Obsah (6)
Artikel 4Artikel 5Artikel 6Artikel 7Artikel 8Artikel 9act/gemeente/2024/CVDR696221 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0222/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2024-11-13 2024-11-13 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696221/nld@2024-12-27 /join/id/proc
Artikel 4.2 Waarom gelden deze regels?
Deze regels in afdeling 4.2.5 gelden met als doel risico's voor mens en milieu te beperken. Artikel 4.3 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.5 gelden binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten. Paragraaf 4.2.5.2 Verboden Artikel 4.4 Nieuwe risicobronnen Het is verboden om nieuwe activiteiten uit te voeren met een extern veiligheidsrisico als genoemd in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Afdeling 4.2.6 Waterstaat - Waterkering Titel 4.3 Waardegebieden Afdeling 4.3.1 Bijzondere boom Paragraaf 4.3.1.
Artikel 4.5 Waarom gelden deze regels?
De regels in afdeling 4.3.1 gelden met als doel bijzondere bomen te behouden, beschermen en herstellen. Artikel 4.6 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.1 gelden binnen het gebied bijzondere boom. Paragraaf 4.3.1.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.7 Omgevingsvergunning Het is binnen het gebied bijzondere boom niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning te bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.8 Activiteiten met omgevingsvergunning Alleen met een omgevingsvergunning zoals genoemd 4.7 zijn de volgende werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden toegestaan: a. de aanleg van leidingen; b. het bouwen van bouwwerken; c. het egaliseren van gronden; d. het ophogen van gronden; e. het verharden van gronden; f. het afgraven van gronden. Artikel 4.9 Aanvullende indieningsvereisten Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid moet aanvullend op de gegevens en documenten die vereist zijn vanuit hoofdstuk 22 in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom. Artikel 4.10 Aanvullende beoordelingsregels
- In geval van bouwactiviteiten mogen deze bouwactiviteiten geen wezenlijke negatieve gevolgen hebben voor de bijzondere boom.
- In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden: a. de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden aangetast; of b. de mogelijkheid voor herstel van de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden verkleind.
- Er is sprake van een advies van een bomendeskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid en/of het tweede lid. Artikel 4.67 Uitzondering vergunningplicht In afwijking van artikel 4.7 is geen omgevingsvergunning nodig als het gaat om: a. het uitvoeren van werken of werkzaamheden die van kleine omvang zijn; of b. normale onderhoud en beheer wanneer dit, blijkens een advies van een deskundige op het gebied van landschap, geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom. Afdeling 4.3.2 Archeologie Paragraaf 4.3.2.
Artikel 4.11 Waarom gelden deze regels?
De regels in afdeling 4.3.2 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen. Artikel 4.12 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.3.2 voor alleen het onderdeel bouwen maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden. Paragraaf 4.3.2.2 Archeologische waarde Subparagraaf 4.3.2.2.
Artikel 4.13 Waar gelden deze regels?
De regels in paragraaf 4.3.2.2 gelden binnen het gebied archeologische waarde. Subparagraaf 4.3.2.2.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.14 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.15 Activiteiten met omgevingsvergunning
- De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 50 m2 opgehoogd.
- Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
- Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
- Het verlagen van het waterpeil.
- Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanleggen van bos of boomgaard.
- Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
- Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.16 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
- Werken en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
- Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk.
- Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
- Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden. Subparagraaf 4.3.2.2.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.17 Aanvullende indieningsvereisten
- Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
- In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of d. als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Subparagraaf 4.3.2.2.4 Beoordelingsregels Artikel 4.18 Beoordelingsregels voor bouwen
- Het bouwwerk is groter dan 50 m2 en er is ook een bodemverstoring van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.2 verder niet meer.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.19 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken
- Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden. Subparagraaf 4.3.2.2.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.20 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals genoemd in 4.14: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 4.21 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Paragraaf 4.3.2.3 Archeologische verwachtingswaarde 1 Subparagraaf 4.3.2.3.
Subparagraaf 4.3.2.3.2 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 4.3.2.3.3 Aanvullende indieningsvereisten Subparagraaf 4.3.2.3.4 Beoordelingsregels Subparagraaf 4.3.2.3.5 Vergunningvoorschriften Paragraaf 4.3.2.4 Archeologische verwachtingswaarde 2 Subparagraaf 4.3.2.4.
Artikel 4.22 Waar gelden deze regels?
De regels in paragraaf 4.3.2.4 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde
- Subparagraaf 4.3.2.4.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.23 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.24 Activiteiten met omgevingsvergunning
- De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 100 m2 opgehoogd.
- Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
- Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 100 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
- Het verlagen van het waterpeil.
- Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanleggen van bos of boomgaard.
- Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
- Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.25 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
- Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
- Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
- Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden. Subparagraaf 4.3.2.4.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.26 Aanvullende indieningsvereisten
- Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
- In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. Subparagraaf 4.3.2.4.4 Beoordelingsregels Artikel 4.27 Beoordelingsregels voor bouwen
- Het bouwwerk is groter dan 100 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.4 niet meer.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.28 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken
- Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden. Subparagraaf 4.3.2.4.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.29 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.23: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 4.30 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Paragraaf 4.3.2.5 Archeologische verwachtingswaarde 3 Subparagraaf 4.3.2.5.
Artikel 4.31 Waar gelden deze regels?
De regels in paragraaf 4.3.2.5 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde
- Subparagraaf 4.3.2.5.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.32 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.33 Activiteiten met omgevingsvergunning
- De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.
- Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
- Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
- Het verlagen van het waterpeil.
- Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanleggen van bos of boomgaard.
- Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
- Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.34 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
- Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
- Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
- Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden. Subparagraaf 4.3.2.5.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.35 Aanvullende indieningsvereisten
- Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
- In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. Subparagraaf 4.3.2.5.4 Beoordelingsregels Artikel 4.36 Beoordelingsregels voor bouwen
- Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 40 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.5 niet meer.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.37 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken
- Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden. Subparagraaf 4.3.2.5.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.38 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.32: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 4.39 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Paragraaf 4.3.2.6 Archeologische verwachtingswaarde 4 Subparagraaf 4.3.2.6.
Artikel 4.40 Waar gelden deze regels?
De regels in paragraaf 4.3.2.6 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde
- Subparagraaf 4.3.2.6.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.41 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.42 Activiteiten met omgevingsvergunning
- De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.
- Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
- Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
- Het verlagen van het waterpeil.
- Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanleggen van bos of boomgaard.
- Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
- Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.43 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
- voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
- Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
- Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden. Subparagraaf 4.3.2.6.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.44 Aanvullende indieningsvereisten
- Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
- In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. Subparagraaf 4.3.2.6.4 Beoordelingsregels Artikel 4.45 Beoordelingsregels voor bouwen
- Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.6 niet meer.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.46 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken
- Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden. Subparagraaf 4.3.2.6.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.47 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.41: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 4.48 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Paragraaf 4.3.2.7 Archeologische verwachtingswaarde 5 Subparagraaf 4.3.2.7.
Artikel 4.49 Waar gelden deze regels?
