act/gemeente/2024/CVDR696216 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0202/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-06 2026-03-06 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696216/nld@2026-04-06 /join/id/proc
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 1 tot en met 22 van dit omgevingsplan. 2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 3. Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 1 tot en met 21 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Gereserveerd Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Gereserveerd Afdeling 3.2 Waarden Artikel 3.1 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd) zijn archeologisch waardevolle gebieden met de functie archeologisch rijksmonument . 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een rijksbeschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.2 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd UNESCO) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) zijn archeologisch waardevolle gebieden die universele waarde van werelderfgoed vertegenwoordigen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied als UNESCO werelderfgoed met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.3 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, gemeentelijk beschermd) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) hebben de functie gemeentelijk archeologische monument. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gemeentelijk beschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.4 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, begraafplaats) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) zijn archeologisch waardevolle gebieden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied in de vorm van een historische begraafplaats met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.5 Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied zijn archeologisch waardevolle gebieden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.6 Waarde – Archeologie (hoge verwachting) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Hoge verwachting zijn gebieden met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.7 Waarde – Archeologie (middelhoge verwachting) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Middelhoge verwachting zijn gebieden met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.8 Waarde – Archeologie (lage verwachting) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Lage verwachting zijn gebieden met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.9 Waarde - Archeologie (overige gebieden - opgehoogd terrein) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - opgehoogd terrein zijn opgehoogd. 2. Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het opgehoogd zijn van het terrein. Artikel 3.10 Waarde - Archeologie (overige gebieden - vergraven/afgegraven) 1. De gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - vergraven/afgegraven zijn vergraven of afgegraven. 2. Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het vergraven en het afgegraven zijn van het terrein. Artikel 3.11 Waarde - Geomorfologie leemlagen (1,5 m-
- mv)1. Op de gebieden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m kunnen zich leemlagen op een diepte van 1,5 meter beneden maaiveld bevinden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken. 3. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Artikel 3.12 Waarde - Geomorfologie leemlagen (3,0 m-
- mv)1. Op de gebieden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m kunnen zich leemlagen op een diepte van 3,0 meter beneden maaiveld bevinden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken. 3. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Artikel 3.13 Waarde - Geomorfologie leemlagen (4,0 m-
- mv)1. Op de gebieden met waarde Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m kunnen zich leemlagen op een diepte van 4,0 meter beneden maaiveld bevinden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken. 3. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Afdeling 3.3 Milieuaandachtsgebieden Paragraaf 3.3.1 Gebiedsaanwijzing bodem Artikel 3.14 Bodemfunctieklasse landbouw/natuur 1. Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse landbouw en natuur. 2. De bodemfunctieklasse landbouw/natuur is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's. 3. Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. Artikel 3.15 Bodemfunctieklasse wonen 1. Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse wonen. 2. De bodemfunctieklasse wonen is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's. 3. Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. Artikel 3.16 Bodemfunctieklasse stedelijk wonen 1. Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse stedelijk wonen. 2. De bodemfunctieklasse stedelijk wonen is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's. 3. Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. Artikel 3.17 Bodemfunctieklasse industrie 1. Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse industrie. 2. De bodemfunctieklasse industrie is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's. 3. Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. Artikel 3.18 Gebiedsaanwijzing Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied. Artikel 3.19 Gebiedsaanwijzing beperkt vooronderzoek bodem Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek. Artikel 3.20 Gebiedsaanwijzing uitgebreid vooronderzoek bodem Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek. Artikel 3.21 Gebiedsaanwijzing graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier. Artikel 3.22 Gebiedsaanwijzing graven Spijkerkwartier Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Spijkerkwartier. Hoofdstuk 4 Gereserveerd Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten Afdeling 5.
Artikel 5
.1 Bouwactiviteiten algemeen Indien op een locatie meerdere bouwregels van toepassing zijn, moet bij het bouwen worden voldaan aan alle ter plaatse geldende bouwregels. Artikel 5.2 Bouwactiviteiten indien toegestaan Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze activiteiten expliciet in de regels van dit omgevingsplan worden toegestaan. Artikel 5.3 Bouwactiviteiten uitsluitend passend binnen de functie/activiteit Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de toegestane activiteiten zoals omschreven in dit omgevingsplan. Afdeling 5.2 Gereserveerd Afdeling 5.3 Gereserveerd Afdeling 5.4 Vergunningsplicht - omgevingsplanactiviteit Artikel 5.4 Bouwactiviteit - vergunningsplicht
- GERESERVEERD
- Het verbod als bedoeld in artikel 22.26 geldt niet voor bouwactiviteiten als genoemd onder: a. afdeling 5.2; b. paragraaf 7.2.1; c. artikel 22.27; d. artikel 22.
- Afdeling 5.5 Gereserveerd Afdeling 5.6 Beoordelingsregels Paragraaf 5.6.1 Algemene beoordelingsregels Artikel 5.5 Algemene bouwregels Een omgevingsvergunning voor bouwen kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan: a. het tijdelijk deel van het omgevingsplan; en b. de algemene bouwregels uit afdeling 5.1; en c. de beoordelingsregels uit afdeling 5.6; en d. de beoordelingsregels uit paragraaf 7.2.3; en e. de beoordelingsregels uit paragraaf 8.2.1; en f. de beoordelingsregels uit paragraaf 9.3.
- Hoofdstuk 6 Overige activiteiten Afdeling 6.1 Werken en werkzaamhedenactiviteiten Artikel 6.1 Verrichten van werken en werkzaamhedenactiviteiten - vergunningsplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.3; b. afdeling 8.3; c. het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afdeling 6.2 Kapactiviteiten Artikel 6.2 Kapactiviteit - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kapactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.3; b. het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afdeling 6.3 Sloopactiviteiten Artikel 6.3 Sloopactiviteit - vergunningsplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.
