/akn/nl/act/provincie/2024/CVDR703647 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv21/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2023-12-27 2023-12-27 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR703647/nld@2024-01-03 /join/id/proces/pv21/2023/doel_319_49dec6b53229427ba4bf2db6f78f7dd0 /join/id/proces/pv21/2023/doel_347_eedc90c2e56f44e89b82c32eaf39d071 /join/id/proces/pv21/2023/doel_354_dd757b8282e14def8d870ec63c265023 2024-01-03 2024-02-08 2024-01-03 2024-02-08 2024-01-03 2024-02-08 /akn/nl/act/pv21/2023/omgevingsverordening/nld@2023-12-20;3 /akn/nl/act/pv21/2023/omgevingsverordening /akn/nl/act/pv21/2023/omgevingsverordening/nld@2023-12-20;3 /join/id/stop/work_019 8 Omgevingsverordening van de provincie Fryslân HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: afspraken bedrijventerreinen bestuurlijke afspraken tussen provincie en één of meerdere gemeenten over onder meer: ambitieniveau voor de economische ontwikkeling van de regio, profilering van bedrijventerreinen, toekomstbestendig maken en houden van de bestaande voorraad, programmering en herprogrammering van het aanbod aan bedrijventerreinen in relatie tot de vraag naar bedrijventerreinen, en de bijbehorende programmeringsdocumenten. afspraken kantorenterreinen bestuurlijke afspraken tussen provincie en één of meerdere gemeenten over onder meer: ambitieniveau voor de economische ontwikkeling van de regio, profilering van kantorenterreinen, toekomstbestendig maken en houden van de bestaande voorraad, programmering en herprogrammering van het aanbod aan kantorenterreinen in relatie tot de vraag naar kantorenterreinen, en de bijbehorende programmeringsdocumenten. agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het fokken of houden van dieren. agrarisch bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop op grond van de regels van een omgevingsplan, zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing, verharding en bijbehorende voorzieningen voor een agrarisch bedrijf zijn toegelaten. agrarisch hulpbedrijf en agrarische hulpactiviteit een bedrijf dat, of een activiteit die goederen of diensten levert overwegend aan agrarische bedrijven, of overwegend agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen, grondverzetbedrijven, het houden of verzorgen van dieren, grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven, met uitzondering van landbouwmechanisatiebedrijven met als hoofdactiviteit de verkoop van landbouwvoertuigen. agro-locatie een cluster van agrarische bedrijven, of agrarische hulpbedrijven, met bijbehorende voorzieningen. ammoniakemissie emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar. bebouwing gebouwen en andere bouwwerken. bebouwingscluster een vlakvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, bij een kruispunt van wegen of vaarwegen dan wel een kruispunt van weg en spoorweg in het landelijk gebied. bebouwingslint een lijnvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, langs een weg of vaart in het landelijk gebied met geringe afstanden tussen de bouwpercelen. bedrijf geheel van activiteiten gericht op de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, handel, vervoer of nijverheid, waaronder niet begrepen een horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening. bedrijfsgebonden reclamemast een reclamemast voor de diensten of producten van een of enkele bedrijven die op of aangrenzend aan het perceel waarop de reclamemast staat, aanwezig zijn. bedrijfsmatige exploitatie het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de verblijfs-recreatieve functie daadwerkelijk sprake is van kort verblijf met als focus toeristische overnachtingsmogelijkheden. bedrijfsterrein of bedrijventerrein een cluster van aaneengesloten percelen voor meerdere bedrijven en dienstverlenende functies met de daarbij behorende voorzieningen. bedrijventerreinenplan een door de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders vastgesteld, gemeentelijk of intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg en invulling van bedrijventerreinen voor een bepaalde periode binnen een of meerdere gemeenten is aangegeven en dat tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in een regio. beeldverstorende bebouwing bebouwing die door de staat waarin ze verkeert of door de verschijningsvorm, een negatieve invloed heeft op de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten in de omgeving. beheergebieden natuurgebieden, meestal graslanden met natuurlijke waarden die in agrarisch gebruik zijn, die onderdeel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland maar waarvoor minder strenge regels zijn opgenomen. belanghebbende degene die belanghebbend is bij een besluit tot toekenning van de schadevergoeding als bedoeld in artikel 13.3c, tweede lid van de wet. beperkingengebied het bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. beperkingengebied-activiteit activiteit binnen een beperkingengebied. bestaand gebruik en bestaande functies gebruik dat, respectievelijk functies die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig is respectievelijk zijn, of waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen of gebruik is verleend of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen of gebruik is ingediend die kan worden verleend. bestaand stedelijk gebied het gebied zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaarten Begrenzing bestaand stedelijk gebied in Bijlage 1.
- bestaande bebouwing bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig is of waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend of een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen is ingediend die kan worden verleend. bestaande dorpsmolen een bestaande dorpsmolen als bedoeld in de Omgevingsvisie De Romte Diele, te weten de dorpsmolens: - Dearsum (Snitserdyk, nabij kruising N354 en N384) - Hitzum (Achlumerweg, 8805 TN) - Kubaard (Joarumerleane, 8732 EC) - Reahûs (Slyp, 8736 JC) - Reduzum (Overijsselsestraatweg, 9008 TS) - Skuzum (Brekkerweg, 8755 JK) - Ternaard (Het Skoar, 9145 CD) - Ternaard (2 x Nesserwei, 9145 CE) - Ternaard (Nesserwei, 9145 CH) - Ternaard (Mosselbankswei, 9142 VJ Moddergat) - Tzum (Laakwerd, 8804 RK) - Wiuwert-Britswert (Bessens, 8637 VG Wiuwert) - Wommels-Iens (Hegenserleane, 8733 EM, Iens) - Wyns-Bartlehiem-Tergrêft (2x Wiereweg 9091 BK Wyns) bestrijdingsmiddel bestrijdingsmiddel als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. BIJ12 uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg. biodiversiteit de variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten: genen, tussen soorten en tussen ecosystemen. Te operationaliseren als de rijkdom aan planten- en diersoorten. Indicatoren soorten van Fries belang: - vermeld in de Bijlage van de Vogel- en Habitatrichtlijn; - opgenomen in de Rode Lijst met de aanduiding bedreigd of extra bedreigd; - Fryslân van buitenproportioneel belang voor de soort; - negatieve trend van de populatie. boskern een min of meer aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van circa 5 hectare bos of meer. bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop op grond van de regels van een omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. bromfiets bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder e van de Wegenverkeerswet. buitendijks gebied het gebied dat niet tegen buitenwater wordt beschermd door de primaire waterkering. buurtwinkelcentrum een clustering van winkels die geheel of nagenoeg geheel de bewoners van een buurt of wijk waar de winkels zijn gevestigd, primair voorzien van dagelijkse behoeften en in beperkte mate van niet-dagelijkse behoeften. CEMT-klassen III, IV en Va de door Conférence Européenne des Ministres de Transport opgestelde indeling van binnenvaartschepen in aantal standaardtypen. De klasse waartoe een vaarweg behoort, is afhankelijk van het grootste standaardschip dat die vaarweg kan bevaren. circulaire economie een economisch systeem van gesloten kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en systeemdenken centraal staat. complex van recreatiewoningen een terrein volgens de inrichting bestemd om meerdere recreatiewoningen in samenhang te plaatsen of geplaatst te houden, inclusief bijbehorende gemeenschappelijke faciliteiten. dagrecreatieve inrichting een inrichting, anders dan een verblijfsrecreatieve inrichting of een jachthaven, waar de mogelijkheid wordt geboden om te recreëren zonder er te overnachten. dakturbine een kleine windturbine zonder mast, geplaatst op het dak van een gebouw. detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. dienstverlening activiteiten voor het bedrijfsmatig verlenen van commerciële en niet-commerciële diensten. diercategorie diercategorie als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij zoals deze gold direct voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. dierenverblijf al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden. dierlijke- of andere meststof hetgeen daaronder wordt verstaan in de Meststoffenwet. dierplaats deel van een huisvestingssysteem, bestemd voor het houden van één dier. drinkwaterbedrijf bedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet. dunnen vellen dat geschiedt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. emissiefactor ammoniakemissie per dierplaats conform de Regeling ammoniak en veehouderijen, zoals deze luidde direct voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, behorende bij een daarbij aangewezen diercategorie en huisvestingssysteem. erfgoed van uitzonderlijke universele waarde, werelderfgoed op het grondgebied van Nederland gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dat op grond van het Werelderfgoed-verdrag is opgenomen in de Lijst van het Werelderfgoed. evaluatieverslag een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming. exoten dieren of planten van soorten die niet van nature in Nederland voorkomen of voorkwamen en die door menselijk handelen terecht zijn gekomen in de Nederlandse natuur of dat in de nabije toekomst dreigen te doen. FAMKE de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra, zoals deze laatstelijk door gedeputeerde staten is vastgesteld. faunabeheereenheid faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 8.1 van de wet. Binnen een provincie zijn er een of meer faunabeheereenheden. Een faunabeheereenheid stelt voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast. Het faunabeheerplan heeft goedkeuring nodig van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen. faunabeheerplan faunabeheerplan als bedoeld in 8.1 van de wet. Friese boezem het aaneengesloten stelsel van meren, kanalen, vaarten, gemalen en spuisluizen met eenzelfde waterpeil, dat een aanzienlijk deel van Fryslân beslaat. ganzenfoerageergebieden het geometrisch begrensd gebied bestaande uit meerdere landbouwpercelen zoals aangegeven op de kaart Ganzenfoerageergebieden in Bijlage 5.3, waar overwinterende beschermde inheemse ganzen jaarlijks ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april. Gastvrij Fryslân Een toeristische ontwikkeling van Fryslân waarbij alles draait om slimme groei van toerisme, conform de beleidsnota Gastvrij Fryslan 2028, vastgesteld door provinciale staten op 22 april 2020, zodanig dat toerisme zorgt voor een prettige en gezonde woon- en leefomgeving, een bijdrage levert aan behoud van natuur- en cultuurerfgoed en toekomstbestendige banen. Dit vertaalt zich onder andere in het inzetten op toeristen die geïnteresseerd zijn in de kwaliteit en identiteit van de provincie, meer jaarrond bezoek in plaats van pieken, en meer bezoek verspreid in heel Fryslân. Het gaat vooral om toerisme gericht op het aanvullen en complementeren van het bestaande aanbod zodanig dat welvaart en welzijn vergroot worden. gebiedsnormenkaart een door het dagelijks bestuur van het Wetterskip vastgestelde kaart waarop per gebied een of meer normen voor de kans op overstroming zijn toegekend. gebruiksgerichte