act/gemeente/2024/CVDR696319 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0439/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-01-02 2026-01-02 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696319/nld@2026-01-30 /join/id/proc
Artikel 5
.24 (aanwijzing bedrijfsmatige activiteit: verkooppunt motorbrandstoffen met lpg) Als bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg met een doorzet van maximaal 499m3 per jaar of wel, of niet met een autowasstraat. Paragraaf 5.3.1.2 Functiemenging Paragraaf 5.3.1.3 Functie op locatie Artikel 5.25 (functie op locatie: verkooppunt motorbrandstoffen met lpg) De in artikel 5.24 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied verkooppunt motorbrandstoffen met lpg. Afdeling 5.3.2 Detailhandelsactiviteiten Paragraaf 5.3.2.1 Algemeen Artikel 5.26 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid. Paragraaf 5.3.2.2 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.27 (aanwijzing detailhandelsactiviteit 1)
- Als detailhandelsactiviteit 1 wordt aangewezen het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van niet-volumineuze goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid valt niet een detailhandelsbedrijf voor de handel in voedings- en genotmiddelen en in dagelijkse gebruiksartikelen. Artikel 5.28 (aanwijzing detailhandelsactiviteit: supermarkt) Als detailhandelsactiviteit wordt aangewezen het uitoefenen van een detailhandelsbedrijf voor de handel in voedings- en genotmiddelen en in dagelijkse gebruiksartikelen. Paragraaf 5.3.2.3 Functiemenging Paragraaf 5.3.2.4 Functie op locatie Artikel 5.29 (functie op locatie)
- De in artikel 5.27 en artikel 5.28 aangewezen activiteiten zijn alleen toegelaten binnen het werkingsgebied 'detailhandel'.
- Binnen het werkingsgebied 'detailhandel' wordt niet meer dan het maximale aantal supermarkten geëxploiteerd. Afdeling 5.3.3 Dienstverleningsactiviteiten Paragraaf 5.3.3.
Artikel 5.30 (aanwijzing zakelijke dienstverleningsactiviteiten) 1.
Als dienstverleningsactiviteit wordt aangewezen het verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks al dan niet via een balie te woord wordt gestaan en geholpen. 2. Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen in ieder geval: a. reis- en uitzendbureaus; b. kapsalons; c. pedicures; d. wasserettes; e. makelaarskantoren; f. bankfillialen; of g. overheidsinstellingen in het kader van de uitoefening van een publieke taak. Paragraaf 5.3.3.2 Functiemenging Paragraaf 5.3.3.3 Functie op locatie Artikel 5.31 (functie op locatie) De in artikel 5.30 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied 'dienstverlening'. Afdeling 5.3.4 Evenementenactiviteit Paragraaf 5.3.4.
Artikel 5.32 (aanwijzing evenementenactiviteit) 1.
Als evenementenactiviteiten worden aangewezen periodieke of eenmalige gebeurtenissen op het gebied van kunst, cultuur, sport en feesten, onder de aanwijzing vallen in ieder geval: a. braderieën; b. kermis; c. rommelmarkten; en d. gemeente-, stad-, dorps- of wijkfeesten.
- Sportactiviteiten zoals aangewezen in afdeling 5.3.10 vallen niet onder de aanwijzing. Paragraaf 5.3.4.2 Functie op locatie Artikel 5.33 (functie op locatie) De in artikel 5.32 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied 'evenementen' waarbij de volgende regels gelden: a. er vinden niet meer dan 15 evenementenactiviteiten per jaar plaats; en b. het aantal bezoekers per evenement is niet meer dan
- Afdeling 5.3.5 Horeca-activiteiten Paragraaf 5.3.5.1 Algemeen Artikel 5.34 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; en b. het beschermen van de gezondheid. Artikel 5.35 (maatwerkvoorschriften openingstijden)
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden over de tijden die zijn genoemd in artikel 5.36 tot en met 5.
- Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de tijden zoals genoemd in artikel 5.36 tot en met artikel 5.38, mits naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders de woon- en leefomgeving van nabijgelegen woningen niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloedt door het verrichten van horeca-activiteiten buiten de reguliere openingstijden.
- Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden. Paragraaf 5.3.5.2 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.36 (aanwijzing horeca activiteit 1)
- Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht overeenkomt met de tijden waarop de in dit omgevingsplan aangewezen detailhandelsactiviteiten worden verricht.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid valt niet: a. zaalverhuur; b. het benutten van gebouwen en locaties voor feesten; of c. het bieden van gelegenheid tot dansen. Artikel 5.37 (aanwijzing horeca-activiteit 2)
- Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een horecabedrijf waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht tussen 07:00 en 01:00 liggen.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid valt niet: a. het benutten van gebouwen en locaties voor feesten; of b. het bieden van gelegenheid tot dansen. Artikel 5.38 (aanwijzing horeca-activiteit 3) Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een waarbij de tijden waarop de activiteit wordt verricht tussen 07:00 en 01:00 liggen. Paragraaf 5.3.5.3 Functiemenging Paragraaf 5.3.5.4 Functie op locatie Artikel 5.39 (functie op locatie A) De in artikel 5.36 aangewezen activiteiten zijn toegelaten in het werkingsgebied 'horeca 1'. Paragraaf 5.3.5.5 Vergunningplicht horeca in het gebiedstype groen en recreatie Artikel 5.40 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit te verrichten in het gebiedstype groen en recreatie zoals bedoeld in afdeling 4.1.
- Artikel 5.41 (beoordelingsregels) De vergunning als bedoeld in artikel 5.40 wordt alleen verleend als: a. de aangevraagde activiteit onder de aanwijzing van artikel 5.36 valt; b. de aangevraagde activiteit wordt uitgevoerd binnen het werkingsgebied 'seizoensgebonden horeca'; en c. de activiteiten zodanig plaatsvinden dat er sprake is van seizoensgebonden activiteiten. Artikel 5.42 (indieningsvereisten) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.40 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie; b. een toelichting op het beoogde gebruik van het gebouw en de gronden; en c. een toelichting op de periode waarin de activiteiten plaatsvinden. Afdeling 5.3.6 Kantooractiviteiten Paragraaf 5.3.6.