- Hoofdstuk 7 Thema Archeologie Afdeling 7.1 Algemene regels Archeologie Artikel 7.1 Voorrangsregels archeologie De regels over archeologie, die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing. Artikel 7.2 Archeologie - specifieke zorgplicht Degene die ter plaatse van de gebiedsaanwijzingen Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd), Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) of Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van archeologische waarden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Afdeling 7.2 Bouwactiviteiten Archeologie Paragraaf 7.2.1 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.3 Bouwactiviteiten ten behoeve van archeologisch onderzoek Een overig bouwwerk (bouwwerk, geen gebouw zijnde) dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is, is toestemmingsvrij. Paragraaf 7.2.2 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten indien passend binnen regels omgevingsplan - Archeologie Artikel 7.4 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch archeologisch waardegebied; Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd), Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd), en Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 0 m2, b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.5 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Waardevol gebied; alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 30 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.6 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met hoge archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Hoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 200 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.7 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met middelhoge archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Middelhoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 500 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.8 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met lage archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Lage verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 5.000 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Paragraaf 7.2.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.9 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats Ter plaatse van de gebiedsaanwijzingen Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd), Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
- vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 0 m2 bedraagt; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.10 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Waardevol gebied zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
- vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 30 m2 bedraagt; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 30 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.11 Bouwactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Hoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
- vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 200 m2 bedraagt; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 200 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.12 Bouwactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Middelhoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
- vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 500 m2 bedraagt; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 500 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.13 Bouwactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Lage verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
- vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 5.000 m2 bedraagt; of
- bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 5.000 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.14 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - bijzondere aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in deze paragraaf, paragraaf 7.2.3, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
- een bureauonderzoek;
- zo nodig een booronderzoek; en
- zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; b. funderingstekeningen; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek; e. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Paragraaf 7.2.4 Maatwerkvoorschriften bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.15 Maatwerkvoorschrift archeologische waarden Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van de instandhouding en versterking van archeologische kwaliteiten. Afdeling 7.3 Werken en werkzaamhedenactiviteiten en kapactiviteiten Archeologie Artikel 7.16 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzingen Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd), Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 0 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 0 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het omgevingsplan; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.17 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Waardevol gebied van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 30 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 30 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.18 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Hoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 200 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 200 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.19 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Middelhoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 500 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 500 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.20 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Lage verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 5.000 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 5.000 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.21 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - beoordelingsregel De omgevingsvergunning, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.3, wordt verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verboden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.22 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - bijzondere aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken en werkzaamhedenactiviteiten waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 7.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
- de omvang in vierkante meters; en
- de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
- een bureauonderzoek;
- zo nodig een booronderzoek; en
- zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; e. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en f. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en g. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Afdeling 7.4 Sloopactiviteiten Archeologie Artikel 7.23 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.3 is van toepassing ter plaatse van de gebiedsaanwijzingen Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd), Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats).
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 0 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.24 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Waardevol gebied van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 30 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.25 Sloopactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting
- Het verbod m zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Hoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 200 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.26 Sloopactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Middelhoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.27 Sloopactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Archeologie - Lage verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 5.000 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.28 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - beoordelingsregel De omgevingsvergunning om een sloopactiviteit te verrichten, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.4, wordt verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of b. mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
- het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
- het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
- het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
- het vooraf melden van de start van werkzaamheden;
- het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verboden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
- het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen; c. voorschriften kunnen worden gesteld over de wijze van slopen. Artikel 7.29 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - bijzondere aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.4, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; en b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen. Hoofdstuk 8 Thema Geomorfologie / Leemlagen Afdeling 8.1 Algemene regels Leemlagen Artikel 8.1 Voorrangsregels leemlagen De regels over leemlagen , die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing. Artikel 8.2 Onderzoek ten behoeve van leemlagen - meldingsplicht
- Het is verboden een hydro-geomorfologisch onderzoek uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Een melding bevat een plan van aanpak voor het onderzoek.
- Een hydro-geomorfologisch onderzoek moet voldoen aan de volgende eisen: a. het onderzoek moet direct wordt gestaakt indien grondwater of leemlagen wordt aangetroffen; b. het onderzoek mag niet van destructieve aard zijn; c. het onderzoek mag aangetroffen leemlagen niet beschadigen of aantasten. Afdeling 8.2 Bouwactiviteiten Leemlagen Paragraaf 8.2.1 Beoordelingsregels bouwactiviteiten - Leemlagen Artikel 8.3 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.4 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 3,0 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.5 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 4,0 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.6 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - bijzondere aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in deze paragraaf, paragraaf 8.2.1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de hydro-geomorfologischewaarden van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
- een bureauonderzoek; en
- zo nodig een veldonderzoek; b. funderingstekeningen.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de hydro-geomorfologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Paragraaf 8.2.2 Maatwerkvoorschriften bouwactiviteiten - Leemlagen Artikel 8.7 Maatwerkvoorschrift aardkundige waarden Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van de instandhouding van hydro-geomorfologische waarden. Afdeling 8.3 Werken en werkzaamhedenactiviteiten Leemlagen Artikel 8.8 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.9 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 3,0 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.10 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv
- Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 4,0 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.11 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - beoordelingsregel De omgevingsvergunning, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 8.3, wordt verleend indien: a. met onderzoek kan worden aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of b. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of c. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.12 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - bijzondere aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken en werkzaamhedenactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 8.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
- de omvang in vierkante meters; en
- de diepte ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen (boorprofielen conform NEN 5104) met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de hydro-geomorfologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
- een bureauonderzoek; en
- zo nodig een veldonderzoek; e. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de hydro-geomorfologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Afdeling 8.4 Sloopactiviteiten Leemlagen Artikel 8.13 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - meldingsplicht
- Het is verboden om ter plaatse van de gebiedsaanwijzingen Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m, Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m en Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Hoofdstuk 9 Thema Bodem Afdeling 9.1 Algemene regels bodem Artikel 9.1 Voorrangsregels bodem Indien er op een locatie regels over bodembeheer uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van toepassing zijn en deze regels in strijd zijn met hoofdstuk 9, dan heeft de regel uit hoofdstuk 9 van het Omgevingsplan voorrang. Artikel 9.2 Bestandsformaat aanleveren gegevens en bescheiden De resultaten van ieder bodemonderzoek die moeten worden aangeleverd op grond van hoofdstuk 9 van het Omgevingsplan dienen separaat te worden aangeleverd in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101, indien het gaat om: a. het vervolgonderzoek (dan wel de onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Artikel 9.3 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem
- Er gelden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem.
