Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Waalre (Waalre)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan regelt de fysieke leefomgeving binnen de gemeente Waalre, met als doel het waarborgen van veiligheid, gezondheid en milieu, en het beschermen van diverse waarden. Het stelt regels vast voor activiteiten en bouwwerken, en wijst gebieden aan met specifieke waarden of beperkingen.

Voor wie: Iedereen die activiteiten verricht binnen het grondgebied van de gemeente Waalre; Eigenaren en gebruikers van bouwwerken en gronden in de gemeente Waalre.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
591
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van het plan.
  • Welke activiteiten zijn toegestaan en welke niet, tenzij anders bepaald in specifieke wetgeving.
  • Gebieden met specifieke waarden of beperkingen, zoals parkeerzones, welstandsgebieden en archeologisch waardevolle gebieden.
  • De doelen van het omgevingsplan, gericht op onder andere veiligheid, gezondheid, milieu en erfgoed.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die activiteiten verricht binnen het grondgebied van de gemeente Waalre.
  • Eigenaren en gebruikers van bouwwerken en gronden in de gemeente Waalre.

Wat zijn de kernpunten?

  • Afstanden worden loodrecht gemeten, hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, en maten buitenwerks, waarbij ondergeschikte bouwdelen tot 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  • Activiteiten die niet in dit omgevingsplan zijn benoemd en een effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn niet toegestaan, tenzij ze onder bijzondere wetgeving vallen of door andere overheidsorganen zijn toegestaan.
  • De regels gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Waalre, tenzij anders bepaald.
  • Het is verboden om een hyperscale datacentrum te bouwen of bouwwerken of gronden hiervoor te gebruiken.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (591)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 1.2
  3. Artikel 1.3
  4. Artikel 1.4
  5. Artikel 1.5
  6. Artikel 1.6
  7. Artikel 1.7
  8. Artikel 1.8
  9. Artikel 2.1
  10. Artikel 3.1
  11. § 3.2.1
  12. Artikel 3.2
  13. Artikel 3.3
  14. Artikel 3.4
  15. Artikel 3.5
  16. Artikel 3.6
  17. Artikel 3.7
  18. Artikel 3.8
  19. § 3.2.2
  20. Artikel 3.9
  21. Artikel 3.10
  22. Artikel 3.11
  23. Artikel 3.12
  24. Artikel 3.13
  25. § 3.2.3
  26. Artikel 3.14
  27. Artikel 3.15
  28. Artikel 3.16
  29. Artikel 3.17
  30. Artikel 3.18
  31. Artikel 3.19
  32. § 3.2.4
  33. § 3.2.4.1
  34. Artikel 3.20
  35. Artikel 3.21
  36. Artikel 3.22
  37. Artikel 3.23
  38. Artikel 3.24
  39. Artikel 3.25
  40. Artikel 3.26
  41. Artikel 3.27
  42. § 3.2.4.2
  43. Artikel 3.28
  44. Artikel 3.29
  45. Artikel 3.30
  46. § 3.2.4.3
  47. Artikel 3.31
  48. Artikel 4.1
  49. Artikel 4.2
  50. Artikel 4.3
  51. Artikel 4.4
  52. § 4.2.1
  53. Artikel 4.5
  54. § 4.2.2
  55. Artikel 4.6
  56. § 4.2.3
  57. Artikel 4.7
  58. § 4.2.4
  59. Artikel 4.8
  60. § 4.3.1
  61. Artikel 4.9
  62. § 4.3.2
  63. Artikel 4.10
  64. § 4.3.3
  65. Artikel 4.11
  66. § 4.3.4
  67. Artikel 4.12
  68. § 4.4.1
  69. Artikel 4.13
  70. § 4.4.2
  71. Artikel 4.14
  72. § 4.4.3
  73. Artikel 4.15
  74. § 4.6.1
  75. Artikel 4.16
  76. § 4.6.2
  77. Artikel 4.17
  78. § 4.6.3
  79. § 4.7.1
  80. Artikel 4.18
  81. § 4.7.2
  82. Artikel 4.19
  83. § 4.7.3
  84. Artikel 4.20
  85. § 4.7.4
  86. Artikel 4.21
  87. § 4.8.1
  88. Artikel 4.22
  89. § 4.8.2
  90. Artikel 4.23
  91. § 4.8.3
  92. § 4.8.4
  93. Artikel 4.24
  94. § 4.9.1
  95. Artikel 4.25
  96. § 4.9.2
  97. Artikel 4.26
  98. § 4.9.3
  99. Artikel 4.27
  100. § 4.10.1
  101. Artikel 4.28
  102. § 4.10.2
  103. Artikel 4.29
  104. § 4.10.3
  105. § 4.11.1
  106. Artikel 4.30
  107. § 4.11.2
  108. Artikel 4.31
  109. Artikel 4.32
  110. Artikel 4.33
  111. § 4.11.3
  112. Artikel 4.34
  113. Artikel 4.35
  114. § 4.11.4
  115. § 4.12.1
  116. § 4.12.2
  117. § 4.12.3
  118. § 5.1.1
  119. Artikel 5.1
  120. Artikel 5.2
  121. Artikel 5.3
  122. § 5.1.2
  123. Artikel 5.4
  124. § 5.1.3
  125. Artikel 5.5
  126. § 5.1.4
  127. § 5.1.5
  128. § 5.2.1
  129. § 5.2.2
  130. § 5.2.2.1
  131. § 5.2.2.2
  132. § 5.2.3
  133. § 5.2.4
  134. § 5.2.4.1
  135. § 5.2.5
  136. § 5.2.5.1
  137. § 5.2.5.2
  138. § 5.3.1
  139. § 5.3.2
  140. § 5.3.3
  141. § 5.3.4
  142. § 5.4.1
  143. § 5.4.2
  144. § 5.4.3
  145. § 5.6.1
  146. § 5.6.2
  147. § 5.6.3
  148. § 5.6.4
  149. § 5.6.5
  150. § 5.6.6
  151. § 5.6.7
  152. § 5.6.8
  153. § 5.6.9
  154. § 5.6.10
  155. Artikel 5.70
  156. Artikel 6.1
  157. Artikel 6.2
  158. § 6.2.1
  159. Artikel 6.3
  160. § 6.2.2
  161. Artikel 6.4
  162. § 6.2.3
  163. Artikel 6.5
  164. § 6.3.1
  165. Artikel 6.6
  166. § 6.3.2
  167. Artikel 6.7
  168. § 6.3.3
  169. Artikel 6.8
  170. § 6.4.1
  171. Artikel 6.9
  172. § 6.4.2
  173. Artikel 6.10
  174. § 6.4.3
  175. Artikel 6.11
  176. § 6.5.1
  177. Artikel 6.12
  178. § 6.5.2
  179. Artikel 6.13
  180. § 6.5.3
  181. Artikel 6.14
  182. § 6.6.1
  183. Artikel 6.15
  184. § 6.6.2
  185. Artikel 6.16
  186. § 6.6.3
  187. Artikel 6.17
  188. Artikel 6.18
  189. Artikel 6.19
  190. Artikel 10.1
  191. Artikel 10.2
  192. Artikel 10.3
  193. Artikel 10.4
  194. Artikel 10.5
  195. Artikel 10.6
  196. § 11.1.1
  197. Artikel 11.1
  198. Artikel 11.2
  199. Artikel 11.3
  200. Artikel 11.4
  201. § 11.1.2
  202. Artikel 11.5
  203. Artikel 11.6
  204. § 11.1.3
  205. Artikel 11.7
  206. Artikel 22.1
  207. Artikel 22.2
  208. Artikel 22.3
  209. § 22.2.1
  210. Artikel 22.4
  211. § 22.2.2
  212. Artikel 22.5
  213. Artikel 22.6
  214. § 22.2.3
  215. Artikel 22.7
  216. Artikel 22.8
  217. Artikel 22.9
  218. Artikel 22.10
  219. Artikel 22.11
  220. Artikel 22.12
  221. Artikel 22.13
  222. Artikel 22.14
  223. Artikel 22.15
  224. § 22.2.4
  225. Artikel 22.16
  226. Artikel 22.17
  227. Artikel 22.18
  228. § 22.2.5
  229. Artikel 22.19
  230. Artikel 22.20
  231. Artikel 22.21
  232. § 22.2.6
  233. Artikel 22.22
  234. § 22.2.7
  235. § 22.2.7.1
  236. Artikel 22.23
  237. Artikel 22.24
  238. Artikel 22.25
  239. § 22.2.7.2
  240. Artikel 22.26
  241. Artikel 22.27
  242. Artikel 22.28
  243. Artikel 22.29
  244. Artikel 22.30
  245. Artikel 22.31
  246. Artikel 22.32
  247. Artikel 22.33
  248. Artikel 22.34
  249. Artikel 22.35
  250. § 22.2.7.3
  251. Artikel 22.36
  252. Artikel 22.37
  253. Artikel 22.38
  254. Artikel 22.39
  255. § 22.2.8
  256. Artikel 22.40
  257. § 22.3.1
  258. Artikel 22.41
  259. Artikel 22.42
  260. Artikel 22.43
  261. Artikel 22.44
  262. Artikel 22.45
  263. Artikel 22.46
  264. Artikel 22.47
  265. Artikel 22.48
  266. Artikel 22.49
  267. Artikel 22.50
  268. § 22.3.2
  269. Artikel 22.51
  270. Artikel 22.52
  271. Artikel 22.52a
  272. § 22.3.3
  273. Artikel 22.53
  274. § 22.3.4
  275. § 22.3.4.1
  276. Artikel 22.54
  277. Artikel 22.55
  278. Artikel 22.56
  279. Artikel 22.57
  280. Artikel 22.58
  281. Artikel 22.59
  282. Artikel 22.60
  283. Artikel 22.61
  284. Artikel 22.61a
  285. § 22.3.4.2
  286. Artikel 22.62
  287. Artikel 22.62a
  288. Artikel 22.63
  289. Artikel 22.64
  290. Artikel 22.65
  291. Artikel 22.66
  292. Artikel 22.67
  293. Artikel 22.68
  294. Artikel 22.69
  295. Artikel 22.70
  296. Artikel 22.71
  297. Artikel 22.72
  298. Artikel 22.73
  299. Artikel 22.74
  300. § 22.3.4.3
  301. Artikel 22.75
  302. Artikel 22.76
  303. Artikel 22.77
  304. Artikel 22.78
  305. § 22.3.4.4
  306. Artikel 22.79
  307. Artikel 22.80
  308. Artikel 22.81
  309. Artikel 22.82
  310. § 22.3.5
  311. Artikel 22.83
  312. Artikel 22.84
  313. Artikel 22.85
  314. Artikel 22.86
  315. Artikel 22.87
  316. Artikel 22.88
  317. Artikel 22.89
  318. § 22.3.6
  319. § 22.3.6.1
  320. Artikel 22.90
  321. Artikel 22.91
  322. Artikel 22.92
  323. Artikel 22.93
  324. Artikel 22.94
  325. Artikel 22.95
  326. § 22.3.6.2
  327. Artikel 22.96
  328. Artikel 22.97
  329. Artikel 22.98
  330. Artikel 22.99
  331. Artikel 22.100
  332. Artikel 22.101
  333. Artikel 22.102
  334. Artikel 22.103
  335. Artikel 22.104
  336. Artikel 22.105
  337. § 22.3.6.3
  338. Artikel 22.106
  339. Artikel 22.107
  340. Artikel 22.108
  341. Artikel 22.109
  342. Artikel 22.110
  343. Artikel 22.111
  344. Artikel 22.112
  345. Artikel 22.113
  346. § 22.3.6.4
  347. Artikel 22.114
  348. Artikel 22.115
  349. Artikel 22.116
  350. Artikel 22.117
  351. Artikel 22.118
  352. Artikel 22.119
  353. Artikel 22.120
  354. § 22.3.6.5
  355. Artikel 22.121
  356. Artikel 22.122
  357. Artikel 22.123
  358. Artikel 22.124
  359. § 22.3.7
  360. § 22.3.7.1
  361. Artikel 22.125
  362. Artikel 22.126
  363. § 22.3.7.2
  364. Artikel 22.127
  365. Artikel 22.128
  366. Artikel 22.129
  367. Artikel 22.130
  368. § 22.3.7.3
  369. Artikel 22.131
  370. Artikel 22.132
  371. § 22.3.7.4
  372. Artikel 22.133
  373. Artikel 22.134
  374. Artikel 22.135
  375. Artikel 22.136
  376. § 22.3.8
  377. § 22.3.8.1
  378. Artikel 22.137
  379. Artikel 22.138
  380. Artikel 22.139
  381. Artikel 22.140
  382. Artikel 22.141
  383. § 22.3.8.2
  384. Artikel 22.142
  385. Artikel 22.143
  386. Artikel 22.144
  387. § 22.3.8.3
  388. Artikel 22.145
  389. Artikel 22.146
  390. Artikel 22.147
  391. Artikel 22.148
  392. Artikel 22.149
  393. Artikel 22.150
  394. § 22.3.8.4
  395. Artikel 22.151
  396. Artikel 22.152
  397. Artikel 22.153
  398. § 22.3.8.5
  399. Artikel 22.154
  400. Artikel 22.155
  401. § 22.3.8.6
  402. Artikel 22.156
  403. Artikel 22.157
  404. Artikel 22.158
  405. Artikel 22.159
  406. Artikel 22.160
  407. Artikel 22.161
  408. § 22.3.8.7
  409. Artikel 22.162
  410. Artikel 22.163
  411. Artikel 22.164
  412. § 22.3.8.8
  413. Artikel 22.165
  414. Artikel 22.166
  415. § 22.3.8.9
  416. Artikel 22.167
  417. Artikel 22.168
  418. Artikel 22.169
  419. § 22.3.9
  420. Artikel 22.170
  421. Artikel 22.171
  422. Artikel 22.172
  423. Artikel 22.173
  424. Artikel 22.174
  425. Artikel 22.175
  426. Artikel 22.176
  427. § 22.3.10
  428. Artikel 22.177
  429. Artikel 22.178
  430. Artikel 22.179
  431. Artikel 22.180
  432. § 22.3.11
  433. Artikel 22.181
  434. Artikel 22.182
  435. Artikel 22.183
  436. Artikel 22.184
  437. § 22.3.12
  438. Artikel 22.185
  439. Artikel 22.186
  440. Artikel 22.187
  441. § 22.3.13
  442. Artikel 22.188
  443. Artikel 22.189
  444. Artikel 22.190
  445. Artikel 22.191
  446. § 22.3.14
  447. Artikel 22.192
  448. Artikel 22.193
  449. Artikel 22.194
  450. Artikel 22.195
  451. § 22.3.15
  452. Artikel 22.196
  453. Artikel 22.197
  454. Artikel 22.198
  455. Artikel 22.199
  456. § 22.3.16
  457. Artikel 22.200
  458. Artikel 22.201
  459. § 22.3.17
  460. Artikel 22.202
  461. Artikel 22.203
  462. Artikel 22.204
  463. Artikel 22.205
  464. Artikel 22.206
  465. Artikel 22.207
  466. Artikel 22.208
  467. Artikel 22.209
  468. Artikel 22.210
  469. Artikel 22.211
  470. Artikel 22.212
  471. Artikel 22.213
  472. § 22.3.18
  473. Artikel 22.214
  474. Artikel 22.215
  475. Artikel 22.216
  476. Artikel 22.217
  477. Artikel 22.218
  478. Artikel 22.219
  479. Artikel 22.220
  480. § 22.3.19
  481. Artikel 22.221
  482. Artikel 22.222
  483. Artikel 22.223
  484. § 22.3.20
  485. Artikel 22.224
  486. Artikel 22.225
  487. Artikel 22.226
  488. § 22.3.21
  489. Artikel 22.227
  490. Artikel 22.228
  491. Artikel 22.229
  492. Artikel 22.230
  493. Artikel 22.231
  494. Artikel 22.232
  495. Artikel 22.233
  496. Artikel 22.234
  497. Artikel 22.235
  498. Artikel 22.236
  499. § 22.3.22
  500. Artikel 22.237
  501. Artikel 22.238
  502. Artikel 22.239
  503. § 22.3.23
  504. Artikel 22.240
  505. Artikel 22.241
  506. Artikel 22.242
  507. Artikel 22.243
  508. Artikel 22.244
  509. Artikel 22.245
  510. § 22.3.24
  511. Artikel 22.246
  512. Artikel 22.247
  513. Artikel 22.248
  514. Artikel 22.249
  515. Artikel 22.250
  516. Artikel 22.251
  517. § 22.3.25
  518. Artikel 22.252
  519. Artikel 22.253
  520. Artikel 22.254
  521. Artikel 22.255
  522. Artikel 22.256
  523. Artikel 22.257
  524. § 22.3.26
  525. Artikel 22.258
  526. Artikel 22.259
  527. Artikel 22.260
  528. Artikel 22.261
  529. Artikel 22.262
  530. Artikel 22.263
  531. Artikel 22.264
  532. Artikel 22.265
  533. Artikel 22.266
  534. Artikel 22.267
  535. Artikel 22.268
  536. Artikel 22.269
  537. Artikel 22.270
  538. Artikel 22.271
  539. Artikel 22.272
  540. Artikel 22.273
  541. Artikel 22.274
  542. Artikel 22.275
  543. Artikel 22.276
  544. § 22.5.1
  545. Artikel 22.277
  546. Artikel 22.278
  547. Artikel 22.279
  548. Artikel 22.280
  549. Artikel 22.281
  550. Artikel 22.282
  551. § 22.5.2
  552. § 22.5.2.1
  553. Artikel 22.283
  554. § 22.5.2.2
  555. Artikel 22.284
  556. Artikel 22.285
  557. § 22.5.2.3
  558. Artikel 22.286
  559. § 22.5.2.4
  560. Artikel 22.287
  561. Artikel 22.288
  562. Artikel 22.289
  563. Artikel 22.290
  564. Artikel 22.291
  565. Artikel 22.292
  566. Artikel 22.293
  567. Artikel 22.294
  568. Artikel 22.295
  569. Artikel 22.296
  570. Artikel 22.297
  571. Artikel 22.298
  572. Artikel 22.299
  573. Artikel 22.300
  574. Artikel 22.301
  575. § 22.5.2.5
  576. Artikel 22.302
  577. § 22.5.3
  578. Artikel 22.303
  579. Artikel 23.1
  580. Artikel 4.37
  581. Artikel 4.38
  582. Artikel 4.39
  583. Artikel 4.40
  584. Artikel 4.41
  585. Artikel 4.42
  586. Artikel 5.18
  587. Artikel 5.41
  588. Artikel 5.55
  589. Artikel 5
  590. Artikel 5.11
  591. Artikel 5.28

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696428 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0866/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-04-08 2025-04-08 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696428/nld@2025-05-07 /join/id/proces/gm0866/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0866/2023/doel_355_b046213c07b7471282d8549d56e877fa /join/id/proces/gm0866/2025/doel_80_29eb636b578549a38f6fef4c9cb14c9a 2025-05-07 2025-05-07 /akn/nl/act/gm0866/2020/omgevingsplan/nld@2025-04-08;2 /akn/nl/act/gm0866/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0866/2020/omgevingsplan/nld@2025-04-08;2 /join/id/stop/work_019 1-0 Omgevingsplan gemeente Waalre

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

AFDELING 1.1

Begrippen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1 Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.

2 Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

Artikel 1.2Algemene meet- en rekenbepalingen

1 Voor de toepassing van dit omgevingsplan worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd: a. de waarden die in m of m2 zijn uitgedrukt, worden op de volgende wijze gemeten:

1.afstanden loodrecht;
2.hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 3. maten buitenwerks, waarbij ondergeschikte bouwdelen tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven. b. voor de toepassing van sub a aanhef en onder 2, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is; c. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat de goothoogte van een woonwagen/woonwagenwoning wordt gemeten vanaf aansluitend terrein; d. bouwhoogte van een bouwwerk:
1.de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat de bouwhoogte van een woonwagen/woonwagenwoning wordt gemeten vanaf het aansluitend terrein; e. dakhelling:
1.de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak; f. oppervlakte van een bouwwerk:
1.de oppervlakte, gemeten, tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; g. hoogte van een windturbine:
1.vanaf het straatpeil tot aan de (wieken)as.

2 Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.

3 Op het bepalen van de mate van geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 1.3Uitsluiting niet benoemde activiteiten

Activiteiten die niet zijn benoemd in dit omgevingsplan en die een mogelijk effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn niet toegestaan, met uitzondering van: ● activiteiten die betrekking hebben op onderwerpen die op grond van bijzondere wetgeving niet in het omgevingsplan worden geregeld, maar in een gemeentelijke verordening; of ● activiteiten die op basis van regels van andere overheidsorganen zijn toegestaan.

Artikel 1.4Omgevingsnorm per locatie

Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, dan geldt de betreffende norm per afzonderlijke locatie.

AFDELING 1.2

Geografisch werkingsgebied van de regels, overzicht geografische informatieobjecten

Artikel 1.5Geografisch werkingsgebied van de regels

1 De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Waalre, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is.

2 De regels met het werkingsgebied niet in werking zijnde regels zijn nog niet in werking getreden.

3 bijlage II van dit omgevingsplan bevat een overzicht van geografische informatieobjecten.

Artikel 1.6Voor wie gelden de regels in dit omgevingsplan?

Tenzij elders in dit omgevingsplan specifiek anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.7Leeswijzer

Voor een activiteit kunnen meerdere regels gelden, verspreid over verschillende hoofdstukken.

Naast regels over gebruik (HOOFDSTUK 4) kunnen ook bouwregels (HOOFDSTUK 5), regels over grondwerkzaamheden en het aanbrengen of verwijderen van beplanting (HOOFDSTUK 6), regels over milieubelastende activiteiten ( HOOFDSTUK 22) en algemene regels (overige hoofdstukken) van toepassing zijn. De activiteit moet op elke plek voldoen aan de regels die op die plek gelden, behalve als een regel in het omgevingsplan iets anders zegt. Alle regels die op een betreffende locatie van toepassing zijn vind je via het tabje Regels in Regels op de kaart.

Afbeelding

AFDELING 1.3

Voorbeschermingsregels hyperscale datacentra

Artikel 1.8Verbod op hyperscale datacentra

Het is verboden om een hyperscale datacentrum te bouwen of bouwwerken of gronden te gebruiken ten behoeve van een hyperscale datacentrum.

HOOFDSTUK 2

Doelen

Artikel 2.1Doel omgevingsplan

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed; g. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; h. de natuurbescherming; i. het tegengaan van klimaatverandering;j.de kwaliteit van bouwwerken; j. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; k. de energiezuinigheid van bouwwerken; l. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten: m. het beheer van infrastructuur; n. het beheer van infrastructuur; o. het beheer van watersystemen; p. het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; q. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; r. het beheer van natuurgebieden; s. het beperken van hinder; t. het benutten van locaties en bouwwerken; en u. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

HOOFDSTUK 3

Gebieden met waarden of beperkingen

AFDELING 3.1

Algemeen

Artikel 3.1Waar gaat dit hoofdstuk over?

In dit hoofdstuk worden gebieden met waarden en/of beperkingen aangewezen.

AFDELING 3.2

Gebiedsaanwijzingen

§ 3.2.1Gebieden met beperkingen op basis van gemeentelijk beleid

Artikel 3.2Parkeergebieden

Binnen de gemeente zijn er verschillende parkeerzones waar op basis van de 'Nota Parkeernormen Waalre' verschillende normen gelden. Deze parkeernormen worden gehanteerd bij de regels uit AFDELING 4.3.

Artikel 3.3Bebouwingscontour geur

Er is een 'Bebouwingscontour geur' als bedoeld in Artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.4Welstandsgebieden

1 In het 'welstandsgebied Kern Waalre' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

2 In het 'welstandsgebied Kern Aalst' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

3 In het 'welstandsgebied Linten' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

4 In het 'welstandsgebied Individuele uitbreidingen' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

5 In het 'welstandsgebied Seriematige uitbreidingen' gelden de in de Welstandsnota voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

6 In het 'welstandsgebied Bedrijventerrein' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

7 In het gebied 'Groen en parken' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

8 In het 'welstandsgebied Buitengebied' gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

9 In het gebied 'beeldkwaliteitsplannen' gelden de volgende regels: a. er wordt getoetst aan de welstandseisen zoals opgenomen in het van toepassing zijnde beeldkwaliteitsplan b. voor onderdelen, die niet in het van toepassing zijnde Beeldkwaliteitsplan geregeld zijn, gelden de welstandseisen uit de Welstandsnota en diens opvolger .

10 In het gebied 'welstandsniveau Vrij' gelden geen regels over welstand. Het verbod op welstandsexcessen, zoals bedoeld in artikel 5.2, is wel van toepassing.

Artikel 3.5Welstandsniveaus

Er gelden verschillende Welstandsniveaus die zijn weergegeven als omgevingsnorm op de kaart.

Artikel 3.6Geluidaandachtsgebieden

Artikel 3.7Brandvoorschrift- en explosievoorschriftgebieden

Artikel 3.8Vuilstort

§ 3.2.2Te beschermen waarden op basis van gemeentelijke beleid

Artikel 3.9Beekdal

Artikel 3.10Openlandschap

Artikel 3.11NNB

Artikel 3.12Hydrologie

Artikel 3.13Houtopstanden

§ 3.2.3Erfgoed en monumenten

Artikel 3.14Archeologisch waardevolle gebieden

Er zijn gebieden met archeologische (verwachtings)waarden waar de gronden, behalve voor de daar voorkomende functie(s) en toegestane activiteit(en), mede zijn aangewezen voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Dit betreft: a.

Archeologische monumenten; b.

Gebieden van archeologische waarde; c.

Gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde - historische kernen en linten; d.

Gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde - overig; e.

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Artikel 3.15Rijksmonumenten

In het gebied 'rijksmonumenten' liggen rijksmonumenten.

Artikel 3.16Gemeentelijke monumenten

Gemeentelijke monumenten zijn aangewezen in het gebied 'gemeentelijke monumenten'.

Artikel 3.17Beschermd dorpsgezicht

In het gebied 'beschermd dorpsgezicht' is een beschermd dorpsgezicht aangewezen.

Artikel 3.18Molenbiotoop

In het gebied 'molenbiotoop' zijn de gronden aangewezen als molenbiotoop.

Artikel 3.19Cultuurhistorisch akkercomplex

§ 3.2.4Gebieden met regels op basis van regelgeving Rijk, provincie en waterschap

§ 3.2.4.1Instructieregels Rijk

Artikel 3.20Aanwijzing brandvoorschriftengebied

In het 'Brandvoorschriftengebied' zijn de gronden aangewezen als brandvoorschiftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.21Aanwijzing explosievoorschriftengebied

In het gebied 'niet in werking zijnde regels' zijn de gronden aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.22Aanwijzing risicogebied externe veiligheid

In het 'niet in werking zijnde regels' zijn de gronden aangewezen als risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.23Belemmeringengebied leiding

In het 'niet in werking zijnde regels' zijn de gronden mede aangewezen voor buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Artikel 3.24Bebouwingscontour jacht

Er is een 'bebouwingscontour jacht' als bedoeld in Artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen op grond van Artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving de jacht niet wordt uitgeoefend met het geweer.

Artikel 3.25Bebouwingscontour houtkap

Er is een 'bebouwingscontour houtkap' als bedoeld in Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn.

Artikel 3.26Bodemfunctieklasse

Locaties zijn ingedeeld in bodemfunctieklassen die zijn weergegeven als omgevingsnorm 'Bodemfunctieklasse' op de kaart.

Artikel 3.27Reserveringsgebied autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen

§ 3.2.4.2Instructieregels van de provincie Noord-Brabant

Artikel 3.28Aanwijzing waterwingebied

In het 'Waterwingebied' zijn de gronden aangewezen voor de instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 3.29Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied

In het 'grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden aangewezen voor bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem.

Artikel 3.30Aanwijzing boringsvrijezone

In de 'boringsvrije zone' zijn de gronden aangewezen voor het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen.

§ 3.2.4.3Instructieregels waterschap

Artikel 3.31Zones waterschap

HOOFDSTUK 4

Gebruik

AFDELING 4.1

Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken

Artikel 4.1Waar gaat dit hoofdstuk over?

De regels in dit hoofdstuk gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken in het 'nieuw deel omgevingsplan', tenzij een ander werkingsgebied is opgenomen.

Artikel 4.2Algemeen toegestaan gebruik

1 Gronden mogen worden gebruikt voor de functies die zijn genoemd in dit hoofdstuk. Dat is het ‘hoofdgebruik’.

2 Gronden mogen ook worden gebruikt voor functies die het hoofdgebruik ondersteunen. Zulke ondersteunende functies zijn in elk geval: a. water zoals sloten, kanalen en vijvers, en wat daarbij hoort, zoals oevers; b. waterhuishoudkundige voorzieningen zoals waterberging en riolering; c. groenvoorzieningen, zoals bomen, struiken en planten; d. voet- en fietspaden; e. nutsvoorzieningen; f. tuinen, erven en terreinen; g. parkeerplaatsen ten behoeve van de aanwezige hoofdfunctie; h. speelvoorzieningen.

3 In afwijking van het bepaalde in artikel 4.2, tweede lid is het volgende gebruik niet toegestaan: a. in de gebieden 'Bos', 'Groen'en 'Natuur': tuinen, erven en terreinen en parkeerplaatsen; b. in de gebieden 'Bos', en 'Natuur': speelvoorzieningen;

4 Voor bestaand gebruik gelden de volgende regels: a.

Bestaand gebruik dat niet is toegestaan op grond van dit omgevingsplan, maar dat op grond van een eerder geldend bestemmingsplan, beheersverordening of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit was toegestaan, al dan niet op basis van de vereiste vergunning, is toegestaan als dat gebruik naar aard en omvang niet verschilt van het gebruik zoals dit werd verricht voor de inwerkingtreding van het op de locatie betrekking hebbende wijzigingsbesluit omgevingsplan en dit gebruik niet wordt onderbroken gedurende een periode van één jaar. b.

Een meldingsplicht geldt niet voor gebruik dat al legaal werd uitgeoefend voor het inwerkingtreden van een verbod zonder melding.

Artikel 4.3Algemeen verboden gebruiksactiviteiten

Gebruiksactiviteiten die niet voldoen aan de regels uit hoofdstuk 4 zijn verboden. Dit betreft in ieder geval: a. seksinrichtingen en prostitutie; b. coffeeshops; c. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; d. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen tenzij dit noodzakelijk is ten behoeve van de ter plaatse toegestane functie.

Artikel 4.4Parkeernormen bij gebruik van gronden en bouwwerken

1 Bij het gebruik van gronden en bouwwerken wordt voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen en fietsen gerealiseerd en in stand gehouden.

2 Bij de beoordeling of wordt voldaan aan het eerste lid maakt het bevoegd gezag gebruik van de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Waalre' en diens opvolger.

3 Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 4.4, eerste lid als a. op andere wijze in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien; en b. het voldoen aan artikel 4.4, eerste lid door bijzondere omstandigheden op onevenredige bezwaren stuit.

AFDELING 4.2

Bedrijf

§ 4.2.1Algemeen

Artikel 4.5Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken, niet zijnde agrarische bedrijfsactiviteiten, in het gebied 'bedrijf'.

§ 4.2.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.6Toegestaan gebruik

1 In het gebied 'Bedrijf' mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten. Hierbij gelden de volgende regels: a.

Er geldt een maximaal toegestane bedrijfscategorie uit de Lijst van bedrijfsactiviteiten, zoals op de kaart aangegeven met de omgevingsnorm 'Bedrijfscategorieën'. b.

Het bestaande aantal bedrijven per perceel is toegestaan. Splitsing is niet toegestaan. c.

Bijbehorende ondergeschikte dienstverlening en/of ondergeschikte detailhandel is toegestaan.

2 Uitsluitend in het gebied 'Verkooppunt motorbrandstoffen' is een verkooppunt voor motorbrandstoffen toegestaan, zonder LPG en/of waterstof.

§ 4.2.3Toegestaan gebruik met vergunning

Artikel 4.7Andere bedrijfsactiviteiten

1 In afwijking van artikel 4.6 is met een omgevingsvergunning de vestiging c.q. uitoefening van een bedrijf toegestaan dat: a. niet is vermeld in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage III Bedrijvenlijst; of b. die behoort tot een hogere bedrijfscategorie dan op de locatie is toegestaan.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als is aangetoond dat de bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk is te stellen met bedrijven uit de op de locatie maximaal toegestane bedrijfscategorie, die voorkomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten .

3 Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf worden de volgende milieubelastingcomponenten in de beoordeling betrokken: a. geluid; b. geurproductie; c. stofuitworp en gevaar, d. verontreiniging van lucht en bodem, e. de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf; f. de visuele hinder; en g. de verkeersaantrekkende werking.

§ 4.2.4Verboden gebruik

Artikel 4.8Verboden gebruik

Het is verboden de gronden en gebouwen in het gebied 'bedrijf ' te gebruiken voor: a. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. m.e.r.-plichtige activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. detailhandel, tenzij het ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen betreft die een ondergeschikte nevenactiviteit zijn van het aanwezige bedrijf; d. wonen, met uitzondering van de voor bedrijfswoningen aangewezen locaties; e. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn; f. een verkooppunt van motorbrandstoffen met LPG en/of waterstof.

AFDELING 4.3

Detailhandel

§ 4.3.1Algemeen

Artikel 4.9Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel in het gebied 'Detailhandel'.

§ 4.3.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.10Toegestaan gebruik

1 In het gebied detailhandel' is detailhandel toegestaan uitsluitend op de begane grond, met dien verstande dat Supermarkten en volumineuze detailhandel uitsluitend zijn toegestaan binnen de daartoe aangewezen gebieden.

2 Supermarkten zijn uitsluitend toegestaan in het gebied 'supermarkt'.

3 Volumineuze detailhandel is uitsluitend toegestaan in het gebied detailhandel volumineus.

4 In het gebied detailhandel (ondergeschikt) is ondergeschikte detailhandel toegestaan.

§ 4.3.3Toegestaan gebruik met vergunning

Artikel 4.11Vergunning gebruik X

§ 4.3.4Verboden gebruik

Artikel 4.12Verboden gebruik

Het is verboden de gronden en gebouwen in het gebied ‘Detailhandel’, tenzij in artikel 4.10 het gebruik op een locatie specifiek is toegestaan, te gebruiken of te laten gebruiken voor verkoop en opslag van motorbrandstoffen en horeca-activiteiten.

AFDELING 4.4

Dienstverlening en Kantoor

§ 4.4.1Algemeen

Artikel 4.13Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor dienstverlening en kantoren in het gebied 'Dienstverlening en Kantoor'.

§ 4.4.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.14Toegestaan gebruik

1 In het gebied dienstverlening is dienstverlening toegestaan.

2 In het gebied kantoor zijn kantoren toegestaan.

§ 4.4.3Toegestaan gebruik met vergunning

AFDELING 4.5

Evenementen

Artikel 4.15Evenementen

1 Niet reguliere evenementenactiviteiten zijn maximaal 12x per jaar toegestaan, als wordt voldaan aan de in dit omgevingsplan gestelde geluidsregels.

2 Evenementen met meer dan 300 bezoekers zijn uitsluitend toegestaan in het gebied 'evenementenlocatie'.

AFDELING 4.6

Groen

§ 4.6.1Algemene regels

Artikel 4.16Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor groenvoorzieningen en volkstuinen in het gebied 'Groen'.

§ 4.6.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.17Toegestaan gebruik

1 In het gebied 'Groen' zijn groenvoorzieningen toegestaan.

2 In het gebied 'Volkstuin' mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor volkstuinen.

§ 4.6.3Toegestaan gebruik met vergunning

AFDELING 4.7

Horeca

§ 4.7.1Algemene regels

Artikel 4.18Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor horeca-activiteiten in het gebied 'Horeca.

§ 4.7.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.19Toegestaan gebruik

1 In het gebied 'Horeca' is horeca zonder vergunning toegestaan tot maximaal de horecacategorie die op de kaart is weergegeven als omgevingsnorm 'Maximale horeca categorie'. Wanneer geen horecacategorie als omgevingsnorm is opgenomen, is horeca zonder vergunning niet toegestaan.

2 In het gebied 'horeca (ondergeschikt)' is ondergeschikte horeca toegestaan.

§ 4.7.3Toegestaan gebruik met vergunning

Artikel 4.20Toegestaan gebruik met vergunning

1 Het verrichten van horeca-activiteiten anders dan bedoeld in artikel 4.19, is toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. horecabedrijf is gelegen binnen het gebied 'horeca'; b. het betreft 'Horeca categorie 2' of 'Horeca categorie 3'; c. er wordt voldaan aan de regels van AFDELING 4.1; d. er is geen sprake van onaanvaardbare geluidsoverlast voor de omgeving, waarbij in ieder geval wordt voldaan aan de regels uit paragraaf 22.3.4; e. er is geen onevenredige verkeersaantrekkende werking en er wordt voldaan aan de regels voor parkeren zoals opgenomen in artikel 4.4; f. er is geen sprake van andere belemmeringen van milieuhygienische aard.

3 Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van het woon- leefklimaat van de aangrenzende gronden en bouwwerken voorschriften worden gesteld over: a. openingstijden, waarbij voor zo ver van toepassing rekening wordt gehouden met daarover in AFDELING 4.7 opgenomen bepalingen; b. het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan dat van achtergrondmuziek; c. zalenverhuur voor feesten en partijen.

§ 4.7.4Verboden gebriuk

Artikel 4.21Verboden gebruik

Horeca categorie 4 activiteiten zijn verboden.

AFDELING 4.8

Maatschappelijk

§ 4.8.1Algemene regels

Artikel 4.22Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke activiteiten in het gebied 'Maatschappelijk'.

§ 4.8.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.23Toegestaan gebruik

In het gebied maatschappelijk' zijn de volgende activiteiten toegestaan: a. medische voorzieningen; b. onderwijsvoorzieningen; c. openbare dienstverlening; d. bestaande kinderopvang; e. religieuze voorzieningen; f. culturele voorzieningen zoals musea en theaters; g. ondergeschikte horeca in het gebied horeca (ondergeschikt).

§ 4.8.3Toegestaan gebruik met vergunning

§ 4.8.4Verboden gebruik

Artikel 4.24Verboden gebruik

Het is verboden de gronden en bouwwerken in het gebied 'maatschappelijk' te gebruiken voor: a. het verstrekken van logies; b. horeca in de vorm van (commerciële) zalenverhuur; c. muziek- en dansfeesten.

AFDELING 4.9

Sport

§ 4.9.1Algemene regels

Artikel 4.25Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor sportactiviteiten ter plaatse van het gebied 'Sport'.

§ 4.9.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.26Toegestaan gebruik

In het gebied 'sport' mogen de gronden en bouwwerken gebruikt worden voor: a. sportvelden; b. sporthal, clubhuis en kantine uitsluitend binnen een bouwvlak; c. ondergeschikte horeca voor zover wordt voldaan aan de regels uit AFDELING 4.7;

§ 4.9.3Verboden gebruik

Artikel 4.27Verboden gebruik

Het is verboden de gronden en gebouwen in het gebied 'sport ' te gebruiken voor: a. het verstrekken van logies; b. horeca in de vorm van (commerciële) zalenverhuur.

AFDELING 4.10

Verkeer

§ 4.10.1Algemene regels

Artikel 4.28Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor verkeersactiviteiten in het gebied 'Verkeer'.

§ 4.10.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.29Toegestaan gebruik

1 In het gebied verkeer' mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor: a. wegen, straten, pleinen en paden; b. parkeervoorzieningen; c. geluidswerende voorzieningen; d. kabels en leidingen; e. civiele kunstwerken.

2 In het gebied 'garageboxen' mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor garageboxen ten behoeve van het stallen van voertuigen en opslag behorend bij de woonfunctie.

§ 4.10.3Toegestaan gebruik met vergunning

AFDELING 4.11

Wonen

§ 4.11.1Algemene regels

Artikel 4.30Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen in het gebied 'Wonen'.

§ 4.11.2Toegestaan gebruik zonder vergunning

Artikel 4.31Wonen algemeen

1 In het gebied 'wonen' is wonen toegestaan.

2 Het aantal woningen bedraagt maximaal het aantal wooneenheden zoals met de omgevingsnorm ' Aantal wooneenheden ' weergegeven is op de kaart. Als geen omgevingsnorm ' Aantal wooneenheden ' is opgenomen is maximaal één woning per bouwvlak of het aantal wooneenheden zoals dat in de bestaande situatie is vergund toegestaan.

3 Huisvesting in verband met mantelzorg wordt bij toetsing van het aantal woningen buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.32Mantelzorg

1 In het gebied 'wonen' is het gebruik van een gebouw voor huisvesting in verband met mantelzorg toegestaan.

2 Voor de toepassing van deze afdeling wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

3 Het eerste lid is niet van toepassing als de huisvesting voor mantelzorg wordt verricht: a. ter plaatse van de locatie ' beperkingengebied plaatsgebonden risico'; b. ter plaatse van de locatie 'belemmeringengebied buisleidingen gevaarlijke stoffen'; c. ter plaatse van de locatie 'vrijwaringsgebied vuurwerk'; d. ter plaatse van de locatie 'explosieaandachtsgebied vuurwerk'; e. ter plaatse van de locatie 'vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiele techniek'; f. ter plaatse van de locatie 'civiel explosieaandachtsgebied'.

Artikel 4.33Beroep en bedrijf aan huis

Een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de woonfunctie van het perceel blijft gehandhaafd; b. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner(s); c. de gebruiksruimte voor het beroep of bedrijf aan huis is maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk, met een maximum van 60m2; d. er vindt geen gebruik plaats dat is aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij voldoende vaststaat dat de vestiging van de activiteiten geen overwegende bezwaren van milieuhygiënische aard zal oproepen, gelet op de ligging, bedrijfsvoering en omvang van het bedrijf ten opzichte van aangrenzende gevoelige functies; e. een eventuele toename van de verkeersaantrekkende werking leidt niet hinder voor de omgeving; f. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop van goederen die ter plaatse in verband met het 'beroep of bedrijf aan huis' zijn vervaardigd.

§ 4.11.3Toegestaan gebruik met vergunning

Artikel 4.34Bed en breakfast

1 Het uitoefenen van een bed & breakfast is toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de woonfunctie van het perceel blijft gehandhaafd ; b. de gebruiksruimte voor bed & breakfast is maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk, met een maximum van 60m2; c. het aantal bedden ten dienste van de bed & breakfast is maximaal 6; d. er wordt voldaan aan de regels voor parkeren zoals opgenomen in AFDELING 4.3; e. er is geen onevenredige aantasting van het woon-en leefmilieu; f. een bed & breakfast wordt uitsluitend uitgeoefend door de bewoner van de woning.

Artikel 4.35Premantelzorgwonen

1 Het gebruiken van gebouwen als preventieve mantelzorgwoning zoals bedoeld in Beleidsregel betere benutting bestaande woningvoorraad gemeente Waalre is toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn vastgelegd in de Beleidsregel betere benutting bestaande woningvoorraad gemeente Waalre Artikel 4.36 Woningsplitsing

§ 4.11.4Verboden gebruik

Artikel 4.37 Verboden gebruik In het gebied 'Wonen' is het verboden: a. bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning met uitzondering van het gebruik zoals benoemd in artikel 4.32 en artikel 4.35 ; b. de woning te gebruiken voor meer dan 1 huishouden.

AFDELING 4.12

Gebruiksregels met het oog op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid (bruidsschatregels geordend naar oogmerk)

§ 4.12.1Algemeen

§ 4.12.2Gebruik van bouwwerken

Artikel 4.38 Overbewoning woonruimte Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

Artikel 4.39 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 4.40 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerken 1 Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2 Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

§ 4.12.3In stand houden en gebruiken open erven en terreinen

Artikel 4.41 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1 Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel xx aanwezig.

ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de in tabel x aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1.de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
2.de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; enc.de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4 Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Artikel 4.42 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1 De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2 Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3 Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 4.43 Bouwvalligheid nabijgelegen gebouw Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

AFDELING 4.13

Aanvraagvereisten omgevingsvergunning gebruik Artikel 4.44 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsplanactiviteit gebruik Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot het veranderen van gebruik worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; b. onderbouwing van voldoen aan voorwaarden waaraan omgevingsvergunning voor het voorgenomen gebruik wordt getoetst; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een gebruiksactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; en h. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

HOOFDSTUK 5

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

AFDELING 5.1

Algemeen

§ 5.1.1Algemene regels voor bouwen

Artikel 5.1Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofstuk gaat over het bouwen en in stand houden van bouwwerken.

Artikel 5.2Repressief welstand

1 Het uiterlijk van bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandnota of beeldkwaliteitsplannen van de gemeente Waalre.

2 Het bepaalde in lid 1 geldt, in afwijking van het bepaalde in de Welstandsnota, ook voor locaties die in het gebied 'Welstandsvrij' zijn gelegen.

Artikel 5.3Afvoer van hemelwater en grondwater

In aanvulling op de regels uit dit omgevingsplan zijn bij het bouwen de regels uit Verordening op de afvoer van hemelwater en grondwater gemeente Waalre van toepassing.

Artikel 5.4 Maatwerkvoorschriften

§ 5.1.2Algemene regels omgevingsvergunning voor bouwen

Artikel 5.4Omgevingsvergunning voor bouwen

1 Het is toegestaan een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken met omgevingsvergunning tenzij: a. elders in dit hoofdstuk is aangegeven dat mag worden gebouwd zonder omgevingsvergunning; of b. op grond van bepalingen van paragraaf 2.3.3. in het Besluit bouwwerken leefomgeving, die van toepassing zijn op de omgevingsplanactiviteit bouwen, mag worden gebouwd zonder omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden die gesteld worden in dit hoofdstuk.

§ 5.1.3Beoordelingsregels en vergunning voorschriften

Artikel 5.5

Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken a 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van artikel 4.37, artikel 4.38 en artikel 4.39; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1.de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals benoemd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving als interventiewaarde bodemkwaliteit, niet wordt overschreden.; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. d. indien van toepassing tevens wordt voldaan aan specifieke beoordelingsregels uit hoofdstuk 5.

2 Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing als: a. het gaat om een welstandsvrijgebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 5.6 Beoordelingsregel parkeerplaatsen Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Waalre' of diens rechtsopvolgers.

§ 5.1.4Algemene regels vergunningvrij bouwen

Artikel 5.7 Algemene regels vergunningvrij bouwen Bij vergunningvrije bouwactiviteiten blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg als bedoeld in artikel 4.32 of artikel 4.35.

Artikel 5.8 Bouwwerk vergunningvrij veranderen Een bouwwerk mag worden veranderd zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een inpandige verbouwing en/of de bouw van ondergeschikte bouwdelen; b. er vindt geen wijziging van de voorgevel of de naar openbaar gebied gekeerde zijgevel plaats; c. er is geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; d. er is geen uitbreiding van het bouwvolume.

Artikel 5.9 Inperkingen vergunningvrij bouwen in, aan, op of bij monumenten In afwijking van de regels in dit hoofdstuk zijn bouwwerkzaamheden in gebieden met 'rijksmonumenten' of 'gemeentelijke monumenten' niet toegestaan zonder omgevingsvergunning.

Artikel 5.10 Inperkingen vergunningvrij bouwen in beschermd dorpsgezicht Op een activiteit die wordt verricht in een 'Beschermd dorpsgezicht', zijn vergunningvrije bouwactiviteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.11 Inperkingen vergunningvrij bouwen vanwege externe veiligheid Met het oog op veiligheid zijn bouwactiviteiten niet zonder omgevingsvergunning toegestaan op de volgende locaties: a. op een locatie in die is opgenomen in een veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1.artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2.artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4.artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5.artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6.artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7.artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8.artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9.artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10.artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11.artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12.artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Artikel 5.12 Inperking vergunningvrij bouwen bij ontbreken vereiste omgevingsvergunning Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten, wanneer die activiteit wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

§ 5.1.5Algemene regels verboden bouwactiviteiten

Artikel 5.13 Verboden bouwactiviteiten Bouwen is niet toegestaan: a. als dit niet is toegestaan op basis van de regels over gebruik in hoofdstuk 4; b. niet wordt voldaan aan de regels uit hoofdstuk 5; of c. niet wordt voldaan aan de regels uit hoofdstuk 6.

AFDELING 5.2

Hoofdgebouwen en bedrijfsgebouwen

§ 5.2.1Algemeen

Artikel 5.14 Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het bouwen en veranderen van hoofdgebouwen.

Artikel 5.15 Algemene bouwregels bouwen van een gebouw 1 Een hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan binnen een Bouwvlak, met dien verstande dat de helft van de constructiebreedte van de gevels buiten het bouwvlak mag worden gebouwd.

2 Een bouwvlak mag 100% worden bebouwd, tenzij met de omgevingsnorm 'Maximum bebouwingspercentage' op de kaart een ander bebouwingspercentage is aangegeven.

3 De goot- en bouwhoogte van gebouwen bedragen maximaal de op de kaart met de omgevingsnormen 'Maximum goothoogte' en 'Maximum bouwhoogte' aangegeven hoogtes, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedraagt.

Bij het bepalen van de goothoogte dient minimaal 75% van de totale gootlengte te voldoen aan de goothoogte.

4 In het gebied 'Maximum bruto-vloeroppervlakte bebouwing' is de maximum brutovloeroppervlakte van gebouwen in m2 de daar bepaalde waarde.

§ 5.2.2Hoofdgebouwen en bedrijfsgebouwen

§ 5.2.2.1Toegestaan zonder vergunning

Artikel 5.16 Vergroten hoofdgebouw ten behoeve van verduurzaming Ten behoeve van het nemen van maatregelen die gericht zijn op vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen voor energieopwekking, zoals gevelisolatie of zonnepanelen, is het vergroten van een bestaand hoofdgebouw zonder omgevingsvergunning toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de toegelaten vergroting in de hoogte is maximaal 0,5 m; b. de toegelaten vergroting aan een gevel is maximaal 0,3 m; c. een vergroting aan de voorgevel of een naar openbaar gebied gekeerde zijgevel is alleen toegestaan in een gebied met welstandsniveau 'Vrij'.

Artikel 5.17 Dakkapel in het voordakvlak en naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Een dakkapel in het voordakvlak en naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak is toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in gebieden met welstandniveau 'Welstandsvrij'; b. voorzien van een plat dak; c. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; d. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; e. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en f. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

§ 5.2.2.2Toegestaan met vergunning

Artikel 5.18 Bouwen van een hoofdgebouw 1 Het bouwen of verbouwen van een hoofdgebouw is toegestaan met een omgevingsvergunning 2 De omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend als het hoofdgebouw niet in strijd is met de in AFDELING 5.1 en AFDELING 5.2 opgenomen regels.

Artikel 5.19 Vergroten hoofdgebouw ten behoeve van verduurzaming Een bestaand hoofdgebouw dat niet is gelegen in een gebied met welstandsniveau 'Vrij' mag ter plaatse van de voorgevel met een omgevingsvergunning worden vergroot als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting bedraagt maximaal 0,5 m; b. de vergroting heeft als doel het nemen van maatregelen die gericht zijn op vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen voor energieopwekking, zoals gevelisolatie.

Artikel 5.20 Dakkapel in voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak kan in gebieden met een welstandsniveau anders dan 'Vrij' met een omgevingsvergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voorzien van een plat dak; b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

§ 5.2.3Hoofdgebouw- (agrarisch)bedrijfsgebouw

§ 5.2.4Gebouwen voor recreatief nachtverblijf

§ 5.2.4.1Toegestaan zonder vergunning

Artikel 5.21 Bouwwerk voor recreatief nachtverblijf Binnen gebieden voor verblijfsrecreatie mag een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf zonder omgevingsvergunning worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bouwwerk is op de grond staand; b. het bouwwerk is niet hoger dan 5 m; en c. de oppervlakte van het bouwwerk is niet meer dan 70 m2.

§ 5.2.5Gebouwen in openbaar gebied

§ 5.2.5.1Toegestaan zonder vergunning

Artikel 5.22 Gebouw ten behoeve van nutsvoorziening Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen mogen zonder vergunning worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte is maximaal 3 m; b. de oppervlakte is maximaal 30 m2; c. in afwijking van a en b zijn in het gebied 'Nutsvoorzieningen afwijkende maatvoering" bestaande gebouwen voor nutsvoorzieningen met afwijkende maatvoering toegestaan.

§ 5.2.5.2Toegestaan met vergunning

Artikel 5.23 Garagebox In het gebied 'Garageboxen' mogen garageboxen met vergunning worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m en een maximale oppervlakte van 35 m2 per garagebox.

Artikel 5.24 Nutsvoorzieningen

AFDELING 5.3

Bijbehorende bouwwerken

§ 5.3.1Algemeen

Artikel 5.25 Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het bouwen, veranderen en uitbreiden van bijbehorende bouwwerken.

§ 5.3.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 5.26 Algemene bouwregels bijbehorende bouwwerken in het gebied bijgebouwen 1 Bijbehorende bouwwerken mogen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd als wordt voldaan aan de voorwaarden in dit artikel.

2 Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan in het gebied 'bijgebouwen'.

3 De gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan: a.

50% van het bebouwingsgebied voor het gedeelte van het bebouwingsgebied tot en met 100 m2; b.

20% van het bebouwingsgebied voor het gedeelte daarvan vanaf 100 m2 tot en met 300 m2; c.

10% van het bebouwingsgebied voor het gedeelte van het bebouwingsgebied groter dan 300 m2; en d. tot een maximum van in totaal 150 m2.

4 Voor zover bijbehorende bouwwerken of de uitbreiding ervan worden voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.

5 De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak is maximaal: a.

5 m; b.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en c. de hoogte van het hoofdgebouw.

6 Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken met een plat dak van maximaal 3 m toegestaan.

7 Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken met een schuin dak toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de dakvoet is maximaal 3 m; b. de daknok wordt gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een maximale hellingshoek van 55 graden; c. de hoogte van de daknok is maximaal 5 m en wordt verder begrensd door de formule "maximale daknokhoogte [m] -= (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.

8 In aanvulling op artikel 5.26, derde lid is een bijbehorend bouwwerk dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg zonder vergunning toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte is niet meer dan 100 m2 ; c. gelegen buiten de bebouwde kom.

9 In aanvulling op het hiervoor bepaalde in het eerste tot en met het negende lid geldt dat een bijbehorende bouwwerk in de vorm van een overkapping en carport is toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. opgericht in het gebied 'Bijgebouwen; b. de bouwhoogte is maximaal 3,3 m; c. de totale oppervlakte van een carport en overkapping is maximaal 25 m2, waarbij de maximale oppervlaktes zoals opgenomen in artikel 5.26, derde lid in acht genomen worden Artikel 5.27 Bijbehorend bouwwerk in gebieden Dienstverlening, Kantoor en Maatschappelijk In de gebieden 'Dienstverlening', 'Kantoor' en 'Maatschappelijk' zijn gebouwen in de vorm van fietsenstallingen en andere gebouwen ten dienste van de functies zonder omgevingsvergunning toegestaan met een maximale hoogte van 3 m en een maximale oppervlakte van 75m2 .

Artikel 5.28 Bijbehorend bouwwerk op begraafplaats In het gebied 'Begraafplaats' zijn bijbehorende bouwwerken zonder omgevingsvergunning toegestaan van maximaal 3 m hoog met een maximale oppervlakte van maximaal 30 m2.

Artikel 5.29 Kiosk In het gebied 'Kiosk' is een kiosk met een maximale bouwhoogte van 6 m toegestaan .

§ 5.3.3Toegestaan met vergunning

Artikel 5.30 Vergunningplicht 1 Het bouwen van bijbehorende bouwwerken die niet voldoen aan artikel 5.26 vijfde, zesde en/of zevende lid is toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de maximale oppervlakte van de vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100m2; b. de goothoogte is maximaal 3,5 m; c. de bouwhoogte is maximaal 6 m; d. de oppervlakte per vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 50 m2 ; e. artikel 5.26 eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing; f. ter plaatse van vrijstaande woningen mag aan maximaal één zijde van het hoofdgebouw worden aangebouwd; g. het bijbehorend bouwwerk is gelegen in het gebied 'bijgebouwen'; h. het straatbeeld wordt ruimtelijk niet aangetast; i. de verkeerssituatie wordt niet nadelig beïnvloed; j. er wordt geen afbreuk gedaan aan de benodigde parkeermogelijkheden op eigen terrein; en k. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 5.31 Erkers en entreepartijen In aanvulling op het bepaalde in artikel 5.30 gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers en entreepartijen aansluitend aan het op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouw, de volgende regels: a. er mag uitsluitend voor de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. de hoogte bedraagt maximaal 1 bouwlaag verhoogd met 30 cm; c. de breedte bedraagt niet meer dan 40% van de breedte van het gevelvlak, of is gelijk aan de breedte van de bestaande gevelopening; d. de diepte bedraagt niet meer dan 1/3 van de breedte van de erker of het entreeportaal, met een maximumdiepte van 1,5 m, voor zover tenminste minimaal 2 m tussen de erker of het entreeportaal en de voorste perceelsgrens onbebouwd blijft.

§ 5.3.4Verboden

Artikel 5.32 Verboden Het bouwen van bijbehorende bouwwerken of de uitbreiding daarvan, is niet toegestaan bij: a. een hoofdgebouw dat op grond van een omgevingsvergunning slechts tijdelijk is toegestaan; en b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

AFDELING 5.4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

§ 5.4.1Algemeen

Artikel 5.33 Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

§ 5.4.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 5.34 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover niet geregeld in § 5.4.3 zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte is maximaal de met de omgevingsnorm 'Maximale hoogte' op de kaart aangegeven hoogte; b. de oppervlakte is maximaal de met de omgevingsnorm 'Maximale oppervlakte' op de kaart aangegeven oppervlakte.

Artikel 5.35 Zwembad Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver is toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelegen bij een woning of woongebouw in het gebied bijgebouwen; b. niet voorzien van een overkapping; c. de oppervlakte is maximaal 10% van het perceel voor zover dit is voorzien van de functie wonen en maximaal 100 m2; en d. het zwembad wordt niet bedrijfsmatig geëxploiteerd.

Artikel 5.36 Erf- of perceelsafscheidingen Een erf- of perceelafscheiding is toegestaan zonder omgevingsvergunning, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de hoogte is maximaal 2 m; b. op een erf of perceel staat al een gebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. is gesitueerd achter de voorgevelrooilijn.

Artikel 5.37 Sport- en speeltoestel In de gebieden 'Groen', 'Verkeer', 'Horeca' 'Maatschappelijk' en 'Sport' geldt dat een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik is toegestaan zonder omgevingsvergunning, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de hoogte is maximaal 4 m; en b. het toestel is alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

Artikel 5.38 Buisleidingen Een buisleiding anders dan bedoeld is artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving mag zonder omgevingsvergunning worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt.

Artikel 5.39 Loopbrug Binnen het gebied 'loopbrug' is een loopbrug toegestaan.

Artikel 5.40 Bouwwerk ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering Een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering is toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gesitueerd in achtererfgebied; b. silo's met een maximale hoogte van 10 m zijn toegestaan; c. andere bouwwerken met een hoogte van maximaal 2 m zijn toegestaan.

§ 5.4.3Toegestaan met vergunning

Artikel 5.41 Overkappingen en carports achter de voorgevel en verlengde daarvan 1 Het bouwen van overkappingen en carports in de ruimte tussen de voorgevel en 1 m achter de voorgevel en het verlengde daarvan is toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.26, negende lid onder b en c; b. er wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van artikel 5.5 Artikel 5.42 Bouwwerken bij sportvelden 1 In het gebied "Sport' zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde die niet voldoen aan de voorwaarden in artikel 5.26 toegestaan met omgevingsvergunning.

2 De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. lichtmasten, ballenvangers en andere sporttechnische zaken zijn maximaal 15 m hoog; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maximaal 2,5 m hoog.

Artikel 5.43 Erfafscheidingen bij bedrijf, maatschappelijk, kantoor en sport Met een omgevingsvergunning kunnen erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: a. gelegen in het gebied 'Bedrijf', 'Kantoor', 'Maatschappelijk','Sport' of Bosvilla's; b. maximaal 2 m hoog; c. de erfafscheiding bestaat voor minimaal 75% uit een open constructie; d. er is geen nadelig effect op de verkeersveiligheid door belemmering van het zicht.

AFDELING 5.5

Ondergronds bouwen Artikel 5.44 Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over ondergronds bouwen.

Artikel 5.45 Ondergronds bouwen Ondergronds bouwen in gebieden waar hoofdgebouwen zijn toegestaan is mogelijk onder de volgende voorwaarden: a. er mogen één of meer kelders worden gebouwd; b. de kelders moeten vanuit hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk bereikbaar zijn; c. de oppervlaktes van de kelders mogen totaal niet meer bedragen dan 1 maal de oppervlakte van het hoofdgebouw; d. in afwijking van sub c mogen de oppervlaktes van de kelders in het gebied 'Wonen' totaal niet meer bedragen dan 1,5 maal de oppervlakte van het hoofdgebouw; e. de bovenkant van een kelder gelegen buiten de bebouwing dient geheel gelegen te zijn beneden maaiveld.

AFDELING 5.6

Bouwen en slopen in gebieden met waarden of beperkingen

§ 5.6.1Bouwen en slopen in beschermd erfgoed

Artikel 5.46 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1 In afwijking van artikel 5.5 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4, geweigerd, als de locatie is gelegen in een beschermd dorpsgezicht.

2 In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet leidt tot aantasting van de beschermde waarden van het beschermd dorpsgezicht.

PM : dit artikel aanvullen bij opnemen beschermd dorpsgezicht in omgevingsplan Artikel 5.47 Slopen in beschermd erfgoed toegestaan met vergunning 1 In de gebieden rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of beschermd dorpsgezicht is het slopen van een bouwwerk uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 De omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het is aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd; b. het belang van de monumentenzorg verzet zich niet tegen verlening; c. er is overeenstemming met de eigenaar in geval er sprake is van een kerkelijk monument .

3 Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument of rijksmonument of voor de sloop van een bouwwerk in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht aan de Erfgoedcommissie Waalre voor advies.

§ 5.6.2Bouwen in grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 5.48 Maximale diepte bouwwerk In het 'Grondwaterbeschermingsgebied' mag de verticale diepte van een bouwwerk niet meer dan 3 m onder maaiveld bedragen.

Artikel 5.49 Verboden activiteiten In het 'Grondwaterbeschermingsgebied' is het verboden gebruik te maken van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal.

§ 5.6.3Bouwen in waterwingebied

Artikel 5.50 Bouwen ten dienste van de functie In het 'Waterwingebied' mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de openbare drinkwatervoorziening en de bescherming daarvan.

§ 5.6.4Verboden

Artikel 5.51 Verboden activiteiten In het 'Waterwingebied' is het verboden gebruik te maken van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal.

§ 5.6.5Bouwen in gebied waar voorbereidingsbesluit geldt

Artikel 5.52 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit 1 In afwijking van artikel 5.5 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft een van de volgende besluiten van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet; b. een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet; of c. een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet.

2 In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan.

§ 5.6.6Bouwen bij molenbiotoop

Artikel 5.53 Bouwregels in molenbiotoop 1 Binnen het gebied ‘molenbiotoop’ is bouwen toegestaan met omgevingsvergunning.

2 In aanvulling op de voorwaarden die elders in dit hoofdstuk worden gesteld wordt de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het zicht op de molen en de waarde van de molen als cultuurhistorisch en landschappelijk element vermindert niet door het bouwwerk; en b. het bouwwerk heeft geen negatieve invloed, ook niet in samenhang met andere voorgenomen of gerealiseerde activiteiten, op het huidige of toekomstige functioneren van de molen als werktuig, voor zover het betreft een vermindering van de windvang van de molen.

3 Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag vooraf advies in van de beheerder van de molen.

§ 5.6.7Bodemgevoelig gebouw bouwen of wijzigen

Artikel 5.54 Meldplicht vergunningvrij bodemgevoelig gebouw bouwen 1 Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.

2 Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. bij overschrijding van een waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 5.100, eerste lid aanhef en onderdeel c: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; f. de resultaten van een bodemonderzoek die ook worden verstrekt in het bestandsformat XML. Het XML bestand voldoet aan de meest actuele versie van de standaard SIKB0101 en de Basisdataset onderzoeksgegevens.

3 Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

Artikel 5.55 Vergunning Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is alleen toegestaan als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 (Opent andere website in nieuw tabblad) van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. in afwijking van sub b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 m3 grond en het niet een verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft; d. aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisico's wegnemen.

Artikel 5.56 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 5.5, eerste lid aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 5.5.

§ 5.6.8Bouwen in archeologisch waardevol gebied

Artikel 5.57 Bouwregels archeologisch waardevolle gebieden Binnen de gebieden met Archeologische waarden is bouwen zonder omgevingsvergunning toegestaan voor zover: a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is; of b. indien wordt voldaan aan regels over grondwerkzaamheden uit HOOFDSTUK 6.

§ 5.6.9Kwetsbaargebouw bouwen in zones externe veiligheid

§ 5.6.10Geluidgevoelig gebouw bouwen

AFDELING 5.7

Bouwregels met het oog op situering, veiligheid, gezondheid en duurzaamheid (bruidsschatregels geordend naar oogmerk) Artikel 5.58 Maatwerkvoorschriften 1 Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Artikel 5.59 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m, of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.60 Aansluiting op distributienet voor gas 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m, of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.61 Aansluiting op distributienet voor warmte 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m, of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3 Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4 Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 5.62 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m, of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 5.63 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1 Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2 De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3 Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4 Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.59 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 5.64 Bluswatervoorziening 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2 De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3 De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.65 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3 Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4 Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5 Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.66 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3 De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4 Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.66, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5 Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.67 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

AFDELING 5.8

Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen Artikel 5.68 Algemene aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in Hoofdstuk 5 of 6 is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; en i. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 5.69 Aanvullende aanvraagvereisten beoordeling uiterlijk bouwwerken In aanvulling op artikel 5.68 worden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

Artikel 5.70Aanvullende aanvraagvereisten voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd voor de toetsing aan de regels over bodemkwaliteit: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld artikel 5.5 redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.5 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.5, redelijkerwijs is uit te sluiten.

Artikel 5.71 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling grondwatereffecten

HOOFDSTUK 6

Grond- en aanlegwerkzaamheden

AFDELING 6.1

Algemeen

Artikel 6.1Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over werken en werkzaamheden in of op de grond, waaronder mede wordt verstaan het aanbrengen of verwijderen van beplanting.

Artikel 6.2Toegestaan

Grondwerkzaamheden in overeenstemming met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in Hoofdstuk 4 zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning, tenzij het grondwerkzaamheden betreft waarvoor op grond van dit hoofdstuk een verbod geldt of waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

Indien een omgevingsvergunning is vereist mag de betreffende grondwerkactiviteit uitsluitend worden uitgevoerd nadat de vergunning is verleend.

AFDELING 6.2

Grondwerkzaamheden in gebied met waarde archeologie

§ 6.2.1Algemeen

Artikel 6.3Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling gaat over grondwerkzaamheden binnen de waardengebieden archeologie zoals aangegeven in artikel 3.14 voor zover deze zijn gelegen in het gebied 'Nieuw deel omgevingsplan'.

§ 6.2.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 6.4Algemene regels grondwerkzaamheden

Grondwerkzaamheden zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de grondwerkzaamheden betreffen het normale onderhoud en beheer; b. de grondwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan; c. de grondwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; d. de grondwerkzaamheden worden ten dienste van archeologisch onderzoek uitgevoerd; e. de grondwerkzaamheden reiken niet dieper dan de norm 'Diepte grondwerkzaamheden' aangeeft én daarbij wordt de norm 'Oppervlakte grondwerkzaamheden' niet overschreden; f. de grondwerkzaamheden nodig zijn voor het bouwen voor zover het gaat om:

1.bebouwing waarbij de grondwerkzaamheden voldoen aan de eisen uit lid e;
2.bebouwing ten behoeve van archeologisch onderzoek;
3.de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing waarbij de bestaande fundering wordt gebruikt en het bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid.

§ 6.2.3Toegestaan met vergunning

Artikel 6.5Vergunningplicht

1 Binnen gebieden met archeologische waarden zijn grondwerkzaamheden die kunnen leiden tot verstoring van de in de bodem aanwezige archeologische waarden, voor zover deze grondwerkzaamhede plaatsvinden op een grotere diepte dan de aangegeven Diepte grondwerkzaamheden en wanneer het oppervlakte groter is dan de aangegeven Oppervlakte grondwerkzaamheden, toegestaan met omgevingsvergunning. Het betreft de volgende werkzaamheden: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen van drainage;het aanleggen, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap; d. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; e. het aanbrengen van diepwortelende bomen en/of beplanting; f. het rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; g. afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen, en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan de aangegeven Diepte grondwerkzaamheden en wanneer het oppervlakte groter is dan de aangegeven Oppervlakte grondwerkzaamheden, anders dan normaal spit en ploegwerk; h. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; i. verlagen of verhogen van het waterpeil; j. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; k. aanleggen van ondergrondse kabels of leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

2 De aanvrager van de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, die betrekking heeft op gronden met een archeologische waarde of hoge/middelhoge archeologische verwachting, overlegt een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld.

3 Het tweede lid is niet van toepassing indien burgemeester en wethouders reeds over voldoende informatie beschikken om de in het eerste lid bedoelde afweging te kunnen maken, en dit schriftelijk aan de aanvrager is medegedeeld.

4 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders uit het rapport als bedoeld in het tweede lid genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de grondwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de vergunning verbonden voorschriften.

5 Burgemeester en wethouders kunnen in de situatie als bedoeld in lid 4 sub b voorschriften aan de vergunning verbinden die een verplichting inhouden tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen, c. het laten begeleiden van de activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Als de situatie als bedoeld in lid 4 sub b van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de grondwerkzaamheden.

AFDELING 6.3

Grondwerkzaamheden bij molenbiotoop

§ 6.3.1Algemeen

Artikel 6.6Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling is van toepassing op grondwerkzaamheden binnen het gebied 'centrum_molenbiotoop'.

§ 6.3.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 6.7Algemene regels grondwerkzaamheden molenbiotoop

Grondwerkzaamheden zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de grondwerkzaamheden hebben betrekking op normaal onderhoud en beheer; b. de grondwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. de grondwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

§ 6.3.3Toegestaan met vergunning

Artikel 6.8Vergunningplicht

1 In het gebied molenbiotoop zijn de volgende grondwerkzaamheden alleen toegestaan met een omgevingsvergunning: a. het geheel of gedeeltelijk afgraven van de molenbelt; b. het aanplanten van bomen of andere hoogopgaande gewassen; c. het aanbrengen van bovengrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

2 De in het eerste lid genoemde omgevingsvergunning wordt alleen verleend onder de volgende voorwaarden: a. daardoor de functie van de molen(s) als werktuig en de waarde als landschapsbepalende elementen niet onevenredig worden geschaad; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende beheerder van de molen(s).

AFDELING 6.4

Grondwerkzaamheden bij waterberging

§ 6.4.1Algemeen

Artikel 6.9Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling is van toepassing op grondwerkzaamheden binnen het gebied 'Waterberging'.

§ 6.4.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 6.10Algemene regels grondwerkzaamheden waterberging

Grondwerkzaamheden zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de grondwerkzaamheden hebben betrekking op normaal onderhoud en beheer; b. de grondwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. de grondwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

§ 6.4.3Toegestaan met vergunning

Artikel 6.11Vergunningplicht

1 In het gebied 'Waterberging' zijn de volgende grondwerkzaamheden toegestaan met een omgevingsvergunning: a. het ophogen van gronden en; b. het aanbrengen of wijzigen van kaden.

2 De in het eerste lid genoemde omgevingsvergunning wordt alleen verleend onder de volgende voorwaarden: a. de grondwerkzaamheden zijn nodig voor de realisering en handhaving van de aan de gronden gegeven functies; b. door deze grondwerkzaamheden dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, wordt het waterbergend vermogen van het regionale waterbergingsgebied niet onevenredig aangetast: en c. het waterschap is gehoord alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning.

AFDELING 6.5

Grondwerkzaamheden bij rioolwatertransportleiding

§ 6.5.1Algemeen

Artikel 6.12Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling is van toepassing op grondwerkzaamheden binnen het gebied 'Rioolwatertransportleiding'.

§ 6.5.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 6.13Algemene regels grondwerkzaamheden rioolwatertransportleiding

In het gebied 'Rioolwatertransportleiding' zijn de volgende grondwerkzaamheden toegestaan zonder omgevingsvergunning: a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. die worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en); e. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie verkeer betreft, voor zover deze niet aansluit op de functie natuur.

§ 6.5.3Toegestaan met vergunning

Artikel 6.14Vergunningplicht

1 In het gebied 'Rioolwatertransportleiding' zijn de volgende grondwerkzaamheden toegestaan met een omgevingsvergunning: a. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; b. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; c. het vellen of rooien van houtgewas; d. het beplanten van gronden; e. het graven of afdammen van sloten of greppels met een bodemdiepte van meer dan 0,20 m beneden maaiveld, het bemalen of stuwen danwel het aanbrengen van drainagebuizen; f. het winnen van bosstrooisel of mos; g. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen; h. het scheuren van grasland; i. het gebruik van bestrijdings- en/of bemestingsmiddelen; j. het aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2.

2 De in het eerste lid genoemde omgevingsvergunning wordt alleen verleend onder de volgende voorwaarden: a. door de grondwerkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen wordt (kan) de functie van de gronden niet onevenredig geschaad; en b. de beheerder van de leiding adviseert positief.

AFDELING 6.6

Grondwerkzaamheden in door instructieregels provincie aangewezen gebieden en zones

§ 6.6.1Algemeen

Artikel 6.15Waar gaat deze afdeling over?

Deze afdeling is van toepassing op grondwerkzaamheden binnen het 'Grondwaterbeschermingsgebied', 'Waterwingebied en 'Boringsvrije zone'.

§ 6.6.2Toegestaan zonder vergunning

Artikel 6.16Algemene regels grondwerkzaamheden waterwingebied

In het 'Waterwingebied' zijn de volgende grondwerkzaamheden toegestaan zonder omgevingsvergunning: a. de grondwerkzaamheden betreffen het normale beheer en onderhoud ten dienste van de functie; b. de grondwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel; c. de grondwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

§ 6.6.3Toegestaan met vergunning

Artikel 6.17Vergunning grondwerkzaamheden grondwaterbeschermingsgebied

1 In het 'Grondwaterbeschermingsgebied' zijn de volgende grondwerkzaamheden toegestaan met een omgevingsvergunning: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; b. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; c. het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond of schadelijke stoffen; d. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; en e. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.

2 De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem zich daar niet tegen verzet; en b. advies is verkregen van Gedeputeerde Staten.

Artikel 6.18Vergunning grondwerkzaamheden boringsvrije zone

1 In de 'Boringsvrije zone' zijn boringen of grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 10 meter beneden maaiveld toegestaan met een omgevingsvergunning.

2 De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als de activiteiten de beschermende kleilaag niet aantasten en de weerstandbiedende bodemlagen behouden blijven.

Artikel 6.19

Vergunning grondwerkzaamheden waterwingebied.

1 In het 'Waterwingebied' zijn de volgende grondwerkzaamheden toegestaan met een omgevingsvergunning: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; b. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; c. het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond of schadelijke stoffen; d. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.

2 De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het belang van de instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening zich daar niet tegen verzet; en b. advies is verkregen van Gedeputeerde Staten.

AFDELING 6.7

Aanvraagvereisten omgevinngsvergunning werken en werkzaamheden

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

Kostenverhaal

AFDELING 10.1

Algemene regels kostenverhaal

Artikel 10.1Verdeling van de kosten over de activiteiten

1 Voor het verdelen van de kosten worden de in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen categorieën bouwactiviteiten per kostenverhaalsgebied onderverdeeld in uitgifte categorieën.

2 Per uitgiftecategorie wordt: a. een basiseenheid vastgesteld, uitgedrukt in een hoeveelheid m2 grondoppervlakte of vloeroppervlakte, een aantal woningen of een daarmee vergelijkbare maatstaf; b. het gewogen aandeel per basiseenheid berekend door de opbrengsten van de grond per basiseenheid te delen door de totale opbrengsten in het kostenverhaalsgebied; en c. het bedrag van de te verhalen kosten per basiseenheid berekend door het totaal van de te verhalen kosten in het kostenverhaalsgebied te vermenigvuldigen met het gewogen aandeel als bedoeld onder b.

3 De opbrengsten van de grond per basiseenheid, bedoeld in het tweede lid, onder b, worden geraamd a. op basis van de in het gemeentelijk grondbeleid vastgestelde grondprijzen, of b. met toepassing van de residuele methode, de comparatieve methode of een daarmee vergelijkbare methode voor raming van grondprijzen.

4 Onder het totaal van de te verhalen kosten wordt verstaan: a. bij kostenverhaal met tijdvak: het bedrag van de kosten dat op grond van artikel 13.14, tweede lid, van de Omgevingswet ten hoogste kan worden verhaald; en b. bij kostenverhaal zonder tijdvak: het maximum van de kosten, bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Artikel 10.2Methode raming plankosten (optioneel)

Bij de raming van de kosten per kostenverhaalsgebied wordt in dit omgevingsplan voor de plankosten uitgegaan van het bedrag aan plankosten dat kan worden verhaald op grond van artikel 13.2 van de Omgevingsregeling.

Artikel 10.3Aanvraagvereisten kostenverhaalbeschikking

Bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking moeten de volgende gegevens en bescheiden aan de gemeente worden verstrekt: a. een aanduiding van de met de kostenverhaalplichtige activiteiten te realiseren aantallen bouwwerken, oppervlakten en gebruiksfuncties; en b. een aanduiding van de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteiten worden uitgevoerd.

Artikel 10.4Eindafrekening

1 Op eindafrekeningen op verzoek, als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet, wordt jaarlijks tijdens de laatste college vergadering van november door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste 12 weken voor die datum zijn ontvangen en binnen 5 jaar na betaling van de verschuldigde geldsom.

2 Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking; b. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling; en c. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.

3 Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van paragraaf 1.4.

Artikel 10.5Indexering

Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, wordt bij de raming van de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalbeschikking, een eindafrekening op verzoek of een eindafrekeningeen door het bevoegd gezag te kiezen, objectieve index toegepast.

Artikel 10.6Rente

1 Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, worden bij de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalbeschikking, een eindafrekening op verzoek of een eindafrekening de volgende renteparameters toegepast: a. voor de debetrente in perioden waarin de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, hoger zijn dan de opbrengsten met toepassing van de renteparameter 1,5%; b. voor de creditrente in perioden waarin de opbrengsten hoger zijn dan de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, door toepassing van renteparameter 1,5%.

2 Als bij een eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag verhoogd met een samengestelde rente met toepassing van de renteparameter 1,5%.

HOOFDSTUK 11

Overgangsrecht

AFDELING 11.1

Overgangsrecht algemeen

§ 11.1.1Lopende procedures en beschikkingen

Artikel 11.1Lopende procedures en beschikkingen op aanvraag ambthalve

1 Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en vóór dat moment een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

2 Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en vóór dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

3 Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en vóór dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 11.2Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten

1 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.

2 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 11.3Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften

1 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.

2 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.

3 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.

4 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 11.4Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:1.de last volledig is uitgevoerd;2.de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of3.de last is opgeheven.

§ 11.1.2Eerbiedigende werking

Artikel 11.5Overgangsrecht met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in hoofdstuk 4

1 Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en dat als gevolg van die wijziging in strijd is met de regels over gebruik in dit hoofdstuk, mag worden voortgezet.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

3 Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

4 Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Artikel 11.6Overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken, bedoeld in hoofdstuk 5

1 Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan .

2 Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.

3 Lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

4 Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 1 bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in lid 1, met maximaal 10%.

§ 11.1.3Voorbereidingsbesluit

Artikel 11.7Overgangsrecht voorbereidingsbesluit

1 De Invoeringswet Omgevingswet bevat het overgangsrecht voor voorbereidingsbesluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). En voor besluiten die onder oud recht als voorbereidingsbesluit golden.

2 Het overgangsrecht voor voorbereidingsbesluiten maakt een onderscheid naar voorbereidingsbesluiten waarbij vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet:een ontwerp-bestemmingsplan of ontwerp-inpassingsplan waarvoor het voorbereidingsbesluit is genomen, ter inzage is gelegdéén ontwerp-bestemmingsplan of ontwerp-inpassingsplan waarvoor het voorbereidingsbesluit is genomen, ter inzage is gelegd.

3 Voorbereidingsbesluiten waarop oud recht van toepassing blijftIs het ontwerp van het bestemmingsplan of inpassingsplan waarvoor het voorbereidingsbesluit is genomen, voor inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage gelegd? Dan blijft het oude recht van toepassing op een voorbereidingsbesluit voor de voorbereiding van een:bestemmingsplan (artikel 3.7, Wro)proactieve aanwijzing van de provincie (artikel 4.2, lid 3, en artikel 3.7, Wro)proactieve aanwijzing van het Rijk (artikel 4.4, lid 3, en artikel 3.7, Wro)inpassingsplan van provincie of Rijk (artikel 3.26, lid 2, of 3.28, lid 2, en 3.7, Wro)Dit staat in de artikel 4.103, lid 1, en artikel 104, lid 1, Invoeringswet Omgevingswet.

4 Een aantal besluiten golden onder het oude recht als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7, Wro. Het gaat dan om een: luchthavenindelingsbesluit (artikel 8.4, Wet luchtvaart) luchthavenbesluit (artikel 8.43, lid 1, artikel 8.70, lid 1, of artikel 10.15, lid 1, Wet luchtvaart) besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven (artikel 8a.54, lid 1 en lid 2, Wet luchtvaart) Ook op de gelding van deze besluiten als voorbereidingsbesluit blijft het oude recht van toepassing. Hiervoor geldt wel een voorwaarde. Het ontwerp van het bestemmingsplan dat voorziet in het in overeenstemming brengen van een bestemmingsplan met het: ● luchthavenbesluit ● luchthavenindelingsbesluit ● besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage zijn gelegd. Dit staat in artikel 4.104a, lid 1, Invoeringswet Omgevingswet.Het oude recht blijft gelden totdat het bestemmingsplan of inpassingsplan waarvoor het voorbereidingsbesluit is genomen of waarin het besluit is verwerkt, van kracht wordt.

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

ACTIVITEITEN

AFDELING 22.1

ALGEMEEN

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

1 De regels in AFDELING 22.2, met uitzondering van § 22.2.7.3, en AFDELING 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2 De regels in AFDELING 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

1 Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en 22.28, tweede, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2 Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

De artikelen artikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

AFDELING 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

§ 22.2.1Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

§ 22.2.2Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6

§ 22.2.3Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

1 Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2 Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.