Artikel 5
.43 (aanwijzing kantooractiviteit) Als kantooractiviteit wordt aangewezen het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of een daarmee gelijk te stellen gebied waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. Paragraaf 5.3.6.2 Functiemenging Artikel 5.44 (functiemenging A) De in artikel 5.43 aangewezen activiteiten zijn toegelaten. Paragraaf 5.3.6.3 Functie op locatie Artikel 5.45 (functie op locatie) De in artikel 5.43 aangewezen activiteit wordt uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'kantoor'. Afdeling 5.3.7 Maatschappelijke activiteiten Paragraaf 5.3.7.
Artikel 5
.46 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen of beperken van geluidhinder; en c. de gezondheid. Artikel 5.47 (aanwijzing maatschappelijke activiteit: onderwijs en kinderopvang)
- Als maatschappelijke en culturele activiteiten wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor: a. een basisschool; b. een instelling voor voortgezet onderwijs; of c. een kinderdagverblijf.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht. Artikel 5.48 (aanwijzing maatschappelijke activiteit: zorgvoorzieningen)
- Als maatschappelijke en culturele activiteiten wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor gezondheidszorg.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht. Artikel 5.49 (aanwijzing maatschappelijke activiteit: vereniging en gemeenschap)
- Als maatschappelijke en culturele activiteiten wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor: a. activiteiten op het gebied van het verenigingsleven; b. een bibliotheek; of c. een wijkcentrum.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht. Artikel 5.50 (aanwijzing maatschappelijke activiteit: religie)
- Als maatschappelijke en culturele activiteiten wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor religie.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen ook ondergeschikte nevenactiviteiten die op dezelfde locatie worden verricht. Paragraaf 5.3.7.2 Functiemenging Paragraaf 5.3.7.3 Functie op locatie Artikel 5.51 (functie op locatie A) De in artikel 5.47 tot en met artikel 5.50 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'maatschappelijke voorzieningen'. Artikel 5.52 (functie op locatie B) De in artikel 5.48 en artikel 5.49 aangewezen activiteiten worden binnen het werkingsgebied 'maatschappelijk uitsluitend op begane grond' uitsluitend verricht op de begane grond. Afdeling 5.3.8 Recreatieactiviteiten Paragraaf 5.3.8.
Artikel 5
.53 (aanwijzing kleinschalige recreatieactiviteit) Als kleinschalige recreatieactiviteit wordt aangewezen niet-gemotoriseerde dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, varen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen of natuurobservatie. Artikel 5.54 (aanwijzing recreatieactiviteit volkstuinen) Als recreatieactiviteit wordt aangewezen het benutten van locaties voor volkstuinen. Artikel 5.55 (aanwijzing recreatieactiviteit schooltuinen) Als recreatieactiviteit wordt aangewezen het benutten van locaties voor schooltuinen. Artikel 5.56 (aanwijzing recreatieactiviteit heemtuinen) Als recreatieactiviteit wordt aangewezen het benutten van locaties voor heemtuinen. Artikel 5.57 (aanwijzing recreactieactiviteit speeltuinen) Als recreatieactiviteit wordt aangewezen het benutten van locaties voor speeltuinen. Paragraaf 5.3.8.2 Functiemenging Artikel 5.58 (functiemenging A) De in artikel 5.53 aangewezen activiteiten zijn toegelaten. Paragraaf 5.3.8.3 Functie op locatie Artikel 5.59 (functie op locatie: volkstuinen) De in artikel 5.54 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'volkstuinen'. Artikel 5.60 (functie op locatie: schooltuinen) De in artikel 5.55 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'schooltuinen'. Artikel 5.61 (functie op locatie: heemtuinen) De in artikel 5.56 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'heemtuinen'. Artikel 5.62 (functie op locatie: speeltuinen) De in artikel 5.57 aangewezen activiteit mag alleen worden verricht binnen het werkingsgebied 'speeltuinen'. Afdeling 5.3.9 Risicovolle activiteiten Paragraaf 5.3.9.1 LPG tankstation Artikel 5.63 (aanwijzing activiteit: LPG tankstation) Als activiteit wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG. Artikel 5.64 (functie op locatie) De in artikel 5.63 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' waarbij de maximale doorzet van het vulpunt 499 m3 per jaar is. Afdeling 5.3.10 Sportactiviteiten Paragraaf 5.3.10.
Artikel 5.65 (aanwijzing sportactiviteit) Als sportactiviteiten worden aangewezen: a.
het benutten van bouwwerken en locaties voor het gelegenheid bieden tot het beoefenen van sport; en b. functioneel ondersteunende activiteiten die op dezelfde locatie worden verricht. Paragraaf 5.3.10.2 Functiemenging Paragraaf 5.3.10.3 Functie op locatie Artikel 5.66 (functie op locatie A) De in artikel 5.65 aangewezen activiteiten worden uitsluitend verricht binnen het werkingsgebied 'sportaccomodatie'. Afdeling 5.3.11 Woonactiviteiten Paragraaf 5.3.11.1 Algemeen Artikel 5.67 (aanwijzing woonactiviteiten) Deze afdeling gaat over: a. wonen; en b. bij het wonen behorende ondergeschikte activiteiten. Artikel 5.68 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van: a. een goed woon- en leefklimaat; en b. de gezondheid. Paragraaf 5.3.11.2 Wonen Subparagraaf 5.3.11.2.1 Algemeen Artikel 5.69 (algemene regels over wonen)
- In één woning woont slechts één huishouden.
- In afwijking van het eerste lid kan in één woning anders dan door één huishouden worden gewoond, als dat uit de functie of functieaanduiding blijkt.
- Voor de toepassing van deze regels geldt als één huishouden ook: a. een eigenaar die als hoofdbewoner kamers verhuurt aan maximaal twee personen; en b. een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. heeft een zelfstandige woonruimte ten minste 50 m2 gebruiksoppervlakte; en c. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
- Het vierde lid geldt niet voor woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Subparagraaf 5.3.11.2.2 Nieuwe woningen of wooneenheden Artikel 5.70 (aanwijzing activiteiten)
- Deze subparagraaf gaat over het wonen in een woning en een wooneenheid.
- Deze subparagraaf gaat niet over short stay en de in subparagraaf 5.3.8.1 aangewezen activiteiten.
