/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696508 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-01-21 2025-01-21 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696508/nld@2025-02-18 /join/id/proces/gm1876/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm1876/2023/procedureafd97acb785b4eaba0dace89ce1e8bab /join/id/proces/gm1876/2024/procedure6672904249344aaa9c86c02e979ee7b3 2025-02-18 2025-08-28 2025-02-18 2025-08-28 2025-02-18 2025-08-28 /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan/nld@2025-01-13;12235834 /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm1876/2020/omgevingsplan/nld@2025-01-13;12235834 /join/id/stop/work_019 3 Omgevingsplan gemeente Bronckhorst Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. Begrippen in dit omgevingsplan hebben de betekenis die daarin is toegekend in de bijlage bij de Omgevingswet, artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 2. Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 21 en hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen Bij de toepassing van hoofdstuk 21 van dit omgevingsplan, worden de meet- en rekenbepalingen in acht genomen die zijn opgenomen in bijlage III meet- en rekenbepalingen. Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Ontwikkelingen in de transitiefase Afdeling 21.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.1 Toepassingsbereik 1. Dit hoofdstuk bevat regels die nodig zijn voor gewenste ontwikkelingen omdat deze ontwikkelingen in strijd zijn met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarom is het hoofdstuk alleen van toepassing in het gebied Ontwikkelingen in de transitiefase. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Artikel 21.2 Aanvraagvereisten De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Artikel 21.3 Toegelaten activiteiten Een locatie en daarop aanwezige bouwwerken worden alleen gebruikt voor activiteiten die daar zijn toegelaten volgens dit hoofdstuk. Afdeling 21.2 Agrarisch Paragraaf 21.2.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.4 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Agrarisch (landelijk gebied) Paragraaf 21.2.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.5 Toelaten activiteiten - agrarisch 1. In het gebied Agrarisch mogen gronden worden gebruikt voor: a. het uitoefenen van een reëel agrarisch bedrijf, uitsluitend in een bouwvlak; b. het uitoefenen van nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf; c. een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop; d. bed & breakfast; e. extensief recreatief medegebruik; f. waterhuishoudkundige doeleinden; g. nutsvoorzieningen; h. grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie uitsluitend binnen een bouwvlak en bedoeld voor de eigen energievoorziening; i. verharde en onverharde paden en ondergeschikte erfverharding ten dienste van het agrarische bedrijf; j. (toegangs)wegen ten dienste van: 1. andere functies die op aangrenzende gronden zijn toegelaten op grond van dit hoofdstuk; 2. bestemmingen die op aangrenzende gronden van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied; k. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; l. het plaatsen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van biodiversiteit. 2. Gronden mogen ook worden gebruikt voor tuinen behorend bij de woningen die op aangrenzende gronden zijn toegelaten op grond van de volgende bepalingen, uitsluitend voor zover de tuin al legaal aanwezig was op 25 oktober 2016: a. Artikel 21.70 (toegelaten activiteiten – wonen); of b. de regels met betrekking tot de bestemming ‘Wonen’, ‘Wonen – 1’ of ‘Wonen-2’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied. Artikel 21.6 Toegelaten activiteiten – agrarisch bedrijf Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegelaten. Artikel 21.7 Toegelaten activiteiten – nevenfuncties Voor het uitoefenen van nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf gelden de volgende regels: a. uitsluitend de in bijlage 2 aangegeven nevenfuncties zijn toegelaten; b. maximaal 350 m² van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen wordt gebruikt voor nevenfuncties; c. het is verboden detailhandel uit te oefenen, anders dan detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten tot een maximale oppervlakte van 50m2; d. maximaal 50 m2 van de bebouwing wordt gebruikt voor catering, café, restaurant, eethuis, ijssalon, terras/theetuin en theeschenkerij, zoals genoemd in bijlage 2 onder de categorie 'Dagrecreatie'; e. maximaal 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor nevenfuncties. Artikel 21.8 Toegelaten activiteiten – extensief recreatief medegebruik 1. Ter ondersteuning vanextensief recreatief medegebruik mogen gronden in beperkte mate worden gebruikt voor recreatieve voorzieningen zoals fiets-, voet en ruiterpaden, banken, picknicktafels en bewegwijzering. 2. Activiteiten in het kader van extensief recreatief medegebruik, met uitzondering van nachtvissen, vinden alleen plaats tussen zonsopgang en zonsondergang. Artikel 21.9 Toegelaten activiteiten – teeltondersteunende voorzieningen Voor het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende regels: a. teeltondersteunende voorzieningen zijn alleen toegelaten bij agrarische bedrijven die als doel hebben het op of boven de grond telen van gewassen; b. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een tijdelijk karakter, zoals insectengaas, afdekfolie en lage tunnels, zijn toegelaten zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden; c. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een permanent karakter, zoals containervelden, zijn alleen toegelaten binnen het bouwvlak en met een maximale oppervlakte van 1000 m2 per bouwvlak; d. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 2 meter en met een tijdelijk karakter, zoals menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten, zijn toegelaten zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden, en alleen binnen het bouwvlak en met een maximale gezamenlijke oppervlakte, tezamen met de voorzieningen, bedoeld onder e, van 500m2 per bouwvlak; e. teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 3,50 meter en met een permanent karakter, zoals stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen, zijn alleen toegelaten binnen het bouwvlak en met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 5000 m2, tezamen met de voorzieningen, bedoeld onder d, per bouwvlak. Artikel 21.10 Verboden gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn altijd verboden: a. het gebruiken van gronden voor een glastuinbouwbedrijf; b. het in gebruik geven, nemen of hebben van gronden voor groepskamperen, tenzij een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 21.14; c. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor opslag, anders dan het opslaan van hooibalen; d. het opslaan van hooibalen bouwen het bouwvlak, gedurende een periode van langer dan 6 weken; e. het huisvesten van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en tijdelijke arbeidsplaatsen; f. het gebruiken van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf; g. het bewerken, verwerken en vergisten van mest afkomstig van derden; h. het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor kuilvoer- en mestplaten tenzij een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 21.32; Artikel 21.11 Verboden activiteit – toename van stikstofemmissie 1. Het is verboden gronden en bouwwerken: a. niet behorende tot een agrarisch bedrijf te gebruiken of te laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken; b. behorende tot een agrarisch bedrijf te gebruiken of te laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken; te gebruiken of laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken. 2. Voor de toepassing het eerste lid, aanhef en onder a wordt onder ‘toename van stikstofemissie’ verstaan: een stikstofemissie in N/kg/jaar die meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken. 3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b wordt onder ‘toename van stikstofemissie’ verstaan: een stikstofemissie in N/kg/jaar die meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting. 4. Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als bedoeld in het eerste lid. 5. Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als bedoeld in het eerste lid. 6. Als uitzondering op het tweede tot en met vijfde lid is er geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer de emissie N/kg/jaar afkomstig van het agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in het tweede of vierde lid of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de het agrarisch bedrijf als bedoeld in het derde of vijfde lid conform een verleende en onherroepelijke natuurvergunning waarvoor een passende beoordeling is gemaakt en opgenomen in bijlage 3. 7. Waar in de voorgaande leden 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx. Artikel 21.12 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - bed & breakfast 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een bed & breakfast als daarbij wordt afgeweken van Artikel 21.90. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; b. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor bed & breakfast al dan niet in combinatie met groepskamperen als bedoeld in Artikel 21.14; c. de oppervlakte die wordt gebruikt voor bed & breakfast is niet meer dan 500 m2; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; e. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; g. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; h. wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3. Artikel 21.13 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - combinatie van recreatieve activiteiten 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor (een combinatie van) recreatieve activiteiten als nevenfunctie, voor zover het gaat om verblijfsrecreatie anders dan bed & breakfast overeenkomstig Artikel 21.90 en Artikel 21.12. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfuncties zijn opgenomen in bijlage 2; b. de (gezamenlijke) oppervlakte van bebouwing voor recreatiewoningen, recreatieappartementen, voorzieningen voor bed & breakfast, trekkershutten en kampeerterrein inclusief kleinschalige horecavoorzieningen, niet meer is dan 500 m²; c. de oppervlakte van bebouwing voor horecavoorzieningen niet meer is dan 50 m2; d. een eventuele horecavoorziening uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen; e. er alleen gebruik gemaakt wordt van nieuwe of niet-karakteristieke bebouwing als het gebruik van bestaande karakteristieke bebouwing naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is; f. niet meer dan 3 trekkershutten worden gerealiseerd; g. voor wat betreft recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties: er sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie voor recreatieve doeleinden; h. voor wat betreft kampeerterreinen: er sprake is van een kampeerterrein, met niet meer dan 30 kampeerplaatsen, met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); i. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; j. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor deze recreatieve functies; k. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; l. er geen buitenopslag plaatsvindt; m. de activiteiten plaatsvinden in fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen, dan wel in nieuwe gebouwen voor zover dit wordt gecompenseerd door sloop van niet-karakteristieke bebouwing; n. nieuwbouw als bedoeld in onderdeel l uitsluitend kleinschalig is, en aansluit bij de bestaande karakteristieken; o. wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; p. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredige wordt aangetast; q. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; r. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; s. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; t. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; u. er wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3. 3. Binnen het kader van deze omgevingsvergunningsmogelijkheid is het mogelijk de ene bestaande recreatieve functie om te zetten in een andere recreatieve functie. 4. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een bedrijfs- en inrichtingsplan overgelegd. 5. Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inpassingsplan wordt overgelegd. Artikel 21.14 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - groepskamperen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode; b. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; c. niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor groepskamperen al dan niet in combinatie met bed & breakfast als bedoeld in artikel Artikel 21.12; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; e. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; g. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen; h. wordt voldaan wordt aan de regels van afdeling 22.3. 3. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de inrichting van het terrein; b. de plaatsing van kampeermiddelen op het terrein; c. het aantal personen op het terrein. Artikel 21.15 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - kleinschalig kampeerterrein 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een kampeerterrein. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); b. het kleinschalig kampeerterrein wordt gesitueerd: 1. binnen het bouwvlak; of 2. in aansluiting op het bouwvlak, als realisatie (volledig) binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag niet mogelijk is; c. de bebouwde oppervlakte voor bebouwing voor deze voorziening, inclusief trekkershutten, is niet meer dan 100 m²; d. het aantal mobiel kampeervoertuigen, tenten en trekkershutten gezamenlijk is niet meer dan 30; e. voor trekkershutten wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. per 10 kampeerplaatsen is er niet meer dan 1 trekkershut; 2. de bebouwde oppervlakte per trekkershut is niet meer dan 35 m2; f. geen stacaravans of chalets worden gerealiseerd; g. de voorziening, voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs mogelijk is, wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing; h. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; i. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; j. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; k. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; l. er vindt naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; m. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen; n. wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3. 3. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder k. Artikel 21.16 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - mestbewerking 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een installatie voor mestbewerking, mestverwerking of mestvergisting. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. uitsluitend mest wordt bewerkt, verwerkt of vergist die van het eigen bedrijf afkomstig is; b. de hoeveelheid te verwerken mest op jaarbasis niet meer is dan 20.000 ton; c. de activiteiten uitsluitend plaatsvinden binnen het bouwvlak; d. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leiden tot onevenredige verkeerstoename; e. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag gelet op milieuhygiënische eisen inpasbaar zijn; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden. 3. Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder e wordt in elk geval voldaan aan de regels over geur als bedoeld in paragraaf 22.3.6. Artikel 21.17 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - nevenfuncties 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een nevenfunctie die niet is toegelaten volgens Artikel 21.7. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfunctie op oogpunt is naar het oordeel van het bevoegd gezag in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar met een toegelaten nevenfunctie als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3: 1. van de nevenfunctie als milieubelastende activiteit; 2. op de nevenfunctie van nabij gelegen milieubelastende activiteiten; b. er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt voor de nevenfunctie; c. de oppervlakte voor de nevenfunctie is niet meer dan 350 m²; d. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; e. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; g. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening. 3. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder f. Artikel 21.18 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – oppervlakte nevenfunctie 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nevenfunctie uit te oefenen waarbij een oppervlakte wordt gebruikt die groter is dan is toegelaten op grond van Artikel 21.7. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de nevenfunctie in bijlage 2 is aangeduid met ‘N’; b. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; c. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; d. niet meer dan 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor de nevenfunctie; e. de oppervlakte die wordt gebruikt voor de nevenfunctie is niet meer dan 750 m2; f. de nevenfunctie vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering; g. voor de grotere oppervlakte gebruik wordt gemaakt van fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen; h. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; i. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel ; j. parkeren en laden en lossen vindt plaats op eigen erf; k. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; l. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig geschaad; m. er vindt naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening. 3. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c. Artikel 21.19 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - plattelandswoning 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een plattelandswoning. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de plattelandswoning wordt gerealiseerd in het bouwvlak; b. de aanvraag betrekking heeft op een reeds aanwezige (tweede of derde) bedrijfswoning met dien verstande dat geen vergunning wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op: 1. de eerste bedrijfswoning; of 2. een bedrijfswoning behorend tot een intensief veehouderijbedrijf; c. het achterblijvende bedrijf economisch levensvatbaar is, hetzij zelfstandig, hetzij als onderdeel van een ander agrarisch bedrijf; d. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een goede luchtkwaliteit; e. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen. 3. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een luchtkwaliteitsonderzoeksrapport overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d. 4. Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat geen vervangende bedrijfswoning wordt gerealiseerd. Paragraaf 21.2.3 Bouwen Artikel 21.20 Bouwregels hobbymatig gebruik Het is verboden buiten het bouwvlak een bouwwerk te bouwen in de vorm van een stal, schuilgelegenheid of schuur bedoeld voor het hobbymatig houden van dieren of telen van gewassen als bedoeld in Artikel 21.5, eerste lid, aanhef en onder k. Artikel 21.21 Bouwregels gebouwen 1. Het is verboden een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak. 2. Nieuwe bedrijfsgebouwen en emissiepunten, beide behorend tot de niet-grondgebonden veehouderijtak, zijn alleen toegelaten op een afstand van minimaal 25 meter van een locatie waar de aanduiding Specifieke vorm van wonen – plattelandswoning ligt als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied. 3. De goothoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter. 4. De goothoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 3 meter. 5. De bouwhoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 12 meter. 6. De bouwhoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 6 meter. Artikel 21.22 Bouwregels bedrijfswoningen 1. Het is verboden een bedrijfswoning te bouwen buiten een bouwvlak. 2. Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten. 3. Het is verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw. 4. In het gebied Bedrijfswoning uitgesloten is het verboden een bedrijfswoning te realiseren. 5. De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³. 6. Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum. 7. Het hoofdgebouw mag een inhoud hebben die groter is dan de inhoud die is toegelaten op grond van het vijfde of zesde lid voor zover het meerdere wordt gebruikt voor agrarische bedrijfsactiviteiten anders dan wonen. 8. De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter. 9. De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter. Artikel 21.23 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – binnen het bouwvlak 1. Dit artikel geldt voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat wordt gebouwd binnen het bouwvlak. 2. De goothoogte van een mestsilo is maximaal 4 meter. 3. De bouwhoogte van een mestsilo is maximaal 8,5 meter. 4. De hoogte van een silo, anders dan een mestsilo, of een staande mestopslagtank is maximaal 12 meter. 5. De hoogte van een erfafscheiding is maximaal 3 meter. 6. De goothoogte van een hooiberg is maximaal 6 meter. 7. De bouwhoogte van een hooiberg is maximaal 9 meter. 8. De bebouwde oppervlakte van een hooiberg is maximaal 36 m2. 9. De hoogte van een verlichting- of vlaggenmast is maximaal 8 meter. 10. De hoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.5, is maximaal 3 meter. 11. De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het tweede tot en met tiende lid, is maximaal 6 meter. Artikel 21.24 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – buiten het bouwvlak 1. Het is verboden een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen buiten het bouwvlak, met uitzondering van de bouwwerken, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid. 2. Een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat is bedoeld voor agrarisch grondgebruik voldoet buiten het bouwvlak aan de volgende regels: a. de bouwhoogte is maximaal 3 meter; b. sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten, kassen en paardenbakken zijn niet toegelaten, behalve bestaand (bouwwerk) sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten en bestaand (bouwwerk) paardenbakken bedoeld voor: 1. een van de activiteiten bedoeld in Artikel 21.5 of Artikel 21.70; of 2. de bestemmingen ‘Agrarisch’, 'Wonen’, ‘Wonen – 1’, ‘Wonen- 2' of 'Wonen - Landhuis' die van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied. 3. De bouwhoogte van een perceelafscheiding buiten het bouwvlak is maximaal 1 meter. 4. De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak bedoeld voor het extensief recreatief medegebruik, zoals een bank, een wegwijzer of een picknicktafel is maximaal 2 meter. Artikel 21.25 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - mestsilo Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een mestsilo die hoger is dan is toegelaten volgens Artikel 21.23, wordt verleend als: a. de bouwhoogte van de mestsilo niet meer is dan de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf; b. de goothoogte van de mestsilo niet meer is dan de helft van de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf; c. de grotere hoogte naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.5; d. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld; e. de bouwactiviteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; f. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Artikel 21.26 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – mestsilo In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.25 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.25, aanhef en onder f. Artikel 21.27 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - paardenbak buiten bouwvlak 1. Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een paardenbak die in strijd is met Artikel 21.24. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.5 wordt verleend als: a. de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen het bouwvlak; b. de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend aan het eigen bouwvlak; c. wordt voldaan aan het vierde lid. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in eerste lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten bedoeld in Artikel 21.70 wordt verleend als: a. de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd in het gebied Wonen; b. de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend of binnen een afstand van 50 meter van de grens van het gebied, bedoeld onder a; c. wordt voldaan aan het vierde lid. 4. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede of derde lid wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte van de paardenbak niet meer is dan 1.500 m2; b. de afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden niet minder is dan 50 meter; c. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot extra (licht)hinder voor omwonenden; d. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; e. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden; g. wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten, bedoeld in paragraaf 22.3.6. 5. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing voor een paardenbak die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemming ‘Agrarisch’ die van toepassing is op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied. 6. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een paardenbak die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Wonen – 1’, ‘Wonen- 2' of 'Wonen - Landhuis' die van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied. Artikel 21.28 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – paardenbak buiten bouwvlak In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.27 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.27 aanhef en onder e. Artikel 21.29 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - schuilgelegenheid buiten bouwvlak 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid voor vee buiten het bouwvlak wordt verleend als: a. de bebouwing, gezien de specifieke situatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet binnen het bouwvlak kan worden geplaatst; b. de schuilgelegenheid wordt gebouwd op een terrein met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 1 hectare; c. de goothoogte niet meer is dan 2,5 meter; d. de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter; e. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer is dan 30 m2; f. de afstand van de schuilgelegenheid tot woningen van derden niet minder is dan 30 meter; g. realisatie van de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; h. de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel is gesitueerd en landschappelijk wordt ingepast 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor hobbydieren als bedoeld in Artikel 21.20. Artikel 21.30 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - sleufsilo buiten bouwvlak Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel22.26 die betrekking heeft op een sleufsilo die in strijd is met Artikel 21.24 wordt verleend als: a. situering van de sleufsilo binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is; b. de sleufsilo direct aangrenzend aan het bouwvlak wordt gebouwd; c. de hoogte van de sleufsilo niet meer is dan 2 meter; d. de oppervlakte van de sleufsilo niet meer is dan 500 m2; e. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. realisatie van de sleufsilo naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; g. wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten, bedoeld in paragraaf 22.3.6. Artikel 21.31 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – sleufsilo buiten bouwvlak In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.30 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.30, aanhef en onder e. Paragraaf 21.2.4 Aanleggen Artikel 21.32 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem; b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; c. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten; d. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²; e. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die kunnen leiden tot de dood of beschadiging van bomen; f. n.v.t. g. verwijderen van onverharde wegen en paden; h. het aanleggen van kuilvoer- en mestplaten buiten het bouwvlak. Artikel 21.33 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen Het verbod, bedoeld in Artikel 21.32, geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak; c. voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden; d. voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is. Artikel 21.34 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.32 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van: a. de bodemstructuur, het bodemniveau en de waterhuishouding; b. het reliëfrijke karakter van de bolle akkers; c. de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 21.3 Archeologische verwachting Paragraaf 21.3.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.35 Toepassingsbereik In deze afdeling staan regels over het gebied Archeologische verwachting 1, Archeologische verwachting 2 en Archeologische verwachting 3 verwachting. Paragraaf 21.3.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Paragraaf 21.3.3 Bouwen Artikel 21.36 Toegelaten activiteiten – archeologische verwachting In het gebied Archeologische verwachting mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties. Artikel 21.37 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1. In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk met een oppervlakte die groter is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie een rapport van archeologisch onderzoek overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld. 2. Het overleggen van een rapport is niet nodig als: a. de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de uitbreiding van de oppervlakte niet meer is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of d. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. Artikel 21.38 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.37 wordt alleen verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt gedaan of kan worden gedaan aan de archeologische waarden. 2. Voor zover het bevoegd gezag dat nodig acht, wordt, in aanvulling op het eerste lid, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat proefsleuvenonderzoek of een opgraving heeft plaatsgevonden. Artikel 21.39 Advies archeoloog Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.38 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Artikel 21.40 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Als uit het rapport, bedoeld in Artikel 21.37, eerste lid, of de andere beschikbare informatie, bedoeld in Artikel 21.37, tweede lid, aanhef en onder a, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Artikel 21.41 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting en het gebruik van gronden als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. Paragraaf 21.3.4 Aanleggen Artikel 21.42 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld over een oppervlakte met een oppervlakte die groter is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen; c. het verlagen van de bodem verlagen; d. het of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; e. het verlagen van het waterpeil; f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 21.43 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen Het verbod, bedoeld in Artikel 21.42, geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt; e. als de activiteit betrekking heeft op een rijksmonument; f. als is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, dan wel andere beschikbare informatie; g. voor werken en werkzaamheden als bedoeld in Artikel21.42, aanhef en onderdeel c of d, voor zover hiervoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit is vereist. Artikel 21.44 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.42 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast. Artikel 21.45 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.42 wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld. 2. Het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Artikel 21.46 Advies archeoloog Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.44 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Artikel 21.47 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het bevoegd gezag kan één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. Afdeling 21.4 Bedrijf Paragraaf 21.4.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.48 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Bedrijf (landelijk gebied). Paragraaf 21.4.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.49 toegelaten activiteiten – bedrijf In het gebied Bedrijf mogen gronden gebruikt worden voor: a. niet-agrarische bedrijven; b. detailhandel in zelf vervaardigde en/of voortgebrachte producten; c. parkeervoorzieningen, alleen op eigen terrein; d. groenvoorzieningen; e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop; h. bed & breakfast; i. grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie voor de eigen energievoorziening. Artikel 21.50 toegelaten activiteiten – niet-agrarisch bedrijf 1. Op de locatie Bedrijf Pluimersdijk 25-25B Halle Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten zijn een agrarisch loonbedrijf, akkerbouwbedrijf, landmechanisatiebedrijf en verhuur van werktuigen en landbouwmachines; b. de oppervlakte van het bedrijfsbebouwing, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(
- en)en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal 986 m2; c. buitenopslag vindt plaats op een oppervlakte van maximaal 1.446 m²; d. de toegestane hoogte buitenopslag is maximaal 4 meter. 2. Op de locatie Bedrijf Zanddijk 1 en 1a Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend toegelaten is een fouragehandel; b. de oppervlakte van het bedrijf, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(
- en)en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal 875 m2. Artikel 21.51 toegelaten activiteiten – buitenopslag, stalling en grondopslag 1. De oppervlakte voor buitenopslag is maximaal 250 m² tenzij anders aangegeven in Artikel 21.50. 2. De hoogte van buitenopslag is maximaal 2 meter, tenzij anders aangegeven in Artikel 21.50. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de buitenstalling van voertuigen en machines die worden gebruikt voor de eigen bedrijfsvoering en niet worden aangeboden ter reparatie, verhuur en/of verkoop. 4. Het tweede lid is niet van toepassing op de buitenstalling van voertuigen en machines. Artikel 21.52 toegelaten activiteiten – detailhandel 1. Het is toegelaten gronden te gebruiken voor detailhandel voor zover het betreft: a. detailhandel in zelf vervaardigde of voortgebrachte producten; b. verkoopactiviteiten als bedoeld in Artikel 21.50. 2. Detailhandel in zelf vervaardigde of voortgebrachte producten vindt uitsluitend plaats in bestaande gebouwen en met een oppervlakte van maximaal 25 m2. Artikel 21.53 Verboden gebruiks activiteiten De volgende activiteiten zijn altijd verboden: a. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. activiteiten waarop paragraaf 5.1.2 en bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn (risicoveroorzakende activiteiten). Artikel 21.54 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken: buitenopslag 1. Het is verboden gronden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor buitenopslag als de hoogte of de oppervlakte van de buitenopslag groter is dan toegelaten volgens Artikel 21.50. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de grotere oppervlakte dient ten behoeve van een gebiedsgebonden bedrijf; b. bij uitbreiding van de oppervlakte buitenopslag boven de 250 m2 of boven de in Artikel 21.50 opgenomen specifieke oppervlakte, per m2 uitbreiding buitenopslag 2 m2 sloop elders wordt gerealiseerd; c. de verruiming van de mogelijkheden naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefenen van de op de locatie toegelaten activiteiten; d. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Artikel 21.55 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - toegelaten functie 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning functieverandering te realiseren en gronden te gebruiken voor een niet-agrarisch bedrijf dat niet is toegelaten op grond van Artikel 21.50. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende activiteiten, anders dan detailhandel: a. een activiteit als bedoeld in bijlage 2; b. een activiteit die qua aard en omvang en invloed op het milieu vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3: 1. van de activiteit als milieubelastende activiteit; 2. op de activiteit van nabij gelegen milieubelastende activiteiten. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als is voldaan aan het tweede lid en: a. voor de oppervlakte van de bedrijfsactiviteitactiviteit wordt voldaan aan Artikel 21.50; b. de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag milieuhygiënisch inpasbaar zijn; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; d. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; e. parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf; f. de verkeersafwikkeling naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; g. naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; h. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden; i. de aanwezige waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; j. geen sprake is van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 4. Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan: a. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. de regels van afdeling 22.3. 5. In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder g. Artikel 21.56 Verplichtingen – landschappelijke inpassing Op de locatie Plangebied Zanddijk voldoet de inrichting van de openbare ruimte en de uitstraling van de gebouwen aan de Landschappelijke inpassing dat is opgenomen als bijlage Landschappelijke inpassing Zanddijk 1 en 1a Halle. Artikel 21.57 Verplichting - landschappelijke inpassing Op de locatie Plangebied Pluimersdijk 25-25B Halle voldoet de inrichting van de opebare ruimte en de uitstraling van de gebouwen aan de Landschappelijke inpassing dat is opgenomen als bijlage Landschappelijke inpassing Pluimersdijk 25-25B . Paragraaf 21.4.3 Bouwen Artikel 21.58 Bouwregels bedrijfsgebouwen - hoogte 1. De goothoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter. 2. De bouwhoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 10 meter Artikel 21.59 Bouwregels bedrijfswoningen - algemeen 1. Per functievlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten. 2. Het is verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw. 3. Het aantal bedrijfswoningen en de verdeling van de woningen over de hoofdgebouwen voldoet aan Artikel 21.60. 4. De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³. 5. Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum. 6. De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter. 7. De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter. Artikel 21.60 Bouwregels bedrijfswoningen – aantal en verdeling 1. Op de locatie Bedrijf Zanddijk 1 en 1a Halle zijn twee bedrijfswoningen toegelaten, verdeeld over twee hoofdgebouwen. Artikel 21.61 Bouwregels bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen – aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen 1. De bebouwde oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen per woning is maximaal 150 m2. 2. De goothoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 3 meter. 3. De bouwhoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 6 meter. Artikel 21.62 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1. De hoogte van een verlichting- of vlaggenmast is maximaal 8 meter. 2. De hoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.49is maximaal 3 meter. 3. De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het eerste en het tweede lid, is maximaal 6 meter. Artikel 21.63 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwen: oppervlakte 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing te realiseren met een oppervlakte groter dan is toegelaten volgens Artikel 21.50. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de uitbreiding niet meer is dan 10% van de oppervlakte als genoemd in Artikel 21.50; b. de uitbreiding van de bedrijfsfunctie naar het oordeel van het bevoegd gezag op verantwoorde wijze milieuhygiënisch inpasbaar is; c. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; d. voor wat betreft parkeren is voldaan aan Artikel 21.92; e. parkeren en laden en lossen plaatsvinden plaats op eigen erf; f. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd niet onevenredige wordt aangetast; g. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; h. voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden. 3. Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan de regels van afdeling 22.3. 4. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een inrichtingsplan landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder g. Paragraaf 21.4.4 Aanleggen Afdeling 21.5 Beschermingszone Natte Natuurparel Paragraaf 21.5.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.64 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel. Paragraaf 21.5.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.65 Toegelaten activiteiten – beperkingengebied natte natuurparel In het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die hogen bij andere hoofdfuncties. Paragraaf 21.5.3 Bouwen Paragraaf 21.5.4 Aanleggen Artikel 21.66 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm onder straatpeil een en ander voor zover geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit vereist is; b. aanleggen van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage; c. verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk. Artikel 21.67 Uitzonderingen op vergunningplicht aanleggen Het verbod, bedoel in Artikel 21.66, geldt niet voor: a. werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak; b. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met uitzondering van permanente teeltondersteunende voorzieningen. Artikel 21.68 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.66 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van: a. de waterhuishoudkundige situatie; b. de daarmee samenhangende (natuur)waarden. Afdeling 21.6 Wonen Paragraaf 21.6.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.69 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied Wonen (landelijk wonen). Paragraaf 21.6.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.70 Toegelaten activiteiten – wonen In het gebied Wonen mogen gronden worden gebruikt voor: a. woondoeleinden; b. aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop; c. bed & breakfast; d. parkeren; e. grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie bedoeld voor de eigen energievoorziening. Artikel 21.71 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - nevenfuncties 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor nevenfuncties. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende nevenfuncties: a. nevenfuncties als bedoeld in bijlage 2, met uitzondering van verblijfsrecreatie, detailhandel of horeca (anders dan een theetuin); b. activiteiten die in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder 2.a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3: 1. van de nevenfunctie als milieubelastende activiteit; 2. op de nevenfunctie van nabij gelegen milieubelastende activiteiten. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als is voldaan aan het tweede lid en: a. alleen bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen worden gebruikt en er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt ten behoeve van de nevenfunctie(s); b. alleen vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen worden gebruikt voor de nevenfunctie(s); c. niet meer dan 50% van deze bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de nevenfunctie(s), tot een maximum van 350 m2; d. de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij "overige gebouwen" bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; f. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; g. parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; i. de volgende waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast: 1. landschapselementen en kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap; 2. landschappelijke waarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ als bedoeld het bestemmingsplan Landelijk gebied; 3. landschappelijke en natuurwaarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’ als bedoeld in van het bestemmingsplan Landelijk gebied; j. de oppervlakte van een theetuin niet meer is dan 50 m2. Artikel 21.72 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – nevenfuncties In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.71 een inrichtingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.71, derde lid lid, aanhef en onder h. Artikel 21.73 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken – kleinschalig kampeerterrein 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een kampeerterrein. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’); b. het kampeerterrein wordt gerealiseerd op een locatie die is gelegen buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO); c. het kampeerterrein wordt gerealiseerd in het gebied Wonen; d. van de bebouwde oppervlakte wordt niet meer dan 100 m² gebruikt voor het kleinschalige kampeerterrein (inclusief trekkershutten); e. voor trekkershutten: 1. als niet meer dan 1 trekkershut wordt gerealiseerd per 10 kampeerplaatsen; 2. als de bebouwde oppervlakte per trekkershut niet meer is dan 35 m2; f. stacaravans of chalets zijn niet toegelaten; g. er wordt alleen gebruik gemaakt van bestaande legale bebouwing tenzij dit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gevergd; h. het aantal kampeerplaatsen, inclusief trekkershutten, niet meer is dan 30; i. het kampeerterrein wordt alleen gebruikt tijdens het kampeerseizoen; j. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; k. de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast; l. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet onevenredig geschaad; m. er is naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; n. de aanwezige waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig geschaad. 3. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inrichtingsplan wordt overgelegd. Paragraaf 21.6.3 Bouwen Artikel 21.74 Bouwregels gebouwen Het is verboden een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak. Artikel 21.75 Bouwregels ondergrondse gebouwen 1. Het is verboden ondergronds te bouwen op een locatie die is gelegen op meer dan 1 meter buiten bovengrondse gebouwen. 