← Nederland

Omgevingsplan gemeente Midden-Groningen (Midden-Groningen)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Midden-Groningen reguleert het gebruik van gronden en bouwwerken, met een focus op woonfuncties en aan huis verbonden activiteiten in het gebied Noordbroek - Noorderstraat 20. Het stelt specifieke regels vast voor onder andere wonen, vrije beroepen, aan huis verbonden bedrijven en het hobbymatig houden van paarden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696533 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1952/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-01-08 2026-01-08 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696533/nld@2026-02-20 /join/id/proc

Artikel 21

.1 Toepassingsbereik Afdeling 21.1 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Noordbroek - Noorderstraat

  1. Artikel 21.2 Voorrangsbepaling
  2. De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 20-12-2018, met identificatienummer NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01; c. de regels betreffende de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Landschap en cultuurhistorie’ en ‘Waarde – Grootschalig open landschap’ en de algemene en overgangsregels in het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, van de voormalige gemeente Menterwolde, vastgesteld op 30-11-2017, met identificatienummer NL.IMRO.1987.BPDorpen2017-
  3. De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, van de voormalige gemeente Menterwolde, vastgesteld op 30-11-2017, met identificatienummer NL.IMRO.1987.BPDorpen2017-0401; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va
  4. Paragraaf 21.1.2 Gebruiksactiviteiten Artikel 21.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Noordbroek - Noorderstraat
  5. Artikel 21.4 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Artikel 21.5 Functie Wonen Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Noordbroek - Noorderstraat 20 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep of een overig aan huis verbonden bedrijf, en daaraan ondergeschikt:
  6. groenvoorzieningen en (berging van) water;
  7. parkeervoorzieningen;
  8. wegen met een functie voor intern verkeer;
  9. fiets- en voetpaden;
  10. openbare nutsvoorzieningen;
  11. het hobbymatig houden van paarden uitsluitend in het gebied H21 - Hobbymatig paarden houden - Noordbroek - Noorderstraat
  12. Artikel 21.6 Algemene regels over wonen
  13. In één woning woont slechts één huishouden.
  14. Voor de toepassing van het eerste lid geldt als één huishouden ook een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
  15. Het is verboden een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning te gebruiken voor bewoning, anders dan in de vorm van mantelzorg.
  16. Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk voor horeca en detailhandel; b. het gebruik van gronden en opstallen voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf; c. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, tenzij de opslag noodzakelijk is voor de uitvoering van toegelaten bouwactiviteiten en aanlegactiviteiten; d. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; e. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; f. aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken vaar-, vlieg- of voertuigen te stallen of op te slaan; g. kampeermiddelen te stallen; h. vrijstaande gebouwen, niet zijnde het hoofdgebouw, te gebruiken als woning; i. kamers te verhuren. Artikel 21.7 Algemene regels over vrij beroep
  17. Vrije beroepen zijn in ieder geval: a. advocaat; b. accountant-administratieconsulent; c. acupuncturist; d. alternatieve genezer; e. bouwkundig architect; f. belastingconsulent; g. dierenarts (kleine huisdieren); h. fysiotherapeut; i. gerechtsdeurwaarder; j. grafisch ontwerper / webdesigner; k. huidtherapeut; l. huisarts; m. interieurarchitect; n. juridisch adviseur; o. kunstschilder / kunstenaar; p. logopedist; q. makelaar; r. medisch specialist; s. notaris; t. oefentherapeut Cesar / Mensendieck; u. organisatieadviseur; v. orthopedagoog; w. psycholoog; x. raadgevend adviseur; y. redacteur; z. registeraccountant; aa. stedenbouwkundige; ab. tandarts; ac. tandartsspecialist; ad. tolk-vertaler (al dan niet beëdigd) ae. tuin- en landschapsarchitect; af. verloskundige.
