← Nederland

Omgevingsplan gemeente Doetinchem (Doetinchem)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Doetinchem bevat regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met specifieke bepalingen over het gebruik van gronden en bouwwerken, en de bescherming van de leefomgeving. Het omvat algemene bepalingen, meet- en rekenbepalingen, en overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)Artikel 4Artikel 5Artikel 6Artikel 7

act/gemeente/2024/CVDR696221 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0222/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-10-15 2025-10-15 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696221/nld@2025-11-28 /join/id/proc

Artikel 4.1 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.1 gaat over ammoniakbuffergebieden rondom zeer gevoelige natuur. Artikel 4.2 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.1 gelden met als doel de toename van ammoniak rondom zeer gevoelige natuur niet toe te laten nemen. Artikel 4.3 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.1 gelden binnen het gebied ammoniakbuffergebied. Paragraaf 4.1.1.2 Verboden Artikel 4.4 Wat is verboden?

  1. Hervestiging van een niet- grondgebonden veehouderijbedrijf en nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijtak is niet toegestaan.
  2. Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen toe als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak. Afdeling 4.1.2 Externe veiligheid Paragraaf 4.1.2.

Artikel 4.5 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.2 gaat over nieuwe activiteiten met een extern veiligheidsrisico. Artikel 4.6 Waarom gelden deze regels? Deze regels in afdeling 4.1.2 gelden met als doel risico's voor mens en milieu te beperken. Artikel 4.7 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.2 gelden binnen het gebied risicobronnen. Paragraaf 4.1.2.2 Omgevingsplanactiviteit Artikel 4.8 Omgevingsplanactiviteit nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico's Alleen met een omgevingsvergunning zijn nieuwe risicobronnen toegestaan met externe veiligheidsrisico's zoals benoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving toegestaan. Artikel 4.9 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een nieuwe activiteit met een externe veiligheidsrisico zoals bedoeld in artikel 4.8 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat: a. er geen (geprojecteerde) (zeer) kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties liggen in de plaatsgebonden risicocontour; b. er zwaarwegende redenen zijn voor het realiseren van een nieuwe activiteit met een externe veiligheidsrisico als er (geprojecteerde) beperkt kwetsbare gebouwen of locaties liggen in de plaatsgebonden risicocontour; c. het groepsrisico is verantwoord als in het brand-, explosie-, en/of gifwolkaandachtsgebied (geprojecteerde) (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare locaties liggen; d. aanvullende maatregelen om de externe veiligheidsrisico's te verminderen, zijn onderzocht en afgewogen. Artikel 4.10 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.8 wordt alleen verleend als: a. wordt voldaan aan de wet- en regelgeving; en b. het advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland en het advies van de beheerder van de hoogspanningsverbinding is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Paragraaf 4.1.2.3 Verboden Artikel 4.11 Nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico's Binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten is het verboden om nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's zoals genoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving uit te voeren, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Afdeling 4.1.3 Gasleiding Paragraaf 4.1.3.

Artikel 4.12 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.3 gaat over: a. het realiseren, in stand houden en in werking hebben van een buisleiding voor het transport van gas, inclusief voorzieningen; b. een vrijwaringszone aan weerszijden van de hoge druk aardgastransportleiding; en c. bijbehorende activiteiten. Artikel 4.13 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.3 over buisleidingen voor het transport van gas gelden met als doel: a. het behoud en het creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het gastransportnet voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder; b. bescherming van het gastransportnet tegen activiteiten binnen het belemmeringengebied van het gastransportnet; en c. het waarborgen van de omgevingskwaliteit in de nabijheid van het gastransportnet. Artikel 4.14 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.3 gelden binnen het gebied gasleiding. Paragraaf 4.1.3.2 Bouwregels Artikel 4.15 Bouwregels

  1. Er mogen alleen bouwwerken voor het gebruik van de ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding worden gebouwd, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
  2. De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 4 meter zijn.
  3. In afwijking van tweede lid zijn overkappingen niet toegestaan. Paragraaf 4.1.3.3 Omgevingsplanactiviteit Artikel 4.16 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan. Artikel 4.17 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals genoemd in artikel 4.16 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de leidingbeheerder (Gasunie) geen negatieve gevolgen ziet voor de hoge druk aardgas transportleiding. Artikel 4.18 Aanvullende beoordelingsregels voor bouwen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.16 wordt alleen verleend als: a. de veiligheid van de gasleiding niet wordt geschaad; b. geen (zeer) kwetsbaar gebouw of locatie wordt toegelaten; c. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgas transportleiding; d. als uit het advies van de leidingbeheerder (Gasunie) blijkt dat er geen bezwaren zijn; en e. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. Paragraaf 4.1.3.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden. Artikel 4.19 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.20 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  4. Artikel 4.20 Activiteiten met omgevingsvergunning
  5. Het verharden van gronden.
  6. Het aanbrengen van beplantingen.
  7. Het vellen van beplantingen.
  8. Het rooien van beplantingen.
  9. Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.
  10. Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.
  11. Het verlagen of afgraven van gronden.
  12. Het egaliseren van gronden.
  13. Het ophogen van gronden.
  14. Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
  15. Het verlagen van het (grond)waterpeil.
  16. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Artikel 4.21 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  17. De werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
  18. Het werken en werkzaamheden zijn die al in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.
  19. Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende: a. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; b. omgevingsvergunning voor het kappen; of c. ontgrondingsvergunning.
  20. Graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. Artikel 4.22 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.19 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgastransportleiding; b. de leidingbeheerder het rapport of ander document heeft beoordeeld en advies heeft gegeven. Artikel 4.23 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.19 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgastransportleiding; en b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Afdeling 4.1.4 Hoogspanningsverbinding Paragraaf 4.1.4.

Artikel 4.24 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.4 gaat over: a. de aanleg en de instandhouding van hoogspanningsverbindingen; b. een belemmeringenzone die hoort bij hoogspanningsverbindingen; en c. voorzieningen en bouwwerken die nodig zijn voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Artikel 4.25 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.4 gelden met als doel de hoogspanningsverbindingen en haar omgeving te beschermen. Artikel 4.26 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.4 gelden binnen het gebied hoogspanningsverbindingen. Paragraaf 4.1.4.2 Toegestaan Artikel 4.27 Wat is toegestaan?

  1. Binnen het gebied hoogspanningsverbinding - bovengronds een hoogspanningsverbinding bovengronds en masten en voorzieningen die daarbij horen.
  2. Binnen het gebied hoogspanningsverbinding - ondergronds een hoogspanningsverbinding ondergronds en voorzieningen die daarbij horen.
  3. Werken en werkzaamheden met betrekking tot het in stand houden van de infrastructuur van de hoogspanningsverbinding.
  4. Bestaande bouwwerken die zijn gebouwd met een omgevingsvergunning. Paragraaf 4.1.4.3 Bouwregels Artikel 4.28 Bouwregels
  5. Er mogen alleen bouwwerken voor de functie hoogspanningsverbindingworden gebouwd, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
  6. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 20 m2 zijn.
  7. De bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 4 meter zijn.
  8. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 3 meter zijn.
  9. In afwijking van het vierde lid is binnen het gebied maximum bouwhoogte hoogspanningsmast voor hoogspanningsmasten de maximaal aangegeven bouwhoogte toegestaan.
  10. Binnen het gebied doorvaarthoogte moet de doorvaarthoogte minimaal 25 meter zijn.
  11. In afwijking van artikel 22.26 mogen bestaande vergunde bouwwerken zonder omgevingsvergunning worden vervangen, vernieuwd of veranderd als: a. de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot; b. gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; en c. dat het bouwwerk op grond van de geldende regels ook is toegestaan. Paragraaf 4.1.4.4 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 4.1.4.4.1 Bouwen voor andere toegestane functie(s) Artikel 4.29 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is bouwen ten behoeve van een andere op deze locatie toegestane functie toegestaan. Artikel 4.30 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding. Artikel 4.31 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding; b. de leidingbeheerder akkoord is en het (schriftelijk) advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. het geen kwetsbare gebouwen en/of locaties zijn, tenzij deze is opgenomen in bijlage Magneetveld kwetsbare gebouwen. Paragraaf 4.1.4.5 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden Artikel 4.32 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.33 en 4.34 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  12. Artikel 4.33 Activiteiten met een omgevingsvergunning hoogspanningsverbindingen bovengronds
  13. Het ophogen van gronden.
  14. Het verlagen of afgraven van gronden.
  15. Het verharden van gronden.
  16. Het aanleggen of aanpassen van watergangen.
  17. Het dempen van watergangen.
  18. Het opslaan van goederen, stoffen en/of materialen.
  19. Het aanbrengen van hoog opgaande beplantingen.
  20. Het kappen van hoog opgaande beplantingen.
  21. Het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om de bovengrondse hoogspanningsverbinding als bedoeld in artikel 4.
  22. Artikel 4.34 Activiteiten met een omgevingsvergunning hoogspanningsverbindingen ondergronds
  23. Het ophogen van de gronden.
  24. Het verlagen of afgraven van gronden.
  25. Het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 80 centimeter onder het maaiveld.
  26. Het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 80 centimeter onder maaiveld.
  27. Het aanbrengen van diepwortelende beplanting.
  28. Het kappen van diepwortelende beplanting.
  29. Het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.
  30. Het aanleggen, vergraven, verruimen van watergangen.
  31. Het dempen van watergangen.
  32. Het opslaan van goederen, stoffen en/of materialen.
  33. Het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Artikel 4.35 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  34. Werken en/of werkzaamheden die verband houden met de aanleg van de hoogspanningsverbindingen en de daarbij horende voorzieningen.
  35. Werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer van de hoogspanningsverbinding en de belemmeringenstrook.
  36. Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning.
  37. Werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op het normaal onderhoud en beheer dat volgens de regels van de onderliggende geldende functies is toegestaan.
  38. Graafwerkzaamheden die zijn opgenomen en de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten. Artikel 4.36 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen negatieve gevolgen heeft voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding. Artikel 4.37 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding; en b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Afdeling 4.1.5 Molenbiotoop Paragraaf 4.1.5.