paardenhouderij een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend, niet zijnde een productiegerichte paardenhouderij, en waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter, amazone, of menner inclusief de bijbehorende huisvesting van paarden; hierbij ligt de nadruk op het recreatieve en sportieve aspect van paardrijden. geluidsapparaat en geluidstoestel apparaat of toestel bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid. geluidsproductieplafond de maximaal toegestane geluidproductie op een vast fictief referentiepunt op korte afstand van de geluidbron. geohydrologische effecten effecten die via het diepe grondwater optreden, zoals daling van de grondwaterstand en het afnemen van kwel. gesloten bodemenergiesysteem bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 juncto Bijlage 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. gesloten stortplaats een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer. gezondheid gezondheid van de mens wordt in de praktijk bepaald door vier factoren: erfelijkheid, leefstijl, de gezondheidszorg en het leefmilieu. De Omgevingswet is gericht op het beschermen van de gezondheid van de mens door middel van bescherming van het leefmilieu. glastuinbouwbedrijf een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van gewassen, waarbij de productie in kassen plaatsvindt. griend teelt van griendhout; het betreft hierbij het periodiek afzetten van uitlopers van meestal wilgen, wilgentenen, voor bijvoorbeeld waterbouwkundige werken en consumptief vlechtwerk. groepsaccommodatie een groepsverblijf met meer dan tien slaapplaatsen, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, bestemd voor verblijfs-recreatieve doeleinden. grondgebonden agrarisch bedrijf agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, in de vorm van akkerbouw, vollegronds-tuinbouw, fruitteelt en boomteelt, grondgebonden veehouderij, en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven. grondgebonden veehouderij een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering. grondwater water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen. grondwaterbeschermingsgebied gebied zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder c van de wet. grondwaterlichaam samenhangende grondwatermassa. grondwateronttrekker de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 13.4, tweede lid van de wet. Grutsk op ’e Romte Grutsk op é Romte, Structuurvisie 2014 zoals vastgesteld door provinciale staten op 26 maart 2014, met bijbehorende bronnen: Cultuurhistorische Kaart, Landschapstypenkaart en Wordingsgeschiedenis van Fryslân. gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat staat van instandhouding van een natuurlijke habitat waarvoor geldt dat: - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen; - de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en - de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is. gunstige staat van instandhouding van een soort staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat: - uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en - het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en - een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. habitat van een soort door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft. Habitatrichtlijn richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992 L 206). hakhout beheersvorm van daarvoor geschikte boomsoorten. Hierbij worden de bomen periodiek afgezet op een hoogte van circa 20-30 centimeter, waarna deze weer uit kunnen lopen op de stobben, de zogenaamde slapende ogen. herbeplanten door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand. herstructurering het proces waarbij verouderde woonwijken, bedrijventerreinen en recreatieterreinen opnieuw worden ingericht en waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft. hoofdgebouw een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt. houtopstand zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: - een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of - bestaat uit een rijbeplanting die twintig of meer bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. huisvestingssysteem gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden. IBC bouwstof, grond, baggerspecie, achtergrondwaarde en kwaliteitsklasse wonen hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit. infiltratie in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater. ingrijpdiepte minimale diepte van een vaarweg, die alleen incidenteel mag worden overschreden. inheemse soort houtopstand waarvan Nederland, al dan niet gedeeltelijk, behoort tot het natuurlijke verspreidingsgebied daarvan, als bedoeld in afdeling 5.7 van de verordening. instandhouding geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. instandhoudingsdoelstellingen instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid van de wet. IPPC-installatie installatie als bedoeld in artikel 3, onder 3, van de Richtlijn industriële emissies, voor zover daarin een activiteit als bedoeld in Bijlage I bij die Richtlijn wordt verricht. isohypsen lijnen die een aantal punten met dezelfde waarden van hoogte of temperatuur verbinden. jacht bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten, genoemd in artikel 8.3, vierde lid van de wet, en het doen van pogingen daartoe, in een jachtveld, in overeenstemming met de regels over de uitoefening van de jacht, gesteld op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder k van de wet. jachthaven haven, met bijbehorende voorzieningen, waar in hoofdzaak pleziervaartuigen een ligplaats innemen. jachthouder degene die op grond van artikel 8.3 van de wet gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld. kampeermiddel een tent, een tentwagen, een camper, een caravan, een stacaravan, een huifkar, of naar de aard daarmee vergelijkbare kampeermiddelen, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele zijn bestemd dan wel kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. kampeerplaats een plaats bestemd voor het plaatsen van een tent, een tentwagen, een camper, een caravan, een stacaravan, of een tenthuisje geen recreatiewoning zijnde. kampeerterrein een terrein met kampeer plaatsen, inclusief de bij het terrein behorende gemeenschappelijke faciliteiten, niet zijnde een kleinschalig kampeerterrein. kantoor gebouw of voorziening voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten. kantorenterrein een cluster van aaneengesloten percelen voor meerdere kantoren met de daarbij behorende voorzieningen. karakteristiek van omgeving, kern, landschap, functioneel elementen in of fysieke kenmerken van de omgeving van een functie of van een gebouw, die medebepalend zijn voor de fysieke, esthetische of functionele kwaliteit van het gebied. karakteristieke gebouwen een gebouw met zodanige kenmerken of een zodanige verschijningsvorm, dat het een positieve invloed heeft op de landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten in de omgeving, of typerend en gezichtsbepalend is voor een zekere historische tijdsperiode. Het betreft in ieder geval gebouwen die zijn opgenomen op de monumentenlijst van rijk of gemeente, en gebouwen die in een omgevingsplan zijn opgenomen in een inventarisatie van aanwezige karakteristieke gebouwen. kern een stad of dorp, begrensd als bestaand stedelijk gebied. kernwinkelgebied het aaneengesloten gebied in een kern dat als het belangrijkste winkelcentrum van de kern kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment. kleine windturbine een installatie of bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind, - met een horizontale as en waarvan de rotor een oppervlakte beschrijft van maximaal 40m² en een maximale wiek van ongeveer 3,5 m; - met een horizontale as in andere vormen dan twee of drie wieken, waaronder de zogenaamde niet-wiekturbines met een verticale as. kleinschalig kampeerterrein een terrein in een kleinschalige opzet met kampeerplaatsen voor mobiele kampeermiddelen, inclusief de bij die kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, waar buiten het toeristisch seizoen alleen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn die op dat moment in gebruik zijn ten behoeve van recreatief nachtverblijf kleinschalige recreatieve voorzieningen recreatieve voorzieningen die worden aangeboden als ondergeschikte nevenfunctie bij een hoofdfunctie op een bouwperceel, zoals een kleinschalig kampeerterrein, een kleinschalige jachthaven, logies, groepsaccommodaties, recreatiewoningen, trekkershutten, dag-recreatieve inrichtingen. kringlooplandbouw een vorm van duurzame landbouw waarbij de kringloop van stoffen gesloten is. Dit betekent dat alle stoffen die door de landbouw uit een gebied verdwijnen ook weer terug worden gebracht in het gebied. kronendak totaal van kruinen van een naast of bij elkaar staande houtopstand. kustfundament het gebied op een Waddeneiland dat de primaire waterkering en het bijbehorende duingebied omvat, zoals aangegeven in artikel 5.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. kwetsbare gewassen na 1 augustus volledig nieuw ingezaaide percelen gras van minimaal 1 hectare en percelen met nog oogstbare akker- en tuinbouwgewassen. In de zin van de in deze verordening voorziene vergunningvrije activiteiten voor verjagen van ganzen met ondersteunend afschot worden overjarig gras (ingezaaid voor 1 augustus), doorgezaaid gras, afvang-gewassen op geoogste maispercelen, oogstresten en groenbemesters niet beschouwd als kwetsbare gewassen. landbouw akkerbouw, weidebouw, veehouderij, tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen- en elke andere vorm van bodemcultuur in Fryslân. landbouwgronden gronden met een agrarische functie waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van een bouwperceel, met uitzondering van gronden die in gebruik zijn geweest met als functie vuilstortplaats. landelijk gebied het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied. landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten de landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren en elementen van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van de bijbehorende adviezen, zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op ’e Romte en zijn weergegeven op de daarbij behorende kaarten. landschapsversterking het bijdragen aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van een gebied door het toevoegen of verwijderen van landschappelijke elementen, de renovatie van waardevolle bebouwing, het gebruik maken van vernieuwende architectuur en de sloop van beeldverstorende bebouwing. lijst A lijst van vaarwegen in beheer bij gedeputeerde staten van de provincie Fryslân, met aanduiding van naam, te onderhouden profiel, en aanduiding op kaart. lijst B lijst van vaarwegen in beheer bij andere op lijst B genoemde bestuursorganen niet zijnde bestuursorganen van het Rijk, de provincie of het waterschap, met aanduiding van naam, te onderhouden profiel, en aanduiding op kaart. lijst C lijst van vaarwegen in beheer bij het Dagelijks Bestuur van het waterschap, met aanduiding van naam, te onderhouden profiel, en aanduiding op kaart. Lijst D lijst van Friese Meren in beheer bij gedeputeerde staten van de provincie Fryslân. lozing in de bodem het definitief in de bodem brengen van vloeistoffen. maaiveld de gemiddelde hoogteligging van de gronden ter plaatse van en direct grenzend aan een voorgenomen ontgronding. maatgevend schip het grootste schip, dat de betreffende vaarweg vlot en veilig kan bevaren en bepalend is voor de klasse van de vaarweg en de daarin gelegen kunstwerken. De vaarwegbeheerder stelt de afmetingen van het maatgevend schip vast. maatgevende Hoge Waterstand of MHWS de maatgevende hoge waterstand voor de beroepsvaart is de waterstand, die één procent van de tijd wordt overschreden, gemeten over een langjarige periode van tenminste 10 jaar. Voor de recreatievaart is dit twee procent in het zomerhalfjaar. maatgevende