← Nederland

Omgevingsplan gemeente Duiven (Duiven)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Duiven regelt de algemene bepalingen, begrippen, meet- en rekenbepalingen, en specifieke regels voor activiteiten en bouwwerken binnen de gemeentegrenzen. Het doel is het waarborgen van veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en milieubescherming.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696226 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0226/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-04 2026-03-04 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696226/nld@2026-04-16 /join/id/proces/gm0226/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0226/2024/procedureb75273bafa6c4cb98120df6f3f80a368 /join/id/proces/gm0226/2024/procedurec655c734103c4c4494dfd08135a31264 /join/id/proces/gm0226/2025/procedure0333b195bf534352aadf1bda71c62e26 /join/id/proces/gm0226/2025/procedure65aa0e9c71704283984b508bcce208dc 2026-04-16 2026-04-23 2026-04-16 2026-04-23 2026-04-16 2026-04-23 /akn/nl/act/gm0226/2020/omgevingsplan/nld@2026-02-24;11572266 /akn/nl/act/gm0226/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0226/2020/omgevingsplan/nld@2026-02-24;11572266 /join/id/stop/work_019 5 Omgevingsplan gemeente Duiven Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Afdeling 1.1 Begrippen en meet- en rekenbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit, bijlage I bij de Omgevingsregelingen bijlage II van dit omgevingsplan zijn van toepassing op dit omgevingsplan, met uitzondering van hoofdstuk
  2. Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 20 van dit omgevingsplan.
  3. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
  4. Bijlage IV bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen Bijlage V bij dit omgevingsplan bevat meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan. Artikel 1.3 Voorrangsbepaling begrippen en meet- en rekenbepalingen
  5. Voor zover de begripsbepalingen in bijlage III bij dit omgevingsplan strijdig zijn met de begripsbepalingen in bijlage IV van dit omgevingsplan, hebben de begripsbepalingen in bijlage IV voorrang op de begripsbepalingen in bijlage III.
  6. Voor zover de reken- en meetbepalingen in bijlage V strijdig zijn met de reken- en meetbepalingen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, hebben de reken- en meetbepalingen in hoofdstuk 22 voorrang op de reken- en meetbepalingen in Bijlage V. Afdeling 1.2 Algemene bepalingen voor activiteiten Artikel 1.4 Geometrische begrenzing
  7. De regels in dit omgevingsplan gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Duiven, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald in dit omgevingsplan.
  8. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van alle geografische informatieobjecten voor de toepassing van dit omgevingsplan. Artikel 1.5 Normadressaat Aan de regels voor activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in dit omgevingsplan nadrukkelijk anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Hoofdstuk 2 Doelen en omgevingswaarden Hoofdstuk 3 Programma’s met programmatische aanpak Hoofdstuk 4 Gebieden Hoofdstuk 5 Gebiedsaanwijzing Afdeling 5.1 Gebiedsaanwijzing - bodem Artikel 5.1 Aanwijzing en geometrische begrenzing bodembeheergebied Voor het afwijken van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, artikel 4.1275 en artikel 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden de volgende gebiedsaanwijzingen: a. bodembeheergebied grond en baggerspecie; b. zones op basis van de ontgravingskwaliteit; en c. zones op basis van de toepassingseisen. Artikel 5.2 Aanwijzing en geometrische begrenzing bodemfunctieklassen Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de: a. bodemfunctieklasse landbouw/natuur; b. bodemfunctieklasse wonen; en c. bodemfunctieklasse industrie. Hoofdstuk 6 Algemene regels over activiteiten Afdeling 6.1 Algemene regels - activiteiten Artikel 6.1 Meetbepalingen
  9. De waarden in regels van dit omgevingsplan die in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  10. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 6.2 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking
  11. Voor zover voor een activiteit in dit omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
  12. Het eerste lid is ook van toepassing voor zover voor een activiteit in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven regels. Artikel 6.3 Nadere invulling omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking
  13. Voor zover de regels over het bij omgevingsvergunning afwijken voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.2, de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze gelezen als een bevoegdheid.
  14. Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.2 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid. Afdeling 6.2 Algemene regels - bouwwerken, open erven en terreinen Paragraaf 6.2.1 Bouwwerken, open erven en terreinen - algemeen Artikel 6.4 Maatwerkvoorschriften
  15. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling.
  16. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 6.2.2 Algemene regels over bouwen en in stand houden van bouwwerken Subparagraaf 6.2.2.1 Algemene regels over bouwwerken in stand houden Artikel 6.5 Repressief welstand
  17. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd met de regels over het uiterlijk van bouwwerken uit dit omgevingsplan en de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  18. Het uiterlijk van de in het eerste lid genoemde bouwwerken mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, zoals bedoeld in artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. Subparagraaf 6.2.2.2 Algemene regels over aansluitingen en veiligheid van bouwwerken Artikel 6.6 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  19. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  20. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  21. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, voor zover dit al geregeld is in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 6.7 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  22. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  23. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woning voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 6.8 Aansluiting op distributienet voor gas
  24. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  25. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woning voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 6.9 Aansluiting op distributienet voor warmte
  26. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  27. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  28. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woning voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  29. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 6.10 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 6.11 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  30. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  31. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  32. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  33. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 6.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 6.12 Bluswatervoorziening
  34. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  35. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  36. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 6.13 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  37. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  38. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  39. Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  40. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  41. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 6.14 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  42. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  43. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  44. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  45. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 6.13, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  46. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 6.15 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 6.2.3 Algemene regels over open erven en terreinen Artikel 6.16 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  47. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  48. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  49. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 6.17 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  50. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in onderstaand tabel 'Brandgevaarlijke stoffen' aanwezig. Tabel: Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1) Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
  51. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 6.17.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  52. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  53. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  54. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  55. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  56. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  57. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Artikel 6.18 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Afdeling 6.3 Algemene regels - wonen Artikel 6.19 Overbewoning woonruimte
  58. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  59. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Hoofdstuk 7 Gebruiksactiviteiten Afdeling 7.1 Gebruiksactiviteit - algemeen Paragraaf 7.1.1 Algemene regels over gebruiksactiviteiten Artikel 7.1 Toepassingsbereik afdeling 7.1 De regels in afdeling 7.1 van dit omgevingsplan zijn van toepassing op de in dit omgevingsplan opgenomen gebruiksactiviteiten. Artikel 7.2 Mantelzorg
  60. Voor de toepassing van de artikelen uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met een (bedrijfs)woning.
  61. Het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan. Paragraaf 7.1.2 Informatieplichten gebruiksactiviteit Subparagraaf 7.1.2.1 Informatieplicht wijziging van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat Artikel 7.3 Toepassingsbereik subparagraaf 7.1.2.1 Deze subparagraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 1.