- Deze subparagraaf gaat niet over het wonen in een een drijvende woning zoals aangewezen in subparagraaf 5.3.11.2.
- Artikel 5.71 (oogmerken) De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. een goed woon- en leefklimaat; en c. de gezondheid. Artikel 5.72 (toegelaten activiteiten) Wonen is toegestaan in woningen en wooneenheden die zijn opgenomen in het register woningen als bedoeld in artikel 8.
- Artikel 5.73 (vergunningplicht nieuwe woningen of wooneenheden) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning nieuwe woningen of wooneenheden toe te voegen. Artikel 5.74 (beoordelingsregel vergunningplicht) Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.73 wordt alleen verleend als: a. de voor het gebiedstype waar de woning of wooneenheid wordt toegevoegd geldende normen uit titel 5.2 in acht worden genomen; b. de toelaatbaarheid van de woningen in verband met mogelijk risico binnen een aandachtsgebied wordt beschouwd; c. de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; en e. er wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht parkeren zoals bedoeld in paragraaf 5.2.4.
- Artikel 5.75 (specifieke beoordelingsregel milieugebruiksruimte tijdelijk deel omgevingsplan) Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.73 betrekking heeft op een gebied waar nog geen normen zijn toegevoegd aan titel 5.2 wordt de vergunning alleen verleend als de normen voor geluid, geur, trillingen en bodemkwaliteit zoals opgenomen in hoofdstuk 22 in acht worden genomen. Artikel 5.76 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning nieuwe woningen of wooneenheden) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.73 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie; b. onderzoeken over de waarden die zijn gesteld in titel 5.2 danwel artikel 5.75; c. als de woning binnen een aandachtsgebied externe veiligheid is gelegen: een advies van de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland; d. een situatietekening waaruit blijkt hoe het terrein ontsloten wordt; en e. een situatietekening van de reeds aanwezige parkeerplaatsen en nieuw te realiseren parkeerplaatsen. Subparagraaf 5.3.11.2.3 Omzetting van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte Artikel 5.77 (vergunningplicht omzetten zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning zelfstandige woonruimte geheel of gedeeltelijk om te zetten in in onzelfstandige woonruimte en omgezet te houden. Artikel 5.78 (vergunningvrije gevallen) Het verbod als bedoeld in artikel 5.77 om zonder omgevingsvergunning zelfstandige woonruimte geheel of gedeeltelijk om te zetten in onzelfstandige woonruimte geldt niet als de activiteit wordt verricht in de vorm van: a. onderverhuur door één persoon terwijl de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft in de betreffende woning; of b. inwoning door één persoon terwijl de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft in de betreffende woning. Artikel 5.79 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.77 kan worden verleend als: a. de woning in ieder geval één gezamenlijke huiskamer niet zijnde de keuken of een slaapkamer met een gebruiksoppervlakte van ten minste 18 m² conform NEN 2580 heeft; b. een woning wordt omgezet tot maximaal vier kamers; c. er sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor fietsen op eigen terrein; en d. er wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht parkeren zoals bedoeld in paragraaf 5.2.4.
- Artikel 5.80 (voorschriften) Het college kan aan de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.77 de volgende voorschriften verbinden: a. een maximaal aantal personen dat onzelfstandige woonruimte mag bewonen; b. voorschriften over een veilige en gezonde leefomgeving; en c. het voorkomen of beperken van geluidhinder. Artikel 5.81 (bijzondere aanvraagvereisten omzetten zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.77 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft; b. één of meer tekeningen van de plattegrond op schaal van iedere verdieping van het gebouw, alsmede van de verdieping of verdiepingen waarop de aanvraag betrekking heeft, met een aanduiding van de beoogde bestemming; en c. een situatietekening waaruit de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken blijkt. Subparagraaf 5.3.11.2.4 Drijvende woningen Artikel 5.82 (aanwijzing woonactiviteit op water: drijvende woning) Als woonactiviteit wordt aangewezen het gebruiken van een drijvend bouwwerk voor wonen. Artikel 5.83 (functie op locatie) De in artikel 5.82 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'ligplaats'. Subparagraaf 5.3.11.2.5 Beroep en bedrijf aan huis Artikel 5.84 (aanwijzing activiteiten) Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Artikel 5.85 (algemene regels uitoefenen beroep of bedrijf aan huis) Een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan indien: a. de oppervlakte die wordt gebruikt voor het beroep of bedrijf aan huis niet groter is dan 50% van de oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken; b. er geen detailhandel- of horeca-activiteiten worden verricht; c. het beroep of bedrijf aan huis:
- geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer; en
- niet zorgt voor een onevenredige toename van de parkeerdruk op de openbare ruimte; d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet onevenredig worden aangetast; en e. het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend door de hoofdbewoners. Artikel 5.86 (maatwerkvoorschrift)
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 5.
- Subparagraaf 5.3.11.2.6 Bed and breakfast Artikel 5.87 (aanwijzing activiteit) Als activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een bed and breakfast. Artikel 5.88 (algemene regels) Een bed and breakfast is toegestaan indien: a. de oppervlakte die wordt gebruikt voor de bed and breakfast is niet groter dan 40% van de oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken; b. de exploitatie alleen plaatsvindt door de hoofdbewoners van het hoofdgebouw; c. aan ten hoogste zes personen tegelijkertijd verblijf wordt geboden; d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet onevenredig worden aangetast; en e. de bed and breakfast:
- geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer; en
- niet zorgt voor een onevenredige toename van de parkeerdruk op de openbare ruimte. Artikel 5.89 (maatwerkvoorschrift)
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 5.