Lage Waterstand of MLWS de maatgevende lage waterstand voor de beroepsvaart is de waterstand, die één procent van de tijd wordt onderschreden, gemeten over een langjarige periode van tenminste 10 jaar. Voor de recreatievaart is dit twee procent in het zomerhalfjaar. masthoogte van een windturbine hoogte gemeten vanaf het peil tot aan de wieken-as van de windturbine. maximale emissiewaarde ammoniak-emissie per dierplaats, die ingevolge het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze luidde direct voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij een diercategorie ten hoogste mag plaatsvinden. meetcyclus door de vaarwegbeheerder te hanteren meetcyclus waarmee periodiek kan worden bepaald hoe diep een vaarweg is. melder degene die de melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet doet. melkrundvee melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en vrouwelijk vleesvee ouder dan twee jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren. melkrundveehouderij veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee. mestbewerking de behandeling van dierlijke mest zonder veranderingen aan de samenstelling van het product teweeg te brengen, zoals mengen, roeren, homogeniseren, verhitting of het verwijderen van vreemde objecten. mestvergisting toepassing van procestechnieken gericht op het opwekken van energie uit mest of andere organische stoffen. mestverwerking de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, co-vergisting, vergisting of indamping van mest. milieubeschermingsgebied gebied waarin de kwaliteit van één of meerdere milieuaspecten bijzondere bescherming behoeft, zoals een stiltegebied en waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. mobiele kampeermiddelen toercaravans, vouwwagens, campers, tenten en vergelijkbare kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans en andere permanent aanwezige kampeermiddelen zoals huifkarren en tenthuisjes. motorrijtuig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder c van de Wegenverkeerswet. Natura 2000-gebied gebied dat: - door de bevoegde autoriteit van het land waarin het gebied is gelegen is aangewezen als speciale beschermingszone, ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onder a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn of de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, of - is opgenomen op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Natuurbeheerplan het Natuurbeheerplan zoals laatstelijk vastgesteld door gedeputeerde staten. natuurbouw inrichtingsactiviteiten zoals uitgeoefend door een met de zorg daarvoor belast orgaan in als zodanig bij omgevingsplan aangewezen natuurgebieden. natuurlijke habitat geheel natuurlijke of half natuurlijke land- of waterzone met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken. natuurlijke verjonging een op natuurlijke wijze verkrijgen van een nieuwe houtopstand, al dan niet met toepassing van technische- of beheermaatregelen om de natuurlijke verjonging van de gewenste soort op een gewenste plaats in de gewenste dichtheden te krijgen. natuurnetwerk Nederland een samenhangend stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, zoals vastgelegd in Bijlage 2.4 op de kaart natuurnetwerk Nederland. nazorgplan een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, van de Wet bodembescherming. nazorgvoorziening de voorziening ter bescherming van het milieu, als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer. niet bedrijfsgebonden reclamemast een reclamemast voor de diensten of producten van een of enkele bedrijven die niet op of aansluitend op het bouwperceel van het betreffende bedrijf of de betreffende bedrijven staat. niet-grondgebonden veehouderij, intensieve veehouderij agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals varkens-, pluimvee-, pelsdier-, of vleeskalverhouderij, rundveemesterij, niet grondgebonden geiten-, schapenhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen. nieuw gebruik het veranderen van gebruik van grond of bebouwing, anders dan het vervangen van bestaand gebruik door gebruik van gelijke aard, omvang en karakter. nieuwe bebouwing het oprichten van bebouwing, anders dan het vervangen van bestaande bebouwing door bebouwing van gelijke aard, omvang en karakter. nieuwe functie het veranderen van een functie, anders dan het vervangen van een functie door een functie van gelijke aard, omvang en karakter. normen normen voor een vaarweg bestaande uit vaarwegdiepte, ingrijpdiepte, onderhoudsdiepte, vaarwegbreedte, vrije doorvaarthoogte en beheergrenzen; zoals per vaarweg nader aangeduid op lijst A, lijst B, lijst C en lijst D. omgevingskwaliteiten de omgevingskwaliteiten omvatten aspecten zoals: - cultureel erfgoed; - beeldkwaliteit van bouwwerken en stedenbouwkundige kwaliteit; - kwaliteit van natuur, cultuurhistorie en landschap, inclusief openheid, donkerte, stilte en rust; - kwaliteit van het watersysteem; - kwaliteit van het verkeers- en vervoerssysteem; - kwaliteit van de bodem; - het netwerk van dorpen en steden met voldoende voorzieningen en verschillende woon- en werkmilieus; - milieuhygiëne; - gezonde en veilige leefomgeving. omgevingsplan een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de wet. omgevingsplanactiviteit activiteit, inhoudende: - een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan; - een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of - een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. omgevingstafel een werkwijze waarbij alle partijen die een belang of deskundigheid vertegenwoordigen rondom de ruimtelijke ontwikkeling, voorafgaand met elkaar om tafel gaan om: - te komen tot de juiste locatiekeuze en een goede ruimtelijke inpassing; - te werken aan acceptatie; - te komen tot een integrale oplossing waarin alle belangen samenkomen; - het initiatief vervolgens verder te brengen. omgevingsvergunning een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de wet. onderhoud van een vaarweg het onderhoud van een vaarweg omvat het houden van de vaarweg op het vastgestelde profiel, en het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het verwijderen van vuil en waterplanten. onderhoudsdiepte de vastgestelde diepte tot waarop gebaggerd moet worden bij periodiek groot onderhoud, ook wel baggerdiepte genoemd. ondersteunend afschot het doden van dieren ter verjaging van deze dieren uit een gebied of van percelen waar ze schade veroorzaken, dreigen te veroorzaken, of hebben veroorzaakt, waarbij gebleken is dat andere verjagingsmethoden niet het gewenste effect hebben gesorteerd. onttrekking onttrekken van grondwater met een onttrekkingsinstallatie. open bodemenergiesysteem bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 juncto Bijlage 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. oppervlaktewaterlichaam samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de wet, drogere oevergebieden, en flora en fauna. oppervlaktewaterpeil de na te streven waterstand ten opzichte van een bepaald referentieniveau, zoals de waterbeheerder dat volgens een daarvoor genomen besluit dient te handhaven. opstelling voor zonne-energie een samenstel van bouwwerken op het maaiveld, op daken of op water, voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon. overige vaarwegen elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover niet vermeld op lijst A, lijst B, lijst C of D. overlast ernstige hinder veroorzaakt door dieren. Wat precies onder overlast mag worden verstaan hangt af van het beschermingskader van de diersoort in kwestie. perceel een kadastraal perceel, en ook een gedeelte van een zodanig perceel. perifere detailhandel detailhandel die wat betreft volumineuze aard van de goederen, gevaar en hinder of dagelijkse bevoorrading niet meer goed inpasbaar is in de bestaande winkelcentra, zoals: - detailhandel in brandbare of explosiegevaarlijke stoffen; - detailhandel in auto’s, boten, caravans en tenten, keukens, badkamers, meubelen, bouwmaterialen, landbouwwerktuigen, tuincentra-artikelen, plant- en dierbenodigdheden, fietsen en auto-accessoires en supermarkten; - detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van industrie en ambacht in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen. polderdijk een boezemkade bij een polder waar het maaiveld lager is dan het normale waterpeil in de boezem: het betreft een kleine dijk van zo’n één tot twee meter hoog gezien vanuit de polder. De boezemkaden zijn kleine dijken die lager gelegen polders beschermen tegen overstroming vanuit de boezem, net zoals normale dijken dit doen voor overstroming vanuit zee of rivieren. productiegerichte paardenhouderij een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend en waar alleen of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden. profiel kenmerken waaraan een vaarweg moet voldoen bestaande uit het samenstel aan normen. projectprocedure procedure als bedoeld in afdeling 5.2 van de wet. provinciale weg een weg die wordt beheerd en onderhouden door de provincie Fryslân. rechthebbende - de gebruiker, of, bij ontstentenis van deze, de eigenaar, met dien verstande, dat wanneer de gronden in vruchtgebruik, erfpacht of opstal zijn uitgegeven, de zakelijk gerechtigde voor de eigenaar in de plaats treedt. - in geval van inscharing geldt als rechthebbende degene, bij wie het vee in de weide is gebracht. reconstrueren het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, zoals bedoeld in afdeling 4.5 van de omgevingsverordening. recreatieve voorziening een dag-recreatieve voorziening, een kampeerterrein, een complex recreatiewoningen, of een jachthaven. recreatiewoning een gebouw of een drijvend bouwwerk of een deel daarvan, dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor verblijfs-recreatieve bewoning door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft. regionale wateren watersystemen of onderdelen daarvan die niet in beheer zijn bij het Rijk, als bedoeld in artikel 1.1 juncto Bijlage 1 van de wet. regionale waterkering de voormalige zeedijken en de boezemkaden zoals aangegeven in artikel 3.2 en op de kaart Regionale Waterkeringen in Bijlage 3.1 behorende bij de omgevingsverordening. regionale woningbouwafspraken bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten over de regionale kwantitatieve en kwalitatieve afstemming van gemeentelijke woningbouwplannen, gebaseerd op de regionale indicatieve woningbehoefte volgens de door de provincie vastgestelde bevolking- en huishoudensprognose. ruimtelijk inrichtingsplan een plan waarin alle ruimtelijke zaken samenkomen in een weloverwogen en integraal ontwerpplan met als doel een optimale invulling van de locatie te bewerkstelligen waarbij de omgevings-kwaliteiten van het gebied behouden blijven en zo mogelijk verder ontwikkeld worden, of nieuwe omgevingskwaliteiten in het gebied ontwikkeld worden. saneringsplan een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming. schade de inkomensderving of de vermindering van de waarde van een onroerende zaak als begrepen in de regeling van nadeelcompensatie in afdeling 15.1 van de wet. schade veroorzaakt door beschermde diersoorten al dan niet economische schade veroorzaakt door beschermde inheemse diersoorten aan gewassen, vee, veehouderijen, bossen, visserij, viswateren of andere vormen van eigendom die niet tot het normale bedrijfsrisico behoort. Belangrijke of ernstige schade is economische schade die door een onafhankelijke instelling, zoals een faunafonds wordt getaxeerd als bovenmatig bedrijfsrisico. schadelijke stof stof, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen. schuilgelegenheid voor het hobbymatig houden van dieren een gebouw of bouwwerk dat noodzakelijk is voor het schuilen van dieren in verband met het welzijn van de dieren. slaapplaats ganzen een in het water gelegen plek waar de ganzen tijdens de nachtelijke uren verblijven. staat van instandhouding van een soort effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, zoals bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn. stedelijke functies functies die gekoppeld zijn aan het functioneren van kernen, zoals dorpen en steden, waaronder worden verstaan woningen, functioneel niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven, zakelijke en commerciële dienstverlening, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen en sportvoorzieningen, met bijbehorend stedelijk water en groen en bijbehorende infrastructuur en nutsvoorzieningen, daaronder niet begrepen windturbines, opstellingen voor zonne-energie en schuilgelegenheid voor het hobbymatig houden van dieren. stiltegebied gebied als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b van de wet. streefpeil de waterstand in de Friese boezem van - 0,52 meter NAP. taxateur een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ
- tenthuisje een recreatieve verblijfplaats met vaste wanden en een dak van tentzeil dat dient als periodiek verblijf voor wisselende groepen recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben. terrein beherende organisatie hieronder vallen Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en It Fryske Gea. transformatie het proces waarbij verouderde woonwijken, bedrijventerreinen en recreatieterreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie. trekganzen beschermde inheemse ganzensoorten die natuurlijk trekgedrag vertonen en die enkel in de winterperiode in Fryslân verblijven en die buiten deze periode elders, veelal in Noord-Europa, Spitsbergen of Rusland, broeden en daar hun jongen grootbrengen. Op grond van de nota Fryske Guozzenoanpak 2017-2020 volgt dat onder trekganzen in ieder geval worden verstaan: grauwe gans, kolgans, kleine rietgans, rietgans, brandgans, rotgans. Voor zover exemplaren van deze soorten hun natuurlijke trekgedrag hebben verloren en het gehele jaar in Fryslân verblijven geldt voor deze exemplaren dat zij niet worden beschouwd als trekgans. trekkershut een gebouw met een enkel-laags constructie voor recreatief verblijf, met een maximum oppervlakte van 40m². vaarweg elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A, lijst B, lijst C, of lijst D. vaarwegbeheer overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van het profiel van een vaarweg, uitgezonderd het beheer van de sluizen en de bruggen. vaarwegbeheerder bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A, lijst B, lijst C, of lijst D. vaarwegbreedte minimaal te handhaven en te onderhouden breedte van de bodem van een vaarweg conform het overzicht in de lijsten A, B, C en D. vaarwegdiepte minimale diepte van een vaarweg op basis van de diepgang van het maximaal toegestane schip voor de betreffende vaarwegklasse. vaarwegprofiel de kenmerken waaraan een vaarweg moet voldoen bestaande uit het samenstel aan normen, zoals vaarwegdiepte, ingrijpdiepte, onderhoudsdiepte, vaarwegbreedte en vrije doorvaarthoogte. veehouderij inrichting die tot een krachtens het voormalige artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. vellen rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Verblijfs-recreatieve inrichting een kampeerterrein of een complex recreatiewoningen. verruimde perifere detailhandel detailhandel buiten of aansluitend op bestaande winkelcentra met een aanbod van niet-dagelijkse goederen waaronder worden verstaan: - de hoofdbranches huishoudelijke en luxe artikelen, sport en spel, hobby, speelgoed, media, wit- en bruingoed, doe-het-zelf en wonen. - overige detailhandel met uitzondering van de hoofdbranches warenhuizen, kleding en mode, schoenen en lederwaren, juwelier en optiek. verzadigde bodem de verzadigde bodem is dat deel van de bodem, inclusief de capillaire zone, waarin de poriën geheel met water zijn gevuld. Vogelrichtlijn richtlijn 2009/147/EG van het Europees parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20). voorbereidingsbescherming voorbereidingsbescherming met voorbeschermingsregels als bedoeld in afdeling 4.2 van de wet strekt ertoe te voorkomen dat een locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van een bepaalde functie die voor die locatie is beoogd. voormalige zeedijken categorie regionale keringen die bij doorbraak van een primaire kering een remmend effect hebben op het verloop van een overstroming. Het gaat om de volgende keringen: de Oude Bildtdijk, de dijk van de Holwerterpolder, de dijken van de vroegere Lauwerszee, de Surcher Slaperdijk, de voormalige Zuiderzeedijken tussen Lemmer en Slijkenburg: Grietenijdijk en Statendijk, de Lindedijk en kade tussen Slijkenburg en de Lindesas en de binnendijk op Ameland ten oosten van Ballum. voorziening een private of publieke functie die voorziet in een maatschappelijke behoefte, niet zijnde een bedrijf, winkel, horeca of kantoor, zoals een school, zorginstelling, theater, bibliotheek, stadion, sport- of sportveldcomplex, ziekenhuis, of instelling van openbaar bestuur. water-robuust bouwen het voldoende hoog of adaptief bouwen zodat bij calamiteiten de schade van een overstroming beperkt blijft. waterbeheerprogramma programma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet. waterkerende gronden gronden in bebouwd gebied en in het kleigebied, die voldoende hoog gelegen zijn om bescherming te kunnen bieden tegen overstroming, zonder dat daarvoor boezemkades zijn aangelegd. waterschap Wetterskip Fryslân, Waterschap Zuiderzeeland of Waterschap Noorderzijlvest, ieder voor zover hun bevoegdheid strekt. waterstaatswerk oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. watersysteem samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewater-lichamen en grondwater-lichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied zones van milieubeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in Bijlage 4.4 op de kaart Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. weidevogelkansgebied gebieden zoals vastgelegd op de kaart Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels in Bijlage 2.5 , die bestaan uit ruime en open gebieden met een zichtafstand van meer dan 400 meter, met voldoende rust en waarin gevarieerde graslanden liggen die in potentie geschikt zijn voor weidevogels. weidevogelparel gebieden zoals vastgelegd op de kaart Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels in Bijlage 2.5, die zelfstandige 'parels' vormen buiten de weidevogelkansgebieden en die een hoge weidevogeldichtheid kennen. weidevogels of boerenlandvogels grondbroeders die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van agrarische grond zoals grasland en open akker. Werelderfgoed cultureel en natuurlijk erfgoed dat wordt beschouwd als onvervangbaar, uniek en van waarde voor de hele wereld, waarvan het van groot belang wordt geacht om te behouden en dat is ingeschreven op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. werk een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. werken bij vaarwegen een bouwwerk, een installatie of baggerwerkzaamheden op een provinciale vaarweg of provinciaal meer. wet de Omgevingswet. wezenlijke kenmerken en waarden aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden met een functie natuur, tevens potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities, voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn, overeenkomstig de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitie-kaart van het Natuurbeheerplan. wildbeheereenheid wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 8.2 van de wet. windturbine een installatie of bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind, niet zijnde een kleine windturbine. winkelcentrum een aaneengesloten en samenhangend gebied in een bestaande kern met overwegend een winkelfunctie, dat zich manifesteert als buurtwinkelcentrum of kernwinkelgebied. woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of daarmee gelijk te stellen woonvormen. wrakingsverzoek een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot wraking van de adviseur of van één of meer leden van de adviescommissie. Wraking is de verklaring dat een rechter of arbiter onbevoegd of ongeschikt is om over een bepaalde zaak te oordelen. zuinig- en meervoudig ruimtegebruik de Friese ruimte doelmatig en slim benutten, onder andere door verschillende vormen van ruimtegebruik te combineren met het doel om verspilling van ruimte tegen te gaan. Afdeling 1.2 Toepassingsgebied en doelen Artikel 1.2 Fysieke leefomgeving Deze omgevingsverordening heeft betrekking op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving zoals bedoeld in artikel 1 .2 van de Omgevingswet. Artikel 1.3 Maatschappelijke doelen van de verordening Deze omgevingsverordening is, met het oog op de doelen genoemd in artikel 1 .3 van de Omgevingswet gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten; f. het behoud van cultureel erfgoed; g. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; h. de natuurbescherming; i. het tegengaan van klimaatverandering; j. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; k. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; l. het beheer van infrastructuur; m. het beheer van watersystemen; n. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; o. het beheer van natuurgebieden. Artikel 1.4 Omgevingsplan In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een omgevingsplan mede verstaan een projectbesluit van gedeputeerde staten. Afdeling 1.3 Meet- en rekenbepalingen HOOFDSTUK 2 Ruimtelijk omgevingsbeleid Afdeling 2.1 Inhoudelijke principes Artikel 2.1 Omgevingskwaliteiten als basis 1 In een omgevingsplan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Friese archeologische monumentenkaart extra of van een met de provincie afgestemde gemeentelijke verdiepingsslag. 2 In een omgevingsplan dat een regeling bevat voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied bevat wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte, en het bevat regels die nodig zijn om deze kernkwaliteiten zo veel mogelijk te behouden en te versterken. 3 Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop het plan de omgevingskwaliteiten benut als ontwerpbasis, en het borgt het zorgvuldig situeren en inrichten van nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies op basis van de omgevingskwaliteiten. Artikel 2.2 Omgevingstafel Voor een omgevingsplan, dat voorziet in een nieuwe ontwikkeling of nieuwe activiteit buiten het bestaand stedelijk gebied die mogelijk aanzienlijke effecten op de omgevingskwaliteiten heeft, wordt een ruimtelijk inrichtingsplan met behulp van een omgevingstafel opgesteld. Artikel 2.3 Zuinig en meervoudig ruimtegebruik 1 Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van het principe van zuinig- en meervoudig ruimtegebruik, waaruit tenminste blijkt: a. dat de nieuwe functie voorziet in een behoefte; b. dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel, en c. dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut. 2 In het geval in een omgevingsplan een nieuwe stedelijke functie wordt toegedeeld buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden onderbouwd waarom die functie redelijkerwijs niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Artikel 2.4 Koppelen en verbinden Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Artikel 2.5 Gezond en veilig 1 Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies, bevat een onderbouwing van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. 2 Een omgevingsplan bevat, zo nodig, een onderbouwing van de wijze waarop het plan rekening houdt met het risico op wateroverlast of op overstroming vanuit de Friese boezem, ook gezien vanuit de mogelijkheid van falen van regionale waterkeringen. 