← Nederland

Omgevingsplan gemeente Leusden (Leusden)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Leusden stelt regels voor de fysieke leefomgeving, met als hoofddoel het waarborgen van veiligheid, gezondheid en milieubescherming, en het bevorderen van een duurzame ontwikkeling. Het reguleert diverse activiteiten, met name op het gebied van bouwwerken, om deze doelen te bereiken.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696275 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0327/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-05-21 2026-05-21 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696275/nld@2026-06-19 /join/id/proc

Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.

  1. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Doelen Afdeling 2.1 Doelen Artikel 2.1 Doel omgevingsplan
  2. Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed; g. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; h. de natuurbescherming; i. het tegengaan van klimaatverandering; j. de kwaliteit van bouwwerken; k. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; l. het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad; m. het beschermen van een goed woon-, werk en leefklimaat n. de energiezuinigheid van bouwwerken; o. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; p. het beheer van infrastructuur; q. het beheer van watersystemen; r. het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; s. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; t. het beheer van natuurgebieden; u. het beperken van hinder; v. het benutten van locaties en bouwwerken; en w. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
  3. Dit omgevingsplan is ook gericht op de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente. Afdeling 2.2 Verplichte omgevingswaarden Afdeling 2.3 Facultatieve omgevingswaarden Hoofdstuk 3 Programma's Afdeling 3.1 Programma's met programmatische aanpak Hoofdstuk 4 Activiteiten: algemene bepalingen en richtingaanwijzer Afdeling 4.

Artikel 4

.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van de afdelingen 5.1, 6.1 en 7.1 zijn afdelingen en paragrafen in de hoofdstukken 5, 6 en 7 alleen van toepassing voor zover dat in dit hoofdstuk is bepaald. Artikel 4.2 Normadressaat Aan de hoofdstukken 4 tot en met 7 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7, tenzij anders is bepaald.
  2. Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de hoofdstukken 5 tot en met 7 worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
  3. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
  4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de hoofdstukken 5 tot en met 7 kan worden verbonden.
  5. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  6. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in de hoofdstukken 5 tot en met 7 worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen. Artikel 4.4 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in de hoofdstukken 5 tot en met 7 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 4.5 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 4.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 4.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat
  7. Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen artikel 4.5 of artikel 4.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  8. Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  9. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  10. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 4.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning [Gereserveerd] Artikel 4.10 Gelijkwaardige maatregelen (algemeen) [Gereserveerd] Artikel 4.11 Informeren over een ongewoon voorval [Gereserveerd] Artikel 4.12 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  11. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  12. Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.13 Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon voorval zijn [Gereserveerd] Artikel 4.14 Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving [Gereserveerd] Artikel 4.15 Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan Voor zover voor een activiteit in de hoofdstukken 5 tot en met 7 is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Artikel 4.16 Algemene beoordelingsregel [Gereserveerd] Afdeling 4.2 Thema's Paragraaf 4.2.1 Bodem Paragraaf 4.2.2 Bouwwerken Artikel 4.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken. Artikel 4.18 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat; f. het voorkomen van hinder en overlast; g. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; en h. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling. Artikel 4.19 Hoofdgebouw bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw binnen de locatie bouwen - met Bouwvlak voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen - algemeen; en b. paragraaf 5.3.2 hoofdgebouw bouwen - Stedelijk gebied. Artikel 4.20 Dakkapel bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een dakkapel voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.3 dakkapel bouwen. Artikel 4.21 Dakopbouw bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van dakopbouwen voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.4 dakopbouw bouwen. Artikel 4.22 Dakterras bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van dakterrassen voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.5 dakterras bouwen. Artikel 4.23 Bijbehorend bouwwerk bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen - algemeen; en b. paragraaf 5.3.6 bijbehorend bouwwerk bouwen. Artikel 4.24 Ondergronds bouwwerk bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een ondergronds bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.7 ondergronds bouwwerk bouwen. Artikel 4.25 Buisleidingen bouwen Met oog op de de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van buisleidingen voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.8 buisleidingen bouwen. Artikel 4.26 Zonnepaneel of zonnecollector bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een zonnepaneel of zonnecollector voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.9 zonnepaneel of zonnecollector bouwen. Artikel 4.27 Sport- of speeltoestel bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een sport- of speeltoestel voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.10 sport- of speeltoestel bouwen. Artikel 4.28 Zwembad, bubbelbad, soortgelijke voorzieningen of een vijver bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het in stand houden van een bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.11 zwembad, bubbelbad, soortgelijke voorzieningen of een vijver bouwen. Artikel 4.29 Erf- en perceelafscheiding bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een erf- en perceelafscheiding voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.12 erf- en perceelafscheiding bouwen. Artikel 4.30 Kozijn- en gevelwijzigingen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het verrichten van kozijn- en gevelwijzigingen voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.13 kozijn- en gevelwijzigingen. Artikel 4.31 Ondergeschikt bouwdeel bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van ondergeschikte bouwdelen voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.14 ondergeschikt bouwdeel bouwen. Artikel 4.32 Overig gebouw bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een overig gebouw voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.15 overig gebouw bouwen. Artikel 4.33 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.16 overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen. Artikel 4.34 In stand houden van een bouwwerk Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het in stand houden van een bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.17 bouwwerk in stand houden. Artikel 4.35 Bouwwerk veranderen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het in stand houden van een bouwwerk voldaan aan: a. paragraaf 5.3.1 bouwen – algemeen; en b. paragraaf 5.3.18 bouwwerk veranderen. Paragraaf 4.2.3 Cultureel erfgoed Artikel 4.36 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed. Artikel 4.37 Doelen Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het behoud van cultureel erfgoed; en c. het behoud van monumenten die van bijzonder belang zijn. Artikel 4.38 Aanwijzing monument als gemeentelijk monument Een monument op een locatie met de functie-aanduiding Gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument. Artikel 4.39 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.37, wordt bij het verrichten van activiteiten in, bij of aan gemeentelijke monumenten voldaan aan paragraaf 5.4.1 activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument. Artikel 4.40 Activiteit in archeologisch monument en in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.37, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde voldaan aan paragraaf 5.4.2 Activiteiten in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Paragraaf 4.2.4 Duurzaamheid Paragraaf 4.2.5 Gezondheid Paragraaf 4.2.6 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied Paragraaf 4.2.7 Milieu Paragraaf 4.2.8 Natuur en landschap Paragraaf 4.2.9 Veiligheid Paragraaf 4.2.10 Water Paragraaf 4.2.11 Woonruimte Afdeling 4.3 Gebiedstypen Paragraaf 4.3.

Artikel 4.41 Toepassingsbereik 1.

Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. cultuur-en ontspanningsactiviteiten; d. detailhandelsactiviteiten; e. dienstverleningsactiviteiten; f. horeca-activiteiten; g. industrie-activiteiten h. infrastructuuractiviteiten; i. kantooractiviteiten; j. maatschappelijke activiteiten; k. recreatie-activiteiten; l. sportactiviteiten; en m. woonactiviteiten.

  1. Deze afdeling gaat niet over het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte binnen openbaar toegankelijk gebied. Afdeling 4.4 Transformatiegebieden Hoofdstuk 5 Thematische activiteiten Afdeling 5.1 Algemeen Afdeling 5.2 Bodem Afdeling 5.3 Bouwen Paragraaf 5.3.1 Bouwen – algemeen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over: a. het bouwen van hoofdgebouwen; b. het bouwen van dakkapellen; c. het bouwen van dakopbouwen; d. het bouwen van dakterrassen; e. het bouwen van bijbehorende bouwwerken; f. het bouwen van een ondergronds bouwwerk; g. het bouwen van een zonnepaneel of zonnecollector; h. het bouwen van een sport- of speeltoestel; i. het bouwen van erf- en perceelafscheidingen; j. het wijzigen van kozijnen en gevels; k. het bouwen van ondergeschikte bouwdelen; l. het bouwen van overige gebouwen; m. het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde; en n. het in stand houden van gebouwen. Artikel 5.2 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; e. het voorkomen van hinder en overlast; f. het beschermen van de gezondheid; en g. het stimuleren van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Artikel 5.3 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.1, in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 5.4 Meetbepalingen
  2. Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bebouwingsgebied: achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; b. bouwhoogte: de afstand vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen die kleiner zijn dan 1 meter; en c. peil:
  3. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang met dien verstande dat, indien een bouwwerk is gelegen aan meerdere wegen, de laagste weg bepalend is;
  4. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; en
  5. voor een bouwwerk boven water: het plaatselijk aan te houden waterpeil.
  6. Er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over de meetbepalingen. Artikel 5.5 Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving te verrichten, als daarbij niet wordt voldaan aan de eisen in: a. dat artikel; en b. de paragrafen 5.3.2 tot en met 5.3.