- Subparagraaf 5.3.11.2.7 Wonen binnen het woongebied - ontwikkelgebied Artikel 5.90 (maximaal aantal woningen) Wonen vindt niet plaats in meer dan het maximale aantal woningen. Afdeling 5.3.12 Benutten van de fysieke leefomgeving Paragraaf 5.3.12.1 Algemene bepalingen Artikel 5.91 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; b. het voorkomen of beperken van hinder; c. het beschermen van de gezondheid; d. het waarborgen van de veiligheid; en e. de ruimtelijke kwaliteit. Paragraaf 5.3.12.2 Activiteiten met betrekking tot het in stand houden van infrastructuur Subparagraaf 5.3.12.2.1 Waterhuishoudkundige voorziening Artikel 5.92 (aanwijzen activiteit: gemaal) Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor waterhuishouding met een gemaal. Artikel 5.93 (functie op locatie) De in artikel 5.92 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'gemaal'. Subparagraaf 5.3.12.2.2 Spoorwegen Artikel 5.94 (aanwijzen activiteiten: spoorweg) Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor spoorwegen. Artikel 5.95 (functie op locatie) De in artikel 5.94 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'spoorweg'. Subparagraaf 5.3.12.2.3 Het aanleggen en in stand houden van een buisleiding buisleiding voor het transport van gas Artikel 5.96 (aanwijzen activiteit) Deze subparagraaf is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het realiseren, in stand houden en in werking hebben van een buisleiding voor het transport van gas, inclusief voorzieningen; b. bijbehorende activiteiten. Artikel 5.97 (functie op locatie) De in artikel 5.96 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied 'buisleiding voor het transport van gas'. Artikel 5.98 (Algemene regels) Er mogen uitsluiten bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de buisleiding worden gerealiseerd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter. Subparagraaf 5.3.12.2.4 Het oprichten en in werking hebben van een energieopslagsysteem Artikel 5.99 (aanwijzing activiteit) Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor het oprichten en in werking hebben van energieopslagsystemen bestaande uit lithiumhoudende oplaadbare energiedragers die (in groepen) elektrisch met elkaar zijn verbonden met een totaal opgestelde capaciteit van meer dan 20 kWh. Artikel 5.100 (oogmerken) De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het benutten van de fysieke leefomgeving; b. het bevorderen van de energietransitie; c. het waarborgen van de veiligheid; en d. een goede omgevingskwaliteit. Artikel 5.101 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit aangewezen in artikel 5.99 te verrichten. Artikel 5.102 (beoordelingsregels)
- De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.101 wordt alleen verleend als: a. vloeren van bouwwerken waar accu's in geplaatst zijn, zo veel mogelijk vrij zijn van oneffenheden en gevaarlijke hellingen en voorts zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef zijn uitgevoerd; b. de ruimte zodanig is uitgevoerd dat zelfstandige stabiliteit blijvend gewaarborgd is en bestand is tegen de in de praktijk te verwachten mechanische belastingen; c. de brandwerendheid, bepaald volgens NEN 6069, tussen het energieopslagsysteem en de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk, niet zijnde een energieopslagsysteem, dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten ten minste 60 minuten bedraagt; d. de brandwerendheid is tenminste gebaseerd op de aanwezige brandlast en bijbehorende temperaturen; e. de brandwerendheid van binnendeuren ten minste gelijk is aan de wand van de ruimte waarin ze geplaatst zijn; f. de buitendeuren en -kozijnen zijn uitgevoerd in de staal en/of aluminium; g. de ventilatieroosters:
- zijn uitgevoerd in aluminium of staal, gepoedercoat conform NEN-EN 15773 inclusief alle daarin vernoemde normen;
- muisdicht zijn;
- doorsteekveilig zijn;
- voldoen aan NEN 10529 – IP 43d; en
- regeninslagvrij is; h. het dak:
- vloeistofdicht is;
- vlamdovend is; en
- boven het gedeelte waar de accupakketten zich bevinden dient voorzien is van een drukontlastvoorziening die bij een eventuele explosie de integriteit van de constructie garandeert; i. Het bouwwerk altijd met een vrachtauto middels een verharde weg vrij bereikbaar is en voldoende ruimte biedt voor het uitwisselen van accu’s. De toegangsweg is uitgevoerd in elementenverharding, betonstraatsteen dan wel straatklinker. De breedte van de weg minimaal 3,5 meter te bedraagt; j. de koeling in de schakel- en accuruimte van voldoende warmteafvoer is voorzien waardoor de veiligheid van de installatie als geheel niet in het geding komt.
- In afwijking van het eerste lid, onder c kan de omgevingsvergunning ook worden verleend als a. de brandwerendheid, bepaald volgens NEN 6069, tussen het energieopslagsysteem en de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk, niet zijnde een energieopslagsysteem, dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten ten minste 30 minuten bedraagt, voor zover de afstand van het energieopslagsysteem tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 m en minder dan 10 m bedraagt; of b. de afstand van het energieopslagsysteem tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 m bedraagt. Subparagraaf 5.3.12.2.5 Warmwateropslag Artikel 5.103 (aanwijzing activiteit: warmwateropslag) Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor de opslag van warm water. Artikel 5.104 (functie op locatie) De in artikel 5.92 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'warmwatervoorziening'. Subparagraaf 5.3.12.2.6 Openbaar vervoerstation Artikel 5.105 (aanwijzen activiteiten: openbaar vervoerstation) Als activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor openbaar vervoerstations. Artikel 5.106 (functie op locatie) De in artikel 5.105 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied 'openbaarvervoerstation'. Paragraaf 5.3.12.3 Activiteiten met betrekking tot het in stand houden van de openbare ruimte Subparagraaf 5.3.12.3.1 Aanwijzing activiteit Artikel 5.107 Aanwijzing activiteit: Openbare ruimte Onder het gebruik van het openbaar gebied wordt verstaan het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van functioneel ondersteunende voorzieningen, zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, afval(water)inzamelsystemen,geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen en kunstwerken. Subparagraaf 5.3.12.3.2 Functie op locatie Artikel 5.108 Functie op locatie: openbare ruimte Binnen het werkingsgebied openbare ruimte zijn de activiteiten zoals bedoeld in artikel 5.107 toegestaan. Afdeling 5.3.13 Gebruik van bouwwerken Artikel 5.109 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 5.110 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Titel 5.4 Bouw- en sloopactiviteiten Afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten Paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten Artikel 5.111 (aanwijzing activiteiten) Deze afdeling gaat over het bouwen, veranderen en in stand houden van bouwwerken. Artikel 5.112 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu; b. het behoud van cultureel erfgoed; c. het gebruik van bouwwerken; en d. een goede omgevingskwaliteit. Artikel 5.113 (repressief welstand) Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 5.114 (uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil) Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 5.115 (specificatie aanvraagvereisten bodem) Als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, behoren tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in deze afdeling , in elk geval: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.117, redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.117, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.117, redelijkerwijs is uit te sluiten. Artikel 5.116 (specifieke beoordelingsregel bodem)
- Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden.
