Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Zaanstad (Zaanstad)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan van de gemeente Zaanstad regelt de algemene bepalingen en specifieke regels voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken binnen de gemeentegrenzen. Het stelt kaders voor wat wel en niet mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt.

Voor wie: Iedereen die een activiteit verricht binnen het grondgebied van de gemeente Zaanstad; Iedereen die bouwwerken bouwt, in stand houdt of gebruikt in de gemeente Zaanstad.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Vastgoed- en bouwrecht
Artikelen
398
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De toepassing van begripsbepalingen uit hogere wetgeving en specifieke begrippen voor dit omgevingsplan.
  • Het oogmerk van de regels, gericht op maatschappelijke doelen, tenzij anders aangegeven.
  • De verantwoordelijkheid voor de naleving van regels over activiteiten.
  • Regels over bouwwerken, inclusief vergunningsplichten en beoordelingscriteria voor het uiterlijk.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die een activiteit verricht binnen het grondgebied van de gemeente Zaanstad.
  • Iedereen die bouwwerken bouwt, in stand houdt of gebruikt in de gemeente Zaanstad.

Wat zijn de kernpunten?

  • Begripsbepalingen uit de Omgevingswet en aanverwante besluiten zijn van toepassing, tenzij Bijlage II van dit omgevingsplan afwijkt.
  • De regels gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Zaanstad, tenzij anders bepaald.
  • Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
  • Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, en het uiterlijk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Vastgoed- en bouwrecht