Artikel 4.38 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.5 gaat over het gebied rondom de molens. Artikel 4.39 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.5 gelden met als doel de windvang en het zicht van de molen te beschermen. Artikel 4.40 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.5 gelden binnen het gebied molenbiotoop. Paragraaf 4.1.5.2 Bouwregels Artikel 4.41 Bouwregels

  1. Binnen 100 meter afstand van de molen mogen bouwwerken niet hoger zijn dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen. Meet deze hoogte vanaf het peil van de molen.
  2. In het gebied tussen 100 en 400 meter afstand van de molen moet de maximale hoogte van bouwwerken bepaald worden met de volgende formule: H= X/N + 0,2*Z uitleg formule:H staat voor de maximale hoogte in meters, te meten vanaf het peil van de molen.X staat voor de kortste afstand in meters vanaf het te bouwen bouwwerk tot de wieken van de molen.N is een verhoudingsfactor. Dit is 140 voor een open gebied, 75 voor ruw gebied en 50 voor besloten gebied.Z staat voor de askophoogte van de molen in meters.
  3. Bestaande vergunde bouwwerken in afwijking van het eerste en tweede lid zijn toegestaan. Paragraaf 4.1.5.3 Omgevingsplanactiviteit Artikel 4.42 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan. Artikel 4.43 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.42 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het functioneren van de molen niet wordt aangetast. Artikel 4.44 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.42 wordt alleen verleend als: a. het functioneren van de molen niet aangetast wordt; en b. het advies van de provincie wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Paragraaf 4.1.5.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden. Artikel 4.45 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.46 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  4. Artikel 4.46 Activiteiten met een omgevingsvergunning
  5. Het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden met een uitgroeihoogte die hoger is dan op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.
  6. Het ophogen van gronden hoger dan de hoogte die op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.
  7. Het aanleggen van bovengrondse constructies, installaties en apparatuur met een hoogte die hoger is dan op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken. Artikel 4.47 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  8. Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, die betrekking hebben op het normale beheer en onderhoud.
  9. Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning. Artikel 4.48 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.45 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het functioneren van de molen niet wordt aangetast. Artikel 4.49 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.45 wordt alleen verleend als: a. het functioneren van de molen niet aangetast wordt; en b. het advies van de provincie wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Afdeling 4.1.6 Rioolleiding Paragraaf 4.1.6.

Artikel 4.50 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.6 gaat over: a. de aanleg en de instandhouding van rioolwatertransportleidingen; en b. de vrijwaringszone die hoort bij de rioolwatertransportleidingen. Artikel 4.51 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.6 gelden met als doel de rioolwatertransportleidingen te beschermen. Artikel 4.52 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.6 gelden binnen het gebied rioolleiding. Paragraaf 4.1.6.2 Bouwregels Artikel 4.53 Bouwregels

  1. Er mogen alleen bouwwerken voor de functie riool worden gebouwd, tenzij in dit plan anders is aangegeven.
  2. De bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde mag maximaal 4 meter zijn.
  3. In afwijking van het tweede lid zijn overkappingen niet toegestaan. Paragraaf 4.1.6.3 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.54 Omgevingsplanactiviteiten bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan. Artikel 4.55 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.54 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleiding. Artikel 4.56 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.54 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleiding; b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is. Paragraaf 4.1.6.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden Artikel 4.57 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.58 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  4. Artikel 4.58 Activiteiten met een omgevingsvergunning
  5. Het verharden van gronden.
  6. Het aanleggen van beplantingen.
  7. Het vellen van beplantingen.
  8. Het rooien van beplantingen.
  9. Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.
  10. Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.
  11. Het verlagen of afgraven van gronden.
  12. Het egaliseren van gronden.
  13. Het ophogen van gronden.
  14. Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
  15. Het verlagen van het (grond)waterpeil.
  16. Het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Artikel 4.59 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  17. Werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van de onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
  18. Werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning waarin de te beschermen belangen al zijn meegewogen.
  19. Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
  20. Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen.
  21. Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een ontgrondingsvergunning. Artikel 4.60 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.57 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleidingen. Artikel 4.61 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.57 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkenzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleidingen; en b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Afdeling 4.1.7 Speelautomatenhal Paragraaf 4.1.7.

Artikel 4.62 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.7 gaat over het vestigen van één speelautomatenhal. Artikel 4.63 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.7 gelden met als doel de vestiging van een speelautomatenhal te reguleren en te beperken. Artikel 4.64 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.7 gelden binnen het gebied speelautomatenhal. Paragraaf 4.1.7.2 Toegestaan Artikel 4.65 Wat is toegestaan? De vestiging van maximaal één speelautomatenhal is toegestaan. Afdeling 4.1.8 Waterkering Paragraaf 4.1.8.

Artikel 4.66 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.1.8 gaat over de aanleg en de instandhouding van waterkeringen en waterstaatkundige voorzieningen. Artikel 4.67 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.8 gelden met als doel de waterkeringen te behouden en te beschermen. Artikel 4.68 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.8 gelden binnen het gebied waterkering. Paragraaf 4.1.8.2 Bouwregels Artikel 4.69 Bouwregels

  1. Er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de functie waterkering worden gebouwd, tenzij in dit plan anders is aangegeven.
  2. De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 4 meter zijn.
  3. De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 20 m2 zijn. Paragraaf 4.1.8.3 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.70 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan. Artikel 4.71 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.70 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering. Artikel 4.72 Aanvullende beoordelingsregels voor bouwen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.70 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de de waterkering; en b. de beheerder van de waterkering akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Paragraaf 4.1.8.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden. Artikel 4.73 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kunnen werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.74 worden toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  4. Artikel 4.74 Activiteiten met een omgevingsvergunning
  5. Het verharden van gronden.
  6. Het aanbrengen van beplantingen.
  7. Het vellen van beplantingen.
  8. Het rooien van beplantingen.
  9. Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.
  10. Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.
  11. Het verlagen of afgraven van gronden.
  12. Het egaliseren van gronden.
  13. Het ophogen van gronden.
  14. Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
  15. Het verlagen van het (grond)waterpeil.
  16. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Artikel 4.75 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  17. Werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van de onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
  18. Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
  19. Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen.
  20. Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een ontgrondingsvergunning. Artikel 4.76 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.73 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering. Artikel 4.77 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.73 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering; en b. de beheerder van de waterkering akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Titel 4.2 Waardegebieden Afdeling 4.2.1 Archeologische (verwachtings) waarden Paragraaf 4.2.1.

Artikel 4.78 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.2.1 gaat over (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. Artikel 4.79 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.1 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen. Artikel 4.80 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.1 gelden binnen de gebieden archeologische (verwachtings) waarde, archeologisch monument en archeologische rijksmonument. Artikel 4.81 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.2.1 voor alleen het onderdeel bouwen, maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden. Paragraaf 4.2.1.2 Bouwregels Artikel 4.82 Bouwregels