  18. Een vrij beroep wordt uitgeoefend door niet minder dan één van de bewoners van de woning.
  19. Er mag niet meer dan één arbeidskracht, niet zijnde de bewoner, werkzaam zijn.
  20. Bij het uitoefenen van een vrij beroep blijft de woonfunctie in overwegende mate behouden.
  21. Een vrij beroep mag worden uitgeoefend op niet meer dan 40% van het grondgebonden oppervlak van de woning.
  22. Een vrij beroep mag niet worden uitgeoefend op meer dan 70 m².
  23. Bij het uitoefenen van een vrij beroep mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden.
  24. Er is geen sprake van buitenopslag.
  25. Parkeren ten behoeve van het vrije beroep gebeurt op eigen terrein.
  26. Het vrije beroep wordt alleen inpandig uitgeoefend.
  27. De specifieke zorgplicht houdt voor het uitoefenen van een vrij beroep in ieder geval in dat degene die het vrije beroep uitoefent en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de activiteit verkeersoverlast veroorzaakt verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 21.8 Algemene regels over overig aan huis verbonden bedrijf
  28. Onder een overig aan huis verbonden bedrijf wordt in ieder geval begrepen: a. autorijschool (geen theorie); b. bloemschikker; c. computerservice; d. decorateur; e. fietsenreparateur; f. fotograaf; g. goud- en zilversmid; h. glazenwasser; i. hoedenmaker; j. hondentrimmer; k. instrumentenmaker; l. kaarsenmaker; m. kapper; n. klompenmaker; o. klussenbedrijf (zonder be- en verwerkende activiteiten op het perceel); p. koeriersdienst (van ten hoogste één auto); q. lijstenmaker; r. loodgieter; s. meubelmaker; t. muziekinstrumentenmaker; u. nagelstudio; v. pedicure; w. manicure; x. pottenbakker; y. prothesemaker; z. reisorganisatie zonder reisbureau met etalagefunctie; aa. reparatie van kleine consumentenartikelen; ab. schoonheidsspecialist; ac. schilder; ad. traiteur; ae. taxibedrijf (van ten hoogste één auto); af. tussenpersoon/commissionair; ag. zadelmaker; ah. hobbymatige activiteiten die qua aard en omvang vergelijkbaar zijn met bovenstaande aan huis verbonden bedrijven; ai. hobbymatige exposities en musea; en aj. bedrijfsmatige activiteiten welke naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de hierboven genoemde bedrijfsmatige activiteiten.
  29. Een overig aan huis verbonden bedrijf wordt uitgeoefend door niet minder dan één van de bewoners van de woning.
  30. Er mag niet meer dan één arbeidskracht, niet zijnde de bewoner, werkzaam zijn.
  31. Bij het uitoefenen van een overig aan huis verbonden bedrijf blijft de woonfunctie in overwegende mate behouden.
  32. Een overig aan huis verbonden bedrijf mag worden uitgeoefend op niet meer dan 40% van het grondgebonden oppervlak van de woning.
  33. Een overig aan huis verbonden bedrijf mag niet worden uitgeoefend op meer dan 70 m².
  34. Er mag geen detailhandel plaatsvinden anders dan beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van en direct in verband staande met het overig aan huis verbonden bedrijf en een iinternetwinkel.
  35. Het overige aan huis verbonden bedrijf mag geen meldingsplichtige of vergunningsplichtige activiteit in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving of hoofdstuk 22 zijn.
  36. Bij het uitoefenen van eenoverig aan huis verbonden bedrijf mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden.
  37. Parkeren ten behoeve van het overige aan huis verbonden bedrijf gebeurt op eigen terrein.
  38. Er is geen sprake van buitenopslag.
  39. Een werkplaats is niet toegestaan. Artikel 21.9 Algemene regels over het hobbymatig houden van paarden
  40. Het hobbymatig houden van paarden is alleen toegestaan in combinatie met een (bedrijfs)woning.
  41. De oppervlakte van het (woon)perceel is minimaal 1.500 m².
  42. Er mogen maximaal 5 paarden worden gehouden.
  43. De woonuitstraling van het woonperceel blijft behouden.
  44. Alle bijbehorende voorzieningen worden achter de voorgevel van de woning gerealiseerd, waarbij wordt gestreefd naar clustering.
  45. De activiteiten en de daarbij behorende voorzieningen bevinden zich op een afstand van minimaal 30 m van de uiterste situering van een hindergevoelig gebouw van derden en niet achter het woonperceel van derden.
  46. Alleen tussen 7.00 uur en 22.00 uur wordt gebruik gemaakt van verlichting.
  47. Lichtmasten schijnen niet in de richting van woningen van derden. Artikel 21.10 Voorwaardelijke verplichting Het gebruik voor het hobbymatig houden van paarden overeenkomstig artikel 21.9 en het bouwen voor het hobbymatig houden van paarden overeenkomstig artikel 21.18 mag niet plaatsvinden zonder dat de landschappelijke inpassing, door het planten van de bomen en de beplanting zoals aangegeven in bijlage V, is gerealiseerd binnen een termijn van een jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden, en in stand wordt gehouden. Artikel 21.11 Algemene regels over archeologisch waardevol gebied Het gebruik van gronden in het gebied H21 - Archeologisch waardevol gebied - Noordbroek - Noorderstraat 20 waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien: a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht wordt genomen:
  48. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  49. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;
  50. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Paragraaf 21.1.3 Bouwactiviteiten Artikel 21.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten. Artikel 21.13 Meetbepalingen
  51. Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; b. bouwhoogte: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; c. dakhelling van een bouwwerk: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; d. goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; e. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  52. Ondergeschikte bouwdelen zijn, mits de overschrijding niet meer dan 1 m ten opzichte van de bouwgrens bedraagt: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m2 of kleiner; b. overstekende daken; c. luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw. Artikel 21.14 Maatwerkvoorschriften
  53. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over: a. de plaats van gebouwen in die zin dat de gebouwen in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere horizontale oppervlakte dan 6 m² en/of een grotere hoogte dan 1,5 m, voor zover wordt gebouwd buiten het bouwvlak; c. de situering, de oppervlakte en de verschijningsvorm van een paardenbak en de verlichting van de paardenbak.
  54. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het bebouwingsbeeld; c. de verkeersveiligheid.
