act/provincie/2024/CVDR706717 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv23/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2024-10-23 2024-10-23 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR706717/nld@2024-11-01 /join/
het eerste lid, geldt als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend en waarbij rekening is gehouden met de overige factoren die het waterkerende vermogen bepalen.
- De omgevingswaarden veiligheid Regionale waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen. Artikel 2.5 (aanwijzing bebouwde kom)
- Als bebouwde kom zijn aangewezen de gebieden die een overwegende woon- en verblijffunctie hebben door de mate van concentratie van bebouwing en die als zodanig geometrisch zijn begrensd.
- Als buiten de bebouwde kom zijn aangewezen de gebieden die buiten de bebouwde kom als
lid 1 zijn gelegen en waarbinnen de volgende gebiedscategorieën worden aangewezen: a. glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; b. akkerbouw; c. grasland; d. veenweidegebieden rond de Weerribben in beheergebied Drents Overijsselse Delta; e. landbouwgebieden in beekdalen in beheergebied Vechtstromen; f. laaggelegen gebieden in beheergebied van Vechtstromen. Artikel 2.6 (omgevingswaarden wateroverlast)
- Als omgevingswaarden voor het voorkomen of beperken van wateroverlast geldt de gemiddelde kans op overstroming per jaar zoals in Artikel 2.7 en Artikel 2.8 is vastgesteld voor gebieden binnen en buiten de bebouwde kom.
- De omgevingswaarden wateroverlast gelden als een inspanningsverplichting waaraan uiterlijk 1 januari 2027 moet zijn voldaan. Artikel 2.7 (uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast binnen de bebouwde kom) Binnen de bebouwde kom geldt een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/100 per jaar voor locaties met bebouwing; b. 1/100 per jaar voor hoofdinfrastructuur en spoorwegen; c. 1/10 per jaar voor de overige gebieden. Artikel 2.8 (uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast buiten de bebouwde kom)
- Buiten de bebouwde kom geldt een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. 1/25 per jaar voor akkerbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. 1/10 per jaar voor grasland, waarbij 5 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
- In afwijking van het eerste lid, geldt binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar voor de veenweidegebieden rond de Weerribben, waarbij 30% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
- In afwijking van het eerste lid, geldt binnen het beheersgebied van waterschap Vechtstromen een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/10 per jaar voor landbouwgronden in beekdalen; b. 1/1 per jaar voor laaggelegen gebieden. Artikel 2.9 (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)
- Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen als
Artikel 2.4, kan in het waterbeheerprogramma een uitzondering worden gemaakt.
- Het eerste lid geldt voor gevallen waarin: a. het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is; b. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het algemeen bestuur van het waterschap de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; o c. fondanks de verrichte handelingen daartoe niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. Hoofdstuk 3 REGELS VOOR ACTIVITEITEN Afdeling 3.1 ALGEMEEN (reservering) Afdeling 3.2 RUIMTELIJKE KWALITEIT (reservering) Afdeling 3.3 WONEN, WERKEN EN RECREËREN Paragraaf 3.3.1 plichten houders zwemlocaties Artikel 3.1 (oogmerk plichten houders zwemwaterlocaties) De regels in deze paragraaf moeten ervoor zorgen dat: a. zwemwaterlocaties die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen, voldoen aan de eisen die de Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving stellen aan de veiligheid en hygiëne van zwemlocaties, b. de uitvoering van werkzaamheden die moeten worden verricht om zwemwaterlocaties te laten voldoen aan de eisen van veiligheid en hygiëne, zoveel mogelijk bij de houders van zwemwaterlocaties wordt gelegd. Artikel 3.2 (werkingsgebied plichten houders zwemwaterlocaties)
- De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op alle zwemwaterlocaties die door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.2 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving zijn aangewezen.
- De regels in deze paragraaf zijn gericht tot de houders van de zwemwaterlocaties.
- De houder van een zwemwaterlocatie is degene voor wiens rekening en risico een zwemwaterlocatie wordt gedreven. Artikel 3.3 (aanduidingen zwemwater) De houder van een zwemwaterlocatie moet bezoekers duidelijk maken: a. waar de grens ligt tussen het zwemwater, dat geschikt is voor zwemmen en baden, en het overige water, dat niet is aangewezen voor zwemmen en baden; en b. waar zich mogelijk gevaren voordoen voor zwemmers en baders binnen het deel dat geschikt is voor zwemmen en baden. Artikel 3.4 (beoordeling zwemwater)
- De houder van een zwemwaterlocatie beoordeelt dagelijks het zwemwater
Artikel 3
.3 onder a, op doorzicht, kleur, geur, schuim, olie en vuil en maakt hiervan een rapport op.
- De houder van een zwemwaterlocatie treft passende maatregelen als: a. het doorzicht van het zwemwater minder is dan 1 meter; b. de kleur van het zwemwater niet door natuurlijke omstandigheden is veroorzaakt; c. de geur van het zwemwater als hinderlijk kan worden ervaren; d. er sprake is van schuim op het zwemwater dat niet door natuurlijke omstandigheden is veroorzaakt; e. er olie op het watervlak aanwezig is in een zichtbare hoeveelheid; en f. er vuil in de vorm van afvalstoffen en dode organische materie in een aanmerkelijke hoeveelheid aanwezig is in of op het water of op de bodem.
- De houder van een zwemwaterlocatie informeert zo snel mogelijk zowel beheerder van het oppervlaktewater als Gedeputeerde Staten, als er aanleiding is om de passende maatregelen te treffen
het tweede lid. 4. De houder van een zwemwaterlocatie bewaart de rapporten met de beoordeling van het zwemwater minstens 2 jaar. Artikel 3.5 (talud zwemwater) De houder van een zwemwaterlocatie zorgt ervoor dat het talud van de zwemwaterlocatie
Artikel 3
.2 onder a, een helling heeft van maximaal 20% tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter. Artikel 3.6 (springvoorzieningen)
- De houder van een zwemwaterlocatie zorgt ervoor dat er alleen springvoorzieningen zijn in het gedeelte van het zwemwater dat dieper is dan 1.40 meter.
- De springvoorziening bestaat uit startblokken als het zwemwater ter hoogte van de springvoorziening een diepte heeft tussen 1,40 en 2 meter.
- De springvoorziening is aan de zijkanten van leuningen voorzien als het loopvlak zich op een hoogte van meer dan 1 meter boven de waterspiegel of het perron bevindt. De leuningen lopen door tot ten minste 0,50 meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin bevindt. Artikel 3.7 (inrichting zwemwaterlocatie) De houder van een zwemwaterlocatie zorgt ervoor dat: a. er minimaal 1 toilet beschikbaar is per 150 gelijktijdig aanwezige bezoekers; b. bezoekers zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels van aanwezige voorzieningen; c. bezoekers niet kunnen uitglijden in en op aanwezige voorzieningen; d. de aanwezige voorzieningen zoals toiletten en douches, schoon en goed onderhouden zijn; en e. de stranden langs het zwemwater egaal en schoon zijn. Artikel 3.8 (maatregelen veiligheid en hygiëne) De houder van een zwemwaterlocatie treft maatregelen: a. als uit het onderzoek naar de veiligheid
artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoet aan de eisen; b. als bij monitoring
artikel 11.43 en 11.44 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, door de beheerder van het oppervlaktewater, zwemverontreinigingen of proliferatie van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton zijn vastgesteld; en c. ter verbetering en behoud van de kwaliteit van de zwemwaterlocatie
het vierde lid van artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Afdeling 3.4 AGRARISCH Paragraaf 3.4.1 geitenstop Artikel 3.9 (oogmerk geitenstop) Deze paragraaf over de geitenstop is gericht op: a. de bescherming van de volksgezondheid, in het bijzonder de gezondheid van omwonenden van geitenhouderijen; b. continuering van de voorzorgsmaatregel die genomen is in de vorm van het voorbereidingsbesluit dat op 28 september 2018 (PS/2018/748) is vastgesteld; en c. het instellen van een tijdelijk verbod waardoor het totaal aantal geiten in Overijssel niet zal toenemen in afwachting van de resultaten van landelijk onderzoek naar het verband tussen geitenhouderijen en het aantal longontstekingen bij omwonenden. Artikel 3.10 (geitenstop)
- Het is verboden om: a. een geitenhouderij te vestigen; b. een bestaande veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij; c. het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij gehouden wordt te vergroten; d. de oppervlakte van dierenverblijven van een geitenhouderij te vergroten, tenzij het vergunde of gemelde aantal geiten niet toeneemt; e. een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richten, tenzij het vergunde of gemelde aantal geiten niet toeneemt; f. een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen, tenzij het vergunde of gemelde aantal geiten niet toeneemt; en g. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
- Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als voor die activiteit vóór 29 september 2018: a. een ontvankelijke melding als
artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit is ingediend bij het bevoegd gezag; of b. een omgevingsvergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend bij het bevoegd gezag, tenzij de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning als
artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Het verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen
het eerste lid is ook niet van toepassing op bedrijven die door de Stichting Skal Biocontrole zijn gecertificeerd voor zover: a. het gaat om opfokgeiten en afmestlammeren van ten hoogste 60 dagen oud die op het bedrijf zelf zijn geboren; b. de uitbreiding nodig is voor het afmesten van geitenbokken; en c. voor het houden van deze categorie dieren rechten verkregen zijn van een andere geitenhouderij in de provincie Overijssel.
- Het verbod in het eerste lid geldt totdat voor het plangebied een omgevingsplan geldt dat in overeenstemming is met de instructieregel voor geitenhouderijen in Artikel 4.
- Afdeling 3.5 LANDSCHAP EN NATUUR Paragraaf 3.5.1 houtopstanden Artikel 3.11 (toepassingsbereik) Deze paragraaf geeft invulling aan de bevoegdheid op grond van artikel 11.117 van het Besluit activiteiten leefomgeving om maatwerkregels te stellen voor het vellen van houtopstanden. Artikel 3.12 (aanvullende gegevens melding vellen houtopstanden) In aanvulling op de eisen die artikel 11.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving stelt over algemene gegevens bij een melding, bevat de melding van het vellen van houtopstanden, ook de volgende gegevens: a. contactgegevens en wanneer van toepassing de bedrijfsgegevens van degene die de activiteit verricht; b. als degene die de activiteit verricht niet de eigenaar is, ook de naam, het adres, de contactgegevens, en wanneer van toepassing bedrijfsgegevens, van de eigenaar van de locatie; c. de topografische en kadastrale locatie, de oppervlakte van de velling, de boomsoort, de leeftijd, en wanneer relevant het aantal bomen; en d. de reden van de velling. Artikel 3.13 (termijnen voor meldingen)
- In afwijking van de termijn in artikel 11.126 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving wordt een melding niet later dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet eerder dan 1 jaar voorafgaand aan de velling.