  1. Het bouwen van bouwwerken is niet toegestaan, tenzij anders in afdeling 4.2.1 is aangegeven.
  2. Het bouwen van een bouwwerken is alleen toegestaan wanneer de oppervlakte van het bouwwerk kleiner of gelijk is aan de oppervlakte zoals aangegeven binnen het gebied archeologische oppervlakte en waarbij een bodemverstoring niet dieper gaat dan binnen het gebied archeologische diepte bodem is aangegeven, tenzij anders in afdeling 4.2.1 is aangegeven.
  3. In afwijking van artikel 22.26 is vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
  4. In afwijking van artikel 22.26 is vergroting van bestaande bouwwerken met maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering, met behoud van bestaande funderingen, toegestaan. Paragraaf 4.2.1.3 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.83 Omgevingsplanactiviteiten bouwwerk voor een andere functie
  5. Alleen met een omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 4.82 eerste lid het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie worden toegestaan, tenzij het gaat om een enkelvoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument dan is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag.
  6. Alleen met een omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 4.82 tweede lid het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie worden toegestaan. Artikel 4.84 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.83 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de gronden waarop wordt gebouwd en waar de bodem wordt verstoord voldoende is vastgesteld. Artikel 4.85 Aanvullende beoordelingsregels zonder verstoring van archeologische waarde De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.83 wordt alleen verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden niet wordt verstoord; en b. het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.86 Aanvullende beoordelingsregels (mogelijke) verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat de archeologische waarden (mogelijk) worden verstoord kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.83 alleen worden verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden kunnen worden behouden, beschermd of hersteld; b. het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning. Paragraaf 4.2.1.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden Artikel 4.87 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 4.88 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  7. Wanneer het gaat om een enkelvoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument dan is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag. Artikel 4.88 Activiteiten met omgevingsvergunning
  8. De bodem wordt met meer dan 1 meter verhoogd.
  9. De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte zoals aangegeven binnen het gebied archeologische oppervlakte opgehoogd.
  10. Grondwerkzaamheden.
  11. Grondwerkzaamheden dieper dan de binnen het gebied maximum archeologische diepte bodem onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan binnen het gebied archeologische oppervlakte.
  12. Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte binnen het gebied van meer dan archeologische oppervlakte van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen.
  13. Het verlagen of afgraven van de bodem van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen.
  14. Het verlagen van het waterpeil.
  15. Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
  16. Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
  17. Het aanleggen van boom of boomgaard.
  18. Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
  19. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.89 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  20. Werken en werkzaamheden niet dieper dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
  21. Werken en werkzaamheden met betrekking op het normale beheer en onderhoud.
  22. Voor werken en werkzaamheden met betrekking tot het normale agrarische gebruik.
  23. Werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk. Artikel 4.90 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.87 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de gronden waarop wordt gebouwd en waar de bodem wordt verstoord voldoende is vastgesteld. Artikel 4.91 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken zonder verstoring De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.87 wordt alleen verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden niet wordt verstoord; en b. het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.92 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken met (mogelijke) verstoring Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat er sprake is van (mogelijke) verstoring van de archeologische waarde kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.87 worden verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden kunnen worden behouden, beschermd of hersteld. b. het advies van de archeologisch deskundige is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning. Paragraaf 4.2.1.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.93 Vergunningvoorschrift met (mogelijke) verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat de archeologische waarden van de gronden (mogelijk) worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in afdeling 4.2.1: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Afdeling 4.2.2 Bijzondere boom Paragraaf 4.2.2.

Artikel 4.94 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.2.2 gaat over bijzondere bomen. Artikel 4.95 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.2 gelden met als doel bijzondere bomen te behouden, beschermen en herstellen. Artikel 4.96 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.2 gelden binnen het gebied bijzondere boom. Paragraaf 4.2.2.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.97 Omgevingsplanactiviteit bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden Alleen met een omgevingsvergunning zijn bouwwerken of werken, niet zijnde bouwwerken of werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.98 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.

  1. Artikel 4.98 Activiteiten met omgevingsvergunning
  2. Het verlagen of afgraven van gronden.
  3. Het egaliseren van gronden.
  4. Het ophogen van gronden.
  5. Het verharden van gronden.
  6. het bouwen van bouwwerken.
  7. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Artikel 4.99 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  8. De werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
  9. Werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende: a. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden; b. omgevingsvergunning voor het kappen. Artikel 4.100 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.97 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend, waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom. Artikel 4.101 Aanvullende beoordelingsregels
  10. In geval van bouwactiviteiten mogen deze bouwactiviteiten geen wezenlijke negatieve gevolgen hebben voor de bijzondere boom.
  11. In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden: a. de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden aangetast; of b. de mogelijkheid voor herstel van de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden verkleind.
  12. Er is sprake van een advies van een bomendeskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid en/of het tweede lid en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Afdeling 4.2.3 Landschappelijke waarden Paragraaf 4.2.3.

Artikel 4.102 Waar gaat deze afdeling over?

De afdeling 4.2.3 gaat over landschappelijke waarden. Artikel 4.103 Waarom gelden deze regels? De regels in deze afdeling 4.2.3 gelden met als doel: a. het in stand houden en versterken van de openheid van het landschap; b. het in stand houden van de aardkundige waarden (rivierduinen); en/of c. het in stand houden en verwerken van de kenmerkende hoogteverschillen van het landschap. Artikel 4.104 Waar gelden deze regels?

  1. De landschappelijke waarde reliëf geldt binnen het gebied reliëf.
  2. De landschappelijke waarde openheid geldt binnen het gebied openheid.
  3. De landschappelijke waarde rivierduin geldt binnen het gebied rivierduin. Paragraaf 4.2.3.2 Werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden Artikel 4.105 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.106 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.
  4. Artikel 4.106 Activiteiten met omgevingsvergunning
  5. Het verlagen van de bodem.
  6. Het egaliseren van gronden.
  7. Het ophogen van gronden.
  8. Het verharden van gronden.
  9. Het aanleggen van watergangen, weidegreppels en andere waterpartijen.
  10. Het dempen van watergangen, weidegreppels en andere waterpartijen.
  11. Het afgraven van gronden.
  12. Het bebossen of op een andere manier beplanten met houtopstanden.
  13. Het aanbrengen van bovengrondse en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen voor de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet. Artikel 4.107 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
  14. Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het kader van het normale beheer en onderhoud.
  15. Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd. Artikel 4.108 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.105 moet in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige landschappelijke waarden. Artikel 4.109 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.105 wordt alleen verleend als: a. de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; b. er geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarde(n); c. de locatie niet ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk of de groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardig belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. d. het advies van de landschapsdeskundige is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Hoofdstuk 5 ALGEMENE REGELS OVER GEBRUIK EN/OF BOUWEN Afdeling 5.1 Indieningsvereisten Paragraaf 5.1.1 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 5.1 Aanvullende indieningsvereisten Voor zover in hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 21 gegevens en bescheiden worden gevraagd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, gelden die aanvullend op hoofdstuk
  16. Afdeling 5.2 Beoordelingsregels Paragraaf 5.2.1 Aanvullende beoordelingsregels Artikel 5.2 Aanvullende beoordelingsregels Voor zover in hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 21 beoordelingsregels zijn opgenomen ter beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, gelden die voor de betreffende omgevingsvergunning aanvullend op hoofdstuk
  17. Paragraaf 5.2.2 Algemene beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten Artikel 5.3 Algemene beoordelingsregels - Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen 2024, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 28 maart 2024, waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota. Artikel 5.4 Algemene beoordelingsregels - Ruimtelijke uitwerking De ruimtelijke uitwerking van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet aanvaardbaar zijn. Artikel 5.5 Algemene beoordelingsregels - Aangrenzende gronden De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende functies, gronden en bouwwerken mogen niet onevenredig worden aangetast door nieuwe activiteiten of nieuwe ontwikkelingen. Afdeling 5.3 Algemene bouw- en gebruiksregels Paragraaf 5.3.1 Anti-dubbeltelregel Artikel 5.6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Paragraaf 5.3.2 Bouwen in relatie tot toegestaan gebruik Artikel 5.7 Bouwwerk en voorziening uitsluitend voor gebruik dat is toegestaan Een bouwwerk en voorziening moet nodig zijn voor het gebruik dat op de locatie van het bouwwerk op grond van regels in dit omgevingsplan is toegestaan, tenzij anders in dit omgevingsplan is bepaald. Paragraaf 5.3.3 Verboden gebruik Artikel 5.8 Verboden gebruik
  18. Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. staan- en/of ligplaats voor wagens en/of onderkomens; b. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en/of vaartuigen en/of onderdelen daarvan; c. opslagplaats voor gerede en/of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines en/of onderdelen daarvan; d. stortplaats voor puin, mest- en/of afvalstoffen; e. voorziening voor een 24 uurs begeleidwonenvoorziening met zorgplekken voor dak- of thuislozen met een verslavingsproblematiek of justitieel verleden; f. het gebruiken van één of meer bouwwerken in een volkstuin ten behoeve van permanente bewoning; g. seksinrichting, tenzij het 'thuisprostitutie' betreft; h. verblijfsrecreatie en intensieve dagrecreatie; i. het omschakelen van een grondgebonden veehouderij naar een niet-grondgebonden veehouderij; j. het racen en/of crossen met gemotoriseerde voertuigen of fietsen; k. het gebruik of laten gebruiken van een recreatief woonverblijf voor permanente bewoning; l. het gebruiken of het laten gebruiken van een bijbehorend bouwwerken als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte; m. het gebruik van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk, vrij in het gebouw staande plateau's en vergelijkbare constructies inbegrepen, voor het bedrijfsmatig houden van dieren.
  19. Het bepaalde onder het eerste lid onderdeel a t/m d is niet van toepassing op (tijdelijk) gebruik voor de realisering en/of handhaving van de functies of het normale onderhoud, gebruik en/of beheer van gronden en/of bouwwerken. Paragraaf 5.3.4 Ondergronds bouwen Artikel 5.9 Ondergronds bouwen In dit omgevingsplan gelden de bouwregels voor bovengronds bouwen; niet voor ondergronds bouwen (bouwwerken onder het maaiveld). Paragraaf 5.3.5 Bestaande situatie Artikel 5.10 Regels voor bestaande bouwwerken en gebruik
  20. Voor een bestaand bouwwerk waarvan de bestaande situering, goot- en/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud afwijken van de bouwregels in dit omgevingsplan: a. is de bestaande situering, goot- en/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud maatgevend; b. is herbouw uitsluitend mogelijk op dezelfde plaats; en c. is het overgangsrecht in dit omgevingsplan niet van toepassing.
  21. Bestaand gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan.
  22. Het bestaande aantal woningen en bedrijfswoningen is toegestaan.
  23. In afwijking van het eerste lid mag een bestaande woning of een bestaande bedrijfswoning in het buitengebied een maximale inhoud hebben van 750 m
  24. In afwijking van het eerste lid mag een woning of een bedrijfswoning in het buitengebied een maximale goothoogte hebben van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Paragraaf 5.3.6 Maatwerkvoorschriften Artikel 5.11 Maatwerkvoorschrift Het bevoegd gezag kan wanneer rekening wordt gehouden met de regels uit hoofdstuk 6 en 7, maatwerkvoorschriften stellen over: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden; onder voorwaarde dat de maatwerkvoorschriften niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. Paragraaf 5.3.7 Opwekking duurzame energie Artikel 5.12 Opwekking duurzame energie op dak Het opwekken van duurzame energie met behulp van zonnepanelen of andere - op grond van de omgevingsplansregels mogelijke - voorzieningen op het dak zijn toegestaan. Paragraaf 5.3.8 Specifieke beoordelingsregels Subparagraaf 5.3.8.