- Er gelden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. a. De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (actiewaarden voor sanerende maatregelen) bij robuuste ontwikkeling is de interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. b. De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (actiewaarden voor sanerende maatregelen) bij bestaande situatie/niet robuuste ontwikkeling is de MHTR/METR (berekende waarden met behulp van de Risicotoolbox).
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit voor: a. asbest en respirabele asbestvezels in de laag tot 1,00 m-mv; b. lood in laag tot 0,50 m- mv.
- Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het tweede lid, afwijken van de METR vanwege maatschappelijke of ecologische belangen. Afdeling 9.2 Gebruiksactiviteiten bodem Paragraaf 9.2.1 Informatieplicht gebruiksactiviteiten bodem Artikel 9.4 Activiteit in gebruik nemen bodem gevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – informatieplicht Het is verboden om een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie in gebruik te nemen zonder ten minste vier weken voor ingebruikname de volgende gegevens aan het college van burgemeester en wethouders te verstrekken. Het betreft gegevens en bescheiden waaruit blijkt op welke wijze de sanerende of andere beschermende maatregelen zijn uitgevoerd die als voorwaarde zijn gesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Paragraaf 9.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten bodem Artikel 9.5 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een locatie te wijzigen waardoor er een bodemgevoelige locatie ontstaat. Paragraaf 9.2.3 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten bodem Artikel 9.6 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – bijzondere aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.7 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek Arnhem”; b. indien uit het formulier ”beperkt vooronderzoek Arnhem” blijkt dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging: het vervolgonderzoek (dan wel onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.7 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van het onderzoek (dan wel de onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN
- Indien de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden moeten gegevens en bescheiden worden aangeleverd die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Artikel 9.7 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – beoordelingsregel Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 9.5 wordt alleen verleend indien de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 9.3 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen conform de terugsaneerwaarden zoals bedoeld in artikel 9.
- Afdeling 9.3 Bouwactiviteiten bodem Paragraaf 9.3.1 Meldplicht bouwactiviteiten bodem Artikel 9.8 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – meldplicht
- Het is verboden om een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen, zonder dit ten minste vier weken voor aanvang van de bouw te melden bij het bevoegd gezag.
- Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. een voorafgaand bodemonderzoek, dan wel onderzoeken zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. indien de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
- Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Paragraaf 9.3.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten bodem Artikel 9.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – bijzondere aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.10 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek Arnhem”; b. indien uit het formulier ”beperkt vooronderzoek Arnhem” blijkt dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging: het vervolgonderzoek (dan wel onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.10 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van het onderzoek (dan wel de onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN
- Indien de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden moeten gegevens en bescheiden worden aangeleverd die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Artikel 9.10 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – beoordelingsregels
- Een vergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt verleend indien: a. de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 niet wordt overschreden, of; b. een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- In afwijking van het eerste lid onder b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften uit paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als: a. de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit ligt of kleiner is dan 25 kubieke meter grond en het geen verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft; b. aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen.
- Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico’s voor de gezondheid, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning of de omgevingsplanwijziging, als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling 9.4 Milieubelastende activiteit bodem Paragraaf 9.4.1 Spoedreparatie Artikel 9.11 Spoedreparatie - informatieplicht
- Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied is het verboden om een spoedreparatie te verrichten in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zonder zo spoedig mogelijk de volgende gegevens aan de toezichthoudende instantie te verstrekken: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum en tijdstip van het begin van de activiteit; c. de aard van de spoedreparaties.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond, met een bodemvolume van ten hoogste 25m
- Paragraaf 9.4.2 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 9.12 Graven in de bodem – informatieplicht beperkt vooronderzoek
- Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek is het verplicht om bij het graven in de bodem ten minste 1 week voor aanvang van de werkzaamheden gegevens en bescheiden aan te leveren indien: a. het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3, en b. de kwaliteit van de bodem onder of gelijk aan de interventiewaarde als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteit leefomgeving is.
- In het geval, bedoeld in het eerste lid, moeten de volgende gegevens en bescheiden worden aangeleverd: a. een ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek Arnhem” of vooronderzoek bodem zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. indien blijkt uit het formulier ”beperkt vooronderzoek Arnhem” of vooronderzoek bodem zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dat de locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, het vervolgonderzoek, dan wel de vervolgonderzoeken, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Paragraaf 9.4.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25m3 (kleinschalig graven) Artikel 9.13 Toepassingsbereik kleinschalig graven
- Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier is deze paragraaf van toepassing op het graven in de bodem waarbij: a. het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3; b. de kwaliteit van de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit ligt; en c. de verontreiniging niet onder het overgangsrecht valt.
- Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem. Artikel 9.14 Toepassingsbereik kleinschalig graven Spijkerkwartier
- Ter plaatse van het werkingsgebied Bodem - Graven Spijkerkwartier is deze paragraaf van toepassing op het graven in de bodem waarbij: a. het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3; en b. de verontreiniging niet onder het overgangsrecht valt.
- Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
- Het eerste lid is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat ter plaatse van de activiteit een kwaliteit lager dan de interventiewaarde bodemkwaliteit aanwezig is. Artikel 9.15 Kleinschalig graven – informatieplicht
- Het is verboden om te graven in de bodem, zonder ten minste vijf werkdagen voor aanvang van de activiteit de volgende gegevens aan het college van burgemeester en wethouders te verstrekken: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur van de activiteit.
- Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Het eerste lid is niet van toepassing a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. als het gaat om graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 9.16 Tijdelijke opslag vrijkomende grond Het is verboden om grond die bij het graven is vrijgekomen langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie op te slaan. Artikel 9.17 Milieukundige begeleiding bij nazorg Het is verboden om te graven in de bodem zonder milieukundige begeleiding als bedoeld in BRL 6000, indien op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag. Artikel 9.18 Gescheiden houden van grond Het is verplicht om bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden te houden. Paragraaf 9.4.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 9.19 Graven in bodem gelegen in Spijkerkwartier Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Spijkerkwartier gelden de regels uit paragraaf 3.2.