  7. Artikel 5.6 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand voorzien van maatvoeringen met daarop:
  8. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  9. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  10. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  11. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing;
  12. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; en
  13. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; e. plattegronden van de bestaande situatie en plattegronden van de nieuwe situatie van alle verdiepingen voorzien van maatvoeringen; f. doorsnedetekeningen van de bestaande situatie en doorsnedetekeningen van de nieuwe situatie met daarop de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; g. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand:
  14. tekeningen van de bestaande situatie en de nieuwe situatie van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  15. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  16. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  17. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; h. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten, een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  18. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  19. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Artikel 5.7 Eisen aan tekeningen
  20. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk hebben tekeningen een schaal die kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; en c. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter.
  21. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
  22. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen. Artikel 5.8 Plattegrond, doorsnede en aanzicht
  23. Bij een aanvraag waarbij plattegronden worden verstrekt, worden deze plattegronden verstrekt met een doorsnede van een bouwlaag op 1.200 mm boven vloerniveau waarop zijn aangegeven: a. uitwendige en inwendige scheidingsconstructies, met inbegrip van de materiaalaanduiding; b. peilmaten van de vloer; c. trappen en hellingbanen; d. binnen- en buitenkozijnen; e. kokers, schachten, kanalen en schoorstenen; f. alle oppervlakken die een directe relatie hebben met of behoren tot:
  24. gebruiksfuncties;
  25. gebruiksoppervlakten en vloeroppervlakten;
  26. verwarmde en onverwarmde zones;
  27. gebruiksgebieden, functiegebieden en verblijfsgebieden;
  28. verkeersruimten; en
  29. toegankelijkheidssectoren; en g. overige gegevens die zich hiervoor lenen, waaronder in ieder geval toiletruimten, badruimten, buitenbergingen, buitenruimten, liften, stallingsruimten, technische ruimten, opslagruimten en opstelplaatsen van het aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen.
  30. De vloerpeilen ten opzichte van het straatpeil en de hoogte van het maaiveld zijn aangeduid ter plaatse van de entree van het bouwwerk.
  31. Plattegronden en doorsneden zijn voorzien van maatvoering en hoogtelijnen.
  32. Alle aanzichten, met inbegrip van geveltekeningen, worden in loodrechte verticale projectie weergegeven. Artikel 5.9 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en peil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het peil is uitgezet. Artikel 5.10 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  33. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit, als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 100 m; of b. de aansluitafstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  34. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.11 Aansluiting op distributienet voor gas
  35. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand:
  36. niet groter is dan 40 m; of
  37. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  38. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 5.12 Aansluiting op distributienet voor warmte
  39. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand:
  40. niet groter is dan 40 m; of
  41. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  42. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  43. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  44. Als voor de inwerkingtreding van de wet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 5.13 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m; of b. de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 5.14 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  45. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  46. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  47. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  48. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.3 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 5.15 Bluswatervoorziening
  49. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  50. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  51. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 5.16 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  52. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  53. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  54. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  55. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  56. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.17 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  57. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  58. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  59. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  60. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.16, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  61. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 5.3.2 Hoofdgebouw bouwen - stedelijk gebied Artikel 5.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen in Stedelijk gebied. Artikel 5.19 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van het woon-, werk- en leefklimaat; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.20 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  62. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
  63. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.21 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. Een hoofdgebouw wordt in het Bouwvlak gebouwd, als op het bouwperceel een bouwvlak aanwezig is. b. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en d. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.3 Dakkapel bouwen Artikel 5.22 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van dakkapellen. Artikel 5.23 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.24 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen– voordakvlak en naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak
  64. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gelegen zijdakvlak te bouwen.
  65. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.25 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  66. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de dakkapel gelijk is aan een eerder vergunde dakkapel in hetzelfde woningblok; of b. de dakkapel overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief advies van het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit is gegeven.