Artikel 5.13 Specifieke gevallen 1.

Een omgevingsvergunning kan toch worden verleend voor de specifieke gevallen zoals bedoeld in dit artikel, wanneer voldaan wordt aan de aanvullende beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 5.

  1. Het oprichten van bouwwerken van algemeen nut (zoals abri's, transformatorhuisjes, gasmeet- en regelstations en conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m3 en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 meter.
  2. Het overschrijden van de bouwregels over de goothoogte, de bouwhoogte en de (vloer)oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%, met uitzondering van de regels in de functie Wonen.
  3. Het overschrijden van de bouwregels inzake de bouwhoogte en de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 10%.
  4. Het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bouwgrens, te veranderen, waarbij de grens met niet meer dan 3 meter wordt verschoven.
  5. Het oprichten van masten voor mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter.
  6. Het oprichten van kunstobjecten tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, voor alle (hoofd)functies, behalve de functie Bos, Groen en Natuur. Artikel 5.14 Aanvullende beoordelingsregels specifieke gevallen
  7. Er mag geen onevenredige afbreuk zijn van de stedenbouwkundige kwaliteit.
  8. Bij toepassing van artikel 5.13 vijfde lid moet blijken dat: a. het nodig blijkt uit de definitieve uitmeting en verkaveling; b. aanpassing van het plan noodzakelijk of gewenst is; of c. het van belang is voor een juiste verwerkelijking van het plan. Subparagraaf 5.3.8.2 Kleinschalige duurzame energie Subsubparagraaf 5.3.8.2.1 Zonnepanelen Artikel 5.15 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het plaatsen van zonnepanelen op de grond toegestaan. Artikel 5.16 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.15 wordt alleen verleend als: a. de zonnepanelen worden geplaatst op eigen grond, op het perceel dat als erf gebruikt wordt; b. de hoogte maximaal 1,5 meter is; c. de totale oppervlakte van de op de grond geplaatste zonnepanelen maximaal 100 m2 bedraagt; en d. de zonnepanelen landschappelijk zijn/worden ingepast en hiervoor vooraf advies is ingewonnen bij ter zake deskundigen op het gebied van ecologie en landschap. Subsubparagraaf 5.3.8.2.2 Mini windturbine Artikel 5.17 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het plaatsen van een mini windturbine toegestaan. Artikel 5.18 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.17 wordt alleen verleend als: a. de as van de mini windturbine maximaal 5 meter uitsteekt boven het hoogste punt van het bouwwerk waarop de turbine geplaatst wordt; b. de mini windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en c. voor de mini windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden. Subsubparagraaf 5.3.8.2.3 Kleine windturbine Artikel 5.19 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het plaatsen van een kleine winturbine toegestaan. Artikel 5.20 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.19 wordt alleen verleend als: a. de kleine windturbine een maximale as-hoogte heeft van 30 meter; b. de kleine windturbine niet mag staan in het gebiedstype 'woongebieden', zoals weergegeven in de bijlage Algemeen - Gebiedstypen; c. in het landelijk gebied op het erf gerealiseerd moet worden, op maximaal 100 meter afstand van het op dat erf aanwezige hoofdgebouw; d. de kleine windturbine moet minimaal (A) meter van het beperkingengebied 'Gasleiding' afliggen, zoals berekend uit de volgende formule: A = H + 1/3 W, waarin A = minimale afstand, H = ashoogte, W = Wieklengte en de wieklengte = 1/2 ashoogte; e. de kleine windturbine moet minimaal (A) meter van het beperkingengebied 'Hoogspanningsverbinding' afliggen, waarbij een vrije ruimte wordt aangehouden die minimaal gelijk of groter is dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is ashoogte plus ½ rotordiameter, van de betreffende windturbine; f. de kleine windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en g. voor de kleine windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden. Subparagraaf 5.3.8.3 Overschrijding bouw- en/of hoofdfunctiegrenzen Subsubparagraaf 5.3.8.3.1 Algemene regels Artikel 5.21 Regels bij overschrijding van de bouw- en/of functiegrenzen
  9. Het is verboden bij ruimtelijke bouwactiviteiten bouw- en/of functiegrenzen zoals opgenomen in hoofdstuk 6 te overschrijden.
  10. Het verbod in het eerste lid geldt niet bij: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen, voorzover zij de grens van de weg niet overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 12 centimeter bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, reclame-uitingen, galerijen en luifels, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 50 centimeter bedraagt en zij niet lager zijn aangebracht dan:
  11. 4,20 meter boven een rijbaan of boven een strook ter breedte van 1,50 meter langs een rijbaan;
  12. 2,20 meter boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de onder nummer 1 genoemde strook; d. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voorzover dezen de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; e. goten, ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen; f. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voorzover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand:
  13. de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 1 meter overschrijden;
  14. de grens van de weg overschrijden;
  15. lager zijn geplaatst dan 4,20 meter boven een rijbaan. Subsubparagraaf 5.3.8.3.2 Omgevingsplanactiviteit Artikel 5.22 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het overschrijden van bouw en-/of hoofdfunctiegrenzen met ten hoogste 2 meter toegestaan. Subsubparagraaf 5.3.8.3.3 Aanvullende beoordelingsregels Artikel 5.23 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in 5.22 wordt alleen verleend als het gaat om: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen die de grens van de weg overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, die de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 12 centimeter overschrijden, dan wel die de grens van de weg overschrijden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, die de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 50 centimeter overschrijden, waarbij rekening wordt gehouden met artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; d. overbouwingen voor de verbinding van twee bouwwerken, waarbij rekening wordt gehouden met artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; e. bloemenkozijnen, balkons en galerijen, mits zij bij overschrijding van de grens van de weg voldoen artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; f. luifels en draagconstructies voor reclame, mits zij bij overschrijding van de weggrens voldoen aan artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; g. hijsinrichtingen, laadbruggen, stortgoten, stort- en zuigbuizen die in enige stand de naar de weg gekeerde bouwgrens met ten hoogste 1,50 meter overschrijden, mits zij niet lager zijn geplaatst dan 4,20 meter boven de rijbaan; h. toegangen van bouwwerken, voor wat de hoogte boven de weg betreft, die de grens van de weg niet overschrijden; i. kelderingangen en kelderkoekoeken; j. bouwwerken waarvan de bovenzijde niet hoger is gelegen dan:
  16. de hoogte van de weg, voor zover de bouwwerken in de weg zijn gelegen;
  17. de terreinhoogte bij voltooiing van de bouw, voor zover de bouwwerken niet in de weg gelegen zijn. Hoofdstuk 6 FUNCTIEGERELATEERDE REGELS OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN Afdeling 6.1 Agrarisch bedrijf Paragraaf 6.1.

