Paragraaf 5.2.2.8 Vergunningplicht bijbehorende bouwwerk bouwen Paragraaf 5.2.2.9 Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Paragraaf 5.2.2.10 Vergunningplicht bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Paragraaf 5.2.2.11 Stedenbouwkundige en landschappelijke waarden - inperking algemene regels bouwen [reserveren] Paragraaf 5.2.2.12 Uiterlijk van een bouwwerk - Algemeen Paragraaf 5.2.2.13 Uiterlijk van een bouwwerk - [reserveren] Paragraaf 5.2.2.14 Bodemgevoelig gebouw bouwen Artikel 5.7 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.2.14 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. 2. In Paragraaf 5.2.2.14 wordt onder sanerende maatregel verstaan: a. sanering als
paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2; of b. sanering waarvoor artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet geldt en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van Artikel 5.7, tweede lid, onder a. Artikel 5.8 Meldingsplichtige activiteit
paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem,
.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid : gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem,
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 5. Artikel 5.8, vierde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als
artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem,
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als
Artikel 5.9 Gegevens bij een melding
.9, eerste lid, onder b, of de naam of het adres,
.9, eerste lid, onder c, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 5.10 Vergunningplichtige activiteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen als voor het bouwen van het gebouw ook een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit nodig is. Artikel 5.11 Beoordelingsregels 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt als de aanvraag gaat over een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als ook: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem: 1°. niet wordt overschreden; of 2°. wordt overschreden maar aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat: 1°. er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2°. als er een verontreiniging van de bodem is anders dan
.11, eerste lid, onder a, sub 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel. 2. Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit,
bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 3. In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit,
bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
.12, tweede lid , wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 5.13 Aanvraagvereisten 1. In aanvulling op Artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken,
paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem,
.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid , en Artikel 5.11, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering,
bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving,wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem,
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4. Artikel 5.13, derde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als
artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem,
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als
.26, geldt niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning dat voldoet aan de eisen in Artikel 22.27, aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰, en dat voorzien is van een dakterras dat voldoet aan de volgende eisen: a. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; en b. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 3. In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van die woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 5 meter; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 meter; en c. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 4. Artikel 22.27, onder c, sub 1⁰, is niet van toepassing bij een woning. 5. In aanvulling op Artikel 22.27, aanhef en onder f, geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten. 6. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant, bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van een woning; b. op de grond staand; c. niet dieper dan 2,50 m; d. niet breder dan het bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak. 7. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw. 8. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de gevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied. 9. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. niet meer dan één bouwlaag; c. niet dieper dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein. 10. In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als
.26, niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. a. gelegen in het achtererfgebied; b. niet hoger dan 5 m; c. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; d. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en wordt voldaan aan de eisen
voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid. Artikel 5.17 Inperkingen artikel 5.16 vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.16 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
.16 , zesde lid, van het omgevingsplan of een bijbehorend bouwwerk als
.16 , zevende lid en die in strijd is met dit omgevingsplan, de vergunning verleend als: a. het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing; en1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden Artikel 5.19 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