De regels in paragraaf 4.3.2.7 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde
- Subparagraaf 4.3.2.7.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.50 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.51 Activiteiten met omgevingsvergunning
- De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 opgehoogd.
- Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
- Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
- Het verlagen van het waterpeil.
- Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanleggen van bos of boomgaard.
- Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
- Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.52 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
- voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
- Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
- Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden. Subparagraaf 4.3.2.7.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.53 Aanvullende indieningsvereisten
- Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
- In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. Subparagraaf 4.3.2.7.4 Beoordelingsregels Artikel 4.54 Beoordelingsregels voor bouwen
- Het bouwwerk is groter dan 1.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.7 niet meer.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.55 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken
- Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden. Subparagraaf 4.3.2.7.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.56 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.50: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 4.57 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Paragraaf 4.3.2.8 Archeologische verwachtingswaarde 6 Subparagraaf 4.3.2.8.
Artikel 4.58 Waar gelden deze regels?
De regels in paragraaf 4.3.2.8 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde
- Subparagraaf 4.3.2.8.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.59 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.
- Artikel 4.60 Activiteiten met omgevingsvergunning
- De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 opgehoogd.
- Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
- Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
- Het verlagen van het waterpeil.
- Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanleggen van bos of boomgaard.
- Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
- Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.61 Activiteiten zonder omgevingsvergunning
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
- Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
- voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
- Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
- Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden. Subparagraaf 4.3.2.8.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.62 Aanvullende indieningsvereisten
- Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
- In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. Subparagraaf 4.3.2.8.4 Beoordelingsregels Artikel 4.63 Beoordelingsregels voor bouwen
- Het bouwwerk is groter dan 5.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.8 niet meer.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. Artikel 4.64 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken
- Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
- Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden. Subparagraaf 4.3.2.8.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.65 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.59: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 4.66 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Hoofdstuk 5 ALGEMENE REGELS OVER GEBRUIK EN/OF BOUWEN Afdeling 5.1 Indieningsvereisten Paragraaf 5.1.1 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 5.1 Aanvullende indieningsvereisten Voor zover in hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 21 gegevens en bescheiden worden gevraagd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, gelden die aanvullend op hoofdstuk
- Afdeling 5.2 Beoordelingsregels Paragraaf 5.2.1 Aanvullende beoordelingsregels Artikel 5.2 Aanvullende beoordelingsregels Voor zover in hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 21 beoordelingsregels zijn opgenomen ter beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, gelden die voor de betreffende omgevingsvergunning aanvullend op hoofdstuk
- Paragraaf 5.2.2 Algemene beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten Artikel 5.3 Algemene beoordelingsregels - Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen 2024, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 28 maart 2024, waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota. Artikel 5.4 Algemene beoordelingsregels - Ruimtelijke uitwerking De ruimtelijke uitwerking van de binnenplanse omgevingsplanactiviteit moet aanvaardbaar zijn. Artikel 5.5 Algemene beoordelingsregels - Aangrenzende gronden De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende functies, gronden en bouwwerken mogen niet onevenredig worden aangetast door nieuwe activiteiten of nieuwe ontwikkelingen. Afdeling 5.3 Algemene bouw- en gebruiksregels Paragraaf 5.3.1 Anti-dubbeltelregel Artikel 5.6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Paragraaf 5.3.2 Bouwen in relatie tot toegestaan gebruik Artikel 5.7 Bouwwerk en voorziening uitsluitend voor gebruik dat is toegestaan Een bouwwerk en voorziening moet nodig zijn voor het gebruik dat op de locatie van het bouwwerk op grond van regels in dit omgevingsplan is toegestaan, tenzij anders in dit omgevingsplan is bepaald. Paragraaf 5.3.3 Verboden gebruik Artikel 5.8 Verboden gebruik
- Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. staan- en/of ligplaats voor wagens en/of onderkomens; b. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en/of vaartuigen en/of onderdelen daarvan; c. opslagplaats voor gerede en/of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines en/of onderdelen daarvan; d. stortplaats voor puin, mest- en/of afvalstoffen; e. voorziening voor een 24 uurs begeleidwonenvoorziening met zorgplekken voor dak- of thuislozen met een verslavingsproblematiek of justitieel verleden; f. het gebruiken van één of meer bouwwerken in een volkstuin ten behoeve van permanente bewoning; g. seksinrichting, tenzij het 'thuisprostitutie' betreft; h. verblijfsrecreatie en intensieve dagrecreatie; i. het omschakelen van een grondgebonden veehouderij naar een niet-grondgebonden veehouderij; j. het racen en/of crossen met gemotoriseerde voertuigen of fietsen; k. het gebruik of laten gebruiken van een recreatief woonverblijf voor permanente bewoning; l. het gebruiken of het laten gebruiken van een bijbehorend bouwwerken als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte; m. het gebruik van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk, vrij in het gebouw staande plateau's en vergelijkbare constructies inbegrepen, voor het bedrijfsmatig houden van dieren.
- Het bepaalde onder het eerste lid onderdeel a t/m d is niet van toepassing op (tijdelijk) gebruik voor de realisering en/of handhaving van de functies of het normale onderhoud, gebruik en/of beheer van gronden en/of bouwwerken. Paragraaf 5.3.4 Ondergronds bouwen Artikel 5.9 Ondergronds bouwen In dit omgevingsplan gelden de bouwregels voor bovengronds bouwen; niet voor ondergronds bouwen (bouwwerken onder het maaiveld). Paragraaf 5.3.5 Bestaande situatie Artikel 5.10 Regels voor bestaande bouwwerken en gebruik
- Voor een bestaand bouwwerk waarvan de bestaande situering, goot- en/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud afwijken van de bouwregels in dit omgevingsplan: a. is de bestaande situering, goot- en/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud maatgevend; b. is herbouw uitsluitend mogelijk op dezelfde plaats; en c. is het overgangsrecht in dit omgevingsplan niet van toepassing.
- Bestaand gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan.
- Het bestaande aantal woningen en bedrijfswoningen is toegestaan.
- In afwijking van het eerste lid mag een bestaande woning of een bestaande bedrijfswoning in het buitengebied een maximale inhoud hebben van 750 m
- In afwijking van het eerste lid mag een woning of een bedrijfswoning in het buitengebied een maximale goothoogte hebben van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Paragraaf 5.3.6 Maatwerkvoorschriften Artikel 5.11 Maatwerkvoorschrift Het bevoegd gezag kan wanneer rekening wordt gehouden met de regels uit hoofdstuk 6 en 7, maatwerkvoorschriften stellen over: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden; onder voorwaarde dat de maatwerkvoorschriften niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. Paragraaf 5.3.7 Opwekking duurzame energie Artikel 5.12 Opwekking duurzame energie op dak Het opwekken van duurzame energie met behulp van zonnepanelen of andere - op grond van de omgevingsplansregels mogelijke - voorzieningen op het dak zijn toegestaan. Paragraaf 5.3.8 Specifieke beoordelingsregels Subparagraaf 5.3.8.
Artikel 5.13 Specifieke gevallen 1.