  55. Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder c wordt gesteld met het oog op een goede landschappelijke inpassing zoals omschreven in de Beleidsnotitie Paardenhouderijen. Artikel 21.15 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. het aantal woningen is niet meer dan het bestaande aantal woningen per bouwperceel; b. een hoofdgebouw wordt gebouwd binnen het H21 - bouwvlak - Noorderstraat 20 in een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 15 m en een breedte van ten hoogste 20 m, dan wel ten hoogste de diepte van de strook waarbinnen een bestaand hoofdgebouw is gebouwd indien deze meer bedraagt; c. een hoofdgebouw wordt geplaatst in de naar de weg gekeerde bouwgrens, dan wel op ten hoogste de bestaande afstand van die bouwgrens; d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens is niet minder dan 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is. Het voorgaande geldt niet voor de aangebouwde zijden van aaneen gebouwde woningen; e. de goot- en bouwhoogte zijn ten hoogste respectievelijk 3,5 m en 9 m, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer zijn; f. de dakhelling is minimaal 40o, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder is; g. ten hoogste 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd, met een maximum van 200 m² per hoofdgebouw, dan wel ten hoogste de oppervlakte van het bestaande hoofdgebouw indien deze meer bedraagt; h. aanbouwen en uitbouwen dienen aan het hiervoor gestelde te voldoen, dan wel aan het gestelde in artikel 21.
  56. Artikel 21.16 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorend bouwwerk Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken moeten binnen het H21 - bouwvlak - Noorderstraat 20 worden gebouwd, dan wel in een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 30 m; b. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan is ten minste 3 m, dan wel niet minder dan de bestaande afstand indien deze minder bedraagt; c. de goot- en bouwhoogte zijn ten hoogste respectievelijk 3 m en 6 m, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer bedragen; d. in afwijking van het gestelde onder c geldt dat de bouwhoogte in een strook van 3 m vanuit de de bouwperceelgrens niet meer bedraagt dan 3 m, met daarbij opgeteld de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot deze grens; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is niet meer dan:
  57. 60 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel minder bedraagt dan 1.000m²;
  58. 80 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel meer bedraagt dan 1.000 m²; f. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is in ieder geval niet meer dan 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw en niet meer dan 50% van het bouwperceel, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is, wordt bebouwd. Artikel 21.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk geen gebouw zijnde Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. de bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding is voor de voorgevelrooilijn niet hoger dan 1 m, en daarachter niet hoger dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan openbaar toegankelijk gebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelsgrens ten hoogste 1 m is; b. de bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde is niet hoger dan 3 m. Artikel 21.18 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken ten behoeve van hobbymatig paarden houden Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. het bouwen van bouwwerken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is uitsluitend toegestaan in het gebied H21 - Hobbymatig paarden houden - Noordbroek - Noorderstraat 20; b. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is maximaal 100 m²; c. maximaal 75 m² van de oppervlakte van gebouwen mag worden gebruikt voor het stallen van paarden; d. de in sub b en c bedoelde oppervlakte wordt niet betrokken bij de in artikel 21.16 sub e en f bedoelde gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een woning; e. de goot- en bouwhoogte van gebouwwen ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is respectievelijk 3 m en 6 m, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer bedragen; f. de oppervlakte van een paardenbox is minimaal 10 m²; g. voor het bouwen van een paardenbak gelden de volgende regels:
  59. er mag alleen een paardenbak worden gebouwd op een woonperceel met oppervlakte van minimaal 1.500 m²;
  60. er mag maximaal één paardenbak worden gebouwd;
  61. de oppervlakte van een paardenbak is maximaal: I. 800 m² op percelen groter dan 1.500 m²; II. 1.200 m² op percelen groter dan 2.000 m²; h. voor het bouwen van lichtmasten bij een paardenbak gelden de volgende regels:
  62. het aantal lichtmasten is maximaal: I. 4 bij een paardenbak van maximaal 800 m²; II. 6 bij een paardenbak van maximaal 1.200 m²;
  63. de bouwhoogte is maximaal 6 m;
  64. een lichtmast wordt gericht op de paardenbak; i. de bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden, zoals de omheining van een paardenbak, is maximaal 2 m. Artikel 21.19 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.15 tot en met 21.17 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen, landschap, natuur en milieu: a. een hoofdgebouw wordt geplaatst achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, mits binnen het H21 - bouwvlak - Noorderstraat 20 wordt gebouwd; b. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens is niet minder dan 2 m; c. een bijbehorend bouwwerk mag tot de bouwgrens worden gebouwd, dan wel tot 3 m voor de bouwgrens; d. de bouwhoogte is maximaal 6 m; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken is:
  65. maximaal 80 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel minder dan 1.000 m² bedraagt;
  66. maximaal 100 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel meer dan 1.000 m² bedraagt; f. de bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde is niet hoger dan 5 m, met dien verstande dat de bouw van reclamemasten niet is toegestaan. Artikel 21.20 Aanvullende beoordelingsregel archeologisch waardevol gebied
  67. De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² waarbij de bodem dieper dan 40 cm onder het maaiveld wordt geroerd, wordt in het gebied H21 - Archeologisch waardevol gebied - Noordbroek - Noorderstraat 20 alleen verleend als uit een door de aanvrager overlegd rapport blijkt dat: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
  68. De aanvullende beoordelingsregel in het eerste lid is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende bouwactiviteiten of bouwwerken: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 200 m²; c. een bouwwerk dat kan worden geplaatst zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm uit te voeren.