- In afwijking van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook verleend bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
- Een sanerende of andere beschermende maatregel als bedoeld in het tweede lid is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.117 (toelaatbare kwaliteit bodem)
- De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 5.116, eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden bedoeld in het eerste lid.
- Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 5.118 (vergunningvoorschrift bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie) Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 5.116, tweede lid, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in datzelfde lid, zijn getroffen. Artikel 5.119 (meldingsplicht bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie)
- Dit artikel is van toepassing op een bodemgevoelig gebouw, als het bouwen daarvan is uitgezonderd van de vergunningplicht bedoeld in deze afdeling.
- Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.117, eerste lid: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Paragraaf 5.4.1.2 Hoofdgebouwen A - Bestaande hoofdgebouwen Artikel 5.120 (toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'bestaande hoofdgebouwen wheermolen'. Artikel 5.121 (toegelaten activiteiten) Het is toegestaan een hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'bestaande hoofdgebouwen wheermolen' in stand te houden dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van het omgevingsplan feitelijk aanwezig was, voor zover dat hoofdgebouw direct voor de inwerkingtreding van deze paragraaf in overeenstemming was met de op dat moment geldende regels van het omgevingsplan of een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van dat hoofdgebouw. Artikel 5.122 (aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen en in stand te laten anders dan de bebouwing genoemd in artikel 5.
- Artikel 5.123 (beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.122 wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk past in de aanwezige karakteristiek van de stedenbouwkundige context; b. het bouwwerk qua bouwhoogte en opbouw in de structuur van de bebouwing op de belendende percelen past; c. het bouwwerk de aanwezige straatwand respecteert; d. de dakhelling en het dakvlak in goede verhouding tot de gevels staan; e. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden aangetast; f. bij vervangende nieuwbouw de oppervlakte maximaal 10% groter is dan het te vervangen hoofdgebouw; g. voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.1 Parkeernormen A; en h. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Artikel 5.124 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning hoofdgebouw)
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; h. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en i. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
- Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Paragraaf 5.4.1.3 Hoofdgebouwen B - Appartementencomplexen Artikel 5.125 (toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'appartementencomplex'. Artikel 5.126 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen, het te bouwen hoofdgebouw in stand te houden en te gebruiken. Artikel 5.127 (beoordelingsregels algemeen) Binnen het werkingsgebied 'appartementencomplex' wordt de omgevingsvergunning zoals bedoeld in alleen verleend als: a. het hoofdgebouw volledig wordt gebouwd binnen het bouwvlak appartementencomplexen; b. het hoofdgebouw niet hoger is dan de maximale bouwhoogte appartementencomplexen; c. het bouwvlak appartementencomplexen niet voor meer dan het maximale bebouwingspercentage appartementencomplexen is bebouwd; d. het hoofdgebouw heeft een vloerpeil dat minstens 20 centimeter hoger dan het laagste punt van het straatpeil is; e. voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.2 Parkeernormen B; en f. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Artikel 5.128 (specifieke beoordelingsregel hoogteaccent) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.126 wordt alleen verleend als het hoofdgebouw, voor zover gelegen binnen het werkingsgebied 'Hoogteaccent', is voorzien van een hoogteaccent dat niet hoger is dan het hoogteaccent appartementencomplexen. Artikel 5.129 (specifieke beoordelingsregel fietsenstalling)
- De vergunning zoals bedoeld in artikel 5.126 wordt alleen verleend als in het hoofdgebouw voldoende fietsparkeerplekken in individuele bergingen of gezamenlijke fietsenstallingen zijn gerealiseerd.
- Er worden voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd indien er is voldaan aan paragraaf 5.2.4.3 Fietsparkeren. Artikel 5.130 (specifieke beoordelingsregel hoofdentree) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.126 wordt alleen verleend als het hoofdgebouw is voorzien van een hoofdentree die is gekeerd naar het openbaar toegankelijke gebied. Artikel 5.131 (specifieke beoordelingsregel transparante gevel) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.126 wordt alleen verleend als het hoofdgebouw, voor zover gelegen binnen het werkingsgebied 'transparante gevel', op de eerste bouwlaag is voorzien van een transparante gevel. Artikel 5.132 (specifieke beoordelingsregel opbarsten door opwaartse druk) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.126 wordt alleen verleend als is aangetoond dat de deklaag boven het watervoerend pakket ter plaatse, voldoende bestand is tegen opbarsten door opwaartse druk. Artikel 5.133 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning hoofdgebouw)
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; h. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en i. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
- Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Paragraaf 5.4.1.4 Hoofdgebouwen C - Grondgebonden woningen Artikel 5.134 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'grondgebonden woningen' Artikel 5.135 (aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen, het te bouwen hoofdgebouw in stand te houden en te gebruiken. Artikel 5.136 (beoordelingsregels hoofdgebouw) Binnen het werkingsgebied 'grondgebonden woningen' wordt de omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.135 alleen verleend als: a. het hoofdgebouw wordt volledig gebouwd binnen het werkingsgebied 'bouwvlak grondgebonden woningen'; b. de goothoogte van het hoofdgebouw niet hoger is dan de maximale goothoogte grondgebonden woningen; c. de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet hoger is dan de maximale bouwhoogte grondgebonden woningen; d. het werkingsgebied 'bouwvlak grondgebonden woningen' niet meer dan het maximale bebouwingspercentage grondgebonden woningen is bebouwd; e. het hoofdgebouw heeft een vloerpeil dat minstens 20 centimeter hoger dan het laagste punt van het straatpeil is; f. voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.2 Parkeernormen B; en g. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Artikel 5.137 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning hoofdgebouw)
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; h. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en i. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
- Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Paragraaf 5.4.1.5 Hoofdgebouwen D - Ontwikkelgebied Artikel 5.138 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'ontwikkelgebied woningbouw'. Artikel 5.139 (aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw) Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied 'ontwikkelgebied woningbouw' een hoofdgebouw te bouwen, het te bouwen hoofdgebouw in stand te houden en te gebruiken. Artikel 5.140 (algemene beoordelingsregels hoofdgebouw) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 alleen verleend als: a. het hoofdgebouw wordt gebouwd binnen het bouwvlak ontwikkelgebied; b. het hoofdgebouw niet hoger is dan het maximale aantal bouwlagen; c. de lengte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan maximale lengte; d. de breedte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan de lengte van het hoofdgebouw; e. het hoofdgebouw een vloerpeil heeft dat minstens 20 centimeter hoger dan het laagste punt van het straatpeil is; f. voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.1 Parkeernormen A; g. voldaan wordt aan afdeling 5.2.5 Woningbouwcategorieën; h. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Artikel 5.141 (specifieke beoordelingsregel hoogteaccent) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 kan in afwijking van artikel 5.140, aanhef en onder b ook worden verleend als niet meer dan bebouwde oppervlakte (%) van het hoofdgebouw niet hoger is dan het hoogteaccent. Artikel 5.142 (specifieke beoordelingsregel oriëntatie hoofdgebouw) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als: a. de hoofdentree van het hoofdgebouw naar straatzijde georiënteerd is; en b. overige zijden van het hoofdgebouw grenzen aan openbaar toegankelijk groen of een binnentuin behorende bij het hoofdgebouw. Artikel 5.143 (specifieke beoordelingsregel buitenruimte en privacy)
- De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als iedere woning in het hoofdgebouw is voorzien van een buitenruimte.