- van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij in recent onderzoek ter plaatse van de activiteit een kwaliteit lager dan de interventiewaarde bodemkwaliteit is aangetoond. Artikel 9.20 Tijdelijk uitnemen van grond
- Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied, bij het graven in de bodem waarbij: a. het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3; b. de kwaliteit van de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit ligt; c. de verontreiniging niet onder het overgangsrecht valt is het verboden om grond na het tijdelijk uitnemen terug te brengen in de bodem als de grond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is verontreinigd met asbest, respirabele asbestvezels en/of mobiele verontreinigingen.
- Met een maatwerkvoorschrift kan van het eerste lid worden afgeweken.
- Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.14 tot en met 3.
- Paragraaf 9.4.5 Toepassen van bouwstoffen Artikel 9.21 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van immobilisaten, bodemassen, producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt, speciaal recycling granulaat en stabilisaat. Artikel 9.22 Toepassen van bouwstoffen
- Het is verboden om de activiteit het toepassen van bouwstoffen, zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten als het gaat om de volgende bouwstoffen en/of producten/mengsels van bouwstoffen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.: a. immobilisaten; b. bodemassen; c. producten/mengsels waarin minder dan 20 massaprocent metaalslakken zijn verwerkt; d. speciaal recycling granulaat; e. stabilisaat, met uitzondering van waterglas en ongebluste kalk in een volume grond (in situ) van minder dan 25m
- Een melding bevat: a. het akkoord van de opdrachtgever; b. schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; c. schriftelijke instemming van de uiteindelijke eigenaar; d. de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; e. de coördinaten van de ontvangende landbodem en, als dit bekend is, het adres; f. de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing; g. de verwachte datum van het begin van de activiteit (toepassing van de bouwstof); h. de verwachte datum waarop de activiteit (toepassing van de bouwstof) zal zijn voltooid, en de verwachte datum waarop het totale werk (waar de activiteit onderdeel van uitmaakt) zal zijn voltooid; i. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast; j. de hoeveelheid bouwstof in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; k. tekeningen van de toepassingslocatie; de toepassingscontour in het horizontale vlak en dwarsdoorsnedes van de toepassing waarin boven en onderzijde van de toepassing zijn aangegeven ten opzichte van NAP; l. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstof aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid(ec) en kritische parameters van deze bouwstof; m. een kwaliteitsverklaring waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven; n. de herkomstlocatie van de toe te passen bouwstof; o. als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); p. verwerkingsvoorschriften en/of toepassingsvoorwaarden van de bouwstof; q. veiligheidsinformatieblad van de bouwstof; r. beschrijving van de kwaliteit en dikte van de afdeklaag en het moment dat deze wordt aangebracht; s. beschrijving van de werkwijze hoe de taluds/randen worden afgewerkt; t. de toepassingshoogte ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand; u. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op de bodem, het grondwater, oppervlaktewater, kwetsbare objecten of ecologie, die kunnen bestaan uit veranderingen in chemische of ecologische kwaliteit, zetting of zuurgraad, of anderszins strijdig is met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; v. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op veiligheid en humane gezondheid en overlast voor de omgeving als gevolg van stofvorming en percolaat wordt voorkomen, dan wel anderszins strijdig is met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 9.4.6 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 9.23 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie. Artikel 9.24 Bodemvreemd materiaal 5 procent
- Het is verboden om ter plaatse van de milieuaandachtsgebieden Bodem - Functieklasse landbouw en natuur, Bodem - Functieklasse wonen en Bodem - Functieklasse stedelijk wonen grond of baggerspecie toe te passen waarbij het percentage steenachtig materiaal of hout hoger is dan 5 gewichtsprocent.
- Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de grond of baggerspecie wordt toegepast als ophoog- of funderingslaag onder infrastructuur (zoals wegen, spoorwegen of leidingen) of onder permanente bebouwing. Artikel 9.25 Nota bodembeheer De kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota Bodembeheer Milieuregio Arnhem, 2011 (en eventuele latere addenda en wijzigingen) zijn van toepassing. Artikel 9.26 Toepassen van thermisch gereinigde grond – meldplicht
- Het is verboden om de activiteit het toepassen van grond of baggerspecie, zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten vier weken voor het begin ervan te melden als het gaat om het toepassen van thermisch gereinigde grond.
- Een melding bevat: a. het akkoord van de opdrachtgever; b. schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; c. schriftelijke instemming van de uiteindelijke eigenaar; d. de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; e. de coördinaten van de ontvangende landbodem en, als dit bekend is, het adres; f. de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing; g. de verwachte datum van het begin van de activiteit (toepassing van de bouwstof); h. de verwachte datum waarop de activiteit (toepassing van de bouwstof) zal zijn voltooid, en de verwachte datum waarop het totale werk (waar de activiteit onderdeel van uitmaakt) zal zijn voltooid; i. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast; j. de hoeveelheid bouwstof in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; k. tekeningen van de toepassingslocatie; de toepassingscontour in het horizontale vlak en dwarsdoorsnedes van de toepassing waarin boven en onderzijde van de toepassing zijn aangegeven ten opzichte van NAP; l. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstof aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid(ec) en kritische parameters van deze bouwstof; m. een kwaliteitsverklaring waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven; n. de herkomst locatie van de toe te passen bouwstof; o. als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); p. verwerkingsvoorschriften en/of toepassingsvoorwaarden van de bouwstof; q. veiligheidsinformatieblad van de bouwstof; r. beschrijving van de kwaliteit en dikte van de afdeklaag en op het moment dat deze wordt aangebracht; s. beschrijving van de werkwijze hoe de taluds/randen worden afgewerkt; t. de toepassingshoogte ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand; u. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op de bodem, het grondwater, oppervlaktewater, kwetsbare objecten of ecologie, die kunnen bestaan uit veranderingen in chemische of ecologische kwaliteit, zetting of zuurgraad, of anderszins strijdig is met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; v. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op veiligheid en humane gezondheid en overlast voor de omgeving als gevolg van stofvorming en percolaat wordt voorkomen, dan wel anderszins strijdig is met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 9.4.7 Saneren van de bodem Artikel 9.27 Toepassingsbereik saneren Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied. Artikel 9.28 Afdeklaag Een waterdoorlatende verharding is toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is. Artikel 9.29 Minimale dikte afdeklaag Een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag dient de minimale dikte te hebben zoals aangegeven in onderstaande tabel. Tabel 9.37 minimale dikte van de afdeklaag Bodemgebruik Minimale dikte afdeklaag (in cm) Industrie/bedrijven locaties waar de gemiddelde grondwaterstand <50 cm-mv is niet grondgebonden teelten in kassen 50 50 50 Artikel 9.30 Terugsaneerwaarden
- Verontreiniging van de bodem dient te worden verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 9.3 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde zoals opgenomen in onderstaande leden.
- Voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur geldt: a. De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is de waarde behorende bij de functie wonen. b. De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox.
- Voor de bodemfunctieklasse wonen geldt: a. De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is de waarde behorende bij de functie wonen. b. De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox.
- Voor de bodemfunctieklasse stedelijk wonen geldt: a. De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is:
- Voor de functie wonen en voor de functie openbaargebied waar het gaat om kinderspeelplaatsen en aangewezen locaties voor stadslandbouw: de waarde behorende bij de functie wonen.
- Voor de functie openbaar gebied daar waar niet het gaat om kinderspeelplaatsen en aangewezen locaties voor stadslandbouw: de waarde behorende bij de functie industrie. b. De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox.
- Voor de bodemfunctieklasse industrie geldt: a. De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is de waarde behorende bij de functie industrie. b. Indien het de functie wonen betreft, is de minimale terugsaneerwaarde de waarde behorende bij de functie wonen. c. De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox. Artikel 9.31 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
- Dit artikel is van toepassing op het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
- De eigenaar, erfpachter en/of gebruiker van een locatie dient de noodzakelijke maatregelen te treffen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet. Paragraaf 9.4.8 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 9.32 Mitigerende maatregelen
- Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
- Degene die een activiteit verricht als bedoeld in het eerste lid dient in het belang van bescherming van de bodem maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico’s en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, de verontreiniging ongedaan te maken. Hoofdstuk 10 Activiteiten met betrekking tot transformatiegebieden Afdeling 10.1 Algemene bepalingen Paragraaf 10.1.1 Aanwijzing transformatiegebieden Artikel 10.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op locatie Transformatiegebieden Arnhem. Artikel 10.2 Voorrangsbepaling transformatiegebieden De regels in het tijdelijk deel omgevingsplan en bruidsschat die in strijd zijn met dit hoofdstuk zijn niet van toepassing binnen transformatiegebieden. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Artikel 10.3 Transformatiegebied Bartok Park Zuid De locatie ‘Transformatiegebied Bartok Park Zuid ’ is aangewezen als ontwikkelgebied, waarbij het gebied wordt getransformeerd naar een woongebied met een openbare fietsenstalling. Artikel 10.4 Transformatiegebied Bartok Park Noord De locatie 'Transformatiegebied Bartok Park Noord' is aangewezen als ontwikkelgebied, waarbij het gebied wordt getransformeerd naar een gemengd gebied met mogelijkheden tot een woonfunctie, culturele functie en tuinfunctie. Artikel 10.5 Transformatiegebied Laarkwartier De locatie 'Transformatiegebied Laarkwartier' is aangewezen als transformatiegebied, waarbij het gebied wordt getransformeerd naar een gemengd gebied, een openbaar verblijfsgebied, een groengebied en parkgebied met mogelijkheden tot een woonfunctie, kantoorfunctie, verblijfsfunctie en parkfunctie. Paragraaf 10.1.2 Aanwijzingen in fysieke leefomgeving in transformatiegebieden Subparagraaf 10.1.2.1 Functies Artikel 10.6 Functie wonen transformatiegebied Er is een functie Wonen tranformatiegebied. Artikel 10.7 Functie verblijfsgebied transformatiegebied Er is een functie Verblijfsgebied transformatiegebied. Artikel 10.8 Functie nutsvoorziening transformatiegebied Er is een functie Nutsvoorziening transformatiegebied. Artikel 10.9 Functie tuin transformatiegebied Er is een functie Tuin transformatiegebied. Artikel 10.10 Functie park transformatiegebied Er is een functie Park transformatiegebied. Artikel 10.11 Functie groen transformatiegebied Er is een functie Groen transformatiegebied. Artikel 10.12 Functie kantoor transformatiegebied Er is een functie Kantoor transformatiegebied. Artikel 10.13 Functie dienstverlening transformatiegebied Er is een functie Dienstverlening transformatiegebied. Artikel 10.14 Functie bedrijf transformatiegebied Er is een functie Bedrijf transformatiegebied. Subparagraaf 10.1.2.2 Waarden Subsubparagraaf 10.1.2.2.1 Beschermd stadsgezicht Binnenstad en singels transformatiegebied Artikel 10.15 Waarde gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied Er is een waarde Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied. Artikel 10.16 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen de locatie Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied. Artikel 10.17 Oogmerk Deze regels uit deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. Het beschermen van het beschermde stadsgezicht Binnenstad en singels Artikel 10.18 Maatwerkvoorschrift Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de bouwactiviteiten binnen een Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied. Subsubparagraaf 10.1.2.2.2 Landschap en natuur transformatiegebied Artikel 10.19 Waarde landschap en natuur Er is een waarde Landschap en Natuur transformatiegebied. Artikel 10.20 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen de locatie Landschap en Natuur transformatiegebied. Artikel 10.21 Oogmerk Deze regels uit deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. Het behoud, het herstel en de versterking van de op deze gronden voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke-, ecologische-, cultuurhistorische- en natuurwaarden. Artikel 10.22 Maatwerkvoorschrift Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de bouwactiviteiten binnen een waarde Landschap en Natuur transformatiegebied. Afdeling 10.2 Standaardbepalingen in transformatiegebieden Paragraaf 10.2.
Artikel 10
.23 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen Transformatiegebieden Arnhem. Artikel 10.24 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteiten. Paragraaf 10.2.2 Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 10.2.2.1 Algemene bepalingen Artikel 10.25 Algemene regels over gebruiksactiviteiten binnen transformatiegebieden
- Deze paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen een transformatiegebied.
