.6 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.2 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsmatige activiteiten en geldt ter plaatse van de aanduiding bedrijf geschikt voor functiemenging. Artikel 2.7 Toegestane activiteiten algemeen
Paragraaf 2.2.5 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor consumentgerichte dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding consumentgerichte dienstverlening.
Paragraaf 2.2.6 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor detailhandel en geldt ter plaatse van de aanduiding detailhandel.
.29 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.9 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding maatschappelijke dienstverlening. Artikel 2.30 Toegestane activiteiten
.35 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.10 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken en geldt ter plaatse van de aanduiding tuin. Artikel 2.36 Toegestane activiteiten Locaties zijn bedoeld voor: a. tuinen en open erven; b. voetpaden; c. parkeren. Subparagraaf 2.2.10.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties Artikel 2.37 Terras Bij de aanduiding terras bij horeca is een terras behorende bij een horecabedrijf of pension toegestaan. Subparagraaf 2.2.10.3 Gebruiksregels Artikel 2.38 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende regels: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het onoverdekt parkeren op eigen erf voor de voorgevel of het denkbeeldige verlengde daarvan is niet toegestaan, tenzij het parkeren betreft op een voor de voorgevel gelegen oprit naar de op hetzelfde perceel achter de voorgevelrooilijn aanwezige parkeergelegenheid; b. het oppervlak van een siervijver bedraagt ten hoogste 20% van het erf. Paragraaf 2.2.11 Wonen Subparagraaf 2.2.11.
Paragraaf 2.2.11 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen en geldt ter plaatse van de aanduiding wonen.
Paragraaf 2.2.12 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor zakelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding zakelijke dienstverlening.
De artikelen 3.13 en 3.21 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
(2017), met inbegrip van eventuele wijzigingen van de beleidsregels op het moment van indiening van de aanvraag. Artikel 3.15 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 3. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 3.16 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 3.14. Artikel 3.17 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.18 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1. In afwijking van artikel 3.14 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden. 2. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 3.19 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden. 2. Artikel 4.30, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.20 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 3.2.1.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 3.21 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 6.2 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 3.13, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw; 2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 3.22 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.21, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 3.21, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 2. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.21, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 3.21, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 3.23 Inperkingen artikel 3.21 vanwege externe veiligheid Artikel 3.21, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 3.2.2 Algemene bouwregels Artikel 3.24 Algemene bouwregels 1. hoofdgebouw a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij het bouwvlak volledig mag worden bebouwd; b. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste de met de aanduiding maximum bouwhoogte (
- m)aangegeven hoogte; c. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste de met de aanduiding maximum goothoogte (
- m)aangegeven hoogte; d. indien het hoofdgebouw geheel plat is afgedekt geldt de aangegeven goothoogte als maximale bouwhoogte; e. indien een hoofdgebouw wordt voorzien van een kap, bedraagt de dakhelling maximaal 55° ten opzichte van het horizontale vlak; f. bij de aanduiding dakhelling is ten hoogste de aangegeven dakhelling toegestaan; g. bij de aanduiding gevellijn dienen hoofdgebouwen met de voorgevel te worden gebouwd in de naar de gevellijn gekeerde bouwgrens van het bouwperceel; h. de eerste bouwlaag van gebouwen mag niet worden gebouwd, ter plaatse van de aanduiding onderdoorgang; i. de verticale diepte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,00 meter beneden peil. 2. dakkapel a. indien een hoofdgebouw van een kap wordt voorzien mag in de kap een dakkapel worden gerealiseerd: 1. waarbij de breedte van de dakkapel aan de voor- of naar de openbare weg gekeerde zijde van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 50% van de dakvlakbreedte, gemeten aan de onderzijde van het dakvlak; 2. in geval van een vrijstaande dakkapel op een niet naar de weg gekeerde zijde van het hoofdgebouw dient aan beide zijden tenminste 0,50 m van de rand van het dakvlak gesitueerd te zijn. Artikel 3.25 Bijgebouwen en aan- en uitbouwen 1. Voor het bouwen van bijgebouwen en aan- en uitbouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. bij de aanduiding locatie bijgebouwen mogen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel mag buiten het bouwvlak niet meer dan 35% van het erf bedragen, met een maximum van 50 m²; c. bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mogen uit ten hoogste één bouwlaag bestaan, waarbij ten behoeve van de vormgeving een kap is toegestaan; d. dakkapellen zijn niet toegestaan; e. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen niet meer dan 3 m respectievelijk 5 m bedragen, met dien verstande dat de dakhelling niet meer mag bedragen dan 55° ten opzichte van het horizontale vlak; f. in afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van een bijgebouw niet meer bedragen dan 3,00 m, indien sprake is van een geheel platte afdekking; g. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van overkappingen voor zwembaden ten hoogste 2 m bedraagt; h. een balkon c.q. een dakterras op het dak van een bijgebouw, aan- en uitbouw is aan de achterzijde van het hoofdgebouw toegestaan op ten hoogste 1,5 m afstand van de bouwvlakgrens, met een oppervlak van ten hoogste 10 m²; i. de bouw en/of goothoogte zoals bedoeld onder e mag door balustrades ten behoeve van balkons en dakterrassen worden overschreden met ten hoogste 1,2 m. 2. Bij bouwaanduiding - 2 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 75% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 35 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 3. Bij bouwaanduiding - 3 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 70% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 36 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 4. Bij bouwaanduiding - 4 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 60% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 16 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 5. Bij bouwaanduiding - 5 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 60% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 6. Bij bouwaanduiding - 6 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 55% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 7. Bij bouwaanduiding - 7 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 50% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 8. Bij bouwaanduiding - 8 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 55% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 9. Bij bouwaanduiding - 9 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 45% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 10. Bij bouwaanduiding - 10 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 65% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 11. Bij bouwaanduiding - 11 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 56% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 14 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 12. Bij bouwaanduiding - 12 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 60% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 13. Bij bouwaanduiding - 13 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 85% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 14. Bij bouwaanduiding - 14 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 75% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. Artikel 3.26 Bouwwerk, geen gebouw en overkapping zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer dan 1 meter bedragen; b. de oppervlakte van een zwembad bedraagt ten hoogste 4% van het oppervlak van het erf behorende bij een woning, met een maximum van 100 m²; c. per woonperceel is ten hoogste 1 zwembad toegestaan; d. de afstand van het zwembad tot de: 1. perceelgrenzen bedraagt ten minste 5 meter; 2. openbare weg bedraagt ten minste 15 meter; e. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 8 meter bedragen; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer dan 2 meter bedragen. Paragraaf 3.2.3 Bouwregels tuin Artikel 3.27 Gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde 1. Als gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de tuin toegestaan: a. stoepen, stoeptreden, hellingbanen, funderingen, entreeportalen, balkons, veranda's en afdaken, mits in directe aansluiting op de gevel van het hoofdgebouw, waarbij de horizontale diepte, gemeten vanaf de aansluitende gevel, niet meer mag bedragen dan 1,5 meter en de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 10 m²; b. dakoverstekken, mits in directe aansluiting op de gevel van het hoofdgebouw, waarbij de horizontale diepte, gemeten vanaf de aansluitende gevel, niet meer mag bedragen dan 1,5 meter; c. erkers, serres en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits in directe aansluiting op de gevel van het hoofdgebouw, waarbij de horizontale diepte, gemeten vanaf de aansluitende gevel, niet meer dan 1,50 meter en de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 5 m² mag bedragen en de afstand tot het openbare gebied minimaal 1,00 meter bedraagt; d. Ter plaatse van de aanduiding brede erker mag de breedte van de erker aan de voorzijde dezelfde breedte hebben als de breedte van de voorgevel mits het bebouwingspercentage maximaal 65 % bedraagt. 2. De bouwhoogte van de in het eerste lid onder c genoemde gebouwen en overkappingen, met uitzondering van balkons, mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw. 3. De in het tweede lid toegelaten bouwhoogte mag alleen worden overschreden door hellende dakvlakken, balustrades en architectonische en bouwkundige detailleringen, waarbij de overschrijding niet meer mag bedragen dan 1,2 meter. 4. Balkons, erkers en serres mogen worden voorzien van een balustrade met een hoogte van maximaal 1,2 meter doch mogen niet worden voorzien van een overkapping. Artikel 3.28 Overige bouwwerken geen gebouw zijnde 1. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, in de tuin gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en het verlengde daarvan mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 8 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen. 2. Bij de aanduiding hogere erfafscheiding geldt de bestaande bouwhoogte op 1 januari 2024 als de maximale bouwhoogte. Paragraaf 3.2.4 Bouwregels specifieke locaties Artikel 3.29 Bouwregel antennemast De hoogte van een antennemast mag maximaal 50 meter zijn. Artikel 3.30 Bouwregels begraafplaats Bij de aanduiding begraafplaats gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, de volgende regels: a. de bouwhoogte van verkeersborden en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6,5 m; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 8 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen. Artikel 3.31 Bouwregel doorgang Bij de aanduiding doorgang mag een doorgang niet minder dan 2,00 m en niet meer dan 5,00 m breed zijn. Ter plaatse van deze doorgang mogen geen bouwwerken ter belemmering van de doorgang worden gebouwd. Artikel 3.32 Bouwregel onderdoorgang De eerste bouwlaag van gebouwen mag niet worden bebouwd, ter plaatse van de aanduiding onderdoorgang. Artikel 3.33 Bouwregel nutsvoorzieningen De bouwhoogte van nutsvoorzieningen mag maximaal 4 meter bedragen. Artikel 3.34 Bouwregel ondergrondse parkeergarage In afwijking van artikel 3.24 eerste lid mag een ondergrondse parkeergarage deels buiten het bouwvlak worden gebouwd. Artikel 3.35 Bouwregel windschermen Bij de aanduiding windscherm mag de bouwhoogte van windschermen niet meer dan 2 meter bedragen. Artikel 3.36 Geluidszone circuit 1. In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(en), geldt ter plaatse van de aanduiding geluidszone circuit, de volgende regel: a. een op grond van de andere aangewezen activiteiten toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welk aangemerkt kan worden als een geluidsgevoelig object, mag slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het Circuit Park Zandvoort op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende standaardwaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. 2. Tot een gebruik, strijdig met de gronden ter plaatse voorzien van de aanduiding geluidszone circuit, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van niet-geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelig object. Artikel 3.37 Hoofdgebouw 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.24 eerste lid onder b mag bij de aanduiding bouwaanduiding - 1 de maximum toegestane bouwhoogte met 1,2 meter worden overschreden voor een hekwerk. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.24 eerste lid onder c geldt bij de aanduiding bouwaanduiding - 15 aan de achterzijde van het hoofdgebouw een maximale goothoogte van 6 meter. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.24 eerste lid onder a bedraagt het bebouwingspercentage bij de aanduiding maximum bebouwingspercentage verdieping ten hoogste: a. 100% van het bouwvlak voor de begane grond; b. 60% van het bouwvlak voor de verdiepingen. Artikel 3.38 Parkeervoorziening In afwijking van het bepaalde in artikel 3.24 verlenen burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding parkeervoorziening een omgevingsvergunning voor één grote bebouwde parkeervoorziening mits: a. het verhoogde maaiveld ruimtelijk goed ingepast wordt met een aantrekkelijke groene uitstraling; b. de bouwhoogte ten hoogste 4,00 m bedraagt; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Artikel 3.39 Tuinmuur Bij de aanduiding tuinmuur geldt de bestaande bouwhoogte op 1 januari 2024 als de maximale bouwhoogte. Artikel 3.40 Bestaande maatvoering handhaven Bij de aanduiding bestaande maatvoering handhaven dient, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.24, de bestaande maatvoering gehandhaafd te blijven. Paragraaf 3.2.5 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 3.41 Repressief welstand 1. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 3.42 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 3.43 Aansluiting op distributienet voor gas 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 3.44 Aansluiting op distributienet voor warmte 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 3.45 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 3.46 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.3 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 3.47 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 3.48 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering. 4. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 3.49 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 3.48, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. 5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 3.2.6 Bouwregels bij groeiplaats monumentale boom Artikel 3.50 Groeiplaats monumentale boom 1. Locaties met de aanduiding groeiplaats monumentale boom zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten, bedoeld voor de bescherming van de groeiplaats van monumentale bomen. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)geldt dat het verboden is om op deze locaties te bouwen. 3. Het college van burgemeester en wethouders kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede lid, mits de groeiplaats van de monumentale boom niet onevenredigwordt geschaad. Dit dient door de aanvrager te worden aangetoond door een groentoets. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan de aanduiding 'groeiplaats monumentale boom' van een locatie verwijderen indien: a. bescherming van de betreffende monumentale boom niet langer noodzakelijk is omdat: 1. de boom niet meer aanwezig is; 2. de levensverwachting van de boom minder dan 10 jaar bedraagt; b. zwaarwegende maatschappelijke belangen dit vergen. Hoofdstuk 4 Regels voor cultureel erfgoed Afdeling 4.1 Inleidende regels Artikel 4.1 Normadressaat 1. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Zandvoort, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert. Artikel 4.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 4 is van toepassing op: a. over aanwijzingen van beschermd erfgoed; b. voor activiteiten in de fysieke leefomgeving m.b.t. cultureel erfgoed. Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over hoofdstuk 4, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze hoofdstukken. Artikel 4.4 Het gebruik van het monument Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met het feitelijke gebruik of gebruiksmogelijkheden van het monument met inachtneming van de overige bepalingen in het omgevingsplan. Afdeling 4.2 Monumentenzorg Paragraaf 4.2.1 Aanwijzing beschermde gemeentelijke monumenten Artikel 4.5 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Een aanvraag om aanwijzing vermeldt de kadastrale aanduiding en zakelijke gerechtigden en vermeldt het vermeende belang in deze van belanghebbenden. Het verzoek gaat vergezeld van een omschrijving van de bijzondere historische waarden van de zaak, ook in relatie tot zijn omgeving en relevante foto’s. 3. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de adviescommissie omgevingskwaliteit. In een, naar het oordeel van het college uitzonderlijk geval kan het vragen om advies achterwege blijven, indien er sprake is van spoedeisend belang. 4. Het besluit van het college bevat een omschrijving van de (cultuur-)historische waarden van de betreffende zaak zoals bedoeld in het tweede lid. 5. Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit (met uitzondering van artikel 4.6) is afdeling 3.4 van de Algemene Wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat het college het ontwerpbesluit ter inzage legt na ontvangst van het advies, bedoeld in het derde lid. 6. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen door het Rijk of de Provincie. 7. Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument. 8. Indien het Rijk of de Provincie een zaak aanwijst als monument die de status van gemeentelijk monument reeds bezit, vervalt de aanwijzing als gemeentelijk monument en wordt hiervan in het register melding gemaakt en doorgehaald. Artikel 4.6 Spoedprocedure aanwijzing als gemeentelijk monument 1. In spoedeisende gevallen, zulks ter beoordeling van het college, waarbij monumentale waarden direct gevaar lopen of verloren dreigen te gaan, kan het college per direct tot aanwijzing overgaan. 2. Het derde en vijfde lid van artikel 4.5 zijn in dat geval niet van toepassing. Artikel 4.7 Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 4.8 en artikel 4.9 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.17 van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.8 Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid wordt gepubliceerd en meegedeeld aan: a. degene die als zakelijk gerechtigden staan opgenomen in de kadastrale registers en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers; b. de aanvrager; c. de gebruiker van de zaak. Artikel 4.9 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2. De registratie bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van het aanwijzingsbesluit onder vermelding van het registratienummer, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 4.10 Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 4.5, tweede en derde lid, alsmede artikel 4.8 en 4.9 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. Artikel 4.11 Intrekken van de aanwijzing 1. Het college kan een aanwijzing intrekken. 2. Artikel 4.5, tweede en derde lid, alsmede artikel 4.8 en 4.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking 3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Paragraaf 4.2.2 Instandhouding gemeentelijk monument Artikel 4.12 Verbodsbepaling Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. Artikel 4.13 Instandhoudingsbepaling 1. Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften: a. een gemeentelijk monument of een gedeelte daarvan, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden plaatsvinden overeenkomstig door het college te stellen nadere regels. Artikel 4.14 De schriftelijke aanvraag Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 4.13 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden ingediend bij het college. Artikel 4.15 Termijnen advies 1. Het college zendt na plananalyse een afschrift van de ontvankelijke aanvraag voor advies door naar de adviescommissie omgevingskwaliteit. 2. De adviescommissie omgevingskwaliteit brengt schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 4.16 Weigeringsgronden De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 4.17 Intrekken van de vergunning Het college kan een vergunning intrekken, indien blijkt dat: a. de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; b. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat naar het oordeel van het college het belang van het monument zwaarder dient te wegen. Paragraaf 4.2.3 Rijksmonumenten Artikel 4.18 Vergunning voor beschermd rijksmonument 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit. 2. De adviescommissie Omgevingskwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift. Paragraaf 4.2.4 Archeologie Artikel 4.19 Archeologisch onderzoek 1. Binnen het grondgebied van de gemeente Zandvoort uitgevoerd onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dient te voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 2. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Zandvoort onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen, in de zin van artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet, dient het college, onverminderd de overige bepalingen van deze wet, een Programma van Eisen vast te stellen, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het uit te voeren onderzoek. 3. Het college is bevoegd om nadere regels vast te stellen ten behoeve van een zorgvuldige bescherming en omgang met het boven- en ondergrondse erfgoed. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek, waarmee aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld aan de uitvoeringsmethodiek en rapportage van archeologisch onderzoek. Zij kan zich hierbij laten adviseren door een gemeentelijk archeoloog. 4. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het onderzoek en de uitwerking en rapportage van het onderzoek. Tijdens het onderzoek, het veldonderzoek en de uitwerking en rapportage ervan, dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. Zij kan zich hierbij laten adviseren door een gemeentelijk archeoloog. Artikel 4.20 Betreding Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet, hoofdstuk 3 Omgevingswet en afdeling 5.1 Omgevingswet. De rechthebbende ten aanzien van dit terrein moet desgevraagd dulden dat dit terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan. Afdeling 4.3 Aanlegactiviteiten op een locatie met archeologische waarde Artikel 4.21 Voorrangsbepaling In aanvulling op het tijdelijke omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet, is afdeling 4.3 van toepassing binnen het Regelingsgebied Zandvoort. Artikel 4.22 Archeologie 1 1. Locaties met de aanduiding archeologie 1 zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteit(en), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning, waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken in geval de oppervlakte van het project meer dan 5 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, dient een archeologisch rapport te overleggen. 3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4. Het bepaalde in het derde lid onder a is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een reeds bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 5. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid met inachtneming van de voor de betrokken activiteiten geldende (bouw)regels. Een omgevingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden. Artikel 4.23 Archeologie 2 1. Locaties met de aanduiding archeologie 2 zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteit(en), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning, waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken in geval de oppervlakte van het project meer dan 50 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, dient een archeologisch rapport te overleggen. 3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4. Het bepaalde in het derde lid onder a is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een reeds bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 5. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid met inachtneming van de voor de betrokken activiteiten geldende (bouw)regels. Een omgevingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden. Artikel 4.24 Archeologie 3a 1. Locaties met de aanduiding archeologie 3a zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteit(en), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning, waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken in geval de oppervlakte van het project meer dan 250 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, dient een archeologisch rapport te overleggen. 3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4. Het bepaalde in het derde lid onder a is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een reeds bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 5. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid met inachtneming van de voor de betrokken activiteiten geldende (bouw)regels. Een omgevingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden. Artikel 4.25 Archeologie 3b 1. Locaties met de aanduiding archeologie 3b zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteit(en), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning, waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken in geval de oppervlakte van het project meer dan 250 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 6 m + NAP onder het maaiveld plaatsvinden, dient een archeologisch rapport te overleggen. 3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4. Het bepaalde in het derde lid onder a is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een reeds bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 5. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid met inachtneming van de voor de betrokken activiteiten geldende (bouw)regels. Een omgevingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden. Artikel 4.26 Archeologie 4a 1. Locaties met de aanduiding archeologie 4a zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteit(en), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning, waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken in geval de oppervlakte van het project meer dan 500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, dient een archeologisch rapport te overleggen. 3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4. Het bepaalde in het derde lid onder a is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een reeds bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 5. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid met inachtneming van de voor de betrokken activiteiten geldende (bouw)regels. Een omgevingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden. Artikel 4.27 Archeologie 4b 1. Locaties met de aanduiding archeologie 4b zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteit(en), mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 2. In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende activiteit(