Een omgevingsvergunning kan toch worden verleend voor de specifieke gevallen zoals genoemd in het tweede tot en met het zevende lid, wanneer voldaan wordt aan de aanvullende beoordelingsregels zoals genoemd in artikel 5.
- Het oprichten van bouwwerken van algemeen nut (zoals abri's, transformatorhuisjes, gasmeet- en regelstations en conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m3 en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 meter.
- Het overschrijden van de bouwregels over de goothoogte, de bouwhoogte en de (vloer)oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%, met uitzondering van de regels in de functie Wonen.
- Het overschrijden van de bouwregels inzake de bouwhoogte en de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 10%.
- Het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bouwgrens, te veranderen, waarbij de grens met niet meer dan 3 meter wordt verschoven.
- Het oprichten van masten voor mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter.
- Het oprichten van kunstobjecten tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, voor alle (hoofd)functies, behalve de functie Bos, Groen en Natuur. Artikel 5.14 Aanvullende beoordelingsregels specifieke gevallen
- Er moet sprake zijn van een uitzonderlijk geval.
- Bij toepassing van artikel 5.13 vijfde lid moet blijken dat: a. het nodig blijkt uit de definitieve uitmeting en verkaveling; b. aanpassing van het plan noodzakelijk of gewenst is; c. het van belang is voor een juiste verwerkelijking van het plan. Subparagraaf 5.3.8.2 Kleinschalige duurzame energie Subsubparagraaf 5.3.8.2.1 Zonnepanelen Artikel 5.15 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan om zonnepanelen op de grond te plaatsen. Artikel 5.16 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals genoemd in artikel 5.15 wordt alleen verleend als: a. de zonnepanelen worden geplaatst op eigen grond, op het perceel dat als erf gebruikt wordt; b. de hoogte maximaal 1,5 meter is; c. de totale oppervlakte van de op de grond geplaatste zonnepanelen maximaal 100 m2 bedraagt; en d. de zonnepanelen landschappelijk zijn/worden ingepast en hiervoor vooraf advies is ingewonnen bij ter zake deskundigen op het gebied van ecologie en landschap. Subsubparagraaf 5.3.8.2.2 Mini windturbine Artikel 5.17 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan om een mini winturbine te plaatsen. Artikel 5.18 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals genoemd in artikel 5.17 wordt alleen verleend als: a. de as van de mini windturbine maximaal 5 meter uitsteekt boven het hoogste punt van het bouwwerk waarop de turbine geplaatst wordt; b. de mini windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en c. voor de mini windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden. Subsubparagraaf 5.3.8.2.3 Kleine windturbine Artikel 5.19 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan om een kleine winturbine te plaatsen. Artikel 5.20 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals genoemd in artikel 5.19 wordt alleen verleend als: a. de kleine windturbine een maximale as-hoogte heeft van 30 meter; b. de kleine windturbine niet mag staan in het gebiedstype 'woongebieden', zoals weergegeven in de bijlage Algemeen - Gebiedstypen; c. in het landelijk gebied op het erf gerealiseerd moet worden, op maximaal 100 meter afstand van het op dat erf aanwezige hoofdgebouw; d. de kleine windturbine moet minimaal (A) m van het beperkingengebied 'Leiding - Gas' af liggen, zoals berekend uit de volgende formule: A = H + 1/3 W, waarin A = minimale afstand, H = ashoogte, W = Wieklengte en de wieklengte = 1/2 ashoogte; e. de kleine windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en f. voor de kleine windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden. Subparagraaf 5.3.8.3 Overschrijding bouw- en/of hoofdfunctiegrenzen Subsubparagraaf 5.3.8.3.2 Algemene regels Artikel 5.21 Regels bij overschrijding van de bouw- en/of hoofdfunctiegrenzen
- Het is verboden bij ruimtelijke bouwactiviteiten bouw- en/of hoofdfunctiegrenzen te overschrijden.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet bij: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen, voorzover zij de grens van de weg niet overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 12 centimeter bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, reclame-uitingen, galerijen en luifels, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 50 centimeter bedraagt en zij niet lager zijn aangebracht dan:
- 4,20 meter boven een rijbaan of boven een strook ter breedte van 1,50 meter langs een rijbaan;
- 2,20 meter boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de onder nummer 1 genoemde strook; d. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voorzover dezen de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; e. goten, ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen; f. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voorzover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand:
- de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 1 meter overschrijden;
- de grens van de weg overschrijden;
- lager zijn geplaatst dan 4,20 meter boven een rijbaan. Subsubparagraaf 5.3.8.3.1 Omgevingsplanactiviteit Artikel 5.22 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het overschrijden van bouw en-/of hoofdfunctiegrenzen met ten hoogste 2 meter toegestaan. Subsubparagraaf 5.3.8.3.2 Aanvullende beoordelingsregels Artikel 5.23 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in 5.22 wordt alleen verleend als het gaat om: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen die de grens van de weg overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, die de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 12 centimeter overschrijden, dan wel die de grens van de weg overschrijden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, die de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 50 centimeter overschrijden, waarbij rekening wordt gehouden met artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; d. overbouwingen voor de verbinding van twee bouwwerken, waarbij rekening wordt gehouden met artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; e. bloemenkozijnen, balkons en galerijen, mits zij bij overschrijding van de grens van de weg voldoen artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; f. luifels en draagconstructies voor reclame, mits zij bij overschrijding van de weggrens voldoen aan artikel 5.21 tweede lid onderdeel c; g. hijsinrichtingen, laadbruggen, stortgoten, stort- en zuigbuizen die in enige stand de naar de weg gekeerde bouwgrens met ten hoogste 1,50 meter overschrijden, mits zij niet lager zijn geplaatst dan 4,20 meter boven de rijbaan; h. toegangen van bouwwerken, voor wat de hoogte boven de weg betreft, die de grens van de weg niet overschrijden; i. kelderingangen en kelderkoekoeken; j. bouwwerken waarvan de bovenzijde niet hoger is gelegen dan:
- de hoogte van de weg, voor zover de bouwwerken in de weg zijn gelegen;
- de terreinhoogte bij voltooiing van de bouw, voor zover de bouwwerken niet in de weg gelegen zijn. Hoofdstuk 6 FUNCTIEGERELATEERDE REGELS OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN Afdeling 6.1 Agrarisch bedrijf Paragraaf 6.1.
Artikel 6.1 Waar gaat deze afdeling over?