  62. van dit Omgevingsplan ontstaat. Artikel 7.4 Informatieplicht wijzigen van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat
  63. Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat, worden aan het college van burgemeester en wethouders volgende gegevens verstrekt: a. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 8.18 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermde maatregelen wordt getroffen.
  64. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB
  65. Paragraaf 7.1.3 Algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruiksactiviteit Artikel 7.5 Specifieke beoordelingsregel voor het wijzigen van het omgevingsplan of het verlenen van een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit waarbij een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan In het kader van het evenwichtige toedelen van functies aan locaties en ter bescherming van de gezondheid wordt een bodemgevoelige locatie uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 8.18 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico's worden weggenomen. Artikel 7.6 Specifieke beoordelingsregel in gebruik nemen van een bodemgevoelige locatie als de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden Een bodemgevoelige locatie wordt pas in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over en heeft ingestemd met de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Paragraaf 7.1.4 Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning gebruiksactiviteit Artikel 7.7 Algemene indieningsvereisten binnenplanse afwijking
  66. Bij de aanvraag voor het afwijken van de regels uit hoofdstuk 7 van het omgevingsplan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:
  67. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  68. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  69. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  70. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  71. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk. c. een plattegrondtekening van het bouwwerk van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:
  72. de afmetingen van het bouwwerk;
  73. het gebruik van de ruimtes in het bouwwerk.
  74. Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Hoofdstuk 8 Bouwactiviteiten Afdeling 8.1 Bouwactiviteit - algemeen Paragraaf 8.1.1 Algemene regels over bouwactiviteiten Artikel 8.1 Toepassingsbereik afdeling 8.1 De regels in afdeling 8.1 van dit omgevingsplan zijn van toepassing op de in dit omgevingsplan genoemde bouwactiviteiten. Artikel 8.2 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat, voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn vastgesteld; en b. het straatpeil is vastgesteld. Paragraaf 8.1.2 Vergunningplicht bouwactiviteit en uitzonderingen Subparagraaf 8.1.2.1 Vergunningplicht bouwactiviteit Artikel 8.3 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwactiviteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Subparagraaf 8.1.2.2 Uitzonderingen op de vergunningplicht, automatisch in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 8.4 Erf- of perceelafscheiding, automatisch in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de bepalingen uit hoofdstuk 6 en 8 is een erf- of perceelafscheiding in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. Hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; b. Op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; c. Achter de doorgetrokken voorgevellijn van het hoofdgebouw; en d. Op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij er geen regels over het uiterlijk van bouwwerken van toepassing zijn. Artikel 8.5 Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, automatisch in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de bepalingen uit hoofdstuk 6 en 8 is een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan, op de locatie vergunningsvrij bijbehorend bouwwerk bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. Op de grond staand; b. Gelegen in het achtererfgebied; c. Op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. Niet hoger dan 5 m; e. De ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; f. Niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g. Voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
  75. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
  76. Het hoofdgebouw h. Voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
  77. Als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
  78. Voor zover het een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is, is dit gebouw functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; i. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:
  79. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
  80. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
  81. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; of j. Uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
  82. een woonwagen;
  83. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
  84. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; k. Als een bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
  85. In zijn geheel of in delen verplaatsbaar; en
  86. De oppervlakte niet meer dan 100 m2; en
  87. Buiten de bebouwde kom; Subparagraaf 8.1.2.3 Uitzonderingen op de vergunningplicht, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 8.6 Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op de locatie vergunningsvrij bijbehorend bouwwerk bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. Op de grond staand; b. Gelegen in het achtererfgebied; c. Op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. Niet hoger dan 5 m; e. De ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; f. Niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; Artikel 8.7 Een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op de locatie vergunningsvrij recreatief nachtverblijf bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. Op de grond staand; b. Niet hoger dan 5 m; en c. De oppervlakte niet meer dan 70 m2; Artikel 8.8 Een sport- of speeltoestel anders dan voor particulier gebruik, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een sport- of speeltoestel anders dan voor particulier gebruik op de locatie vergunningsvrij sport- en speeltoestel bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. Niet hoger dan 4 m; en b. Alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; Artikel 8.9 Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver op een gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien. Artikel 8.10 Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering op de locatie vergunningsvrij een agrarisch bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen, in stand houden en gebruiken, voor zover het gaat om: a. Een silo; of b. Een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; Artikel 8.11 Een buisleiding, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Artikel 8.12 Een bouwwerk veranderen, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. Geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. Geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. Geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29m, onder b tot en met r, van Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Subparagraaf 8.1.2.4 Inperkingen op de vergunningsvrije bouwwerken uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 Artikel 8.13 Inperking op de vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 vanwege illegaal bouwwerk
  88. De artikelen uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  89. Bij de toepassing van de artikelen uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 8.5, of 8.6, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 7.2, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 8.14 Inperking op vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 vanwege cultureel erfgoed
  90. De artikelen in subparagraaf 8.1.2.2 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
  91. Op een activiteit die wordt verricht: a. In, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is subparagraaf 8.1.2.3 niet van toepassing. b. Bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn alleen artikelen 8.4, 8.8, 8.9, 8.10, 8.11 en 8.12 van toepassing. c. Op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie­aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is subparagraaf 8.1.2.3 en artikel 8.4 alleen van toepassing voor zover het gaat om:
  92. inpandige wijzigingen;
  93. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
  94. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of
  95. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied. Artikel 8.15 Inperking op vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 vanwege externe veiligheid Artikel 8.5, en artikel 7.2, aanhef en onder a is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  96. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voorzover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  97. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  98. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  99. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  100. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  101. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  102. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  103. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  104. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  105. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  106. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  107. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  108. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of
  109. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is. Paragraaf 8.1.3 Meldingplichten bouwactiviteit Artikel 8.16 Meldingsplicht bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw
  110. Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.