- Door de realisatie van een buitenruimte mag de privacy van omwonenden buiten het ontwikkelgebied woningbouw niet onevenredig wordt aangetast.
- De privacy van omwonenden buiten het ontwikkelgebied woningbouw wordt niet onevenredig aangetast indien er is voldaan aan Artikel 50 Burgerlijk Wetboek Boek
- Artikel 5.144 (specifieke beoordelingsregel fietsenberging)
- De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als in het hoofdgebouw voldoende fietsparkeerplekken in individuele bergingen of gezamenlijke fietsenstallingen zijn gerealiseerd.
- Er worden voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd indien er is voldaan aan paragraaf 5.2.4.
- Artikel 5.145 (specifieke beoordelingsregel bezonning)
- De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als er sprake is van een aanvaardbare hoeveelheid zonuren op de gevels van bestaande woningen.
- Er is sprake van een aanvaardbare hoeveelheid zonuren als ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van een bestaande woning behouden blijven.
- Er is geen sprake van een aanvaardbare hoeveelheid zonuren als de bouw van het nieuwe hoofdgebouw leidt tot een afname van meer dan 3 bezonningsuren per dag op de gevel van bestaande woningen. Artikel 5.146 (specifieke beoordelingsregel trilling) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als de trillingsniveaus in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen in het ontwikkelgebied bij een spoorweg voldoen aan de streefwaarden van de SBR richtlijn - deel B. Artikel 5.147 (specifieke beoordelingsregel compensatie verhard oppervlak)
- De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als water dat afvloeit van nieuw toe te voegen verhard oppervlakte wordt geïnfiltreerd in de bodem, voor zover dit niet leidt tot grondwateroverlast bij omliggende percelen.
- Voor zover infiltratie van water in de bodem op grond van het eerste lid niet mogelijk of wenselijk is, moet het nieuw aangebrachte verharde oppervlak worden gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied 15 procent van het nieuw aangebrachte verharde oppervlak als verbreed of nieuw oppervlaktewater te graven.
- Het tweede lid is niet van toepassing als er minder dan 230 m2 nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht.
- Voordat het nieuwe verharde oppervlak wordt aangelegd wordt de vereiste compensatie van nieuw oppervlaktewater gerealiseerd.
- Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139, wordt het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen.
- Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139, wordt rekening gehouden met het advies van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier voor zover dat op grond en met inachtneming van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is gegeven.
- Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing indien er minder dan 25 m2 nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht. Artikel 5.148 (specifieke beoordelingsregel klimaatadaptatie)
- Een aanvraag omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.139 wordt alleen verleend als de realisatie van het bouwplan voorziet in voldoende klimaatadaptieve maatregelen.
- Bij het nemen van klimaatadaptieve maatregelen zoals bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met het basisveiligheidsniveau dat is genoemd in paragraaf 3.1 van het Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw 3.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op indien het hoofdgebouw kleiner is dan 100 m
- Artikel 5.149 (vergunningvoorschriften)
- Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden over artikel 5.140 tot en met artikel 5.
- Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de eisen in artikel 5.147, eerste en tweede lid.
- Bij de toepassing van het tweede lid wordt het advies van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in acht genomen. Artikel 5.150 (bijzondere aanvraagvereisten hoofdgebouw)
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; h. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en i. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
- Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
- Ten behoeve van de toetsing aan de specifieke beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 5.142 tot en met artikel 5.148 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bezonningsstudie; b. een onderzoek naar trillingen van passerende treinen; c. een akoestisch onderzoek; d. een opgave van de toe- of afname in verhard oppervlak; e. een overzicht van maatregelen ten behoeve van de compensatie van een toename in verhard oppervlak; f. een risicoanalyse van de te verwachten klimaatrisico's waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan:
- wateroverlast;
- overstromingen;
- hitte;
- droogte; en
- natuurinclusiviteit en biodiversiteit; en g. een overzicht van te nemen maatregelen om eventuele klimaatrisico's te voorkomen dan wel te verminderen. Paragraaf 5.4.1.6 Bijbehorende bouwwerken Artikel 5.151 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Artikel 5.152 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken: a. als het bouwwerk niet voldoet aan de algemene regels van artikel 5.154; b. als het bouwwerk wordt gebouwd of in stand wordt gehouden of gebruikt bij een hoofdgebouw dat is gebouwd of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning; en c. als de bouwactiviteit plaatsvindt in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 5.153 (mantelzorg) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Artikel 5.154 (algemene regels bijbehorend bouwwerk achtererfgebied)
- Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in het achtererfgebied staat het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding op de grond en op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied.
- Voor zover wordt gebouwd op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding niet hoger dan: a. 5 m; b. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en c. het hoofdgebouw.
- Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding hoger is dan 3 m: a. wordt deze voorzien van een schuin dak; b. is de dakvoet niet hoger dan 3 m; en c. wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) +
- Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
- De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied: bedraagt niet meer dan: a. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50 % van dat bebouwingsgebied; b. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en c. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m
- Voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.
- Het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding ligt aan of bij, of is een uitbreiding van, een hoofdgebouw, anders dan: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
- Als een bijbehorend bouwwerk bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen het vierde lid van overeenkomstige toepassing. Artikel 5.155 (beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.152 wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders een bijdrage levert aan het verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet onevenredig worden aangetast; c. voldaan wordt aan paragraaf 5.2.4.1 Parkeernormen A; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Artikel 5.156 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken)
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en h. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
- Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Paragraaf 5.4.1.7 Bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.7.1 Algemene regels bouwwerken Artikel 5.157 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van bouwwerken. Artikel 5.158 (algemene afbakeningseisen) Het is verboden een bouwactiviteit zoals bedoeld in deze paragraaf te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken als het bouwwerk wordt gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt: a. bij een hoofdgebouw dat is gebouwd of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning; en b. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 5.159 (algemene regels erf- en perceelafscheidingen)
- Een erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
- De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt maximaal 1 m.
- De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn bedraagt maximaal 2 m. Artikel 5.160 (algemene regels sport- en speeltoestellen)
- De bouwhoogte van een sport- of speeltoestel bedraagt maximaal 4 m.
- Het sport- of speeltoestel functioneert alleen met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. Artikel 5.161 (algemene regels zwembaden, vijvers en bubbelbaden of soortgelijke voorzieningen)
- Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver wordt gebouwd op een gebouwerf bij een woning.
- Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver wordt niet voorzien van een overkapping. Artikel 5.162 (algemene regels bouwwerken op of bij water)
- Steigers mogen een breedte van maximaal 50% van de breedte van het perceel hebben tot een maximum van 6 m en mogen maximaal 1 m vanaf de waterkant het water insteken.
- De bouwhoogte van bruggen bedraagt maximaal 6 m. Artikel 5.163 (algemene regels objecten van beeldende kunst) De bouwhoogte van objecten van beeldende kunst bedraagt maximaal 6 m. Artikel 5.164 (algemene regels lichtmasten) De bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m. Artikel 5.165 (algemene regels overige bouwwerken) Overige bouwwerken voldoen aan artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 5.166 (algemene regels veranderen bouwwerk)
- Bij het veranderen van een bouwwerk vindt geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte plaats.
- Bij het veranderen van een bouwwerk vindt geen uitbreiding van het bouwvolume plaats. Artikel 5.167 (maatwerkvoorschriften)
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.159 tot en met artikel 5.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 5.159 tot en met artikel 5.
- Subparagraaf 5.4.1.7.2 Vergunningplicht bouwwerken geen gebouw zijnde Subsubparagraaf 5.4.1.7.2.1 Lichtmasten bij locaties voor het beoefenen van sport in de buitenlucht Artikel 5.168 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning één of meerdere lichtmasten ten behoeve van het gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht te bouwen en in stand te laten. Artikel 5.169 (beoordelingsregels) De vergunning zoals bedoeld in artikel 5.168 wordt alleen verleend als: a. de te bouwen lichtmast niet hoger is dan 20 meter; en b. er geen onevenredige lichthinder ontstaat op gebouwen met een woonfunctie. Artikel 5.170 (bijzondere aanvraagvereisten) Bij de aanvraag voor het bouwen van één of meerdere lichtmasten worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een toelichting op de keuze van de locatie voor het aangevraagde bouwwerk; b. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het bouwwerk; c. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; d. een doorsnede tekening waarop de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil is weergegeven; e. een lichthinderonderzoek; en f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Subsubparagraaf 5.4.1.7.2.2 Antenne-installaties Artikel 5.171 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een antenne-installatie te bouwen en in stand te laten. Artikel 5.172 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.171 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk niet hoger is dan 40 m; b. de bouw noodzakelijk is ter verbetering van de werking van een netwerk voor telecommunicatie; c. er sprake is van een goede inpassing van het bouwwerk in de omgeving; en d. er geen alternatieve locaties beschikbaar zijn die minder gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Artikel 5.173 (bijzondere aanvraagvereisten) Bij de aanvraag voor het bouwen van een antenne-installatie worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een toelichting op de keuze van de locatie voor het aangevraagde bouwwerk; b. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het bouwwerk; c. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; d. een doorsnede tekening waarop de de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil is weergegeven; en e. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.4.1.8 Drijvende bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.8.1 Algemene regels drijvende bouwwerken Artikel 5.174 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten van een drijvend bouwwerk. Artikel 5.175 (bouwregels bijbehorende bouwwerken bij drijvende bouwwerken) Voor bijbehorende bouwwerken bij drijvende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen alleen worden gebouwd in het werkingsgebied tuin bij drijvende bouwwerken; b. de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt per drijvend bouwwerk niet meer dan 8 m2; en c. de maximale bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt 3 m. Artikel 5.176 (bouwregels erfafscheidingen bij drijvende bouwwerken) Voor erfafscheidingen bij drijvende bouwwerken gelden de volgende regels: a. erfafscheidingen worden gebouwd binnen het werkingsgebied tuin bij drijvende bouwwerken; en b. erfafscheidingen zijn niet hoger dan 2 m. Artikel 5.177 (maatwerkvoorschriften)
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.175 en 5.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in artikel 5.175 en 5.