Artikel 6.1 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.1 gaat over de functie agrarisch bedrijf. Artikel 6.2 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.1 gelden binnen het gebied agrarisch bedrijf. Paragraaf 6.1.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.3 Eén agrarisch bedrijf Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. Artikel 6.4 Grondgebonden agrarische bedrijven De agrarische bedrijvigheid is alleen toegestaan in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Artikel 6.5 Nevenactiviteiten Bij een agrarisch bedrijf zijn nevenactiviteiten toegestaan zonder omgevingsvergunning, tenzij anders in dit omgevingsplan is aangegeven. Artikel 6.6 Aanvullende beoordelingsregels Nevenactiviteiten zoals genoemd in artikel 6.5 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: a. alleen nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten (bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan; b. nevenactiviteiten in de openlucht zijn alleen toegestaan bij de hoofdfunctie dagrecreatie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een oppervlakte van maximaal 200 m2; c. de oppervlakte van de nevenactiviteit(

  1. en)mag maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
  2. en)in totaal maximaal 350 m2 is; d. verblijfsrecreatie is alleen toegestaan in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie. Artikel 6.7 Overig gebruik bij een agrarisch bedrijf 1. Extensieve dagrecreatie, zandwegen, fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen zijn toegestaan. 2. Waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen zijn toegestaan. 3. Groen-, natuur- en nutsvoorzieningen zijn toegestaan. 4. Het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen is in het landelijk gebied toegestaan. Paragraaf 6.1.3 Toegestaan - Specifiek Paragraaf 6.1.4 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.1.4.1 Nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf Artikel 6.8 Omgevingsplanactiviteit nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf Alleen met een omgevingsvergunning zijn neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten toegestaan wanneer het gaat om activiteiten waarbij: a. een oppervlakte groter is dan 350 m2; en/of b. het gaat om het uitoefenen van nevenactiviteiten in de open lucht. Artikel 6.9 Aanvullende beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.8 wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte van de nevenactiviteit(
  3. en)maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag zijn, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
  4. en)niet meer mag bedragen dan in de tabel hieronder is aangegeven. Daarbij moet rekening worden gehouden dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan; b. de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen, en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; c. de (gezamenlijke) nevenactiviteit(
  5. en)van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft. Maximale oppervlakte nevenactiviteiten Maximale oppervlakte in m2 Nevenactiviteiten Groene ontwikkelingszone Overig Landelijk gebied Verblijfsrecreatie 500 750 Dagrecreatie 500 750 Zorg 500 750 Opslag x 500 Opslag nevenactiviteiten x 500 2. In afwijking van artikel 6.9 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie is gelegen binnen de groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.9 eerste lid blijven dan ook gelden. Subparagraaf 6.1.4.2 Kamperen bij de boer Artikel 6.10 Omgevingsplanactiviteit kamperen bij de boer Alleen met een omgevingsvergunning is een kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf toegestaan. Artikel 6.11 Aanvullende beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.10 wordt alleen verleend als: a. de gronden die in gebruik genomen gaan worden voor kamperen binnen het bouwvlak liggen of daar direct op aansluiten; b. er maximaal 25 kampeerplaatsen zijn; c. kamperen uitsluitend is in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; d. gebouwen, zoals sanitaire ruimten, voldoen aan de volgende regels: 1. alleen binnen het bouwvlak; 2. de maximale oppervlakte van 150 m2 mag zijn; 3. de goothoogte maximaal 3 meter mag zijn; 4. de bouwhoogte maximaal 6 meter mag zijn; e. het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; f. het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een manier die voldoet zoals aangegeven in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen. 2. In afwijking van artikel 6.11 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie ligt binnen de groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstige aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.11 eerste lid blijven dan ook gelden. Paragraaf 6.1.5 Verboden - Algemeen Artikel 6.12 Verboden gebruik 1. Nieuwvestiging van grondgebonden- en een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is verboden. 2. Nieuwvestiging en uitbreiden van een geitenhouderij is verboden, daaronder wordt verstaan: a. het vestigen van een geitenhouderij; b. het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij; c. het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden; d. het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; e. het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; f. het tijdelijk gebruiken van bouwwerken of gronden voor een geitenhouderij. 3. Het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van landbouwhuisdieren is in elk geval verboden als sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf door het gebruik van gronden en overkappingen. 4. Het omschakelen van een grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) naar een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) is niet toegestaan. Paragraaf 6.1.6 Verboden - Specifiek Artikel 6.13 Geur - emissiepunten en emissiebronnen verboden Binnen het gebied Broekhuizerstraat 10 - geur emissiepunten verboden is het verboden om: a. een geuremissiepunt te hebben; b. landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in een dierenverblijf te houden; c. paarden en pony’s om te berijden te houden; d. vaste mest, champost of dikke fractie op te slaan; e. drijfmest, digestaat of dunne fractie in mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van 350 m2 tot en met 750 m2 op te slaan; f. voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten te hebben; en/of g. groenafval te composteren of op te slaan. Afdeling 6.2 Evenementen Paragraaf 6.2.

Artikel 6.14 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.2 gaat over de functie evenementen. Artikel 6.15 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.2 gelden binnen het gebied evenementenlocatie. Artikel 6.16 Wanneer gelden de regels?

  1. Binnen het gebied evenementenlocatie gelden de regels in afdeling 6.2 in aanvulling op het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
  2. Voor zover de regels in afdeling 6.2 strijdig zijn met het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hebben de regels in afdeling 6.2 voorrang op de regels waarmee de strijdigheid bestaat. Paragraaf 6.2.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.17 Algemeen
  3. Evenementen zijn in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering / verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak toegestaan.
  4. De op- en afbouw van bij het evenement behorende voorzieningen mag in totaal maximaal 7 dagen duren.
  5. De begin- en eindtijden van de evenementen moeten voldoen aan de tijden zoals staat in de tabel hieronder: Dagen Begintijd Eindtijd Zondag t/m donderdag 8:30 uur 23:00 uur Vrijdag 8:30 uur 24:00 uur Zaterdag 8:30 uur 01:00 uur (zondag) Artikel 6.18 Maatwerkvoorschriften
  6. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.17 tweede lid voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een evenement dat langer duurt.
  7. Het maatwerkvoorschrift wordt alleen genomen als: a. er voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar zijn; b. de aan te brengen voorzieningen tijdelijk zijn. Dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen; en c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de binnen het gebied aanwezige waarden. Paragraaf 6.2.3 Toegestaan - Specifiek Subparagraaf 6.2.3.1 Evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem Artikel 6.19 Waar gelden deze regels? Binnen het gebied evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem zijn evenementen toegestaan. Artikel 6.20 Regels voor de evenementenlocatie binnenstad Doetinchem
  8. Er zijn maximaal 3 evenementen toegestaan van maximaal 30 dagen.
  9. Er zijn maximaal 30 evenementen toegestaan van maximaal 6 dagen.
  10. De duur van de evenementen is exclusief op- en afbouw.
  11. Het aantal evenementen binnen het gebied evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem is inclusief koopzondagen. Subparagraaf 6.2.3.2 Evenementenlocatie - Mark Tennantplantsoen Artikel 6.21 Waar gelden deze regels? Binnen het gebied evenementenlocatie - Mark Tennantplantsoen zijn evenementen toegestaan. Artikel 6.22 Regels voor de evenementenlocatie Mark Tennantplantsoen
  12. Er zijn maximaal 4 evenementen toegestaan van maximaal 4 dagen met maximaal 1500 bezoekers.
  13. Er is maximaal 1 evenement toegestaan van maximaal 30 dagen met maximaal 150 bezoekers.
  14. De duur van de evenementen is exclusief op- en afbouw. Paragraaf 6.2.4 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.2.4.1 Aanvang evenement evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem Artikel 6.23 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is voor één evenement per kalenderjaar een begintijd van 06:00 uur toegestaan. Artikel 6.24 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.23 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt waarom het noodzakelijk is om eerder te beginnen dan de standaard begintijd zoals staat in artikel 6.17 derde lid. Artikel 6.25 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.23 wordt alleen verleend als: a. het de eerste aanvraag voor het kalenderjaar is; b. de begintijd is tussen 06:00 uur en 08:30 uur; en c. er wordt voldaan aan de geluidsniveaus zoals staat in artikel 9.4 eerste lid. Afdeling 6.3 Groen Paragraaf 6.3.

Artikel 6.26 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.3 gaat over de functie groen. Artikel 6.27 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.3 gelden binnen het gebied groen. Paragraaf 6.3.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.28 Toegestaan gebruik Binnen het gebied groen is het gebruik van gronden toegestaan voor: a. (structurele) groenvoorzieningen waaronder houtopstanden; b. extensieve dagrecreatie en mogelijkheden voor ontmoeting en spelen; c. fiets- en wandelpaden en verhardingen, niet zijnde parkeervoorzieningen; d. waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. kunstobjecten; g. bestaande inritten; en h. straatmeubilair en speeltoestellen. Paragraaf 6.3.3 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.3.3.1 Nieuwe inrit Artikel 6.29 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een nieuwe inrit toegestaan. Artikel 6.30 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.29 wordt alleen verleend als: a. de inrit noodzakelijk is om een perceel te ontsluiten; b. de inrit geen onevenredige afbreuk doet aan de flora en fauna ter plaatse; c. de waarde of beleving van de groenvoorziening niet onevenredig wordt aangetast; d. als uit het advies van deskundige op het gebied van ecologie blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit ecologisch oogpunt; e. als uit het advies van deskundige op het gebied van verkeer blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit verkeerskundig oogpunt; en f. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. Afdeling 6.4 Natuur Paragraaf 6.4.