  111. Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Paragraaf 8.1.4 Algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwactiviteit Artikel 8.17 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  112. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van de artikelen 6.6, 6.15 en 6.19; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  113. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  114. een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  115. aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisico's wegnemen; en
  116. in afwijking van sub 2 hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond en het niet een verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft.
  117. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 8.18 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  118. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  119. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  120. Het zinsdeel ''in meer dan 25 m3 bodemvolume'' in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van asbest en respirabele asbestvezels. Artikel 8.19 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit
  121. Een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dat is toegelaten met toepassing van artikel 8.17, eerste lid, onder c, sub 2, wordt pas in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over en schriftelijk heeft ingestemd met de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoel in artikel 8.17, eerste lid, onder c, sub
  122. Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning of de omgevingsplanwijziging, als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 8.20 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  123. In afwijking van artikel 8.17 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; of c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
  124. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 8.21 Specifieke beoordelingsregels maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit Een Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een locatie waar sprake is van een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 8.18 wordt alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. in afwijking van lid b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond en het niet een verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft; d. aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen. Paragraaf 8.1.5 Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning bouwactiviteit Artikel 8.22 Algemene indieningsvereisten binnenplanse afwijking
  125. Bij de aanvraag voor het afwijken van de regels uit hoofdstuk 8 van het omgevingsplan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:
  126. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  127. de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  128. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  129. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  130. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk. c. een plattegrondtekening van het bouwwerk van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:
  131. de afmetingen van het bouwwerk;
  132. het gebruik van de ruimtes in het bouwwerk.
  133. Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 8.23 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  134. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  135. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  136. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  137. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  138. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken uit dit omgevingsplan dan wel de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  139. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  140. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  141. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  142. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  143. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  144. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 8.18, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en
  145. de resultaten van een bodemonderzoek worden ook vertrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB
  146. j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Paragraaf 8.1.6 Algemene indieningsvereisten meldingsplicht bouwactiviteit Artikel 8.24 Indieningsvereisten meldingsplicht bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw
  147. Een melding als bedoeld in artikel 8.16 wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 8.21 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of ander beschermende maatregel wordt getroffen.
  148. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB
  149. Hoofdstuk 9 Milieubelastende activiteiten Afdeling 9.1 Milieubelastende activiteit - bodembeheer Paragraaf 9.1.1 Graven in de bodem Subparagraaf 9.1.1.1 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3 Artikel 9.1 Toepassingsbereik subparagraaf 9.1.1.1
  150. Deze subparagraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
  151. een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b van de Omgevingswet; of
  152. een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. c. locaties die zijn aangewezen als locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.
  153. Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
  154. Het eerste lid is niet van toepassing op graven in de waterbodem. Artikel 9.2 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  155. Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.1 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur van de activiteit.
  156. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  157. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 9.3 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Artikel 9.4 Milieukundige begeleiding bij nazorg Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL 6000 als op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag. Artikel 9.5 Informeren toezichthouder bij spoedreparatie, maatwerkregel over gegevens en bescheiden bij spoedreparatie in artikel 4.1228 Besluit activiteit leefomgeving Bij een spoedreparatie in de grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. Artikel 9.6 Gescheiden houden van grond Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Subparagraaf 9.1.1.2 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 9.7 Informeren toezichthouder bij spoedreparatie, maatwerkregel over gegevens en bescheiden bij spoedreparatie in artikel 4.1228 Besluit activiteit leefomgeving Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. Paragraaf 9.1.2 GERESERVEERD Paragraaf 9.1.3 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 9.8 Toepassingsbereik paragraaf 9.1.3 Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie. Artikel 9.9 Bodemvreemd materiaal toepassen, maatwerkregel over bodemvreemd materiaal als bedoeld in artikel 4.1271 Besluit activiteiten leefomgeving
  158. In gebieden met de bodemfunctieklasse industrie is het percentage steenachtig materiaal of hout bedoeld in artikel 4.1271, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving ten hoogste 20 gewichtsprocent.
  159. In gebieden met de bodemfunctieklasse wonen en bodemfunctieklasse landbouw/natuur is het percentage steenachtig materiaal of hout bedoeld in artikel 4.1271, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving ten hoogste 5 gewichtsprocent. Artikel 9.10 Gebiedspecifiek toetsingskader Nota bodembeheer, maatwerkregel over kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving De kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota bodembeheer Milieuregio Arnhem, Gemeente Duiven 2011 (en eventuele latere addenda en wijzigingen) zijn van toepassing op de locatie bodembeheergebied. Paragraaf 9.1.4 Saneren van de bodem Artikel 9.11 Toepassingsbereik paragraaf 9.1.4 Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem. Artikel 9.12 Bodemonderzoek in bestandsformaat XML, maatwerkregel over een melding als bedoeld in artikel 4.1236 Besluit activiteiten leefomgeving In aanvulling op het gestelde in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB
  160. Artikel 9.13 Minimale dikte afdeklaag, maatwerkregel over afdekken als saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1241, lid 3 Besluit activiteiten leefomgeving
  161. In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, derde lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte die in onderstaande tabel 'Minimale dikte van de afdeklaag' is aangegeven. Tabel: Minimale dikte van de afdeklaag Bodemgebruik Minimale dikte leeflaag in cm Industrie/bedrijven locaties waar de gemiddelde grondwaterstand <50 cm-mv is niet grondgebonden teelten in kassen 50
  162. In aanvulling op artikel 4.1241, derde lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving moet de kwaliteit van de leeflaag ook voldoen aan artikel 9.