Afdeling 6.1 gaat over de functie agrarisch bedrijf. Artikel 6.2 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.1 gelden binnen het gebied agrarisch bedrijf. Paragraaf 6.1.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.3 Eén agrarisch bedrijf Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. Artikel 6.4 Grondgebonden agrarische bedrijven De agrarische bedrijvigheid is alleen toegestaan in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Artikel 6.5 Nevenactiviteiten Bij een agrarisch bedrijf zijn nevenactiviteiten toegestaan zonder omgevingsvergunning, tenzij anders in dit omgevingsplan is aangegeven. Artikel 6.6 Aanvullende beoordelingsregels Nevenactiviteiten zoals genoemd in artikel 6.5 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: a. alleen nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten (bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan; b. nevenactiviteiten in de openlucht zijn alleen toegestaan bij de hoofdfunctie dagrecreatie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een oppervlakte van maximaal 200 m2; c. de oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)mag maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)in totaal maximaal 350 m2 is; d. verblijfsrecreatie is alleen toegestaan in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie. Artikel 6.7 Overig gebruik bij een agrarisch bedrijf 1. Extensieve dagrecreatie, zandwegen, fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen zijn toegestaan. 2. Waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen zijn toegestaan. 3. Groen-, natuur- en nutsvoorzieningen zijn toegestaan. 4. Het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen is in het landelijk gebied toegestaan. Paragraaf 6.1.3 Toegestaan - Specifiek Paragraaf 6.1.4 Beoordeling van omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.1.4.1 Nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf Artikel 6.8 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten toegestaan wanneer het gaat om activiteiten waarbij: a. een oppervlakte groter is dan 350 m2 ; en/of b. het gaat om het uitoefenen van nevenactiviteiten in de open lucht. Artikel 6.9 Aanvullende beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.8 wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag zijn, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)niet meer mag bedragen dan in de tabel hieronder is aangegeven. Daarbij moet rekening worden gehouden dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan; b. de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen, en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; c. de (gezamenlijke) nevenactiviteit(
- en)van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft. Maximale oppervlakte nevenactiviteiten Maximale oppervlakte in m2 Nevenactiviteiten Groene ontwikkelingszone Overig Landelijk gebied Verblijfsrecreatie 500 750 Dagrecreatie 500 750 Zorg 500 750 Opslag x 500 Opslag nevenactiviteiten x 500 2. In afwijking van artikel 6.9 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie is gelegen binnen het gebied groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstige aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.9 eerste lid blijven dan ook gelden. Subparagraaf 6.1.4.2 Kamperen bij de boer Artikel 6.10 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf toegestaan. Artikel 6.11 Aanvullende beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.10 wordt alleen verleend als: a. de gronden die in gebruik genomen gaan worden voor kamperen binnen het bouwvlak liggen of daar direct op aansluiten; b. er maximaal 25 kampeerplaatsen zijn; c. kamperen uitsluitend is in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; d. gebouwen, zoals sanitaire ruimten, voldoen aan de volgende regels: 1. alleen binnen het bouwvlak; 2. de maximale oppervlakte van 150 m2 mag zijn; 3. de goothoogte maximaal 3 meter mag zijn; 4. de bouwhoogte maximaal 6 meter mag zijn; e. het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; f. het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een manier die voldoet zoals aangegeven in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen. 2. In afwijking van artikel 6.11 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie ligt binnen het gebied groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstige aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.11 eerste lid blijven dan ook gelden. Paragraaf 6.1.5 Verboden - Algemeen Artikel 6.12 Verboden gebruik 1. Nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is verboden. 2. Nieuwvestiging en uitbreiden van een geitenhouderij is verboden, daaronder wordt verstaan: a. het vestigen van een geitenhouderij; b. het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij; c. het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden; d. het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; e. het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; f. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij. 3. Het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van landbouwhuisdieren is in elk geval verboden als sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf door het gebruik van gronden en overkappingen. 4. Het omschakelen van een grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) naar een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) is niet toegestaan. Paragraaf 6.1.6 Verboden - Specifiek Artikel 6.13 Geur - emissiepunten en emissiebronnen verboden Binnen het gebied Broekhuizerstraat 10 - geur emissiepunten verboden is het verboden om: a. een geuremissiepunt te hebben; b. landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in een dierenverblijf te houden; c. paarden en pony’s om te berijden te houden; d. vaste mest, champost of dikke fractie op te slaan; e. drijfmest, digestaat of dunne fractie in mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van 350 m2 tot en met 750 m2 op te slaan; f. voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten te hebben; en/of g. groenafval te composteren of op te slaan. Afdeling 6.2 Groen Paragraaf 6.2.
Artikel 6.14 Waar gaat deze afdeling over?
Afdeling 6.2 gaat over de functie groen. Artikel 6.15 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.2 gelden binnen het gebied groen . Paragraaf 6.2.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.16 Toegestaan gebruik Binnen het gebied groen is het gebruik van gronden toegestaan voor: a. structurele groenvoorzieningen waaronder houtige opstanden; b. extensieve dagrecreatie en mogelijkheden voor ontmoeting en spelen; c. fiets- en wandelpaden en verhardingen, niet zijnde parkeervoorzieningen; d. waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. kunstobjecten; g. bestaande inritten; en h. straatmeubilair en speeltoestellen. Paragraaf 6.2.3 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.2.3.1 Nieuwe inrit Artikel 6.17 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een nieuwe inrit toegestaan. Artikel 6.18 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.17 wordt alleen verleend als: a. de inrit noodzakelijk is om een perceel te ontsluiten; b. de inrit geen onevenredige afbreuk doet aan de flora en fauna ter plaatse; c. de waarde of beleving van de groenvoorziening niet onevenredig wordt aangetast; d. als uit het advies van deskundige op het gebied van ecologie blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit ecologisch oogpunt; e. als uit het advies van deskundige op het gebied van verkeer blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit verkeerskundig oogpunt; en f. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. Afdeling 6.3 Verkeer Paragraaf 6.3.
Artikel 6.19 Waar gaat deze afdeling over?
Afdeling 6.3 gaat over de functie verkeer. Artikel 6.20 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.3 gelden binnen het gebied verkeer. Paragraaf 6.3.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.21 Toegestaan gebruik Binnen het gebied verkeer is het gebruik van gronden toegestaan voor: a. verkeer en verblijf; b. geluidwerende voorzieningen; c. straatmeubilair en speeltoestellen; d. parkeervoorzieningen; e. kunstobjecten; f. groenvoorzieningen; g. waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen; h. nutsvoorzieningen. Afdeling 6.4 Wonen Paragraaf 6.4.
Artikel 6.22 Waar gaat deze afdeling over?
