Omgevingsplan gemeente Ommen (Ommen)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Ommen regelt diverse activiteiten en aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, met als doel het voorkomen van overlast, het beschermen van de gezondheid en het milieu, en het waarborgen van de veiligheid.
Voor wie: Inwoners en bezoekers van de gemeente Ommen die activiteiten uitvoeren die de fysieke leefomgeving beïnvloeden; Iedereen die zich met een hond begeeft of bijen houdt in de gemeente Ommen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Vastgoed- en bouwrecht
- Artikelen
- 567
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De aanwijzing van specifieke locaties zoals 'bebouwingscontour geur', 'bebouwingscontour houtkap' en 'gemeentelijk monument'.
- Algemene gebruiksactiviteiten en hinderactiviteiten binnen de gemeente.
- Activiteiten in de openbare ruimte, zoals het beschadigen van waterstaatswerken, het betreden van plantsoenen en het plaatsen van voorwerpen in openbaar water.
- Het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan voor de publieke functie.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bezoekers van de gemeente Ommen die activiteiten uitvoeren die de fysieke leefomgeving beïnvloeden.
- Iedereen die zich met een hond begeeft of bijen houdt in de gemeente Ommen.
Wat zijn de kernpunten?
- Gebruiksactiviteiten die niet expliciet in hoofdstuk 6 zijn genoemd of daarmee in strijd zijn, zijn verboden.
- Het is verboden waterstaatswerken te beschadigen.
- Het betreden van plantsoenen is toegestaan op wegen of paden, of voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan; anders is een omgevingsvergunning vereist.
- Bijen houden is toegestaan op meer dan 30 meter afstand van woningen/gebouwen en de weg, of binnen 30 meter met een afscheiding van minimaal 2 meter hoog, tenzij een omgevingsvergunning is verkregen.
Vastgoed- en bouwrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (567)
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2
- Artikel 4.1
- Artikel 4.2
- Artikel 4.3
- Artikel 6.1
- Artikel 6.2
- Artikel 6.3
- Artikel 6.4
- Artikel 6.5
- Artikel 6.6
- Artikel 6.7
- Artikel 6.8
- Artikel 6.9
- Artikel 6.10
- Artikel 6.11
- Artikel 6.12
- Artikel 6.13
- Artikel 6.14
- Artikel 6.15
- Artikel 6.16
- Artikel 6.17
- Artikel 6.18
- Artikel 6.19
- Artikel 6.20
- Artikel 6.21
- Artikel 6.22
- Artikel 6.23
- Artikel 6.24
- Artikel 6.25
- Artikel 6.26
- Artikel 6.27
- Artikel 6.28
- Artikel 6.29
- Artikel 6.30
- Artikel 6.31
- Artikel 6.32
- Artikel 6.33
- Artikel 6.34
- Artikel 6.35
- Artikel 6.36
- Artikel 6.37
- Artikel 6.38
- Artikel 6.39
- Artikel 6.40
- Artikel 6.41
- Artikel 6.42
- Artikel 6.43
- Artikel 6.44
- Artikel 6.45
- Artikel 6.46
- Artikel 6.47
- Artikel 6.48
- Artikel 6.49
- Artikel 6.50
- Artikel 6.51
- Artikel 6.52
- Artikel 6.53
- Artikel 6.54
- Artikel 6.55
- Artikel 6.56
- Artikel 6.57
- Artikel 6.58
- Artikel 6.59
- Artikel 6.60
- Artikel 6.61
- Artikel 6.62
- Artikel 6.63
- Artikel 6.64
- Artikel 6.65
- Artikel 6.66
- Artikel 6.67
- Artikel 6.68
- Artikel 6.69
- Artikel 6.70
- Artikel 6.71
- Artikel 6.72
- Artikel 6.73
- Artikel 6.74
- Artikel 6.75
- Artikel 6.76
- Artikel 6.77
- Artikel 6.78
- Artikel 6.79
- Artikel 6.80
- Artikel 6.81
- Artikel 6.82
- Artikel 6.83
- Artikel 6.84
- Artikel 6.85
- Artikel 6.86
- Artikel 6.87
- Artikel 6.88
- Artikel 6.89
- Artikel 6.90
- Artikel 6.91
- Artikel 6.92
- Artikel 6.93
- Artikel 6.94
- Artikel 6.95
- Artikel 6.96
- Artikel 6.97
- Artikel 6.98
- Artikel 6.99
- Artikel 6.100
- Artikel 6.101
- Artikel 6.102
- Artikel 6.103
- Artikel 6.104
- Artikel 6.105
- Artikel 6.106
- Artikel 6.107
- Artikel 6.108
- Artikel 7.1
- Artikel 7.2
- Artikel 7.3
- Artikel 7.4
- Artikel 7.5
- Artikel 7.6
- Artikel 8.1
- Artikel 8.2
- Artikel 8.3
- Artikel 8.4
- Artikel 9.1
- Artikel 9.2
- Artikel 9.3
- Artikel 9.4
- Artikel 9.5
- Artikel 9.6
- Artikel 9.7
- Artikel 9.8
- Artikel 9.9
- Artikel 9.10
- Artikel 9.11
- Artikel 9.12
- Artikel 9.13
- Artikel 9.14
- Artikel 9.15
- Artikel 9.16
- Artikel 9.17
- Artikel 9.18
- Artikel 9.19
- Artikel 9.20
- Artikel 9.21
- Artikel 9.22
- Artikel 9.23
- Artikel 9.24
- Artikel 9.25
- Artikel 9.26
- Artikel 9.27
- Artikel 9.28
- Artikel 9.29
- Artikel 9.30
- Artikel 9.31
- Artikel 9.32
- Artikel 9.33
- Artikel 9.34
- Artikel 9.35
- Artikel 9.36
- Artikel 9.37
- Artikel 9.38
- Artikel 9.39
- Artikel 9.40
- Artikel 10.1
- Artikel 10.2
- Artikel 10.3
- Artikel 10.4
- Artikel 10.5
- Artikel 10.6
- Artikel 10.7
- Artikel 10.8
- Artikel 10.9
- Artikel 10.10
- Artikel 10.11
- Artikel 10.12
- Artikel 10.13
- Artikel 10.14
- Artikel 10.15
- Artikel 10.16
- Artikel 10.17
- Artikel 10.18
- Artikel 10.19
- Artikel 10.20
- Artikel 11.1
- Artikel 11.2
- Artikel 11.3
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 11.9
- Artikel 11.10
- Artikel 11.11
- Artikel 11.12
- Artikel 11.13
- Artikel 22.1
- Artikel 22.2
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7
- Artikel 22.8
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 22.11
- Artikel 22.12
- Artikel 22.13
- Artikel 22.14
- Artikel 22.15
- Artikel 22.16
- Artikel 22.17
- Artikel 22.18
- Artikel 22.19
- Artikel 22.20
- Artikel 22.21
- Artikel 22.22
- Artikel 22.23
- Artikel 22.24
- Artikel 22.25
- Artikel 22.26
- Artikel 22.27
- Artikel 22.28
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35
- Artikel 22.36
- Artikel 22.37
- Artikel 22.38
- Artikel 22.39
- Artikel 22.40
- Artikel 22.41
- Artikel 22.42
- Artikel 22.43
- Artikel 22.44
- Artikel 22.45
- Artikel 22.46
- Artikel 22.47
- Artikel 22.48
- Artikel 22.49
- Artikel 22.50
- Artikel 22.51
- Artikel 22.52
- Artikel 22.52a
- Artikel 22.53
- Artikel 22.54
- Artikel 22.55
- Artikel 22.56
- Artikel 22.57
- Artikel 22.58
- Artikel 22.59
- Artikel 22.60
- Artikel 22.61
- Artikel 22.61a
- Artikel 22.62
- Artikel 22.62a
- Artikel 22.63