  67. Als niet wordt voldaan aan het eerste lid wordt de omgevingsvergunning alleen verleend, als: a. de dakkapel voorzien is van een plat dak; b. de dakkapel gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger is dan 1,75 m; c. de onderzijde van dakkapel hoger dan 0,5 m, maar niet hoger dan 1 m boven de dakvoet ligt; d. de bovenzijde van de dakkapel meer dan 0,5 m onder de daknok ligt; e. de zijkanten van de dakkapel meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak liggen; f. bij meerdere dakkapellen regelmatig wordt gerangschikt op een horizontale rij met een minimale tussenruimte van 1 m; g. de dakkapellen niet boven elkaar op hetzelfde dakvlak geplaats zijn; h. de dakkapel niet op een aan-of uitbouw wordt geplaatst; i. de maatverhoudingen van naast elkaar geplaatste dakkapellen overeenkomen; j. het boeibord niet hoger is dan 0,3 m; k. geen borstwering gebruikt wordt; l. overstekken niet meer dan 0,15 m zijn; en m. het kleurgebruik van de dakkapel is afgestemd op het hoofdgebouw of overeenkomstig de aanwezige dakkapellen.
  68. Als niet wordt voldaan aan het eerste en tweede lid wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met een positief advies van de Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit. Paragraaf 5.3.4 Dakopbouw bouwen Artikel 5.26 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van een dakopbouw. Artikel 5.27 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.28 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  69. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakopbouw te bouwen.
  70. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.29 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakopbouw wordt alleen verleend als: a. het bouwplan overeenkomt met een bestaande dakopbouw in hetzelfde woningblok of op een seriematig aaneengebouwde woning van hetzelfde type in dezelfde straat, en daarvoor een positief advies van het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit is afgegeven; b. de dakopbouw overeenkomt met het ontwerp van de architect die het oorspronkelijke project heeft ontworpen, waarvan het bouwplan deel uitmaakt, en waarvoor een positief advies van het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit is gegeven; of c. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit en de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.5 Dakterras bouwen Artikel 5.30 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van een dakterras. Artikel 5.31 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  71. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakterras te bouwen.
  72. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.33 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakterras wordt alleen verleend als: a. deze naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.6 Bijbehorend bouwwerk bouwen Artikel 5.34 Toepassingsbereik
  73. Deze paragraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken, anders dan bij: a. een woonwagen; en b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben.
  74. Deze paragraaf gaat niet over: a. het bouwen van een dakkapel, bedoeld in paragraaf 5.3.3; en b. het bouwen van een dakopbouw, bedoeld in paragraaf 5.3.
  75. Artikel 5.35 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van het woon-, werk en leefklimaat; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.36 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen – voorerfgebied
  76. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen in het voorerfgebied.
  77. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.37 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voorerfgebied
  78. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als bouwwerk voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het bouwwerk wordt gebouwd aan de oorspronkelijke voorgevel of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel; b. de hoofdvorm van het bouwwerk is rechthoekig; c. de indeling van de gevel is in overeenstemming met het hoofgebouw; d. voor zover het bouwwerk aan de voorgevel wordt gebouwd wordt er geen verbreding van de oorspronkelijk gevelopening(en) gerealiseerd; e. de kozijnhoogte en hoogteplaatsing van het kozijn zijn gelijk aan het oorspronkelijke raam; f. het bouwwerk is plat afgedekt; g. het boeibord is minder dan 0,3 m; h. het materiaal van het bouwwerk is overeenkomstig het hoofgebouw of als het een serre is, is het materiaal van glas; en i. de kleur van het bouwwerk is overeenkomstig het hoofgebouw.
  79. Onverminderd het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk alleen verleend, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m; b. de oppervlakte bedraagt niet meer dan:
  80. 6m2 voor hoekwoningen en twee-onder-een-kap-woningen, als de uitbreiding niet rond de hoek van de woning plaatsvindt en voor aaneengebouwde en gestapelde woningen;
  81. 8 m² voor hoekwoningen en twee-onder-een-kap-woningen, als de uitbreiding rond de hoek van de woning plaatsvindt;
  82. 10 m² voor vrijstaande woningen; en c. het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein wordt niet verminderd.
  83. Onverminderd het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de zijkant van de woning alleen verleend, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de breedte bedraagt niet meer dan 3 m gemeten van uit de zijgevel; b. het bouwwerk ligt 1 m terug ten opzichte van de voorkant; en c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m.
  84. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de zijkant van de woning, dat niet voldoet aan de regels in het vorige lid, wordt alleen verleend, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Artikel 5.38 Algemene regels – achtererfgebied
  85. Dit artikel gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied.
  86. Voor zover een plat afgedekt bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding niet hoger dan: a. 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; en b. het hoofdgebouw.
  87. Voor zover een niet plat afgedekt bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan niet hoger dan: a. 5 m; b. 0,6 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; en c. het hoofdgebouw.