Artikel 6.31 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.4 gaat over de functie natuur. Artikel 6.32 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.4 gelden binnen het gebied natuur. Paragraaf 6.4.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.33 Toegestaan gebruik Binnen het gebied natuur is het volgende gebruik van gronden toegestaan: a. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuur- , visuele- en landschapswaarden; b. extensieve dagrecreatie, als de onder a bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; c. waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen, inclusief bijbehorende oevers; d. fiets- en wandelpaden, als de onder a bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; e. kunstobjecten; f. nutsvoorzieningen; en g. bouwwerken en voorzieningen die horen bij de functie natuur. Afdeling 6.5 Verkeer Paragraaf 6.5.

Artikel 6.34 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.5 gaat over de functie verkeer. Artikel 6.35 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.5 gelden binnen het gebied verkeer. Paragraaf 6.5.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.36 Toegestaan gebruik Binnen het gebied verkeer is het gebruik van gronden toegestaan voor: a. verkeer en verblijf; b. geluidwerende voorzieningen; c. straatmeubilair en speeltoestellen; d. parkeervoorzieningen; e. kunstobjecten; f. groenvoorzieningen; g. waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen; h. nutsvoorzieningen. Paragraaf 6.5.3 Geboden Artikel 6.37 Terras Bij mogelijkheden voor ontmoeting moet voldaan worden aan de voorwaarden die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in de Nota Terrassenbeleid, zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 5 maart 2013, rekening houdende dat wanneer de nota wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Artikel 6.38 Standplaatsen Bij mogelijkheden voor ontmoeting moet voldaan worden aan de voorwaarden die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in de Nota Standplaatsenbeleid 2011, zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 22 november 2011, rekening houdende dat wanneer de nota wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Afdeling 6.6 Water Paragraaf 6.6.

Artikel 6.39 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.6 gaat over de functie water. Artikel 6.40 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.6 gelden binnen het gebied water. Paragraaf 6.6.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.41 Toegestaan gebruik Binnen het gebied water is het volgende gebruik van gronden toegestaan: a. het ontvangen, bergen en/of afvoeren van water zoals waterpartijen, waterlopen en andere watergangen, inclusief bijbehorende oevers; b. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuur- , visuele en landschapswaarden; c. extensieve dagrecreatie, als de onder b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; d. infrastructurele voorzieningen; e. groen- en nutsvoorzieningen; f. bouwwerken die bij de functie water horen. Afdeling 6.7 Wonen Paragraaf 6.7.

Artikel 6.42 Waar gaat deze afdeling over?

Afdeling 6.7 gaat over de functie wonen. Artikel 6.43 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.7 gelden binnen het gebied wonen. Paragraaf 6.7.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.44 Woningen en bijbehorende bouwwerken en voorzieningen Het gebruik van gronden en bouwwerken voor woningen en de hierbij behorende bouwwerken en voorzieningen zijn binnen het gebied wonen toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangeven. Artikel 6.45 Aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven in stedelijk gebied Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het gebied stedelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; b. niet meer dan 40% van de totale vloeroppervlakte van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken die voor de functie wonen mogen worden gebruikt, mag worden gebruikt voor het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf; c. het medegebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken zodanig beperkt blijft dat de afstand tussen de als zodanig gebruikte ruimte en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter mag zijn. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen; d. de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving; e. degene die het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn; f. alleen bedrijven en/of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven; g. geen detailhandel mag plaatsvinden, behalve:

  1. internetverkoop (internetwinkels); en/of
  2. een beperkte verkoop (als ondergeschikte nevenactiviteit) van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het beroep en/of bedrijf aan huis; h. een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben; i. geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf; buitenactiviteiten gekoppeld aan gastouderschap zijn wel toegestaan; en j. vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet mogen worden gebruikt voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf. Artikel 6.46 Aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven in landelijk gebied Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het landelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; b. voor het aan huis gebonden bedrijf of beroep mag niet meer dan 40 % van de totale oppervlakte van de vloeroppervlakte van de woning én de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt, waarbij de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 100 m2 mag zijn; c. de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. degene die het aan huis gebonden bedrijf of beroep uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn; e. alleen bedrijven of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven; f. geen onevenredige verstoring van de voorzieningenstructuur mag plaatsvinden; g. een detailhandel mag plaatsvinden, behalve:
  3. internetverkoop (internetwinkels); en/of
  4. een beperkte verkoop (als ondergeschikte nevenactiviteit) van producten die ter plaatse zijn gemaakt, of direct verband houden met het bedrijf of beroep aan huis. h. een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben; i. geen uitstalling van te verkopen artikelen mag plaatsvinden; geen showroom binnen of buiten; j. het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling én niet onevenredig veel extra verkeer mag worden aangetrokken; k. het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de parkeerbalans én op eigen terrein moet worden geparkeerd door gebruiker en bezoekers; l. alleen onverlichte reclame-uitingen met een oppervlakte kleiner dan 0,5 m2 zijn toegestaan, waarvan de langste zijde minder dan 1 meter mag zijn; m. geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf of beroep. Artikel 6.47 Overig gebruik
  5. Tuinen, erven en erfontsluitingswegen voor woningen zijn toegestaan.
  6. Waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen zijn toegestaan.
  7. Nutsvoorzieningen zijn toegestaan.
  8. Het hobbymatig houden van dieren en het telen van gewassen is in het landelijk gebied toegestaan. Paragraaf 6.7.3 Toegestaan - Specifiek Subparagraaf 6.7.3.1 Woningtype Artikel 6.48 Toegestaan woningtype Binnen het gebied woningtype is alleen het aangegeven woningtype toegestaan. Subparagraaf 6.7.3.2 Aantal woningen Artikel 6.49 Toegestaan aantal woningen Binnen het gebied maximum aantal woningen is maximaal het aantal aangegeven woningen toegestaan. Subparagraaf 6.7.3.3 Woningdifferentiatie Artikel 6.50 Waarom gelden deze regels? De regels in subparagraaf 6.7.3.3 gelden met als doel dat voldaan wordt aan de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023). Wijzigt deze doelgroepenverordening, dan moet rekening worden gehouden met die wijziging. Artikel 6.51 Waar gelden deze regels? De regels in subparagraaf 6.7.3.3 gelden binnen het gebied woningdifferentiatie. Artikel 6.52 Woningdifferentiatie
  9. Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale huurwoning minimaal het aangegeven percentage een sociale huurwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 25 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
  10. Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage middenhuurwoning minimaal het aangegeven percentage een middenhuurwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 15 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
  11. Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage goedkope koopwoning minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie goedkope koopwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor tenminste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
  12. Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale koopwoning (betaalbaar categorie 1) minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie betaalbare koopwoning categorie 1 zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
  13. Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale koopwoning (betaalbaar categorie 2) minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie betaalbare koopwoning categorie 2 zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening. Subparagraaf 6.7.3.4 Wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken Artikel 6.53 Wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor de uitbreiding van de woonfunctie, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen is niet toegestaan; b. de afstand tussen dat bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter is. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen; en c. bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van het huishouden van de bijbehorende woning. Subparagraaf 6.7.3.5 Parkeren Artikel 6.54 Parkeren - Specifiek
  14. In afwijking van artikel 5.3 zijn binnen het gebied besluitgebied - Terborgseweg naast 119 Doetinchem minimaal 65 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan maximaal 28 op het maaiveld.
  15. In afwijking van artikel 5.9 mag de gedeeltelijk verdiepte parkeergarage binnen het gebied gedeeltelijk verdiepte parkeergarage maximaal 2,5 meter diep zijn.
  16. Binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - uitsluitend gedeeltelijk verdiepte parkeergarage zijn alleen een parkeergarage en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Paragraaf 6.7.4 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.7.4.1 Aan huis gebonden beroep of bedrijf Artikel 6.55 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een ander beroep en/of bedrijf aan huis dan is opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven toegestaan. Artikel 6.56 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.55 wordt alleen verleend als het andere beroep en/of bedrijf naar aard, omvang en hinder gelijk is te stellen met één of meer in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven genoemde beroepen en bedrijven. Subparagraaf 6.7.4.2 Wonen op kortere afstand tot bouwperceelsgrens Artikel 6.57 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan de uitbreiding van de woonfunctie tot een afstand van minimaal 3 meter tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens worden toegestaan. Artikel 6.58 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.57 wordt alleen verleend als: a. het niet gaat om een vrijstaand bijbehorende bouwwerk. b. het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorende bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; en c. bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van het huishouden van de bijbehorende woning; Subparagraaf 6.7.4.3 Aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in aangebouwde bijbehorende bouwwerken op kortere afstand tot bouwperceelsgrens Artikel 6.59 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf worden toegestaan als de afstand tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 3 meter is. Artikel 6.60 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.59 wordt alleen verleend als: a. het niet gaat om een vrijstaand bijbehorende bouwwerk. b. het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorende bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; en c. bewoning bewoning gebeurd door personen die deel uitmaken van het huishouden van de bijbehorende woning. Subparagraaf 6.7.4.4 Aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken Artikel 6.61 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk toegestaan. Artikel 6.62 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.61 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels: a. wanneer de vestiging van een dergelijk beroep of bedrijf in een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet mogelijk is vanwege architectuur of monumentale status van de woning; en b. wanneer het vrijstaande bouwwerk een ruimtelijke eenheid vormt met de woning. Subparagraaf 6.7.4.5 Mantelzorg Artikel 6.63 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een aangebouwd of vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bestaande woning als woonruimte van mantelzorg worden toegestaan. Artikel 6.64 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.63 wordt alleen verleend als: a. de mantelzorgwoning functioneel verbonden is met het hoofdgebouw; b. de totale oppervlakte die voor mantelzorg in gebruik wordt genomen onderdeel uit maakt van de in artikel 7.9 en artikel 7.11 onderdeel a genoemde oppervlaktenorm (100 m2) en de woonunit zich niet uitstrekt tot meer dan één bouwlaag; c. de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter is; deze afstand kan worden teruggebracht naar 3 meter als de aangrenzende (openbare) grond ter hoogte van de geplande woonruimte aan (openbaar) gebied grenst waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; d. de hoogtenorm voor bijbehorende bouwwerken onverminderd van kracht blijft; en e. de woonruimte voldoet aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 6.65 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan een woonunit voor mantelzorg worden toegestaan als: a. de oppervlaktenorm van 100 m2 wordt overschreden tot maximaal 150 m2; en/of b. er een kortere afstand dan 3 meter wordt aangehouden of op de achterste bouwperceelsgrens. Artikel 6.66 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.65 wordt alleen verleend als: a. sprake is van een uitzonderlijk geval; en b. er geen goede alternatieven zijn. Artikel 6.67 Gebod Als de noodzaak voor mantelzorg is vervallen, moet de situatie in en om de woning worden teruggebracht in de oude staat, of in overeenstemming met het omgevingsplan worden gebracht. Dat betekent dat daarna geen sprake meer is van extra woonruimte. Paragraaf 6.7.5 Geboden Subparagraaf 6.7.5.1 Bergingscapaciteit hemelwater Artikel 6.68 Bergingscapaciteit hemelwater - Terborgseweg naast 119 Doetinchem Het gebied Terborgseweg naast 119 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 80 mm per m2 verhard oppervlak, zoals opgenomen in bijlage Terborgseweg naast 119 Doetinchem - hemelwaterberging. Artikel 6.69 Bergingscapaciteit hemelwater - Akkermansweg 2 Gaanderen Het gebied Akkermansweg 2 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 55 mm per m2 verhard oppervlak. Artikel 6.70 Bergingscapaciteit hemelwater - Bultensweg 12-14 Doetinchem Het gebied Bultensweg 12 -14 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 55 mm per m2 verhard oppervlak. Artikel 6.71 Bergingscapaciteit hemelwater - Amphionpark Doetinchem Het gebied Amphionpark - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 80 mm per m2 verhard oppervlak. Subparagraaf 6.7.5.2 Landschappelijke inpassing Artikel 6.72 Landschappelijke inpassing - IJzevoordseweg 7 Doetinchem Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet binnen het gebied IJzevoordseweg 7 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage IJzevoordseweg 7 Doetinchem - versterkingsplan. Artikel 6.73 Landschappelijke inpassing - Terborgseweg naast 119 Doetinchem Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - gebod landschappelijk inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Terborgseweg naast 119 Doetinchem - Inrichtingsschets. Artikel 6.74 Landschappelijke inpassing - Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet voor ontwikkelingen binnen het gebied Broekhuizerstraat 10 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl - Landschappelijk inpassingsplan. Artikel 6.75 Landschappelijke inpassing - Akkermansweg 2 Gaanderen Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet vanwege de ontwikkelingen binnen het gebied Akkermansweg 2 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Akkermansweg 2 - landschappelijk inpassingplan. Artikel 6.76 Landschappelijke inpassing - Bultensweg 12 Doetinchem Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet vanwege de ontwikkelingen binnen het gebied Bultensweg 12 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing voor het perceel Bultensweg 12 zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Bultensweg 12 en 14 - landschappelijk inpassingsplan. Artikel 6.77 Landschappelijke inpassing - Bultensweg 14 Doetinchem Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet vanwege ontwikkelingen binnen het gebied Bultensweg 14 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing voor het perceel Bultensweg 14 zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Bultensweg 12 en 14 - landschappelijk inpassingsplan. Subparagraaf 6.7.5.3 Beeldkwaliteitsplan Artikel 6.78 Beeldkwaliteitsplan - Amphionpark Doetinchem Binnen het gebied Amphionpark - gebod beeldkwaliteitsplan moet bijlage Amphionpark - Beeldkwaliteitsplan Amphionpark Doetinchem worden betrokken bij de toetsing aan de ruimtelijke kwaliteit. Wanneer het beeldkwaliteitsplan strijdig is met dit omgevingsplan gaan de regels uit het omgevingsplan voor. Subparagraaf 6.7.5.4 Afwijken geboden Artikel 6.79 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan een gebod bergingscapaciteit hemelwater, gebod landschappelijke inpassing en/of gebod beeldkwaliteitsplan zoals genoemd in paragraaf 6.7.5 anders worden uitgevoerd. Artikel 6.80 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.79 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend, waaruit blijkt dat: a. de landschappelijke inpassing zoals deze moet worden gerealiseerd is vastgelegd; b. de deskundige het rapport of ander document heeft beoordeeld en advies heeft gegeven. Artikel 6.81 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.79 wordt alleen verleend als: a. aangetoond is dat een afwijking van het gebod noodzakelijk is en dat de afwijking zich uitsluitend daartoe beperkt; b. aangetoond is dat aan de bedoeling van het gebod waarvan wordt afgeweken onverminderd invulling wordt gegeven; c. de afwijking leidt niet tot een kwalitatieve verslechtering van het resultaat dat werd beoogd met het gebod waarvan wordt afgeweken; d. de afwijking gerealiseerd en in stand gehouden wordt binnen, of voor een bepaalde of onbepaalde termijn overeenkomstig het gebod waarvan wordt afgeweken; e. het advies van de deskundige is betrokken bij het besluit omgevingsvergunning; en f. over de afwijking zo nodig afstemming plaatsvindt met een overlegpartner als bijvoorbeeld het Waterschap, Omgevingsdienst, VNOG en Provincie. Paragraaf 6.7.6 Verboden Hoofdstuk 7 REGELS OVER BOUWEN, INSTANDHOUDEN EN GEBRUIKEN VAN BOUWWERKEN Afdeling 7.

Artikel 7.1 Waarom gelden deze regels?

De regels in hoofdstuk 7 gelden voor de beoordeling van een ruimtelijke bouwactiviteit in relatie tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Artikel 7.2 Wanneer mag er gebouwd worden? Het bouwen van een bouwwerk is alleen toegestaan als het bouwwerk nodig is voor de instandhouding van de functie zoals opgenomen in hoofdstuk