- Gedeputeerde Staten kunnen met een maatwerkvoorschrift toestaan dat eerder dan 6 weken na een melding met de velling wordt gestart. Artikel 3.14 (eisen herbeplantingen op dezelfde grond) Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als
artikel 11.129, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte; b. De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak vormen; d. Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit op die plaats, is niet toegestaan; e. Herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen; f. Als sprake is van herbeplanting door natuurlijke verjonging wordt aan een bosbouwkundig verantwoorde herbebossing voldaan als de verjonging uit kan groeien tot een volwaardige houtopstand en deze houtopstand vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden kan vertegenwoordigen; g. De herbeplante houtopstand kan op termijn vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen en dient derhalve kwalitatief en kwantitatief in redelijke verhouding te staan tot de gevelde of teniet gegane houtopstand. Artikel 3.15 (verbod herbeplanting op andere gronden) 1. Herbeplanting op andere grond,
artikel 11.130, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet toegestaan als: a. hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt; b. de houtopstand valt onder de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied; c. het gaat om een oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem. 2. Het verbod op herbeplanting op andere grond
het eerste lid geldt niet als de houtopstand moet wijken voor een ontwikkeling als
Artikel 4
.60 (afwijking voor grootschalige ontwikkelingen), Artikel 4.61 (afwijking saldobenadering gebiedsvisie) en Artikel 4.62 (afwijking voor kleinschalige ontwikkelingen) of een ontwikkeling als
Artikel 4.66 (afwijken beschermingsregime bestaande natuur) van deze verordening.
Artikel 3.16 (eisen herbeplanting op andere grond) Bij herbeplanting op andere grond als
artikel 11.130, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving moet voldaan worden aan de volgende eisen: a. de herbeplanting vindt op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaats volgens de eisen die Artikel 3.14 daaraan stelt; b. de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt ligt in de provincie Overijssel; c. de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt is op dat moment nog niet beplant en vrij van andere herbeplantingsplichten; d. de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt is vrij van (natuur)compensatieplichten die ontstaan zijn op grond van andere wet- en regelgeving; e. de herbeplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden; f. de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt is van gelijke kwaliteit als de gronden waarop houtopstanden zijn geveld; en g. de oppervlakte van de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt, is gelijk aan de oppervlakte van de houtopstand die geveld is of tenietgegaan is. Artikel 3.17 (uitzondering plicht herbeplanting) In aanvulling op artikel 11.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving is de plicht tot herbeplanting ook niet van toepassing op: a. het herstel van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; b. het door natuurlijke ontwikkelingen blijvend teniet gaan van houtopstanden in het geval er sprake is van;
- vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;
- op natuurlijke wijze teniet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen. Paragraaf 3.5.2 soortenbescherming Artikel 3.18 (provinciale regels fauna-activiteiten) In deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de bevoegdheid op grond van artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving om provinciale regels te stellen voor fauna-activiteiten waarvoor op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet een vergunningplicht geldt. Artikel 3.19 (toepassingsbereik provinciale regels fauna-activiteiten) De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de soorten die aangewezen zijn in Bijlage IV 'Vergunningvrije gevallen flora- en fauna activiteit: opzettelijk vangen'. Artikel 3.20 (vergunningvrije fauna-activiteiten: opzettelijk vangen)
- In afwijking van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het voor soorten die aangewezen zijn in Bijlage IV 'Vergunningvrije gevallen flora- en fauna activiteit: opzettelijk vangen' toegestaan om zonder omgevingsvergunning dieren opzettelijk te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen, als: a. dit noodzakelijk is voor de belangen die voor de soort genoemd zijn in Bijlage IV 'Vergunningvrije gevallen flora- en fauna activiteit: opzettelijk vangen'; b. er geen andere bevredigende oplossing mogelijk is; c. er gebruik wordt gemaakt van de middelen die voor de soort genoemd zijn in Bijlage IV 'Vergunningvrije gevallen flora- en fauna activiteit: opzettelijk vangen'; en d. rekening wordt gehouden met de voorschriften en beperkingen die voor de soort genoemd zijn in Bijlage IV 'Vergunningvrije gevallen flora- en fauna activiteit: opzettelijk vangen'.
- Het eerste lid geldt niet voor activiteiten waarvoor een gedragscode
artikel 11.59 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving van toepassing is. Artikel 3.21 (vergunningvrije activiteit: bezit en vervoer keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot) In afwijking van de verboden,
artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet, is het toegestaan keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot afkomstig van beschermde diersoorten, onder zich te hebben en te vervoeren als dat in het belang is voor onderzoek en onderwijs. Artikel 3.22 (maatwerkregel sluiten van de jacht) Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de jacht op wildsoorten te sluiten, in de hele provincie of een deel daarvan, als bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken. Afdeling 3.6 GRONDWATERBESCHERMING Paragraaf 3.6.1 grondwaterbescherming algemeen Artikel 3.23 (oogmerk grondwaterbescherming) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie. Artikel 3.24 (toepassingsbereik afdeling grondwaterbescherming)
- Deze afdeling bevat de direct werkende provinciale regels voor milieubelastende activiteiten in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie , anders dan milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties.
- Onder 'milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties' wordt in deze afdeling verstaan: milieubelastende activiteiten die beroepshalve of bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig waren, op een locatie worden verricht, met uitzondering van: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. evenementen, anders dan op een locatie voor evenementen en anders dan festiviteiten als
artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of evenementen waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; en f. een milieubelastende activiteit met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos, die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als
artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. Artikel 3.25 (omgevingsvergunning grondwaterbescherming) 1. Aan een omgevingsvergunning als
deze afdeling worden voorschriften verbonden die nodig zijn vanwege het belang
Artikel 3.23.
2. De voorschriften van een omgevingsvergunning kunnen worden gewijzigd of de omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als dit nodig is vanwege het belang
Artikel 3.23.
Artikel 3.26 (specifieke zorgplicht)
- Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Die plicht houdt in ieder geval in dat Gedeputeerde Staten en het drinkwaterbedrijf direct worden geïnformeerd over een ongewoon voorval dat nadelige gevolgen kan hebben voor het belang,
Artikel 3.23.
Paragraaf 3.6.2 regels voor waterwingebieden Artikel 3.27 (toepassingsbereik regels waterwingebieden)
- Deze paragraaf bevat de direct werkende provinciale regels voor milieubelastende activiteiten in Waterwingebieden, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie, anders dan milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties.
- Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten: a. op of in de bodem brengen, hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen; en b. oprichten, hebben en uitvoeren van constructies of werken op of in de bodem, waarin schadelijke stoffen worden opgeslagen, geborgen of vervoerd, of waarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.
- Tot schadelijke stoffen worden in ieder geval gerekend gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen, grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden overschrijden en (de families en groepen van) stoffen die zijn opgenomen in bijlage XIX, onder B van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- Tot constructies en werken op of in de bodem worden in ieder geval gerekend: leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische ingrepen, begraafplaatsen en terreinen voor het verstrooien van as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen. Artikel 3.28 (algemene regels schadelijke stoffen)
- Het is verboden om in waterwingebieden schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren.
- Het verbod geldt niet voor: a. activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover de activiteiten noodzakelijk zijn voor de waterwinning; b. ontgrondingsactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning; c. hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen en biociden, bij woningen en andere gebouwen, bestemd voor of afkomstig van normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen weersinvloeden; d. hebben of gebruiken van schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; e. toepassen van strooizout voor de gladheidbestrijding; en f. vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen weersinvloeden en op een wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat. Artikel 3.29 (algemene regels constructies en werken)
- Het is verboden om in waterwingebieden constructies of werken op of in de bodem op te richten, te hebben en uit te voeren waarin schadelijke stoffen worden opgeslagen, geborgen of vervoerd, of waarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem, of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.
- Het verbod geldt niet voor: a. activiteiten van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning; b. Ontgrondingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning; c. constructies of werken die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestonden; d. uitbreiding of wijziging van de constructies en werken, bedoeld onder c, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen. Artikel 3.30 (afwijken met omgevingsvergunning)
- In afwijking van Artikel 3.28, eerste lid, en Artikel 3.29, eerste lid, kunnen binnen waterwingebieden met omgevingsvergunning activiteiten worden toegestaan, als: a. de activiteiten nodig zijn in verband met natuurontwikkeling of natuurbeheer; b. de activiteiten verband houden met extensieve recreatie of educatie; of c. de activiteiten van tijdelijke aard zijn, een zwaarwegend maatschappelijk belang dienen en daarvoor geen alternatieven beschikbaar zijn.
- De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen.
- Een omgevingsvergunning als
het eerste lid, onder c, wordt voor maximaal vijf jaar verleend.
- De volgende bestuursorganen en rechtspersonen zijn adviseur voor de omgevingsvergunning: a. de inspecteur-generaal leefomgeving en transport; b. burgemeester en wethouders van de gemeente; c. het dagelijks bestuur van het waterschap; en d. het drinkwaterbedrijf. Paragraaf 3.6.3 regels voor grondwaterbeschermingszones Artikel 3.31 (toepassingsbereik regels grondwaterbeschermingszones)
- Deze paragraaf bevat de direct werkende provinciale regels voor milieubelastende activiteiten in grondwaterbeschermingszone s , die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie, anders dan milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties.
- Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die risico's opleveren op verontreiniging van het grondwater en daardoor voor de waterwinning.
- Tot die activiteiten worden in ieder geval de volgende activiteiten gerekend: a. grote en grootschalige risicovolle activiteiten realiseren, wijzigen of uitbreiden; b. meststoffen op of in de bodem brengen; c. grond en baggerspecie toepassen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam; d. lozingen op of in de bodem doen; e. constructies voor schadelijke stoffen realiseren; f. mechanische ingrepen op of in de bodem uitvoeren; en g. bodemenergiesystemen aanleggen. Artikel 3.32 (grote en grootschalige risicovolle activiteiten in grondwaterbeschermingszones)
- Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones zonder omgevingsvergunning grote en grootschalige risicovolle activiteiten te realiseren, te wijzigen of uit te breiden.
- Tot grote en grootschalige risicovolle activiteiten worden in ieder geval gerekend: a. dag- of verblijfsrecreatie; b. woningbouw van minimaal 10 woningen; c. stedenbouw, met inbegrip van winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening; d. wegen inclusief parkeerterreinen en transferia, spoorwegen en waterwegen inclusief havens; e. bedrijventerreinen; en f. buisleiding van meer dan 1 kilometer in de grondwaterbeschermingszone.
- De omgevingsvergunning,
het eerste lid, wordt alleen verleend als de risico's op verontreiniging van het grondwater afnemen.
- De volgende bestuursorganen en rechtspersonen zijn adviseur voor die omgevingsvergunning: a. de inspecteur-generaal leefomgeving en transport; b. burgemeester en wethouders van de gemeente; c. het dagelijks bestuur van het waterschap; en d. het drinkwaterbedrijf. Artikel 3.33 (meststoffen in de bodem brengen in grondwaterbeschermingszones)
- Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones meststoffen op of in de bodem te brengen.
- Het eerste lid geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: a. dierlijke meststoffen; b. anorganische meststoffen; c. compost; en d. kalkmeststoffen. Artikel 3.34 (grond en baggerspecie in grondwaterbeschermingszones)
- Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones grond of baggerspecie toe te passen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam.
- In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om in grondwaterbeschermingszones grond of baggerspecie op of in de bodem toe te passen met een omvang van minder dan 5.000 m3, als de kwaliteit van de grond of baggerspecie: a. de achtergrondwaarden voor de toepassing op of in de bodem niet overschrijdt; of b. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse 'wonen' niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse 'wonen' en de grond of baggerspecie uit de grondwaterbeschermingszone afkomstig is.
- In afwijking van het eerste lid is het verder toegestaan om in grondwaterbeschermingszones grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam toe te passen met een omvang van minder dan 5.000 m3, als de kwaliteit van de grond of baggerspecie: a. de achtergrondwaarden voor de toepassing in een oppervlaktewaterlichaam niet overschrijdt;of b. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse 'licht verontreinigd' niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse 'licht verontreinigd' en de grond of baggerspecie uit de grondwaterbeschermingszone afkomstig is.