  88. Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding hoger is dan 3 m: a. wordt het bouwwerk voorzien van een schuin dak met een hellingshoek van niet meer dan 45°; b. wordt de daknok gevormd door twee schuine dakvlakken; c. is de dakvoet niet hoger dan 3 m; en d. is de daknok niet hoger dan 5 m.
  89. Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 5.39 Algemene regels – bebouwingsgebied oppervlakte De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: a. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50 % van dat bebouwingsgebied; b. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en c. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m
  90. Paragraaf 5.3.7 Ondergronds bouwwerk bouwen Artikel 5.40 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van ondergrondse bouwwerken. Artikel 5.41 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en c. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.42 Algemene regels
  91. Het ondergrondse bouwwerk wordt loodrecht onder het hoofdgebouw of daarbij behorende bouwwerken gebouwd.
  92. De maximale diepte van een ondergronds bouwwerk bedraagt 3,5 m, gemeten vanaf de onderkant van de begane grondvloer. Artikel 5.43 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  93. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergronds bouwwerk te bouwen dat niet voldoet aan de algemene regels.
  94. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.44 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergronds bouwwerk wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; en b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.8 Buisleidingen bouwen Artikel 5.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een buisleiding. Artikel 5.46 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de omgevingskwaliteit; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de gezondheid; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.47 Algemene regel Het bouwen van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop art. 2.29, onder p, aanhef en onder 4º, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is, is toegestaan. Paragraaf 5.3.9 Zonnepaneel of zonnecollector bouwen Artikel 5.48 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een zonnepaneel of zonnecollector op onbenutte terreinen in bebouwd gebied. Artikel 5.49 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; e. het voorkomen van hinder en overlast; f. het tegengaan van klimaatverandering; en g. het bereiken van een energieneutrale gemeenschap. Artikel 5.50 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  95. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zonnepaneel of zonnecollector op onbenutte terreinen in bebouwd gebied op te richten met een totale omvang van de panelen en collectoren van meer dan 2 m
  96. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.51 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als: a. de winning van zonne-energie niet gerealiseerd kan worden op, daken en gevels, of andere gunstigere locaties; en b. het zonnepaneel of zonnecollector naar het oordeel van het bevoegd gezag zorgvuldig is ingepast in de omgeving. Paragraaf 5.3.10 Sport- of speeltoestel bouwen Artikel 5.52 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van sport- of speeltoestellen anders dan alleen voor particulier gebruik. Artikel 5.53 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het waarborgen van de veiligheid; c. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.54 Algemene regels
  97. Het sport- of speeltoestel anders dan alleen voor particulier gebruik wordt gebruikt.
  98. Het sport- of speeltoestel is niet hoger dan 4 m; en
  99. Het sport- of speeltoestel is alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. Paragraaf 5.3.11 Zwembad, bubbelbad, soortgelijke voorzieningen of een vijver bouwen Artikel 5.55 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw. Artikel 5.56 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het waarborgen van de veiligheid; c. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.57 Algemene regel Het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw is toegestaan, als deze niet van een overkapping is voorzien. Paragraaf 5.3.12 Erf- en perceelafscheiding bouwen Artikel 5.58 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van erf- en perceelafscheidingen hoger dan 1 m. Artikel 5.59 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de omgevingskwaliteit; b. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en c. en het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.60 Algemene regels - erf- of perceelafscheiding
  100. Een erf-of perceelafscheiding is niet hoger dan 2 m.
  101. De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd op een gebouwerf waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
  102. De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
  103. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het tweede lid. Artikel 5.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  104. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelafscheiding hoger dan 1 meter te bouwen voor de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
  105. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.62 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. een groenblijvend erf- of perceelafscheiding met een volledige open constructie van gaas of een open metalen hekwerk wordt toegepast; b. enkelvoudige, rechte vormgeving binnen één erf- of perceelafscheiding wordt gebruikt; c. met een beplantingsschema wordt aangetoond dat het groenblijvende, winterharde beplanting betreft - en dat een groene erf- of perceelafscheiding ontstaat binnen twee jaar; en d. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit en de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.13 Kozijn- en gevelwijzigingen Artikel 5.63 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van kozijnen en gevels in het voorerfgebied of het naar openbaar toegankelijk gekeerd zijerf. Artikel 5.64 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.65 Algemene regels