- Artikel 22.64
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68
- Artikel 22.69
- Artikel 22.70
- Artikel 22.71
- Artikel 22.72
- Artikel 22.73
- Artikel 22.74
- Artikel 22.75
- Artikel 22.76
- Artikel 22.77
- Artikel 22.78
- Artikel 22.79
- Artikel 22.80
- Artikel 22.81
- Artikel 22.82
- Artikel 22.83
- Artikel 22.84
- Artikel 22.85
- Artikel 22.86
- Artikel 22.87
- Artikel 22.88
- Artikel 22.89
- Artikel 22.90
- Artikel 22.91
- Artikel 22.92
- Artikel 22.93
- Artikel 22.94
- Artikel 22.95
- Artikel 22.96
- Artikel 22.97
- Artikel 22.98
- Artikel 22.99
- Artikel 22.100
- Artikel 22.101
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113
- Artikel 22.114
- Artikel 22.115
- Artikel 22.116
- Artikel 22.117
- Artikel 22.118
- Artikel 22.119
- Artikel 22.120
- Artikel 22.121
- Artikel 22.122
- Artikel 22.123
- Artikel 22.124
- Artikel 22.125
- Artikel 22.126
- Artikel 22.127
- Artikel 22.128
- Artikel 22.129
- Artikel 22.130
- Artikel 22.131
- Artikel 22.132
- Artikel 22.137
- Artikel 22.138
- Artikel 22.139
- Artikel 22.140
- Artikel 22.141
- Artikel 22.142
- Artikel 22.143
- Artikel 22.144
- Artikel 22.145
- Artikel 22.146
- Artikel 22.147
- Artikel 22.148
- Artikel 22.149
- Artikel 22.150
- Artikel 22.151
- Artikel 22.152
- Artikel 22.153
- Artikel 22.154
- Artikel 22.155
- Artikel 22.156
- Artikel 22.157
- Artikel 22.158
- Artikel 22.159
- Artikel 22.160
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162
- Artikel 22.163
- Artikel 22.164
- Artikel 22.165
- Artikel 22.166
- Artikel 22.167
- Artikel 22.168
- Artikel 22.169
- Artikel 22.170
- Artikel 22.171
- Artikel 22.172
- Artikel 22.173
- Artikel 22.174
- Artikel 22.175
- Artikel 22.176
- Artikel 22.177
- Artikel 22.178
- Artikel 22.179
- Artikel 22.180
- Artikel 22.181
- Artikel 22.182
- Artikel 22.183
- Artikel 22.184
- Artikel 22.185
- Artikel 22.186
- Artikel 22.187
- Artikel 22.188
- Artikel 22.189
- Artikel 22.190
- Artikel 22.191
- Artikel 22.192
- Artikel 22.193
- Artikel 22.194
- Artikel 22.195
- Artikel 22.196
- Artikel 22.197
- Artikel 22.198
- Artikel 22.199
- Artikel 22.200
- Artikel 22.201
- Artikel 22.202
- Artikel 22.203
- Artikel 22.204
- Artikel 22.205
- Artikel 22.206
- Artikel 22.207
- Artikel 22.208
- Artikel 22.209
- Artikel 22.210
- Artikel 22.211
- Artikel 22.212
- Artikel 22.213
- Artikel 22.214
- Artikel 22.215
- Artikel 22.216
- Artikel 22.217
- Artikel 22.218
- Artikel 22.219
- Artikel 22.220
- Artikel 22.221
- Artikel 22.222
- Artikel 22.223
- Artikel 22.224
- Artikel 22.225
- Artikel 22.226
- Artikel 22.227
- Artikel 22.228
- Artikel 22.229
- Artikel 22.230
- Artikel 22.231
- Artikel 22.232
- Artikel 22.233
- Artikel 22.234
- Artikel 22.235
- Artikel 22.236
- Artikel 22.237
- Artikel 22.238
- Artikel 22.239
- Artikel 22.240
- Artikel 22.241
- Artikel 22.242
- Artikel 22.243
- Artikel 22.244
- Artikel 22.245
- Artikel 22.246
- Artikel 22.247
- Artikel 22.248
- Artikel 22.249
- Artikel 22.250
- Artikel 22.251
- Artikel 22.252
- Artikel 22.253
- Artikel 22.254
- Artikel 22.255
- Artikel 22.256
- Artikel 22.257
- Artikel 22.258
- Artikel 22.259
- Artikel 22.260
- Artikel 22.261
- Artikel 22.262
- Artikel 22.263
- Artikel 22.264
- Artikel 22.265
- Artikel 22.266
- Artikel 22.267
- Artikel 22.268
- Artikel 22.269
- Artikel 22.270
- Artikel 22.271
- Artikel 22.272
- Artikel 22.273
- Artikel 22.274
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276
- Artikel 22.277
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283
- Artikel 22.284
- Artikel 22.285
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287
- Artikel 22.288
- Artikel 22.289
- Artikel 22.290
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293
- Artikel 22.294
- Artikel 22.295
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297
- Artikel 22.298
- Artikel 22.299
- Artikel 22.300
- Artikel 22.301
- Artikel 22.302
- Artikel 22.303
- Artikel 23.1
- § 22.2.1
- § 22.2.2
- § 22.2.3
- § 22.2.4
- § 22.2.5
- § 22.2.6
- § 22.2.7
- § 22.2.7.1
- § 22.2.7.2
- § 22.2.7.3
- § 22.2.8
- § 22.3.1
- § 22.3.2
- § 22.3.3
- § 22.3.4
- § 22.3.4.1
- § 22.3.4.2
- § 22.3.4.3
- § 22.3.4.4
- § 22.3.5
- § 22.3.6
- § 22.3.6.1
- § 22.3.6.2
- § 22.3.6.3
- § 22.3.6.4
- § 22.3.6.5
- § 22.3.7
- § 22.3.7.1
- § 22.3.7.2
- § 22.3.7.3
- § 22.3.7.4
- § 22.3.8
- § 22.3.8.1
- § 22.3.8.2
- § 22.3.8.3
- § 22.3.8.4
- § 22.3.8.5
- § 22.3.8.6
- § 22.3.8.7
- § 22.3.8.8
- § 22.3.8.9
- § 22.3.9
- § 22.3.10
- § 22.3.11
- § 22.3.12
- § 22.3.13
- § 22.3.14
- § 22.3.15
- § 22.3.16
- § 22.3.17
- § 22.3.18
- § 22.3.19
- § 22.3.20
- § 22.3.21
- § 22.3.22
- § 22.3.23
- § 22.3.24
- § 22.3.25
- § 22.3.26
- § 22.5.1
- § 22.5.2
- § 22.5.2.1
- § 22.5.2.2
- § 22.5.2.3
- § 22.5.2.4
- Artikel 5
- § 22.5.2.5
- § 22.5.3
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696206 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0175/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-01-22 2026-01-22 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696206/nld@2026-01-23 /join/id/proces/gm0175/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0175/2024/Technischinbeheernamebruidsschat110/ /join/id/proces/gm0175/2024/VerordeningsregelsgemeenteOmmen173/ /join/id/proces/gm0175/2025/verordeningsregels_gemeente_ommen_294/ 2026-01-23 2026-01-23 /akn/nl/act/gm0175/2020/omgevingsplan/nld@2026-01-21;24f29877e8ef416380b06ee6b926162a /akn/nl/act/gm0175/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0175/2020/omgevingsplan/nld@2026-01-21;24f29877e8ef416380b06ee6b926162a /join/id/stop/work_019 24f29877e8ef416380b06ee6b926162a Omgevingsplan gemeente Ommen
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij de Omgevingswet zijn van toepassing op hoofdstuk 1 tot en met hoofdstuk 23 van dit omgevingsplan.
2.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 1 tot en met hoofdstuk 23 van dit omgevingsplan, tenzij daarvan is afgeweken in bijlage I.