  69. Aan de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 22.26 die is verleend met toepassing van het eerste lid kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de bouwactiviteiten die leiden tot bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties. Paragraaf 21.1.4 Aanlegactiviteiten Artikel 21.21 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op aanlegactiviteiten. Artikel 21.22 Aanvraagvereisten aanlegactiviteiten De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze paragraaf. Artikel 21.23 Vergunningplicht aanlegactiviteiten
  70. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten in het gebied H21 - Archeologisch waardevol gebied - Noordbroek - Noorderstraat 20: a. het ontgronden, afgraven, afplaggen, egaliseren en ophogen van gronden; b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 40 cm; c. het dempen, graven, verdiepen of verbreden van watergangen en waterpartijen; d. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden; e. het planten van bomen, of het rooien van bomen waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en/of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
  71. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op aanlegactiviteiten die: a. het normale onderhoud betreffen; b. de aanleg van drainage betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20; d. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; e. niet dieper gaan dan 40 cm beneden het maaiveld of een kleinere oppervlakte dan 200 m² beslaan; f. als al uit een door het bevoegd gezag getoetst en goedgekeurd rapport blijkt dat geen waarden worden verstoord.
  72. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als uit een door de aanvrager overlegd rapport blijkt dat: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
  73. Ten behoeve van de beoordeling van de omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
  74. Aan de omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid die is verleend met toepassing van het derde lid kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de aanlegactiviteiten die leiden tot bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. Paragraaf 21.1.5 Overgangsrecht Noordbroek - Noorderstraat 20 Artikel 21.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Noordbroek - Noorderstraat
  75. Artikel 21.25 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten
  76. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20 en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  77. Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  78. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20 voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.
  79. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g Omgevingswet, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Artikel 21.26 Overgangsrecht bouwactiviteiten
  80. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20 aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  81. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  82. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g Omgevingswet, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a Paragraaf 21.2.

Artikel 21

.27 Toepassingsbereik Afdeling 21.2 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Kolham - Hoofdweg 42-42a. Artikel 21.28 Voorrangsbepaling

  1. De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 21-06-2018, met identificatienummer NL.IMRO.1952.bpmigfpkleinwind-va01; c. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; d. de regels betreffende de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ en de algemene en overgangsregels in het Bestemmingsplan Kolham-Froombosch, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 04-07-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00026-41vg.
  2. De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het Bestemmingsplan Kolham-Froombosch, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 04-07-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00026-41vg. Artikel 21.29 Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.
  3. Paragraaf 21.2.2 Gebruiksactiviteiten Artikel 21.30 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Kolham - Hoofdweg 42-42a. Artikel 21.31 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Artikel 21.32 Functie Wonen Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Kolham - Hoofdweg 42-42a is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt:
  4. groenvoorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. water;
  7. parkeervoorzieningen;
  8. met de daarbij behorende verhardingen, tuinen, erven en additionele voorzieningen. Artikel 21.33 Algemene regels over wonen
  9. Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, dan wel de mogelijkheid hiertoe door het aanwezig hebben van de benodigde essentiële woonvoorzieningen; b. het uitoefenen van een horecabedrijf, met uitzondering van het exploiteren van een theetuin; c. het gebruik van gronden als kampeerstandplaats; d. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de functie; e. het gebruik van de gronden voor gemotoriseerde sporten; f. het hebben van reclame-uitingen die geen betrekking hebben op de op het perceel plaatsvindende niet wederrechtelijke activiteiten.
  10. Het volgende gebruik is bij wonen toegestaan: a. het gebruik van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen voor het uitoefenen van een bed & breakfast, mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Beleidsregels recreatieve verblijfsaccommodaties uit de Beleidsnotitie recreatieve verblijfsaccommodaties van de gemeente Midden-Groningen; b. het gebruik van de gronden en gebouwen voor het uitoefenen van administratieve werkzaamheden met betrekking tot internetwinkels en telefonische verkoop van goederen, mits:
  11. klanten niet op het perceel komen om goederen te kopen;
  12. geen buitenopslag van goederen, die verband houden met de internetwinkel, plaatsvindt;
  13. verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn met die voor een woonfunctie; c. het gebruik van de bijbehorende gronden voor de stalling van ten hoogste 1 toercaravan en/of boot. Artikel 21.34 Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf
  14. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.