  106. De bestaande gevelopening wordt niet aangetast.
  107. De kozijnindeling wordt gerelateerd aan de bestaande kozijnindeling.
  108. Bij vervanging van een garagedeur door een pui wordt geen gemetselde borstwering toegepast.
  109. Bij vervanging van raamkozijnen worden gelijke kozijnen gelijktijdig vervangen.
  110. Profielmaten zijn gelijk of nagenoeg gelijk aan bestaande kozijn onderdelen.
  111. Een nieuwe gevelopening in de zijgevel is: a. maximaal 1 m2 voor een raam; b. maximaal 2,5 m2 voor een deur.
  112. Het materiaal van een kozijn of gevel is in overeenstemming met bestaande kozijnen.
  113. De kleur van een kozijn of gevel is in overeenstemming met het hoofdgebouw. Paragraaf 5.3.14 Ondergeschikt bouwdeel bouwen Artikel 5.66 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van ondergeschikte bouwdelen. Artikel 5.67 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.68 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  114. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergeschikt bouwdeel te bouwen;
  115. Het verbod geldt niet voor ondergeschikte bouwdelen kleiner dan 1 m;
  116. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.69 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel wordt alleen verleend als: a. het ondergeschikte bouwdeel past binnen de stedenbouwkundige structuur; b. de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht; en c. en het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet. Paragraaf 5.3.15 Overig gebouw bouwen Artikel 5.70 Toepassingsbereik
  117. Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige gebouwen.
  118. Deze paragraaf gaat niet over: a. het bouwen van een hoofdgebouw, bedoeld in paragraaf 5.3.2; b. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in paragraaf 5.3.6; Artikel 5.71 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.72 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  119. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.
  120. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.73 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.16 Overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Artikel 5.74 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Artikel 5.75 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; d. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en e. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.76 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  121. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen.
  122. Het verbod geldt niet voor het bouwen van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: a. een silo; of b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m.
  123. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, dient aan artikel 5.6 te worden voldaan. Artikel 5.77 Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig bouwwerk geen gebouw zijnde De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast. Paragraaf 5.3.17 Bouwwerk in stand houden Artikel 5.78 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het in stand houden van een bouwwerk. Artikel 5.79 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit. Artikel 5.80 Algemene regel Het uiterlijk van bouwwerken, met uitzondering van tijdelijke bouwwerken die geen seizoensgebonden bouwwerken zijn, is niet in ernstige mate in strijd met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet. Paragraaf 5.3.18 Bouwwerk veranderen Artikel 5.81 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het veranderen van bouwwerken. Artikel 5.82 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van de omgevingskwaliteit; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.83 Algemene regels Het veranderen van een bouwwerk is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Afdeling 5.4 Cultureel erfgoed Paragraaf 5.4.1 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument Artikel 5.84 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van gemeentelijke monumenten activiteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen met betrekking tot de monumenten als bedoeld in artikel 4.
  124. Artikel 5.85 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud en instandhouding van gemeentelijke monumenten; en b. het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden van gemeentelijke monumenten. Artikel 5.86 Verbod Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding noodzakelijk is. Artikel 5.87 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  125. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
  126. Het verbod geldt niet voor het verrichten van activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten voor zover het gaat om: a. de uitvoering van normaal onderhoud dat is gericht op het behoud van de monumentale waarden, waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Artikel 5.88 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: algemeen
  127. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bouw- of cultuurhistorisch onderzoeksrapport; b. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument; c. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en d. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
  128. In aanvulling op het eerste lid onder a vindt overleg plaats als de kosten van het bouw- of cultuurhistorisch onderzoeksrapport niet evenredig is met de bouwkosten. Artikel 5.89 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: slopen monument
  129. Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
  130. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  131. foto’s van de bestaande toestand. b. de volgende tekeningen:
  132. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; en
  133. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; IV. een dakaanzicht; en V. slooptekeningen. c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  134. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, zichtassen of tuinhistorie; b. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; en c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. Artikel 5.90 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: verplaatsen monument
  135. Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
  136. overzichtsfoto’s van de bestaande staat van het monument; en
  137. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie. c. de volgende tekeningen:
  138. situatietekeningen van de bestaande staat van het monument en de nieuwe situatie;
  139. opnametekeningen van de bestaande staat van het monument met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; en IV. een dakaanzicht;
  140. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; en IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie, hergebruik van bestaande materialen en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
  141. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; c. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; d. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen; en e. een onderbouwing van de beschrijving waarin is aangegeven hoe originele materialen worden hergebruikt. Artikel 5.91 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: wijzigen monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
  142. Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
  143. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  144. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht. b. de volgende tekeningen:
  145. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
  146. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; en IV. een dakaanzicht;
  147. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
  148. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; en IV. een dakaanzicht;
  149. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
  150. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en
  151. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  152. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, zichtassen of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie; en h. een onderbouwing van de beschrijving waarin is aangegeven hoe originele materialen worden hergebruikt. Artikel 5.92 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Artikel 5.93 Eisen aan tekeningen
  153. Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 5.89 tot en met 5.92 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
  154. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
  155. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
  156. Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. Artikel 5.94 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit voor zover het gaat om een monument
  157. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet; of b. voor zover het een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet betreft, er overeenstemming is met de eigenaar.