- In afwijking van het eerste lid is het verder toegestaan om in grondwaterbeschermingszones grond of baggerspecie toe te passen met een omvang van ten minste 5.000 m3, mits dit ten minste vier weken voor het begin ervan is gemeld, en als: a. wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, b. de grond of baggerspecie uit de grondwaterbeschermingszoneafkomstig is; en c. de kwaliteit van de grond of baggerspecie:1) de maximale waarden van de kwaliteitsklasse 'wonen' niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem;2) de maximale waarden van de kwaliteitsklasse 'licht verontreinigd' niet overschrijdt bij een toepassing in een oppervlaktewaterlichaam.
- In afwijking van eerste lid is het verder toegestaan om in grondwaterbeschermingszones baggerspecie te verspreiden als
artikel 4.1269, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, volgens de eisen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 6. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de activiteit als
het vierde lid, als dit in het belang als
Artikel 3.23 is.
Artikel 3.35 (lozingen in grondwaterbeschermingszones)
- Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones lozingen op of in de bodem te doen.
- Het verbod geldt niet voor: a. lozingen die ontstaan bij het toepassen van grond of baggerspecie; of b. lozingen bij een huishouden.
- In afwijking van het eerste lid zijn in grondwaterbeschermingszones lozingen op of in de bodem toegestaan mits dit tenminste vier weken voor het begin van de aanleg, wijziging of uitbreiding van het terrein is gemeld en als het gaat om afstromend hemelwater dat afkomstig is van nieuwe en van wijziging of uitbreiding van bestaande: a. wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken; b. parkeerplaatsen; of c. andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer.
- Bij het doen van lozingen als
het derde lid wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. voor het afvoeren van afstromend hemelwater afkomstig van verhardingen worden maatregelen genomen of voorzieningen aangebracht, zodat deze vloeistoffen de bodem niet kunnen verontreinigen; en b. er wordt een regelmatige controle uitgevoerd op het functioneren van die voorzieningen en maatregelen.
- Aan het derde lid is voldaan als lozingen worden uitgevoerd volgens de aanwijzingen in bijlage V (Aanwijzingen lozingen afstromend hemelwater van wegen in grondwaterbeschermingszones).
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de activiteiten als
het tweede lid, als dit in het belang als
Artikel 3.23 is.
Artikel 3.36 (constructies in grondwaterbeschermingszones)
- Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones constructies te realiseren en in stand te houden voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem, zoals leidingen, installaties en opslagreservoirs.
- Het verbod geldt niet voor: a. constructies voor inzameling en transport van afvalwater; b. constructies voor opslag en transport van schadelijke stoffen voor niet-bedrijfsmatige doeleinden;
- In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om een buisleiding van minder dan 1 kilometer aan te leggen, te wijzigen of uit te breiden, mits dit ten minste vier weken voor het begin ervan is gemeld, en als: a. gebruik wordt gemaakt van mantelbuizen conform NEN 3650 met een lekdetectiesysteem; b. markeringslint boven de buisleiding is aangebracht; en c. een locatie specifiek plan is opgesteld als onderdeel van een veiligheidsbeheerssysteem conform NEN 3655, gericht op het voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem.
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de activiteiten als
het derde lid, onder c. als dit in het belang als
Artikel 3.23 is.
Artikel 3.37 (mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones)
- Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren die dieper gaan dan twee meter onder het maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het verbod geldt niet voor mechanische ingrepen: a. van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning; b. in verband met ontgrondingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning.
- Bij het verrichten van een activiteit als
het eerste lid wordt voldaan aan de volgende eisen: a. tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats; b. de mate van doorlaatbaarheid van de beschermende bodemlaag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; c. er worden voorzieningen getroffen waardoor er geen schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen, zowel tijdens het gebruik als bij het tijdelijk niet gebruiken van dit boorgat; en d. als een pompput of peilbuis buiten gebruik wordt gesteld of de werkzaamheden worden beëindigd, wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats. 4. Aan het derde lid is voldaan als boringen en buiten gebruik stellen van boorputten, en grond- en funderingswerken worden uitgevoerd volgens de aanwijzingen in Bijlage VI Aanwijzingen voor uitvoering van mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones. 5. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de activiteiten,
het eerste lid, als dit in het belang als
Artikel 3.23 is.
Artikel 3.38 (bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingszones) Het is verboden om in grondwaterbeschermingszones bodemenergiesystemen aan te leggen. Paragraaf 3.6.4 regels voor boringsvrije zones Artikel 3.39 (toepassingsbereik regels boringsvrije zones)
- Deze paragraaf bevat de direct werkende provinciale regels voor milieubelastende activiteiten in boringsvrije zones, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie, anders dan milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties.
- Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in boringsvrije zones waarbij ingrepen worden gedaan die de beschermende functie kunnen aantasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken. Artikel 3.40 (boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg)
- In de boringsvrije zone Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg is het verboden om: a. lozingen in de bodem te doen dieper dan 50 meter onder het maaiveld; en b. bodemenergiesystemen aan te leggen dieper dan 50 meter onder het maaiveld.
- In de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg is het verboden om mechanische ingrepen uit te voeren dieper dan 50 meter onder het maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het verbod,
het tweede lid, geldt niet voor mechanische ingrepen: a. van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning. b. in verband met ontgrondingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning. Artikel 3.41 (boringsvrije zone Engelse werk in Zwolle)
- In de boringsvrije zone Engelse werk in Zwolle is het verboden om: lozingen in de bodem te doen dieper dan 75 meter onder het maaiveld: en bodemenergiesystemen aan te leggen dieper dan 75 meter onder het maaiveld.
- In de boringsvrije zone Engelse Werk in Zwolle is het verboden om mechanische ingrepen uit te voeren dieper dan 75 meter onder het maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het verbod,
het tweede lid, geldt niet voor mechanische ingrepen: a. van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning; b. in verband met ontgrondingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning. Artikel 3.42 (boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve in Enschede)
- In de boringsvrije zone Kotkamp - Schreurserve in Enschede is het verboden om: a. lozingen in de bodem te doen dieper dan 5 meter onder het maaiveld; en b. bodemenergiesystemen aan te leggen dieper dan 5 meter onder het maaiveld.
- In de boringsvrije zone Kotkamp - Schreurserve in Enschede is het verboden om mechanische ingrepen uit te voeren diepter dan 5 meter onder het maaiveld, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het verbod,
het tweede lid, geldt niet voor mechanische ingrepen: a. van de grondwateronttrekker die noodzakelijk zijn voor de waterwinning; b. in verband met ontgrondingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning. Artikel 3.43 (boringsvrije zone Salland Diep)
- In de boringsvrije zone Salland Diep is het verboden om lozingen in de bodem te doen op een diepte van meer dan 50 meter onder het maaiveld.
- In de boringsvrije zone Salland Diep is het verboden om dieper dan 50 meter onder het maaiveld een bodemenergiesysteem aan te leggen.
- In de boringsvrije zone Salland Diep is het verboden om mechanische ingrepen uit te voeren dieper dan 50 meter zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het verbod,
het derde lid, geldt niet voor mechanische ingrepen: a. van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning; b. in verband met ontgrondingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, als aan die vergunning voorschriften verbonden zijn die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning. Artikel 3.44 (algemene regels voor mechanische ingrepen in boringsvrije zones) 1. Bij het uitvoeren van mechanische ingrepen in boringsvrije zones als
Artikel 3
.40, tweede lid, Artikel 3.41, tweede lid, Artikel 3.42, tweede lid, en Artikel 3.43, derde lid, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats; b. de mate van doorlaatbaarheid van de beschermende bodemlaag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; c. er worden voorzieningen getroffen, waardoor er geen schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen, zowel tijdens het gebruik als bij het tijdelijk niet gebruiken van dit boorgat; en d. als een pompput of peilbuis buiten gebruik wordt gesteld of de werkzaamheden worden beëindigd, wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats. 2. Aan het eerste lid is voldaan als boringen en buiten gebruik stellen van boorputten, en grond- en funderingswerken worden uitgevoerd volgens de aanwijzingen in Bijlage VI (Aanwijzingen voor uitvoering van mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones). 3. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de activiteiten,
Artikel 3
.40, tweede lid, Artikel 3.41, tweede lid, Artikel 3.42, tweede lid, en Artikel 3.43, derde lid als dit in het belang als
Artikel 3.23 is.
Paragraaf 3.6.5 indieningsvereisten melding en vergunning grondwaterbescherming Artikel 3.45 (indienen van een melding) 1. Een melding als
deze afdeling wordt gedaan langs elektronische weg met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de melding beschikbaar is via de landelijke voorziening als
artikel 20.21 van de Omgevingswet.
- Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; b. de aanduiding van de activiteit; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; d. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en e. de dagtekening.
- Bij een melding als
deze afdeling worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. telefoonnummer, woonplaats, e-mailadres van degene die de activiteit verricht; b. als de melding wordt gedaan door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer, woonplaats en e-mailadres c. een kadastrale tekening, situatietekening of plattegrond met een schaal van 1:10.000 of de coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van Rijksdriehoeksmeting, van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. de naam van de grondwaterbeschermingszone of de boringsvrije zone waarin de activiteit wordt verricht; e. een overzicht van de geologische opbouw van de bodem op de locatie waarop de activiteit wordt verricht of in de directe omgeving daarvan; f. een korte beschrijving van de activiteit; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om nadelige gevolgen voor het belang,
Artikel 3.23, te voorkomen; en h.