Afdeling 6.4 gaat over de functie wonen. Artikel 6.23 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.4 gelden binnen het gebied wonen. Paragraaf 6.4.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.24 Woningen en bijbehorende bouwwerken en voorzieningen Het gebruik van gronden en bouwwerken voor woningen en de hierbij behorende bouwwerken en voorzieningen zijn binnen het gebied wonen toegestaan. Artikel 6.25 Aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven in stedelijk gebied Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het gebied stedelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; b. niet meer dan 40% van de totale vloeroppervlakte van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken die voor de functie wonen mogen worden gebruikt, mag worden gebruikt voor het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf; c. het medegebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken zodanig beperkt blijft dat de afstand tussen de als zodanig gebruikte ruimte en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter mag zijn. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen; d. de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving; e. degene die het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn; f. alleen bedrijven en/of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven; g. geen detailhandel mag plaatsvinden, behalve:
- internetverkoop (internetwinkels); en/of
- een beperkte verkoop (als ondergeschikte nevenactiviteit) van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het beroep en/of bedrijf aan huis; h. een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben; i. geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf; buitenactiviteiten gekoppeld aan gastouderschap zijn wel toegestaan; en j. vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet mogen worden gebruikt voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf. Artikel 6.26 Aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven in landelijk gebied Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het landelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; b. voor het aan huis gebonden bedrijf of beroep mag niet meer dan 40 % van de totale oppervlakte van de vloeroppervlakte van de woning én de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt, waarbij de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 100 m2 mag zijn; c. de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. degene die het aan huis gebonden bedrijf of beroep uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn; e. alleen bedrijven of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven; f. geen onevenredige verstoring van de voorzieningenstructuur mag plaatsvinden; g. een detailhandel mag plaatsvinden, behalve:
- internetverkoop (internetwinkels); en/of
- een beperkte verkoop (als ondergeschikte nevenactiviteit) van producten die ter plaatse zijn gemaakt, of direct verband houden met het bedrijf of beroep aan huis. h. een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben; i. geen uitstalling van te verkopen artikelen mag plaatsvinden; geen showroom binnen of buiten; j. het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling én niet onevenredig veel extra verkeer mag worden aangetrokken; k. het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de parkeerbalans én op eigen terrein moet worden geparkeerd door gebruiker en bezoekers; l. alleen onverlichte reclame-uitingen met een oppervlakte kleiner dan 0,5 m2 zijn toegestaan, waarvan de langste zijde minder dan 1 meter mag zijn; m. geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf of beroep. Artikel 6.27 Overig gebruik
- Tuinen, erven en erfontsluitingswegen voor woningen zijn toegestaan.
- Waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen zijn toegestaan.
- Nutsvoorzieningen zijn toegestaan.
- Het hobbymatig houden van dieren en het telen van gewassen is in het landelijk gebied toegestaan. Paragraaf 6.4.3 Toegestaan - Specifiek Subparagraaf 6.4.3.1 Woningtype Artikel 6.28 Toegestaan woningtype Binnen het gebied woningtype is alleen het aangegeven woningtype toegestaan. Subparagraaf 6.4.3.2 Aantal woningen Artikel 6.29 Toegestaan aantal woningen Binnen het gebied maximum aantal woningen is maximaal het aantal aangegeven woningen toegestaan. Subparagraaf 6.4.3.3 Woningdifferentiatie Artikel 6.30 Waarom gelden deze regels? De regels in subparagraaf 6.4.3.3 gelden met als doel dat voldaan wordt aan de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023). Wijzigt deze Doelgroepenverordening, dan moet rekening worden gehouden met die wijziging. Artikel 6.31 Waar gelden deze regels? De regels in subparagraaf 6.4.3.3 gelden binnen het gebied woningdifferentiatie. Artikel 6.32 Woningdifferentiatie
- Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale huurwoning minimaal het aangegeven percentage een sociale huurwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 25 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
- Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage middenhuurwoning minimaal het aangegeven percentage een middenhuurwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 15 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
- Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage goedkope koopwoning minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie goedkope koopwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
- Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale koopwoning (betaalbaar categorie 1) minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie betaalbare koopwoning categorie 1 zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
- Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale koopwoning (betaalbaar categorie 2) minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie betaalbare koopwoning categorie 2 zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening. Subparagraaf 6.4.3.4 Wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken Artikel 6.33 Wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor de uitbreiding van de woonfunctie, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. de afstand tussen dat bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter bedraagt. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen; b. bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van de huishouden van de bijbehorende woning; c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen niet is toegestaan. Subparagraaf 6.4.3.5 Parkeren Artikel 6.34 Parkeren Terborgseweg naast 119 Doetinchem
- In afwijking van artikel 5.3 zijn binnen het gebied Besluitgebied - Terborgseweg naast 119 Doetinchem minimaal 65 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan maximaal 28 op het maaiveld.
- In afwijking van artikel 5.9 mag de gedeeltelijk verdiepte parkeergarage binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - gedeeltelijk verdiepte parkeergarage maximaal 2,5 meter diep zijn.
- Binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - uitsluitend gedeeltelijk verdiepte parkeergarage zijn alleen een parkeergarage en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Paragraaf 6.4.4 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.4.4.1 Aan huis gebonden beroep of bedrijf Artikel 6.35 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een ander beroep en/of bedrijf aan huis dan is opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven toegestaan. Artikel 6.36 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.35 wordt alleen verleend als het andere beroep en/of bedrijf naar aard, omvang en hinder gelijk is te stellen met één of meer in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven genoemde beroepen en bedrijven. Subparagraaf 6.4.4.2 Wonen op kortere afstand tot bouwperceelsgrens Artikel 6.37 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan de uitbreiding van de woonfunctie worden toegestaan tot een afstand van minimaal 3 meter tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens. Artikel 6.38 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.37 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels: a. het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorende bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; b. bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van de huishouden van de bijbehorende woning; c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen niet is toegestaan. Subparagraaf 6.4.4.3 Aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in aangebouwde bijbehorende bouwwerken op kortere afstand tot bouwperceelsgrens Artikel 6.39 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf worden toegestaan tot een afstand van minimaal 3 meter tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens. Artikel 6.40 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.39 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels: a. het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorende bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; b. bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van de huishouden van de bijbehorende woning; c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen niet is toegestaan. Subparagraaf 6.4.4.4 Aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken Artikel 6.41 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk toegestaan. Artikel 6.42 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.41 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels: a. wanneer de vestiging van een dergelijk beroep of bedrijf in een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet mogelijk is vanwege architectuur of monumentale status van de woning; en b. wanneer het vrijstaande bouwwerk een ruimtelijke eenheid vormt met de woning. Subparagraaf 6.4.4.5 Mantelzorg Artikel 6.43 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een aangebouwd of vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bestaande woning als woonruimte van mantelzorg worden toegestaan. Artikel 6.44 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.43 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende regels: a. de mantelzorgwoning is functioneel verbonden met het hoofdgebouw; b. de totale oppervlakte die voor mantelzorg in gebruik wordt genomen maakt onderdeel uit van de in artikel 7.7 en artikel 7.8 onderdeel a genoemde oppervlaktenorm (100 m2) en de woonunit strekt zich niet uit tot meer dan één bouwlaag; c. de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 8 m; deze afstand kan worden teruggebracht naar 3 meter als de aangrenzende (openbare) grond ter hoogte van de geplande woonruimte aan (openbaar) gebied grenst waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; d. de hoogtenorm voor bijbehorende bouwwerken blijft onverminderd van kracht; en e. de woonruimte voldoet aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 6.45 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan een woonunit voor mantelzorg worden toegestaan als: a. de oppervlaktenorm van 100 m2 wordt overschreden tot maximaal 150 m2; en/of b. er een kortere afstand dan 3 meter wordt aangehouden of op de achterste bouwperceelsgrens. Artikel 6.46 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.45 wordt alleen verleend als: a. sprake is van een uitzonderlijk geval; en b. er geen goede alternatieven zijn. Artikel 6.47 Gebod Als de noodzaak voor mantelzorg is vervallen, moet de situatie in en om de woning worden teruggebracht in de oude staat, dan wel in overeenstemming met het omgevingsplan. Dat betekent dat daarna geen sprake meer is van extra woonruimte. Paragraaf 6.4.5 Geboden Subparagraaf 6.4.5.1 Bergingscapaciteit hemelwater Artikel 6.48 Bergingscapaciteit hemelwater - Terborgseweg naast 119 Doetinchem Het gebied Terborgseweg naast 119 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 80 mm per m2 verhard oppervlak e.e.a. zoals opgenomen in bijlage Terborgseweg naast 119 Doetinchem - Hemelwaterberging. Subparagraaf 6.4.5.2 Landschappelijke inpassing Artikel 6.49 Landschappelijke inpassing - IJzevoordseweg 7 Doetinchem Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet binnen het gebied IJzevoordseweg 7 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage IJzevoordseweg 7 Doetinchem - Versterkingsplan Artikel 6.50 Landschappelijke inpassing - Terborgseweg naast 119 Doetinchem Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - gebod landschappelijk inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Terborgseweg naast 119 Doetinchem - Inrichtingsschets. Artikel 6.51 Landschappelijke inpassing - Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet voor ontwikkelingen binnen het gebied Broekhuizerstraat 10 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl - Landschappelijk inpassingsplan. Subparagraaf 6.4.5.3 Afwijken geboden Artikel 6.52 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kan een gebod zoals genoemd in paragraaf 6.4.5 anders worden uitgevoerd. Artikel 6.53 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.52 wordt alleen verleend als: a. aangetoond is dat een afwijking van het gebod noodzakelijk is en dat de afwijking zich uitsluitend daartoe beperkt; b. aangetoond is dat aan de bedoeling van het gebod waarvan wordt afgeweken onverminderd invulling wordt gegeven; c. de afwijking leidt niet tot een kwalitatieve verslechtering van het resultaat dat werd beoogd met het gebod waarvan wordt afgeweken; d. de afwijking gerealiseerd en in stand gehouden wordt binnen, of voor een bepaalde of onbepaalde termijn overeenkomstig het gebod waarvan wordt afgeweken; e. over de afwijking advies ingewonnen wordt bij een terzake deskundige adviseur; en f. over de afwijking zo nodig afstemming plaatsvindt met een overlegpartner als bijvoorbeeld het Waterschap, Omgevingsdienst, VNOG en Provincie. Paragraaf 6.4.6 Verboden Hoofdstuk 7 REGELS OVER BOUWEN, INSTANDHOUDEN EN GEBRUIKEN VAN BOUWWERKEN Afdeling 7.
Artikel 7.1 Waarom gelden deze regels?
De regels in hoofdstuk 7 gelden voor de beoordeling van een ruimtelijke bouwactiviteit in relatie tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Afdeling 7.2 Beoordelingsregels Paragraaf 7.2.1 Hoofdgebouwen Artikel 7.2 Waar zijn hoofdgebouwen toegestaan? Een hoofdgebouw is alleen toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders in dit omgevingsplan is aangegeven. Artikel 7.3 Welke bouwhoogte van een hoofdgebouw is toegestaan? Binnen het gebied maximum bouwhoogte hoofdgebouw is voor hoofdgebouwen de maximaal aangegeven bouwhoogte toegestaan. Artikel 7.4 Welke goothoogte van een hoofdgebouw is toegestaan? Binnen het gebied maximum goothoogte hoofdgebouw is voor hoofdgebouwen de maximaal aangegeven goothoogte toegestaan. Paragraaf 7.2.2 Woningen en bedrijfswoningen Artikel 7.5 Hoeveel woningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan? Binnen het gebied maximum aantal woningen en bedrijfswoningen is voor woningen en bedrijfswoningen het maximaal aangegeven aantal woningen toegestaan. Artikel 7.6 Welke inhoud van woningen en bedrijfswoningen is toegestaan? Binnen het gebied maximum inhoud woning en bedrijfswoning is voor woningen en bedrijfswoningen maximaal de aangeven inhoud toegestaan. Paragraaf 7.2.3 Bijbehorende bouwwerken Subparagraaf 7.2.3.1 Bijbehorende bouwwerken landelijk gebied Artikel 7.7 Bijbehorende bouwwerken bij woningen en bedrijfswoningen in het landelijk gebied Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning in het landelijk gebied gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² per woning bedragen, waarbij rekening mee wordt gehouden dat niet meer dan 50 % van het gebied mag worden bebouwd dat is toebedeeld met de functie waar de woning of bedrijfswoning bij hoort; b. In afwijking van onderdeel a mag de gezamenlijke oppervlakte maximaal 150 m2 per woning zijn, als de grond oppervlakte bij een woning meer dan 1 hectare is; c. bijbehorende bouwwerken, niet zijnde inpandige bijbehorende bouwwerken, mogen alleen vanaf 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gebouwd; d. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 centimeter; e. de bouwhoogte mag maximaal 6 meter bedragen. Subparagraaf 7.2.3.2 Bijbehorende bouwwerken stedelijk gebied Artikel 7.8 Bijbehorende bouwwerken bij woningen en bedrijfswoningen in het stedelijk gebied Voor het bouwen van bijhorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning binnen het stedelijk gebied gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 100 m2 per woning of bedrijfswoning zijn; b. voor woningen geldt dat maximaal 50% van het bouwperceelsgedeelte buiten het bouwvlak mag worden bebouwd; c. als de bouwmogelijkheden voor de woning in het bouwvlak niet volledig zijn benut, mogen deze worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken in datzelfde bouwvlak, zonder dat dit ten koste gaat van de onder sub a genoemde oppervlaktenorm; d. bijbehorende bouwwerken mogen buiten het bouwvlak alleen vanaf 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning of bedrijfswoning worden gebouwd; e. binnen het bouwvlak mogen bijbehorende bouwwerken op één lijn met de woning of bedrijfswoning worden gebouwd; f. bijbehorende bouwwerken mogen, met inachtneming van het bepaalde onder d, tot op de bouwperceelsgrenzen worden gebouwd; g. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; als wordt aangebouwd aan een woning of bedrijfswoning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning of bedrijfswoning, vermeerderd met 30 cm; h. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen; i. in geval van een bijbehorende bouwwerk met een lessenaarsdak, waarvan de bouwhoogte meer dan 3 m bedraagt, moet de afstand van de zijde waar de bouwhoogte wordt gemeten tot de bouwperceelsgrens minimaal de breedte van het bijbehorende bouwwerk bedragen. Subparagraaf 7.2.3.3 Bijbehorende bouwwerken anders dan bij woningen en bedrijfswoningen Artikel 7.9 Waar is een bijbehorend bouwwerk toegestaan? Een bijbehorend bouwwerk is alleen toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders in dit omgevingsplan is aangegeven. Artikel 7.10 Welke goothoogte van een bijbehorend bouwwerk is toegestaan? De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer zijn dan 3 meter. Paragraaf 7.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Artikel 7.11 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde
- Binnen het gebied maximum bouwhoogte bouwwerk geen gebouwen zijnde is de aangegeven maximale bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde toegestaan, tenzij in dit plan anders is aangegeven.