  158. Bij vergunningvoorschrift kan een plicht worden opgelegd tot: a. het doen van nader onderzoek; en b. het aanpassen van de uitvoering en materiaaltoepassing. Paragraaf 5.4.2 Activiteit in archeologisch monument en in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Artikel 5.95 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bewerken van de bodem in, op of aan een archeologisch monument of een gebied met archeologische verwachtingswaarde als bedoeld in artikel 4.
  159. Artikel 5.96 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische waarden. Artikel 5.97 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  160. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te bewerken: a. op een diepte meer dan is aangegeven bij de aanduiding ‘Archelogische vrijstelling diepte’; en b. over een oppervlakte die groter is dan aangegeven bij de aanduiding ‘Archeologie vrijstelling oppervlakte’.
  161. Het verbod geldt niet als: a. de aanvraag betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering; of b. op voorhand is vastgesteld door het college dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad. Artikel 5.98 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  162. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, op of aan een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingengebied, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
  163. de omvang in vierkante meters; en
  164. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek, hiervoor een door het college goedgekeurd:
  165. programma van eisen; en
  166. plan van aanpak; e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm, een door het college goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument:
  167. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
  168. plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.
  169. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een door het college goedgekeurd onderzoeksrapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. een door het college goedgekeurd onderzoeksrapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:
  170. een bestek met bijbehorende tekeningen; of
  171. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; d. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of e. als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. Artikel 5.99 Eisen aan tekeningen Tekeningen, bedoeld in Artikel 5.98, hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening. Artikel 5.100 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  172. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad; of b. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of c. schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.
  173. Bij vergunningvoorschrift kan een plicht worden opgelegd tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; en b. het verrichten van archeologisch onderzoek. Afdeling 5.5 Duurzaamheid Afdeling 5.6 Gezondheid Afdeling 5.7 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied Paragraaf 5.7.1 Gebouw of terrein met parkeerbehoefte toevoegen en in stand houden Artikel 5.101 Toepassingsbereik [Gereserveerd] Artikel 5.102 Oogmerken Gereserveerd Artikel 5.103 Algemene regels Gereserveerd Artikel 5.104 Meldingsplicht Gereserveerd Afdeling 5.8 Milieu Paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen Artikel 5.105 Toepassingsbereik
  174. Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
  175. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en f. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  176. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk. Artikel 5.106 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  177. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  178. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  179. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 5.107 Specifieke zorgplicht
  180. De specifieke zorgplicht houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.105 in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  181. De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  182. De specifieke zorgplicht, voor zover die ziet op het tweede lid van dit artikel, is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Afdeling 5.9 Natuur en landschap Afdeling 5.10 Veiligheid Afdeling 5.11 Water Afdeling 5.12 Woonruimte Hoofdstuk 6 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte Hoofdstuk 7 Transformatie-activiteiten Hoofdstuk 8 Beheer en onderhoud Hoofdstuk 9 Financiële bepalingen Hoofdstuk 10 Procesregels Afdeling 10.1 Voorbereiding van besluiten Afdeling 10.2 Gemeentelijke projecten van publiek belang Afdeling 10.3 Advies Artikel 10.1 Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit
  183. Er is een Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Leusden.
  184. Het Adviesteam adviseert het college over activiteiten met betrekking tot de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten.
  185. In afwijking van het tweede lid vraagt het college het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit om advies voordat zij een besluit neemt over de aanwijzing. Artikel 10.2 Advies Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Leusden
  186. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument aan de Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit.