de verwachte datum van beëindiging van de activiteit. Artikel 3.46 (aanvullende indieningsvereisten melding toepassen grond of baggerspecie) Bij de melding,
het Artikel 3.34, vierde lid, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een overzicht van de kenmerken van de toepassing van de grond of baggerspecie; b. de kwaliteit van de grond of baggerspecie die wordt toegepast; c. een rapport van locatie-specifiek onderzoek waarmee kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning door de toepassing niet zullen toenemen. Artikel 3.47 (aanvullende indieningsvereisten melding lozing afstromend hemelwater) Bij de melding,
Artikel 3.35, derde lid, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
een overzicht van de kenmerken van de lozing en van de weg, parkeerplaats of een ander terrein waarvan de lozing afkomstig is; b. de kwaliteit van de stoffen die worden geloosd; c. als sprake is van een weg: de tracétekening en dwarsprofielen van de weg; d. het type verharding dat wordt aangebracht; e. de opbouw en de samenstelling van de bodem tot een diepte van 0,5 meter onder het maaiveld ter plaatse van de lozing; f. het monitoringsplan voor het toetsen van de bodemverontreiniging door afstromend hemelwater; g. als voorzieningen worden getroffen: de kenmerken van de voorziening en het meetplan voor het toetsen van het correct functioneren van de voorziening. Artikel 3.48 (aanvullende indieningsvereisten melding buisleidingen) Bij een melding,
de Artikel 3.36, derde lid, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een overzicht van de kenmerken van de buisleidingen; b. een beschrijving van de mantelbuizen conform NEN 3650 met het lekdetectiesysteem; c. het locatie-specifiek plan als onderdeel van een veiligheidsbeheerssysteem conform NEN 3655, gericht op het voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem. Artikel 3.49 (aanvullende indieningsvereisten melding mechanische ingrepen) 1. Bij de melding,
: Artikel 3.37, eerste lid, Artikel 3.40, tweede lid, Artikel 3.41, tweede lid, Artikel 3.42, tweede lid en Artikel 3.43, derde lid, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een overzicht van de kenmerken van de mechanische ingrepen. 2. Twee weken na beëindiging van een activiteit,
: Artikel 3.36, eerste lid, Artikel 3.40, tweede lid, Artikel 3.41, tweede lid, Artikel 3.42, tweede lid en Artikel 3.43, derde lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt als sprake is van een boring: een nauwkeurige profielbeschrijving van de bodem op de plaats van de boring, een aanduiding van de diepte waarop de kleiafdichting is aangebracht en eventuele filterstellingen. Artikel 3.50 (algemene indieningsvereisten omgevingsvergunningen grondwaterbescherming) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
Artikel 3
.25 en Artikel 3.30 worden, in aanvulling op de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; b. de verwachte datum van beëindiging van de activiteit; c. een kadastrale tekening, situatietekening of plattegrond met een schaal van 1:10.000 of de coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. de naam van het waterwingebied of de grondwaterbeschermingszone waarin de activiteit wordt verricht; e. een overzicht van de geologische opbouw van de bodem op de locatie waarop de activiteit wordt verricht of in de directe omgeving daarvan; f. de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, in centimeters onder het maaiveld; g. gegevens over de grondwaterstroming op de locatie waarop de activiteit wordt verricht; h. een beschrijving van de activiteit; i. als sprake is van het op of in de bodem brengen, opslag, overslag, gebruik of vervoer van schadelijke stoffen:
- een overzicht van de kenmerken van de schadelijke stoffen; en
- als een tank wordt gebruikt voor de opslag van schadelijke stoffen: een keuringscertificaat van de tank; j. als sprake is van het op of in de bodem brengen van meststoffen:
- een overzicht van de kenmerken van de meststoffen; en
- de kwaliteit van de meststoffen; k. als sprake is van toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam:
- een overzicht van de kenmerken van de toepassing van grond en baggerspecie;
- de kwaliteit van de grond of baggerspecie die wordt toegepast; l. als sprake is van lozingen op of in de bodem van koelwater, afvalwater of overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen:
- een overzicht van de kenmerken van de lozing; en
- de kwaliteit van de stoffen die worden geloosd; m. als sprake is van het realiseren of in stand houden van constructies voor schadelijke stoffen: een overzicht van de kenmerken van de constructies voor schadelijke stoffen; n. als sprake is van het uitvoeren van mechanische ingrepen op of in de bodem dieper dan twee meter onder het maaiveld: een overzicht van de kenmerken van de mechanische ingrepen; o. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om nadelige gevolgen voor het belang,
Artikel 3.23, te voorkomen; p.
een bevestiging dat het project past in het vigerende omgevingsplan of dat hiervoor een aanvraag is ingediend; en q. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om de voorgenomen activiteit te kunnen realiseren. Artikel 3.51 (aanvullende indieningsvereisten voor milieubelastende activiteiten in een waterwingebied) Als de activiteit wordt verricht in een waterwingebied, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de categorie waarin de activiteit valt,
Artikel 3.30, eerste lid; b.
als sprake is van een activiteit van tijdelijke aard en van zwaarwegend maatschappelijk belang:
- de tijdsduur van het project;
- een onderbouwing waaruit blijkt dat voor de uitvoering van de activiteit geen alternatieven beschikbaar zijn om de activiteit buiten het waterwingebied te verrichten; c. een onderbouwing waaruit blijkt dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning door het verrichten van de activiteit niet toenemen; en d. schriftelijke toestemming van het waterleidingbedrijf om de activiteit te verrichten. Artikel 3.52 (aanvullende indieningsvereisten voor milieubelastende activiteiten in een grondwaterbeschermingszone) Als de activiteit wordt verricht in een grondwaterbeschermingszone, wordt ook de categorie waarin de activiteit valt vermeld,
Artikel 3.32, tweede lid, of een andere categorie.
Artikel 3.53 (aanvullende indieningsvereisten bij toepassing van grond en baggerspecie) Als sprake is van het toepassen van grond of baggerspecie met een omvang van ten minste 5.000 m3 wordt ook een rapport van locatie-specifiek onderzoek verstrekt waarmee kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning door de toepassing niet zullen toenemen. Artikel 3.54 (aanvullende indieningsvereisten bij lozen van koelwater, afvalwater of overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen) Bij het lozen van afstromend hemelwater dat geloosd wordt vanaf wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor motorvoertuigen worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een overzicht van de kenmerken van de lozing en van de weg, parkeerplaats of ander terrein waarvan de lozing afkomstig is; b. als sprake is van een weg: de tracétekening en dwarsprofielen van de weg; c. het type verharding dat wordt aangebracht; d. de opbouw en de samenstelling van de bodem tot een diepte van 0,5 meter onder het maaiveld ter plaatse van de lozing; e. het monitoringsplan voor het toetsen van de bodemverontreiniging door afstromend wegwater; f. als voorzieningen worden getroffen: de kenmerken van de voorziening en het meetplan voor het toetsen van het correct functioneren van de voorziening. Artikel 3.55 (aanvullende indieningsvereisten bij constructies van schadelijke stoffen) 1. Als de constructie een leiding betreft, worden ook het soort en de diameter van de leidingen aangegeven. 2. Als de constructie een buisleiding betreft worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de mantelbuizen conform NEN 3650 met het lekdetectiesysteem; b. het locatie-specifiek plan als onderdeel van een veiligheidsbeheerssysteem conform NEN 3655, gericht op het voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem. Artikel 3.56 (indieningsvereisten bodemenergiesysteem Salland Diep) Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als
Artikel 3
.43, tweede lid, worden, in aanvulling op de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; b. de verwachte datum van beëindiging van de activiteit; c. een kadastrale tekening, situatietekening of plattegrond met een schaal van 1:10.000 of de coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een overzicht van de geologische opbouw van de bodem op de locatie waarop de activiteit wordt verricht of in de directe omgeving daarvan; e. een beschrijving van het bodemenergiesysteem; f. de toegepaste methode van de vaststelling van de beoogde diepte van de boring; g. profielbeschrijvingen van de bodem op de locatie van de boring of op nabijgelegen locaties van boringen; h. de maximale diepte van de boring in meters ten opzichte van het maaiveld; en i. een overzicht van de slecht doorlatende bodemlagen die worden doorboord, aangetast of verwijderd. Afdeling 3.7 WATERGEBIEDSRESERVERING (reservering) Afdeling 3.8 MOBILITEIT Paragraaf 3.8.1 mobiliteit algemeen Artikel 3.57 (toepassingsbereik provinciale wegen en vaarwegen algemeen)
- Deze afdeling bevat regels voor activiteiten binnen de beperkingengebieden provinciale wegen, zicht op de weg en provinciale vaarwegen die gevolgen kunnen hebben voor de staat en werking van provinciale wegen en provinciale vaarwegen.
- Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten. Artikel 3.58 (aanwijzing beperkingengebied provinciale wegen en vaarwegen)
- Als beperkingengebied provinciale wegen zijn aangewezen provinciale wegen en de zones langs deze provinciale wegen die als zodanig geometrisch zijn begrensd.
- Als beperkingengebied zicht op de weg zijn aangewezen de zones langs de provinciale wegen die als zodanig geometrisch zijn begrensd.
- Als beperkingengebied provinciale vaarwegen zijn aangewezen provinciale vaarwegen en de zones langs deze provinciale vaarwegen die als zodanig geometrisch zijn begrensd. Artikel 3.59 (oogmerken regels mobiliteit)
- De regels in deze afdeling zijn gesteld om de staat en de doelmatige en veilige werking van provinciale wegen en vaarwegen te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen en vaarwegen. Met de staat en de doelmatige en veilige werking van deze wegen en vaarwegen wordt in ieder geval bedoeld: a. het belang van de veiligheid en doorstroming van het verkeer en scheepvaartverkeer; b. het belang van het beheer en onderhoud; en c. het belang van verruiming en wijziging van provinciale wegen en vaarwegen.
- De regels voor provinciale wegen en vaarwegen zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van de ecologische waarden en natuur. Artikel 3.60 (specifieke zorgplichten)
- Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen als
Artikel 3.59 (oogmerken), moet: a.
alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Onder het nemen van maatregelen, als
het eerste lid, onder a, wordt in ieder geval verstaan: a. het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg of provinciale vaarweg; b. het voorkomen van een ongewoon voorval als
de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; c. het voorkomen van nadelige gevolgen van een ongewoon voorval,
artikel 19.1 van de Omgevingswet. Artikel 3.61 (vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften regels mobiliteit)
- Gedeputeerde Staten kunnen voor de belangen die zijn genoemd in Artikel 3.59 (oogmerken), een maatwerkvoorschrift vaststellen of een vergunningvoorschrift verbinden aan een omgevingsvergunning voor activiteiten in een beperkingengebied provinciale wegen, beperkingengebied zicht op de weg of in een beperkingengebied provinciale vaarwegen.
- Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij (of krachtens) deze afdeling gestelde regels, tenzij anders is bepaald.
- Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning,
deze afdeling kan worden verbonden.
- Gedeputeerde Staten kunnen een omgevingsvergunning die is afgegeven op grond van deze afdeling intrekken als de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de omgevingsvergunning niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend.
- Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften die zijn verbonden aan een melding of een omgevingsvergunning die is afgegeven op grond van deze afdeling wijzigen als de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de voorschriften niet meer op dezelfde wijze zouden worden gesteld. Paragraaf 3.8.2 Algemene regels provinciale wegen en vaarwegen Subparagraaf 3.8.2.1 Algemene regels provinciale wegen Artikel 3.62 (algemene regels beperkingengebied provinciale wegen)
- Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale wegen, neemt de volgende voorwaarden in acht: a. de provinciale weg wordt alleen gebruikt in overeenstemming met de functie als openbare weg; b. het voor het verkeer noodzakelijke vrije zicht op en vanaf de provinciale weg wordt verzekerd; c. in het beperkingengebied provinciale wegen worden geen vaste stoffen of voorwerpen gedeponeerd die hinder of gevaar opleveren voor het verkeer of een belemmering inhouden voor het beheer en onderhoud van de weg; d. het beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verontreinigd met vloeistoffen of beplantingsresten die gevaar of hinder opleveren voor het verkeer of schadelijk zijn voor de provinciale weg; e. de afwatering van de weg wordt niet belemmerd; f. beplanting wordt in die conditie gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor weggebruikers; g. de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg wordt niet in gevaar gebracht.
- Degene die een werk realiseert in een beperkingengebied provinciale wegen , draagt zorg voor het beheer en onderhoud hiervan, waarbij de voorwaarden in het eerste lid van dit artikel en de algemene regels in Paragraaf 3.8.
- worden nageleefd.
- Degene die een werk realiseert in een beperkingengebied provinciale wegen verwijdert het werk onmiddellijk wanneer het werk zijn functie heeft verloren of het werk niet meer wordt gebruikt en de openbare ruimte wordt volledig hersteld in oorspronkelijke staat. Artikel 3.63 (algemene regels beperkingengebied zicht op weg) Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied zicht op de weg, neemt de volgende voorwaarden in acht: a. beplanting wordt in die conditie gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor weggebruikers; b. het voor het verkeer noodzakelijke vrije zicht op en vanaf de weg wordt verzekerd. Artikel 3.64 (uitvoeringsregels bij activiteiten in beperkingengebied provinciale wegen)
- Voor, tijdens en na de uitvoering van een activiteit in een beperkingengebied provinciale wegen worden aanwijzingen van de provinciaal toezichthouder opgevolgd.
- Activiteiten worden uitgevoerd conform de gegevens en bescheiden die aangeleverd zijn bij de aanvraag van een omgevingsvergunning of een melding, waaronder de tekening en het verkeersmaatregelenplan.