3.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 1 tot en met hoofdstuk 23 van dit omgevingsplan.
Artikel 1.2Algemene voorrangsbepalingen
1.
De regels in hoofdstuk 1 tot en met 21 gelden als aanvulling op de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet en laten die regels ongewijzigd.
2.
De regels in hoofdstuk 1 tot en met 21 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet.
3.
De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 1 tot en met 21.
Hoofdstuk 2
Doelen
Hoofdstuk 3
Programma's
Hoofdstuk 4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 4.1
Aandachtsgebieden
Afdeling 4.2
Beperkingengebieden
Artikel 4.1Bebouwingscontour geur - aanwijzing
De locatie ‘bebouwingscontour geur’ is aangewezen als bebouwingscontour geur zoals bedoeld in artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 4.2Bebouwingscontour houtkap - aanwijzing
De locatie ‘bebouwingscontour houtkap’ is aangewezen als bebouwingscontour houtkap zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling 4.3
Cultureel erfgoed
Artikel 4.3Gemeentelijk monument - aanwijzing
De locatie ‘gemeentelijk monument’ is aangewezen als gemeentelijk monument. De monumentale waarden van het gemeentelijk monument zijn opgenomen in bijlage IV.
Hoofdstuk 5
Activiteiten algemeen
Hoofdstuk 6
Gebruiksactiviteiten
Afdeling 6.1
Algemene regels gebruiksactiviteiten
Paragraaf 6.1.1
Regels voor alle gebruiksactiviteiten
Artikel 6.1Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod
Gebruiksactiviteiten die niet zijn genoemd in hoofdstuk 6 en gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 6 zijn verboden.
Afdeling 6.2
Activiteiten in de openbare ruimte
Paragraaf 6.2.1
Waterstaatswerk beschadigen SubParagraaf 6.2.1.1 Waterstaatswerk beschadigen - verbod
Artikel 6.2Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het beschadigen van waterstaatswerken in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de waterschapsverordening of de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder waterstaatswerken als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens en sluizen.
4.
Onder beschadigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het toebrengen van schade aan waterstaatswerken; en b. het aanbrengen van verandering in de toestand van waterstaatswerken.
Artikel 6.3Waterstaatswerk beschadigen - verbod
Het is verboden waterstaatswerken te beschadigen.
Paragraaf 6.2.2
Plantsoen betreden SubParagraaf 6.2.2.1 Plantsoen betreden - toegestaan
Artikel 6.4Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het betreden van plantsoenen in de gemeente Ommen.
2.
Onder plantsoenen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. de door de gemeente onderhouden plantsoenen, parken, wandelplaatsen, groenstroken en grasperken.
Artikel 6.5Plantsoen betreden - toegestaan
Het is toegestaan zich te bevinden in of bij plantsoenen als: a. dit op de daarin gelegen wegen of paden is; of b. dit nodig is omdat werkzaamheden worden verricht in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
SubParagraaf 6.2.2.2 Plantsoen betreden - vergunningplicht
Artikel 6.6Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het betreden van plantsoenen in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.2.2.1.
2.
Onder plantsoenen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. de door de gemeente onderhouden plantsoenen, parken, wandelplaatsen, groenstroken en grasperken.
Artikel 6.7Plantsoen betreden - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich te bevinden in of bij plantsoenen of buiten de daarin gelegen wegen.
Paragraaf 6.2.3
Voorwerp op, in of boven openbaar water plaatsen SubParagraaf 6.2.3.1 Voorwerp op, in of boven openbaar water plaatsen - toegestaan
Artikel 6.8Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van openbaar water voor het plaatsen, aanbrengen of hebben van voorwerpen, niet zijnde vaartuigen of bouwwerken, op, in of boven dat water in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Overijssel of de Telecommunicatiewet.
Artikel 6.9Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast.
Artikel 6.10Voorwerp op, in of boven openbaar water plaatsen - toegestaan
Het is toegestaan openbaar water te gebruiken voor het plaatsen, aanbrengen of hebben van een voorwerp, niet zijnde een vaartuig en bouwwerk, op, in of boven dat water als dit door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging: a. geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water; b. geen gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van het openbaar water; of c. geen belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Paragraaf 6.2.4
Gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie SubParagraaf 6.2.4.1 Weg of weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie gebruiken - toegestaan
Artikel 6.11Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan voor zover sprake is van een wijziging van de fysieke leefomgeving in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties: a. waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale omgevingsverordening Overijssel; of b. waarin een omgevingsvergunning is verleend voor het gebruik van de weg of een weggedeelte.
3.
Onder een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg wordt in ieder geval verstaan: a. wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
4.
Onder het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie wordt niet verstaan: a. gebruik van de weg of een weggedeelte zonder dat sprake is van een wijziging in de fysieke leefomgeving.
Artikel 6.12Weg of weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie gebruiken - toegestaan
Het is toegestaan de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan te gebruiken voor zover sprake is van een wijziging van de fysieke leefomgeving als dat gebruik: a. geen schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Afdeling 6.3
Hinderactiviteiten
Paragraaf 6.3.1
Verontreiniging door honden veroorzaken SubParagraaf 6.3.1.1 Verontreiniging door honden veroorzaken - zorgplicht
Artikel 6.13Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het veroorzaken van verontreiniging door honden in de gemeente Ommen.
Artikel 6.14Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu.
Artikel 6.15Verontreiniging door honden veroorzaken - zorgplicht
Degene die zich met een hond begeeft en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot overlast voor omwonenden is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dit te beperken of te voorkomen.
Paragraaf 6.3.2
Bijen houden SubParagraaf 6.3.2.1 Bijen houden - zorgplicht
Artikel 6.16Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het houden van bijen in de gemeente Ommen.
Artikel 6.17Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; en b. de verkeersveiligheid.
Artikel 6.18Bijen houden - zorgplicht
Degene die bijen houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot overlast voor omwonenden of de veiligheid van de weg is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dit te beperken of te voorkomen.
SubParagraaf 6.3.2.2 Bijen houden - toegestaan
Artikel 6.19Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het houden van bijen in de gemeente Ommen.
Artikel 6.20Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; en b. de verkeersveiligheid.
Artikel 6.21Bijen houden - toegestaan
Het is toegestaan bijen te houden: a. op een afstand van meer dan 30 meter van:
SubParagraaf 6.3.2.3 Bijen houden - vergunningplicht
Artikel 6.22Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het houden van bijen in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.3.2.2.
Artikel 6.23Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; en b. de veiligheid van de weg.
Artikel 6.24Bijen houden - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woning of andere gebouwen waarin mensen verblijven; en b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.
Paragraaf 6.3.3
In bossen of natuurterreinen roken SubParagraaf 6.3.3.1 In bossen of natuurterreinen roken - toegestaan
Artikel 6.25Toepassingsbereik
1.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het roken in bossen en natuurterreinen in de gemeente Ommen.
2.
De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 6.26Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van bosbranden; en b. het voorkomen van beschadiging van eigendommen.
Artikel 6.27In bossen of natuurterreinen roken - toegestaan
Het is toegestaan te roken in bossen en op heide- en veengronden of binnen een afstand van 30 meter daarvan: a. buiten de periode dat binnen de veiligheidsregio fase 2 geldt voor brandgevaar; of b. voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.
SubParagraaf 6.3.3.2 In bossen of natuurterreinen roken - verbod
Artikel 6.28Toepassingsbereik
1.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het wegwerpen of laten liggen van brandende of smeulende voorwerpen in bossen en natuurterreinen in de gemeente Ommen.
2.
De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 6.29Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van bosbranden; en b. het voorkomen van beschadiging van eigendommen.
Artikel 6.30In bossen of natuurterreinen roken - verbod
Het is verboden brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen in bossen en op heide- of veengronden of binnen een afstand van 30 meter daarvan voor zover het de open lucht betreft.