  163. Artikel 9.14 Afdeklaag Een waterdoorlatende verharding is toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is. Paragraaf 9.1.5 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 9.15 Toepassingsbereik paragraaf 9.1.5 Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 9.16 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 9.15 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico's en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Hoofdstuk 10 Sloopactiviteiten Afdeling 10.1 Sloopactiviteit - algemeen Paragraaf 10.1.1 Vergunningplicht sloopactiviteit Artikel 10.1 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit slopen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, voor zover bepaald in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Paragraaf 10.1.2 Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning sloopactiviteit Artikel 10.2 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt gemotiveerd waarom dit verantwoord is ten opzichte van de op die locatie geldende beschermende waarden. Hoofdstuk 11 Activiteiten met betrekking tot werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Afdeling 11.1 Uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Paragraaf 11.1.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Artikel 11.1 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, voor zover bepaald in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Paragraaf 11.1.2 Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Artikel 11.2 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
  164. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid, wordt gemotiveerd waarom dit verantwoord is ten opzichte van de op die locatie geldende beschermende waarden.
  165. Een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Hoofdstuk 12 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Afdeling 12.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed - algemeen Paragraaf 12.1.1 Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Artikel 12.1 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentennummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijke monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. Artikel 12.2 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
  166. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 12.1, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
  167. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  168. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen:
  169. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
  170. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht;
  171. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
  172. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en
  173. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
  174. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en
  175. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  176. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. Artikel 12.3 Nadere indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 12.1 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Artikel 12.4 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit voor het verplaatsen van een gemeentelijk monument
  177. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 12.1, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
  178. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;
  179. foto’s van de bestaande toestand; en
  180. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen:
  181. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;
  182. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en
  183. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
  184. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen. Artikel 12.5 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit slopen van een gemeentelijk monument
  185. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 12.1, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
  186. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  187. foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen:
  188. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;
  189. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en
  190. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  191. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. Artikel 12.6 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 12.2, 12.4 en 12.5
  192. Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 12.2, 12.4 en 12.5 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
  193. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
  194. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
  195. Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:
  196. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en
  197. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. Artikel 12.7 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument De artikelen 12.1, 12.2, 12.3, 12.4, 12.5 en 12.6 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument. Hoofdstuk 13 Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied Afdeling 13.1 Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied - algemeen Paragraaf 13.1.1 Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning voor activiteiten in openbaar toegankelijk gebied Artikel 13.1 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit uitweg Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen. Artikel 13.2 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit handelsreclame
  198. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame.
  199. Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. Hoofdstuk 14 Overige activiteiten Hoofdstuk 15 Beheer en onderhoud Afdeling 15.1 Nazorg na saneren van de bodem Artikel 15.1 Toepassingsbereik afdeling 15.1 Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Artikel 15.2 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  200. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
  201. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet. Hoofdstuk 16 Financiële bepalingen Hoofdstuk 17 Procesregels Hoofdstuk 18 Handhaving Hoofdstuk 19 Monitoring en informatie Hoofdstuk 20 Wijzigingsplannen Titel 20.1 Centerpoort-Noord II Afdeling 20.1.1 Algemeen Artikel 20.1 Toepassingsbereik titel 20.1
  202. De regels in titel 20.1 zijn van toepassing op de in dit omgevingsplan opgenomen activiteiten voor de gebiedsontwikkeling Centerpoort-Noord II.
  203. De regels in deze titel gelden op de locatie besluitgebied - Centerpoort-Noord II. Artikel 20.2 Aanwijzing Er is een gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.3 Doelen Binnen het Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. het duurzaam ontwikkelen en beheren van een regionaal bedrijventerrein; b. het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat, waaronder:
  204. het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan wonen; en
  205. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling; c. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waaronder:
  206. het waarborgen van de veiligheid; en
  207. het beschermen van de gezondheid tegen onder meer geluid, geur en trillingen; d. het beschermen van het milieu, waaronder:
  208. het beschermen van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  209. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  210. een doelmatig beheer van afvalstoffen. e. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling, waaronder:
  211. het overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie, door: I. het ontwikkelen en in gebruik nemen van een decentraal energienetwerk; II. maximale opwekking van zonne-energie en kleinschalige windenergie; en
  212. het bouwen binnen gesloten kringlopen, door: I. het opstellen van een materialenpaspoort; II. bio-based en duurzaam materiaalgebruik; III. het gebruik maken van modulaire bouwsystemen die demontabel zijn; IV. afvalstromen tijdens de bouw gescheiden in te zamelen en het stimuleren van hergebruik op de bouwplaats; en
  213. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress, door: I. zoveel mogelijk groen en half verharding op de bedrijfskavel toe te passen; II. passieve koeling van gebouwen (positionering zon, gebruik lichte kleuren, creëren schaduw; III. toepassen van groene daken en gevels en aanplanten van bomen en planten; en
  214. het bevorderen van duurzame mobiliteit, door: I. het realiseren van voldoende (fiets)parkeerplekken met laadpalen. f. het versterken van de biodiversiteit, waaronder:
  215. het aanplanten van inheemse planten, bomen en bloemen; en