- In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het landelijk gebied bij de functie wonen de volgende hoogte zijn: a. erf- en terreinafscheidingen op tenminste 1 meter achter de voorgevel maximaal 2 meter; b. speeltoestellen en tuinmeubilair maximaal 3,5 meter bedragen; c. verlichting en vergelijkbare bouwwerken maximaal 6 meter bedragen; d. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 meter bedragen.
- In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het stedelijk gebied bij de functie wonen de volgende hoogte zijn: a. speeltoestellen en tuinmeubilair maximaal 3,5 meter bedragen; b. verlichting en vergelijkbare bouwwerken maximaal 6 meter bedragen; c. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 meter bedragen; d. afschermingen van technische installatie(s) op platte daken tot maximaal 0,5 m boven het dakvlak worden gebouwd.
- In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het stedelijk gebied bij de functie groen en verkeer de volgende hoogte zijn: a. speeltoestellen maximaal 6 meter bedragen; b. verlichting, vlaggenmasten, straatmeubilair (geen terrasinrichting), kunstobjecten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 meter bedragen; c. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 meter bedragen. Artikel 7.12 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bij een agrarisch bedrijf Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 1,2 meter zijn; b. realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's, paardrijbakken en trainingsmolens zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak; c. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van:
- erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 meter achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 meter zijn;
- bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 meter zijn;
- trainingsmolens maximaal 6 meter zijn;
- bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 meter zijn, waarbij een maximale goothoogte van 6 meter geldt;
- silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 meter zijn;
- windmolens maximaal 15 meter zijn. Artikel 7.13 Oppervlakte bouwwerken geen gebouwen zijnde De oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag maximaal 20 m2 zijn, tenzij anders in dit omgevingsplan wordt bepaald. Paragraaf 7.2.5 Agrarische bouwwerken Artikel 7.14 Mest/co-vergistingsinstallaties Mest/co-vergistingsinstallaties zijn toegestaan als voldaan wordt aan de volgende regels: a. er is sprake van een installatie die dierlijke meststof produceert en gericht is op een bedrijfseigen activiteit, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in:
- categorie A: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt;
- categorie B: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt of naar derden afgevoerd;
- categorie C: verwerken aangevoerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; b. de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie is 35 ton dierlijke mest per dag; c. de installatie levert geen nieuwe belemmeringen op voor de omgeving en kan ook op basis van milieueisen; d. de installatie heeft geen negatief effect op de verkeerskundige situatie van de omgeving; e. er zijn geen nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf aanwezig, zoals opgenomen in artikel 6.
- Artikel 7.15 Kassen Voor kassen gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag maximaal 300 m2 per bouwvlak zijn; b. de bouwhoogte mag maximaal 6 meter zijn. Paragraaf 7.2.6 Erkers en toegangspartijen Artikel 7.16 Erkers en toegangspartijen Aan het hoofdgebouw binnen het gebied wonen mag vóór het verlengde van de voorgevel een erker en/of een toegangspartij worden gebouwd. Hiervoor gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen, waarbij de bouwhoogte niet hoger mag worden dan de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van de woning, vermeerderd met 30 centimeter; b. de breedte maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van de woning mag bedragen; c. de diepte maximaal 1,5 meter mag bedragen. Paragraaf 7.2.7 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 7.2.7.1 Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bij woningen in het stedelijk gebied Artikel 7.17 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een deel van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak toegestaan. Artikel 7.18 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.17 wordt alleen verleend als: a. wordt gebouwd tot aan de zijdelingse bouwperceelgrens , als het bouwperceel aan de zijde en ter hoogte van het (geplande) hoofdgebouw grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; b. als ook voldaan wordt aan de algemene beoordelingsregels en de overige bouwregels. Subparagraaf 7.2.7.2 Herbouw woning en bedrijfswoning landelijk gebied Artikel 7.19 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is de herbouw van een bestaande woning op een andere locatie dan de bestaande locatie toegestaan. Artikel 7.20 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.19 wordt alleen verleend als: a. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende gronden, alsmede de belangen van derden mogen niet onevenredig worden aangetast; b. de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeer en/of railverkeer op de gevels van de nieuwe woning is niet hoger is dan de standaardwaarden als genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. de ruimtelijke uitwerking van het plan moet aanvaardbaar zijn; d. de goothoogte niet hoger is dan 4,5 meter; e. de bouwhoogte niet hoger is dan 10 meter; f. de inhoud niet meer bedraagt dan 750 m
- Subparagraaf 7.2.7.3 Tijdelijke woonunit mantelzorg Artikel 7.21 Omgevingsplanactiviteit - Tijdelijke woonunit mantelzorg Alleen met een omgevingsvergunning is het plaatsen en gebruiken van een tijdelijke woonunit voor mantelzorg toegestaan. Artikel 7.22 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.21 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels: a. De mantelzorgwoning is functioneel verbonden met het hoofdgebouw; b. de totale oppervlakte die voor mantelzorg in gebruik wordt genomen maakt onderdeel uit van de in artikel 7.7 en artikel 7.8 onderdeel a genoemde oppervlaktenorm (100 m2) en de woonunit strekt zich niet uit tot meer dan één bouwlaag; c. de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 8 m; deze afstand kan worden teruggebracht naar 3 meter als de aangrenzende (openbare) grond ter hoogte van de geplande woonruimte aan (openbaar) gebied grenst waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; d. er moet sprake zijn van een ruimtelijke eenheid; de woonunit moet binnen een straal van 10 m van het hoofdgebouw worden geplaatst; e. de hoogtenorm voor bijbehorende bouwwerken blijft onverminderd van kracht; f. de woonruimte voldoet aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 7.23 Omgevingsplanactiviteit - Kortere afstand en groter oppervlak Alleen met een omgevingsvergunning kan een tijdelijke woonunit voor mantelzorg worden toegestaan als: a. de oppervlaktenorm van 100 m2 wordt overschreden tot maximaal 150 m2; en/of b. er een kortere afstand dan 3 meter wordt aangehouden of op de achterste bouwperceelsgrens. Artikel 7.24 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.23 wordt alleen verleend, als: a. sprake is van een uitzonderlijke geval; en b. er geen goede alternatieven zijn. Artikel 7.25 Gebod - Terugbrengen in oude staat Als de noodzaak voor mantelzorg is vervallen, moet de situatie in en om de woning worden teruggebracht in de oude staat, dan wel in overeenstemming met het omgevingsplan. Dat betekent dat daarna geen sprake meer is van extra woonruimte. Subparagraaf 7.2.7.4 Overkappingen bij woningen en bedrijfswoningen Artikel 7.26 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een overkapping bij de woning of bedrijfswoningen vóór of op minder dan 1 meter achter de voorgevel toegestaan. Artikel 7.27 Aanvullende beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.26 wordt alleen verleend als: a. de goothoogte maximaal 3 meter mag zijn, tenzij:
- wordt aangebouwd aan een woning, dan geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 cm; of
- als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, geldt als maximum de goothoogte van dat bouwwerk; b. de bouwhoogte maximaal 3,5 meter mag zijn, als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, geldt een bouwhoogte die maximaal 50 cm hoger is dan de goothoogte van dat bijbehorend bouwwerk; c. de overkapping maximaal aan drie zijden gesloten is met wanden van een bestaand gebouw of een bestaand ander bouwwerk, zoals een erfafscheiding; d. de maximale oppervlakte en bebouwingspercentage zoals aangegeven in artikel 7.7 blijven gelden.