Paragraaf 6.3.4
Ballon oplaten SubParagraaf 6.3.4.1 Ballon oplaten voor wetenschappelijke doeleinden - toegestaan
Artikel 6.31Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het oplaten van ballonnen voor wetenschappelijke doeleinden in de gemeente Ommen.
Artikel 6.32Ballon oplaten voor wetenschappelijke doeleinden - toegestaan
Het is toegestaan voor wetenschappelijke doeleinden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht, helium of enig ander gas dat lichter is dan lucht, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is.
SubParagraaf 6.3.4.2 Ballon oplaten, anders dan voor wetenschappelijke doeleinden - verbod
Artikel 6.33Toepassingsbereik
1.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het oplaten van ballonnen, anders dan voor wetenschappelijke doeleinden, in de gemeente Ommen.
2.
Onder ballonnen, anders dan voor wetenschappelijke doeleinden, wordt verstaan: a. feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings- en reclameballonnen of -lampionnen en daarmee vergelijkbare ballonnen of lampionnen.
Artikel 6.34Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu; en b. het reduceren van brandgevaar.
Artikel 6.35Ballon oplaten, anders dan voor wetenschappelijke doeleinden - verbod
Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht, helium of enig ander gas dat lichter is dan lucht, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is.
Paragraaf 6.3.5
Handelsreclame maken of voeren SubParagraaf 6.3.5.1 Handelsreclame maken of voeren – toegestaan
Artikel 6.36Toepassingsbereik
1.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het maken of voeren van handelsreclame in de gemeente Ommen.
2.
De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.
3.
Onder het maken of voeren van handelsreclame als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op of aan een onroerende zaak maken of voeren van handelsreclame door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding.
Artikel 6.37Handelsreclame maken of voeren – toegestaan
Het is toegestaan handelsreclame te maken of te voeren als: a. het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; en b. geen ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
Paragraaf 6.3.6
Incidenteel as verstrooien SubParagraaf 6.3.6.1 Incidenteel as verstrooien - toegestaan
Artikel 6.38Toepassingsbereik
1.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het incidenteel verstrooien van as in de gemeente Ommen.
2.
Onder het incidenteel verstrooien van as als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 6.39Incidenteel as verstrooien - toegestaan
Het is toegestaan incidenteel as te verstrooien buiten: a. verharde delen van de weg; en b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Paragraaf 6.3.7
Voertuig, vaartuig of andere stof opslaan SubParagraaf 6.3.7.1 Voertuig, vaartuig of andere stof opslaan - verbod
Artikel 6.40Toepassingsbereik
1.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op de opslag van voertuigen, vaartuigen en andere stoffen in de gemeente Ommen.
2.
De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder het opslaan van voertuigen, vaartuigen en andere stoffen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het buiten een bedrijfsmatige activiteit, in de openlucht of buiten de openbare weg, opslaan, plaatsen of aanwezig hebben van:
Artikel 6.41Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de openbare gezondheid; en b. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 6.42Voertuig, vaartuig of andere stof opslaan - verbod
Het is verboden voertuigen, vaartuigen en andere stoffen op te slaan.
Paragraaf 6.3.8
Toestand van sloot of ander water veranderen SubParagraaf 6.3.8.1 Toestand van sloot of ander water veranderen - verbod
Artikel 6.43Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het veranderen van de toestand van sloten en andere wateren in de gemeente Ommen.
2.
Onder sloten en andere wateren als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. sloten, wateren, niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen.
Artikel 6.44Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de openbare gezondheid; en c. het voorkomen van overlast voor de omgeving.
Artikel 6.45Toestand van sloot of ander water veranderen - verbod
Het is verboden sloten en andere wateren in een toestand te brengen of te houden die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Paragraaf 6.3.9
Met een motorvoertuig of bromfiets crossen SubParagraaf 6.3.9.1 Met een motorvoertuig of bromfiets crossen - verbod
Artikel 6.46Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het crossen met een motorvoertuig of bromfiets buiten wedstrijdverband in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Zondagswet.
Artikel 6.47Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; b. het beperken van overlast; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en d. de bescherming van het milieu.
Artikel 6.48Met een motorvoertuig of bromfiets crossen - verbod
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde: a. met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband; b. met een motorvoertuig of een bromfiets een trainings- of proefrit te houden, te doen houden of daaraan deel te nemen ter voorbereiding op een wedstrijd; of c. een motorvoertuig of een bromfiets aanwezig te hebben ten behoeve van activiteiten als bedoeld onder a of b.
Paragraaf 6.3.10
Vuurstoken SubParagraaf 6.3.10.1 Vuurstoken - toegestaan
Artikel 6.49Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het stoken van vuur in de openlucht in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder vuurstoken als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. de verlichting door middel van kaarsen en fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; en c. vuur voor koken, bakken en braden.
Artikel 6.50Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van flora en fauna.
Artikel 6.51Vuurstoken - toegestaan
Het is toegestaan in de openlucht vuur te stoken, mits geen sprake is van overlast of hinder voor de omgeving.
SubParagraaf 6.3.10.2 Vuurstoken - verbod
Artikel 6.52Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het verbranden van afvalstoffen in de openlucht in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder vuurstoken als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het verbranden van afvalstoffen; of b. het anderszins aanleggen, stoken of hebben van vuur, voor zover het geen sfeervuren of vuren voor koken, bakken en braden betreft.
Artikel 6.53Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van flora en fauna.
Artikel 6.54Vuurstoken - verbod
Het is verboden buiten een bedrijfsmatige activiteit in de openlucht vuur te stoken.
Paragraaf 6.3.11
Object onder een hoogspanningsverbinding plaatsen SubParagraaf 6.3.11.1 Object onder een hoogspanningsverbinding plaatsen - toegestaan
Artikel 6.55Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van een bovengrondse hoogspanningsverbinding voor het plaatsen of hebben van objecten, geen bouwwerken zijnde, ter plaatse van de locatie ‘objecten onder hoogspanningslijnen – toegestaan’.
Artikel 6.56Object onder een hoogspanningsverbinding plaatsen - toegestaan
Het is toegestaan gronden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van een bovengrondse hoogspanningsverbinding te gebruiken voor het plaatsen of hebben van objecten, geen bouwwerken zijnde, hogere dan twee meter, mits die objecten deel uitmaken van de hoogspanningsverbinding.
SubParagraaf 6.3.11.2 Object onder een hoogspanningsverbinding plaatsen - vergunningplicht
Artikel 6.57Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van een bovengrondse hoogspanningsverbinding voor het plaatsen of hebben van objecten, geen bouwwerken zijnde, ter plaatse van de locatie ‘objecten onder hoogspanningslijnen – vergunningplicht’, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.3.11.1.
Artikel 6.58Object onder een hoogspanningsverbinding plaatsen - vergunningplicht
Het is verboden zonder vergunning gronden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van een bovengrondse hoogspanningsverbinding te gebruiken voor het plaatsen of hebben van objecten, geen bouwwerken zijnde, hogere dan twee meter.
Artikel 6.59Object onder een hoogspanningsverbinding plaatsen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.61 wordt alleen verleend als: a. de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningsverbinding dat toelaat.
Afdeling 6.4
Parkeeractiviteiten
Paragraaf 6.4.1
Voertuig van autobedrijf parkeren SubParagraaf 6.4.1.1 Voertuig van autobedrijf parkeren - toegestaan
Artikel 6.60Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van voertuigen van autobedrijven in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van voertuigen van autobedrijven als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het stallen, herstellen, slopen, verhandelen of verhuren, waaronder mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van lessen of het gebruik van voertuigen voor het vervoeren van personen tegen betaling of het verhandelen van voertuigen.
Artikel 6.61Voertuig van autobedrijf parkeren - toegestaan
Het is toegestaan voertuigen van autobedrijven te parkeren als: a. het voertuigen betreffen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en de voertuigen worden gebruikt voor het uitvoeren van deze werkzaamheden gedurende de tijd die nodig is; b. het maximaal twee voertuigen betreft binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; of c. het voertuigen voor persoonlijk gebruik betreft.