- De aanvrager zorgt ervoor dat voor aanvang van de activiteiten tijdelijke verkeersmaatregelen worden genomen volgens de CROW-richtlijnen 96b – ´werk in uitvoering´, waarbij a. de tijdelijke verkeerstekens volgens de Uitvoeringsvoorschriften Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer voor verkeerstekens worden geplaatst; b. de tijdelijke verkeersmaatregelen maximaal drie dagen voor de start van de werkzaamheden worden geplaatst; en c. de tijdelijke verkeersmaatregelen meteen na afloop van de werkzaamheden buiten werking worden gesteld, de borden worden afgedraaid en binnen 24 uur de verkeersmaatregelen worden weggehaald.
- Degene die de werkzaamheden op, langs, of boven de openbare weg uitvoert, draagt veiligheidskleding die goed waarneembaar is. Deze waarschuwingskleding met hoge zichtbaarheid voldoet aan de Europese norm voor signaalkleding, de EN ISO
- Activiteiten worden uitgevoerd in de werkbare uren zoals vastgelegd in de meest recente WBU-tabel van de provincie Overijssel.
- Bij slecht zicht van minder dan 200 meter door mist, sneeuwval of andere omstandigheden worden geen activiteiten uitgevoerd .
- Na afloop van de werkzaamheden wordt de openbare ruimte volledig hersteld in oorspronkelijke staat. Subparagraaf 3.8.2.2 Algemene regels provinciale vaarwegen Artikel 3.65 (algemene regels beperkingengebied provinciale vaarwegen)
- Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale vaarwegen, neemt de volgende voorwaarden in acht: a. in de provinciale vaarweg worden geen vaste stoffen of voorwerpen gedeponeerd; b. vaste stoffen of voorwerpen worden niet zodanig op oevers geplaatst dat deze in de vaarweg kunnen geraken; c. de provinciale vaarweg wordt niet verontreinigd met vloeistoffen of beplantingsresten die gevaar of hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer of schadelijk zijn voor de provinciale vaarweg; d. het voor het vaarverkeer noodzakelijke vrije zicht op en vanaf de vaarweg wordt verzekerd; e. de veiligheid of het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg wordt niet in gevaar gebracht; f. houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplant en onderhouden dat deze geen hinder voor het scheepvaartverkeer kunnen veroorzaken; g. de stabiliteit van de oevers, de aanliggende oeverconstructies en taluds wordt niet in gevaar gebracht.
- Degene die een werk realiseert in een beperkingengebied provinciale vaarwegen, draagt zorg voor het beheer en onderhoud hiervan, waarbij de voorwaarden in het eerste lid van dit artikel en de algemene regels in paragraaf 3.8.2 worden nageleefd. Artikel 3.66 (verhaalplicht schepen bij onderhoud) Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement, moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald als onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt. Subparagraaf 3.8.2.3 Algemene regels provinciale wegen en vaarwegen Artikel 3.67 (algemene regels bescherming bomen)
- Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale wegen, een beperkingengebied zicht op de weg of een beperkingengebied provinciale vaarwegen, neemt de volgende regels in acht: a. het is verboden een activiteit te verrichten binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van de bomen als
bijlage Bijlage XVIII (bomenposter Werken rond bomen) ; b. het is verboden binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van de bomen als
Bijlage XVIII (bomenposter Werken rond bomen) te rijden of parkeren met zwaar materieel of materiaal op te slaan ; c. het is verboden boomwortels met een diameter van meer dan 5 centimeter te verwijderen ; d. het is verboden boomwortels te frezen, hakken, lostrekken of doorscheuren ; e. wortels met een diameter tussen 2,5 en 5 centimeter moeten bij bodembewerking of graafwerkzaamheden haaks op de groeirichting worden doorgezaagd, doorgeknipt of afgestoken.
- Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van lid 1 onder sub a, b en c door middel van een maatwerkvoorschrift indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is en door middel van een Bomen Effect Analyse aangetoond wordt dat de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen niet wordt aangetast. Subparagraaf 3.8.2.4 Algemene regels aanduidingen provinciale wegen Artikel 3.68 (algemene regels voor het plaatsen van aanduidingen)
- Aanduidingen worden geplaatst conform afstanden zoals vermeld in de CROW Richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie
- De kosten voor aanschaf, plaatsing, beheer, onderhoud, vervanging en verwijdering van aanduidingen zijn voor rekening van de vergunninghouder, melder of rechthebbende.
- De provincie is tegenover de vergunninghouder, melder of rechthebbende niet aansprakelijk voor beschadiging, vernieling of diefstal van de aanduidingen.
- De provincie kan een aanduiding verplaatsen of tijdelijk verwijderen indien dit nodig is ten behoeve van een herinrichting van de weg dan wel werkzaamheden aan of langs de weg. Artikel 3.69 (geldigheidstermijn omgevingsvergunning aanduidingen)
- De geldigheidstermijn van een omgevingsvergunning voor tijdelijke bewegwijzering bedraagt maximaal 2 jaar.
- Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor een aanduiding verleend voor een periode van maximaal tien jaar en wordt steeds voor de periode van één jaar stilzwijgend verlengd.
- Gedeputeerde Staten kunnen de omgevingsvergunning intrekken wanneer de geldigheidstermijn van de omgevingsvergunning niet meer stilzwijgend wordt verlengd. Artikel 3.70 (verval van rechtswege omgevingsvergunning aanduidingen)
- Een omgevingsvergunning voor een aanduiding vervalt van rechtswege als: a. de aanduiding niet is geplaatst binnen een jaar na de verzenddatum van de omgevingsvergunning; b. de noodzaak voor de aanduiding ophoudt te bestaan; of c. de geldigheidstermijn van een omgevingsvergunning voor tijdelijke bewegwijzering zoals
Artikel 3.69, eerste lid, is verstreken.
- Een aanduiding waarop het recht van rechtswege is vervallen, wordt door de rechthebbende onverwijld verwijderd. Subparagraaf 3.8.2.5 Algemene regels uitwegen provinciale wegen Artikel 3.71 (algemene regels uitwegen)
- Kosten voor aanleg of wijziging van de uitweg komen voor rekening van de vergunninghouder.
- De vergunninghouder draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de uitweg en de bijbehorende duikers. Onder beheer en onderhoud wordt ook begrepen het herstellen van verzakkingen van bermen, werken en taluds van sloten binnen één jaar nadat de werkzaamheden aan de uitweg zijn beëindigd.
- De kosten voor beheer en onderhoud als
het tweede lid komen voor rekening van de vergunninghouder.
- Als een uitweg wordt verwijderd, is de vergunninghouder verplicht op eigen kosten en binnen een redelijke termijn de berm en de bermverharding langs de hoofdrijbaan in een staat te brengen zoals de wegbeheerder die langs het wegvak in stand houdt. Subparagraaf 3.8.2.6 Algemene regels kabels en leidingen (provinciale wegen en vaarwegen) Artikel 3.72 (algemene regels kabels en leidingen)
- Degene die kabels of leidingen aanlegt in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen neemt de volgende voorwaarden in acht: a. de werkzaamheden worden onafgebroken uitgevoerd; b. de melding of de omgevingsvergunning kabels en leidingen met alle daarbij behorende stukken is tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aanwezig en wordt op verzoek van de provinciaal toezichthouder getoond; c. wanneer werkzaamheden worden uitgevoerd in de nabijheid van bomen, is ook de bomenposter Werken rond bomen als
Bijlage XVIII (Bomenposter Werken rond bomen) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aanwezig en wordt op verzoek van de provinciaal toezichthouder getoond; d. in geval van werkzaamheden langs vaarwegen worden de Richtlijnen Vaarwegen 2020 nageleefd; en e. gedurende twee jaar na de uitvoering van de werkzaamheden worden optredende verzakkingen en beschadigingen in de verharding van de provinciale weg hersteld door of op kosten van de rechthebbende op de kabel of leiding.
- In aanvulling op het eerste lid worden werken ten behoeve van kabels of leidingen geplaatst: a. met een omgevingsvergunning, melding of in overleg met de provinciaal toezichthouder; b. op plekken die goed toegankelijk zijn; c. op plekken waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en het beheer en onderhoud van de (vaar)weg niet wordt belemmerd; en d. bij voorkeur op of tegen de grens van het provinciaal eigendom.
- Als een handhole wordt geplaatst in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen, bedraagt de gronddekking ten minste 30 centimeter. Artikel 3.73 (voorschouw, nulmeting en naschouw) Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale wegen of in een beperkingengebied provinciale vaarwegen voert op verzoek van de provinciaal toezichthouder een voorschouw, een nulmeting of een naschouw uit. Artikel 3.74 (ontgraving kabels en leidingen) Degene die een ontgraving verricht in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen, neemt de volgende voorwaarden in acht: a. gesloten verhardingen worden niet opgebroken; b. de ontgraving wordt beperkt tot een zo klein mogelijk profiel en onafgebroken uitgevoerd; c. de ontgraving wordt op dezelfde dag gedicht of, als dit niet mogelijk is, in overleg met een provinciaal toezichthouder veilig afgedekt en/of afgezet; d. de grondopbouw wordt in dezelfde lagen teruggebracht en verdicht per 20 centimeter volgens de Standaard RAW Bepalingen 2020; e. als de sleuf verdicht wordt met aangevoerde grond, wordt een schonegrondverklaring overlegd aan de provinciaal toezichthouder; f. de overblijvende grond, het vrijgekomen puin en overige bodemvreemde materialen worden afgevoerd; g. de bestrating wordt in de oorspronkelijke staat teruggebracht; en h. de CROW-publicatie 500 'Schade voorkomen aan kabels en leidingen' wordt nageleefd. Artikel 3.75 (ontgraving bescherming groenvoorziening) Degene die een ontgraving verricht in een beperkingengebied provinciale wegen, neemt de volgende voorwaarden in acht: a. het gras in het werkvak wordt gemaaid als het langer is dan 10 centimeter en het gemaaide gras wordt afgevoerd; b. in geval van zeer waardevolle bermen worden de graszoden van regelmatige grootte en dikte van ongeveer 10 centimeter levensvatbaar gehouden en na het afronden van de werkzaamheden worden de graszoden met de vegetatiezijde boven teruggeplaatst en bewaterd; c. in geval van waardevolle bermen worden de graszoden eruit gehaald en teruggeplaatst conform de werkwijze die onder b is beschreven, of ze worden afgevoerd en de berm wordt na het afronden van de werkzaamheden handmatig ingezaaid met een kruidenmengsel van het type ‘G1’ van de Cruydt-Hoeck; d. in geval van overige bermen worden de graszoden eruit gehaald en teruggeplaatst conform de werkwijze die onder b is beschreven, of ze worden afgevoerd en de berm wordt na het afronden van de werkzaamheden handmatig ingezaaid met een kruidenmengsel van het type ‘B3’ van de Cruydt-Hoeck; en e. er wordt gewerkt volgens het Landelijk protocol Aziatische duizendknopen. Artikel 3.76 (gestuurd boren en persen) Degene die kabels of leidingen door middel van een gestuurde boring of persing aanlegt in een beperkingengebied provinciale wegen of provinciale vaarwegen, neemt de volgende voorwaarden in acht: a. de werkzaamheden voldoen aan de geldende NEN-normen, zoals NEN 3650 en NEN 3651; b. de gemeten druk van de boorspoeling wordt gecontroleerd tijdens het boren en als de druk extreem toeneemt ten opzichte van de prognosedrukken, wordt de boring stilgelegd en worden in overleg met de provinciaal toezichthouder passende maatregelen genomen; en c. als de boring of persing mislukt, worden passende herstelmaatregelen genomen in overleg met de provinciaal toezichthouder. Artikel 3.77 (kunstwerken) Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen neemt de volgende voorwaarden in acht: a. de stabiliteit van een kunstwerk wordt niet in gevaar gebracht; b. het is verboden om materieel of materialen op kunstwerken op te stellen; en c. kabels of leidingen die kruisen met of onder een kunstwerk worden aangelegd op een veilige afstand van het kunstwerk volgens de Richtlijn Boortechnieken en open ontgraving voor kabels en leidingen. Afhankelijk van de uitvoeringstechniek wordt aan de volgende paragrafen voldaan:
- paragraaf 2.3.6 in geval van een horizontaal gestuurde boring;
- paragraaf 3.3.2 in geval van een open front techniek;
- paragraaf 4.3.3 in geval van een gesloten front techniek;
- paragraaf 5.4.4 en paragraaf 5.4.8 in geval van een open ontgraving;
- paragraaf 6.4.5 in geval van niet omschreven uitvoeringstechnieken. Artikel 3.78 (buiten bedrijf gestelde kabels of leidingen)
- Buiten bedrijf gestelde kabels, leidingen of mantelbuizen worden verwijderd en afgevoerd.