  15. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven
  16. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein. Paragraaf 21.2.3 Bouwactiviteiten Artikel 21.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten. Artikel 21.36 Meetbepalingen Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de afstand tot de perceelsgrens: wordt gemeten over de afstand vanaf enig punt van het gebouw tot de perceelsgrens waar die het kortst is; b. de afstand tussen gebouwen: wordt gemeten de afstand vanaf enig punt van een gebouw tot enig punt van een ander gebouw waar die het kortst is; c. de breedte van een gebouw: wordt gemeten tussen de buitenkanten van twee tegenover elkaar gelegen zijgevels van hetzelfde gebouw, op dat punt waar de zijgevels het verst van elkaar staan; d. de (bouw)hoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e. de dakhelling: wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; f. de horizontale diepte van een gebouw: wordt gemeten over de kortste afstand van en tot de buitenkant van de naar de weg gekeerde gevel tot aan de buitenkant van de tegenoverliggende gevel die het verst van de weg is gelegen; g. de goothoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, druiplijn, boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; h. de inhoud van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; i. de oppervlakte van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 meter buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd tellen mee in de oppervlakteregeling voor bebouwing; j. overbouwde oppervlakte: wordt gemeten door de som te nemen van de neergeslagen oppervlakten van de gedeelten van een bouwwerk, dat zich geheel boven het niveau van het maaiveld bevindt en daar niet mee gelijk ligt. Dakoverstekken, luifels, balkons e.d. die niet meer oversteken dan 0,5 meter worden niet meegeteld; k. het bebouwingspercentage: het in de planregels aangegeven percentage gemeten over dat deel van het bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd; l. het peil:
  17. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang tot het perceel direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  18. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang tot het perceel niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  19. indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die wordt vastgelegd in een peilbesluit. Artikel 21.37 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken algemeen Voor het bouwen van bouwwerken dient, als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, naast de artikelen 21.38, 21.39, 21.40 en 21.41, tevens te worden voldaan aan de eisen voor gebouwen, erfinrichting, aanzichten, kleur, materiaal en duurzaamheid uit de kavelpaspoorten zoals opgenomen in bijlage VII. Artikel 21.38 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Kolham - Hoofdweg 42-42a worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 1 per bouwvlak; c. hoofdgebouwen worden vrijstaand gebouwd; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens opgericht; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter; f. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw mogen niet minder dan 5 meter bedragen; g. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw inclusief eventuele aangebouwde bijgebouwen, mogen niet meer dan 20 respectievelijk 10 meter bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de bouwaanduidingen Diepte en Breedte de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw inclusief eventueel aangebouwde bijgebouwen niet meer mag bedragen dan is aangegeven; h. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter; i. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 meter; j. de dakhelling bedraagt ten minste 45° en ten hoogste 55°; k. in aanvulling op artikel 21.38 sub h, i en j geldt dat topgevels, lijstgevels, dakkappellen en schoorstenen hiervan zijn uitgezonderd; l. het hoofdgebouw wordt afgedekt met een zadeldak, met dien verstande dat de kaprichting van het hoofdvolume haaks is ten opzichte van de weg en ter plaatse van de bouwaanduiding nokrichting evenwijdig aan rooilijn de kaprichting van het hoofdvolume evenwijdig is aan de weg; m. de toegevoegde elementen zoals dakkapellen, dakopbouwen, erkers en aanbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm (dakkapellen beslaan maximaal 40% van de lengte van het dakvlak); n. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.38, 21.39 en 21.40 ten hoogste 40% mag bedragen; o. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.38 en 21.39 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. Artikel 21.39 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Kolham - Hoofdweg 42-42a en/of binnen een afstand van ten hoogste 25 meter buiten het H21 - Bouwvlak - Kolham - Hoofdweg 42-42a worden gebouwd, mits:
  20. bijgebouwen en overkappingen ten minste 4 meter achter de het voorerf worden gebouwd;
  21. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter het voorerf ten hoogste 30 m² bedraagt;
  22. de afstand van een aangebouwd bijgebouw tot de perceelsgrens die het verst van de weg is gelegen ten minste 7,50 meter bedraagt; b. op het voorerf mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
  23. de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
  24. de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
  25. de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.39, sub g, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.39, sub g;
  26. de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.39, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
  27. de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en
  28. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.38, 21.39 en 21.40 ten hoogste 40% mag bedragen; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.38 en 21.39 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. Artikel 21.40 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.38, 21.39 en 21.40 ten hoogste 40% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen op het voorerf mag niet meer bedragen dan 1 meter en buiten het voorerf niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, op het voorerf mag niet meer bedragen dan 1 meter en buiten het voorerf niet meer dan 5 meter. Artikel 21.41 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.38 tot en met 21.40 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen, landschap: a. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 4,50 meter, met dien verstande dat het bevoegd gezag ten aanzien van de stedebouwkundige en architectonische eigenschappen van de betreffende bebouwing respectievelijk de inpassing in de omgeving vooraf advies aan een stedenbouwkundige commissie vraagt; b. het hoofdgebouw wordt (gedeeltelijk) afgedekt met een lessenaarsdak of een platte afdekking; c. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen op minder dan 10 meter achter het voorerf bedraagt ten hoogste 50 m²; d. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:
  29. het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter het voorerf wordt gebouwd;
  30. de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.39 sub c, d, e en f. Paragraaf 21.2.4 Aanlegactiviteiten Artikel 21.42 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op aanlegactiviteiten. Artikel 21.43 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanlegactiviteiten
  31. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten in het gebied H21 - aanlegactiviteiten - Kolham - Hoofdweg 42-42a: a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het graven in de grond waardoor wortels van bomen worden beschadigd.
  32. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op aanlegactiviteiten die: a. het normale beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a reeds verleende omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit.
  33. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden. Paragraaf 21.2.5 Overgangsrecht Kolham - Hoofdweg 42-42a Artikel 21.44 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Kolham - Hoofdweg 42-42a. Artikel 21.45 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten
  34. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdstraat 42-42a en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  35. Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  36. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdstraat 42-42a voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.
  37. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Artikel 21.46 Overgangsrecht bouwactiviteiten
  38. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  39. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  40. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a , maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 Paragraaf 21.3.

Artikel 21

.47 Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202 Afdeling 21.3 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Slochteren - Hoofdweg 200/

  1. Artikel 21.48 Voorrangsbepaling Slochteren - Hoofdweg 200/202
  2. De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 21-06-2018, met identificatienummer NL.IMRO.1952.bpmigfpkleinwind-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; c. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; d. de regels betreffende de algemene en overgangsregels van het Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 28-06-2012, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00018-61oh.
  3. De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’, enkelbestemmingen en de inleidende regels van het Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 28-06-2012, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00018-61oh. Artikel 21.49 Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren Slochteren - Hoofdweg 200/202 De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.
  4. Paragraaf 21.3.2 Gebruiksactiviteiten Artikel 21.50 Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202 Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Slochteren - Hoofdweg 200/
  5. Artikel 21.51 Algemeen gebruiksverbod Slochteren - Hoofdweg 200/202 Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Artikel 21.52 Functie Wonen Slochteren - Hoofdweg 200/202 Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Slochteren - Hoofdweg 200/202 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt:
  6. groenvoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. water;
  9. parkeervoorzieningen;
  10. met de daarbij behorende verhardingen, tuinen, erven en additionele voorzieningen. Artikel 21.53 Algemene regels over wonen Slochteren - Hoofdweg 200/202
  11. Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, dan wel de mogelijkheid hiertoe door het aanwezig hebben van de benodigde essentiële woonvoorzieningen; b. het uitoefenen van een horecabedrijf, met uitzondering van het exploiteren van een theetuin; c. het gebruik van gronden als kampeerstandplaats; d. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de functie; e. het gebruik van de gronden voor gemotoriseerde sporten; f. het hebben van reclame-uitingen die geen betrekking hebben op de op het perceel plaatsvindende niet wederrechtelijke activiteiten.
  12. Het volgende gebruik is bij wonen toegestaan: a. het gebruik van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen voor het uitoefenen van een bed & breakfast, mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Beleidsregels recreatieve verblijfsaccommodaties uit de Beleidsnotitie recreatieve verblijfsaccommodaties van de gemeente Midden-Groningen; b. het gebruik van de gronden en gebouwen voor het uitoefenen van administratieve werkzaamheden met betrekking tot internetwinkels en telefonische verkoop van goederen, mits:
  13. klanten niet op het perceel komen om goederen te kopen;
  14. geen buitenopslag van goederen, die verband houden met de internetwinkel, plaatsvindt;
  15. verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn met die voor een woonfunctie; c. het gebruik van de bijbehorende gronden voor de stalling van ten hoogste 1 toercaravan en/of boot. Artikel 21.54 Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf Slochteren - Hoofdweg 200/202
  16. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.
  17. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven
  18. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein. Paragraaf 21.3.3 Bouwactiviteiten Artikel 21.55 Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202 Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten. Artikel 21.56 Meetbepalingen Slochteren - Hoofdweg 200/202 Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de afstand tot de perceelsgrens: wordt gemeten over de afstand vanaf enig punt van het gebouw tot de perceelsgrens waar die het kortst is; b. de afstand tussen gebouwen: wordt gemeten de afstand vanaf enig punt van een gebouw tot enig punt van een ander gebouw waar die het kortst is; c. de breedte van een gebouw: wordt gemeten tussen de buitenkanten van twee tegenover elkaar gelegen zijgevels van hetzelfde gebouw, op dat punt waar de zijgevels het verst van elkaar staan; d. de (bouw)hoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e. de dakhelling: wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; f. de horizontale diepte van een gebouw: wordt gemeten over de kortste afstand van en tot de buitenkant van de naar de weg gekeerde gevel tot aan de buitenkant van de tegenoverliggende gevel die het verst van de weg is gelegen; g. de goothoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, druiplijn, boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; h. de inhoud van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; i. de oppervlakte van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 meter buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd tellen mee in de oppervlakteregeling voor bebouwing; j. overbouwde oppervlakte: wordt gemeten door de som te nemen van de neergeslagen oppervlakten van de gedeelten van een bouwwerk, dat zich geheel boven het niveau van het maaiveld bevindt en daar niet mee gelijk ligt. Dakoverstekken, luifels, balkons e.d. die niet meer oversteken dan 0,5 meter worden niet meegeteld; k. het bebouwingspercentage: het in de planregels aangegeven percentage gemeten over dat deel van het bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd; l. het peil:
  19. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg waar deze grenst aan de hoofdtoegang;
  20. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  21. indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die is vastgelegd in een peilbesluit. Artikel 21.57 Gezamenlijk geluid op de gevel (artikel 4.103 Bbl) Slochteren - Hoofdweg 200/202 Het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen zijn de waarden zoals opgenomen in bijlage Akoestisch onderzoek bij Slochteren - Hoofdweg 200/202, tabel 1 voor de daarin benoemde woning(en). Artikel 21.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken algemeen Slochteren - Hoofdweg 200/202 Voor het bouwen van bouwwerken dient, als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, naast de artikelen 21.59, 21.60, 21.61 en 21.62, tevens te worden voldaan aan de eisen voor gebouwen, erfinrichting, aanzichten, kleur, materiaal en duurzaamheid uit de kavelpaspoorten zoals opgenomen in bijlage Kavelpaspoorten Slochteren - Hoofdweg 200/