SubParagraaf 6.4.1.2 Voertuig van autobedrijf parkeren - vergunningplicht
Artikel 6.62Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van voertuigen van autobedrijven in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.4.1.1.
2.
Onder het parkeren van voertuigen van autobedrijven als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het stallen, herstellen, slopen, verhandelen of verhuren, waaronder mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van lessen of het gebruik van voertuigen voor het vervoeren van personen tegen betaling of het verhandelen van voertuigen.
Artikel 6.63Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast.
Artikel 6.64Voertuig van autobedrijf parkeren - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen van een autobedrijf te parkeren als: a. dit drie of meer voertuigen betreft binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; of b. de weg als werkplaats voor deze voertuigen wordt gebruikt.
Paragraaf 6.4.2
Te koop aangeboden voertuig parkeren SubParagraaf 6.4.2.1 Te koop aangeboden voertuig parkeren - vergunningplicht
Artikel 6.65Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van te koop aangeboden voertuigen in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van te koop aangeboden voertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren van een voertuig met het doel het te koop aanbieden of het verhandelen van dit voertuig.
Artikel 6.66Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid op de openbare weg.
Artikel 6.67Te koop aangeboden voertuig parkeren - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een te koop aangeboden voertuig te parkeren.
Paragraaf 6.4.3
Defect voertuig parkeren SubParagraaf 6.4.3.1 Defect voertuig parkeren – toegestaan
Artikel 6.68Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van defecte voertuigen in de gemeente Ommen.
2.
Onder defecte voertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. voertuigen waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden.
Artikel 6.69Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van voldoende parkeerruimte; en b. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 6.70Defect voertuig parkeren – toegestaan
Het is toegestaan defecte voertuigen korter dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren.
Paragraaf 6.4.4
Voertuigwrak parkeren SubParagraaf 6.4.4.1 Voertuigwrak parkeren - verbod
Artikel 6.71Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van voertuigwrakken in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van voertuigwrakken als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren van een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
Artikel 6.72Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid van de openbare weg; b. het waarborgen van de verkeersveiligheid; en c. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 6.73Voertuigwrak parkeren - verbod
Het is verboden voertuigwrakken te parkeren.
Paragraaf 6.4.5
Kampeermiddel parkeren SubParagraaf 6.4.5.1 Kampeermiddel parkeren - toegestaan
Artikel 6.74Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van één of meer kampeermiddelen of andere voertuigen die voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op: a. het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
Artikel 6.75Kampeermiddel parkeren – toegestaan
Het is toegestaan een kampeermiddel of ander voertuig dat voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt te parkeren, als: a. dat kampeermiddel of voertuig niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg wordt geplaatst of gehouden.
SubParagraaf 6.4.5.2 Kampeermiddel parkeren - vergunningplicht
Artikel 6.76Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van één of meer kampeermiddelen of andere voertuigen die voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.4.5.1.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op: a. het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
Artikel 6.77Kampeermiddel parkeren - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kampeermiddel of ander voertuig dat voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt te parkeren, als: a. dat kampeermiddel of voertuig langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg wordt geplaatst of gehouden.
Paragraaf 6.4.6
Reclamevoertuig parkeren SubParagraaf 6.4.6.1 Reclamevoertuig parkeren - vergunningplicht
Artikel 6.78Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van reclamevoertuigen in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van reclamevoertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren of plaatsen van een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.
Artikel 6.79Oogmerk
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid van de openbare weg; b. het waarborgen van de verkeersveiligheid; en c. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 6.80Reclamevoertuig parkeren - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een reclamevoertuig te parkeren.
Paragraaf 6.4.7
Groot voertuig parkeren SubParagraaf 6.4.7.1 Groot voertuig parkeren - toegestaan
Artikel 6.81Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van grote voertuigen in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van grote voertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren van campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens.
Artikel 6.82Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; en b. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 6.83Groot voertuig parkeren - toegestaan
Het is toegestaan grote voertuigen te parkeren als deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg worden geplaatst of gehouden.
SubParagraaf 6.4.7.2 Groot voertuig parkeren - vergunningplicht
Artikel 6.84Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van grote voertuigen ter plaatse van de locatie ‘parkeren van grote voertuigen – vergunningplicht’, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.4.7.1.
2.
Onder het parkeren van grote voertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren van een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter.
3.
Onder werkdagen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08:00 tot 18:00 uur.
Artikel 6.85Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; en b. het waarborgen van verkeersveiligheid.
Artikel 6.86Groot voertuig parkeren - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning grote voertuigen te parkeren.
Artikel 6.87Groot voertuig parkeren - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.86 wordt alleen verleend als: a. het parkeren van grote voertuigen niet schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het parkeren van grote voertuigen niet buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare ruimte en plaatsvindt binnen werkdagen.
Paragraaf 6.4.8
Uitzichtbelemmerend voertuig parkeren SubParagraaf 6.4.8.1 Uitzichtbelemmerend voertuig parkeren - toegestaan
Artikel 6.88Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren van een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Artikel 6.89Uitzichtbelemmerend voertuig parkeren – toegestaan
Het is toegestaan uitzichtbelemmerende voertuigen te parkeren gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
SubParagraaf 6.4.8.2 Uitzichtbelemmerend voertuig parkeren - verbod
Artikel 6.90Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.4.8.1.
2.
Onder het parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het op de openbare weg parkeren van een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Artikel 6.91Uitzichtbelemmerend voertuig parkeren – verbod
Het is verboden uitzichtbelemmerende voertuigen te parkeren.
Paragraaf 6.4.9
Voertuig in groenvoorziening parkeren SubParagraaf 6.4.9.1 Voertuig in groenvoorziening parkeren - toegestaan
Artikel 6.92Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van voertuigen in groenvoorzieningen in de gemeente Ommen.
2.
Onder het parkeren van voertuigen in groenvoorzieningen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het met een voertuig rijden of het parkeren van een voertuig in een park of plantsoen, of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
Artikel 6.93Voertuig in groenvoorziening parkeren - toegestaan
Het is toegestaan voertuigen te parkeren in groenvoorzieningen, mits: a. het voertuig wordt geparkeerd op de weg; b. het gaat om voertuigen die worden gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; of c. het gaat om voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terrein die voor dit doel bestemd is.
SubParagraaf 6.4.9.2 Voertuig in groenvoorziening parkeren - vergunningplicht
Artikel 6.94Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het parkeren van voertuigen in groenvoorzieningen in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.4.9.1.
2.
Onder het parkeren van voertuigen in groenvoorzieningen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het met een voertuig rijden of het parkeren van een voertuig in een park of plantsoen, of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
Artikel 6.95Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het voorkomen van beschadigen van groenstroken.
Artikel 6.96Voertuig in groenvoorziening parkeren - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen te parkeren in groenvoorzieningen.
Afdeling 6.5
Recreatieve activiteiten
Paragraaf 6.5.1
Verblijfsrecreatieve activiteiten SubParagraaf 6.5.1.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen - toegestaan
Artikel 6.97Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen in de gemeente Ommen.
2.
Onder recreatief nachtverblijf als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. recreatief nachtverblijf voor een korte aaneengesloten periode waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, uitsluitend door diegenen die hun woonadres elders hebben.
3.
Onder kampeermiddel als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een onderkomen of voertuig, niet zijnde bouwwerk, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
4.
Onder recreatief nachtverblijf als bedoeld in deze subparagraaf wordt niet verstaan: a. permanente bewoning van kampeermiddelen.
Artikel 6.98Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; en b. het beschermen van het milieu.
Artikel 6.99Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen - toegestaan
Het is toegestaan kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein, als de kampeermiddelen worden geplaatst voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
SubParagraaf 6.5.1.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen - vergunningplicht
Artikel 6.100Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 6.6.1.1.