- In afwijking van het eerste lid kunnen: a. mantelbuizen met een diameter groter dan 149 millimeter die liggen onder de gesloten verharding tijdelijk in de grond blijven liggen, gevuld worden met Dämmer of vloeibeton en aan beide kanten worden afgedopt; b. kabels of leidingen tijdelijk in de grond blijven liggen wanneer het verwijderen hiervan tot schade aan provinciale eigendommen zou leiden.
- Buiten bedrijf gestelde kabels of leidingen die in de grond blijven liggen kunnen door of in opdracht van Gedeputeerde Staten op kosten van de netbeheerder worden verwijderd. Paragraaf 3.8.3 vergunningplicht activiteiten in beperkingengebied provinciale wegen Artikel 3.79 (vergunningplicht activiteiten in beperkingengebied provinciale wegen)
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een beperkingengebied provinciale wegen activiteiten te verrichten: a. waardoor de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale weg verandert; b. waarbij een uitweg wordt aangelegd, in stand gehouden, veranderd of verwijderd; c. waarbij borden en aanduidingen aangebracht, in stand gehouden, veranderd of verwijderd worden; d. waarbij kabels of leidingen worden aangebracht, in stand gehouden, veranderd of verwijderd; e. waarbij overige werken of bouwwerken gerealiseerd, aangebracht, in stand gehouden, veranderd of verwijderd worden; f. waarbij de weg wordt gebruikt in strijd met het doel ervan, zoals het houden van een evenement.
- Het eerste lid geldt niet voor de activiteiten waarvoor een melding als
Paragraaf 3.8.4 kan worden gedaan. Artikel 3.80 (weigeringsgronden omgevingsvergunning)
- Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied zicht op de weg kan worden geweigerd als: a. de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. het beheer en onderhoud van de weg wordt belemmerd; of c. het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op en bij de weg wordt belemmerd.
- Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit in een beperkingengebied provinciale vaarwegen kan worden geweigerd als: a. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar wordt gebracht; b. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg worden gebracht of op een zodanige wijze op oevers worden geplaatst dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken; c. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij de vaarweg wordt belemmerd. Artikel 3.81 (beoordelingsregels aanduiding van een toeristisch object)
- Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van een aanduiding van een toeristisch object in een beperkingengebied provinciale wegen wordt alleen verleend als het object: a. gelegen is buiten de bebouwde kom; b. geopend is voor een aaneengesloten periode van minimaal zes maanden per jaar, en c. voornamelijk gericht is op bezoekers van buiten de gemeente waarin het object is gelegen.
- Een aanduiding van een toeristisch object wordt niet toegestaan zolang op basis van de algemene geografische bewegwijzering gereden kan worden naar een geografische bestemming waar het object is gelegen of waarmee het object geassocieerd kan worden.
- Voor aanduidingen die geplaatst worden langs een stroomweg gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. het object is gelegen op een rijafstand van maximaal 15 kilometer van de provinciale weg; en b. het object wordt door minimaal 250.000 bezoekers per jaar bezocht of heeft meer dan 400 parkeerplaatsen ter beschikking.
- Voor aanduidingen die geplaatst worden langs een gebiedsontsluitingsweg gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. het object is gelegen op een rijafstand van maximaal 5 kilometer van de provinciale weg; en b. het object wordt door minimaal 50.000 bezoekers per jaar bezocht of heeft meer dan 100 parkeerplaatsen.
- In afwijking van de voorgaande leden kunnen Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning verlenen wanneer een aanduiding noodzakelijk is in verband met de verkeersveiligheid, als het verkeer bewust volgens een bepaalde route geleid moet worden of ter voortzetting van aanduidingen die geplaatst zijn op wegen van hogere orde.
- Langs erftoegangswegen worden geen aanduidingen van toeristische voorzieningen toegestaan, behoudens ter voortzetting van bewegwijzering die op een stroomweg of een gebiedsontsluitingsweg is ingezet.
- De aanvraag wordt ingediend door of namens de eigenaar of exploitant van het toeristische object.
- De aanduiding voldoet aan de normen van de CROW Richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie
- Artikel 3.82 (beperking van het aantal aanduidingen naar toeristische objecten)
- Op gebiedsontsluitingswegen wordt per punt naar maximaal 8 en per richting naar maximaal 6 toeristische objecten verwezen.
- Op stroomwegen wordt per punt naar maximaal 4 toeristische objecten verwezen.
- Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorgaande leden als: a. de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, of b. de beperking naar het oordeel van Gedeputeerde Staten tot onevenredige gevolgen zou leiden, en c. de veiligheid en doorstroming van het verkeer op de weg niet in gevaar wordt gebracht en het beheer en onderhoud van de weg niet wordt belemmerd. Artikel 3.83 (plaatsing van een generiek bord)
- Gedeputeerde Staten kunnen in verband met de verkeersveiligheid besluiten een generiek bord te plaatsen waarmee aanduidingen naar toeristische overstappunten of toeristische objecten met eenzelfde of vergelijkbare bestemming worden vervangen.
- Het generieke bord wordt op kosten van Gedeputeerde Staten geplaatst en onderhouden. Artikel 3.84 (beoordelingsregels aanduiding van een toeristisch overstappunt) Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van een aanduiding van een toeristisch overstappunt in een beperkingengebied provinciale wegen kan worden verleend, als: a. het toeristische overstappunt op een rijafstand van maximaal vijf kilometer van de provinciale weg is gelegen; b. de aanvraag wordt ingediend door of namens de eigenaar of exploitant van het toeristische overstappunt; en c. de aanduiding voldoet aan de normen van de CROW Richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie
- Artikel 3.85 (beoordelingsregels aanduiding van een verzorgingsplaats)
- Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van een aanduiding van een verzorgingsplaats in een beperkingengebied provinciale wegen wordt alleen verleend als: a. de verzorgingsplaats direct aan de provinciale stroomweg is gelegen; of b. de verzorgingsplaats aan de doorgaande provinciale gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom is gelegen en veilig bereikbaar is; of c. de verzorgingsplaats aan een zijweg van de doorgaande provinciale gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom is gelegen waarbij de rijafstand van de voorziening tot de doorgaande weg niet meer dan 500 meter bedraagt, de verwijziging langs de zijweg wordt gecontinueerd en de verzorgingsplaats veilig bereikbaar is.
- Verzorgingsplaatsen die zijn gelegen langs erftoegangswegen worden niet aangeduid.
- In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning verlenen voor aanduidingen van verzorgingsplaatsen wanneer een aanduiding noodzakelijk is in verband met de verkeersveiligheid.
- De aanvraag wordt ingediend door of namens de eigenaar of exploitant van de verzorgingsplaats.
- De aanduiding voldoet aan de aanwijzigingen voor bordtypen verzorgingsplaatsen van de CROW Richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie
- Artikel 3.86 (beoordelingsregels informatiepanelen van gemeenten) Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van een informatiepaneel in een beperkingengebied provinciale wegen wordt alleen verleend als: a. de aanvrager een gemeente is; b. het informatiepaneel nabij de bebouwde kom wordt geplaatst; c. het informatiepaneel wordt geplaatst evenwijdig aan de weg of onder een hoek van maximaal 15 graden en volgens de afstand die voor de bordtypen toeristisch-recreatieve aanduidingen is opgenomen in tabel 8.1 van de CROW Richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie 322; d. bij wegen met een maximumsnelheid van 70 km/uur of meer, een besliswijzer wordt geplaatst met een voorwegwijzer op circa driehonderd meter, e. reclame, anders dan vermelding van de gemeentenaam, niet meer dan 40% van de oppervlakte van de voorzijde van het informatiepaneel beslaat; f. de verlichting van het paneel niet afleidend kan zijn voor de weggebruiker; en g. bij het paneel parkeerruimte aanwezig is voor minimaal één personenauto. Artikel 3.87 (beoordelingsregels tijdelijke bewegwijzering) Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van tijdelijke bewegwijzering ter begeleiding van het verkeer in een beperkingengebied provinciale wegen kan worden verleend als de aanvraag door of namens de rechthebbende wordt ingediend. Artikel 3.88 (beoordelingsregels activiteitenborden van gemeenten) Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van een activiteitenbord in een beperkingengebied provinciale wegen wordt alleen verleend als: a. de aanvrager een gemeente is; b. het activiteitenbord nabij de bebouwde kom wordt geplaatst; c. de activiteiten worden aangeduid op stroken die afzonderlijk boven elkaar zijn geplaatst, en d. er alleen activiteiten worden vermeld die binnen een periode van vier weken plaatsvinden. Artikel 3.89 (beoordelingsregels uitwegen)
- Een omgevingsvergunning voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verleend als hierdoor nadelige gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan voor: a. de verkeersveiligheid; b. de doorstroming van het verkeer op de openbare provinciale weg; c. het doelmatig gebruik van de openbare provinciale weg.
- Lid 1 is ook van toepassing op de wijziging van het gebruik van een uitweg. Artikel 3.90 (nadere beoordelingsregels uitwegen)
- Een omgevingsvergunning voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verleend als: a. de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap, een particulier of op een andere weg van lagere orde, b. na het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg per functie van een perceel sprake zou zijn van meer dan:- één woninguitweg per perceel waarvan de functie in het omgevingsplan een of meer woningen toelaat;- één bedrijfsuitweg per perceel met een bedrijfsmatige functie; of- één uitweg landbouw en natuurbeheer per perceel dat wordt gebruikt voor landbouw, natuur of een waterstaatswerk en een bij dat gebruik passende functie heeft.
- Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 3.91 (eisen uitvoering uitwegen)
- Een uitweg voldoet aan de volgende eisen: a. de uitweg komt overeen met een van de standaarduitwegen in bijlage XVII: Standaardtekening uitwegen. b. de vormgeving en constructie van de uitweg voldoet aan de eisen aangegeven op bijlage XVII: Standaardtekening uitwegen, waarbij:
- de betonstraatstenen worden gelegd in elleboogverband;
- de waterafvoer van verhardingen vrij blijft aflopen;
- een bestaand fietspad leidend is voor de aansluitingen;
- de uitwegconstructie vloeiend aansluit op de weg en het fietspad;
- voor de aansluiting op de weg en het fietspad een rechte zaagsnede wordt aangebracht, die de weg en het fietspad niet noemenswaardig versmallen;
- na de aanleg of verandering de berm wordt aangevuld met teelaarde en ingezaaid met een bermgraszaadmengsel; en
- als een bermsloot moet worden gedempt, de waterafvoer wordt geborgd door een duiker aan te leggen met een diameter die gelijk is aan die van aanpalende uitwegen.