- Het gebruik van gronden en bouwwerken voor andere gebruiksactiviteiten dan die zijn geregeld in hoofdstuk 10 zijn verboden.
- De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. groen- en watervoorzieningen b. overige voorzieningen en bijbehorende activiteiten, die qua aard, oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit, zoals nutsvoorzieningen, fitnessvoorzieningen en kinderopvang ten behoeve van de hoofdactiviteit. Hieronder worden geen ondergeschikte horeca, niet zijnde bedrijfskantines, en detailhandel verstaan Subparagraaf 10.2.2.2 Gebruiksactiviteit cultuur Artikel 10.26 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit cultuur Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van culturele functies, zoals expositieruimten, ateliers, muziek- en kunstonderwijs en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, met uitzondering van musea, muziektheaters, bioscopen en naar aard vergelijkbare voorzieningen, in transformatiegebieden. Artikel 10.27 Algemene regels: locaties voor culturele functies exploiteren toegestaan Binnen transformatiegebieden is het exploiteren van culturele functies uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Cultuur transformatiegebied - toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.3 Gebruiksactiviteit nutsvoorziening Artikel 10.28 Toepassingsbereik
- Deze subparagraaf is van toepassing op de het gebruiken van een nutsvoorziening binnen transformatiegebieden.
- Deze subparagraaf is niet toepassing op ondergeschikte nutsvoorzieningen bedoeld in derde lid van artikel 10.
- Artikel 10.29 Algemene regels: locaties voor nutsvoorziening toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruik van nutsvoorzieningen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Nutsvoorziening transformatiegebied - toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.4 Gebruiksactiviteit tuin Artikel 10.30 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit tuin
- Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van een tuin binnen transformatiegebieden.
- Deze subparagraaf is niet toepassing op het gebruik als tuin bedoeld in derde lid van artikel 10.
- Artikel 10.31 Algemene regels: locaties voor tuin gebruiken toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruik als tuin uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Tuin transformatiegebied - toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.5 Gebruiksactiviteit verblijfsgebied Artikel 10.32 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit verblijfsgebied Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteiten verrichten binnen de functie Verblijfsgebied transformatiegebied. Artikel 10.33 Algemene regels: locaties voor verblijfsgebied toegestaan Binnen transformatiegebieden zijn activiteiten binnen de functie Verblijfsgebied transformatiegebied toegestaan indien het gaat om aanleg, bouw, gebruik en instandhouding van de volgende voorzieningen: a. ten behoeve van bestemmingsverkeer en verblijfsfuncties; b. aanleg, beheer, onderhoud en gebruik van fiets- en wandelpaden, straatmeubilair en speelvoorzieningen; c. voorzieningen voor het openbaar vervoer, zoals busstations; d. terrassen; e. nutsvoorzieningen; f. onderdoorgangen, alsmede toegangen tot ondergrondse voorzieningen ten behoeve van direct aangrenzende functies en activiteiten. Subparagraaf 10.2.2.6 Gebruiksactiviteit wonen Artikel 10.34 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit wonen Deze subparagraaf is van toepassing op de locatie Wonen tranformatiegebied. Artikel 10.35 Algemene regels: locaties voor garagebox toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruik van een garagebox ten behoeve van het stallen van vervoersmiddelen of de opslag van goederen toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Garagebox gebruiken transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.36 Algemene regels: locaties voor wonen toegestaan Binnen transformatiegebieden is wonen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Wonen transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.37 Algemene regels: wonen Voor wonen gelden de volgende regels: a. beroep aan huis is toegestaan, waaronder mede begrepen bed and breakfast, mits:
- dit maximaal 33% van het vloeroppervlakte van de woning betreft; en
- dit door de bewoner wordt uitgeoefend; en
- dit geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse of een onevenredige parkeerdruk tot gevolg heeft; en
- het geen detailhandel, internetverkoop hiervan uitgezonderd, prostitutie of horeca betreft. b. onder wonen wordt niet begrepen:
- bewoning van woonwagens of woonschepen;
- het bewonen, of laten bewonen, van een kamergewijze bewoning door meer dan één persoon per 18 m2 gebruiksoppervlakte;
- het verschaffen van kortdurend verblijf van maximaal 3 maanden, te vergelijken met logies, al dan niet als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden aan werknemers in een kamergewijze bewoning;
- het gebruik van bijgebouwen als onzelfstandige wooneenheid in een kamergewijze bewoning. Artikel 10.38 Woning splitsen - vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van een gebouw te splitsen naar twee of meerdere zelfstandige woningen. Artikel 10.39 Woning splitsen - beoordelingsregels
- Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.38 mag alleen worden verleend op de locatie activiteit Woning splitsen transformatiegebied - vergunningplicht indien: a. de gebruiksoppervlakte van de bestaande woning gelijk is aan of groter is dan 110 m2; en b. de gebruiksoppervlakte van elke zelfstandige woning die als gevolg van splitsing ontstaat niet kleiner is dan 50 m2; en c. de gesplitste woningen over een bergingsruimte met een oppervlakte van ten minste 5 m2 per woning; en d. de gesplitste woningen beschikken over een buitenruimte.
- Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.38 mag alleen worden verleend op de locatie activiteit Woning splitsen kernwinkelgebied transformatiegebied - vergunningplicht indien: a. de gebruiksoppervlakte van elke zelfstandige woning die als gevolg van splitsing ontstaat niet kleiner is dan 40m
- Artikel 10.40 Woning verkameren - vergunningplicht
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van een gebouw te verkameren (vanaf drie onzelfstandige wooneenheden).