- In afwijking van artikel 7.27 eerste lid onder b kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van een overkapping met een bouwhoogte van 6 meter, als de stedenbouwkundige situatie daarvoor geschikt is. Subparagraaf 7.2.7.5 Hoogte silo's Artikel 7.28 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een bouwhoogte van silo's tot een hoogte van 15 meter toegestaan. Artikel 7.29 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.28 wordt alleen verleend als: a. daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende beschaduwing en gebruiksmogelijkheden van die percelen; b. de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering is aangetoond. Paragraaf 7.2.8 Functie ondersteunende bouwwerken Artikel 7.30 Welke oppervlakte van een gebouw is toegestaan?
- Binnen het gebied verkeer mag de oppervlakte van een gebouw maximaal 20 m2 zijn.
- Binnen het gebied groen mag de oppervlakte van een gebouw maximaal 20m2 zijn. Hoofdstuk 8 REGELS OVER HET UITVOEREN VAN WERKEN, NIET ZIJNDE EEN BOUWWERK, OF VAN WERKZAAMHEDEN BIJ FUNCTIES Afdeling 8.1 Groen Paragraaf 8.1.
Artikel 8.1 Waar gaat deze afdeling over?
Afdeling 8.1 gaat over werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden voor zover sprake is van verstoring van de bodem. Artikel 8.2 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 8.1 gelden binnen het gebied groen . Paragraaf 8.1.2 Activiteiten Artikel 8.3 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kunnen werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 8.4 worden toegestaan. Artikel 8.4 Activiteiten met omgevingsvergunning
- Het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
- Het aanleggen van beplantingen.
- Het vellen van beplantingen.
- Het rooien van beplantingen.
- Het aanleggen van watergangen en waterpartijen.
- Het dempen van watergangen en waterpartijen.
- Het verlagen van en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden.
- Het verlagen van het (grond)waterpeil.
- Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
- Het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Artikel 8.5 Activiteiten zonder omgevingsvergunning Geen omgevingsvergunning als genoemd in artikel 8.3 is nodig als: a. het gaat om werken en werkzaamheden voor het normale onderhoud, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen; b. het werken en werkzaamheden betreft die:
- reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
- mogen worden uitgevoerd op basis van een vergunning waarin de te beschermen waarden al zijn meegewogen. Paragraaf 8.1.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 8.6 Aanvullende indieningsvereisten Ter beoordeling van het genoemde onder artikel 8.7 tweede lid, moet een rapport worden ingediend, waarin in ieder geval de waarden binnen het groen worden betrokken en waarbij wordt aangetoond dat deze waarden niet in belangrijke mate worden geschaad. Paragraaf 8.1.4 Aanvullende beoordelingsregels Artikel 8.7 Aanvullende beoordelingsregels
- Voor verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3 wordt het ingediende rapport door een deskundige op het gebied van ecologie beoordeeld. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning.
- De waarden van het gebied niet in belangrijke mate worden geschaad. Hoofdstuk 9 REGELS OVER MILIEU Titel 9.1 Geluid Afdeling 9.1.1 Geluid - algemeen Artikel 9.1 Geluidwerende voorzieningen Geluidwerende voorzieningen zijn toegestaan, wanneer uit onderzoek blijkt dat deze nodig zijn voor het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Artikel 9.2 Warmte- en koudeopwekking Het is verboden installatie te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven van voor warmte- of koudeopwekking, die zijn opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, waarbij op de perceelsgrens met een bouwwerkperceel voor een andere woonfunctie sprake is van een gecumuleerd geluidsniveau van installaties voor warmte- of koudeopwekking van meer dan 45 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels. Afdeling 9.1.2 Geluid - afwijkingen standaardwaarden Paragraaf 9.1.2.1 Wegverkeer Artikel 9.3 Terborgseweg naast 119 Doetinchem Het gezamenlijk geluid op gevels van geluidsgevoelige gebouwen bedraagt binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - regels afwijken standaardwaarde geluid wegverkeer maximaal de in onderstaande tabel opgenomen waarden: Maximaal toegestaan gezamenlijk geluid gevels geluidsgevoelige gebouwen Terborgseweg naast 119 Doetinchem Woning Rekenpunt Hoogte (m +mv) Gezamenlijk geluid Lden B1_W1 9_B 4,5 65 B1_W2 7_B 4,5 65 B2_W1 24_A 3,3 66 B2_W2 23_A 3,3 66 B2_W3 22_A 3,3 65 B2_W4 19_A 3,3 61 B2_W6 27_A 3,3 59 B2_W7 24_B 6,3 65 B2_W8 23_B 6,3 65 B2_W9 22_B 6,3 65 B2_W10 19_B 6,3 61 B2_W12 27_B 6,3 59 B2_W13 24_C 9,3 65 B2_W14 23_C 9,3 65 B2_W15 22_C 9,3 65 B2_W16 19_C 9,3 61 B2_W18 27_C 9,3 58 B3_W1 47_A 3,3 64 B3_W2 46_A 3,3 64 B3_W3 44_A 3,3 64 B3_W4 43_A 3,3 64 B3_W5 42_A 3,3 64 B3_W6 40_A 3,3 64 B3_W7 47_B 6,3 64 B3_W8 46_B 6,3 64 B3_W9 44_B 6,3 64 B3_W10 43_B 6,3 64 B3_W11 42_B 6,3 64 B3_W12 40_B 6,3 64 B3_W13 47_C 9,3 64 B3_W14 46_C 9,3 64 B3_W15 44_C 9,3 64 B3_W16 43_C 9,3 64 B3_W17 42_C 9,3 64 B3_W18 40_C 9,3 64 B3_W19 47_D 12,3 64 B3_W20 46_D 12,3 63 B3_W21 44_D 12,3 63 B3_W22 43_D 12,3 64 B3_W23 42_D 12,3 64 B3_W24 40_D 12,3 64 B3_W25 47_E 15,3 63 B3_W26 43_E 15,3 63 B3_W27 42_E 15,3 63 B5_W3 58_A 3,3 60 B5_W6 53_B 6,3 54 B5_W7 58_C 9,3 60 Bron: Terborgseweg naast 119 Doetinchem - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Titel 9.2 Water Afdeling 9.2.1 Grondwaterkwaliteit Paragraaf 9.2.1.
Artikel 9.4 Wanneer gelden deze regels?
1. Binnen het gebied voorrangsregel - ruimtelijke plan tijdelijke deel omgevingsplan gelden de regels in paragraaf 9.2.1.2 in aanvulling op het ter plaatste van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het