- Gedeputeerde Staten kunnen op de navolgende wijze afwijken van de voorwaarden
het eerste lid: a. een bredere bedrijfsuitweg is toegestaan als de rijcurve van de voertuigen die het perceel bezoeken dit noodzakelijk maakt; b. andere of aanvullende eisen kunnen gesteld worden als de belangen
Artikel 3.89, eerste lid dit noodzakelijk maken.
- Bij aanwezigheid van een fiets- of voetpad mag een doorsteek aangelegd worden. Artikel 3.92 (beoordelingsregels tijdelijke uitwegen)
- Een omgevingsvergunning voor een tijdelijke uitweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt verleend als: a. de uitweg noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard; b. de belangen genoemd in Artikel 3.89 zich niet verzetten tegen de aanleg van een tijdelijke uitweg; c. het werkverkeer niet kan worden ontsloten via een bestaande uitweg; en d. het werkverkeer het perceel niet kan bereiken via een parallelweg of via een weg van een gemeente, een waterschap, een particulier, of via een andere weg van lagere orde.
- Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 3.93 (zaaksgebonden karakter omgevingsvergunning uitwegen en aanduidingen)
- Na realisatie of wijziging van de uitweg gaat de voor de aanleg of wijziging afgegeven omgevingsvergunning steeds over op de eigenaar van of zakelijk gerechtigde op het perceel dat door de uitweg wordt ontsloten.
- Na plaatsing van de aanduiding gaat de hiervoor afgegeven omgevingsvergunning steeds over op rechtsopvolgers van de vergunninghouder of rechthebbenden op het object waar de aanduiding naar verwijst. Artikel 3.94 (beoordelingsregels evenementen op de weg) Een omgevingsvergunning voor het houden van een evenement in een beperkingengebied provinciale wegen wordt alleen verleend als: a. door het beoogde gebruik van de weg geen onherstelbare of ernstige schade aan de weg ontstaat; b. het verkeersmaatregelenplan voldoet aan de volgende eisen:
- er is een veilige omleidingsroute, voor zover nodig;
- de bereikbaarheid voor de hulpdiensten wordt gegarandeerd;
- er worden geen U-routes afgesloten;
- de te nemen verkeersmaatregelen zijn conform de CROW richtlijn verkeersmaatregelen, publicatie 96b;
- eventueel in te zetten verkeersregelaars zijn bevoegd op grond van de Regeling Verkeersregelaars 2009 en het verkeer op de hoofdrijbaan van provinciale wegen buiten de bebouwde kom wordt geregeld door verkeersregelaars die de opleiding tot beroepsverkeersregelaar met succes hebben afgerond en dit ter plaatse kunnen aantonen met een geldig certificaat of pas. c. het evenement geen ernstige risico's en hinder veroorzaakt voor het reguliere verkeer; d. de weg niet afgesloten of gestremd wordt, tenzij dit noodzakelijk is voor het evenement en onvermijdelijk is. Paragraaf 3.8.4 Meldplicht activiteiten beperkingengebied provinciale wegen Artikel 3.95 (meldplicht speciale aanduidingen) Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale wegen de navolgende speciale aanduidingen te plaatsen: a. buurtschapsborden; b. provincie- en gemeentegrensborden; c. benaming van rivieren, kanalen, bruggen en viaducten; d. gebiedsaanduidingsborden; e. streekgrensborden; f. borden bebouwde kom; g. straatnaamborden; h. huisnummering; i. borden route gevaarlijke stoffen; j. borden voor fiets-, wandel- en ruiterroutes; k. mottoborden. Artikel 3.96 (meldplicht gedenkteken) Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale wegen een gedenkteken te plaatsen, in stand te houden of te verwijderen. Artikel 3.97 (meldplicht klein evenement) Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale wegen een klein evenement op de weg te organiseren. Artikel 3.98 (meldplicht kabels en leidingen)
- Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale wegen: a. kruisende of langsliggende kabels of leidingen van algemeen nut aan te leggen, in stand te houden, aan te passen, in een bestaande mantelbuis te blazen of te verwijderen; b. werkzaamheden te verrichten of ondergrondse werken te plaatsen ten behoeve van kabels of leidingen van algemeen nut.
- De meldplicht als
het eerste lid geldt in afwijking van Artikel 3.79 wanneer de activiteit met betrekking tot kabels of leidingen voldoet aan de eisen in Artikel 3.103 en Artikel 3.104 . Artikel 3.99 (indienen van een melding) Een melding als
Artikel 3
.95, Artikel 3.96 en Artikel 3.97 en Artikel 3.98 wordt ten minste vier weken voor het begin van de werkzaamheden of het evenement ingediend bij Gedeputeerde Staten. Artikel 3.100 (eisen speciale aanduidingen) Speciale aanduidingen voldoen aan de volgende eisen: a. de aanduiding is niet bevestigd aan beplanting of een tot de weg behorende verkeersvoorziening; b. op of naast de aanduiding wordt geen verlichting geplaatst; c. de aanduiding mag de veiligheid en doorstroming van het verkeer of het beheer en onderhoud van de weg niet belemmeren; en d. de aanduiding voldoet wat betreft maatvoering, uitvoering, plaatsing en afstanden aan de CROW richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie 322, voor de betreffende bordtypen. Artikel 3.101 (eisen gedenkteken) Een gedenkteken voldoet aan de volgende eisen: a. het gedenkteken mag alleen geplaatst en in stand gehouden worden door de meest naaste familie van het verkeersslachtoffer; b. het gedenkteken dient ter nagedachtenis aan een menselijk slachtoffer van een verkeersongeluk op de weg; c. het gedenkteken is maximaal 0,60 m hoog en 0,40 m breed; d. het gedenkteken wordt geplaatst in de berm op minimaal 2,5 meter van de hoofdrijbaan en minimaal 0,5 meter uit de buitenkant van de verhardingen, maar niet in de tussenberm; e. het gedenkteken is niet bevestigd aan beplanting of aan een tot de weg behorende verkeersvoorziening; f. op of naast het gedenkteken wordt geen verlichting geplaatst; g. de aanwezigheid van het gedenkteken mag de veiligheid en doorstroming van het verkeer of het beheer en onderhoud van de weg niet belemmeren; en h. het gedenkteken moet na maximaal vijf jaar verwijderd worden. Artikel 3.102 (eisen klein evenement) Een klein evenement voldoet aan de volgende eisen: a. het evenement betreft geen wegwedstrijd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994; b. het evenement is niet gericht op het vermaak van omstanders; c. het evenement betreft geen optocht; d. bij het evenement zijn maximaal 300 deelnemers of andere tot de organisatie behorende personen aanwezig; e. het evenement vindt plaats tussen een half uur na zonsopgang en een half uur voor zonsondergang; f. voor de deelnemers aan het evenement gelden de reguliere verkeersregels; g. er worden geen verkeersmaatregelen getroffen en ingevolge de CROW richtlijnen 96b 'werk in uitvoering' zijn deze ook niet nodig; h. het is niet noodzakelijk om het verkeer op de provinciale weg te regelen; i. er worden geen objecten aangebracht op de weg of aan andere eigendommen van de provincie, zoals het wegmeubilair. Alleen het plaatsen van routebebording is toegestaan wanneer deze maximaal 20 centimeter hoog en 30 centimeter breed is; j. er worden geen markeringen, in welke vorm dan ook, aangebracht op de provinciale weg; k. er ontstaat geen voorzienbare schade aan de weg, de bermen of het wegmeubilair. Artikel 3.103 (eisen aanleggen langsliggende kabels en leidingen weg)
- Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale wegen langs de provinciale weg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen: a. de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste:
- 1,25 meter van de kant van de verharding van de hoofdrijbaan of de parallelweg in geval van een telecommunicatiekabel;
- 0,8 meter van de kant van de verharding van het fietspad in geval van een telecommunicatiekabel;
- 1,5 meter van de kant van de verharding van de hoofdrijbaan of de parallelweg in geval van een overige nutskabel of -leiding;
- 1 meter van de kant van de verharding van het fietspad in geval van een overige nutskabel of -leiding; b. de kabel of leiding wordt aangelegd op een diepte van ten minste
- 0,6 meter onder het maaiveld in geval van een telecommunicatiekabel,
- 0,8 meter onder het maaiveld in geval van een elektriciteitskabel;
- 0,85 meter onder het maaiveld in geval van een gasleiding of riolering;
- 1 meter onder het maaiveld in geval van een waterleiding;
- 1,5 meter onder het maaiveld in geval van riolering; c. de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen; d. de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
- de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
- als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt; e. voor het aanleggen van de kabel of leiding wordt een verkeersplan aangeleverd dat voldoet aan de CROW-richtlijnen 96b 'werk in uitvoering’.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden die worden verricht en ondergrondse werken die worden geplaatst in een beperkingengebied provinciale wegen langs de provinciale weg ten behoeve van kabels of leidingen. Artikel 3.104 (eisen aanleggen kruisende kabels en leidingen weg) Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale wegen onder een provinciale weg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen: a. de kabel of leiding wordt haaks op de verharding gelegd; b. de kabel of leiding wordt in een mantelbuis geplaatst; c. het in- en uittredepunt van de mantelbuis ligt op een afstand van ten minste:- 1,5 meter van de kant van de verharding in geval van een persing;- 3 meter van de kant van de verharding van een hoofdrijbaan in geval van een gestuurde boring;- 2,5 meter van de kant van de verharding van een fietspad of parallelweg in geval van een gestuurde boring; d. de bovenkant van de mantelbuis ligt op een diepte van ten minste- 1 meter onder de bovenkant van de verharding in geval van een persing;- 2 meter onder de bovenkant van de verharding in geval van een bestuurbare boring; e. de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen; f. de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk aangelegd, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:- de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;- als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt; g. als de kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 meter h. voor het aanleggen van de kabel of leiding wordt een verkeersplan aangeleverd dat voldoet aan de CROW-richtlijnen 96b 'werk in uitvoering’. Paragraaf 3.8.5 Vergunningplicht activiteiten in beperkingengebied provinciale vaarwegen Artikel 3.105 (vergunningplicht activiteiten in beperkingengebied provinciale vaarwegen)
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een beperkingengebied provinciale vaarwegen activiteiten te verrichten: a. waardoor de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de vaarweg verandert; b. waarbij werken of bouwwerken gerealiseerd, in stand gehouden, veranderd of verwijderd worden; of c. waarbij kabels en leidingen worden aangebracht, in stand gehouden, veranderd of verwijderd.