  187. Binnen vier weken na datum van verzending van het afschrift brengt het Adviesteam schriftelijk advies uit aan het college. Hoofdstuk 11 Handhaving Hoofdstuk 12 Monitoring en informatie Hoofdstuk 13 Overgangsrecht Afdeling 13.1 Overgangsrecht algemeen Paragraaf 13.1.1 Lopende procedures en gelijkschakelingen Artikel 13.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve
  188. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een aanvraag om een besluit voor die activiteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
  189. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
  190. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing als tegen het besluit: a. beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. Artikel 13.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten
  191. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.
  192. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan. Artikel 13.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften
  193. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.
  194. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.
  195. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.
  196. Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan. Artikel 13.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
  197. de last volledig is uitgevoerd;
  198. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of
  199. de last is opgeheven. Paragraaf 13.1.2 Eerbiedigende werking Artikel 13.5 Eerbiedigende werking bouwwerken
  200. Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een bouwwerk dat aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning op grond van afdeling , en dat bouwwerk afwijkt van dit omgevingsplan, mag dat bouwwerk, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; of b. na het teniet gaan door een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  201. Het eerste lid geldt niet voor bouwwerken die al in strijd zijn met het voorheen geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 13.6 Eerbiedigende werking activiteiten met gebruiksruimte
  202. Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.41 die al wordt verricht en die in strijd is met de op grond van afdeling 4.3 voor die activiteit aangewezen regels, mag die activiteit in strijd met die regels worden voortgezet zo lang de activiteit niet wordt gewijzigd.
  203. In afwijking van het eerste lid mag de activiteit worden gewijzigd, als: a. er geen andere activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.41 wordt verricht; en b. de afwijking van de regels naar aard en omvang wordt verkleind.
  204. Het eerste en tweede lid gelden niet voor activiteiten die al in strijd zijn met het voorheen geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.
  205. Het eerste en tweede lid gelden ook niet als dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.
  206. Als de activiteit na het tijdstip, waarop de wijziging van het omgevingsplan van kracht is geworden, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, wordt de activiteit daarna niet hervat. Afdeling 13.2 Specifiek overgangsrecht Afdeling 13.3 Voorrangsbepalingen Artikel 13.7 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan
  207. De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, over het bouwen en in stand houden van bouwwerken zijn niet van toepassing voor zover de regels van paragraaf 4.2.2 van toepassing zijn.
  208. Het eerste lid geldt niet voor regels in het tijdelijke deel over: a. het maximale toegestaan bebouwingspercentage per bouwvlak; b. de maximaal toegestane bouwhoogte per bouwvlak; c. de maximale toegestane goothoogte per bouwvlak; d. de toegestane bebouwingstypologie per bouwvlak.
  209. De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, over andere activiteiten dan het bouwen en in stand houden van bouwwerken zijn niet van toepassing, voor zover de regels van paragraaf 4.2.1 en 4.2.3 tot en met paragraaf 4.2.11 van toepassing zijn en de oogmerken van die regels hetzelfde zijn als de oogmerken van de regels in dat tijdelijke deel. Artikel 13.8 Beperking werkingsgebied bruidsschat Afdeling 22.2 is alleen van toepassing in werkingsgebied bouwen bruidsschat. Hoofdstuk 14 [gereserveerd] Hoofdstuk 15 [gereserveerd] Hoofdstuk 16 [gereserveerd] Hoofdstuk 17 [gereserveerd] Hoofdstuk 18 [gereserveerd] Hoofdstuk 19 [gereserveerd] Hoofdstuk 20 [gereserveerd] Hoofdstuk 21 [gereserveerd] Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  210. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  211. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  212. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  213. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  1. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  2. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater Artikel 22.13 Bluswatervoorziening Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  4. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  6. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  7. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  8. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  9. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  10. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  11. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  12. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  13. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  14. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  15. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  16. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171) Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  17. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  18. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  19. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  1. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  2. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  4. op de grond staand;
  5. gelegen in achtererfgebied;
  6. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  7. niet hoger dan 5 m;
  8. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  9. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. op de grond staand;
  11. niet hoger dan 5 m; en
  12. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  13. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  14. voorzien van een plat dak;
  15. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  16. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  17. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  18. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  19. niet hoger dan 4 m; en
  20. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  21. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  22. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  23. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  24. een silo; of
  25. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  26. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  27. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  28. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  29. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  30. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  31. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  32. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  33. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  34. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  35. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  36. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  37. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  38. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  39. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  40. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  41. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  42. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  43. In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  44. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  45. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  46. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  47. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
  48. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  49. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  50. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoof

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.