  1. Afdeling 7.2 Beoordelingsregels Paragraaf 7.2.1 Hoofdgebouwen Artikel 7.3 Waar zijn hoofdgebouwen toegestaan? Een hoofdgebouw is alleen toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Artikel 7.4 Welke bouwhoogte van een hoofdgebouw is toegestaan? Binnen het gebied maximum bouwhoogte hoofdgebouw is voor hoofdgebouwen de maximaal aangegeven bouwhoogte toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Artikel 7.5 Welke goothoogte van een hoofdgebouw is toegestaan? Binnen het gebied maximum goothoogte hoofdgebouw is voor hoofdgebouwen de maximaal aangegeven goothoogte toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Paragraaf 7.2.2 Woningen en bedrijfswoningen Artikel 7.6 Hoeveel woningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan? Binnen het gebied maximum aantal woningen en bedrijfswoningen is voor woningen en bedrijfswoningen het maximaal aangegeven aantal woningen toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Artikel 7.7 Welke inhoud van woningen en bedrijfswoningen is toegestaan? Binnen het gebied maximum inhoud woning en bedrijfswoning is voor woningen en bedrijfswoningen maximaal de aangegeven inhoud toegestaan. Artikel 7.8 Welke inhoud van een woongebouw is toegestaan? Binnen het gebied maximum inhoud woongebouw is voor één woongebouw maximaal de aangegeven inhoud toegestaan. Paragraaf 7.2.3 Bijbehorende bouwwerken Subparagraaf 7.2.3.1 Bijbehorende bouwwerken landelijk gebied Artikel 7.9 Bijbehorende bouwwerken bij woningen en bedrijfswoningen in het landelijk gebied Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning in het landelijk gebied gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² per woning bedragen, waarbij rekening mee wordt gehouden dat niet meer dan 50 % van het gebied mag worden bebouwd dat is toebedeeld met de functie waar de woning of bedrijfswoning bij hoort; b. In afwijking van onderdeel a mag de gezamenlijke oppervlakte maximaal 150 m2 per woning zijn, als de grond oppervlakte bij een woning meer dan 1 hectare is; c. bijbehorende bouwwerken, niet zijnde inpandige bijbehorende bouwwerken, mogen alleen vanaf 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gebouwd; d. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 centimeter; e. de bouwhoogte mag maximaal 6 meter zijn. Artikel 7.10 Bijbehorende bouwwerken bij woongebouw VAB locatie
  2. Voor de gronden binnen het gebied wonen VAB locatie worden artikel 22.27 en 22.36 buiten toepassing verklaard en gelden de regels in dit artikel in afwijking van artikel 7.
  3. Bijbehorende bouwwerken zijn alleen binnen het gebied bijbehorende bouwwerken VAB locatie toegestaan.
  4. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal de binnen het gebied maximum oppervlakte bijbehorende bouwwerken VAB aangegeven maximale oppervlakte zijn.
  5. De goothoogte mag maximaal 3 meter zijn; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 centimeter.
  6. De bouwhoogte mag maximaal 6 meter zijn. Subparagraaf 7.2.3.2 Bijbehorende bouwwerken stedelijk gebied Artikel 7.11 Bijbehorende bouwwerken bij woningen en bedrijfswoningen in het stedelijk gebied Voor het bouwen van bijhorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning binnen het stedelijk gebied gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 100 m2 per woning of bedrijfswoning zijn; b. voor woningen geldt dat maximaal 50% van het bouwperceelsgedeelte buiten het bouwvlak mag worden bebouwd; c. als de bouwmogelijkheden voor de woning in het bouwvlak niet volledig zijn benut, mogen deze worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken in datzelfde bouwvlak, zonder dat dit ten koste gaat van de onder a genoemde oppervlaktenorm; d. bijbehorende bouwwerken mogen buiten het bouwvlak alleen vanaf 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning of bedrijfswoning worden gebouwd; e. binnen het bouwvlak mogen bijbehorende bouwwerken op één lijn met de woning of bedrijfswoning worden gebouwd; f. bijbehorende bouwwerken mogen, met inachtneming van het bepaalde onder d, tot op de bouwperceelsgrenzen worden gebouwd; g. de goothoogte mag maximaal 3 meter zijn; als wordt aangebouwd aan een woning of bedrijfswoning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning of bedrijfswoning, vermeerderd met 30 centimeter; h. de bouwhoogte mag maximaal 6 meter zijn; i. in geval van een bijbehorende bouwwerk met een lessenaarsdak, waarvan de bouwhoogte meer dan 3 meter is, moet de afstand van de zijde waar de bouwhoogte wordt gemeten tot de bouwperceelsgrens minimaal de breedte van het bijbehorende bouwwerk zijn. Subparagraaf 7.2.3.3 Bijbehorende bouwwerken anders dan bij woningen en bedrijfswoningen ! Artikel 7.12 Waar is een bijbehorend bouwwerk toegestaan? Een bijbehorend bouwwerk is alleen toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Artikel 7.13 Welke goothoogte van een bijbehorend bouwwerk is toegestaan? De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer zijn dan 3 meter. Paragraaf 7.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Subparagraaf 7.2.4.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Artikel 7.14 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde
  7. Binnen het gebied maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde is de aangegeven maximale bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde toegestaan, tenzij in dit plan anders is aangegeven.
  8. In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het landelijk gebied bij de functie wonen de volgende hoogte zijn: a. erf- en terreinafscheidingen op tenminste 1 meter achter de voorgevel mogen maximaal 2 meter zijn; b. speeltoestellen en tuinmeubilair mogen maximaal 3,5 zijn; c. verlichting en vergelijkbare bouwwerken mogen maximaal 6 meter zijn; d. antennedragers inclusief antennes mogen maximaal 15 meter zijn.
  9. In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het stedelijk gebied bij de functie wonen de volgende hoogte zijn: a. speeltoestellen en tuinmeubilair mogen maximaal 3,5 meter zijn; b. verlichting en vergelijkbare bouwwerken mogen maximaal 6 meter zijn; c. antennedragers inclusief antennes mogen maximaal 15 meter zijn; d. afschermingen van technische installatie(s) op platte daken mogen tot maximaal 0,5 m boven het dakvlak worden gebouwd.
  10. In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het stedelijk gebied bij de functie groen en verkeer de volgende hoogte zijn: a. speeltoestellen mogen maximaal 6 meter zijn; b. verlichting, vlaggenmasten, straatmeubilair (geen terrasinrichting), kunstobjecten en vergelijkbare bouwwerken mogen maximaal 10 meter zijn; c. antennedragers inclusief antennes mogen maximaal 15 meter zijn.
  11. In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen binnen het gebied water de volgende hoogte zijn: a. dammen, duikers en vergelijkbare bouwwerken maximaal 4 m; b. verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m; c. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 meter; d. bruggen en vergelijkbare bouwwerken maximaal 20 m.
  12. Alleen erfafscheidingen en extensieve recreatieve voorzieningen mogen worden gebouwd. Artikel 7.15 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bij een agrarisch bedrijf Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 1,2 meter zijn; b. realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's, paardrijbakken en trainingsmolens zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak; c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van:
  13. erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 meter achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 meter zijn;
  14. bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 meter zijn;
  15. trainingsmolens maximaal 6 meter zijn;
  16. bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 meter zijn, waarbij een maximale goothoogte van 6 meter geldt;
  17. silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 meter zijn;
  18. windmolens maximaal 15 meter zijn. Artikel 7.16 Oppervlakte bouwwerken geen gebouwen zijnde De oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag maximaal 20 m2 zijn, tenzij anders in dit plan is aangegeven. Paragraaf 7.2.5 Bouwwerken - Specifiek Subparagraaf 7.2.5.1 Agrarische bedrijf Artikel 7.17 Mest/co-vergistingsinstallaties Mest/co-vergistingsinstallaties zijn toegestaan als voldaan wordt aan de volgende regels: a. er is sprake van een installatie die dierlijke meststof produceert en gericht is op een bedrijfseigen activiteit, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in:
  19. categorie A: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt;
  20. categorie B: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt of naar derden afgevoerd;
  21. categorie C: verwerken aangevoerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; b. de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie is 35 ton dierlijke mest per dag; c. de installatie levert geen nieuwe belemmeringen op voor de omgeving en kan ook op basis van milieueisen; d. de installatie heeft geen negatief effect op de verkeerskundige situatie van de omgeving; e. er zijn geen nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf aanwezig, zoals opgenomen in artikel 6.
  22. Artikel 7.18 Kassen Voor kassen gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag maximaal 300 m2 per bouwvlak zijn; b. de bouwhoogte mag maximaal 6 meter zijn. Paragraaf 7.2.6 Erkers en toegangspartijen Subparagraaf 7.2.6.1 Erkers en toegangspartijen Artikel 7.19 Erkers en toegangspartijen Aan het hoofdgebouw binnen het gebied wonen mag vóór het verlengde van de voorgevel een erker en/of een toegangspartij worden gebouwd. Hiervoor gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen, waarbij de bouwhoogte niet hoger mag worden dan de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van de woning, vermeerderd met 30 centimeter; b. de breedte maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van de woning mag zijn; c. de diepte maximaal 1,5 meter mag zijn. Paragraaf 7.2.7 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 7.2.7.1 Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bij woningen in het stedelijk gebied Artikel 7.20 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een deel van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak toegestaan. Artikel 7.21 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.20 wordt alleen verleend als: a. wordt gebouwd tot aan de zijdelingse bouwperceelgrens , als het bouwperceel aan de zijde en ter hoogte van het (geplande) hoofdgebouw grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; b. als ook voldaan wordt aan de algemene beoordelingsregels en de overige geldende bouwregels. Subparagraaf 7.2.7.2 Herbouw woning en bedrijfswoning landelijk gebied Artikel 7.22 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is de herbouw van een bestaande woning op een andere locatie dan de bestaande locatie toegestaan. Artikel 7.23 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.22 wordt alleen verleend als: a. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende gronden, alsmede de belangen van derden mogen niet onevenredig worden aangetast; b. de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeer en/of railverkeer op de gevels van de nieuwe woning is niet hoger is dan de standaardwaarden als genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. de ruimtelijke uitwerking van het plan moet aanvaardbaar zijn; d. de goothoogte niet hoger is dan 4,5 meter; e. de bouwhoogte niet hoger is dan 10 meter; f. de inhoud niet meer bedraagt dan 750 m
  23. Subparagraaf 7.2.7.3 Tijdelijke woonunit mantelzorg Artikel 7.24 Omgevingsplan

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.