3 Een omgevingsplan stelt regels met het oog op het borgen van water-robuust bouwen indien door de lage ligging van gronden een risico bestaat op overstroming of wateroverlast. Afdeling 2.2 Stedelijke functies Artikel 2.6 Bundeling stedelijke functies In een omgevingsplan mogen op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp. Afdeling 2.3 Wonen Artikel 2.7 Programmering woningbouw Een omgevingsplan kan nieuwe woningen bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken, of voor zover het gaat om de Waddeneilanden binnen de bilaterale woningbouwafspraken met de afzonderlijke Waddeneilandgemeenten Afdeling 2.4 Werken Artikel 2.8 Programmering en kantorenterreinen Een omgevingsplan kan een nieuw bedrijven- of kantorenterrein bevatten, wanneer deze past binnen de afspraken bedrijventerreinen en afspraken kantorenterreinen. Artikel 2.9 Niet-agrarische functies buiten bestaand stedelijk gebied 1 In een omgevingsplan kan de uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf maatschappelijke voorziening, horecagelegenheid of vergelijkbare functie buiten het bestaand stedelijk gebied worden toegestaan, tot maximaal 50 procent van het bestaande bebouwde oppervlak en maximaal 50 procent van het bestaande functievlak. 2 In afwijking van het eerste lid is een uitbreiding met meer dan 50 procent toegestaan, mits: a. de omgevingskwaliteiten op en rond het perceel aanzienlijk verbeteren; b. de ontwikkeling wat betreft aard en schaal past bij de omgeving, en c. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. Artikel 2.10 Nieuwe horecagelegenheden In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6, kan in een omgevingsplanbuiten het bestaand stedelijk gebied een nieuwe horecagelegenheid worden toegestaan, mits: a. een behoefte-onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de horecagelegenheid een bijdrage levert aan Gastvrij Fryslân, en b. redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van vrijkomende bebouwing, en c. de horecagelegenheid qua aard en schaal past bij de omgeving, en d. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. Afdeling 2.5 Detailhandel Artikel 2.11 Detailhandel 1 Onverminderd de mogelijkheden voor detailhandel op grond van de artikelen 2.22, 2.24 en 2.25, kan in een omgevingsplandetailhandel buiten het bestaande kernwinkelgebied en het gebied direct daarop aansluitend alleen worden toegestaan wanneer sprake is van: a. een solitaire kleinschalige winkelvestiging in een woonbuurt of gemengde buurt; b. een buurtwinkelcentrum; c. perifere detailhandel. 2 In een omgevingsplan waarin een buurtwinkelcentrum of perifere detailhandel wordt toegestaan als bedoeld in het eerste lid, wordt onderbouwd dat: a. de detailhandel geen afbreuk doet aan de winkelfunctie van het kernwinkelgebied, en b. de detailhandel aansluit bij aard en schaal van de kern, en c. vestiging in het kernwinkelgebied of het gebied direct daarop aansluitend redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.12 Detailhandel bij grootschalige voorziening In afwijking van artikel 2.11, eerste lid kan in een omgevingsplan nieuwe detailhandel worden toegestaan, wanneer deze direct verband houdt met een grootschalige voorziening in een kern en daar een ondergeschikt deel van uitmaakt. De omvang van de detailhandel is afgestemd op de schaal van de kern. Artikel 2.13 Verruimde perifere detailhandel In afwijking van artikel 2.11, eerste lid kan in het bestaand stedelijk gebied van Leeuwarden verruimde perifere detailhandel worden toegestaan, mits wordt verantwoord dat dit geen afbreuk doet aan de winkelfunctie van het kernwinkelgebied van Leeuwarden en aan de winkelfunctie van kernwinkelgebieden in de omgeving. Afdeling 2.6 Recreatie en toerisme Artikel 2.14 Kleinschalige recreatieve voorzieningen 1 In een omgevingsplan kunnen buiten het bestaand stedelijk gebied de volgende kleinschalige recreatieve voorzieningen worden toegestaan: a. een kleinschalig kampeerterrein van maximaal 25 kampeerplaatsen of een kleinschalige jachthaven met maximaal 25 ligplaatsen, op of in aansluiting op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening; b. logies, recreatiewoningen, groepsaccommodaties in bestaande bebouwing of ter vervanging van bestaande bebouwing op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening; c. groepsaccommodaties op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing; d. maximaal 10 trekkershutten op of in aansluiting op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf of voormalig agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing; e. dag-recreatieve inrichtingen tot een maximale oppervlakte van 1 ha op of in aansluiting op het erf van een agrarisch bedrijf, woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening, waarbij alleen ondergeschikte nieuwbouw ten behoeve van de voorziening is toegestaan. 2 In afwijking van het eerste lid, onder a kunnen op een kleinschalig kampeerterrein maximaal 35 kampeerplaatsen worden toegestaan, mits het aantal kampeerterreinen dat kan uitbreiden van 25 naar 35 kampeerplaatsen in het omgevingsplan wordt beperkt. 3 In afwijking van het eerste lid, onder b kan in een omgevingsplan enige aanvullende bebouwing worden toegestaan, wanneer deze ondergeschikt is aan de bestaande bebouwing. 4 In afwijking van het eerste lid, onder d kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat maximaal drie trekkershutten op of in aansluiting op het bouwperceel van een woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening zijn toegestaan, mits dit bijdraagt aan het behoud van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Artikel 2.15 Recreatieve voorzieningen 1 In een omgevingsplan kan aanpassing of uitbreiding van een bestaande, of een nieuwe recreatieve voorziening worden toegestaan, waarbij: a. een nieuwe recreatieve voorziening aansluit op het bestaand stedelijk gebied van een kern, of aansluit op een bestaande recreatieve voorziening buiten het bestaand stedelijk gebied; b. de ontwikkeling wat betreft aard en schaal passend is bij de kern of de recreatieve voorziening; c. een positieve bijdrage wordt geleverd aan een Gastvrij Fryslân door het bevorderen van een prettige en gezonde woon- en leefomgeving, het behoud en de ontwikkeling van natuur en cultuurerfgoed, of het creëren van toekomstbestendige banen. 2 De kleinschalige recreatieve voorzieningen als bedoeld in artikel 2.14 kunnen niet worden aangemerkt als bestaande recreatieve voorziening als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid. Artikel 2.16 Afwijking voor bijzondere nieuwe recreatieve voorzieningen 1 In afwijking van de artikelen 2.14 en 2.15 kan in een omgevingsplan een nieuwe recreatieve voorziening worden toegestaan mits: a. een onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de voorziening positief kan bijdragen aan een Gastvrij Fryslân door het bevorderen van een prettige en gezonde woon- en leefomgeving, het behoud en ontwikkeling van natuur en cultuurerfgoed, of het creëren van toekomstbestendige banen; b. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. 2 Indien sprake is van het toestaan van een nieuw complex van recreatiewoningen worden in het omgevingsplan regels gesteld ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het complex als geheel, gericht op recreatief gebruik van de recreatiewoningen. Artikel 2.17 Bijzondere bepaling Waddeneilanden In een omgevingsplan waarin een nieuwe of uitbreiding van een recreatieve voorziening op een Waddeneiland is opgenomen, wordt onderbouwd op welke wijze is gezorgd voor stabilisatie van de recreatiedruk op het Waddeneiland. Artikel 2.18 Permanente bewoning van recreatiewoningen 1 Een omgevingsplan bevat geen nieuwe mogelijkheden voor permanente bewoning van recreatiewoningen buiten het bestaand stedelijk gebied. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op recreatiewoningen die oorspronkelijk als woning zijn gebouwd. Artikel 2.19 Transformatie verblijfsrecreatieterrein voor arbeidsmigranten In afwijking van artikel 2.18 kan een omgevingsplan voorzien in de transformatie van een verblijfsrecreatieterrein voor de huisvesting van arbeidsmigranten, mits: a. er aantoonbaar behoefte is aan huisvesting van arbeidsmigranten in de omgeving, en b. het verblijfsrecreatieterrein in redelijkheid niet meer geschikt te maken is voor verblijfsrecreatie, maar de bebouwing wel geschikt te maken is voor bewoning, en c. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. Afdeling 2.7 Landbouw Artikel 2.20 Agrarische en aanverwante bedrijfsfuncties 1 In een omgevingsplan kunnen buiten bestaand stedelijk gebied de volgende functies of uitbreiding van functies worden toegestaan: a. een nieuw grondgebonden agrarisch bedrijf of de uitbreiding van een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf; b. een nieuw niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, uitsluitend voor zover het gaat om een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in een Friese gemeente dat om dringende redenen van maatschappelijke aard verplaatst moet worden; c. de uitbreiding van een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf; d. een nieuw glastuinbouwbedrijf of de uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf op een glastuinbouwlocatie, zoals aangegeven op de kaart Glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân in Bijlage 2.1; e. de uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwlocatie; f. een nieuwe gebruiksgerichte paardenhouderij of de uitbreiding van een bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij; g. een nieuw agrarisch hulpbedrijf op een voormalig agrarisch bouwperceel, een bedrijfsperceel, een glastuinbouwlocatie of een terrein voor openbare nutsvoorzieningen; h. de uitbreiding van een agrarisch hulpbedrijf. 2 Bij toepassing van het eerste lid worden de volgende regels in acht genomen: a. het bouwperceel van een grondgebonden agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 3 ha ; b. het bouwperceel van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, of een gebruiksgerichte paardenhouderij bedraagt maximaal 2 ha; c. een glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwlocatie mag worden uitgebreid met maximaal 50 procent van de bestaande omvang van de glasopstanden; d. een agrarisch hulpbedrijf mag worden uitgebreid met maximaal 50 procent van het bestaande bouwperceel; e. bij het toestaan van een nieuw grondgebonden agrarisch bedrijf, niet-grondgebonden agrarisch bedrijf of gebruiksgerichte paardenhouderij wordt onderbouwd dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een vrijkomend bouwperceel voor agrarische of voormalig agrarische bedrijven in het landelijk gebied; f. bij het toestaan van een nieuwe gebruiksgerichte paardenhouderij wordt onderbouwd dat redelijkerwijs geen geschikte locatie gevonden kan worden in aansluiting op het bestaand stedelijk gebied. 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan worden meegewerkt aan een groter bouwperceel, mits: a. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking; b. bij uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf aanvullend wordt onderbouwd dat verplaatsing van het bedrijf naar de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân niet haalbaar is en door de uitbreiding geen clustering van meerdere glastuinbouwbedrijven ontstaat. Artikel 2.21 Nevenactiviteiten Bij een grondgebonden agrarisch bedrijf kan een niet-grondgebonden agrarische neventak worden toegestaan, mits de niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten ondergeschikt zijn aan de grondgebonden bedrijfsactiviteiten. Artikel 2.22 Nevenactiviteiten op het bouwperceel van agrarische bedrijven 1 Op een bouwperceel van een agrarisch bedrijf kunnen al dan niet aan landbouw nevenactiviteiten plaatsvinden, waarbij: a. detailhandel slechts is toegestaan in de vorm van productie-gebonden detailhandel of detailhandel in streekproducten; b. bedrijvigheid slechts is toegestaan in de vorm van lichte bedrijvigheid of bij het landelijk gebied passende bedrijvigheid; c. activiteiten voor het bewerken, verwerken en vergisten van mest of andere agrarische producten slechts zijn toegestaan als deze ten dienste staan van, of verband houden met de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf; d. voor een ondersteunende tak glastuinbouw, tot maximaal 1.500 m² aan glasopstanden per bedrijf binnen het agrarische bouwperceel kunnen worden toegestaan. 