2. Een ondergronds gebouw heeft maximaal één bouwlaag ondergronds. Artikel 21.76 Bouwregels hoofdgebouwen 1. Per functievlak is maximaal één woning toegelaten. 2. Er zijn alleen vrijstaande woningen toegelaten. 3. De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de woning is gelegen, is maximaal 750 m³. 4. Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum. 5. De bouwhoogte van een hoofdgebouw is maximaal 10 meter. 6. De goothoogte van een hoofdgebouw is maximaal 4,5 meter. 7. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 3 meter. Artikel 21.77 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - herbouw woning) Herbouw van een woning is alleen toegelaten als: a. de woning is gebouwd in overeenstemming met de regels van dit omgevingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning om af te wijken van de regels van dit omgevingsplan; b. herbouw plaatsvindt op de bestaande bouwwijze; c. herbouw plaatsvindt met de bestaande situering. Artikel 21.78 Bouwregels bijbehorende bouwwerken – aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen 1. De bebouwde oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen per woning is maximaal 100 m2. 2. De goothoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 3 meter. 3. De bouwhoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 6 meter. 4. De afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de woning is maximaal 20 meter. Artikel 21.79 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – overkappingen 1. De bebouwde oppervlakte van overkappingen is per woning maximaal 30 m². 2. De bouwhoogte van een overkapping is maximaal 3 meter. 3. De afstand van een overkapping tot de woning is maximaal 20 meter. Artikel 21.80 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – hooiberg 1. De bebouwde oppervlakte voor hooibergen is per woning maximaal 36 m². 2. De goothoogte van een hooiberg is maximaal 6 meter. 3. De bouwhoogte van een hooiberg is maximaal 9 meter. 4. De afstand van een hooiberg tot de woning is maximaal 20 meter. Artikel 21.81 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – voor voorgevelrooilijn 1. Dit artikel geldt voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan een overkapping of een hooiberg, voor de voorgevelrooilijn. 2. De bouwhoogte van een pergola is maximaal 3 meter. 3. De bouwhoogte van een afrastering van landbouwgronden is maximaal 1,5 meter. 4. De bouwhoogte van een zwembad is maximaal 0,6 meter. 5. De bouwhoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.70 is maximaal 1 meter. 6. De bouwhoogte van een vlaggenmast is maximaal 8 meter. 7. De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het eerste tot en met zesde lid is maximaal 1 meter. Artikel 21.82 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – achter voorgevelrooilijn 1. Dit artikel geldt voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan een overkapping of een hooiberg, achter de voorgevelrooilijn. 2. De bouwhoogte van een zwembad is maximaal 0,6 meter. 3. De bouwhoogte van een vlaggenmast is maximaal 8 meter. 4. De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het tweede of derde lid is maximaal 3 meter. Artikel 21.83 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken – verplaatsing of herbouw woning buiten bestaande fundering 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op het verplaatsen of herbouwen van een woning en die in strijd is met Artikel 21.77wordt verleend: a. als er op enig punt aansluiting plaatsvindt ter plaatse van de bestaande funderingen (dit betekent dat de nieuwe situering van de te herbouwen woning in ieder geval dient aan te sluiten op de voormalige situering); b. als niet voldaan wordt aan onderdeel a en dat vanuit oogpunt van verkeersveiligheid naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is: de woning maximaal 20 meter buiten de bestaande fundamenten wordt gesitueerd; c. als de woning dichter bij de weg komt te staan: als wordt voldaan aan de standaardwaarde voor geluid van de weg op de woning voldoet aan artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. als de nieuwe situering naar het oordeel van het bevoegd gezag stedenbouwkundig en milieukundig aanvaardbaar is; e. als het landelijk karakter naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; f. als de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad. 2. Als de woning dichterbij de weg komt te staan, wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid een akoestisch rapport overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c. Artikel 21.84 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken – afwijkende bouwwijzen 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.76 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag advies in van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed. Artikel 21.85 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken – afwijkende bebouwde oppervlakte Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.78 wordt verleend als in samenhang met het bouwen sloop plaatsvindt van legaal aanwezige gebouwen op het eigen erf, volgens de volgende beoordelingsregels: a. er worden gebouwen gesloopt in het gebied Wonen; b. per aantal vierkante meters gesloopte oppervlakte, minus de al toegestane 100 m2, is 20% extra bebouwde oppervlakte toegelaten; c. de totale bebouwde oppervlakte is maximaal 375 m2. Artikel 21.86 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken – afwijkende hoogte bouwwerk, geen gebouw zijnde Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.81 of Artikel 21.82 wordt verleend als: a. de hoogte niet meer is dan 4 meter; b. de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten. Artikel 21.87 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering van nieuw op te richten bebouwing. Een maatwerkvoorschrift is gericht op de bescherming van de volgende landschaps- en natuurwaarden: a. landschapselementen en kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap; b. landschappelijke waarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied; c. landschappelijke en natuurwaarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied. Afdeling 21.7 Algemene regels Paragraaf 21.7.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.88 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat algemene regels voor het gebied Ontwikkelingen in de transitiefase Paragraaf 21.7.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.89 Toegelaten activiteiten – aan huis verbonden beroep of bedrijf Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop, gelden de volgende regels: a. als aan huis verbonden beroep is alleen toegelaten een beroep of het bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, cosmetisch of hiermee gelijk te stellen gebied, daaronder niet begrepen prostitutie; b. als aan huis verbonden bedrijf is alleen toegelaten het bedrijfsmatig verlenen van diensten, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, daaronder niet begrepen prostitutie of een seksinrichting; c. de activiteit past qua aard, omvang en uitstraling in de omgeving; d. de eigenaar van de aan huis verbonden activiteit is ook de bewoner van de (bedrijfs)woning; e. de bebouwing wordt in hoofdzaak gebruikt voor de functie die aan de locatie is toebedeeld met behulp van een gebiedsaanwijzing, en de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf is hieraan ondergeschikt; f. het geheel blijft het uiterlijk van een (bedrijfs)woning behouden; g. de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast; h. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; i. maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) word gebruikt tot een maximum van 50 m²; j. bij een aan huis verbonden bedrijf zijn alleen activiteiten toegelaten die vallen in de categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging in bijlage 4; k. detailhandel is verboden, met uitzondering van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met het aan huis verbonden beroep of bedrijf. Artikel 21.90 Toegelaten activiteiten – bed & breakfast Voor het uitoefenen van een bed & breakfast gelden de volgende regels: a. de bed & breakfast past qua aard, omvang en uitstraling in de omgeving; b. de eigenaar van de bed & breakfast is ook de bewoner van de (bedrijfs)woning; c. de bebouwing wordt in hoofdzaak gebruikt voor de functie die aan de locatie is toebedeeld met behulp van een gebiedsaanwijzing, en de uitoefening van de bed & breakfast is hieraan ondergeschikt; d. het geheel blijft het uiterlijk van een (bedrijfs)woning behouden; e. de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast; f. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; g. er zijn maximaal 2 gastenkamers; h. de gastenkamers hebben geen eigen kookgelegenheid; i. er is een gemeenschappelijke ruimte waar de gasten een door de eigenaar bereide maaltijd (ontbijt) kunnen nuttigen; j. detailhandel is verboden, met uitzondering van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de bed & breakfast. Artikel 21.91 Verboden gebruiksactiviteiten De volgende activiteiten zijn altijd verboden: a. het in gebruik geven, nemen of hebben van een bijgebouw voor permanente bewoning; b. het in gebruik geven, nemen en hebben van een recreatiewoning, groepsaccommodatie, recreatieappartement, chalet, mobiele kampeervoertuigen of bijgebouw ten behoeve van permanente bewoning; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan, storten of lozen van materialen anders dan het gebruik toestaat; d. het opslaan van materialen en goederen in de open lucht buiten het bouwvlak; e. het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting; f. het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorzieningen voor pot- en containerteelt in: 1. grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; 2. gebieden waar Artikel 21.64 van toepassing is; en 3. gebieden met de bestemming ‘Waarde – Beschermingszone natte natuurparel’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied; g. het gebruiken van gronden voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt of boomkwekerijen, waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet op de volgende locaties: 1. grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; 2. gebieden waar artikel Artikel 21.64 van toepassing is; 3. gebieden met de bestemming ‘Waarde – Beschermingszone natte natuurparel’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied; 4. een zone van 50 meter rondom de locaties waar Artikel 21.69 van toepassing is; 5. een zone van 50 meter rondom woonbestemmingen als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied. Artikel 21.92 Parkeren Bij het wisselen of toevoegen van functies van gebouwen en gronden vindt dit gewijzigde gebruik alleen plaats als ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen is voldaan aan de normering die is opgenomen in de 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst' die op dat moment van toepassing zijn Artikel 21.93 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken: bedrijfscategorie aan huis verbonden bedrijf 1. Dit artikel is van toepassing bij het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf als bedoeld in Artikel 21.89. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning bij een aan huis verbonden bedrijf een activiteit te verrichten die valt in categorie B van de bij de regels behorende Bijlage 4. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag qua aard, omvang en uitstraling past in de omgeving; b. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit milieuoogpunt geen bezwaar bestaat tegen de vestiging van het bedrijf; c. de activiteit aantoonbaar niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 4. Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan de regels van afdeling 22.3van dit omgevingsplan en wordt de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht genomen. Artikel 21.94 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - camperovernachtingsplaats 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een camperovernachtingsplaats. 2. Een omgevingsvergunning bedoeld als in het eerste lid wordt verleend als: a. het aantal camperplekken niet minder is dan 2 en niet meer is dan 8; b. het terrein eenvoudig is ingericht, zonder de extra faciliteiten van een camping; c. er tenminste stroom, water, vuilwaterafvoer en chemisch toiletafvoer aanwezig zijn; d. de verblijfsduur maximaal 72 uur aaneengesloten is; e. de voorziening het gehele jaar open is; f. de locatie goed bereikbaar is; g. het terrein alleen toegankelijk is voor camper(bezitter)s; h. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; i. het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk en niet sociaal controleerbaar is; j. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu van de omgeving; k. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; l. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving; m. er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse; n. voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.92; o. de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen; p. voldaan wordt aan de regels van afdeling 22.3. 3. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de plaatsing van campers op het terrein; b. het aantal campers op het terrein; c. het aantal personen op het terrein. Artikel 21.95 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiken - zonne-installatie 1. In het gebied Agrarisch is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden buiten een bouwvlak te gebruiken voor een grondgebonden zonne-installatie. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid voor een zonne-installatie in het gebied Agrarisch, ten dienste van een agrarisch bedrijf, wordt verleend als: a. de zonne-installatie wordt geplaatst op een locatie buiten het bouwvlak die zoveel mogelijk direct grenst aan het bouwvlak; b. wordt voldaan aan het vijfde lid. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid voor een zonne-installatie in het gebied Agrarisch, ten dienste van een particulier of onderneming in het gebied Wonen of Bedrijf, wordt verleend als: a. de zonne-installatie wordt geplaatst op een locatie die zoveel mogelijk direct grenst aan dat gebied; b. wordt voldaan aan het vijfde lid. 4. [Gereserveerd] 5. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als: a. de installatie ten dienste staat van een woning of bedrijfswoning die of een bedrijfsgebouw dat is toegelaten in een van de gebieden Agrarisch, Bedrijf of Wonen; b. de aanwezige daken van woning(
- en)en (bedrijfs)gebouwen zijn door vorm, constructie, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende geschikt om zonnepanelen op te bevestigen, of deze ruimte is al benut; c. de installatie bedoeld is voor de eigen energievoorziening; d. de gezamenlijke oppervlakte van zonne-installaties niet meer is dan 100 m2 vergunninghouder; e. de bouwhoogte van de installatie is maximaal 3 meter; f. de zonne-installaties staan op een afstand van minimaal 10 meter tot waterlopen en openbaar toegankelijk gebied; g. de geschatte opbrengst in kilowattuur niet meer is dan ten hoogste het eigen geschatte verbruik van gebouwen, bedoeld in onderdeel a; h. er voor de installatie geen bomen worden gekapt; i. de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig geschaad; j. de milieusituatie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast; k. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; l. het terrein waarop de zonne-installaties staan, wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing die naar het oordeel van het bevoegd gezag meerwaarde heeft voor de biodiversiteit; m. voor zover sprake is van liggend grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden. Paragraaf 21.7.3 Bouwen Artikel 21.96 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 21.97 Bouwwerken – bouwhoogte vanwege laagvlieggebied In het gebied Laagvliegroute geldt een laagvliegroute voor straaljagers en is geen bebouwing hoger dan 40 meter toegestaan. Artikel 21.98 Afwijkende bestaande maatvoeringen 1. Een regel in dit omgevingsplan over de maatvoering van een bouwwerk geldt niet voor een bouwwerk waarvan de maatvoering al afwijkt van die regel op het moment dat die regel voor de desbetreffende locatie van toepassing wordt. In dat geval geldt de werkelijke maatvoering als de bedoelde minimale of maximale maat. 2. Het eerste lid geldt alleen als de werkelijke maatvoering in overeenstemming was met de regels die op die locatie van toepassing waren voor het moment, bedoeld in het eerste lid, met in begrip van een onherroepelijke omgevingsvergunning om af te wijken van die regels. Artikel 21.99 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - afwijkende maatvoering 1. Dit artikel geldt in de gebieden Agrarisch, Bedrijf en Wonen. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwwerk waarvan de maten afwijken van de regels in Afdeling 21.2, Afdeling 21.4 of Afdeling 21.6 wordt verleend als: a. de afwijking niet meer is dan 10% van de genoemde maten; b. als de afwijking betrekking heeft op een bouwwerk voor een milieubelastende activiteit: bij het gebruik van dat bouwwerk wordt voldaan aan afdeling 22.3; en c. wordt voldaan aan het derde lid. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; e. geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; f. sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; g. voor zover er sprake is van ligging in of grenzen aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden. 4. In aanvulling op het derde lid afwijking van het tweede lid wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit met betrekking tot een (bedrijfswoning) alleen verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangewezen / noodzakelijk is met het oog op: a. duurzaamheid; b. toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking; c. het verkrijgen van een levensloopbestendige woning; of d. het verkrijgen van een energieneutrale woning. Artikel 21.100 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken – afwijkende maatvoering In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.99 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.99, derde lid, aanhef en onder f. Artikel 21.101 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - herbouw bedrijfswoning 1. Dit artikel geldt in de gebieden Agrarisch en Bedrijf. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op de herbouw van een bedrijfswoning wordt verleend als toegelaten als: a. de bedrijfswoning is gebouwd in overeenstemming met de regels van dit omgevingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning om af te wijken van de regels van dit omgevingsplan; b. herbouw plaatsvindt op de bestaande bouwwijze; c. de bedrijfswoning niet dichter bij de weg wordt gebouwd; d. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad. 3. Als de bedrijfswoning dichter bij de weg wordt gebouwd, wordt, in afwijking van het tweede lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning verleend als het geluid van de weg op de bedrijfswoning voldoet aan de standaardwaarde voor dat geluid, bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving en naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de nieuwe situering van de bedrijfswoning stedenbouwkundig, milieukundig en vanuit oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is; b. het landelijk karakter door de herbouw niet onevenredig wordt aangetast. Artikel 21.102 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - herbouw bedrijfswoning In aanvulling op artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.101, derde lid een akoestisch onderzoek verstrekt met het oog op de daar bedoelde beoordeling. Artikel 21.103 Specifieke beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - windturbine 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een windturbine voor de eigen energievoorziening van een Agrarisch bedrijf wordt verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op een windturbine die op de grond bevestigd is en een ashoogte heeft van maximaal 25 meter (‘kleine windturbine’), of een windturbine die op een gebouw wordt geplaatst met een maximale hoogte van 3 meter gemeten vanaf het dakvlak (‘mini-windturbine’); b. de windturbine wordt gerealiseerd: 1. in het bouwvlak; of 2. als realisatie binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gevergd is: op een afstand van niet meer dan 100 meter van de grens van het bouwvlak; 3. wordt voldaan aan het vierde en vijfde lid. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel22.26 die betrekking heeft op een windturbine voor de eigen energievoorziening van een onderneming op een locatie in het gebied Bedrijf, wordt verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op een windturbine die op de grond bevestigd is en een ashoogte heeft van maximaal 25 meter (‘kleine windturbine’), of een windturbine die op een gebouw wordt geplaatst met een maximale hoogte van 3 meter gemeten vanaf het dakvlak (‘mini-windturbine’); b. de windturbine wordt gerealiseerd: 1. in het gebied Bedrijf; of 2. als realisatie in dat gebied naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gevergd: in het gebied Agrarisch, op een afstand van niet meer dan 100 meter van de grens van het gebied Bedrijf; 3. wordt voldaan aan het vierde en vijfde lid. 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een windturbine voor de eigen energievoorziening van een particulier of onderneming in het gebied Overige toegelaten locaties windturbines, wordt verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op een windturbine die op de grond bevestigd is en een ashoogte heeft van maximaal 25 meter (‘kleine windturbine’), of een windturbine die op een gebouw wordt geplaatst met een maximale hoogte van 3 meter gemeten vanaf het dakvlak (‘mini-windturbine’); b. de windturbine wordt gerealiseerd: 1. in het gebied Overige toegelaten locaties windturbines; of 2. als realisatie in dat gebied naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gevergd: in het gebied Agrarisch, op een afstand van niet meer dan 100 meter van de (bedrijfs)woning(
- en)of, als geen woning aanwezig, de bebouwing van de vergunninghouder in het gebied Overige toegelaten locaties windturbines; 3. wordt voldaan aan het vierde lid en vijfde lid. 4. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een windturbine als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt alleen verleend als: a. per vergunninghouder niet meer dan twee kleine windturbines worden geplaatst; b. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen in de omgeving; c. de afstand tussen de windturbine en de aanduiding ‘hartlijn leiding-gas’ niet minder is dan de ashoogte van de windturbine plus 1/3 van de wieklengte; d. er dient een vrije ruimte aangehouden te worden die minimaal gelijk of groter is dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is ashoogte plus 1/2 rotordiameter, van de betreffende windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; e. de afstand tussen de windturbine en de aanduiding ‘hartlijn leiding-hoogspanningsverbinding’ niet minder is dan de ashoogte van de windturbine plus de wieklengte daarvan, waarbij de afstand die volgt uit onderdeel d doorslaggevend is; f. nadelige effecten op vleermuizen en vogels naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn uitgesloten; g. de afstand tussen een windturbine buiten het bouwvlak en het dichtstbijzijnde erf van derden niet minder is dan 100 meter; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening; i. voor zover sprake is van liggend grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden. 5. Voor zover niet wordt voldaan aan het vierde lid, aanhef en onder c of e wordt de vergunning alleen verleend als het plaatsgebonden risico niet toeneemt. Artikel 21.104 Specifieke aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - windturbine In aanvulling op artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.103 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een quickscan flora en fauna met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.103, vierde lid, aanhef en onder f; b. een risico-onderzoek met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.103, vijfde lid. Artikel 21.105 Advies binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken - windturbine Het bevoegd gezag wint advies in van de betrokken leidingbeheerder met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.103. Artikel 21.106 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwen: woningsplitsing 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te splitsen als dat ertoe leidt dat meer woningen worden gerealiseerd dan is toegelaten op grond van Artikel 21.76. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de woningsplitsing zich beperkt tot het eenmalig creëren van één extra woning binnen de contouren van een hoofdgebouw, waar al een verblijfsobject met een woonfunctie aanwezig is; b. de gezamenlijke inhoud van de twee woningen na splitsing niet meer is dan 750 m³ (als het bestaande hoofdgebouw een grotere inhoud heeft dan 750 m³ geldt deze grotere inhoud als maximum); c. waardevolle bouwvormen en karakteristieke elementen van een gemeentelijk of rijksmonument en eventuele (monumentale) bijgebouwen gehandhaafd blijven; d. woningsplitsing naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- of leefklimaat en van de in de omgeving aanwezige functies en waarden; e. er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; f. er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de Woonvisie 2019 – 2025 zoals deze luidt op het moment dat de vergunning wordt verleend. 3. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder f. 4. Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat elke woning na splitsing recht heeft op 100 m² aan bijgebouwen en dat het meerdere wordt gesloopt. Voor zover bij recht een grotere oppervlakte is toegestaan op grond van het omgevingsplan wordt die oppervlakte in het voorschrift opgenomen. 5. De oppervlakte, bedoeld in het vierde lid is inclusief de oppervlakte van eventuele feitelijk aanwezige monumentale en/of karakteristieke bijgebouwen. Sloop van monumentale en/of karakteristieke bijgebouwen is niet toegelaten. Artikel 21.107 Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwwerk te bouwen in de volgende zone: a. 5 meter aan beide kanten van een A-watergang. Afdeling 21.8 Overgangsrecht Paragraaf 21.8.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.108 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat overgangsrecht voor het gebied Ontwikkelingen in de transitiefase. Paragraaf 21.8.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.109 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een regel in het omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid geldt niet voor het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan zoals het voorheen op die locatie van toepassing was, daaronder begrepen het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de overgangsbepalingen daarin. Paragraaf 21.8.3 Bouwen Artikel 21.110 Overgangsrecht bestaande bouwwerken 1. Een bouwwerk dat aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning voor het bouwen, op het tijdstip dat een regel in het omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie, en afwijkt van die regel, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het eerste lid is geldt niet voor een bouwwerk dat weliswaar bestaat op het tijdstip dat het omgevingsplan op de desbetreffende locatie van toepassing wordt, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd met de daarvoor geldende regels in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand 1. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering. 4. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. 5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan. 4. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend. 5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voork