  22. Artikel 21.59 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen Slochteren - Hoofdweg 200/202 Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Slochteren - Hoofdweg 200/202 worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 1 per bouwvlak, tenzij de bouwaanduiding Maximum aantal wooneenheden is opgenomen, in welk geval het aantal woningen niet meer bedraagt bedraagt dan ter plaatse van de bouwaanduiding is aangegeven; c. hoofdgebouwen worden gebouwd zoals is aangegeven ter plaatse van de bouwaanduiding vrijstaand en twee-aaneen; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de bouwaanduiding gevellijn of het verlengde daarvan gebouwd; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter; f. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw mogen niet minder dan 5 meter bedragen; g. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw inclusief eventuele aangebouwde bijgebouwen, mogen niet meer dan 25 respectievelijk 10 meter bedragen; h. de goothoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum goothoogte is aangegeven; i. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum bouwhoogte is aangegeven; j. de dakhelling bedraagt bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse de bouwaanduiding minimum dakhelling en maximum dakhelling is aangegeven; k. in aanvulling op artikel 21.59 sub h, i en j geldt dat topgevels, lijstgevels, dakkappellen en schoorstenen hiervan zijn uitgezonderd; l. ter plaatse van de bouwaanduiding zadeldak wordt het hoofdgebouw afgedekt met een zadeldak; m. de toegevoegde elementen zoals dakkapellen, dakopbouwen, erkers en aanbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm (dakkapellen beslaan maximaal 40% van de lengte van het dakvlak); n. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.59, 21.60 en 21.61 ten hoogste 50% mag bedragen; o. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.59 en 21.60 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. Artikel 21.60 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken Slochteren - Hoofdweg 200/202 Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Slochteren - Hoofdweg 200/202 en/of binnen een afstand van ten hoogste 25 meter buiten het H21 - Bouwvlak - Slochteren - Hoofdweg 200/202 worden gebouwd, mits:
  23. bijgebouwen en overkappingen ten minste 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
  24. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter de voorgevel ten hoogste 30 m² bedraagt;
  25. de afstand van een aangebouwd bijgebouw tot de perceelsgrens die het verst van de weg is gelegen of in voorkomend geval, het verst van de op het bouwperceel aangeduide gevellijn is gelegen, ten minste 7,50 meter bedraagt;
  26. voorzover gelegen buiten het bouwvlak mogen bijgebouwen en overkappingen op hoeksituaties uitsluitend worden gebouwd: I. op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de kant van de rijbaan zoals die blijkt uit de bij het plan behorende ondergrond; II. ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het om de hoek gelegen hoofdgebouw op het belendende perceel; b. voor de voorgevel mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
  27. de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
  28. de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
  29. de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.60, sub g, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.60, sub g;
  30. de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5,5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.60, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
  31. de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en
  32. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan de volgende oppervlakten, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.59, 21.60 en 21.61 ten hoogste 50% mag bedragen:
  33. voor bouwpercelen met een oppervlakte kleiner dan 250 m2: 50 m2;
  34. voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en kleiner dan 600 m2: 75 m2;
  35. voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 600 m2 en kleiner dan 1000 m2: 100 m2;
  36. voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1000 m2: 150 m2; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.59 en 21.60 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. i. ter plaatse van de bouwaanduiding afwijking bijbehorende bouwwerken geldt in afwijking van:
  37. artikel 21.60 sub a, onder 1: bijgebouwen en overkappingen ten minste 3 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
  38. artikel 21.60 sub e: het dak wordt plat afgedekt, in welk geval de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte, of afgedekt met meerzijdige kap, waarbij ten minste 50% van het dak is afgedekt met hellende dakvlakken van ten minste 30° en ten hoogste 60°. Artikel 21.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde Slochteren - Hoofdweg 200/202 Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.59, 21.60 en 21.61 ten hoogste 50% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 5 meter. Artikel 21.62 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten Slochteren - Hoofdweg 200/202 De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.59 tot en met 21.61 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen, landschap: a. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 4,50 meter, met dien verstande dat het bevoegd gezag ten aanzien van de stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen van de betreffende bebouwing respectievelijk de inpassing in de omgeving vooraf advies aan een stedenbouwkundige commissie vraagt; b. het hoofdgebouw wordt (gedeeltelijk) afgedekt met een lessenaarsdak, een kap met een dakhelling van minder dan 30° of een platte afdekking; c. de breedte van het hoofdgebouw inclusief eventueel aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten hoogste 15 m bedraagt; d. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen op minder dan 10 meter achter de voorgevel bedraagt ten hoogste 50 m²; e. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:
  39. het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter de voorgevel wordt gebouwd;
  40. de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.59 sub c, d, e en f. Paragraaf 21.3.4 Aanlegactiviteiten Artikel 21.63 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op aanlegactiviteiten. Artikel 21.64 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanlegactiviteiten
  41. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten in het gebied H21 – aanlegactiviteiten - Slochteren - Hoofdweg 200/2022: a. het rooien en kappen van bomen.
  42. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op aanlegactiviteiten die: a. het normale beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 reeds verleende omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit.
  43. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden van de groene linten, waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen deze wegbeplanting en de slingertuinen; b. voor het rooien en kappen van bomen in de aangewezen groene linten herplant plaatsvindt. Paragraaf 21.3.5 Overgangsrecht Slochteren - Hoofdweg 200/202 Artikel 21.65 Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202 Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Slochteren - Hoofdweg 200/
  44. Artikel 21.66 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten Slochteren - Hoofdweg 200/202
  45. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  46. Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  47. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.
  48. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Artikel 21.67 Overgangsrecht bouwactiviteiten Slochteren - Hoofdweg 200/202
  49. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  50. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  51. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat Paragraaf 21.4.