8

Vastgoed- en bouwrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (398)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 1.2 Oogmerk van de regels
  3. Artikel 1.3 Normadressaat
  4. Artikel 1.4 Geografisch werkingsgebied van de regels, overzicht van informatieobje
  5. Artikel 6.1 Toepassingsbereik
  6. Artikel 6.2 Voorrangsbepaling
  7. Artikel 6.3 Vangnetbepaling
  8. Artikel 6.4 Meetbepalingen
  9. Artikel 6.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  10. Artikel 6.6 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  11. Artikel 6.7 Aanvraagvereisten vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  12. Artikel 6.8 Algemene beoordelingsregels
  13. Artikel 6.9 Beoordelingsregels: redelijke eisen van welstand
  14. Artikel 6.10 Repressief welstand
  15. Artikel 6.11 Aanvraagvereisten bodem
  16. Artikel 6.12 Beoordelingsregels bodem
  17. Artikel 6.13 Vergunningvoorschriften bodem
  18. Artikel 6.14 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  19. Artikel 6.15 Aansluiting op distributienet voor gas
  20. Artikel 6.16 Aansluiting op distributienet voor warmte
  21. Artikel 6.17 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  22. Artikel 6.18 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  23. Artikel 6.19 Bluswatervoorziening
  24. Artikel 6.20 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  25. Artikel 6.21 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  26. Artikel 6.22 Toepassingsbereik
  27. Artikel 7.1 Toepassingsbereik
  28. Artikel 7.2 Voorrangsbepaling
  29. Artikel 7.3 Vangnetbepaling
  30. Artikel 7.4 Overbewoning woonruimte
  31. Artikel 7.5 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk: bouwwerk
  32. Artikel 7.6 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  33. Artikel 7.7 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  34. Artikel 7.8 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  35. Artikel 7.9 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk: open erven of terreinen
  36. Artikel 7.10 Toepasssingsbereik
  37. Artikel 9.1 Toepassingsbereik
  38. Artikel 9.2
  39. Artikel 9.3
  40. Artikel 9.4
  41. Artikel 9.5
  42. Artikel 9.6
  43. Artikel 9.7
  44. Artikel 9.8 Toepassingsbereik
  45. Artikel 9.9 Oogmerk
  46. Artikel 9.10 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen
  47. Artikel 9.11 Geen mobiele verontreiniging herschikken
  48. Artikel 9.12 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepas
  49. Artikel 9.13 Afwijkende dikte leeflaag
  50. Artikel 9.14 Toepassingsbereik
  51. Artikel 9.15 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  52. Artikel 9.16 Toepassingsbereik
  53. Artikel 9.17 Oogmerk
  54. Artikel 9.18 Voorafgaand bodemonderzoek
  55. Artikel 9.19 Gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit
  56. Artikel 9.20 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  57. Artikel 9.21 Grond gescheiden houden
  58. Artikel 9.22 Geen grond met PFAS terugplaatsen
  59. Artikel 9.23 Toepassingsbereik
  60. Artikel 9.24 Oogmerk
  61. Artikel 9.25 Voorafgaand bodemonderzoek
  62. Artikel 9.26 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  63. Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  64. Artikel 9.28 Actuele risico’s
  65. Artikel 9.29 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond
  66. Artikel 9.30 Grond gescheiden houden
  67. Artikel 9.31 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  68. Artikel 9.32 Toepassingsbereik
  69. Artikel 9.33 Oogmerk
  70. Artikel 9.34 Voorafgaand bodemonderzoek
  71. Artikel 9.35 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  72. Artikel 9.36 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastr
  73. Artikel 9.37 Gegevens en bescheiden beschikbaar op locatie
  74. Artikel 9.38 Grond gescheiden houden
  75. Artikel 9.39 Tijdelijk uitnemen van grond
  76. Artikel 9.40 Geen grond met PFAS terugplaatsen
  77. Artikel 9.41 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  78. Artikel 9.42 Toepassingsbereik
  79. Artikel 9.43 Oogmerk
  80. Artikel 9.44 Voorafgaand bodemonderzoek
  81. Artikel 9.45 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  82. Artikel 9.46 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastr
  83. Artikel 9.47 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  84. Artikel 9.48 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond
  85. Artikel 9.49 Grond gescheiden houden
  86. Artikel 9.50 Tijdelijk uitnemen van grond
  87. Artikel 9.51 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  88. Artikel 9.52 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  89. Artikel 9.53 Milieukundige begeleiding en kwaliteitsborging
  90. Artikel 9.54 Toepassingsbereik
  91. Artikel 9.55 Melding toepassen staalslakken
  92. Artikel 9.56 Melding grondstabilisatie
  93. Artikel 9.57 Toepassingsbereik
  94. Artikel 9.58 Mitigerende maatregelen
  95. Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  96. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
  97. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
  98. Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  99. Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  100. Artikel 22.6
  101. Artikel 22.7 Repressief welstand
  102. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  103. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  104. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  105. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  106. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  107. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  108. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  109. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  110. Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  111. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  112. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  113. Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  114. Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  115. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  116. Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  117. Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  118. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  119. Artikel 22.25 Mantelzorg
  120. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  121. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 6.6 – omgevingsplan onvermi
  122. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  123. Artikel 22.29
  124. Artikel 22.30
  125. Artikel 22.31
  126. Artikel 22.32
  127. Artikel 22.33
  128. Artikel 22.34
  129. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  130. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
  131. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  132. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
  133. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
  134. Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  135. Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  136. Artikel 22.42 Oogmerken
  137. Artikel 22.43 Normadressaat
  138. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  139. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  140. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  141. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  142. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
  143. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  144. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  145. Artikel 22.51 Toepassingsbereik
  146. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  147. Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
  148. Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  149. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  150. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
  151. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
  152. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
  153. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
  154. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  155. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden
  156. Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  157. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  158. Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  159. Artikel 22.65
  160. Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
  161. Artikel 22.67
  162. Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
  163. Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  164. Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  165. Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
  166. Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  167. Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  168. Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  169. Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  170. Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
  171. Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  172. Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  173. Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  174. Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
  175. Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  176. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  177. Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  178. Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  179. Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
  180. Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
  181. Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
  182. Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  183. Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
  184. Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  185. Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  186. Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
  187. Artikel 22.93 Geur: functionele binding
  188. Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
  189. Artikel 22.95 Geur: cumulatie
  190. Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  191. Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
  192. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  193. Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
  194. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
  195. Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
  196. Artikel 22.102
  197. Artikel 22.103
  198. Artikel 22.104
  199. Artikel 22.105
  200. Artikel 22.106
  201. Artikel 22.107
  202. Artikel 22.108
  203. Artikel 22.109
  204. Artikel 22.110
  205. Artikel 22.111
  206. Artikel 22.112
  207. Artikel 22.113 Subparagraaf
  208. Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  209. Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
  210. Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  211. Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  212. Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
  213. Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  214. Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  215. Artikel 22.121 Toepassingsbereik
  216. Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  217. Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
  218. Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
  219. Artikel 22.125 Toepassingsbereik
  220. Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  221. Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  222. Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  223. Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  224. Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  225. Artikel 22.131 Toepassingsbereik
  226. Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
  227. Artikel 22.133 Gereserveerd
  228. Artikel 22.134 Gereserveerd
  229. Artikel 22.135 Gereserveerd
  230. Artikel 22.136 Gereserveerd
  231. Artikel 22.137 Toepassingsbereik
  232. Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
  233. Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
  234. Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
  235. Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  236. Artikel 22.142 Toepassingsbereik
  237. Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  238. Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  239. Artikel 22.145 Toepassingsbereik
  240. Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  241. Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
  242. Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  243. Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  244. Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  245. Artikel 22.151 Toepassingsbereik
  246. Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
  247. Artikel 22.153 Koelwater
  248. Artikel 22.154 Toepassingsbereik
  249. Artikel 22.155 Periodiek reinigen
  250. Artikel 22.156 Toepassingsbereik
  251. Artikel 22.157 Inerte goederen
  252. Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  253. Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  254. Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  255. Artikel 22.161
  256. Artikel 22.162 Toepassingsbereik
  257. Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
  258. Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  259. Artikel 22.165 Toepassingsbereik
  260. Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  261. Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  262. Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  263. Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  264. Artikel 22.170 Toepassingsbereik
  265. Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  266. Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
  267. Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  268. Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  269. Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
  270. Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  271. Artikel 22.177 Toepassingsbereik
  272. Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  273. Artikel 22.179 Water
  274. Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  275. Artikel 22.181 Toepassingsbereik
  276. Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  277. Artikel 22.183 Water
  278. Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  279. Artikel 22.185 Toepassingsbereik
  280. Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  281. Artikel 22.187 Water: lozingsroute
  282. Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  283. Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  284. Artikel 22.190 Water
  285. Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  286. Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  287. Artikel 22.193 Bodem
  288. Artikel 22.194 Water
  289. Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  290. Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  291. Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  292. Artikel 22.198 Water
  293. Artikel 22.199 Geur
  294. Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  295. Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  296. Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  297. Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  298. Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  299. Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  300. Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
  301. Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  302. Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  303. Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  304. Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  305. Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  306. Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  307. Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  308. Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  309. Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  310. Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  311. Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
  312. Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
  313. Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
  314. Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
  315. Artikel 22.221 Toepassingsbereik
  316. Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
  317. Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  318. Artikel 22.224 Toepassingsbereik
  319. Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  320. Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  321. Artikel 22.227 Toepassingsbereik
  322. Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  323. Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
  324. Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  325. Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  326. Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  327. Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  328. Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  329. Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  330. Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  331. Artikel 22.237 Toepassingsbereik
  332. Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  333. Artikel 22.239 Licht
  334. Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  335. Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  336. Artikel 22.242 Bodem: opslag
  337. Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  338. Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  339. Artikel 22.245 Geur
  340. Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  341. Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  342. Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  343. Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  344. Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  345. Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  346. Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  347. Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  348. Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  349. Artikel 22.255 Bodem: logboek
  350. Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  351. Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  352. Artikel 22.258 Toepassingsbereik
  353. Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  354. Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  355. Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  356. Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  357. Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  358. Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  359. Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  360. Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  361. Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  362. Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  363. Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  364. Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  365. Artikel 22.271 Toepassingsbereik
  366. Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  367. Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  368. Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  369. Artikel 22.275
  370. Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
  371. Artikel 22.277 Toepassingsbereik
  372. Artikel 22.278
  373. Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
  374. Artikel 22.280
  375. Artikel 22.281
  376. Artikel 22.282
  377. Artikel 22.283 Toepassingsbereik
  378. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
  379. Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
  380. Artikel 22.286
  381. Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
  382. Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
  383. Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
  384. Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
  385. Artikel 22.291
  386. Artikel 22.292
  387. Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
  388. Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
  389. Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  390. Artikel 22.296
  391. Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
  392. Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
  393. Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  394. Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  395. Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  396. Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
  397. Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  398. Artikel 23.1 (citeertitel)

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696325 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0479/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-06-26 2025-06-26 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696325/nld@2025-07-25 /join/id/proces/gm0479/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0479/2024/procedureaeceb874a32a44159eed0f95c9b3ed8c /join/id/proces/gm0479/2025/procedure4bd33460db094387a4bc8834b0609b96 2025-07-25 2025-07-25 /akn/nl/act/gm0479/2020/omgevingsplan/nld@2025-06-25;11501733 /akn/nl/act/gm0479/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0479/2020/omgevingsplan/nld@2025-06-25;11501733 /join/id/stop/work_019 3 Omgevingsplan gemeente Zaanstad

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op ditomgevingsplan, tenzij in bijlage II daarvan is afgeweken.

2.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

3.

Als op een locatie het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet geldt, dan geldt in aanvulling op het eerste en het tweede lid dat: a. de begripsbepalingen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet van toepassing zijn op de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan; b. als sprake is van strijdigheid tussen de begripsbepalingen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet en de begripsbepalingen uit het tweede lid, dan gaan de eerst genoemde begripsbepalingen voor op de begripsbepalingen uit het tweede lid.

4.

Als op een locatie een TAM-omgevingsplan geldt, dan geldt in aanvulling op het eerste en het tweede lid dat: a. de begripsbepalingen uit het TAM-omgevingsplan van toepassing zijn op de regels uit het TAM-omgevingsplan; b. als sprake is van strijdigheid tussen de begripsbepalingen uit het TAM-omgevingsplan en de begripsbepalingen uit het tweede lid, de begripsbepalingen uit het TAM-omgevingsplan voor gaan.

Artikel 1.2Oogmerk van de regels

De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat sprake is van een ander oogmerk.

Artikel 1.3Normadressaat

Tenzij in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.4Geografisch werkingsgebied van de regels, overzicht van informatieobjecten

1.

De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Zaanstad, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.

2.

Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van informatieobjecten.

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

Afdeling 6.1

Algemene bepalingen met betrekking tot bouwwerken

Paragraaf 6.1.1

Inleidende bepalingen

Artikel 6.1Toepassingsbereik

Hoofdstuk 6 bevat regels over bouwwerken.

Artikel 6.2Voorrangsbepaling

Als er sprake is van strijdigheid tussen afdeling 6.1 en het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet of het TAM-omgevingsplan, dan gaan de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan voor.

Artikel 6.3Vangnetbepaling

1.

Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken of een activiteit te verrichten op een wijze die niet in overeenstemming is met de in hoofdstuk 6 opgenomen regels.

2.

Als op een locatie sprake is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken of een activiteit te verrichten die niet in overeenstemming is met de regels uit afdeling 6.1 en het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet .

3.

Als op een locatie een TAM-omgevingsplan in werking is getreden dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken of een activiteit te verrichten die niet in overeenstemming is met de regels uit afdeling 6.1 en het TAM-omgevingsplan.

Artikel 6.4Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van hoofdstuk 6 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

3.

Als op een locatie sprake is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, dan geldt in afwijking van het eerste lid, dat de meet- en rekenbepalingen zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, van toepassing zijn op de regels uit het tijdelijk omgevingsplan.

Artikel 6.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig door het bevoegd gezag: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Paragraaf 6.1.2

Omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 6.6Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 6.7Aanvraagvereisten vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
1.tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
2.principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
3.kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 6.8Algemene beoordelingsregels

1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 6 en 7; b. als op een locatie sprake is van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet dan mag, in afwijking van het eerste lid onder a, de activiteit niet in strijd zijn met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals opgenomen in afdeling 6.1 en 7.1 én de regels uit het tijdelijk omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; c. als op een locatie een TAM-omgevingsplan in werking is getreden dan mag, in afwijking van het eerste lid onder a, de activiteit niet in strijd zijn met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken zoals opgenomen in afdeling 6.1 en 7.1 én de regels uit het TAM-omgevingsplan.

2.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de artikelen in paragraaf 7.1.2 en artikel 6.10. Aan deze artikelen hoeft niet te worden getoetst bij de in het eerste lid genoemde aanvraag.

Paragraaf 6.1.3

Uiterlijk van bouwwerken

Artikel 6.9Beoordelingsregels: redelijke eisen van welstand

1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.

De redelijke eisen van welstand worden beoordeeld op basis van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

3.

Het uiterlijk of de plaatsing van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

4.

Het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand als er sprake is een gebied waar deze eisen niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied).

5.

Het uiterlijk of de plaatsing van een monument of beeldbepalende pand dat in een gebied ligt waar de redelijke eisen van welstand niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied), moet, in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, wel voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

6.

Het bevoegd gezag kan besluiten dat de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid niet hoeft te voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

Artikel 6.10Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand: a. een bestaand bouwwerk, en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

De redelijke eisen van welstand worden beoordeeld op basis van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

3.

Het uiterlijk of de plaatsing van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

4.

Het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk hoeft, in afwijking van het eerste lid, niet te voldoen aan de redelijke eisen van welstand als er sprake is een gebied waar deze eisen niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied).

5.

Het uiterlijk of de plaatsing van een monument of beeldbepalende pand dat in een gebied ligt waar de redelijke eisen van welstand niet van toepassing zijn (welstandsvrij gebied), moet, in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, wel voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

6.

Als het uiterlijk van een bouwwerk bedoeld in het eerste lid in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand, dan kan het bevoegd gezag besluiten dat de eigenaar van het bouwwerk verplicht wordt zodanig voorzieningen te treffen, dat daardoor die strijdigheid wordt opgeheven. Dat kan het bevoegd gezag besluiten door nemen van en maatwerkvoorschrift.

Paragraaf 6.1.4

Bodem

Artikel 6.11Aanvraagvereisten bodem

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 6.6, voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden, in aanvulling op artikel 6.7 , de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 6.12, tweede tot en met vierde lid wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

2.

Het bodemonderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101,voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

3.

Onder sanerende maatregel, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 9.5.3; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.

4.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

5.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in het vijfde lid niet rechtvaardigen.

Artikel 6.12Beoordelingsregels bodem

1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, zoals bedoeld artikel 6.6, wordt de omgevingsvergunning, als deze betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als ook: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld onder b die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.

2.

Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a.

Voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

1.

59 µg/kg ds bij PFOS;

2.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

3.

Onder sanerende maatregel bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 9.5.3; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.

4.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.

Artikel 6.13Vergunningvoorschriften bodem

1.

Aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in artikel 6.6, van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 6.12, eerste lid aanhef en onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen als: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.

2.

Onder sanerende maatregel bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 9.5.3; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.

3.

Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 6.12, eerste lid, aanhef en onder d kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.

4.

Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het derde lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.

Paragraaf 6.1.5

Parkeren

Paragraaf 6.1.6

Aansluiting van bouwwerken

Artikel 6.14Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 6.15Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 6.16Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk 4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 6.17Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 6.18Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Paragraaf 6.1.7

Bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen brandweervoertuigen

Artikel 6.19Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

4.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.

5.

De Veiligheidsregio kan voorafgaand aan het stellen van het maatwerkvoorschrift bedoeld in het vierde lid om advies worden gevraagd.

Artikel 6.20Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

6.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.

7.

De Veiligheidsregio kan voorafgaand aan het stellen van het maatwerkvoorschrift bedoeld in het zesde lid om advies worden gevraagd.

Artikel 6.21Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 6.20, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

6.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.

7.

De Veiligheidsregio kan voorafgaand aan het stellen van het maatwerkvoorschrift bedoeld in het zesde lid om advies worden gevraagd.

Paragraaf 6.1.8

Vergunningvrije bouwwerken

Afdeling 6.2

Regels met betrekking tot bouwwerken op specifieke locaties

Paragraaf 6.2.1

Inleidende bepalingen

Artikel 6.22Toepassingsbereik

Afdeling 6.2 is niet van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet en een TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 7

Activiteiten met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken

Afdeling 7.1

Algemene bepalingen met betrekking tot gebruik

Paragraaf 7.1.1

Inleidende bepalingen

Artikel 7.1Toepassingsbereik

Hoofdstuk 7 bevat regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 7.2Voorrangsbepaling

Als er sprake is van strijdigheid tussen afdeling 7.1 en het tijdelijke deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan, dan gaan de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan voor.

Artikel 7.3Vangnetbepaling

1.

Het is verboden gronden en bouwwerken, te gebruiken, te doen of laten gebruiken of een activiteit te verrichten, op een wijze die niet in overeenstemming is met de in hoofdstuk 7 opgenomen regels.

2.

Als op een locatie sprake is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om de gronden en bouwwerken, te gebruiken, te doen of laten gebruiken of een activiteit te verrichten, anders dan in overeenstemming met de regels uit afdeling 7.1 en het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet .

3.

Als op een locatie sprake een TAM-omgevingsplan in werking is getreden dan geldt, in afwijking van het eerste lid, dat het verboden is om gronden en bouwwerken, te gebruiken, te doen of laten gebruiken of een activiteit te verrichten, anders dan in overeenstemming met de regels uit afdeling 7.1 en het TAM-omgevingsplan.

Paragraaf 7.1.2

Regels over handhaving van gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel 7.4Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 7.5Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk: bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 7.6Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 7.7Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel die in het vijfde lid staat, aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1.de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
2.de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanig wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Tabel Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter 1. Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 7.8Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 7.9Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk: open erven of terreinen

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Afdeling 7.2

Regels met betrekking tot gebruik op specifieke locaties

Paragraaf 7.2.1

Inleidende bepalingen

Artikel 7.10Toepasssingsbereik

Afdeling is niet van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet en een TAM-omgevingsplan, tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk 8

Activiteiten met betrekking tot het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van een werkzaamheid (aanleggen)

Afdeling 8.1

Algemene bepalingen over aanleggen

Afdeling 8.2

Regels over aanleggen op specifieke locaties

Hoofdstuk 9

Milieubelastende activiteiten

Afdeling 9.1

Afdeling 9.2

Afdeling 9.3

Afdeling 9.4

Afdeling 9.5

Bodem

Paragraaf 9.5.1

Algemeen

Artikel 9.1Toepassingsbereik

Deze afdeling geldt voor activiteiten zoals genoemd in paragrafen toepassen van grond of baggerspecie in 9.5.2, saneren van de bodem in 9.5.3, nazorg na saneren van de bodem in 9.5.4, graven in de bodem in 9.5.5, toepassen van staalslakken en het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat in 9.5.6 en activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico in 9.5.7.

Paragraaf 9.5.2

Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 9.2

Artikel 9.3

Artikel 9.4

Artikel 9.5

Artikel 9.6

Artikel 9.7

Paragraaf 9.5.3

Saneren van de bodem

Artikel 9.8Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor het saneren van de bodem.

Artikel 9.9Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 9.10Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen

1.

In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt het saneren van de bodem bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de plek van het gebouw.

2.

Onder vluchtige stoffen worden de vluchtige stoffen verstaan die in de tabel in het vierde lid zijn opgenomen 3.

De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 22.45 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als dit redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; b. de grote diepte van de verontreiniging.

4.vluchtige stoffen a. Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per)

Artikel 9.11Geen mobiele verontreiniging herschikken

1.

In afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in het derde lid opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze mobiele stoffen niet worden overschreden.

3.

Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen:

Minerale olie

Artikel 9.12Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond

In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie, de verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde.