- Het eerste lid sub b geldt niet voor de activiteiten waarvoor een melding als
deze afdeling kan worden gedaan. Artikel 3.106 (weigeringsgronden omgevingsvergunning) Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit in een beperkingengebied provinciale vaarwegen kan worden geweigerd als: a. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar wordt gebracht; b. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg worden gebracht of op een zodanige wijze op oevers worden geplaatst dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken; c. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij de vaarweg wordt belemmerd. Artikel 3.107 (beoordelingsregels aanleg kabels en leidingen met een zinker) Een omgevingsvergunning voor het aanleggen van kabels of leidingen met een zinker in een beperkingengebied provinciale vaarwegen wordt alleen verleend als: a. de werkzaamheden het scheepvaartverkeer niet belemmeren; b. de bovenkant van de kabel, leiding of mantelbuis ten minste 2 meter onder de onderhoudsdiepte van de vaarweg ligt; c. de afstand tot de boveninsteek van het talud van de vaarweg minimaal 1,5 meter bedraagt; d. de aanwezige oeverconstructie hersteld wordt in de oorspronkelijke staat, inclusief het herstel van de sterkte van de grondkerende werking van de oeverconstructie; e. de waterbodem hersteld wordt in de oorspronkelijke staat en diepte; en f. bij afwezigheid van een oeverconstructie, de aanvrager aantoont dat de stabiliteit van het talud gegarandeerd is, desnoods door het plaatsen van een nieuwe oeverconstructie die deugdelijk en voldoende waterkerend is over de breedte van de ontstane sleuf. Paragraaf 3.8.6 Meldplicht activiteiten beperkingengebied provinciale vaarwegen Artikel 3.108 (meldplicht werk op oever) 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding activiteiten te verrichten in een beperkingengebied provinciale vaarwegen door op de oever werken of bouwwerken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen. 2. Het eerste lid geldt niet voor het Kanaal Almelo-De Haandrik. Artikel 3.109 (meldplicht kabels en leidingen) 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale vaarwegen: a. kruisende of langsliggende kabels of leidingen van algemeen nut aan te leggen, in stand te houden, aan te passen, in een bestaande mantelbuis te blazen of te verwijderen; b. werkzaamheden te verrichten of ondergrondse werken te plaatsen ten behoeve van kabels of leidingen van algemeen nut. 2. De meldplicht als
het eerste lid geldt in afwijking van Artikel 3.105 wanneer de activiteit met betrekking tot kabels of leidingen voldoet aan de eisen in Artikel 3.112 en Artikel 3.
- Het eerste lid geldt niet voor het Kanaal Almelo-De Haandrik. Artikel 3.110 (indienen van een melding) Een melding als
Artikel 3
.108 en Artikel 3.109 wordt ten minste vier weken voor het begin van de werkzaamheden ingediend bij Gedeputeerde Staten. Artikel 3.111 (eisen werk op de oever) Een werk op de oever voldoet aan de volgende eisen: a. de werkzaamheden of het werk veroorzaken geen schade aan de vaarweg, de oever of de aanliggende oeverconstructies; b. de stabiliteit van de vaarweg, de oever en de aanliggende oeverconstructies wordt niet in gevaar gebracht; c. de veiligheid of het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer wordt niet belemmerd; d. de bruikbaarheid of de instandhouding van de vaarweg wordt niet in gevaar gebracht; e. de werkzaamheden en het werk voldoen aan de Richtlijnen Vaarwegen
- Artikel 3.112 (eisen aanleggen langsliggende kabels en leidingen vaarweg)
- Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale vaarwegen langs de provinciale vaarweg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen: a. de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van de boveninsteek van het talud van de vaarweg; b. de kabel of leiding wordt aangelegd op een diepte van ten minste
- 0,6 meter onder het maaiveld in geval van een telecommunicatiekabel;
- 0,8 meter onder het maaiveld in geval van een elektriciteitskabel;
- 0,85 meter onder het maaiveld in geval van een gasleiding;
- 1 meter onder het maaiveld in geval van een waterleiding;
- 1,5 meter onder het maaiveld in geval van een riolering; c. de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen; d. de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
- de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
- als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt.
- De eisen in het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden die worden verricht en ondergrondse werken die worden geplaatst in een beperkingengebied provinciale vaarwegen langs de provinciale vaarweg ten behoeve van kabels of leidingen. Artikel 3.113 (eisen aanleggen kruisende kabels en leidingen) Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale vaarwegen onder een provinciale vaarweg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen: a. de kabel of leiding wordt aangelegd met een gestuurde boring loodrecht op de as van de vaarweg; b. de kabel of leiding wordt in een mantelbuis geplaatst; c. het in- en uittredepunt van de mantelbuis ligt op een afstand van ten minste 5 meter van de boveninsteek van het talud van de vaarweg; d. de bovenkant van de mantelbuis ligt op een diepte van ten minste 10 meter onder de onderhoudsdiepte van de vaarweg; e. de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen; f. de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk aangelegd, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
- de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
- als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt. Paragraaf 3.8.7 Informatieplicht en gegevens provinciale wegen en vaarwegen Artikel 3.114 (informatieplicht start activiteiten)
- Ten minste vijf werkdagen voor het begin van activiteiten in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen stelt degene die de activiteit verricht, Gedeputeerde Staten schriftelijk in kennis van dit voornemen.
- In de kennisgeving worden in elk geval de volgende gegevens vermeld: a. het kenmerk van de omgevingsvergunning of de reactie op de melding voor het verrichten van de activiteit; b. de verwachte datum en de tijd wanneer de activiteit wordt verricht; c. de verwachte duur van de activiteit; d. het (vaar)wegnummer en het hectometerpunt van de provinciale (vaar)weg waar de activiteit wordt verricht; e. indien van toepassing: informatie over het plaatsen van piketten langs het tracé. Artikel 3.115 (informatieplicht eind activiteiten in beperkingengebied provinciale wegen of provinciale vaarwegen)
- Uiterlijk 24 uur na het eind van activiteiten in het beperkingengebied provinciale wegen of provinciale vaarwegen stelt degene die de activiteit verricht, Gedeputeerde Staten in kennis van dit voornemen.
- In de kennisgeving worden in elk geval de volgende gegevens vermeld: a. het kenmerk van de omgevingsvergunning of de reactie op de melding voor het verrichten van de activiteit; b. de datum en de tijd wanneer de activiteit is gestart en is gestopt; c. het (vaar)wegnummer en het hectometerpunt van de provinciale (vaar)weg waar de activiteit wordt verricht. Artikel 3.116 (informatieplicht schade aan provinciaal eigendom of een ongewoon voorval)
- Gedeputeerde Staten worden onmiddellijk geïnformeerd over schade aan provinciaal eigendom of een ongewoon voorval.
- In geval van schade aan provinciaal eigendom wordt de volgende informatie verstrekt, indien bekend: a. informatie over de oorzaak van de schade en de omstandigheden waaronder de schade zich heeft voorgedaan; en b. informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de schade te voorkomen, beperken, ongedaan te maken of de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken.
- In geval van een ongewoon voorval wordt de volgende informatie verstrekt: a. informatie over de oorzaak van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie die nodig is om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en c. informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als
artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. Artikel 3.117 (gegevens en bestanden: revisietekening kabels en leidingen) Als tijdens de uitvoeringswerkzaamheden kabels en leidingen afgeweken wordt van de aangeleverde tekening, ontvangen Gedeputeerde Staten uiterlijk binnen twee maanden een revisietekening. Paragraaf 3.8.8 Indieningsvereisten omgevingsvergunningen en meldingen wegen en vaarwegen Artikel 3.118 (indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied provinciale wegen) In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied provinciale wegen de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van het werk en de uitvoering daarvan; b. een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld: 1. de locatie van het werk; 2. het/de wegnummer(
- s)van de provinciale weg(en); 3. het/de hectometerpunt(
- en)waar het werk wordt verricht; c. een verkeersmaatregelenplan waarop de volgende informatie is vermeld: 1. de te nemen verkeersmaatregelen; 2. het/de wegnummer(
- s)van de provinciale weg(en); 3. het /de hectometerpunt(
- en)waar het werk wordt verricht; d. de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden; e. als het werk tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van het werk; f. als de aanvraag voor een omgevingsvergunning namens een ander is ingediend: een machtiging; g. overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is; Artikel 3.119 (indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied provinciale vaarwegen) In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied provinciale vaarwegen de volgende gegevens verstrekt: a. een beschrijving van het werk en de uitvoering daarvan, waarbij aangegeven wordt: 1. vanaf welke locatie (de oever en/of de vaarweg) de werkzaamheden worden uitgevoerd; 2. wat is de verwachte hinder voor het scheepvaartverkeer en de verwachte duur daarvan; b. een topografische kaart waarop de werkzaamheden zijn ingetekend en waarop de volgende informatie is vermeld: 1. de locatie van het werk; 2. het/de vaarwegnummer(
- s)van de provinciale vaarweg(en); 3. het/de hectometerpunt(
- en)waar het werk wordt verricht; c. de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden; d. als het werk tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van het werk; e. als de aanvraag voor een omgevingsvergunning namens een ander is ingediend: een machtiging; f. overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is. Artikel 3.120 (indieningsvereisten melding werk op oever) Een melding werk op oever bevat de volgende gegevens: a. gegevens zoals
artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. een beschrijving van het werk en de uitvoering daarvan, waarbij aangegeven wordt vanaf welke locatie (de oever en/of de vaarweg) de werkzaamheden worden uitgevoerd; c. een topografische kaart waarop de werkzaamheden zijn ingetekend waarop de volgende informatie is vermeld:- de locatie van het werk;- het/de vaarwegnummer(
- s)van de provinciale vaarweg(en);- het/de hectometerpunt(
- en)waar het werk wordt verricht; d. de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden; e. als het werk tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van het werk; f. als de melding namens een ander is ingediend: een machtiging; g. overige informatie die voor de beoordeling van de melding van belang is. Artikel 3.121 (indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning uitwegen) 1. In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg de volgende gegevens verstrekt: a. het type uitweg (woninguitweg, bedrijfsuitweg of uitweg landbouw en natuurbeheer); b. een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld: 1. de exacte locatie van de uitweg; 2. eventuele obstakels in de nabijheid van de uitweg; 3. het/de wegnummer(
- s)van de provinciale weg(en); en 4. het/de hectometerpunt(en); c. de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden; d. het verkeersmaatregelenplan, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(
- s)en hectometerpunten; e. als de uitweg gewijzigd wordt: een beschrijving van de beoogde wijziging; f. als de uitweg tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van de uitweg; g. als de aanvraag voor een omgevingsvergunning namens een ander is ingediend: een machtiging; h. overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is. 2. Een aanvraag van een omgevingsvergunning omvat tevens eventuele bijzondere omstandigheden, die nopen tot een afwijking,
Artikel 3.90, tweede lid.
Artikel 3.122 (indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning of melding aanduiding) 1. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding voor een aanduiding bevat de volgende gegevens: a. gegevens zoals
artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. het aantal gewenste aanduidingen; c. de soort aanduiding(en); d. een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld: 1. de exacte locatie van de aanduiding(en); 2. het/de wegnummer(
- s)van de provinciale weg(en); en 3. het/de hectometerpunt(
- en)waar de aanduiding(
- en)wordt/worden geplaatst; e. de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden; f. als tijdelijke bewegwijzering wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van de tijdelijke bewegwijzering; g. als de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de melding namens een ander is ingediend: een machtiging; h. overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag of de melding van belang is. 2. Een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een aanduiding van een toeristisch overstappunt of een verzorgingsplaats bevat in aanvulling op het eerste lid de naam en de locatie van het toeristische overstappunt of de verzorgingsplaats waar naar verwezen wordt. 3. Een aanvraag van een omgevingsvergunning aanduiding van een toeristisch object bevat in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens: a. de naam en de locatie van het toeristisch object; en b. het aantal bezoekers per jaar, of c. het aantal parkeerplaatsen bij het object. Artikel 3.123 (indieningsvereisten melding gedenkteken) Een melding gedenkteken bevat de volgende gegevens: a. gegevens zoals
artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. een topografische kaa