  216. het plaatsen van broed- en nestkasten voor vogels, vleermuizen en insecten. Artikel 20.4 Voorrangsbepaling
  217. Voor zover regels uit deze titel strijdig zijn met regels uit hoofdstuk 2 tot en met 19 van dit omgevingsplan, hebben de regels uit deze titel voorrang op de regels uit hoofdstuk 2 tot en met
  218. Voor zover regels uit deze titel strijdig zijn met regels uit hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, hebben de regels uit deze titel voorrang op de regels uit hoofdstuk
  219. Voor het overige blijven de regels uit hoofdstuk 22 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan onverkort gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Afdeling 20.1.2 Gebiedsaanwijzing Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.2.1 Gebiedsaanwijzing - functies Centerpoort-Noord II Subparagraaf 20.1.2.1.1 Functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Artikel 20.5 Aanwijzing functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.6 Doelen functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II geldt het volgende doel: a. het ontwikkelen van een duurzaam en toekomstbestendig bedrijventerrein. Subparagraaf 20.1.2.1.2 Functie - groen Centerpoort-Noord II Artikel 20.7 Aanwijzing functie - groen Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing functie - groen Centerpoort-Noord II. Artikel 20.8 Doelen functie - groen Centerpoort-Noord II Binnen de functie - groen Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. de ruimte zoveel mogelijk groen en halfverhard uitvoeren, zodat rekening wordt gehouden met de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; b. het blijvend versterken van de biodiversiteit door in de openbare ruimte verschillende soorten begroeiing toe te passen om beter om te kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering. Subparagraaf 20.1.2.1.3 Functie - verkeer Centerpoort-Noord II Artikel 20.9 Aanwijzing functie verkeer- Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing functie - verkeer Centerpoort-Noord II. Artikel 20.10 Doelen functie verkeer - Centerpoort-Noord II Binnen de functie - verkeer Centerpoort-Noord II geldt het volgende doel: a. het zorgdragen voor een verkeersveilige ontsluiting van het bedrijventerrein en de bedrijven door onder andere het aanleggen een gebruikmaken van vrijliggende fietspaden. Paragraaf 20.1.2.2 Gebiedsaanwijzing - erfgoed Centerpoort-Noord II Artikel 20.11 Aanwijzing waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II. Artikel 20.12 Doelen waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II Binnen het waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II geldt het volgende doel: a. het behoud van cultureel erfgoed, waaronder tevens begrepen het beschermen van archeologische waarden en monumenten. Paragraaf 20.1.2.3 Gebiedsaanwijzing - geluidruimte Centerpoort-Noord II Artikel 20.13 Aanwijzing geluidruimte bedrijventerrein - zone geuid verruimd Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II. Artikel 20.14 Doelen geluidruimte bedrijventerrein - zone 4 Centerpoort-Noord II Binnen het gebied geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. het realiseren van een aanvaardbaar akoestisch klimaat; b. het realiseren een gezonde woon- en leefomgeving; c. het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten. Paragraaf 20.1.2.4 Gebiedsaanwijzing - geurruimte Centerpoort-Noord II Artikel 20.15 Aanwijzing geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II. Artikel 20.16 Doelen geurruimte bedrijventerrein - zone 3 Centerpoort-Noord II Binnen het gebied geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. het realiseren van een aanvaardbaar geurklimaat; b. het realiseren een gezonde woon- en leefomgeving; c. het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten. Afdeling 20.1.3 Algemene regels Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.3.1 Algemene regels - parkeren Centerpoort-Noord II Artikel 20.17 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.3.1
  220. Deze paragraaf gaat over de regels met betrekking tot het parkeren van auto’s en fietsen.
  221. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.18 Gebodsbepaling Degene die een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit verricht, is verplicht om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op eigen terrein en deze duurzaam in stand te houden. Artikel 20.19 Beoordelingsregels gebodsbepaling
  222. Voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 20.18 betekent dat voldaan wordt of zal worden voldaan aan de gemiddelde parkeernormen ten aanzien van auto's en fietsen zoals opgenomen in de 'Parkeernormennota Duiven' die in werking is getreden op 3 februari 2018, of diens rechtsopvolger. Dan wel, bij het ontbreken van gemeentelijk beleid, aan de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW Parkeerkencijfers 2018 (publicatie 381) of de meest recente uitgave hiervan op het moment van het starten van de bouwactiviteit of gebruiksactiviteit.
  223. De benodigde parkeerplaatsen zoals bedoeld onder het eerste lid dienen te worden aangelegd en duurzaam in stand gehouden te worden op eigen terrein of gronden die duurzaam daarvoor aangewend kunnen worden en welke direct aansluitend bij het gebouw/perceel zijn gelegen. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is een vorm van strijdigheid met artikel 20.18 van dit omgevingsplan. Artikel 20.20 Binnenplanse afwijking: parkeren Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.19 indien: a. op andere wijze in de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien, of; b. uit (parkeer)onderzoek blijkt dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is in het openbaar gebied, of; c. er door andere omstandigheden, mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of bouwwerk, zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm. Artikel 20.21 Beoordelingsregel binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.20 wordt alleen verleend als: a. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; dit betekent in ieder geval dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad; en c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid. Paragraaf 20.1.3.2 Algemene regels - laden en lossen Centerpoort-Noord II Artikel 20.22 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.3.2
  224. Deze paragraaf gaat over de regels met betrekking tot het laden en lossen.
  225. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.23 Gebodsbepaling Degene die een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit verricht, is verplicht om te voorzien in voldoende laad- en losruimte op eigen terrein en deze duurzaam in stand te houden. Artikel 20.24 Beoordelingsregels gebodsbepaling
  226. Voldoende laad- en losruimte als bedoeld in artikel 20.23 betekent dat wordt voorzien in de behoefte voor het laden en lossen van goederen en daaronder mede begrepen de bijbehorende voorzieningen en manoeuvreerruimte zoals bepaald in de 'Parkeernormennota Duiven' die in werking is getreden op 3 februari 2018 of diens rechtsopvolger. Dan wel, bij het ontbreken van gemeentelijke beleid, aan de kaders van de meeste recente uitgave van de ASVV (uitgegeven door CROW) op het moment van het starten van een bouwactiviteit of gebruiksactiviteit.
  227. De benodigde laad- en losruimte zoals bedoeld onder het eerste lid dient te worden aangelegd en duurzaam in stand te worden gehouden op eigen terrein of op gronden die daarvoor duurzaam kunnen worden aangewend en welke direct aansluitend bij het gebouw/perceel zijn gelegen. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is een vorm van strijdigheid met artikel 20.23 van dit omgevingsplan. Artikel 20.25 Binnenplanse afwijking: laden en lossen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.24 indien: a. op andere wijze in de benodigde laad- en losruimte wordt voorzien, of; b. uit (parkeer)onderzoek blijkt dat voldoende laad- en losgelegenheid in het openbaar gebied aanwezig is, of; c. er door andere omstandigheden, mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of bouwwerk, zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik kan worden volstaan met een lagere norm. Artikel 20.26 Beoordelingsregel binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.25 wordt alleen verleend als: a. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; dit betekent in ieder geval dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad; en c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid. Paragraaf 20.1.3.3 Algemene regels - water en watersystemen Centerpoort-Noord II Artikel 20.27 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.3.3