Artikel 9.13Afwijkende dikte leeflaag

Als de grondwaterstand een meter of minder is ten opzichte van het toekomstige maaiveld, kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, volstaan worden met een leeflaagdikte tot het niveau van het grondwater, maar met een minimumdikte van 0,5 meter.

Paragraaf 9.5.4

Nazorg na saneren van de bodem en bij een toevalsvondst bodem

Artikel 9.14Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift als: a. een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht tijdens de sanering van de bodem; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem, als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn getroffen.

Artikel 9.15Nazorg na afloop van saneren van de bodem

1.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.

2.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan

Paragraaf 9.5.5

Graven in de bodem Subparagraaf 9.5.5.1 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 9.16Toepassingsbereik

Deze subparagraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.17Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem; g. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 9.18Voorafgaand bodemonderzoek

1.

In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem als het gaat om het graven in de bodem in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5.

2.

Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.

3.

In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.

4.

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 9.19Gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit

1.

In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.18, verstrekt.

2.

Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 9.20Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 9.18, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 9.21Grond gescheiden houden

1.

In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden 2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.22Geen grond met PFAS terugplaatsen

In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a.

59 µg/kg ds bij PFOS; b.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Subparagraaf 9.5.5.2 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 9.23Toepassingsbereik

Deze subparagraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.24Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem; f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem g. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 9.25Voorafgaand bodemonderzoek

1.

In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, bij het graven in de bodem in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart - zone 1 of bodemkwaliteitskaart - zone 5, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. Dit gebeurt ook als op grond van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

2.

Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart - zone 5: a. als representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet door de afdeklaag heen gegraven wordt.

3.

In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.

4.

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 9.26Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

1.

In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 9.25, verstrekt.

2.

De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.25, worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 9.27Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 9.25, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 9.28Actuele risico’s

Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd.

Artikel 9.29Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond

Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst, of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.

Artikel 9.30Grond gescheiden houden

1.

In aanvulling op artikel 4.1230 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft.

2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.31Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen

1.

In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in het derde lid opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:1° 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.

3.

Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen:

Minerale olie Subparagraaf 9.5.5.3 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 9.32Toepassingsbereik

1.

Deze subparagraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3 of minder is.

2.

Het kleinschalig graven in de bodem omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

Artikel 9.33Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem; f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem; en g. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 9.34Voorafgaand bodemonderzoek

1.

Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem als het gaat om het graven in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5.

3.

Het tweede lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.

4.

In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.

5.

Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

6.

In afwijking van het tweede en vierde lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden de artikelen 9.45, 9.46, 9.47, 9.48, 9.49, 9.50, 9.51, 9.52 en 9.53 7.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 9.35Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

1.

Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt 2.

Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

3.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 9.36Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur

1.

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5 worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag direct na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.

2.

Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als de spoedreparatie wordt verricht in werkingsgebied beschikte ernst, geen spoedlocaties.

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur, als sprake is van afvoer van grond, en als de spoedreparatie wordt verricht binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.

Artikel 9.37Gegevens en bescheiden beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9.35, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 9.38Grond gescheiden houden

1.

Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.

2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.39Tijdelijk uitnemen van grond

1.

Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 9.40Geen grond met PFAS terugplaatsen

In afwijking van artikel 9.39, eerste lid, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a.

59 µg/kg ds bij PFOS; b.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Artikel 9.41Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Subparagraaf 9.5.5.4 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 9.42Toepassingsbereik

1.

Deze subparagraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3 of minder is.

2.

Het kleinschalig graven in de bodem omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen 3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

4.

In deze subparagraaf wordt onder afdeklaag verstaan: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming, of een afdeklaag op een stortplaats in zone 5 van de Bodemkwaliteitskaart Zaanstad.

Artikel 9.43Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van schade aan de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; d. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem; e. het voorkomen van verontreiniging van de bodem; f. het voorkomen van verspreiding van verontreiniging in de bodem; g. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 9.44Voorafgaand bodemonderzoek

1.

Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem als het gaat om het graven in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5.

3.

Het tweede lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.