2 Aan het gebruik en de bebouwing voor de nevenactiviteiten worden zodanige regels gesteld dat deze ondergeschikt blijven aan de agrarische activiteiten en passen in de landelijke omgeving. Artikel 2.23 Agro-locatie 1 Voor de vestiging van meerdere agrarische bedrijven, agrarische hulpbedrijven of van voorzieningen en installaties voor het bewerken, verwerken en vergisten van mest of andere agrarische producten, kan een nieuwe, goed ontsloten agro-locatie worden ontwikkeld buiten het bestaand stedelijk gebied, mits: a. redelijkerwijs geen geschikte locatie voor de functies kan worden gevonden op of aansluitend op een bestaande agro-locatie, een bedrijventerrein, een glastuinbouwlocatie of een terrein voor openbare nutsvoorzieningen in de regio; b. de vestiging op een voormalig agrarisch bouwperceel of voormalig bedrijfsperceel niet mogelijk is voor zover het gaat om een agro-locatie voor agrarische bedrijven en agrarische hulpbedrijven; c. sprake is van een directe, concrete en lokale behoefte van meerdere bedrijven, en d. er een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de kringlooplandbouw dan wel circulaire economie. 2 Landbouwmechanisatiebedrijven met als hoofdactiviteit verkoop van landbouwvoertuigen kunnen in een omgevingsplan worden toegestaan op een agro-locatie, mits deze aansluit op het bestaand stedelijk gebied. 3 Indien bij het vergisten van mest of andere agrarische producten ook mest of agrarische producten afkomstig van andere bedrijven worden vergist, dient die mest of dienen die producten rechtstreeks afkomstig te zijn van bedrijven uit de lokale omgeving. Afdeling 2.8 Overige functies buiten bestaand stedelijk gebied Artikel 2.24 Hergebruik vrijkomende (niet-)agrarische bebouwing 1 In afwijking van artikel 2.6 kunnen nieuwe stedelijke functies buiten bestaand stedelijk gebied in een omgevingsplan worden opgenomen, wanneer sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen, waarbij: a. de functie wat betreft aard en schaal passend moet zijn bij de omgeving; b. wonen slechts is toegestaan in de voormalige bedrijfswoning, inclusief aangebouwde bijgebouwen en in aanwezige karakteristieke gebouwen; c. in aanvulling op sub b zorgwoningen en woningen voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en seizoenarbeiders ook zijn toegestaan in niet-karakteristieke gebouwen; d. detailhandel alleen is toegestaan voor zover deze verband houdt met de hoofdfunctie van het perceel en daaraan bedrijfsmatig en wat betreft omvang ondergeschikt is. 2 Bij hergebruik, verbouw of vervanging kan enige aanvullende bebouwing worden toegestaan, mits deze ondergeschikt is aan de bestaande bebouwing. 3 Bij vervanging kan de situering van de bebouwing worden gewijzigd, mits de nieuwbouw op het bestaande bouwperceel wordt geplaatst. Artikel 2.25 Toevoegen stedelijke functies in bebouwingslinten en bebouwingsclusters buiten bestaand stedelijk gebied 1 In afwijking van artikel 2.6 kan op een perceel in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of -cluster een nieuwe stedelijke functie in een omgevingsplan worden opgenomen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de nieuwe functie leidt tot een afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster, en b. de omvang van de stedelijke functie is afgestemd op de omgeving. 2 Detailhandel is alleen toegestaan voor zover deze verband houdt met de hoofdfunctie van het perceel en daaraan bedrijfsmatig en wat betreft omvang ondergeschikt is. Artikel 2.26 Saldoregeling woningen In afwijking van artikel 2.6 kan buiten het bestaand stedelijk gebiedeen nieuwe woning op een solitaire locatie in een omgevingsplan worden opgenomen, ter vervanging van een bestaande woning op een vergelijkbare locatie binnen de gemeente, wanneer: a. per saldo het aantal woningen buiten het bestaand stedelijk gebied gelijk blijft of afneemt, b. de omvang van de woning is afgestemd op de aard en schaal van de omgeving, en c. de bestaande woning wordt gesloopt en de locatie van de bestaande woning aan de woonbestemming wordt onttrokken. Artikel 2.27 Ruimte-voor-ruimte sloop beeldverstorende bebouwing 1 In afwijking van artikel 2.6 kan buiten het bestaand stedelijk gebied maximaal één nieuwe woning op een bestaand voormalig agrarisch bouwperceel of een voormalig niet-agrarisch bouwperceel, in een omgevingsplan worden opgenomen, wanneer: a. sprake is van sloop van 1000 m² aan beeldverstorende bebouwing op het voormalig agrarisch bouwperceel of voormalig niet-agrarisch bedrijfsperceel, en b. de omgevingskwaliteiten op het perceel aanzienlijk verbeteren, en c. de omvang van de woning is afgestemd op aard en schaal van de omgeving. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen maximaal twee nieuwe woningen op een bestaand voormalig agrarisch bouwperceel of een voormalig niet-agrarisch bouwperceel in een omgevingsplan worden opgenomen, wanneer sprake is van sloop van 3000 m² of meer van beeldverstorende bebouwing. 3 In afwijking van het eerste en het tweede lid, is sloop niet noodzakelijk, wanneer sprake is van verplaatsing van het agrarisch bedrijf om redenen van groot openbaar belang en de bestaande financieringsmogelijkheden voor verplaatsing ontbreken of ontoereikend zijn. 4 In afwijking van het eerste en tweede lid kan een nieuwe woning aansluitend op het bestaande bouwperceel worden gerealiseerd, wanneer: a. het plaatsen op het bouwperceel vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit een minder goede keuze is, en b. de nieuwe woning aansluit op het voormalig agrarische bouwperceel of het voormalig niet-agrarische bouwperceel, en c. een deel van het bestaande bouwperceel wordt geschrapt, zodat per saldo het oppervlak aan bouwperceel niet groter wordt. Artikel 2.28 Kwaliteitsarrangement In afwijking van artikel 2.6 kan een nieuwe stedelijke functie op een bestaand bouwperceel buiten het bestaand stedelijk gebied in een omgevingsplan worden opgenomen, mits: a. de ontwikkeling bijdraagt aan de sociale of economische vitaliteit van het platteland, en b. de omgevingskwaliteiten op en rond het perceel aanzienlijk verbeteren, en c. de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. Artikel 2.29 Reclame-uitingen In afwijking van artikel 2.6 kunnen in een omgevingsplan voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied reclamemasten worden toegestaan, met in achtneming van de volgende voorwaarden: a. niet bedrijfsgebonden reclamemasten sluiten zoveel mogelijk aan bij het bestaand stedelijk gebied; en b. de reclamemasten passen bij de omgevingskwaliteiten in het gebied. Afdeling 2.9 Kustverdediging Artikel 2.30 Reserveringszones voor versterking primaire waterkeringen buiten aaneengesloten bebouwd gebied 1 In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een reserveringszone voor versterking van een primaire waterkering buiten aaneengesloten bebouwd gebied, zoals aangegeven in Bijlage 3.3 op de kaart Reserveringszones primaire waterkeringen, wordt de geometrische begrenzing van de reserveringszone vastgelegd. 2 Binnen de in het eerste lid genoemde reserveringszones mogen alleen worden toegestaan: a. uitbreiding van bestaande, aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven, mits dit geen onomkeerbare belemmering vormt voor de versterking van de waterkering en hierover advies is gevraagd aan de waterkering-beheerder; b. uitbreiding van een bestaande woning, een bestaande recreatiewoning, of een bestaand, niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf, met maximaal 10 procent van het bestaande bebouwde oppervlak; c. bebouwing voor openbare nutsvoorzieningen, voor beheer van natuur of van hulpdiensten en voor waterstaatkundig beheer en onderhoud, voor zover deze bebouwing redelijkerwijs niet buiten de reserveringszone kan worden opgericht. Artikel 2.31 Afwijkingsmogelijkheid In afwijking van artikel 2.30, tweede lid kan nieuwe bebouwing binnen een reserveringszone worden toegestaan, wanneer: a. sprake is van redenen van openbaar belang, en b. versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd, en c. advies is gevraagd aan de waterkering-beheerder. Artikel 2.32 Reserveringszones voor versterking primaire waterkeringen binnen aaneengesloten bebouwd gebied 1 In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een reserveringszone voor versterking van een primaire waterkering binnen aaneengesloten bebouwd gebied , zoals aangegeven in Bijlage 3.3 op de kaart Reserveringszones primaire waterkeringen, wordt de geometrische begrenzing van de reserveringszone vastgelegd. 2 In een omgevingsplan dat betrekking heeft op de gronden binnen deze reserveringszone, mogen nieuwbouw en uitbreiding van bestaande bebouwing worden toegestaan, mits dit geen onomkeerbare belemmering oplevert voor versterking van de waterkering en hierover advies is gevraagd aan de waterkering-beheerder. Artikel 2.33 Buitendijks bouwen In een omgevingsplan dat betrekking heeft op buitendijks gebied in het IJsselmeer, of in de bestaande havenkom van Harlingen zoals aangegeven in Bijlage 2.2 op de kaart Buitendijkse gebieden, worden geen bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen voor nieuwe recreatieve voorzieningen, nieuwe stedelijke functies of nieuwe bedrijven. Artikel 2.34 Afwijkingsmogelijkheden 1 In een omgevingsplan kunnen in afwijking van artikel 2.33 bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor: a. een jachthaven, watergebonden bedrijven, kleinschalige voorzieningen voor strand- en waterrecreatie, en vergelijkbare watergebonden functies; b. nieuwe functies waaronder woningbouw, op een bestaande bedrijven-, woon-, of recreatielocatie, die wordt geherstructureerd of getransformeerd. 2 De in het eerste lid genoemde functies kunnen worden opgenomen, mits: a. de mogelijkheden worden afgewogen ten opzichte van het risico op calamiteiten bij overstroming, waarbij de risico’s worden beperkt door water-robuust te bouwen en rekening wordt gehouden met toekomstige stijging van het waterpeil, en b. versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd, en c. er geen beperkingen optreden voor de beroepsscheepvaart, en d. de mogelijkheden geen afbreuk doen aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten en de natuurlijke waarden van de omgeving, en e. advies is gevraagd aan de waterkering-beheerder en voor zover nodig de vaarwegbeheerder. Artikel 2.35 Kustfundament Waddeneilanden 1 Voor de herbouw en verbouw of uitbreiding van bebouwing in het kustfundament, als bedoeld in artikel 5.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan de geometrische begrenzing is aangegeven bij ministeriële regeling, geldt dat bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan, dat voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening onherroepelijk is, mogen worden benut, waarbij een uitbreiding van het bestaande grondoppervlak met ten hoogste tien procent in ieder geval is toegestaan. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen in een omgevingsplan voor gronden die in het kustfundament liggen, nieuwe en uitbreiding van bestaande bebouwing met meer dan tien procent worden toegestaan, mits in het omgevingsplan is verantwoord dat hierdoor geen belemmering ontstaat voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament, hierover advies is gevraagd aan de waterkering-beheerder en de overige bepalingen van deze verordening voor het oprichten van bebouwing in acht worden genomen. Afdeling 2.10 Werelderfgoederen Artikel 2.36 Beschermen werelderfgoederen 1 Binnen de begrenzing van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde Koloniën van Weldadigheid worden in het omgevingsplan regels opgenomen gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde. 2 De begrenzing van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde Koloniën van Weldadigheid is aangeduid in de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 7.3, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3 De kernkwaliteiten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde Koloniën van Weldadigheid zijn aangeduid en nader uitgewerkt in Bijlage 2.3 bij deze verordening. Afdeling 2.11 Natuurgebieden natuurnetwerk Nederland Artikel 2.37 Natuurnetwerk Nederland Gebieden die het Natuurnetwerk Nederland vormen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage 2.4 op de kaart natuurnetwerk Nederland. Artikel 2.38 Wezenlijke kenmerken en waarden 1 De wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden aangewezen als natuurnetwerk Nederland worden omschreven in het Natuurbeheerplan, dat gedeputeerde staten jaarlijks vaststellen. 