2.
Onder recreatief nachtverblijf als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. recreatief nachtverblijf voor een korte aaneengesloten periode waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, uitsluitend door diegenen die hun woonadres elders hebben.
3.
Onder kampeermiddel als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een onderkomen of voertuig, niet zijnde bouwwerk, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
4.
Onder recreatief nachtverblijf als bedoeld in deze subparagraaf wordt niet verstaan: a. permanente bewoning van kampeermiddelen.
Artikel 6.101Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; en b. het beschermen van het milieu.
Artikel 6.102Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein.
Artikel 6.103Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.102 wordt alleen verleend als: a. geen sprake is van onevenredig negatieve effecten op natuur en landschap; en b. het uiterlijk aanzicht van de gemeente niet wordt aangetast.
Afdeling 6.6
Verkeersactiviteiten
Paragraaf 6.6.1
Over de berm rijden SubParagraaf 6.6.1.1 Over de berm rijden - toegestaan
Artikel 6.104Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het rijden over de berm in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder de berm als bedoeld in deze subparagraaf wordt mede verstaan: a. de glooiing of zijkant van een weg.
Artikel 6.105Over de berm rijden - toegestaan
Het is toegestaan met voertuigen te rijden over de berm als: a. de voertuigen zijn voorzien van rubberbanden; of b. dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
Paragraaf 6.6.2
Verkeersactiviteiten in natuurgebieden SubParagraaf 6.6.2.1 Verkeersactiviteiten in natuurgebieden – toegestaan
Artikel 6.106Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op verkeersactiviteiten in natuurgebieden in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder natuurgebieden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen; of b. voor recreatief gebruik beschikbare terreinen.
Artikel 6.107Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuurwaarden; en c. de bescherming van milieuwaarden.
Artikel 6.108Verkeersactiviteiten in natuurgebieden - toegestaan
Het is toegestaan te rijden of zich te bevinden in natuurgebieden met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard, mits: a. dit op wegen is die gelegen zijn binnen de natuurgebieden; of b. de motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen of paarden:
Hoofdstuk 7
Periodieke gebruiksactiviteiten
Afdeling 7.1
Consumentenvuurwerkactiviteiten
Paragraaf 7.1.1
Carbidschieten SubParagraaf 7.1.1.1 Carbidschieten - toegestaan
Artikel 7.1Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op carbidschieten in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht.
3.
Onder carbidschieten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. het op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water; en b. het op explosieve wijze verbranden van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen als de stoffen bedoeld onder a.
4.
Onder bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen activiteit die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.
Artikel 7.2Carbidschieten - toegestaan
Het is toegestaan carbid te schieten als: a. gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter; b. de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; c. het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen; d. het gebruik plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur; e. wordt geschoten in een richting die is afgewend van de woonbebouwing; en f. de betreffende locatie is gelegen op een afstand van ten minste:
1.
75 meter van woonbebouwing;
2.
300 meter van locaties ten behoeve van intramurale zorg; en 3.
300 meter van bedrijfsmatige activiteiten waar dieren worden gehouden, tenzij het carbidschieten door of met toestemming van de eigenaar plaatsvindt, in welk geval een kortere afstand is toegestaan.
Afdeling 7.2
Innemen van standplaatsen
Paragraaf 7.2.1
Innemen van handelsstandplaatsen SubParagraaf 7.2.1.1 Innemen van handelsstandplaatsen - vergunningplicht
Artikel 7.3Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het innemen van handelsstandplaatsen in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien:
3.
Onder een handelsstandplaats als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmaken van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
Artikel 7.4Innemen van handelsstandplaatsen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een handelsstandplaats in te nemen of te hebben.
Artikel 7.5Innemen van handelsstandplaatsen - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een geldig legitimatiebewijs; b. een uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel; c. een kopie van het kentekenbewijs van de standplaatswagen; d. situatietekeningen met afmetingen van de locatie; e. als sprake is van verkoop van eten en/of drinken:
Artikel 7.6Innemen van handelsstandplaatsen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 wordt alleen verleend als: a. de standplaats voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de gemeente, als gevolg waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de omgevingsvergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
Hoofdstuk 8
Bouwactiviteiten
Afdeling 8.1
Algemene regels bouwactiviteiten
Paragraaf 8.1.1
Regels voor alle bouwactiviteiten
Artikel 8.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bouwactiviteiten in de gemeente Ommen.
Afdeling 8.2
Ander bouwwerk bouwen
Paragraaf 8.2.1
Bouwwerk op, in of boven openbaar water bouwen SubParagraaf 8.2.1.1 Bouwwerk op, in of boven openbaar water bouwen - meldingsplicht
Artikel 8.2Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen van een bouwwerk, niet zijnde vaartuig of voorwerp, op, in of boven openbaar water in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Overijssel of de Telecommunicatiewet.
Artikel 8.3Bouwwerk op, in of boven openbaar water bouwen - meldingsplicht
1.
Het is verboden zonder voorafgaande melding een steiger, meerpaal of ander bouwwerk met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te bouwen, aan te brengen of te hebben.
2.
De voorgenomen activiteiten worden ten minste twee weken voor de start van de activiteiten schriftelijk gemeld bij het college.
Artikel 8.4Bouwwerk op, in of boven openbaar water bouwen - specifieke indieningsvereisten
De melding als bedoeld in artikel 8.3 bevat in ieder geval: a. de naam, het adres en de contactgegevens van de melder; en b. een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
Hoofdstuk 9
Aanlegactiviteiten
Afdeling 9.1
Algemene regels aanlegactiviteiten
Paragraaf 9.1.1
Regels voor alle aanlegactiviteiten
Artikel 9.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op aanlegactiviteiten in de gemeente Ommen.
Artikel 9.2Vangnetregeling archeologie
Het is verboden om in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren, tenzij: a. in het tijdelijk deel van het omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; b. het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de Archeologische verwachtingswaardenkaart voor het grondgebied van de gemeente Ommen, en waarbij die verstoring plaatsvindt:
Afdeling 9.2
Wegactiviteiten
Paragraaf 9.2.1
Weg aanleggen, beschadigen of veranderen SubParagraaf 9.2.1.1 Weg aanleggen, beschadigen of veranderen - toegestaan
Artikel 9.3Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door het Wetboek van Strafrecht, de Omgevingsverordening Overijssel, de waterschapsverordening of de Telecommunicatiewet.
3.
Onder aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het aanleggen van een weg; b. het breken van de verharding van een weg; c. het graven of spitten in een weg; d. het veranderen van de aard of breedte van de wegverharding; en e. het anderszins veranderen van de wijze van aanleg van een weg.
Artikel 9.4Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg.
Artikel 9.5Weg aanleggen, beschadigen of veranderen - toegestaan
Het is toegestaan een weg aan te leggen, te beschadigen of te veranderen voor zover publieke taken worden verricht in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
SubParagraaf 9.2.1.2 Weg aanleggen, beschadigen of veranderen - vergunningplicht
Artikel 9.6Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.2.1.1.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door het Wetboek van Strafrecht, de Omgevingsverordening Overijssel, de waterschapsverordening of de Telecommunicatiewet.
3.
Onder het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het aanleggen van een weg; b. het breken van de verharding van een weg; c. het graven of spitten van een weg; d. het veranderen van de aard of breedte van de wegverharding; of e. het anderszins veranderen van de wijze van aanleg van een weg.
Artikel 9.7Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg.
Artikel 9.8Weg aanleggen, beschadigen of veranderen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen, te beschadigen of te veranderen.
Paragraaf 9.2.2
Uitweg maken of veranderen SubParagraaf 9.2.2.1 Uitweg maken of veranderen - meldingsplicht
Artikel 9.9Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het maken of veranderen van een uitweg in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.2.2.2.
2.
De subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de waterschapsverordening of de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 9.10Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van hinderlijke situaties; b. het voorkomen van onaanvaardbare aantasting van openbaar groen; en c. het voorkomen van aantasting van openbare parkeerruimte.
Artikel 9.11Uitweg maken of veranderen - meldingsplicht
1.
Het is verboden zonder voorafgaande melding een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.
De voorgenomen activiteiten worden ten minste acht weken voor de start van de activiteiten schriftelijk gemeld bij het college.
Artikel 9.12Uitweg maken of veranderen - specifieke indieningsvereisten
De melding als bedoeld in artikel 9.11 bevat in ieder geval: a. een situatieschets van de gewenste uitweg; en b. foto's van de bestaande situatie.
SubParagraaf 9.2.2.2 Uitweg maken of veranderen - verbod
Artikel 9.13Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het maken of veranderen van een uitweg in de gemeente Ommen.
2.
De subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de waterschapsverordening of de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 9.14Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van hinderlijke situaties; b. het voorkomen van onaanvaardbare aantasting van openbaar groen; en c. het voorkomen van aantasting van openbare parkeerruimte.
Artikel 9.15Uitweg maken of veranderen - verbod
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
Afdeling 9.3
Activiteiten met betrekking tot houtopstanden, planten en begroeiing
Paragraaf 9.3.1
Houtopstand vellen SubParagraaf 9.3.1.1 Houtopstand vellen - toegestaan
Artikel 9.16Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het vellen of doen vellen van houtopstanden in de gemeente Ommen.
2.
Onder dunning als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. velling ter bevordering van het voortbestaan van veelal gelijksoortige houtopstand, waarin individuele bomen niet onderhouden worden en waarbij bomen onderling concurreren in leefruimte.
3.
Onder hakhout als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.
4.
Onder knotten of kandelaberen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud.
5.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op het vellen of doen vellen van houtopstanden: a. in bossen en natuurgebieden; of b. waarop afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.
Artikel 9.17Houtopstand vellen - toegestaan
Het is toegestaan houtopstanden te vellen of te doen vellen voor zover het gaat om: a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen, bestemd voor vruchtproductie en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstanden die bij wijze van dunning moeten worden geveld; f. houtopstanden die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving op last van het bevoegd gezag; g. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud; h. het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; i. houtopstanden die worden geveld als gevolg van de uitvoering van een (bouw)werk overeenkomstig een vastgesteld omgevingsplan of een planologische toestemming als bedoeld in artikel 5.1 en artikel 5.2 van de Omgevingswet, waarbij bij de vorenstaande ruimtelijke besluiten is aangegeven welke houtopstanden dit betreft; j. houtopstanden met een stamomtrek van maximaal 95 cm (gemeten op 1,30 m hoogte van het maaiveld) voor zover deze houtopstand niet valt onder de onderdelen a tot en met i van dit artikel en voor zover deze houtopstanden niet vallen onder de lijst van beschermwaardige bomen op grond van het vastgestelde ‘Bomenbeleidsplan Ommen’ of eventuele rechtsopvolgers; k. houtopstanden, voor zover deze niet vallen onder de onderdelen a tot en met j van dit artikel, die dood zijn.
SubParagraaf 9.3.1.2 Houtopstand vellen - vergunningplicht
Artikel 9.18Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het vellen of doen vellen van een houtopstand in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.3.1.1.
Artikel 9.19Houtopstand vellen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen.
Artikel 9.20Houtopstand vellen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.19 wordt slechts verleend als: a. de aanvrager gerechtigd is over de houtopstand te beschikken of toestemming heeft van degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken; en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarde, landschappelijke waarde, cultuurhistorische waarde, beeldbepalende waarde of waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand, welke worden beoordeeld overeenkomstig het vastgestelde ‘Bomenbeleidsplan Ommen’ of eventuele rechtsopvolgers.
Artikel 9.21Houtopstand vellen - vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.19 kan als vergunningvoorschrift een herplantingsplicht worden opgelegd, waarbij is bepaald binnen welke termijn en onder welke voorwaarden dient te worden herplant.
Artikel 9.22Houtopstand vellen - herplant-/instandhoudingsplicht
1.
Als een houtopstand zonder daartoe benodigde omgevingsvergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.
2.
Wanneer een verplichting als bedoeld in artikel 9.22, eerste lid wordt opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3.
Als een houtopstand waarop een vergunningplicht tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de betrokken grond, of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.
4.
Degene aan wie een verplichting als bedoeld in artikel 9.22, eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Afdeling 9.4
Activiteiten met betrekking tot kabels en leidingen
Paragraaf 9.4.1
Kabels en leidingen aanleggen SubParagraaf 9.4.1.1 Algemene regels kabels en leidingen aanleggen
Artikel 9.23Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.
3.
Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.
4.
Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.
Artikel 9.24Kabels en leidingen aanleggen - gebod
Het aanleggen van kabels en leidingen moet plaatsvinden op de wijze zoals is beschreven in het protocol welke is opgenomen in bijlage III.
SubParagraaf 9.4.1.2 Kabels en leidingen aanleggen - specifieke zorgplicht
Artikel 9.25Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.
3.
Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.
4.
Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.
Artikel 9.26Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu.
Artikel 9.27Kabels en leidingen aanleggen - specifieke zorgplicht
1.
De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen.
2.
De netbeheerder is verplicht bij verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen.
SubParagraaf 9.4.1.3 Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan
Artikel 9.28Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.
3.
Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.
4.
Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.
Artikel 9.29Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan
Het is toegestaan kabels en leidingen aan te leggen als: a. het werkzaamheden betreffen die door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak; of b. sprake is van spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een calamiteit die noodzakelijk zijn:
SubParagraaf 9.4.1.4 Kabels en leidingen aanleggen - informatieplicht
Artikel 9.30Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.
Artikel 9.31Kabels en leidingen aanleggen - informatieplicht
De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen een gereedmelding bij het college.
SubParagraaf 9.4.1.5 Kabels en leidingen aanleggen - meldingsplicht
Artikel 9.32Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.4.1.3.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.
3.
Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.
4.
Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.
5.
Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt verstaan: a. het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; b. werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter; c. het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter.
6.
Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt niet verstaan: a. werkzaamheden die langer duren dan één dag; b. werkzaamheden waarbij (water)wegen worden gekruist; c. werkzaamheden waarbij sprake is van boringen of persingen.
Artikel 9.33Kabels en leidingen aanleggen - meldingsplicht
1.
Het is verboden zonder voorafgaande melding werkzaamheden van niet-ingrijpende aard uit te voeren.
2.
De voorgenomen werkzaamheden worden ten minste vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk gemeld bij het college.
Artikel 9.34Kabels en leidingen aanleggen - specifieke indieningsvereisten
De melding als bedoeld in artikel 9.33 bevat in ieder geval: a. de naam, het adres, de contactgegeven en het factuuradres van de melder; b. wanneer de melder een aanbieder betreft: het ACM-registratienummer; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de ligging van het project; d. een omschrijving van de aard en omvang van het project; e. wanneer de melding door een gemachtigde wordt ingediend: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de melding wordt ingediend alsmede een afschrift van de machtiging; f. wanneer het project wordt uitgevoerd door een ander dan de melder: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder; g. wanneer de werkzaamheden plaatsvinden op een locatie waar al kabels en leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd: één of meer verslagen waaruit overeenstemming tussen de melder en de andere netbeheerder(s) blijkt over de voorgenomen werkzaamheden; h. een motivering, zo nodig aan de hand van een tekening, waaruit blijkt onder de welk van de categorieën werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.32, vijfde lid, zijn werkzaamheden vallen; i. voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op schaal, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is; j. voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: de tekeningen als bedoeld in artikel 9.34, onder i en de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied en maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten; en k. de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding, welke niet ouder mag zijn dan twintig dagen gerekend vanaf de datum van ontvangst van de melding.