- Het verbod, als bedoeld het eerste lid geldt niet indien sprake is van verkameren door een hospita. Artikel 10.41 Woning verkameren - beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.40 mag alleen worden verleend indien opde locatie activiteit Verkamering transformatiegebied - vergunningplicht: a. de gebruiksoppervlakte van de bestaande woning gelijk is aan of groter is dan 110 m2; en b. het gebouw niet opgedeeld wordt in meer dan één onzelfstandige wooneenheid per 18 m2 gebruiksoppervlakte; en c. het verkamerde gebouw minimaal beschikt over een bergingsruimte met een oppervlakte van ten minste 3 m2 ten behoeve van de stalling van fietsen, afvalcontainer(s) of afvalzakken. Vanaf 4 onzelfstandige wooneenheden geldt als aanvullende eis dat 1 m2 bergingsruimte per wooneenheid wordt toegevoegd. Artikel 10.42 Omgevingsnorm bouwlaag wonen Ter plaatse van de omgevingsnorm Bouwlaag Wonen transformatiegebied met werkingsgebied omgevingsnorm Bouwlaag wonen transformatiegebied is het wonen uitsluitend op de aangegeven bouwlaag toegestaan. Artikel 10.43 Omgevingsnorm maximum aantal woningen Ter plaatse van de omgevingsnorm Maximum aantal woningen transformatiegebied met het werkingsgebied omgevingsnorm Maximum aantal woningen transformatiegebied mag het aantal woningen niet meer bedragen dan aangegeven in de omgevingsnorm. Subparagraaf 10.2.2.7 Gebruiksactiviteit bedrijf - geschikt voor functiemenging Artikel 10.44 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit bedrijf - geschikt voor functiemenging Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van Bedrijfsactiviteit geschikt voor functiemenging binnen transformatiegebieden. Artikel 10.45 Algemene regels: locaties voor bedrijf - geschikt voor functiemenging gebruiken toegestaan Binnen transformatiegebieden is het exploiteren van bedrijven (geschikt voor functiemenging) uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Bedrijf geschikt voor functiemenging transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.46 Omgevingsnorm bouwlaag bedrijf - geschikt voor functiemenging Ter plaatse van de omgevingsnorm Bouwlaag Bedrijf geschikt voor functiemenging transformatiegebied met werkingsgebied omgevingsnorm Bouwlaag bedrijf geschikt voor functiemenging transformatiegebied is het exploiteren van bedrijven (geschikt voor functiemenging) uitsluitend op de aangegeven bouwlaag toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.8 Gebruiksactiviteit dienstverlening Artikel 10.47 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit dienstverlening Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van dienstverlening binnen transformatiegebieden. Artikel 10.48 Algemene regels: locaties voor dienstverlening exploiteren toegestaan Binnen transformatiegebieden is het exploiteren van dienstverlening ter plaatse van de begane grond uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Dienstverlening transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.49 Omgevingsnorm bouwlaag dienstverlening Ter plaatse van de omgevingsnorm Bouwlaag Dienstverlening transformatiegebied met werkingsgebied omgevingsnorm Bouwlaag dienstverlening transformatiegebied is het verlenen van diensten uitsluitend op de aangegeven bouwlaag toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.9 Gebruiksactiviteit groen Artikel 10.50 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit groen Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen de locatie Groen transformatiegebied. Artikel 10.51 Algemene regels: locaties voor groen gebruiken toegestaan Binnen transformatiegebieden zijn activiteiten binnen de functie Groen transformatiegebied toegestaan met betrekking tot: a. aanleg, beheer, onderhoud en gebruik van groenvoorzieningen; b. aanleg, beheer, onderhoud en gebruik van fiets- en wandelpaden, straatmeubilair, speelvoorzieningen en bestaande ontsluitingswegen; c. extensieve recreatie. Subparagraaf 10.2.2.10 Gebruiksactiviteit kantoor Artikel 10.52 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit kantoor Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van kantoren binnen transformatiegebieden. Artikel 10.53 Algemene regels: locaties voor kantoor gebruiken toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruiken van kantoren ter plaatse van de begane grond uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Kantoor transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.54 Omgevingsnorm bouwlaag kantoor Ter plaatse van de omgevingsnorm Bouwlaag Kantoor transformatiegebied met werkingsgebied omgevingsnorm Bouwlaag kantoor transformatiegebied is het verlenen van diensten uitsluitend op de aangegeven bouwlaag toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.11 Gebruiksactiviteit ontsluitingsweg Artikel 10.55 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit ontsluitingsweg Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van een ontsluitingsweg binnen de locatie activiteit Ontsluitingsweg transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.56 Algemene regels: locaties voor ontsluitingsweg gebruiken toegestaan Op de locatie activiteit Ontsluitingsweg transformatiegebied - toegestaan is het gebruik van ontsluitingswegen toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.12 Gebruiksactiviteit park Artikel 10.57 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit park Deze subparagraaf is van toepassing op verrichten van activiteiten binnen de locatie Park transformatiegebied. Artikel 10.58 Algemene regels: locaties voor park gebruiken toegestaan Binnen transformatiegebieden zijn activiteiten binnen de functie Park transformatiegebied toegestaan met betrekking tot: a. aanleg, beheer, onderhoud en gebruik van groenvoorzieningen; b. aanleg, beheer, onderhoud en gebruik van fiets- en wandelpaden, straatmeubilair, speelvoorzieningen en bestaande ontsluitingswegen; c. extensieve recreatie. Paragraaf 10.2.3 Bouwactiviteiten Subparagraaf 10.2.3.
Artikel 10.59 Algemene regels over bouwen 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van gebouwen ter plaatse van transformatiegebieden.
- Bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht, voor zover deze passen binnen de functies dan wel activiteiten zoals omschreven in deze regels.
- Het bouwen, verbouwen en instand houden van andere bouwwerken dan die zijn geregeld in hoofdstuk 10 zijn verboden. Artikel 10.60 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: a. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de bovenste goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. b. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Artikel 10.61 Algemene bouwregel: bouwvlak
- Het bouwen van hoofdgebouwen is uitsluitend toegestaan binnen het Bouwvlak tranformatiegebieden.
- In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om buiten het bouwvlak te bouwen indien: a. de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 2 m, de activiteitengrens niet wordt overschreden en het de bouw betreft van erkers, luifels, balkons, keldergaten (koekoeken) of galerijen; b. het de bouw van volledig beneden peil gelegen bouwwerken betreft, mits:
- een diepte van 6 m niet wordt overschreden;
- het maaiveld wordt afgewerkt op een wijze die past binnen de activiteit en de ter plaatse geldende waarden;
- geen onevenredige toename van de parkeerdruk plaatsvindt;
- de activiteitengrens niet wordt overschreden. Artikel 10.62 Algemene bouwregel: bouwen conform maatvoering
- Ter plaatse van de locatie omgevingsnorm Maximum bouwhoogte transformatiegebied bedraagt de maximum bouwhoogte niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte transformatiegebieden.