4.

In aanvulling op het eerste lid wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg; b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.

5.

Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

6.

In afwijking van het tweede en vierde lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek.

7.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 9.45Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

1.

Als het gaat om afvoer van grond of als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 9.281, gaan verrichten.

2.

Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.

3.

Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

4.

Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

5.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur

Artikel 9.46Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur

1.

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 1 of bodemkwaliteitskaart – zone 5 worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag direct na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.

2.

Het eerste lid geldt niet in het werkingsgebied bodemkwaliteitskaart – zone 5 als: a. representatieve informatie over de kwaliteit van de afdeklaag beschikbaar is; en b. niet dieper dan de afdeklaag gegraven wordt.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als de spoedreparatie wordt verricht in werkingsgebied beschikte ernst, geen spoedlocaties.

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur, als sprake is van afvoer van grond, en als de spoedreparatie wordt verricht binnen de bebouwde kom in: a. de berm of het talud van een rijksweg b. de berm of het talud van een provinciale weg; en c. de berm of het talud van de spoorzone.

Artikel 9.47Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9.45, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit

Artikel 9.48Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond

Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst, of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.

Artikel 9.49Grond gescheiden houden

1.

Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.

2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.50Tijdelijk uitnemen van grond

1.

Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 9.51Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen

1.

In afwijking van artikel 9.50 eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in het derde lid opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.

3.

Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen:

Minerale olie

Artikel 9.52Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 9.53Milieukundige begeleiding en kwaliteitsborging

Als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 en uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000.

Paragraaf 9.5.6

Toepassen van staalslakken en het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat

Artikel 9.54Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie 2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips. c. grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem; d. staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak; e. hoogovenslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; f.

LD-staalslak: slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz

Artikel 9.55Melding toepassen staalslakken

1.

Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

3.

Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

4.

Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.56Melding grondstabilisatie

1.

Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het eerste lid geldt niet als grondstabilisatie wordt toegepast op een oppervlakte van minder dan 1000 m2.

3.

De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat; d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

4.

Het derde lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

5.

Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 9.5.7

Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 9.57Toepassingsbereik

Paragraaf 9.5.7 is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 9.58Mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in het toepassingsbereik in artikel 9.57 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Afdeling 9.6

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 13

Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 17

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 21

Hoofdstuk 22

ACTIVITEITEN

Afdeling 22.1

ALGEMEEN

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

Paragraaf 22.2.2

Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Artikel 22.6

Paragraaf 22.2.3

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas

Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte

Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

Artikel 22.13Bluswatervoorziening

Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Paragraaf 22.2.4

Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16Overbewoning woonruimte

Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

Paragraaf 22.2.5

In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Paragraaf 22.2.6

Cultureel erfgoed

Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek

1.

Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen

1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25Mantelzorg

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 6.6 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 6.6, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.op de grond staand;
2.gelegen in achtererfgebied;
3.op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4.niet hoger dan 5 m;
5.de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.op de grond staand;
2.niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
2.voorzien van een plat dak;
3.gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
4.onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
5.bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
2.op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
1.een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
2.geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 22.29

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Artikel 22.30

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Artikel 22.31

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Artikel 22.32

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

In afwijking van artikel 6.8, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

In afwijking van artikel 6.8 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; of c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 22.34

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

2.

Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

I.

5 m;

II.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;

2.voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

3.de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebiedniet meer dan:

I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij eenbebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

I. een woonwagen;

II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1.artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2.artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4.artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5.artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6.artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7.artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8.artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9.artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10.artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11.artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12.artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
13.artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8

Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:

1.dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
2.dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

4.

Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.

Artikel 22.42Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:

1.het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
2.het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4.

Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2

Energiebesparing

Artikel 22.51Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52Energie: maatregelen

1.

Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

4.

Het eerste tot en met derde lid is van toepassing tot 1 december 2023.

5.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

6.

Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3

Zwerfafval

Artikel 22.53Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4

Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54Toepassingsbereik

1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

3.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

1.in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i.

70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2.

Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

3.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.