  228. Deze paragraaf gaat over de regels met betrekking tot de waterberging en klimaatadaptatie.
  229. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.28 Gebodsbepaling Degene die een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit verricht, is verplicht om te voorzien in voldoende waterberging en klimaatadaptieve maatregelen op eigen terrein en deze in stand te houden. Artikel 20.29 Beoordelingsregels gebodsbepaling Voldoende waterberging en klimaatadaptieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 20.28 betekent dat voldaan wordt aan de volgende regels: a. per 1 m2 verhard oppervlak op een bouwperceel wordt minimaal 60 liter regenwater per m2 op het bouwperceel geborgen, waarbij deze bergingscapaciteit binnen 24 uur weer volledig beschikbaar dient te zijn; b. de hemelwaterberging bevindt zich boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand; c. per 100 m2 verhard oppervlak op een bouwperceel wordt tenminste 10 m2 groen op eigen terrein aangelegd; verticaal dan wel op maaiveld; d. het parkeerterrein voor personenauto’s wordt waar mogelijk waterdoorlatend aangelegd en in stand gehouden. Artikel 20.30 Binnenplanse afwijking: water en watersystemen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.29 lid a: a. wanneer het realiseren van de benodigde waterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen op het eigen bouwperceel, kan onder voorwaarden worden afgevoerd via watergangen en groene bermen (wadi’s) en indien nodig worden geloosd op het oppervlaktewater dan wel het openbaar riool. Artikel 20.31 Beoordelingsregel binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.30 wordt verleend als: a. wordt aangetoond dat het hemel- en grondwater redelijkerwijs niet op eigen perceel kan worden geborgen, verwerkt of afgevoerd; en b. wordt aangetoond dat het hemel- en grondwater redelijkerwijs kan worden geborgen, verwerkt of afgevoerd in openbaar gebied. Afdeling 20.1.4 Gebruiksactiviteiten Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.4.1 Gebruiksactiviteit - algemeen Artikel 20.32 Toepassingsbereik afdeling 20.1.4 De regels in afdeling 20.1.4 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen gebruiksactiviteiten. Artikel 20.33 Verboden activiteiten De volgende activiteiten worden niet in het gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II verricht: a. een gebruiksactiviteit die niet in overeenstemming is met de functie die in afdeling 20.1.4 aan een locatie is toebedeeld; b. detailhandel, behoudens op de locaties waar dit specifiek is toegestaan; c. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bedrijfsactiviteiten gerichte gebruik en onderhoud; d. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bedrijfsactiviteiten gerichte gebruik en onderhoud; e. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting. Paragraaf 20.1.4.2 Gebruiksactiviteit - bedrijventerrein Artikel 20.34 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.4.2
  230. Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteiten binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II.
  231. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.35 Algemene regel: gebruik gronden De gronden binnen de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II worden gebruikt voor: a. het verrichten van bedrijfsactiviteiten; b. wegen, wandel- en fietspaden en ontsluitingsvoorzieningen in de vorm van in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen; d. water en watervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. infrastructurele voorzieningen; g. openbare nutsvoorzieningen. Artikel 20.36 Specifieke regel: gebruik gronden
  232. In afwijking van artikel 20.35 mogen uitsluitend gronden binnen de locatie vulpunt waterstof Centerpoort-Noord II tevens worden gebruikt ten behoeve van een vulpunt voor waterstof.
  233. In afwijking van artikel 20.35 mogen uitsluitend gronden binnen de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG/LNG Centerpoort- Noord II tevens worden gebruikt ten behoeve van een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG/LNG met daarbij behorende lichte horeca en ondergeschikte detailhandel behorende bij het verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG/LNG. Artikel 20.37 Melding gebruiksactiviteit
  234. Het is verboden om een aan een locatie toegedeelde gebruiksactiviteit te starten of te wijzigen, die hinder door geluid, geur, trillingen, stof of licht kan veroorzaken, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  235. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in deze titel.
  236. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres waarop de activiteit wordt verricht; c. de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; e. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels in afdeling 20.1.6 over geluid en geur; f. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels van afdeling 20.1.3 over parkeren, laden en lossen en water en watersystemen; en g. de dagtekening.
  237. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de gegevens en bescheiden worden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het omgevingsplan over aan een locatie toegedeelde activiteit.
  238. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het overleggen van een akoestisch onderzoek niet is vereist, als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels in het omgevingsplan. Paragraaf 20.1.4.3 Gebruiksactiviteit - groen Artikel 20.38 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.4.3
  239. Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit binnen de functie - groen Centerpoort-Noord II.
  240. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie groen Centerpoort-Noord II. Artikel 20.39 Algemene regel: gebruik gronden De gronden binnen de locatie groen Centerpoort-Noord II worden gebruikt voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. parken en plantsoenen; c. water en watervoorzieningen; d. wegen, wandel- en fietspaden en verhardingen; e. kunstwerken; f. openbare nutsvoorzieningen. Artikel 20.40 Specifieke regel: gebruik gronden De inrichting van de gronden ter plaatse van de locatie waterberging Centerpoort-Noord II mag niet zodanig worden gewijzigd dat op (een gedeelte van) die gronden waterberging niet langer mogelijk is. Paragraaf 20.1.4.4 Gebruiksactiviteit - verkeer Artikel 20.41 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.4.4
  241. Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit binnen de functie - verkeer Centerpoort-Noord II.
  242. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie verkeer Centerpoort-Noord II. Artikel 20.42 Algemene regels: gebruik gronden De gronden binnen de locatie verkeer Centerpoort-Noord II worden gebruikt voor: a. wegen, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeervoorzieningen; c. water en watervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. openbare nutsvoorzieningen. Artikel 20.43 Binnenplans afwijking: bedrijfsactiviteiten Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.42 voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 20.
  243. Artikel 20.44 Beoordelingsregels binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.43 wordt alleen verleend als: a. het gebruik van de gronden voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit het oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing; b. de activiteit niet leidt tot een onevenwichtige toedeling van functies aan locaties; c. door de activiteit geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  244. het woon- en leefmilieu; en
  245. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast. Afdeling 20.1.5 Bouwactiviteiten Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.5.1 Bouwactiviteiten - algemeen Artikel 20.45 Toepassingsbereik afdeling 20.1.5 De regels in afdeling 20.1.5 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen bouwactiviteiten. Artikel 20.46 Specifieke zorgplicht bescherming omgeving bouwwerkzaamheden De zorgplicht, bedoeld in artikel 7.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, houdt voor de activiteiten in deze paragraaf in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 20.47 Uiterlijk bouwwerk Een bouwwerk voldoet aan de ruimtelijke kwaliteitseisen voor bedrijventerreinen met welstandsniveau 'soepel', als bedoeld in de Welstandsnota gemeente Duiven 2013 of diens rechtsopvolger. Paragraaf 20.1.5.2 Bouwactiviteit - bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen Centerpoort-Noord II Artikel 20.48 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.2
  246. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II.
  247. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.49 Algemene regels bouwactiviteit - bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen Het vloerpeil van een bedrijfsgebouw ligt op ten minste 0,3 meter boven het straatpeil. Artikel 20.50 Vergunningplicht bouwactiviteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende bouwactiviteiten te verrichten: a. een bedrijfsgebouw te bouwen; b. een bedrijfsgebouw uit te breiden; en/of c. een bedrijfsgebouw te veranderen/wijzigen. Artikel 20.51 Bijzondere indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen
  248. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld materialenpaspoort waarin de bij de bouw gebruikte materialen zijn gedocumenteerd.
  249. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld materialenpaspoort waarin de bij de bouw gebruikte materialen zijn gedocumenteerd. Artikel 20.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.50 wordt alleen verleend als: a. de totale bebouwing op het betreffende bouwperceel maximaal 70% is; b. de bouwhoogte van het betreffende bedrijfsgebouw maximaal 15 meter is, met dien verstande dat de bouwhoogte over maximaal 20% van het bebouwd oppervlak per bedrijf maximaal 18 meter mag bedragen; en c. de afstand van het betreffende bedrijfsgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 5 meter bedraagt. Artikel 20.53 Specifieke beoordelingsregel In aanvulling op artikel 20.52 mag binnen de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG/LNG Centerpoort- Noord II een bedrijfsgebouw ten behoeve van een tankshop worden gebouwd van maximaal 120 m
  250. Artikel 20.54 Binnenplanse afwijking: bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.52: a. voor het vergroten van de bouwhoogte van 15 meter voor bedrijfsgebouwen met maximaal 2 meter; b. voor het toestaan van een afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens van minimaal 3 meter. Artikel 20.55 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.54 wordt alleen verleend als: a. de afwijking noodzakelijk is voor de normale bedrijfsvoering; b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en c. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Paragraaf 20.1.5.3 Bouwactiviteit - bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Centerpoort-Noord II ter plaatse van de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Artikel 20.56 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.3
  251. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II.
  252. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.57 Algemene regels: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Op de gronden binnen de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II is de maximale bouwhoogte voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor: a. bedrijfsinstallaties en lichtmasten maximaal 8 meter; b. vlaggenmasten maximaal 6 meter; c. reclamezuilen maximaal 5 meter; d. erf- en terreinafscheidingen maximaal 4 meter; e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2 meter. Artikel 20.58 Specifieke regels: bouwwerk geen gebouw zijnde
  253. Op de gronden binnen de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II: a. zijn maximaal 3 vlaggenmasten per bouwperceel toegestaan; b. is maximaal 1 reclamezuil per bouwperceel toegestaan.
  254. Op de gronden binnen de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG/LNG Centerpoort- Noord II geldt de maximale bouwhoogte voor een luifel boven de afgiftepunten van 8 meter. Artikel 20.59 Binnenplanse afwijking: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
  255. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.57 en artikel 20.58: a. voor het toestaan van maximaal 5 vlaggenmasten per bouwperceel; b. voor bedrijfsinstallaties met een bouwhoogte van meer dan 8 meter tot maximaal 20 meter; c. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde met een bouwhoogte van meer dan 2 meter tot maximaal 5 meter; d. voor het toestaan van een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van kunstwerken tot maximaal 40 meter.
  256. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.57 en artikel 20.58 ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, mits wordt voldaan aan de volgend eisen; a. uit onderzoek blijkt dat site-sharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(re) gebouwen niet mogelijk is; b. de antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing en roaming; c. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk ingepast in de omgeving; d. de antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing (geen woonbebouwing); e. de antenne-installatie wordt niet gebouwd op en bij monumenten; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 40 meter; g. de ontwikkeling past binnen de kaders van het geldende gemeentelijke en/of landelijke antennebeleid; en h. voor zover binnen de bebouwde kom, wordt de antenne-installatie niet gesitueerd op gronden die in dit omgevingsplan zijn voorzien van de functie - wonen. Artikel 20.60 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.59 wordt alleen verleend als: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Paragraaf 20.1.5.4 Bouwactiviteit - bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Centerpoort-Noord II ter plaatse van de functie - groen Centerpoort-Noord II Artikel 20.61 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.4
  257. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen binnen de functie - groen Centerpoort-Noord II.
  258. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie groen Centerpoort-Noord II. Artikel 20.62 Algemene regel: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Op de gronden binnen de locatie groen Centerpoort-Noord II is de maximale bouwhoogte voor: a. lichtmasten maximaal 6 meter; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter. Artikel 20.63 Binnenplanse afwijking: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
  259. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.62 voor het toestaan van een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van kunstwerken tot maximaal 40 meter.
  260. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.62 voor het toestaan van een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. uit onderzoek blijkt dat site-sharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(re) gebouwen niet mogelijk is; b. de antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing en roaming; c. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk ingepast in de omgeving; d. de antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing (geen woonbebouwing); e. de antenne-installatie wordt niet gebouwd op en bij monumenten; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 40 meter; g. de ontwikkeling past binnen de kaders van het geldende gemeentelijke en/of landelijke antennebeleid; en h. voor zover binnen de bebouwde kom, wordt de antenne-installatie niet gesitueerd op gronden die in dit omgevingsplan zijn voorzien van de functie - wonen. Artikel 20.64 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.63 wordt alleen verleend als: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Paragraaf 20.1.5.5 Bouwactiviteit - bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Centerpoort-Noord II ter plaatse van de functie - verkeer Centerpoort-Noord II Artikel 20.65 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.5
  261. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen binnen de functie - verkeer Centerpoort-Noord II.