artikel 2.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw; e. er geen functie Waterstaat beschermingszone is toegedeeld of gelijksoortige functies die als doel hebben de waterkering te beschermen. 12. In aanvulling op Artikel 22.36, is in ieder geval ook in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in het achtererfgebied; b. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; c. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en als wordt voldaan aan de eisen
.16, tweede lid , Artikel 5.16, derde lid, Artikel 5.19, negende lid en Artikel 5.19, tiende lid; d. voor zover bovengronds gelegen zijn de eisen,
.36, onder a, onder 1° tot en met 4°, en Artikel 5.19, zevende lid, en Artikel 5.19, achtste lid, van overeenkomstige toepassing; en e. voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid, en Artikel 5.19, elfde lid . Artikel 5.20 Inperkingen artikel 5.19 vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.19 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 5.21 Inperkingen artikel 5.19 vanwege externe veiligheid Artikel 5.19 , eerste lid, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, elfde lid en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als
:1°. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;2°. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;3°. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;4°. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;5°. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;6°. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;7°. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;8°. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;9°. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;10°. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;11°. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;12°. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of13°. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Afdeling 5.2.3 Circulariteit Afdeling 5.2.4 Cultureel erfgoed Paragraaf 5.2.4.1 Algemene bepalingen Paragraaf 5.2.4.2 Archeologische waarden Paragraaf 5.2.4.3 Bouwen aan, op of bij een monument - inperking algemene regels voor bouwen Paragraaf 5.2.4.4 Activiteiten in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Paragraaf 5.2.4.5 Activiteiten met betrekking tot een provinciaal monument Paragraaf 5.2.4.6 Activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument Paragraaf 5.2.4.7 Activiteiten met betrekking tot het werelderfgoed Stelling van Amsterdam Paragraaf 5.2.4.8 Ringvaart en Ringdijk Afdeling 5.2.5 Duurzaamheid Afdeling 5.2.6 Energietransitie Afdeling 5.2.7 Evenement Paragraaf 5.2.7.1 Evenement - algemeen Paragraaf 5.2.7.2 Algemene regels evenement Paragraaf 5.2.7.3 Vergunningplichtige activiteit evenement Afdeling 5.2.8 Externe veiligheid Paragraaf 5.2.8.1 Externe veiligheid algemeen Paragraaf 5.2.8.2 [reserveren] Paragraaf 5.2.8.3 [reserveren] Afdeling 5.2.9 Klimaat Afdeling 5.2.10 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 5.2.10.1 Algemene bepalingen Paragraaf 5.2.10.2 Milieubelastende activiteiten met uitzondering van lozen - Algemene bepalingen Paragraaf 5.2.10.3 Energiebesparing Paragraaf 5.2.10.4 Zwerfafval Paragraaf 5.2.10.5 Geluid Paragraaf 5.2.10.6 Trillingen Paragraaf 5.2.10.7 Geur Paragraaf 5.2.10.8 Specifieke regels voor geur voor aangewezen agrarische activiteiten Paragraaf 5.2.10.9 Specifieke milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur Paragraaf 5.2.10.10 Specifieke milieuregels voor activiteiten met betrekking tot voedingsmiddelen Paragraaf 5.2.10.11 Specifieke milieuregels bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine Paragraaf 5.2.10.12 Specifieke milieuregels bij het exploiteren van zuiveringtechnische werken Paragraaf 5.2.10.13 Specifieke milieuregels bij het verkrijgen van bodemenergie Paragraaf 5.2.10.14 Specifieke milieuregels bij overige activiteiten Paragraaf 5.2.10.15 Overige vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels Paragraaf 5.2.10.16 Overige meldingsplichtige activiteiten Paragraaf 5.2.10.17 Lozen bij wonen Paragraaf 5.2.10.18 Lozen anders dan bij wonen Afdeling 5.2.11 Bodembeheer Paragraaf 5.2.11.1 Bodem - toepassen van grond of baggerspecie Artikel 5.22 Toepassing Paragraaf 5.2.11.1 gaat over het toepassen van grond en baggerspecie. Artikel 5.23 Bodemfunctieklassen 1. De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Landbouw-Natuur is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur voor het toepassen van grond of baggerspecie als
artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Wonen is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Wonen voor het toepassen van grond of baggerspecie als
artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3. De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Industrie is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Industrie voor het toepassen van grond of baggerspecie als
artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 5.2.11.2 Bodem - saneren van de bodem Artikel 5.24 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.2 gaat over het saneren van de bodem als
artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.2 wordt verstaan onder: a. grond: grond als
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. baggerspecie: baggerspecie als
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan,
artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Artikel 5.25 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 1. In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging,
artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de locatie van het gebouw.
bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid , opgenomen mobiele stoffen. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 5.27 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt, wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Artikel 5.28 Maatwerk Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen,
.25, eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging. Paragraaf 5.2.11.3 Bodem - nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem Artikel 5.29 Toepassing Paragraaf 5.2.11.3 gaat over het verrichten van nazorg als: a. bij het saneren een afdeklaag als
artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; b. bij het saneren een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift op artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; of c. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als
artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn genomen. Artikel 5.30 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst
artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.32 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem een verkennend bodemonderzoek als
artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 2. Artikel 5.32, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 5.32 verstrekt. 2. Artikel 5.33, eerste lid , geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. De onderzoeken,
PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 5.34 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie De gegevens en bescheiden,
artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken,
paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.32, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 5.35 Gescheiden houden verschillende grondsoorten
Artikel 5.36 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Paragraaf 5.2.11.5 Bodem - graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.37 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.5 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als
artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.5 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.38 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem, een verkennend bodemonderzoek als
artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 2. Artikel 5.38, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
2. De onderzoeken,
PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101 als het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 5.41 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden,
artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.38, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 5.42 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 5.43 Grond gescheiden houden 1. In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als
Artikel 5.44 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als
bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.44, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Artikel 5.44, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering,
bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.
het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.46 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek,
paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als
artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Artikel 5.46, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
.47, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van het kleinschalig graven. Artikel 5.50 Grond gescheiden houden
Artikel 5.51 Tijdelijk uitnemen van grond
het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en d. afdeklaag: een afdeklaag als
artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming. Artikel 5.55 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit,
.54, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek,
paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt voorafgaand aan het kleinschalig graven een verkennend bodemonderzoek als
artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 3. Artikel 5.55, eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als
artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
Artikel 5.59 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 5.60 Grond gescheiden houden
Artikel 5.61 Tijdelijk uitnemen van grond
bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.62, derde lid , opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Artikel 5.62, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering,
bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze stoffen niet worden overschreden. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 5.63 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Bij het kleinschalig graven wordt grond die is vrijgekomen maximaal acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Artikel 5.64 Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag Het kleinschalig graven in bodem wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Artikel 5.65 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven Het kleinschalig graven in bodem het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Paragraaf 5.2.11.8 Bodem - activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 5.66 Toepassing Paragraaf 5.2.11.8 gaat over een activiteit op een locatie waar de bodem ernstig verontreinigd is en waarvoor voordat de Omgevingswet in werking is getreden een beschikking is vastgesteld: a. op grond van artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde direct voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. waarin staat dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 5.67 Maatregelen bij uitvoeren activiteit Degene die een activiteit als
.66 verricht neemt maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 5.2.11.9 Bodem - toepassen van staalslakken en stabiliseren van de bodem tot stabilisaat Artikel 5.68 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.9 gaat over het toepassen van bouwstoffen als
artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover het gaat om: a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie.
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips; c. grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat door het toevoegen van bindmiddelen aan de bodem; d. staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak; e. hoogovenslak: slak die vrijkomt bij het bereiden van ruwijzer in een hoogoven; en f. LD-staalslak: slak die vrijkomt bij het bereiden van staal volgens de methode van Linz-Donawitz. Artikel 5.69 Melding toepassen staalslakken
artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
.71, eerste lid, onder c, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag. Afdeling 5.2.12 Natuur en landschap Paragraaf 5.2.12.1 Beschermingsgebied vanwege natuurnetwerk Paragraaf 5.2.12.2 Bomen en planten - Algemeen Paragraaf 5.2.12.3 Boom kappen of ernstig beschadigen - algemene regels Paragraaf 5.2.12.4 Vergunningplichtige activiteit kappen of ernstig beschadigen van een boom Paragraaf 5.2.12.5 Maatregelen vanwege iepziekte Afdeling 5.2.13 Ondersteunende activiteit Afdeling 5.2.14 Open erf en terrein gebruiken Afdeling 5.2.15 Ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen Paragraaf 5.2.15.1 Parkeren, stallen, laden en lossen - Algemeen Paragraaf 5.2.15.2 Normen voor parkeren en stallen van voertuigen Afdeling 5.2.16 Reclame Afdeling 5.2.17 Wegen, water en overige openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.1 Inleidende bepalingen Paragraaf 5.2.17.2 Inrichten en herinrichten van de openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.3 Honden in openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.4 Kabels en leidingen aanleggen Paragraaf 5.2.17.5 Voorwerpen voor een niet-publieke functie plaatsen in de openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.6 Vergunningplicht voorwerpen voor een niet-publieke functie plaatsen in de openbare ruimte Paragraaf 5.2.17.7 Parkeren in openbare ruimte (parkeerexcessen) Paragraaf 5.2.17.8 Standplaats innemen Paragraaf 5.2.17.9 Uitrit aanleggen Paragraaf 5.2.17.10 Waterstaatswerk beschadigen of veranderen Paragraaf 5.2.17.11 Weg aanleggen Afdeling 5.2.18 Woonruimte en woningen Titel 5.3 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte Afdeling 5.3.1 Algemeen Afdeling 5.3.2 Agrarische activiteit Paragraaf 5.3.2.1 Algemene regels agrarische activiteit Paragraaf 5.3.2.2 Algemene regels bijzondere agrarische activiteit Paragraaf 5.3.2.3 Algemene regels nevenactiviteiten bij agrarische activiteit Afdeling 5.3.3 Bedrijfsactiviteit Paragraaf 5.3.3.1 Bedrijfsactiviteit algemeen Paragraaf 5.3.3.2 Algemene regels bedrijfsactiviteit Paragraaf 5.3.3.3 Vergunningplichtig bedrijfsactiviteit Afdeling 5.3.4 Culturele activiteit en ontspanningsactiviteit Afdeling 5.3.5 Detailhandelsactiviteit Afdeling 5.3.6 Dienstverlenende activiteit Afdeling 5.3.7 Horeca-activiteit Afdeling 5.3.8 Kantooractiviteit Afdeling 5.3.9 Maatschappelijke activiteit Afdeling 5.3.10 Ontspanningsactiviteit Afdeling 5.3.11 Recreatie-activiteit Afdeling 5.3.12 Sportactiviteit Afdeling 5.3.13 Wonen Afdeling 5.3.14 Parkeeractiviteit Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Hoofdstuk 8 Procesregels Hoofdstuk 9 Handhaving Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht bodemactiviteiten Artikel 11.1 Toepassing 1. Hoofdstuk 11 gaat over algemene bepalingen over overgangsrecht voor bodemactiviteiten. 2. Als in een ander hoofdstuk van dit omgevingsplan van Hoofdstuk 11 wordt afgeweken met een specifieke overgangsrechtelijke bepaling geldt die specifieke bepaling. Artikel 11.2 Overgangsrecht: verleende vergunningen, ontheffing, maatwerkvoorschriften en ander besluit (gereserveerd) Gereserveerd Artikel 11.3 Overgangsrecht: aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift en ander besluit Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist. Artikel 11.4 Overgangsrecht: vergunning van rechtswege 1. Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en door een wijziging van dit omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege als die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht. 2. De omgevingsvergunning,
.4, eerste lid, vervalt van rechtswege als de vergunningplichtige activiteit,
.4, eerste lid na inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht voor een periode van meer dan een jaar wordt onderbroken. Artikel 11.5 Overgangsrecht: gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten (gereserveerd) Gereserveerd Artikel 11.6 Overgangsrecht voor ruimtelijke regels over bouwwerken (gereserveerd) Gereserveerd Artikel 11.7 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Op een bestuurlijke sanctie voor het uitvoeren of het handhaven van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom: 1°. de last volledig is uitgevoerd; 2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3°. de last is opgeheven. Hoofdstuk 12 [Gereserveerd] Hoofdstuk 13 [Gereserveerd] Hoofdstuk 14 [Gereserveerd] Hoofdstuk 15 [Gereserveerd] Hoofdstuk 16 [Gereserveerd] Hoofdstuk 17 [Gereserveerd] Hoofdstuk 18 [Gereserveerd] Hoofdstuk 19 [Gereserveerd] Hoofdstuk 20 [Gereserveerd] Hoofdstuk 21 [Gereserveerd] Hoofdstuk 22 Bruidsschat: activiteiten Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als
artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als
artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als
artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte,
afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als
tabel 22.2.1 aanwezig.
het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend. 5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als
dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als
Artikel 22.24 Meetbepalingen
.26, geldt niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperking artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als
.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als
.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; en b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,
artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet . c. [Vervangen door Artikel 5.11.] 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie [Vervangen door Artikel 5.11.] Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit [Vervangen door Artikel 5.12, derde lid.] Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als
artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als
artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als
artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,
artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1. Als een bijbehorend bouwwerk als
.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen Artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 2. Als een bijbehorend bouwwerk als
.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in Artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als
:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.