Artikel 21

.68 Toepassingsbereik Afdeling 21.4 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Hoogezand - Aalbersestraat

  1. Artikel 21.69 Voorrangsbepaling
  2. De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; c. de regels betreffende de algemene en overgangsregels in het bestemmingsplan Woongebieden, van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer, vastgesteld op 10-06-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0018.BP096Woongebieden-31va.
  3. De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het bestemmingsplan Woongebieden, van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer, vastgesteld op 10-06-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0018.BP096Woongebieden-31va. Artikel 21.70 Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.
  4. Paragraaf 21.4.2 Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 21.4.2.1 Wonen Artikel 21.71 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat
  5. Artikel 21.72 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Artikel 21.73 Functie wonen Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Hoogezand - Aalbersestraat 2 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt: b. groenvoorzieningen en water; c. parkeervoorzieningen; d. wegen; e. openbare nutsvoorzieningen; f. fiets- en voetpaden, speelvoorzieningen, sierbestrating en overige verhardingen; g. tuinen, erven, terreinen. Artikel 21.74 Algemene regels over wonen Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruiken van een vrijstaand bijgebouw ten behoeve van wonen; b. het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf, detailhandel en/of seksinrichting; c. het gebruik van gronden en opstallen voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf; d. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; e. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen; f. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; g. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerverhuur. Artikel 21.75 Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf
  6. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.
  7. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven
  8. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein. Subparagraaf 21.4.2.2 Groen Artikel 21.76 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Groen in het gebied H21 - Groen - Hoogezand - Aalbersestraat
  9. Artikel 21.77 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Artikel 21.78 Functie Groen Ter plaatse van de functie Groen in het gebied Groen Hoogezand - Aalbersestraat 2 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. groen- en speelvoorzieningen; b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; c. openbare nutsvoorzieningen; d. fiets- en voetpaden; e. parkeervoorzieningen. Paragraaf 21.4.3 Bouwactiviteiten Artikel 21.79 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten. Artikel 21.80 Meetbepalingen Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; f. afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; g. het peil:
  10. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg waar deze grenst aan de hoofdtoegang;
  11. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  12. indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die is vastgelegd in een peilbesluit. Artikel 21.81 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Hoogezand - Aalbersestraat 2 worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse van de bouwaanduiding minimum aantal wooneenheden en Maximum aantal wooneenheden is aangegeven; c. hoofdgebouwen worden gebouwd zoals is aangegeven ter plaatse van de bouwaanduiding twee-aaneen en rijwoning; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens opgericht; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter, met uitzondering van aangebouwde zijden van woningen; f. de goothoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum goothoogte is aangegeven; g. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum bouwhoogte is aangegeven; h. de dakhelling bedraagt bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse de bouwaanduiding minimum dakhelling en maximum dakhelling is aangegeven; i. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.81, 21.82 en 21.83 ten hoogste 50% mag bedragen; j. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.81 en 21.82 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. Artikel 21.82 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Hoogezand - Aalbersestraat 2 worden gebouwd, mits:
  13. bijgebouwen en overkappingen ten minste 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
  14. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter de voorgevel ten hoogste 30 m² bedraagt;
  15. een bijbehorend bouwwerk uitsluitend wordt gebouwd binnen H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat 2; b. voor de voorgevel mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
  16. de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
  17. de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
  18. de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.81, sub i, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.81, sub i;
  19. de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.81, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
  20. de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en
  21. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.81, 21.82 en 21.83 ten hoogste 50% mag bedragen; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.81 en 21.82 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. Artikel 21.83 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. binnen H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat 2 mag de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.81, 21.82 en 21.83 ten hoogste 50% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 5 meter. Artikel 21.84 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.81 tot en met 21.83 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de parkeersituatie, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen en landschappelijke waarde: a. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:
  22. het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter de voorgevel wordt gebouwd;
  23. de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.82 sub c, d, e en f;
  24. het hoofdgebouw uitsluitend wordt gebouwd binnen H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat
  25. Paragraaf 21.4.4 Overgangsrecht Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat Artikel 21.85 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Hoogezand - Aalbersestraat
  26. Artikel 21.86 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten
  27. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  28. Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  29. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.
  30. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Artikel 21.87 Overgangsrecht bouwactiviteiten
  31. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  32. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  1. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  2. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  3. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  4. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  5. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  6. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  7. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  8. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  9. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  10. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  11. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  12. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  13. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  14. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  15. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  16. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  17. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  18. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  19. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  20. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  21. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  22. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  23. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  24. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  25. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  26. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  27. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  28. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  29. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  30. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  31. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  32. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  33. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  34. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  35. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  36. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  37. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  38. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  40. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  41. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  42. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  43. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  44. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  45. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  46. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  47. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  48. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  49. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  50. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  51. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  52. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  53. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  54. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  55. op de grond staand;
  56. gelegen in achtererfgebied;
  57. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  58. niet hoger dan 5 m;
  59. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  60. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  61. op de grond staand;
  62. niet hoger dan 5 m; en
  63. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  64. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  65. voorzien van een plat dak;
  66. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  67. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  68. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  69. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  70. niet hoger dan 4 m; en
  71. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  72. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  73. op een erf of perceel waarop al een een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  74. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  75. een silo; of
  76. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  77. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  78. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  79. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  80. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  81. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  82. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  83. Artikel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.