← Nederland

Omgevingsplan gemeente Zaanstad (Zaanstad)

Kort gezegd

Dit omgevingsplan van de gemeente Zaanstad regelt de algemene bepalingen en specifieke regels voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken binnen de gemeentegrenzen. Het stelt kaders voor wat wel en niet mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696325 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0479/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-06-26 2025-06-26 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696325/nld@2025-07-25 /join/id/proc

Artikel 6.1 Toepassingsbereik Hoofdstuk 6 bevat regels over bouwwerken.

Artikel 6.2 Voorrangsbepaling Als er sprake is van strijdigheid tussen afdeling 6.1 en het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet of het TAM-omgevingsplan, dan gaan de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan voor. Artikel 6.3 Vangnetbepaling

  1. Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken of een activiteit te verrichten op een wijze die niet in overeenstemming is met de in hoofdstuk 6 opgenomen regels.
  2. Als op een locatie sprake is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken of een activiteit te verrichten die niet in overeenstemming is met de regels uit afdeling 6.1 en het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet .
  3. Als op een locatie een TAM-omgevingsplan in werking is getreden dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken of een activiteit te verrichten die niet in overeenstemming is met de regels uit afdeling 6.1 en het TAM-omgevingsplan. Artikel 6.4 Meetbepalingen
  4. Voor de toepassing van hoofdstuk 6 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  5. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
  6. Als op een locatie sprake is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, dan geldt in afwijking van het eerste lid, dat de meet- en rekenbepalingen zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, van toepassing zijn op de regels uit het tijdelijk omgevingsplan. Artikel 6.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig door het bevoegd gezag: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Paragraaf 6.1.2 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 6.6 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 6.7 Aanvraagvereisten vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  7. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  8. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  9. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  10. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  11. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  12. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  13. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  14. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  15. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 6.8 Algemene beoordelingsregels
  16. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 6 en 7; b. als op een locatie sprake is van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet dan mag, in afwijking van het eerste lid onder a, de activiteit niet in strijd zijn met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals opgenomen in afdeling 6.1 en 7.1 én de regels uit het tijdelijk omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; c. als op een locatie een TAM-omgevingsplan in werking is getreden dan mag, in afwijking van het eerste lid onder a, de activiteit niet in strijd zijn met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals opgenomen in afdeling 6.1 en 7.1 én de regels uit het TAM-omgevingsplan.
  17. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de artikelen in paragraaf 7.1.2 en artikel 6.
  18. Aan deze artikelen hoeft niet te worden getoetst bij de in het eerste lid genoemde aanvraag. Paragraaf 6.1.3 Uiterlijk van bouwwerken Artikel 6.9 Beoordelingsregels: redelijke eisen van welstand
  19. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
  20. De redelijke eisen van welstand worden beoordeeld op basis van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
  21. Het uiterlijk of de plaatsing van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand.
  22. Het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand als er sprake is een gebied waar deze eisen niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied).
  23. Het uiterlijk of de plaatsing van een monument of beeldbepalende pand dat in een gebied ligt waar de redelijke eisen van welstand niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied), moet, in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, wel voldoen aan de redelijke eisen van welstand.
  24. Het bevoegd gezag kan besluiten dat de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid niet hoeft te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Artikel 6.10 Repressief welstand
  25. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand: a. een bestaand bouwwerk, en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  26. De redelijke eisen van welstand worden beoordeeld op basis van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
  27. Het uiterlijk of de plaatsing van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand.
  28. Het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand als er sprake is een gebied waar deze eisen niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied).
  29. Het uiterlijk of de plaatsing van een monument of beeldbepalende pand dat in een gebied ligt waar de redelijke eisen van welstand niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied), moet, in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, wel voldoen aan de redelijke eisen van welstand.
  30. Als het uiterlijk van een bouwwerk bedoeld in het eerste lid in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand, dan kan het bevoegd gezag besluiten dat de eigenaar van het bouwwerk verplicht wordt zodanig voorzieningen te treffen, dat daardoor die strijdigheid wordt opgeheven. Dat kan het bevoegd gezag besluiten door nemen van en maatwerkvoorschrift. Paragraaf 6.1.4 Bodem Artikel 6.11 Aanvraagvereisten bodem
  31. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden, in aanvulling op artikel 6.7 , de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 6.12, tweede tot en met vierde lid wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
  32. Het bodemonderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101,voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
  33. Onder sanerende maatregel, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 9.5.3; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.
  34. In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
  35. In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
  36. Het vijfde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in het vijfde lid niet rechtvaardigen. Artikel 6.12 Beoordelingsregels bodem
  37. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld artikel 6.6, wordt de omgevingsvergunning, als deze betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als ook: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld onder b die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
  38. Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. Voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  39. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  40. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  41. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  42. Onder sanerende maatregel bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 9.5.3; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.
  43. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  44. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 6.13 Vergunningvoorschriften bodem
  45. Aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in artikel 6.6, van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 6.12, eerste lid aanhef en onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen als: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
  46. Onder sanerende maatregel bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 9.5.3; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.
  47. Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 6.12, eerste lid, aanhef en onder d kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
  48. Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het derde lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Paragraaf 6.1.5 Parkeren Paragraaf 6.1.6 Aansluiting van bouwwerken Artikel 6.14 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  49. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  50. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 6.15 Aansluiting op distributienet voor gas
  51. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  52. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 6.16 Aansluiting op distributienet voor warmte
  53. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  54. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  55. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk
  56. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 6.17 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 6.18 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  57. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  58. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  59. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  60. Bij maatwerkvoorschrift kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Paragraaf 6.1.7 Bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen brandweervoertuigen Artikel 6.19 Bluswatervoorziening
  61. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  62. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  63. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
  64. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.
  65. De Veiligheidsregio kan voorafgaand aan het stellen van het maatwerkvoorschrift bedoeld in het vierde lid om advies worden gevraagd. Artikel 6.20 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  66. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  67. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  68. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  69. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  70. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
  71. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.
  72. De Veiligheidsregio kan voorafgaand aan het stellen van het maatwerkvoorschrift bedoeld in het zesde lid om advies worden gevraagd. Artikel 6.21 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  73. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  74. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  75. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  76. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 6.20, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  77. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
  78. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.
  79. De Veiligheidsregio kan voorafgaand aan het stellen van het maatwerkvoorschrift bedoeld in het zesde lid om advies worden gevraagd. Paragraaf 6.1.8 Vergunningvrije bouwwerken Afdeling 6.2 Regels met betrekking tot bouwwerken op specifieke locaties Paragraaf 6.2.

Artikel 6

.22 Toepassingsbereik Afdeling 6.2 is niet van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet en een TAM-omgevingsplan. Hoofdstuk 7 Activiteiten met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken Afdeling 7.1 Algemene bepalingen met betrekking tot gebruik Paragraaf 7.1.

Artikel 7

.1 Toepassingsbereik Hoofdstuk 7 bevat regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 7.2 Voorrangsbepaling Als er sprake is van strijdigheid tussen afdeling 7.1 en het tijdelijke deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan, dan gaan de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan voor. Artikel 7.3 Vangnetbepaling

  1. Het is verboden gronden en bouwwerken, te gebruiken, te doen of laten gebruiken of een activiteit te verrichten, op een wijze die niet in overeenstemming is met de in hoofdstuk 7 opgenomen regels.
  2. Als op een locatie sprake is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om de gronden en bouwwerken, te gebruiken, te doen of laten gebruiken of een activiteit te verrichten, anders dan in overeenstemming met de regels uit afdeling 7.1 en het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet .
  3. Als op een locatie sprake een TAM-omgevingsplan in werking is getreden dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om gronden en bouwwerken, te gebruiken, te doen of laten gebruiken of een activiteit te verrichten, anders dan in overeenstemming met de regels uit afdeling 7.1 en het TAM-omgevingsplan. Paragraaf 7.1.2 Regels over handhaving van gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 7.4 Overbewoning woonruimte
  4. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 7.5 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk: bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 7.6 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  6. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  7. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  8. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 7.7 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  9. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  10. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel die in het vijfde lid staat, aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  11. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  12. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  13. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  14. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  15. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  16. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanig wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter
  17. Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 7.8 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  18. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  19. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  20. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 7.9 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk: open erven of terreinen Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Afdeling 7.2 Regels met betrekking tot gebruik op specifieke locaties Paragraaf 7.2.

Artikel 7

.10 Toepasssingsbereik Afdeling is niet van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet en een TAM-omgevingsplan, tenzij anders is bepaald. Hoofdstuk 8 Activiteiten met betrekking tot het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van een werkzaamheid (aanleggen) Afdeling 8.1 Algemene bepalingen over aanleggen Afdeling 8.2 Regels over aanleggen op specifieke locaties Hoofdstuk 9 Milieubelastende activiteiten Afdeling 9.1 Afdeling 9.2 Afdeling 9.3 Afdeling 9.4 Afdeling 9.5 Bodem Paragraaf 9.5.1 Algemeen Artikel 9.1 Toepassingsbereik Deze afdeling geldt voor activiteiten zoals genoemd in paragrafen toepassen van grond of baggerspecie in 9.5.2, saneren van de bodem in 9.5.3, nazorg na saneren van de bodem in 9.5.4, graven in de bodem in 9.5.5, toepassen van staalslakken en het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat in 9.5.6 en activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico in 9.5.

  1. Paragraaf 9.5.2 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 9.2 Artikel 9.3 Artikel 9.4 Artikel 9.5 Artikel 9.6 Artikel 9.7 Paragraaf 9.5.3 Saneren van de bodem Artikel 9.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het saneren van de bodem. Artikel 9.9 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem. Artikel 9.10 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen
  2. In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt het saneren van de bodem bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de plek van het gebouw.
  3. Onder vluchtige stoffen worden de vluchtige stoffen verstaan die in de tabel in het vierde lid zijn opgenomen
  4. De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 22.45 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als dit redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; b. de grote diepte van de verontreiniging.
  5. vluchtige stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Artikel 9.11 Geen mobiele verontreiniging herschikken
  6. In afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in het derde lid opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  7. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze mobiele stoffen niet worden overschreden.
  8. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 9.12 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie, de verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Artikel 9.13 Afwijkende dikte leeflaag Als de grondwaterstand een meter of minder is ten opzichte van het toekomstige maaiveld, kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, volstaan worden met een leeflaagdikte tot het niveau van het grondwater, maar met een minimumdikte van 0,5 meter. Paragraaf 9.5.4 Nazorg na saneren van de bodem en bij een toevalsvondst bodem Artikel 9.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf geldt voor het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift als: a. een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht tijdens de sanering van de bodem; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem, als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn getroffen. Artikel 9.15 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  9. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.
  10. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan Paragraaf 9.5.5 Graven in de bodem Subparagraaf 9.5.5.1 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 9.16 Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 9.17 Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem; g. het doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 9.18 Voorafgaand bodemonderzoek
  11. In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem als het gaat om het graven in de bodem in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone
  12. Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.
  13. In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.
  14. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 9.19 Gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit
  15. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.18, verstrekt.
  16. Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  17. De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 9.20 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 9.18, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 9.21 Grond gescheiden houden
  18. In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden
  19. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 9.22 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Subparagraaf 9.5.5.2 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 9.23 Toepassingsbereik Deze subparagraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 9.24 Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem; f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem g. het doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 9.25 Voorafgaand bodemonderzoek
  20. In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, bij het graven in de bodem in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart - zone 1 of bodemkwaliteitskaart - zone 5, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. Dit gebeurt ook als op grond van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
  21. Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart - zone 5: a. als representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet door de afdeklaag heen gegraven wordt.
  22. In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.
  23. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 9.26 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  24. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 9.25, verstrekt.
  25. De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.25, worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 9.25, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 9.28 Actuele risico’s Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Artikel 9.29 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst, of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 9.30 Grond gescheiden houden
  26. In aanvulling op artikel 4.1230 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft.
  27. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 9.31 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  28. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in het derde lid opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:1° 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  29. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.
  30. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Subparagraaf 9.5.5.3 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 9.32 Toepassingsbereik
  31. Deze subparagraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3 of minder is.
  32. Het kleinschalig graven in de bodem omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. Artikel 9.33 Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem; f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem; en g. het doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 9.34 Voorafgaand bodemonderzoek
  34. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  35. In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem als het gaat om het graven in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone
  36. Het tweede lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.
  37. In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.
  38. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
  39. In afwijking van het tweede en vierde lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden de artikelen 9.45, 9.46, 9.47, 9.48, 9.49, 9.50, 9.51, 9.52 en 9.53
  40. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 9.35 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  41. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt
  42. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
  43. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 9.36 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur
  44. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5 worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag direct na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
  45. Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.
  46. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als de spoedreparatie wordt verricht in werkingsgebied beschikte ernst, geen spoedlocaties.
  47. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur, als sprake is van afvoer van grond, en als de spoedreparatie wordt verricht binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone. Artikel 9.37 Gegevens en bescheiden beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9.35, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 9.38 Grond gescheiden houden
  48. Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
  49. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 9.39 Tijdelijk uitnemen van grond
  50. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
  51. In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 9.40 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 9.39, eerste lid, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Artikel 9.41 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Subparagraaf 9.5.5.4 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 9.42 Toepassingsbereik
  52. Deze subparagraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3 of minder is.
  53. Het kleinschalig graven in de bodem omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen
  54. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
  55. In deze subparagraaf wordt onder afdeklaag verstaan: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming, of een afdeklaag op een stortplaats in zone 5 van de Bodemkwaliteitskaart Zaanstad. Artikel 9.43 Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem; f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem; g. het doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 9.44 Voorafgaand bodemonderzoek
  56. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  57. In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem als het gaat om het graven in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone
  58. Het tweede lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.
  59. In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.
  60. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
  61. In afwijking van het tweede en vierde lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek.
  62. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 9.45 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  63. Als het gaat om afvoer van grond of als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 9.281, gaan verrichten.
  64. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
  65. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
  66. Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
  67. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur Artikel 9.46 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur
  68. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5 worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag direct na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
  69. Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.
  70. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als de spoedreparatie wordt verricht in werkingsgebied beschikte ernst, geen spoedlocaties.
  71. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur, als sprake is van afvoer van grond, en als de spoedreparatie wordt verricht binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone. Artikel 9.47 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9.45, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit Artikel 9.48 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst, of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 9.49 Grond gescheiden houden
  72. Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
  73. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 9.50 Tijdelijk uitnemen van grond
  74. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
  75. In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 9.51 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  76. In afwijking van artikel 9.50 eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in het derde lid opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  77. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.
  78. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 9.52 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Artikel 9.53 Milieukundige begeleiding en kwaliteitsborging Als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 en uitgevoerd volgens BRL SIKB
  79. Paragraaf 9.5.6 Toepassen van staalslakken en het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat Artikel 9.54 Toepassingsbereik
  80. Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie
  81. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips. c. grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem; d. staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak; e. hoogovenslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; f. LD-staalslak: slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz Artikel 9.55 Melding toepassen staalslakken
  82. Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  83. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
  84. Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
  85. Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Artikel 9.56 Melding grondstabilisatie
  86. Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  87. Het eerste lid geldt niet als grondstabilisatie wordt toegepast op een oppervlakte van minder dan 1000 m
  88. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat; d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
  89. Het derde lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
  90. Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Paragraaf 9.5.7 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 9.57 Toepassingsbereik Paragraaf 9.5.7 is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 9.58 Mitigerende maatregelen Degene die een activiteit als bedoeld in het toepassingsbereik in artikel 9.57 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Afdeling 9.6 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  91. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  92. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  93. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  94. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater Artikel 22.13 Bluswatervoorziening Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  95. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  96. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  97. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  98. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  99. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  100. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 6.6 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 6.6, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  101. op de grond staand;
  102. gelegen in achtererfgebied;
  103. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  104. niet hoger dan 5 m;
  105. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  106. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  107. op de grond staand;
  108. niet hoger dan 5 m; en
  109. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  110. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  111. voorzien van een plat dak;
  112. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  113. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  114. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  115. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  116. niet hoger dan 4 m; en
  117. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  118. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  119. op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  120. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  121. een silo; of
  122. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  123. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  124. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  125. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  126. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  127. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  128. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  129. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  130. In afwijking van artikel 6.8, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  131. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  132. In afwijking van artikel 6.8 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; of c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
  133. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  134. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  135. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  136. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;
  137. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  138. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebiedniet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij eenbebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  139. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  140. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
  141. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  142. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  143. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  144. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  145. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  146. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  147. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  148. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  149. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  150. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  151. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  152. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  153. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
  154. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  155. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  156. Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
  157. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
  158. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
  159. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
  160. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  161. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
  162. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
  163. Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  164. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  165. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  166. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  167. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  168. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  169. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  170. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  171. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  172. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  173. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
  174. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  175. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  176. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  177. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
  178. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  179. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  180. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  181. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  182. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  183. Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
  184. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  185. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
  186. Het eerste tot en met derde lid is van toepassing tot 1 december
  187. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
  188. Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing. Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Paragraaf 22.3.4 Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  189. Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
  190. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
  191. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
  192. Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  193. In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  194. In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
  195. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  196. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
  197. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  198. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  199. In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  200. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
  201. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of
  202. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
  203. Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
  204. Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tus

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.