- Subparagraaf 5.4.1.8.2 Vergunningplicht drijvende bouwwerken Artikel 5.178 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een drijvend bouwwerken op te richten en in stand te houden. Artikel 5.179 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.178 wordt alleen verleend als: a. de activiteit wordt verricht binnen het werkingsgebied ligplaats; b. de lengte van het drijvende bouwwerk maximaal 24 m bedraagt; c. de hoogte van het drijvende bouwwerk maximaal 6 m bedraagt, gemeten vanaf het waterpeil; d. de maximale breedte van het drijvende bouwwerk maximaal 6,5 m bedraagt; e. de minimale afstand tussen drijvende bouwwerken onderling minimaal 1 m bedraagt; f. het drijvende bouwwerk maximaal 1 m uit de oever ligt; en g. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de ter plaatse gewenste omgevingskwaliteit, zoals beoordeeld volgens de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Artikel 5.180 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning drijvende bouwwerken)
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten van een drijvend bouwwerk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van de ligplaats en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de oever; f. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het waterpeil en het aantal bouwlagen; en g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
- Ten behoeve van de toetsing aan de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking. Paragraaf 5.4.1.9 Ondergrondse bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.9.1 Parkeervoorziening Artikel 5.181 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van ondergrondse bouwwerken. Artikel 5.182 (aanwijzing vergunningplicht) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergronds bouwwerk te bouwen, het te bouwen ondergrondse bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 5.183 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.182 wordt alleen verleend als: a. het ondergrondse bouwwerk binnen het werkingsgebied 'parkeervoorziening' wordt gebouwd; b. het ondergrondse bouwwerk niet dieper is dan het maximale aantal ondergrondse bouwlagen. Paragraaf 5.4.1.10 Bouwen in een geluidaandachtsgebied Artikel 5.184 (toepassingsbereik)
- Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en veranderen van geluidgevoelige gebouwen en het wijzigen van gebruik naar geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties die al rechtmatig aanwezig waren voor inwerkingtreding of wijziging van dit omgevingsplan. Artikel 5.185 (vergunningplichtige activiteiten) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning geluidgevoelige gebouwen te bouwen of gebouwen te gebruiken zodat een geluidgevoelig gebouw ontstaat als de waarde voor geluid hoger is dan de toepasselijke standaardwaarde. Artikel 5.186 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.185 kan worden verleend als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de waarde standaardwaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de toepasselijke grenswaarde; en d. het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid aanvaardbaar zijn. Artikel 5.187 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwactiviteiten in een geluidaandachtsgebied) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het het bouwen en veranderen van geluidgevoelige gebouwen en het wijzigen van gebruik naar geluidgevoelige gebouwen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een geluidonderzoek waaruit blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan de waarden, bedoeld in paragraaf 5.2.3.1 en 5.2.3.2; en b. een overzicht van de voorzieningen die worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a, worden overschreden. Paragraaf 5.4.1.11 Bouwen in een restrictiegebied waterstaat - waterkering Artikel 5.188 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; b. het in stand houden van waterstaatkundige voorzieningen; c. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.189 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde binnen het werkingsgebied restrictiegebied waterstaat - waterkering. Artikel 5.190 (algemene regels) In het restrictiegebied gelden voor bouwen de volgende regels: a. er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 3 meter, tenzij het erfafscheidingen betreft, die zijn maximaal 2 meter hoog. Artikel 5.191 (vergunningplichtige activiteiten)
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten die niet voldoen aan de regels in artikel 5.190
- Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk die op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig aanwezig is of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van dit artikel. Artikel 5.192 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.191 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in artikel 5.
- Artikel 5.193 (bijzondere aanvraagvereisten) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een advies van de beheerder van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het beperkingengebied is aangewezen; b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; c. een toelichting op de keuze van de locatie voor het aangevraagde bouwwerk; d. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het bouwwerk; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. een doorsnede tekening waarop de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil is weergegeven; en g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.4.1.12 Bouwen in een restrictiegebied buisleiding gas Artikel 5.194 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; b. het in stand houden van voorzieningen ten behoeve van de energievoorziening; c. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.195 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde binnen het werkingsgebied restrictiegebied buisleiding gas. Artikel 5.196 (algemene regels) In het restrictiegebied gelden voor bouwen de volgende regels: a. er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 3 meter, tenzij het erfafscheidingen betreft, die zijn maximaal 2 meter hoog. Artikel 5.197 (vergunningplichtige activiteiten)
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten die niet voldoen aan de regels in artikel 5.196
- Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk die op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig aanwezig is of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van dit artikel. Artikel 5.198 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.197 wordt alleen verleend als: a. het te bouwen bouwwerk geen kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is; b. het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; c. het te bouwen bouwwerk, gelet op de oogmerken van artikel 5.194, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het gastransportnet. Artikel 5.199 (bijzondere aanvraagvereisten) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een advies van de leidingbeheerder; b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; c. een toelichting op de keuze van de locatie voor het aangevraagde bouwwerk; d. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het bouwwerk; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; f. een doorsnede tekening waarop de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil is weergegeven; en g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.4.1.13 Bouwen in een restrictiegebied ecologische verbindingszone Artikel 5.200 (oogmerken) De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het in stand houden van ecologische verbindingszones; b. het beschermen en beheer van de natuur; en c. het waarborgen en beschermen van de biodiversiteit. Artikel 5.201 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, veranderen en in stand houden van een gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde binnen het werkingsgebied 'restrictiegebied ecologische verbindingszone'. Artikel 5.202 (algemene regels bouwactiviteiten)
- Er mogen alleen bouwwerken geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd.
- Bouwwerken geen gebouw zijnde voldoen aan de regels voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in subparagraaf 5.4.1.7.
- Artikel 5.203 (vergunningplichtige activiteiten)
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten te verrichten die niet voldoen aan artikel 5.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk die op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig aanwezig is of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van dit artikel. Artikel 5.204 (beoordelingsregels) De omgevingsvergunning die is bedoeld in artikel 5.203 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in artikel 5.
- Artikel 5.205 (bijzondere aanvraagvereisten) Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit; b. een toelichting op de keuze van de locatie voor het aangevraagde bouwwerk; c. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het bouwwerk; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; e. een doorsnede tekening waarop de bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil is weergegeven; en f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan normen genoemd in titel 5.2 Normen met betrekking tot beheer en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.4.1.14 Eisen aan bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.14.1 Algemene eisen aan bouwwerken Artikel 5.206 (aansluiting op distributienet voor elektriciteit)
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.207 (aansluiting op distributienet voor gas)
- Met het oog op het beschermen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.208 (aansluiting op distributienet voor warmte)
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
- Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2 tiende lid van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte rust, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 5.209 (aansluiting op distributienet voor drinkwater) Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 5.210 (aansluiting van afvoer, huishoudelijk afvalwater en hemelwater)
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
- De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
- Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
- Bij maatwerkvoorschrift kan ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of dat systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van heterf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwe