← Nederland

Omgevingsplan gemeente Oostzaan (Oostzaan)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Oostzaan regelt de fysieke leefomgeving en stelt doelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de bescherming van diverse waarden. Het bevat regels voor activiteiten zoals bouwen, wonen, infrastructuur en cultureel erfgoed.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696313 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0431/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-25 2026-03-25 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696313/nld@2026-03-25 /join/id/proc

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een dakkapel voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.5 Dakkapel bouwen. Artikel 4.6 Erf- en perceelafscheiding bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een erf- of perceelafscheiding voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.6 Erf- en perceelafscheiding bouwen. Artikel 4.7 Kozijn- en gevelwijzigingen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het verrichten van kozijn- en gevelwijzigingen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.7 Kozijn- en gevelwijzigingen. Artikel 4.8 Ondergeschikt bouwdeel bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van ondergeschikte bouwdelen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.8 Ondergeschikt bouwdeel bouwen. Artikel 4.9 Dakopbouw bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van dakopbouwen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.10 Dakopbouw bouwen. Artikel 4.10 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.2, wordt bij het bouwen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; b. Paragraaf 5.2.11 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen in het voor- of achtererfgebied; en c. Paragraaf 5.2.4 Windturbine bouwen, als het een windturbine betreft. Artikel 4.11 Aanwijzing brandvoorschriftengebied Er is een brandvoorschriftengebied, als

artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in dit gebied geldt voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.12 Aanwijzing explosievoorschriftengebied Er is een explosievoorschriftengebied, als

artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in dit gebied geldt voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.13 Parkeerbehoefte veranderen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.2, wordt bij het toevoegen van een gebouw met parkeerbehoefte of het wijzigen van het gebruik van een gebouw met parkeerbehoefte voldaan aan Paragraaf 5.2.12 Parkeerbehoefte veranderen. Artikel 4.14 Aansluiten op de riolering Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.2, wordt bij het aansluiten van een gebouw op de openbare riolering voldaan aan Paragraaf 5.2.13 Rioolaansluiting aanbrengen en in stand houden. Artikel 4.15 Grafbedekking aanbrengen, in stand houden en verwijderen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.2, wordt bij het aanbrengen, in stand houden, of verwijderen van een grafbedekking voldaan aan Paragraaf 5.2.32 Grafbedekking aanbrengen, in stand houden en verwijderen. Paragraaf 4.1.2 Woonruimte Artikel 4.16 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot woonruimte. Artikel 4.17 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen: a. het behoud van de leefbaarheid; b. het bieden van ruimte aan economische activiteiten; en c. het waarborgen van een geordend woon- en leefklimaat. Artikel 4.18 Bed and breakfast verzorgen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.17, wordt bij het verzorgen van een Bed and Breakfast voldaan aan Paragraaf 5.2.14 Bed and Breakfast verzorgen. Artikel 4.19 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.17, wordt bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis voldaan aan Paragraaf 5.2.15 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen. Paragraaf 4.1.3 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied Artikel 4.20 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied. Artikel 4.21 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; d. het beheren van infrastructuur; e. het beheren van watersystemen; f. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; g. het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad; h. het behouden van een adequaat verkeers- en vervoersniveau; i. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en j. het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied. Artikel 4.22 Objecten plaatsen op de weg Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het plaatsen van objecten op de weg voldaan aan Paragraaf 5.2.16 Objecten plaatsen op de weg. Artikel 4.23 Weg veranderen, aanleggen en opbreken Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het aanleggen, veranderen en opbreken van de weg voldaan aan Paragraaf 5.2.17 Weg veranderen, aanleggen en opbreken. Artikel 4.24 Uitrit aanleggen en veranderen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het aanleggen en veranderen van een uitrit voldaan aan Paragraaf 5.2.18 Uitrit aanleggen en veranderen. Artikel 4.25 Standplaats innemen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het innemen van een standplaats voldaan aan Paragraaf 5.2.19 Standplaats innemen. Artikel 4.26 Reclame plaatsen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het plaatsen van reclame voldaan aan Paragraaf 5.2.20 Reclame plaatsen. Artikel 4.27 Opbreken en graven in openbaar gebied Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het opbreken en graven in openbaar toegankelijk gebied voldaan aan Paragraaf 5.2.21 Opbreken en graven in openbaar toegankelijk gebied. Artikel 4.28 Activiteiten in beperkingengebied leidingen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Beperkingengebied leidingen voldaan aan Paragraaf 5.2.22 Activiteiten in beperkingengebied leidingen. Artikel 4.29 Opslag voer- en vaartuigen, bromfietsen en kampeermiddelen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21 wordt bij het opslaan van voer- en vaartuigen, bromfietsen en kampeermiddelen voldaan aan Paragraaf 5.2.23 Opslag voer- en vaartuigen, bromfietsen en kampeermiddelen. Artikel 4.30 Object of opstaand houtgewas onder hoogspanningslijn plaatsen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het plaatsen van een object of opstaand houtgewas onder een hoogspanningslijn voldaan aan Paragraaf 5.2.24 Object of opstaan houtgewas onder hoogspanningslijn plaatsen. Artikel 4.31 Objecten plaatsen op openbaar water Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het plaatsen van een object in openbaar water voldaan aan Paragraaf 5.2.25 Objecten plaatsen op openbaar water. Artikel 4.32 Ligplaats innemen met een vaartuig Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het innemen van een ligplaats met een vaartuig voldaan aan Paragraaf 5.2.26 Ligplaats innemen met een vaartuig. Artikel 4.33 Crossen met een voertuig Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het crossen met een voertuig voldaan aan Paragraaf 5.2.27 Crossen met een voertuig. Artikel 4.34 Evenement organiseren Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.21, wordt bij het organiseren van een evenement voldaan aan Paragraaf 5.2.28 Evenement organiseren. Paragraaf 4.1.4 Cultureel erfgoed Artikel 4.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot Cultureel erfgoed. Artikel 4.36 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het behoud van cultureel erfgoed; en c. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Artikel 4.37 Aanwijzing gemeentelijk monument Een monument, opgenomen in bijlage X Monumentenlijst, op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument' is aangewezen als gemeentelijk monument. Artikel 4.38 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.36, wordt bij het verrichten van activiteiten in, bij of aan gemeentelijke monumenten voldaan aan Paragraaf 5.2.29 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument. Artikel 4.39 Slopen van bouwwerken in een beschermd stads- of dorpsgezicht Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.36, wordt bij het slopen van bouwwerken in een beschermd stads- of dorpsgezicht voldaan aan Paragraaf 5.2.30 Slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 4.40 Activiteit in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.36, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Gebied met archeologische verwachtingswaarde voldaan aan Paragraaf 5.2.31 Activiteit in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Paragraaf 4.1.5 Natuur Artikel 4.41 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot natuur. Artikel 4.42 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot natuur gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; b. de natuurbescherming; c. het tegengaan van klimaatverandering; d. het beheren van watersystemen; e. het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; f. het beheren van natuurlijke hulpbronnen; g. het realiseren van een natuurnetwerk; h. het beschermen van natuurgebieden; en i. een hoge kwaliteit van het openbaar gebied. Artikel 4.43 Bomen kappen Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.46, wordt bij het kappen van bomen en het verrichten van andere handelingen die de dood van een boom kunnen veroorzaken voldaan aan Paragraaf 5.2.33 Bomen kappen en houtopstanden vellen. Artikel 4.44 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap Er is een Bebouwingscontour houtkap als

artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. Paragraaf 4.1.6 Milieu Artikel 4.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot milieu. Artikel 4.46 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de veiligheid; c. het beschermen van het milieu; en d. het bevorderen van duurzaamheid. Artikel 4.47 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem voldaan aan Paragraaf 5.2.34 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken. Artikel 4.48 Afvalwater lozen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.46, wordt bij het lozen van afvalwater voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; b. Paragraaf 5.2.36 Afvalwater lozen – algemeen; c. Paragraaf 5.2.37 Afvloeiend hemelwater of grondwater bij ontwatering lozen; d. Paragraaf 5.2.38 Grondwater lozen bij sanering; e. Paragraaf 5.2.39 Huishoudelijk afvalwater lozen; f. Paragraaf 5.2.40 Koelwater lozen; g. Paragraaf 5.2.41 Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken; h. Paragraaf 5.2.42 Afvalwater lozen bij opslaan en overslaan van goederen; i. Paragraaf 5.2.43 Afvalwater lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater; j. Paragraaf 5.2.44 Afvalwater lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen; k. Paragraaf 5.2.45 Afvalwater lozen bij calamiteitenoefeningen; l. Paragraaf 5.2.46 Afvalwater lozen bij telen, kweken, spoelen en sorteren van gewassen; m. Paragraaf 5.2.47 Afvalwater lozen bij maken van betonmortel; en n. Paragraaf 5.2.48 Uitwassen van beton. Artikel 4.49 Recreatieve visvijvers exploiteren Met het oog op de doelen,

Artikel 4.46, wordt bij het exploiteren van recreatieve visvijvers voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.49 Recreatieve visvijvers exploiteren. Artikel 4.50 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.50 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken. Artikel 4.51 Motorvoertuigen wassen Met het oog op de doelen,

Artikel 4.46, wordt bij het wassen van motorvoertuigen voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.51 Motorvoertuigen wassen. Artikel 4.52 Niet-industrieel voedsel bereiden Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het bereiden van voedingsmiddelen met de volgende apparatuur voldaan aan Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen en Paragraaf 5.2.52 Niet-industrieel voedselbereiden: a. keukenapparatuur; b. grootkeukenapparatuur; c. een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of d. een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW. Artikel 4.53 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het verrichten van een activiteit als

artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.53 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren. Artikel 4.54 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het slachten van dieren, het bewerken van dierlijke bijproducten en het uitsnijden van vlees, vis of organen voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.54 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden. Artikel 4.55 Elektriciteit opwekken met een windturbine Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.46, wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.55 Elektriciteit opwekken met een windturbine. Artikel 4.56 Acculader in werking hebben Met het oog op de doelen,

Artikel 4.46, wordt bij het in werking hebben van een acculader voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.56 Acculader in werking hebben. Artikel 4.57 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.57 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage. Artikel 4.58 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.58 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht. Artikel 4.59 Vaste mest opslaan Met het oog op de doelen,

Artikel 4.46, wordt bij het opslaan van vaste mest voldaan aan: a.

Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.59 Vaste mest opslaan. Artikel 4.60 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.60 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan. Artikel 4.61 Kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen opslaan Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.61 Opslaan van kuilvoer en andere bijvoedermiddelen. Artikel 4.62 Landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels fokken, houden en trainen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het fokken, houden en trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.35 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.62 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Artikel 4.63 Zwerfafval opruimen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het opruimen van zwerfafval voldaan aan Paragraaf 5.2.63 Zwerfafval opruimen. Artikel 4.64 Opslaan van vuurwerk Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.46, wordt bij het opslaan, herverpakken, verkopen en leveren van vuurwerk voldaan aan Paragraaf 5.2.64 Opslaan, herverpakken, verkopen en leveren van vuurwerk. Paragraaf 4.1.7 Bodem Artikel 4.65 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met betrekking tot bodem. Artikel 4.66 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot bodem gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit; c. het doelmatig benutten van de bodem; d. het zuinig gebruik van grondstoffen; en e. het doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 4.67 Verrichten van nazorg na saneren van de bodem Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.66, wordt bij het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden voldaan aan Paragraaf 5.2.65 Nazorg verrichten na saneren van de bodem. Artikel 4.68 Bodemgevoelig gebouw bouwen Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.66, wordt bij het bouwen van bodemgevoelige gebouwen voldaan aan Paragraaf 5.2.66 Bodemgevoelig gebouw bouwen. Artikel 4.69 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.66, wordt bij het graven in de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.67 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde. Artikel 4.70 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.66, wordt bij het verrichten van een activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico voldaan aan Paragraaf 5.2.68 Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Artikel 4.71 Toepassen van staalslakken en grondstabilisatie Met het oog op de doelen,

artikel Artikel 4.66, wordt bij het toepassen van staalslakken en bij het uitvoeren van grondstabilisatie voldaan aan Paragraaf 5.2.69 Staalslakken toepassen en grondstabilisatie. Paragraaf 4.1.8 Klimaat Artikel 4.72 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot klimaat. Artikel 4.73 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot het klimaat gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de veiligheid; c. het beschermen van de natuur; en d. het beperken van de luchtverontreiniging. Artikel 4.74 Lozen van afvloeiend hemelwater Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.66, wordt bij het lozen van afvloeiend hemelwater voldaan aan Paragraaf 5.2.37 Afvloeiend hemelwater en grondwater lozen. Afdeling 4.2 Gebiedstypen Paragraaf 4.2.1 Algemeen Artikel 4.75 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. detailhandelsactiviteiten; d. dienstverleningsactiviteiten; e. horeca-activiteiten; f. infrastructuuractiviteiten; g. maatschappelijke activiteiten; h. recreatie-activiteiten; i. sportactiviteiten; en j. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.2 Veenweidegebied Artikel 4.76 Aanwijzing Er is een gebiedstype Veenweidegebied. Artikel 4.77 Doelen In het Veenweidegebied gelden de volgende doelen: a. het behoud van de karakteristiek van het veenpolderlandschap; b. het behouden van cultureel erfgoed; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. het beschermen van de natuur en het milieu; e. het vergroten van de recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid; en f. het bijdragen aan CO2 reductie. Artikel 4.78 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.77 worden binnen het Veenweidegebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.75, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. horeca-activiteiten; d. infrastructuuractiviteiten; e. recreatie-activiteiten; f. maatschappelijke activiteiten; g. sportactiviteiten; en h. woonactiviteiten. Artikel 4.79 agrarische activiteiten Bij het verrichten van agrarische activiteiten wordt voldaan aan: a. paragraaf 5.3.x Trillingveroorzakende activiteit verrichten; b. paragraaf 5.3.x Geluidveroorzakende activiteit verrichten; c. paragraaf 5.3.x Geur veroorzaken door agrarische activiteiten - algemeen; d. paragraaf 5.3.x Geur veroorzaken door het houden van landbouwhuisdieren met emissiefactor; e. paragraaf 5.3.x Geur veroorzaken door het houden van landbouwhuisdieren zonder emissiefactor of paarden en pony's voor het berijden; f. etc. Paragraaf 4.2.3 Natuur- en recreatiegebied Twiske Artikel 4.80 Aanwijzing Er is een gebiedstype Natuur- en recreatiegebied Twiske. Artikel 4.81 Doelen In het Natuurgebied gelden de volgende doelen: a. het in stand houden van het open cultuur- en natuurlandschap; b. het behoud en versterken van natuurwaarden; c. het beschermen van de natuur en het milieu; en d. het vergroten van de recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid. Artikel 4.82 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.81, worden binnen het Natuur- en recreatiegebied Twiske, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.75, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

agrarische activiteiten; b. horeca-activiteiten; c. infrastructuuractiviteiten; d. recreatie-activiteiten; en e. sportactiviteiten. Paragraaf 4.2.4 Stedelijk gebied Artikel 4.83 Aanwijzing Er is een gebiedstype Stedelijk gebied. Artikel 4.84 Doelen In het Stedelijk gebied gelden de volgende doelen: a. het behouden van de cultuurhistorische identiteit; b. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; c. het versterken van een aantrekkelijke, veilige en gezonde leefomgeving; d. het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit; e. het beschermen van de natuur en het milieu; en f. het verbeteren van ruimtelijke adaptie. Artikel 4.85 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.84, worden binnen het Stedelijk gebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.75, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. horeca-activiteiten; e. infrastructuuractiviteiten; f. maatschappelijke activiteiten; g. recreatie-activiteiten; h. sportactiviteiten; en i. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.5 Centrumgebied Artikel 4.86 Aanwijzing Er is een gebiedstype Centrumgebied. Artikel 4.87 Doelen In het Centrumgebied gelden de volgende doelen: a. het behoud van een sterke centrumfunctie; b. het vergroten van de bereikbaarheid; c. het vergroten van de verblijfs- en ontmoetingsfunctie; en d. het bijdragen aan een aantrekkelijke openbare ruimte. Artikel 4.88 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.87, worden binnen het Centrumgebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.75, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. horeca-activiteiten e. infrastructuuractiviteiten; f. maatschappelijke activiteiten; g. recreatie-activiteiten; h. sportactiviteiten; en i. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.6 Woonzorg-servicegebied Artikel 4.89 Aanwijzing Er is een gebiedstype Woonzorg-servicegebied. Artikel 4.90 Doelen In het Woonzorg-servicegebied gelden de volgende doelen: a. het versterken van de aantrekkelijke woonomgeving voor senioren; b. het beschermen van de bereikbaarheid en toegankelijkheid; en c. het creëren van voldoende faciliteiten voor ontmoeting en ondersteunende voorzieningen. Artikel 4.91 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.90, worden binnen het Woonzorg-servicegebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.75, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

dienstverleningsactiviteiten; b. infrastructuuractiviteiten; c. maatschappelijke activiteiten; d. recreatie-activiteiten; en e. woonactiviteiten. Paragraaf 4.2.7 Werkgebied Artikel 4.92 Aanwijzing Er is een gebiedstype Werkgebied. Artikel 4.93 Doelen In het Werkgebied gelden de volgende doelen: a. het vergroten van de werkgelegenheid; b. het ruimte bieden voor initiatieven; c. het creëren van een gezonde, veilige, aantrekkelijke en goed bereikbare werklocaties; d. het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte in werkgebieden; en e. het tegengaan van gevoelige functies op bedrijventerreinen. Artikel 4.94 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen,

Artikel 4

.93, worden binnen het Werkgebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als

Artikel 4.75, alleen de volgende activiteiten verricht: a.

agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. infrastructuuractiviteiten; en e. sportactiviteiten. Hoofdstuk 5 Activiteiten Afdeling 5.1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van Afdeling 5.1 Algemene bepalingen en Paragraaf 5.3.1 Algemeen is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald. Artikel 5.2 Normadressaat Aan de hoofdstukken 4 en 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald 2. Een vergunningvoorschrift als

artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als

dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

  1. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluitkwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
  2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als

dit hoofdstuk kan worden verbonden.

  1. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen. Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als

dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 5.5 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 5.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 5.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat 1. Voordat de naam of het adres,

Artikel 5

.5 of Artikel 5.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  1. Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  2. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  3. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 5.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning Gereserveerd Artikel 5.10 Gelijkwaardige maatregelen (algemeen) Gereserveerd Artikel 5.11 Informeren over een ongewoon voorval Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval bij de volgende activiteiten: a. objecten plaatsen op de weg als

Paragraaf 5.2.16; b. activiteiten in een beperkingengebied leidingen als

Paragraaf 5.2.22; en c. milieubelastende activiteiten als

Paragraaf 5.2.

  1. Artikel 5.12 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  2. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als

artikel 19.1, eerste lid, van de wet. 2. Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteitenleefomgeving. Artikel 5.13 Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon voorval zijn Gereserveerd Artikel 5.14 Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving Gereserveerd Artikel 5.15 Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan Voor zover voor een activiteit in dit hoofdstuk is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Artikel 5.16 Algemene beoordelingsregels Gereserveerd Afdeling 5.2 Thematische activiteiten Paragraaf 5.2.1 Bouwen - algemeen Artikel 5.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over: a. het bouwen van hoofdgebouwen; b. het bouwen van bijbehorende bouwwerken; c. het bouwen van dakkapellen; d. het bouwen van erf- en perceelafscheidingen; e. het wijzigen van kozijnen en gevels; f. het bouwen van ondergeschikte bouwdelen; g. het bouwen van airconditioningsunits en warmtepompen; h. het bouwen van dakopbouwen; en i. het bouwen van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde. Artikel 5.18 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; e. het voorkomen van hinder en overlast; f. het beschermen van de gezondheid; en g. het stimuleren van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Artikel 5.19 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor de activiteiten,

Artikel 5

.17, in ieder geval in dat bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 5.20 Meetbepalingen

  1. Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bebouwingspercentage: een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd; b. bouwgrens: een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak; c. bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; d. bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; e. bouwvlak: een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten; f. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot de horizontale snijlijn van het dakvlak met de daaronder gelegen buitenzijden van de gevels of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren; g. inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels of het hart van de scheidsmuren, en de buitenzijde van daken en dakkapellen; h. hoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; i. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het horizontale vlak; j. oppervlakte van bouwwerken, geen gebouw zijnde: de verticale projectie van alle delen van die werken binnen de omtrekslijn; k. onderlinge afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; l. peil:
  2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  3. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  4. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil; m. scheidingslijn: een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens aangeeft tussen delen van bestemmings- of bouwvlakken, waarvoor verschillende, in deze voorschriften nader aangegeven, regelingen van toepassing zijn.
  5. Er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over de meetbepalingen. Artikel 5.21 Verboden bouwactiviteiten De volgende bouwactiviteiten worden niet verricht: a. bouwactiviteiten als

artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, die niet voldoen aan de eisen in:

  1. dat artikel; en
  2. Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen tot en met Paragraaf 5.2.11 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen in het voor- of achtererfgebied; en b. bouwactiviteiten anders dan de bouwactiviteiten,

Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen tot en met Paragraaf 5.2.11 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen in het voor- of achtererfgebied. Artikel 5.22 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken is niet in ernstige mate in strijd met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 5.23 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het peil is uitgezet. Artikel 5.24 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

  1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.25 Aansluiting op distributienet voor gas
  3. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.26 Aansluiting op distributienet voor warmte
  5. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  6. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  7. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  8. Als voor de inwerkingtreding van de wet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 5.27 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 5.28 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  9. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  10. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  11. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  12. Bij maatwerkvoorschrift als

Artikel 5.3 kan in ieder geval worden bepaald: a.

als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als

artikel 2.16, derde lid, van de wet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 5.29 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  1. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 5.30 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; en d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  4. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  5. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte,

het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  1. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.31 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  4. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte,

Artikel 5.30, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  1. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen Artikel 5.32 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.33 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.34 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.35 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.36 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.37 [Gereserveerd] Gereserveerd Paragraaf 5.2.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen in het achtererf- en voorerfgebied Artikel 5.38 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.39 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.40 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.41 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.42 [Gereserveerd] Gereserveerd Artikel 5.43 [Gereserveerd] Gereserveerd Paragraaf 5.2.4 Windturbine bouwen Artikel 5.44 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van een windturbine. Artikel 5.45 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.46 Verbod windturbines Het is verboden een windturbine te bouwen. Paragraaf 5.2.5 Dakkapel bouwen Artikel 5.47 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van dakkapellen. Artikel 5.48 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van het woon-, werk- en leefklimaat; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.49 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gelegen zijdakvlak te bouwen. Artikel 5.50 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of de dakkapel op een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand, met daarop de maatvoering en afstanden vanaf de randen van het dak en de perceelsgrenzen; c. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; d. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; e. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan; en f. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren. Artikel 5.51 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de dakkapel gelijk is aan de trendsetter, als deze aanwezig is.
  3. Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel alleen verleend, als: a. de materiaalkeuze voor de dakkapel gelijk is aan die materialen zoals die toegepast zijn bij de woning; b. zijwanden ondoorzichtig en in donkere kleur zijn, of in de kleur van het dakvlak; c. de kleur van het kozijn van de dakkapel is afgestemd op het hoofdgebouw; en d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet. Artikel 5.52 Algemene regels dakkapel

  1. Bij het bouwen van een dakkapel wordt de dakkapel voorzien van een plat dak.
  2. De dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger dan 1,75 m.
  3. De onderzijde van de dakkapel ligt verticaal gemeten meer dan 0,5 m maar niet meer dan 1 m boven de dakvoet.
  4. De bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 m onder de daknok.
  5. De zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
  6. De breedte van de dakkapel is: a. maximaal 1/3 van de breedte van het voordakvlak; en b. maximaal de helft van de breedte van het zijdakvlak.
  7. De hoek van het dakvlak is minimaal 30 graden.
  8. Bij plaatsing van de dakkapel zijn de boven- en onderzijde van het dakvlak zoveel mogelijk gelijk.
  9. In het geval van een bestaande dakkapel, is de plaatsing van de nieuwe dakkapel gelijk.
  10. De onderdorpel van het glaskozijn sluit direct aan op het dakvlak.
  11. De dakkapel heeft geen gesloten borstwering.
  12. Tussen dakkappelen blijven minimaal 6 rijen pannen over.
  13. De afstand van een dakkapel op het zijdakvlak tot de voor- of achtergevel is minimaal 2 m.
  14. De dakkapel wordt niet om de hoek doorgezet.
  15. De dakkapel wordt niet over twee woningen gebouwd, tenzij er een gelijktijdige aanvraag en uniforme realisering plaatsvond.
  16. Dakkappelen worden niet boven elkaar geplaatst.
  17. Bij een doorlopende kap over twee verdiepingen is alleen een dakkapel toegestaan op het onderste gedeelte van het dakvlak.
  18. Een dakkapel heeft geen balkonhek in de goot. Artikel 5.53 Algemene regels mansardedak
  19. Dit artikel geldt, in aanvulling op artikel 5.54, voor dakkapellen op een mansardedak.
  20. Op het bovenste gedeelte van een mansardekap, in de goot en op het bovendakvlak wordt geen dakkapel geplaatst.
  21. Doortrekking van het bovendakvlak is toegestaan.
  22. Een dakkapel wordt op het onderdakvlak geplaatst, als de hoogte maximaal 1,5 m bedraagt. Paragraaf 5.2.6 Erf- en perceelafscheiding bouwen Artikel 5.54 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van erf- en perceelafscheidingen hoger dan 1 m. Artikel 5.55 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de omgevingskwaliteit; b. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en c. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.56 Algemene regels
  23. Een erf-of perceelafscheiding is niet hoger dan 2 m.
  24. Een erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
  25. De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt het met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
  26. Het materiaal is overeenkomstig met een eventuele aangrenzende erfafscheiding, overeenkomstig het hoofdgebouw of uitgevoerd in volledig te begroeien gazen hekwerk, metselwerk of hout of ander natuurlijk en niet snel verwerend materiaal.
  27. Er wordt geen zichtbare toepassing gemaakt van beton, kunststof, staal, damwand, rietmatten of vlechtschermen.
  28. De kleur van de erf-of perceelofscheiding is: a. overeenkomstig het hoofdgebouw; of b. uitgevoerd in donkere kleurtinten; en c. uitgevoerd in een onopvallende kleur. Paragraaf 5.2.7 Kozijn- en gevelwijzigingen Artikel 5.57 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van kozijnen en gevels in het voorerfgebied of het naar openbaar toegankelijk gekeerd zijerf. Artikel 5.58 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.59 Algemene regels
  29. Gevelopeningen worden niet dichtgemaakt, door bijvoorbeeld te panelen of te beschilderen.
  30. Gevelopeningen zijn in overeenstemming met de architectuur en het tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel.
  31. De gevels van de begane grond en de verdiepingen zijn samenhangend.
  32. De verticale en horizontale geleding van de gevel wordt gehandhaafd.
  33. De samenhang en ritmiek van de straatwand wordt niet verstoord.
  34. Het materiaal- en kleurgebruik wordt afgestemd op de oorspronkelijk gevel. Paragraaf 5.2.8 Ondergeschikt bouwdeel bouwen Artikel 5.60 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van ondergeschikte bouwdelen. Artikel 5.61 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.62 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen ondergeschikte bouwdelen
  35. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergeschikt bouwdeel te bouwen.
  36. Het verbod geldt niet voor: a. plinten, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen, als de diepte niet meer is dan 0,5 m ten opzichte van de gevel; b. balkons, als diepte niet meer is dan 2,0 m ten opzichte van de gevel en de vrije hoogte tussen het balkon en het maaiveld ten minste 2,6 m bedraagt; c. liftschachten, als de hoogte niet meer is dan 2,5 m; d. erkers, als de diepte niet meer is dan 0,5 m ten opzichte van de gevel; en e. luifels, overstekende daken, galerijen, hellingbanen, trappen en bordessen, als de diepte niet meer is dan 1,0 m ten opzichte van de gevel. Artikel 5.63 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende foto met daarop de locatie van het ondergeschikte bouwdeel, de maat- voering en de afstanden tot de perceelsgrenzen; en b. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan. Artikel 5.64 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel wordt alleen verleend als: a. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen afbreuk doet aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. het ondergeschikte bouwdeel past binnen de stedenbouwkundige structuur; en c. de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht. Paragraaf 5.2.9 Overig gebouw bouwen Artikel 5.65 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.66 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.67 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.68 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.69 Gereserveerd Gereserveerd Paragraaf 5.2.10 Dakopbouw bouwen Artikel 5.70 Gereserveerd Artikel 5.71 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.72 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.73 Gereserveerd Gereserveerd Artikel 5.74 Gereserveerd Gereserveerd Paragraaf 5.2.11 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Artikel 5.75 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde. 2. Deze paragraaf gaat niet over het bouwen van een erf- of perceelafscheiding als

Paragraaf 5.2.

  1. Artikel 5.76 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.77 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op tuinmeubilair in het achtererfgebied met een hoogte van maximaal 2,5 m. Artikel 5.78 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende foto met daarop de locatie van het bouwwerk, de maatvoering en de afstanden tot de perceelsgrenzen; en b. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan. Artikel 5.79 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het ondergeschikte bouwdeel past binnen de stedenbouwkundige structuur; en b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel,

artikel 4.19 van de wet. Artikel 5.80 Algemene regels

  1. De bouwhoogte van een recreatie-botenstalling bedraagt ten hoogste de bij aanduiding ‘maximale bouwhoogte recreatie-botenstalling’ aangegeven aantal meter.
  2. De bouwhoogte van een caravanstalling bedraagt ten hoogste de bij aanduiding ‘maximale bouwhoogte caravaanstalling’ aangegeven aantal meter.
  3. De bouwhoogte van bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van sport bedraagt ten hoogste 19 m.
  4. De bouwhoogte van een vlaggenmast bedraagt ten hoogste 10 m.
  5. De bouwhoogte van een overig bouwwerk in het achtererfgebied bedraagt ten hoogste 2 m. Paragraaf 5.2.12 Parkeerbehoefte veranderen Artikel 5.81 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het toevoegen of veranderen van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte of het veranderen van het gebruik van dat gebouw of terrein. Artikel 5.82 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het realiseren van voldoende parkeergelegenheid; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het beperken van hinder; d. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; e. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; en f. het beschermen van het openbaar groen. Artikel 5.83 Gebouw of terrein met parkeerbehoefte Een gebouw of terrein met parkeerbehoefte is in ieder geval een gebouw of terrein waar een of meer van de volgende activiteiten met gebruiksruimte worden verricht: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. detailhandelsactiviteiten; d. dienstverleningsactiviteiten; e. horeca-activiteiten; f. maatschappelijke activiteiten; g. recreatie-activiteiten; h. sportactiviteiten; en i. woonactiviteiten. Artikel 5.84 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw of terrein met parkeerbehoefte toe te voegen of te veranderen, of het gebruik van dat gebouw of terrein te veranderen. Artikel 5.85 Bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen met daarop bestaande en nieuw aan te leggen parkeerplaatsen en de daarbij horende afmetingen; en b. een parkeerbalans en toelichting hierop. Artikel 5.86 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  6. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de normen en regels voor parkeren en stallingsruimte,

de CROW-publicatie ASVV 2021, of de opvolger daarvan, waarbij uitgegaan wordt van het gemiddelde tussen de maximale en minimale normen. 2. In aanvulling op het eerste lid worden bij het verlenen van de omgevingsvergunning, in afwijking van Artikel 11.6, tweede lid, ook de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, betrokken.

  1. Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid als dat geen onevenredige aantasting oplevert van de parkeersituatie in de openbare ruimte of de woon- en leefsituatie, als: a. toepassing van het eerste lid naar het oordeel van het bevoegd gezag door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. er op andere wijze wordt voorzien in de nodige parkeergelegenheid. Artikel 5.87 Algemene regel instandhouden parkeervoorzieningen Een parkeergelegenheid die is aangebracht om aan deze paragraaf te voldoen, wordt in stand gehouden. Paragraaf 5.2.13 Rioolaansluiting aanbrengen en in stand houden Artikel 5.88 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het aanbrengen en in stand houden van een aansluiting voor een gebouw op de openbare riolering. Artikel 5.89 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het bevorderen van de bruikbaarheid van bouwwerken; en c. het beschermen van de doelmatige werking van de openbare riolering. Artikel 5.90 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aansluiting op het openbaar riool tot stand te brengen, te wijzigen of in stand te houden. Artikel 5.91 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de ligging van het perceel of de percelen waarvoor de vergunning wordt aangevraagd aan de hand van straat en huisnummer of, als nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel; b. een situatieschets met een schaal van 1: 1000 of groter; c. voor zover het lozing van bedrijfsafvalwater betreft, de aard en de hoeveelheid van het af te voeren afvalwater; en d. voor zover het lozing vanuit een huishouden betreft: of er huishoudelijk afvalwater dan wel hemelwater zal worden afgevoerd. Artikel 5.92 Beoordelingsregels
  2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor het tot stand brengen en in stand houden van een aansluiting op het openbaar riool: a. voor de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater als ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is; b. voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, als ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is; c. voor de afvoer van hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, als ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is; of d. voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater als ter plaatse een drukriool aanwezig is.
  3. De omgevingsvergunning kan alleen worden geweigerd als aansluiting op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is.
  4. Aansluiting op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk, als: a. de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gescheiden openbaar riool aanwezig is; b. het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren; c. de omgevingsvergunning voor het aan te sluiten bouwwerk is geweigerd; d. de binnenonderkant van de particuliere afvoerleiding ter plaatse van het aansluitpunt lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de perceelaansluitleiding; e. de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of dit omgevingsplan een vergunning benodigd is, maar niet is verleend, of waarvoor niet aan de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving of dit omgevingsplan is voldaan; f. het lozing van niet verontreinigd drainagewater betreft; of g. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of via retourbemaling kan worden afgevoerd.
  5. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over: a. het tot stand brengen van de aansluiting; b. het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding; c. sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende; en d. de periode waarvoor de vergunning wordt verleend als het een tijdelijke aansluiting betreft. Artikel 5.93 Algemene regels beheer, onderhoud, renovatie en vervanging
  6. Het beheer en onderhoud, de renovatie en de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik van de particuliere afvoerleiding, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen.
  7. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. het via de aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het openbaar riool veroorzaken; en b. het via de aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding of het openbaar riool aantasten.
  8. De kosten voor het onderhoud van de particuliere afvoerleiding komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool. Artikel 5.94 Algemene regels verstoppingen en storingen
  9. Bij een verstopping of een andere storing in de particuliere afvoerleiding, graaft de rechthebbende het controleputje op en onderzoekt of het een verstopping of storing betreft in de particuliere afvoerleiding of in de perceelaansluitleiding.
  10. Als na het onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, neemt de rechthebbende of de gebruiker contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden.
  11. Als de rechthebbende of de gebruiker, zonder expliciete voorafgaande toestemming van de gemeente, zelf aan een derde opdracht geeft tot het verrichten van werkzaamheden, komen de kosten daarvan voor rekening van die rechthebbende of gebruiker.
  12. Als na het onderzoek blijkt dat sprake is van een verstopping of storing in de particuliere afvoerleiding, verhelpt de rechthebbende deze verstopping of storing. Artikel 5.95 Algemene regels werkzaamheden en beëindiging
  13. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een perceel worden zodanige voorzieningen aan de particuliere afvoerleiding getroffen dat verzanding van het openbaar riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen.
  14. Als het gebruik van een aansluiting definitief wordt beëindigd, wordt de particuliere afvoerleiding verwijderd. Artikel 5.96 Informatieplicht beëindiging aansluiting Binnen vier weken na definitieve beëindiging van een aansluiting wordt het college hierover geïnformeerd. Paragraaf 5.2.14 Bed and breakfast verzorgen Artikel 5.97 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verzorgen van een Bed and Breakfast. Artikel 5.98 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; en b. ruimte bieden aan economische activiteiten. Artikel 5.99 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een Bed and Breakfast te verzorgen als niet wordt voldaan aan de algemene regels,

Artikel 5.102.

Artikel 5.100 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over de gewenste afwijking van de algemene regels,

Artikel 5.102.

Artikel 5.101 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. belangen van derden of naastgelegen percelen niet onevenredig worden geschaad; b. de bedrijfsvoering van bedrijven in de directe omgeving niet onevenredig wordt benadeeld; en c. ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd.
  2. In aanvulling op het eerste lid worden bij het verlenen van de omgevingsvergunning, in afwijking van Artikel 11.6, tweede lid, ook de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, betrokken. Artikel 5.102 Algemene regels

  1. De Bed and Breakfast wordt verzorgd door de bewoners of eigenaars van de betreffende woning.
  2. Het brutovloeroppervlak van de Bed and Breakfast is ten hoogste 40% van het brutovloeroppervlak van de gehele woning, met een maximum van 50 m².
  3. Een Bed and Breakfast heeft maximaal zeven gastenkamers, voor maximaal twee personen per kamer.
  4. Een Bed and Breakfast heeft geen zelfstandige kookgelegenheid, met uitzondering van een waterkoker, faciliteiten voor koffie en thee en een mini-bar.
  5. De Bed and Breakfast is ondergeschikt aan de hoofdfunctie van het gebouw.
  6. Het verzorgen van de Bed and Breakfast kan plaatsvinden in zowel het hoofdgebouw als de bijbehorende bijgebouwen. Paragraaf 5.2.15 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Artikel 5.103 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Artikel 5.104 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; en c. ruimte bieden aan economische activiteiten. Artikel 5.105 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in ieder geval in dat: a. hinder wordt voorkomen of beperkt; en b. voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein. Artikel 5.106 Algemene regels

  1. Een beroep of bedrijf aan huis wordt door de bewoner zelf uitgeoefend.
  2. De bruto oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 40% van de bruto vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 45 m
  3. Het beroep of bedrijf kan zowel in het hoofdgebouw als een bijgebouw worden uitgeoefend. Paragraaf 5.2.16 Objecten plaatsen op de weg Artikel 5.107 Toepassingsbereik
  4. Deze paragraaf gaat over het plaatsen van een object op de openbare weg in beheer bij de gemeente.
  5. Deze paragraaf gaat niet over: a. het houden van een evenement,

Paragraaf 5.2.28; b. het innemen van een standplaats,

Paragraaf 5.2.19 Standplaats innemen; en c. het innemen van vaste plaats op een jaarmarkt of markt als

artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet. Artikel 5.108 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bevorderen van de verkeersveiligheid; b. het behoeden van de staat en de werking van infrastructuur van de openbare buitenruimte voor personen; c. het beperken van hinder; d. het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied; en e. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Artikel 5.109 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor het plaatsen van snoeren op de openbare weg in beheer bij de gemeente in ieder geval in dat: a. geen hinder of gevaar wordt veroorzaakt voor andere weggebruikers; en b. het kruisen van openbare wegen, voet- en fietspaden wordt vermeden. Artikel 5.110 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een object op de openbare weg te plaatsen.
  2. In aanvulling op het eerste lid is het ook verboden om een bord of ander object te plaatsen als daarmee een aankondiging of mededeling wordt gedaan. Artikel 5.111 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto verstrekt met daarop de locatie van het object; b. de lengte, breedte en hoogte van het object aangegeven; en c. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen vermeld. Artikel 5.112 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen,

Artikel 5.108, niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 5.113 Algemene regels snoeren op de openbare weg

  1. Dit artikel is van toepassing op het plaatsen van een snoer op de openbare weg.
  2. Een snoer is afgedekt met een rubberen mat op dat gedeelte van de openbare weg.
  3. Een openbare parkeerplaats wordt niet gereserveerd door middel van borden.
  4. De snoer of kabel wordt niet in de grond gegraven. Paragraaf 5.2.17 Weg veranderen, aanleggen en opbreken Artikel 5.114 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het aanleggen, opbreken en veranderen van een weg. Artikel 5.115 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bevorderen van de verkeersveiligheid; b. het beperken van hinder; en c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Artikel 5.116 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een weg aan te leggen; b. de verharding van een weg op te breken; c. de aard of de breedte van de wegverharding te veranderen; of d. anderszins verandering te brengen in de wijze van de aanleg van een weg.
  6. Het verbod geldt niet bij het uitvoeren van een publieke taak in opdracht van de overheid. Artikel 5.117 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; b. de reden voor het veranderen, aanleggen of opbreken; en c. het tijdstip en de duur van de activiteit. Artikel 5.118 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de belangen,

Artikel 5.115, niet onevenredig worden geschaad.

Paragraaf 5.2.18 Uitrit aanleggen en veranderen Artikel 5.119 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het aanleggen van een uitrit en het veranderen van een bestaande uitrit. Artikel 5.120 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het voorkomen van schade aan de weg; en e. het voorkomen van hinder of overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Artikel 5.121 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit aan te leggen of een bestaande uitrit te veranderen 2. Het verbod,

het eerste lid, geldt niet bij het aanleggen en veranderen van een uitrit als: a. het perceel nog niet van een uitrit is voorzien; b. het openbaar parkeervak wordt behouden; c. de aanwezige groenvoorziening niet wordt aangetast; d. de minimale strook bij het parkeren naast de woning minimaal 3 m breed is; e. de rijbaan of het voetpad wordt vrijgelaten als er in de voortuin of voorerf wordt geparkeerd; en f. de uitrit niet meer dan 3 m breed is. Artikel 5.122 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen. Artikel 5.123 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de uitrit niet ten koste gaat van een openbaar parkeervak; en b. de uitrit niet ten koste gaat van de Hoofdgroenstructuur. Artikel 5.124 Algemene regels 1. Een perceel is voorzien van ten hoogste 1 uitrit. 2. Bij het parkeren naast de woning blijft een strook van minimaal 3 m vrij. 3. Bij het parkeren in de voortuin blijft het aangrenzend voetpad of rijbaan geheel vrij. 4. De uitrit is maximaal 3 m breed. 5. In afwijking van het vierde lid is de uitrit maximaal 4 m als de weg smaller is dan 6 m. Paragraaf 5.2.19 Standplaats innemen Artikel 5.125 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf gaat over het innemen of het hebben van en standplaats in het openbaar toegankelijk gebied. 2. Deze paragraaf gaat niet over: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als

artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet; en b. een vaste plaats op een evenement als

Paragraaf 5.2.

  1. Artikel 5.126 Oogmerken De regels in deze paragraaf worden gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; e. het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied; en f. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:
  2. het beschermen tegen milieuverontreiniging;
  3. het beschermen van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  4. een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen;
  5. het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en
  6. het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 5.127 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben. Artikel 5.128 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de standplaats; b. een foto of tekening van het uiterlijk van de fysieke middelen die worden gebruikt op de standplaats; c. de afmetingen van die fysieke middelen; d. het soort goederen of diensten dat wordt aangeboden of verhandeld; en e. de dagen en tijdstippen waarop de standplaats wordt ingenomen. Artikel 5.129 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het uiterlijk van de standplaats, zowel op zichzelf beschouw als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd met de goede omgevingskwaliteit; b. door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs te verwachten is dat het voor een standplaats voor het verkopen van goederen het goede woon- en leefklimaat in gevaar komt. Paragraaf 5.2.20 Reclame plaatsen Artikel 5.130 Toepassingsbereik
  7. Deze paragraaf gaat over: a. het aanbrengen en maken van reclame in het openbaar toegankelijk gebied; en b. het aanbrengen en maken van reclame op of aan een onroerende zaak die zichtbaar is vanuit openbaar toegankelijk gebied.
  8. Deze paragraaf gaat niet over het plaatsen van objecten waarop de reclame wordt aangebracht. Artikel 5.131 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het beperken van hinder; d. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; en e. het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied. Artikel 5.132 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor het aanbrengen en maken van reclame op of aan onroerende zaken in ieder geval in dat: a. er geen ernstige hinder ontstaat voor de omgeving; en b. er geen gevaar ontstaat voor het verkeer. Artikel 5.133 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning reclame te plaatsen op of aan onroerende zaken met een opschrift, aankondiging of afbeelding, zichtbaar vanaf de openbare weg.
  2. Het verbod,

het eerste lid, geldt niet bij: a. opschriften, aankondigingen of afbeelding die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; b. opschriften, aankondigingen of op aan onroerende zaken aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 m die betrekking hebben op:

  1. het uitoefenen van een beroep, dienst of bedrijf in de onroerende zaak;
  2. de naam of de aard van in uitvoering zijnde bouwwerken;
  3. de namen van degene die betrokken is het ontwerp of uitvoering van het bouwwerk; of
  4. opschriften of aankondigingen op onroerende voor het openbaar vervoer ten behoeve van dat vervoer.
  5. In aanvulling op het tweede lid onder c, onder 1 en 2, zijn de opschriften ten tijde van het uitvoeren van het bouwwerk op een bord of op het bouwwerk aangebracht. Artikel 5.134 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto verstrekt met daarop de locatie van de reclame; b. een foto, tekening of duidelijke omschrijving van de reclame; c. als een object wordt gebruikt: de lengte, breedte en hoogte van dat object; en d. de voorgenomen tijdsduur van het maken van reclame. e. het aantal en de afmetingen van de reclame; f. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; g. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en h. de tekst van de reclame. Artikel 5.135 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de verkeersveiligheid wordt beschermd; b. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd; en c. overlast van het gebruik van de onroerende zaak wordt beperkt. Artikel 5.136 Meldingsplicht
  6. Het is verboden opschriften of aankondigingen van tijdelijke aard maximaal zes weken aan te brengen zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
  7. Het verbod,

het eerste lid, geldt niet bij opschriften of aankondigingen die niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. Paragraaf 5.2.21 Opbreken en graven in openbaar gebied Artikel 5.137 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf gaat over het graven in openbaar gebied.
  2. Deze paragraaf gaat over het opbreken van de verharding in openbaar gebied en het aanleggen, in stand houden en verwijderen va een kabel of leiding in openbaar gebied.
  3. Deze paragraaf gaat niet over het aanleggeen, in stand houden en verwijderen van een kabel als

artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet. Artikel 5.138 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar gebied; b. het beperken van hinder; en c. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte. Artikel 5.139 Specifieke zorgplicht De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt voor het opbreken van de verharding in openbaar gebied en het aanleggen, in stand houden en verwijderen van een kabel of leiding op openbaar gebied in ieder geval in dat: a. beschadiging van in de grond aanwezige werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel en van funderingslagen zo veel mogelijk wordt hersteld; c. de grond zodanig wordt afgewerkt dat na inklinking een vlakke aansluiting op de aangrenzende ongeroerde grond wordt gerealiseerd; en d. de verharding zoveel mogelijk wordt hersteld naar de oorspronkelijke staat en, voor zover dat niet mogelijk is, een vlakke aansluiting op de aangrenzende verharding wordt gerealiseerd. Artikel 5.140 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, anders dan voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding: a. de verharding in openbaar gebied op te breken; of b. te graven in openbaar gebied. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen, in stand te houden of te verwijderen in openbaar gebied. 3. De verboden,

het eerste lid en tweede lid, gelden niet voor activiteiten van een overheidsorgaan voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. 4. Het verbod,

het tweede lid, geldt niet voor activiteiten vanwege een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk of niet gewenst is. Artikel 5.141 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opbreken en graven in het openbaar toegankelijk gebied worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; b. de reden voor het opbreken of graven; en c. het tijdstip en de duur van de activiteit.
  2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding in het openbaar toegankelijk gebied worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; b. het tijdstip en de duur van de activiteit; en c. een beschrijving van de uit te voeren werkzaamheden en te gebruiken apparatuur. Artikel 5.142 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  3. De omgevingsvergunning voor het opbreken van of graven in het openbaar gebied wordt alleen verleend als: a. het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd; b. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen onevenredig wordt belemmerd; of c. het doelmatig beheer van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd.
  4. De omgevingsvergunning voor het aanleggen, in stand houden of het verwijderen van een kabel of leiding in het openbaar gebied wordt alleen geweigerd als: a. het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd; b. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen onevenredig wordt belemmerd; c. het doelmatig beheer van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd; of d. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte wordt belemmerd. Paragraaf 5.2.22 Activiteiten in beperkingengebied leidingen Artikel 5.143 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van een activiteit in het beperkingengebied leidingen. Artikel 5.144 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de in de grond aanwezige kabels, leidingen en ondersteunende werken. Artikel 5.145 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied leidingen: a. te graven, als de diepte van de graafwerkzaamheden meer is dan [x] cm; b. diepwortelende beplanting aan te brengen of te verwijderen dieper dan [x] cm onder het maaiveld; c. voorwerpen in te drijven; d. het aanleggen van waterlopen; e. het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; f. de grond op te hogen tot meer dan [x] cm boven het maaiveld; of g. verharding aan te brengen.
  6. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden bij normaal onderhoud aan bouwwerken of andere werken. Artikel 5.146 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; b. een beschrijving van de aard en de omvang van de activiteit; c. de reden voor de activiteit; en d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de kans op schade aan de kabels of leidingen, waarvoor het beperkingengebied is aangewezen, te beperken. Artikel 5.147 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de leiding; en b. maatregelen worden getroffen om eventuele schade aan de leidingen te beperken. Paragraaf 5.2.23 Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen Artikel 5.148 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het in de openlucht en buiten een weg opslaan van de volgende goederen bij het uitvoeren van activiteiten die geen milieubelastende activiteit zijn als

hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; b. een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mest en gier; e. vuil; f. ingekuild gras, loof of pulp ingekuilde afbraakmaterialen; of g. oude materialen. Artikel 5.149 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of beëindigen van overlast; b. het voorkomen van schade aan de volksgezondheid; en c. het voorkomen van schade aan het uiterlijk aanzien van de omgeving. Artikel 5.150 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende voorwerpen en stoffen op te slaan als: a. een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; een b. bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mest en gier; e. vuil; f. ingekuild gras, loof of pulp ingekuilde afbraakmaterialen; of g. oude materialen. Artikel 5.151 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie; b. de soort en omvang van de materialen die worden opgeslagen; c. de startdatum van de activiteit; en d. de duur van de activiteit. Artikel 5.152 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen,

Artikel 5.149, niet onevenredig worden geschaad.

Paragraaf 5.2.24 Object of opstaand houtgewas plaatsen onder hoogspanningslijn Artikel 5.153 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf gaat over het plaatsen van een bouwwerk, object of opstaand houtgewas binnen een afstand van 6 m aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen.
  2. Deze paragraaf gaat niet over bouwwerken en objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 5.154 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bevorderen van de veiligheid; en b. het voorkomen van gevaarlijke situaties voor de omgeving. Artikel 5.155 Algemene regel Er wordt geen bouwwerk, object of opstaand houtgewas hoger dan 2 m geplaatst binnen een afstand van 6 m aan de weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Paragraaf 5.2.25 Objecten op openbaar water plaatsen Artikel 5.156 Toepassingsbereik
  3. Deze paragraaf gaat over het plaatsen van objecten in openbaar water, met uitzondering van een vaartuig.
  4. Deze paragraaf gaat niet over activiteiten die worden gereguleerd in het Binnenvaartpolitiereglement. Artikel 5.157 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de veiligheid op het openbaar water; b. het behoeden van de staat en werking van het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond dat water; en c. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 5.158 Verbod object plaatsen Het is verboden een object te plaatsen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen als deze door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water. Artikel 5.159 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een object te plaatsen, aan te brengen of te hebben op openbaar water.
  6. Het verbod geldt niet voor objecten waarop gedachten en gevoelens worden geopenbaard als

Artikel 5.158.

Artikel 5.160 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie; b. het type object; c. de omvang van het object; en d. de startdatum van de activiteit. Artikel 5.161 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen,

Artikel 5.157, niet onevenredig worden geschaad.

Paragraaf 5.2.26 Ligplaats innemen met een vaartuig Artikel 5.162 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf over het innemen van een ligplaats met een vaartuig en een pleziervaartuig op openbaar water in beheer bij de gemeente. Artikel 5.163 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goede milieuhygiëne; b. het beschermen van de volksgezondheid; c. het beschermen van de veiligheid op het openbaar water; en d. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 5.164 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt voor het innemen van een ligplaats in ieder geval in dat: a.

geen overlast wordt veroorzaakt; en b. de volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van het openbaar water niet worden aangetast. Artikel 5.165 Verbod Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen buiten de locatie 'Ligplaatsen toegestaan'. Paragraaf 5.2.27 Crossen met een voertuig Artikel 5.166 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf gaat over het crossen met een motorvoertuig of bromfiets buiten de openbare weg. 2. Deze paragraaf gaat niet over terreinen voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen als

afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.167 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of beperken van geur- en geluidhinder; b. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving; en c. het beschermen van de veiligheid van de deelnemers en het publiek. Artikel 5.168 Verbod crossen met een motorvoertuig of bromfiets Het is verboden te crossen met een motorvoertuig of bromfiets aanwezig te hebben met het kennelijke doel om te crossen. Paragraaf 5.2.28 Evenement organiseren Artikel 5.169 Toepassingsbereik PM Paragraaf 5.2.29 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument Artikel 5.170 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in, bij of aan gemeentelijke monumenten. Artikel 5.171 Oogmerken Deze regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van gemeentelijke monumenten; en b. het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden van gemeentelijke monumenten. Artikel 5.172 Instandhoudingsplicht monumenten Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding noodzakelijk is. Artikel 5.173 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren of te wijzigen; of b. te herstellen.
  2. Het verbod geldt niet voor het verrichten van activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten voor zover het gaat om: a. de uitvoering van normaal onderhoud dat is gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; c. een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: d. het plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; e. het doen van begravingen of asbijzettingen; en f. het ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. Artikel 5.174 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  3. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bouw- of cultuurhistorisch onderzoeksrapport; b. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument; c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument; d. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
  4. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;
  5. foto’s van de bestaande toestand; en
  6. voor zover relevant: overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; e. de volgende tekeningen:
  7. situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;
  8. opnametekeningen van de bestaande toestand; en
  9. plantekeningen van de nieuwe locatie of toestand of slooptekeningen; en f. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over:
  10. architectuurhistorie;
  11. bouwhistorie;
  12. interieurhistorie;
  13. kleurhistorie; of
  14. tuinhistorie.
  15. Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het slopen van een monument, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving verstrekt van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal; b. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten; en d. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft.
  16. Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten; b. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; c. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen: een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie; en d. plantekeningen van de nieuwe toestand.
  17. Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving verstrekt van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; en f. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. Artikel 5.175 Eisen aan tekeningen
  18. Bij een aanvraag als

Artikel 5.174 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a.

1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  1. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
  2. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
  3. Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen, gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen, en getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. Artikel 5.176 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de belangen,

Artikel 5.171, niet onevenredig worden geschaad; en b.

deze niet in ernstige mate in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels Nota behoud dorpsaanzicht en openbare ruimte

  1. Paragraaf 5.2.30 Slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 5.177 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het slopen van bouwwerken in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 5.178 Oogmerken Deze regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van het beschermde stads- en dorpsgezicht; en b. het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden van gemeentelijke monumenten. Artikel 5.179 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 5.180 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
  3. Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 5.181 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. aannemelijk is gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk zal worden gebouwd dat in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter van het beschermd stads- of dorpsgezicht; en b. deze niet in ernstige mate in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels Nota behoud dorpsaanzicht en openbare ruimte
  4. Paragraaf 5.2.31 Activiteit in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Artikel 5.182 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in, op of aan een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingengebied. Artikel 5.183 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische waarden. Artikel 5.184 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten in een gebied met <normwaarde archeologische verwachtingswaarde>, als: a. de diepte van de werkzaamheden meer is dan 0,5 m onder peil; en b. de oppervlakte van de werkzaamheden meer is dan 100 m
  6. Het verbod geldt niet voor werkzaamheden: a. werkzaamheden bij normaal onderhoud en beheer; en b. opgravingen in het kader van archeologisch onderzoek door een deskundige. Artikel 5.185 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de werkzaamheden; b. een rapport waarin de archeologische waarde van die locatie is vastgesteld;een binnen het grondgebied van de gemeente Oostzaan uitgevoerd onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dat voldoet aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; c. de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein voldoende is vastgesteld; en d. de gemeentelijke archeoloog om advies is gevraagd. Artikel 5.186 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  7. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen; b. met een archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, is vastgesteld dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad; c. afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden, waardoor archeologische resten kunnen worden behouden; en d. de plaats waar de bouwwerken zullen worden gerealiseerd voldoende archeologisch is onderzocht.
  8. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein voldoende is vastgesteld.
  9. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de gemeentelijke archeoloog om advies is gevraagd.
  10. Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten kunnen worden behouden; b. een verplichting tot het doen van opgravingen; c. een verplichting om de activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften gestelde kwalificaties; en d. een verplichring tot het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet. Paragraaf 5.2.32 Grafbedekking aanbrengen, in stand houden en verwijderen Artikel 5.187 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het aanbrengen, in stand houden, of verwijderen van een grafbedekking op een algemeen of particulier graf door de rechthebbende of gebruiker van het graf. Artikel 5.188 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en c. het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 5.189 Specifieke zorgplicht De zorgplicht houdt voor het aanbrengen, in stand houden, of verwijderen van een grafbedekking op een algemeen of particulier graf in ieder geval in dat: a. de gebruiker of rechthebbende verplicht is de grafbedekking behoorlijk te onderhouden; b. de gebruiker of rechthebbende verplicht is een beschadiging te herstellen die naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt; en c. de gebruiker of rechthebbende verplicht is een beschadiging te herstellen die gevaar oplevert voor derden. Artikel 5.190 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grafbedekking op een algemeen of particulier graf aan te brengen, in stand te houden of te verwijderen. Artikel 5.191 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  11. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor grafbedekkingen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de afmetingen van de grafbedekking; b. een duidelijke tekening van de grafbedekking; c. naam en adres van de persoon of rechtspersoon die de grafbedekking vervaardigt; en d. het materiaal waarvan de grafbedekking is vervaardigd.
  12. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor gedenktekens worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een boven-, voor- en zijaanzicht met alle hoogte-, breedte-, dikte- en lengtematen; b. de soort, kleur en bewerking van het te gebruiken materiaal; c. de vermelding of de letters etc. ingehakt, opgehakt of van metaal zijn; d. de woordindeling van het opschrift en de plaats van figuraties; en e. het materiaal van de fundering en de wijze van bevestiging van het gedenkteken daarop. Artikel 5.192 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  13. De omgevingsvergunning voor het aanbrengen, in stand houden, of verwijderen van een grafbedekking wordt in ieder geval geweigerd als: a. deze afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; b. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; of c. de constructie ondeugdelijk is.
  14. De omgevingsvergunning voor het aanbrengen, in stand houden, of verwijderen van een gedenkteken wordt in ieder geval geweigerd als: a. de lengte en breedte van het gedenkteken die van het graf overschrijdt; b. andere dan duurzame materialen worden gebruikt, zoals natuursteen, metaal, keramiek, duurzame kunststoffen of een verduurzaamde houtsoort; of c. de onderdelen niet vast aan het gedenkteken zijn verbonden.
  15. De omgevingsvergunning voor het aanbrengen, in stand houden, of verwijderen van een winterharde beplanting wordt in ieder geval geweigerd als deze bij volle wasdom de voor het graf beschikbare oppervlakte overschrijden, tenzij deze door snoeien binnen de oppervlakte kan worden gehouden. Artikel 5.193 Algemene regels
  16. Het college kan de grafbedekking verwijderen na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf.
  17. Het college maakt een keer per jaar het gedenkteken schoon en verzorgt de winterharde beplantingen.
  18. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief bekend aan de rechthebbende, of wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende.
  19. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend.
  20. Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is.
  21. Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.
  22. Voor tot ruiming van graven wordt overgegaan, onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te worden bijgeschreven.
  23. De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die op de in het vierde lid bedoelde lijst staan. Paragraaf 5.2.33 Bomen kappen en houtopstanden vellen Artikel 5.194 Toepassingsbereik
  24. Deze paragraaf gaat over het kappen van bomen en het verrichten van andere handelingen die de dood van een boom kunnen veroorzaken.
  25. Deze paragraaf gaat niet over het kappen van bomen waarop afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is. Artikel 5.195 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het op: a. de natuurwaarde van de boom; b. de landschappelijke waarde van de boom; c. de waarde van de boom voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de boom; en e. de cultuurhistorische waarde van de boom. Artikel 5.196 Meetbepalingen De diameter van de boom wordt gemeten op 1,30 m boven het maaiveld. Artikel 5.197 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen met een diameter van 0,30 m of groter. Artikel 5.198 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  26. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom, identificeert de aanvrager op de aanduiding,

artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere boom waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer. 2. Per genummerde boom worden de volgende gege

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.