- Ter plaatse van de locatie omgevingsnorm Maximum goothoogte transformatiegebied bedraagt de maximum goothoogte niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte transformatiegebieden.
- Afwijken van het bepaalde in het eerste en het tweede lid is toegestaan indien: a. de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in de regels vastgelegde maten en een onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de privacy van omwonenden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; b. Ten behoeve van het oprichten van hekwerken op platte daken voor het gebruik als dakterras indien:
- de hoogte niet meer bedraagt dan 1 meter boven de aangegeven maximum bouwhoogte;
- dit passend is in het bebouwingsbeeld van de omringende bebouwing en
- de belangen van omwonenden met betrekking tot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig worden geschaad. Artikel 10.63 Algemene regel: vergunningvrij bouwen Het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken conform paragraaf 22.2.7.2 en paragraaf 22.2.7.3 is toegestaan. Subparagraaf 10.2.3.2 Bouwen in verblijfsgebied Artikel 10.64 Bouwen in verblijfsgebied transformatiegebied – vergunningplicht
- Het is verboden om op de locatie Verblijfsgebied transformatiegebied zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.
- Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
- Artikel 10.65 Bouwen in verblijfsgebied transformatiegebied – beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.64 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.59; b. de bouwhoogte maximaal 5 meter hoog is; c. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
- Subparagraaf 10.2.3.3 Bouwen in groen Artikel 10.66 Bouwen in groen - vergunningplicht
- Het is verboden om op de locatie Groen transformatiegebied zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.
- Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
- Artikel 10.67 Bouwen in groen - beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.66 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.59; b. de bouwhoogte maximaal 4 meter hoog is; c. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
- Subparagraaf 10.2.3.4 Bouwen in park Artikel 10.68 Bouwen in park - vergunningplicht Op de locatie Park transformatiegebied is het verboden om zonder omgevingsvergunning te bouwen. Artikel 10.69 Bouwen in park - beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld onder 10.68 wordt alleen verleend indien: a. geen onevenredig afbreuk wordt gedaan op stedenbouwkundige, landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische en natuurwaarden; b. de bouwhoogte maximaal 4 meter bedraagt; c. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
- Paragraaf 10.2.4 Milieubelastende activiteiten Subparagraaf 10.2.4.1 Geluid Subsubparagraaf 10.2.4.1.1 Geluid bedrijven geschikt voor functiemenging Artikel 10.70 Toepassingsbereik
- Deze subparaaf is van toepassing op het geluid dat wordt veroorzaakt door Bedrijfsactiviteit geschikt voor functiemenging, waarbij het gaat om activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
- De waarden in dit artikel zijn niet van toepassing op: a. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; b. het geluid van een activiteit op 'geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding' met die activiteit; en c. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is. Artikel 10.71 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rijkswege (bruidsschat) Waar de regels in dit artikel afwijken van de regels over geluid in paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan, hebben de regels in dit artikel voorrang op die bepalingen. Artikel 10.72 Waar de waarden gelden De waarden uit tabel 10.1 uit artikel 10.73 voor het geluid als gevolg van die activiteit gelden, tenzij anders bepaald: a. op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:
- op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en
- op de uiterste locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, tot dat het geluidgevoelige gebouw is gerealiseerd, waarna de geluidbelasting op de gevel geldt (zie onder a); b. op een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; c. voor zover er binnen 10 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht geen geluidgevoelig gebouw is gelegen of toegelaten, gelden de waarden in dit artikel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ook op een afstand van 10 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. d. de onder 3 genoemde afstand van 10 meter wordt verruimd tot maximaal 30 meter, voor zover de locatie grenst aan openbaar gebied en tot zover er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen of toegelaten. Artikel 10.73 Geluidwaarden Bij het verrichten van een activiteit is het geluid als gevolg van die activiteit niet hoger dan: Tabel 10.1 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 70 dB(A) 70 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door piekgeluiden 65 dB(A) 65 dB(A) Paragraaf 10.2.5 Gebouw of activiteit met parkeerbehoefte toevoegen Artikel 10.74 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing binnen transformatiegebieden en gaat over het: a. bouwen van een gebouw met een parkeerbehoefte; b. het wijzigen van gebruik van gronden en/of bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd. Artikel 10.75 Gebouw of activiteit met parkeerbehoefte toevoegen
- Er moet gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate worden voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
- De onder het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van personenauto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.
- Aan het bepaalde in het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien de ruimte voor parkeren of stallen voldoet aan de in de 'Beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem' daartoe opgenomen normen. Artikel 10.76 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in, of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Artikel 10.77 Specifieke bepaling strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein overeenkomstig de beleidsregels zoals die golden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 10.78 Beleidsregels
- Burgemeester en wethouders passen deze regels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
- Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging. Artikel 10.79 Afwijkbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.75 en artikel 10.76 indien: a. indien het voldoen aan hetgeen in bovengenoemde artikelen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of b. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte zoals bedoeld in artikel 10.75 dan wel laad- of losruimte zoals bedoeld in artikel 10.76 wordt voorzien. Artikel 10.80 Voorwaarden voor afwijken Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. de woon- en leefsituatie Paragraaf 10.2.6 In stand houden Subparagraaf 10.2.6.1 Algemene bepalingen Artikel 10.81 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het in in stand houden in transformatiegebieden. Subparagraaf 10.2.6.2 Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen Artikel 10.82 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het in stand houden van maatregelen in het kader van natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen. Artikel 10.83 Afwijken instandhoudingsverplichting klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen - vergunningplicht Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te gebruiken zonder de vereiste klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen in het kader van de vergunningverlening aan te brengen en in stand te houden. Artikel 10.84 Afwijken instandhoudingsverplichting klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen - beoordelingsregels - beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 10.83 kan w