2 Voor zover gebieden aangewezen als natuurnetwerk Nederland ook Natura 2000-gebieden betreffen, zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden eveneens omschreven in de aanwijzingsbesluiten van deze Natura 2000-gebieden. Artikel 2.39 Basisbescherming natuurnetwerk Nederland 1 Regels in een omgevingsplan of projectbesluit zijn gericht op de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die onderdeel vormen van het Natuurnetwerk Nederland. 2 Een omgevingsplan of projectbesluit als bedoeld in het eerste lid maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. 3 Een omgevingsplan of projectbesluit voor gronden gelegen nabij het Natuurnetwerk Nederland maakt geen nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit of de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Artikel 2.40 Voortzetting bestaand gebruik In afwijking van het bepaalde in artikel 2.39, eerste lid is voortzetting van bestaand gebruik met de bijbehorende toedeling van functies mogelijk, voor zover gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland nog niet zijn verworven, of nog niet zijn ingericht en worden beheerd voor natuurontwikkeling. Artikel 2.41 Toedeling functie natuur en bos in omgevingsplan De gemeente deelt aan gronden die onderdeel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland in een omgevingsplan de functie van natuur of bos toe, op het moment dat: a. de eigenaren van de desbetreffende gronden daarom verzoeken, of b. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie. Artikel 2.42 Nieuwe activiteiten en ontwikkelingen in geval van openbaar belang In afwijking van het bepaalde in artikel 2.39, tweede lid kan een omgevingsplan of projectbesluit nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken op gronden die onderdeel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland, wanneer: a. sprake is van een openbaar belang waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn, en b. schade door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt als fysiek-ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is, en c. de gevolgen van de activiteit of ontwikkeling zodanig worden gecompenseerd, dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit, oppervlakte of samenhang in het natuurnetwerk Nederland. Artikel 2.43 Nieuwe activiteiten en ontwikkelingen op gronden nabij NNN In afwijking van het bepaalde in artikel 2.39, derde lid kan een omgevingsplan of projectbesluit nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken op gronden die zijn gelegen nabij het Natuurnetwerk Nederland, mits: a. er geen reële alternatieven zijn, en b. schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als fysiek-ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is, en c. resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. Artikel 2.44 Voorkeursvolgorde bij compensatie 1 In geval van compensatie als bedoeld in artikel 2.42, onder c en artikel 2.43, onder c, wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: a. inrichting en toedeling van functie van vervangend areaal voor de ontwikkeling van natuurwaarden aansluitend op of nabij het gebied waar de beoogde ontwikkeling plaatsvindt; b. ontwikkeling van gelijkwaardige natuurwaarden in bestaand natuurgebied, of inrichting en toedeling van functie van vervangend areaal voor de ontwikkeling van natuurwaarden op afstand van het gebied waar de beoogde ontwikkeling plaatsvindt, met behoud van voldoende samenhang in het natuurnetwerk Nederland; c. storting van een financiële bijdrage in een compensatiefonds, die voldoende hoog is om het netto verlies te compenseren door ontwikkeling van natuurwaarden. 2 In geval van compensatie als bedoeld in het eerste lid, onder a en b: a. wordt bij het plan of projectbesluit een verantwoording opgenomen over de aard, omvang en het tijdvak van realisatie van de mitigerende en compenserende maatregelen en de begrenzing van het compensatiegebied, en b. wordt de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daarvoor benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt, feitelijk en planologisch gewaarborgd. Artikel 2.45 Eén op één begrensde beheergebieden binnen NNN Gebieden die het één op één begrensde beheergebieden binnen natuurnetwerk Nederland vormen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart natuurnetwerk Nederland in Bijlage 2.
- Artikel 2.46 Beschermingsregels eén op één begrensde beheergebieden Voor de gebieden als bedoeld in artikel 2.45 geldt dat in een omgevingsplan of projectbesluit: a. wordt voorzien in een toedeling van functies met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, met inbegrip van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij normaal agrarisch gebruik en daarbij behorende bebouwing, waaronder begrepen nevenactiviteiten zoals bedoeld in artikel 2.22, mogelijk zijn. b. een eventuele onvermijdelijke ruimtelijke ingreep wordt afgewogen ten opzichte van de wezenlijke kenmerken en waarden, waarbij de mogelijkheden voor mitigatie en vervolgens compensatie van natuurwaarden en herbegrenzing van beheergebieden worden betrokken. Afdeling 2.12 Natuurgebied buiten natuurnetwerk Nederland Artikel 2.47 Geometrische begrenzing Als natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland zijn aangewezen de gebieden waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart natuurnetwerk Nederland in Bijlage 2.
- Artikel 2.48 Beschermingsregime Regels in een omgevingsplan of projectbesluit voor gronden die deel uitmaken van een natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland, zoals bedoeld in artikel 2.47 zijn gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. Artikel 2.49 Normaal agrarisch gebruik In natuurgebieden buiten het natuurnetwerk Nederland is normaal agrarisch gebruik en daarbij behorende bebouwing, waaronder begrepen nevenactiviteiten zoals bedoeld in artikel 2.22, mogelijk. Artikel 2.50 Ontwikkelingen in natuur buiten NNN In afwijking van artikel 2.48 kan een ontwikkeling in een natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland worden toegestaan, wanneer: a. sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, en b. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, en c. de mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken of te compenseren zoveel mogelijk worden benut. Afdeling 2.13 Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels Artikel 2.51 Geometrische begrenzing Als weidevogelkansgebied of weidevogelparels zijn aangewezen de gebieden waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels in Bijlage 2.
- Artikel 2.52 Beschermingsregime Een omgevingsplan of projectbesluit voor gronden die gelegen zijn in of op korte afstand van de gebieden als bedoeld in artikel 2.51, bevat regels waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, waarbij de agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Artikel 2.53 Afwijken in geval van noodzakelijke ruimtelijke ingrepen van openbaar belang Van de regels in artikel 2.52 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, en b. de mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken worden zo veel mogelijk benut, en c. wanneer sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan een halve hectare, dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 2.52, wordt dit door het bevoegd gezag financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Artikel 2.54 Compensatiebedrag 1 Het areaalverlies als bedoeld in artikel 2.53 lid c van het gebied dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is wordt berekend in hectares en ares. 2 Het compensatiebedrag voor het areaalverlies van de weidevogels bestaat uit twaalf jaarvergoedingen van het pakket tarief compensatiebedrag. HOOFDSTUK 3 Water Afdeling 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Toedeling watersysteembeheer Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem, zoals omschreven in artikel vier van het reglement voor het betreffende waterschap. Afdeling 3.2 Regionale Waterkeringen Artikel 3.2 Aanwijzing regionale waterkeringen 1 Als Regionale Waterkeringen zijn aangewezen Polderdijken, waterkerende gronden en Voormalige zeedijken, waarvan de ligging is vastgelegd op de kaart Regionale Waterkeringen in Bijlage 3.
- 2 De geometrische begrenzingen zijn nader bepaald in de legger bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet. Artikel 3.3 Omgevingswaarden regionale waterkeringen 1 De als regionale waterkeringen aangewezen polderdijken en waterkerende gronden dienen te voldoen aan de Veiligheidsnorm 1 op 100 Regionale Waterkeringen, uitgedrukt in de kans op het voorkomen van een hydraulische belasting die de waterkering minimaal moet kunnen keren, zoals vermeld op de kaart Regionale Waterkeringen in Bijlage 3.
- 2 Voor de Voormalige zeedijken is de omgevingswaarde dat deze dijken, uitgezonderd zettingen en bodemdaling, behouden blijven in de Toestand 2014 AHN, zoals aangegeven op de Algemene Hoogtekaart Nederland. 3 Aan de Veiligheidsnorm 1 op 300 Regionale Waterkeringen zoals bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk voldaan met ingang van 31 december
- 4 De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zoals bedoeld in het eerste lid, zijn resultaatsverplichtingen. 5 De omgevingswaarden worden ook in acht genomen in het waterbeheerprogramma. Artikel 3.4 Programmaplicht in geval van dreigende overschrijding of overschrijding van de omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen Het algemeen bestuur van het waterschap stelt een programma op bij dreigende overschrijding of overschrijding van de omgevingswaarden bedoeld in artikel 3.3 eerste lid. Artikel 3.5 Monitoring en beoordeling van de veiligheid 1 De beoordeling van de veiligheid van de Polderdijken die zijn aangemerkt als regionale waterkering, wordt uitgevoerd door een jaarlijkse visuele inspectie en een door de beheerder te verrichten zes-jaarlijkse veiligheidsbeoordeling. 2 Gedeputeerde staten stellen, na overleg met de beheerder en voor aanvang van de zes-jaarlijkse veiligheidsbeoordeling, een voorschrift vast voor de veiligheidsbeoordeling van Regionale Waterkeringen. Het voorschrift bevat minimaal de ontwerp-waterstanden, een omschrijving van de wijze waarop de veiligheid moet worden beoordeeld, en de periode voor uitvoering van de toetsing. 3 De beoordeling van de veiligheid van de Voormalige zeedijken, die zijn aangewezen als regionale waterkering, wordt door de beheerder uitgevoerd door een jaarlijkse visuele inspectie. Artikel 3.6 Monitoring en verslag beoordeling veiligheid 1 Het waterschap brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarde bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, iedere zes jaren verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. 2 Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarde, de technische leidraad en de voorschriften bedoeld in artikel 3.3 en de legger bedoeld in artikel 2.39 van de wet. Afdeling 3.3 Waterkwantiteit Artikel 3.7 Kans op overstroming vanuit regionale wateren 1 Voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, gelden de omgevingswaarden als bedoeld in artikel 3.
- 2 De omgevingswaarden bedoeld in artikel 3.9 gelden voor de gebieden die zijn aangewezen op de kaart Omgevingswaarden regionale wateroverlast in Bijlage 3.