- en)gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning, waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken in geval de oppervlakte van het project meer dan 500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 6 m + NAP onder het maaiveld plaatsvinden, dient een archeologisch rapport te overleggen. 3. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4. Het bepaalde in het derde lid onder a is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een reeds bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 5. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid met inachtneming van de voor de betrokken activiteiten geldende (bouw)regels. Een omgevingsvergunning wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden. Artikel 4.28 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden 1. Op locaties met de aanduiding archeologie 1, archeologie 2, archeologie 3a, archeologie 3b, archeologie 4a of archeologie 4b is voor de volgende werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist: a. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; b. bodemverlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; d. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; f. het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies; g. diepploegen; h. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; j. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 2. Geen omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid is vereist voor werken of werkzaamheden die: a. de oppervlakte- dan wel de dieptemaat niet overschrijden, genoemd in artikel 4.22 tweede lid, dan wel artikel 4.23 tweede lid; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning, zoals in artikel 4.22 zesde lid dan wel artikel 4.23 zesde lid bedoeld, is verleend; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 3. Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verleend, indien: a. de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek of een archeologisch rapport kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager een archeologisch rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige. Artikel 4.29 Vrijstelling van archeologisch onderzoek 1. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Artikel 4.30 Voorschriften over archeologische monumentenzorg 1. Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet. 2. Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden. Afdeling 4.4 Bouwregels voor cultureel erfgoed Artikel 4.31 Beeldbepalend pand 1. In aanvulling en met voorrang op de bouwregels in paragraaf 3.2.2 geldt ter plaatse van de aanduiding beeldbepalend pand (aanvullende bouwregels) dat de bestaande situering, maatvoering en kaprichting van het hoofdgebouw als maximale maatvoering geldt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het eerste lid onder de voorwaarden dat: a. de maximale bebouwingsmogelijkheden die op grond van de ter plaatse geldende activiteit gelden, niet worden overschreden; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het pand; c. de adviescommissie omgevingskwaliteit een positief advies geeft. 3. Het is verboden een beeldbepalend pand geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders. 4. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die uit het oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn. 5. Een vergunning als bedoeld in het derde lid wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de cultuurhistorische waarden de bebouwing. 6. Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid advies in bij de adviescommissie omgevingskwaliteit. Artikel 4.32 Monument 1. In aanvulling en met voorrang op de bouwregels in paragraaf 3.2.2 geldt ter plaatse van de aanduiding monument (aanvullende bouwregels) dat de bestaande situering, maatvoering en kaprichting van het hoofdgebouw als maximale maatvoering geldt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het eerste lid onder de voorwaarden dat: a. de maximale bebouwingsmogelijkheden die op grond van de ter plaatse geldende activiteit gelden, niet worden overschreden; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het pand; c. de adviescommissie omgevingskwaliteit een positief advies geeft. 3. Het is verboden een monument geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders. 4. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die uit het oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn. 5. Een vergunning als bedoeld in het derde lid wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de cultuurhistorische waarden de bebouwing. 6. Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid advies in bij de adviescommissie omgevingskwaliteit. Artikel 4.33 Inperkingen artikel 3.13 vanwege cultureel erfgoed 1. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 3.13 niet van toepassing. 2. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 3.13, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing. 3. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 3.13 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied. 4. Artikel 3.13, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 4.29 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 4.29 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 4.34 Inperkingen artikel 3.21 vanwege cultureel erfgoed Artikel 3.21 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 4.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor cultureel erfgoed Artikel 4.35 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. Artikel 4.36 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument 1. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.35, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen: 1. de exacte locatie; 2. de omvang; en 3. de diepte ten opzichte van het maaiveld; d. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit: 1. een bestek met bijbehorende tekeningen; of 2. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; e. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of f. als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. Artikel 4.37 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 4.36 Tekeningen als bedoeld in artikel 4.36 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening. Artikel 4.38 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument 1. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.35, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen: 1. als sprake is van het slopen van een deel van het monum