Artikel 9.35Kabels en leidingen aanleggen - eisen aan tekeningen
De tekeningen als bedoeld in artikel 8.34 moeten in ieder geval voldoen aan de volgende eisen: a. de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum; b. de tekeningen zijn voorzien van een noordpijl; c. de matvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving; d. het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten en diameters van de leidingen.
SubParagraaf 9.4.1.6 Kabels en leidingen aanleggen - vergunningplicht
Artikel 9.36Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.4.1.3 of subparagraaf 9.4.1.5.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.
3.
Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.
4.
Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. a.openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.
Artikel 9.37Oogmerk
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu.
Artikel 9.38Kabels en leidingen aanleggen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels en leidingen aan te leggen.
Artikel 9.39Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.38 wordt alleen verleend als: a. het veilige en doelmatige gebruik van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd; b. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen niet onevenredig wordt belemmerd; c. het doelmatige beheer en onderhoud van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd; d. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte niet wordt belemmerd; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan eventuele archeologische vondsten, groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; en f. het uiterlijk aanzien van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.
Artikel 9.40Kabels en leidingen aanleggen - vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.38 kan als vergunningvoorschrift worden opgelegd: a. een termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten zijn voltooid; b. een wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen.
Hoofdstuk 10
Milieuaspecten voor activiteiten
Afdeling 10.1
Geluid
Paragraaf 10.1.1
Algemene regels geluid
Artikel 10.1Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid van een activiteit, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 10.2Voorrangsbepaling
De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in afdeling 10.1 van dit omgevingsplan.
Paragraaf 10.1.2
Geluidhinder in de open lucht SubParagraaf 10.1.2.1 Geluidhinder in de open lucht - vergunningplicht
Artikel 10.3Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op geluidhinder in de open lucht in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder geluidhinder in de open lucht als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het in de open lucht in werking hebben van een geluidsapparaat, toestel of machine op zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Artikel 10.4Geluidhinder in de open lucht - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning geluidhinder in de open lucht te veroorzaken.
Paragraaf 10.1.3
Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen SubParagraaf 10.1.3.1 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen - verbod
Artikel 10.5Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen in de gemeente Ommen.
2.
Onder geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het met een motorvoertuig of bromfiets zodanig gedragen buiten een bedrijfsmatige activiteit, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
Artikel 10.6Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen - verbod
Het is verboden geluidhinder door motorvoertuigen of bromfietsen te veroorzaken.
Paragraaf 10.1.4
Geluidhinder door dieren SubParagraaf 10.1.4.1 Geluidhinder door dieren - gebod
Artikel 10.7Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op geluidhinder door dieren in de gemeente Ommen.
Artikel 10.8Geluidhinder door dieren - gebod
Degene die buiten een bedrijfsmatige activiteit de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Paragraaf 10.1.5
Onversterkte muziek SubParagraaf 10.1.5.1 Onversterkte muziek - toegestaan
Artikel 10.9Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op het ten gehore brengen van onversterkte muziek in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op het ten gehore brengen van onversterkte muziek bij collectieve en incidentele festiviteiten.
3.
Onder onversterkte muziek als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 10.10Onversterkte muziek - toegestaan
1.
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek binnen een bedrijfsmatige activiteit is artikel 22.63, eerste en derde lid, van toepassing met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 3.22 Besluit bouwwerken leefomgeving; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; en e. als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek.
2.
Voor de duur van maximaal 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een bedrijfsmatige activiteit gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.
Paragraaf 10.1.6
Overige geluidhinder SubParagraaf 10.1.6.1 Overige geluidhinder - vergunningplicht
Artikel 10.11Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op overige geluidhinder in de gemeente Ommen.
2.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Overijssel.
3.
Onder overige geluidhinder als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het in werking hebben van toestellen of geluidsapparaten of handelingen verrichten buiten een bedrijfsmatige activiteit op zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Artikel 10.12Overige geluidhinder - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning overige geluidhinder te veroorzaken.
Artikel 10.13Overige geluidhinder - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.12 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de dag(en) en tijden waarop geluidhinder wordt verwacht; en b. de reden van de geluidhinder.
Afdeling 10.2
Geurhinder
Paragraaf 10.2.1
Algemene regels geur
Artikel 10.14Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een activiteit, anders dan wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 10.15Voorrangsbepaling
De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in afdeling 10.2 van dit omgevingsplan.
Paragraaf 10.2.2
Geurhinder Witharen
Artikel 10.16Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op activiteiten die geur veroorzaken ter plaatse van de locatie ‘geurhinder – Witharen’.
2.
Onder veehouderij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een veehouderij zoals bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar landbouwhuisdieren worden gehouden, inclusief de weilanden die functioneel ondersteunend zijn aan deze veehouderij.
Artikel 10.17Waarde voor geurbelasting binnen de bebouwingscontour geur
De maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig gebouw bedraagt ten hoogste 4,0 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel.
Paragraaf 10.2.3
Geurhinder Vilsteren
Artikel 10.18Toepassingsbereik
1.
Deze subparagraaf is van toepassing op activiteiten die geur veroorzaken ter plaatse van de locaties geurhinder - Vilsteren 1 en geurhinder - Vilsteren 2.
2.
Onder veehouderij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een veehouderij zoals bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar landbouwhuisdieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, inclusief de weilanden die functioneel ondersteunend zijn aan deze veehouderij.
Artikel 10.19Afstand bij geurbelasting binnen de bebouwingscontour geur
De afstand tussen een dierenverblijf van een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig gebouw bedraagt ter plaatse van de locatie geurhinder - Vilsteren 1 ten minste 50 meter.
Artikel 10.20Afstand bij geurbelasting buiten de bebouwingscontour geur
De afstand tussen een dierenverblijf van een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig gebouw bedraagt ter plaatse van de locatie geurhinder - Vilsteren 2 ten minste 40 meter.
Hoofdstuk 11
Monumentenactiviteiten
Afdeling 11.1
Gemeentelijke monumentenactiviteiten
Paragraaf 11.1.1
Gemeentelijke monumentenactiviteit - zorgplicht
Artikel 11.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op de locatie ’gemeentelijk monument’.
Artikel 11.2Oogmerk
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.
Artikel 11.3Gemeentelijke monumentenactiviteit - zorgplicht
Degene die een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Paragraaf 11.1.2
Gemeentelijke monumentenactiviteit - toegestaan
Artikel 11.4Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op de locatie ’gemeentelijk monument’.
Artikel 11.5Oogmerk
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.
Artikel 11.6Gemeentelijke monumentenactiviteit - toegestaan
Het is toegestaan de volgende activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument te verrichten: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument, mits dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
Paragraaf 11.1.3
Gemeentelijke monumentenactiviteit - vergunningplicht
Artikel 11.7Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op de locatie ‘gemeentelijk monument’.
Artikel 11.8Oogmerk
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.
Artikel 11.9Gemeentelijke monumentenactiviteit - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 11.10Gemeentelijke monumentenactiviteit - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.9 wordt slechts verleend als: a. het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet, rekening houdend met het gebruik van het monument.
Paragraaf 11.1.4
Gemeentelijke monumentenactiviteit - verbod
Artikel 11.11Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op de locatie ’gemeentelijk monument’.
Artikel 11.12Oogmerk
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.
Artikel 11.13Gemeentelijke monumentenactiviteit - verbod
Het is verboden een gemeentelijk monument: a. te beschadigen of te vernielen.
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Hoofdstuk 18
Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 20
Hoofdstuk 21
Hoofdstuk 22
ACTIVITEITEN
Afdeling 22.1
ALGEMEEN
Artikel 22.1Voorrangsbepaling
1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6
Paragraaf 22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7Repressief welstand
1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 22.2.4
Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.
1 liter
Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 22.2.6
Cultureel erfgoed
Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek
1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SubParagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen
1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24Meetbepalingen
1.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 22.25Mantelzorg
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.
Artikel 22.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a.