  262. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie verkeer Centerpoort-Noord II. Artikel 20.66 Algemene regel: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Op de gronden binnen de locatie verkeer Centerpoort-Noord II is de maximale bouwhoogte voor een bouwwerk geen gebouw zijnde voor: a. lichtmasten maximaal 6 meter; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter. Artikel 20.67 Binnenplanse afwijking: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
  263. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.66 voor het toestaan van een bouwwerk geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken tot maximaal 40 meter.
  264. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.66 voor het toestaan van een bouwwerk geen gebouwen zijnde ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten van maximaal 40 meter, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. uit onderzoek blijkt dat site-sharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(re) gebouwen niet mogelijk is; b. de antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing en roaming; c. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk ingepast in de omgeving; d. de antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing (geen woonbebouwing); e. de antenne-installatie wordt niet gebouwd op en bij monumenten; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 40 meter; g. de ontwikkeling past binnen de kaders van het geldende gemeentelijke en/of landelijke antennebeleid; h. voor zover binnen de bebouwde kom, wordt de antenne-installatie niet gesitueerd op gronden die in dit omgevingsplan zijn voorzien van de functie - wonen. Artikel 20.68 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoel in artikel 20.67 wordt alleen verleend als: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Afdeling 20.1.6 Milieubelastende activiteiten Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.6.1 Milieubelastende activiteit - algemeen Artikel 20.69 Toepassingsbereik afdeling 20.1.6 De regels in afdeling 20.1.6 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen milieubelastende activiteiten. Artikel 20.70 Samenhangende milieubelastende activiteiten In deze afdeling wordt voor de regels over geluid en geur als één activiteit beschouwd: a. activiteiten als bedoeld in de afdeling 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
  265. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of
  266. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 20.71 Verboden milieubelastende activiteiten De volgende activiteiten worden niet in het gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II verricht: a. activiteiten met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. activiteiten waarvoor een m.e.r.-(beoordeling-)plicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving; en d. het exploiteren van IPPC-Installaties. Paragraaf 20.1.6.2 Milieubelastende activiteit - geluid Centerpoort-Noord II Artikel 20.72 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.6.2
  267. Deze paragraaf gaat over geluid veroorzaakt door activiteiten binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II.
  268. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II.
  269. Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van aan een locatie toegedeelde activiteiten, met uitzondering van: a. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; b. windturbines en windparken; c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; d. de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van een weg na een ongeluk; en e. wonen.
  270. De waarden in deze paragraaf zijn niet van toepassing op: a. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; b. het geluid van een activiteit op 'geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding' met die activiteit; en c. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is. Artikel 20.73 Algemene regels: waar de waarden gelden De waarden in deze paragraaf gelden, tenzij anders bepaald: a. op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of een woonwagen:
  271. op de gevel, als het gaat om een bestaand geluidgevoelig gebouw; en
  272. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; en b. op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. Artikel 20.74 Algemene regels: geluidwaarden geluidveroorzakende activiteit Bij het uitoefenen van geluidveroorzakende activiteiten in de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II geldt dat wordt voldaan aan de volgende regels: a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT van geluidveroorzakende activiteiten moet voldoen aan de waarden zoals opgenomen in tabel 20.74.
  273. De waarden gelden op de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, tenzij in dit artikel anders is bepaald. b. het maximale beoordelingsniveau van geluidveroorzakende activiteiten moet voldoen aan de waarden zoals opgenomen in tabel 20.74.
  274. De waarden gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. c. bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied tussen de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht en de afstand waar de waarde geldt. d. de in dit artikel gegeven geluidwaarden gelden op een hoogte van 5, 10 en 30 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geluidsbelasting optreedt, gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte. e. de in dit artikel gegeven geluidwaarden gelden niet voor situaties die niet representatief zijn voor de activiteit. Tabel 20.74.1 Ligging activiteit Waar de norm geldt 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Binnen de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II 100 m vanaf de grens van de activiteitlocatie 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Voor zover de afstand van 100 meter vanaf de grens van de activiteitlocatie tot buiten de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II komt, geldt de afstand tot de grens van de zone verruimd of, als die afstand minder is dan 50 meter, geldt een afstand van 50 meter Tot grens zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II of 50 meter 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Tabel 20.74.2 Ligging activiteit Waar de norm geldt Geluidsoort 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Binnen de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II op de gevel van geluidgevoelig gebouw Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen - 70 dB(A) 70 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden - 65 dB(A) 65 dB(A) Artikel 20.75 Binnenplanse afwijking: geluidwaarden geluidveroorzakende activiteit Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.74 indien: a. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden; en b. andere maatregelen die de geluidbelasting verminderen zo veel mogelijk worden getroffen. Artikel 20.76 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.75 wordt alleen verleend als: a. de geluidwaarden maximaal 5 dB hoger zijn dan de waarden in artikel 20.74; b. de geluidwaarden niet leiden tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen in tabel 20.76.1; c. het bepaalde onder b is niet van toepassing op aanwezige geluidgevoelige gebouwen, als:
  275. maatregelen aan de gevel om voor dat gebouw te voldoen aan de waarden, bedoeld in tabel 20.76.1, leiden tot zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard;
  276. de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid in zijn gebouw door activiteiten en onderzoek naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of
  277. de eigenaar weigert geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen. Tabel 20.76.1 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen - 55 dB(A) 55 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden - 45 dB(A) 45 dB(A) Paragraaf 20.1.6.3 Milieubelastende activiteit - trillingen Centerpoort-Noord II Artikel 20.77 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.6.3
  278. Deze paragraaf gaat over trillingen door een activiteit binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II op een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
  279. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II.
  280. De normen in deze paragraaf zijn niet van toepassing op: a. trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van 'trillinggevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding' met die activiteit. Artikel 20.78 Algemene regels: waar de waarden gelden De waarden in deze paragraaf gelden, tenzij anders bepaald: a. in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Artikel 20.79 Algemene regels: trillingveroorzakende activiteit Bij het uitoefenen van een trillingveroorzakende activiteit in het gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II geldt dat wordt voldaan aan de volgende rege

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.