- 3 De omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen. 4 Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 31 december
- Artikel 3.8 Instructieregel waterschap 1 Het waterschap werkt voornoemde omgevingswaarden uit op de gebiedsnormenkaarten 2 De omgevingswaarden worden in acht genomen in het waterbeheerprogramma. 3 Buiten de primaire en regionale kering wordt geen omgevingswaarde vastgelegd. Artikel 3.9 Omgevingswaarden voor kans op overstroming vanuit regionale wateren Onderstaande omgevingswaarden gelden voor de kans op overstroming vanuit regionale wateren: a. voor Overstromingskans grasland eens in de 10 jaar, waarbij vijf procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. voor Overstromingskans overige landbouw, inclusief hoogwaardige akkerbouw, eens in de 50 jaar, waarbij één procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. voor Overstromingskans bebouwd gebied eens in de 100 jaar, waarbij nul procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. Artikel 3.10 Inspanningsverplichting omgevingswaarde 1 De omgevingswaarden voor kans op overstroming vanuit regionale wateren zoals bedoeld in artikel 3.9, zijn inspanningsverplichtingen. 2 Met de omgevingswaarden wordt rekening gehouden in het waterbeheerprogramma. Artikel 3.11 Programmaplicht in geval van dreigende overschrijding van de omgevingswaarden kans op overstroming vanuit regionale wateren Het algemeen bestuur van het waterschap stelt een programma op bij dreigende overschrijding of overschrijding van de omgevingswaarden bedoeld in artikel 3.
- Artikel 3.12 Monitoring omgevingswaarden kans op overstroming vanuit regionale wateren 1 Monitoring van de omgevingswaarde kans op overstroming vanuit regionale wateren, bedoeld in artikel 3.9 vindt plaats door te beoordelen of de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht voldoen aan de waarde die voor dat gebied is gesteld. 2 Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring van de omgevingswaarde kans op overstroming vanuit regionale wateren. Artikel 3.13 Verslag kans op overstroming vanuit regionale wateren 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt periodiek een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van regionale wateren die onder zijn beheer vallen. 2 Het verslag bevat een beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in het kader van de omgevingswaarden kans op overstroming vanuit regionale wateren en een beoordeling van de mate waarin aan deze omgevingswaarde is voldaan. Artikel 3.14 Regionale verdringingsreeks 1 In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, sub c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. het gebruik van industrieel proceswater; b. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen. 2 In het geval van onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. peilhandhaving; b. doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw; c. beregening van gras of maïs; d. doorspoelen; e. overige belangen. Afdeling 3.4 Waterbeheerprogramma Artikel 3.15 Inhoud waterbeheerprogramma 1 Het waterbeheerprogramma bevat, naast het bepaalde in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste: a. de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; b. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering voor de realisering van de gestelde doelen; d. een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen, of heffingen in de planperiode; e. het gewenste grondwater- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies; f. één of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven. 2 Het waterbeheerprogramma is voorzien van een toelichting, waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid, onder c, genoemde maatregelen. Artikel 3.16 Voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma Het waterschap rapporteert ten minste één maal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma met inbegrip van de eventuele uitwerkingsplannen, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt en de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. Afdeling 3.5 Aanleg en beheer van waterstaatswerken Artikel 3.17 Legger 1 De legger bevat naast het in artikel 2.39, eerste lid van de wet bepaalde in ieder geval: a. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de werken genoemd in de wet; b. een aanduiding van de exacte reserveringszones die nodig zijn voor de toekomstige versterking van de primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart Reserveringszones primaire waterkeringen in Bijlage 3.3 c. ten aanzien van lijst C, Bijlage 3.4 behorende bij deze verordening: de ligging, het vaarwegprofiel, gecombineerd met het hydrologische en ecologische profiel en de vaarwegklasse E, of F. 2 Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht met betrekking tot vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen. Afdeling 3.6 Peilbesluiten Artikel 3.18 Aanwijzing verplichte peilbesluiten Het waterschap stelt één of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer. De verplichting tot het vaststellen van peilbesluiten geldt niet voor de vrij afstromende gebieden zonder wateraanvoer. Artikel 3.19 Inhoud peilbesluit Een peilbesluit als bedoeld in artikel 3.18 gaat vergezeld van een kaart met de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft en van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen; d. een omschrijving van hoe de waterstanden zich verhouden tot de voor het gebied vastgestelde gewenste peilbeheer. Afdeling 3.7 Grondwater Artikel 3.20 Uitzondering vergunningplicht Een vergunning voor een open bodemenergiesysteem is niet vereist voor systemen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur. Artikel 3.21 Registratieplicht 1 Degene die water onttrekt aan of infiltreert in een grondwaterlichaam voor de openbare drinkwatervoorziening, van een bodemenergiesysteem of van industriële toepassingen in onttrokken hoeveelheden van meer dan 150.000 m³ per jaar is verplicht: a. de omvang en de periode van de onttrekking op te geven aan gedeputeerde staten; b. de hoeveelheden water die worden onttrokken te meten en daarvan aantekening te houden; c. ieder jaar in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen een maand na die beëindiging aan gedeputeerde staten opgave te verstrekken van de in het voorafgaande respectievelijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water; d. bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande respectievelijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave bedoeld onder a verstrekte gegevens. 2 Degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam is verplicht de kwaliteit van het te infiltreren water bedoeld in het eerste lid te meten, te registreren en daarvan aan gedeputeerde staten opgave te doen. Artikel 3.22 Grondwaterregister 1 Gedeputeerde staten houden een register bij waarin installaties worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 3.21 worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen op grond waarvan de onttrekking of de infiltratie plaatsvindt. 2 Het waterschap houdt een register van onttrekkingen en infiltraties bij waarin in ieder geval de door haar verleende vergunningen en meldingen en de feitelijk onttrokken of geïnfiltreerde hoeveelheden per jaar per vergunninghouder worden opgenomen. 3 Het waterschap verstrekt de op grond van het tweede lid geregistreerde gegevens aan gedeputeerde staten die deze in het provinciale register opnemen. Artikel 3.23 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister 1 Gedeputeerde staten kunnen een installatie die niet op grond van artikel 3.21 aan hen is gemeld, ambtshalve in het register inschrijven. 2 Bij toepassing van het eerste lid wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Afdeling 3.8 Zwemwater Artikel 3.24 Toepassingsbereik De regels in deze paragraaf gaan over zwemlocaties die op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving door gedeputeerde staten zijn aangewezen en zijn weergegeven op de kaart Zwemlocaties in Bijlage 3.
- Artikel 3.25 Doel van de regeling De regels zijn gesteld met het oog op de veiligheid en gezondheid van gebruikers van zwemlocaties en zijn meer specifiek gericht op: a. het behoud en de verbetering van de zwemwaterkwaliteit; b. het behoud en de verbetering van de veiligheid en hygiëne, en c. het voorkomen van verdrinking en letsel van gebruikers op en in de directe omgeving van een zwemlocatie. Artikel 3.26 Specifieke zorgplicht 1 De houder van een zwemlocatie die gedurende het badseizoen gelegenheid biedt tot zwemmen of baden op een daartoe door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.24, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 3.25 is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van de houder van de zwemlocatie kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. de veiligheid en de hygiëne van gebruikers van de zwemlocatie wordt gewaarborgd, en b. alle adequate maatregelen worden genomen om verdrinking en verwonding van of letsel bij gebruikers van de zwemlocatie te voorkomen, en c. alle passende maatregelen worden genomen om:
- in zijn algemeenheid verslechtering of achteruitgang van de zwemwaterkwaliteit te voorkomen;
- ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, te voorkomen. Artikel 3.27 Verplichtingen houder zwemlocatie De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor adequaat beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid en hygiëne van gebruikers. Artikel 3.28 Voldoende toezicht op veiligheid gebruikers De houder van een zwemlocatie waarvan de toegang afgesloten kan worden voor gebruikers en die entree heft aan de gebruikers van de zwemlocatie, houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de gebruikers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek. Artikel 3.29 Onderzoek De houder van een zwemlocatie voert dagelijks, of zo frequent als mogelijk, onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van bezoekers. Artikel 3.30 Meldplicht De houder van een zwemlocatie meldt onverwachte situaties met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van gebruikers van de zwemlocatie, zo snel mogelijk aan gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.31 Maatregelen 1 De houder van een zwemlocatie treft op basis van het zwemwaterprofiel de maatregelen ter verbetering en behoud van de zwemwaterkwaliteit die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend. 2 De houder van een zwemlocatie neemt maatregelen om de zwemwaterkwaliteitsklasse van de zwemlocatie op ten minste klasse aanvaardbaar te houden, als bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.32 Zwemwaterbeheersmaatregelen 1 De houder van een zwemlocatie treft passende zwemwaterbeheersmaatregelen als: a. uit het jaarlijkse onderzoek naar de veiligheid als bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoen aan de eisen; b. door monitoring van de beheerder van het oppervlaktewater of door inspectie van de omgevingsdienst wordt vastgesteld dat op de zwemlocatie sprake is van zwemwaterverontreinigingen door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval. 2 Het eerste lid is van toepassing vanaf het moment dat de houder van een zwemlocatie door gedeputeerde staten in kennis is gesteld over de resultaten van de monitoring of de inspectie. Artikel 3.33 Informatieplicht 1 De houder van een zwemlocatie informeert gebruikers van de zwemlocatie: a. waar de grens ligt tussen het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden, en het overige water, en b. waar zich mogelijk gevaren voordoen voor zwemmers en baders binnen het deel van het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden. 2 De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor een afbakening van de zwemzone, zodat bezoekers in deze zone niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen. Artikel 3.34 Overige verplichtingen 1 De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat de stranden langs het zwemwater schoon en egaal zijn. 2 De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat het talud van het zwemwater een helling heeft van maximaal twintig procent tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter. Artikel 3.35 Springvoorzieningen 1 De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat er alleen springvoorzieningen zijn waar het zwemwater dieper is dan 1,40 meter. 2 Een springvoorziening bestaat uit startblokken als het zwemwater een diepte heeft tussen 1,40 en 2,00 meter. 3 Een springvoorziening is aan de zijkanten van leuningen voorzien als het loopvlak zich op een hoogte van meer dan één meter boven de waterspiegel bevindt. De leuningen lopen door tot ten minste een halve meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van de waterspiegel bevindt. Artikel 3.36 Adequate maatregelen vanwege risico’s veiligheid en gezondheid De houder van een zwemlocatie treft adequate maatregelen ter voorkoming van risico’s voor de veiligheid en gezondheid van gebruikers als gevolg van het gebruik van voorzieningen of vanwege obstakels op de zwemlocatie. Artikel 3.37 Toiletvoorzieningen 1 De houder van een zwemlocatie maakt toiletbezoek van gebruikers van de zwemlocatie mogelijk, als er regelmatig meer dan 25 gebruikers zijn. In dat geval zorgt de houder van de zwemlocatie ervoor dat er minimaal één toilet per 15 gebruikers aanwezig is. 2 De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat een op een zwemlocatie aanwezige sanitaire voorziening schoon, werkend en goed onderhouden is. 3 De houder van een zwemlocatie zorgt er voor dat gebruikers: a. zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels van de aanwezige sanitaire voorzieningen; en b. niet in of op de aanwezige sanitaire voorzieningen kunnen uitglijden. HOOFDSTUK 4 Milieu Bodem en Ontgrondingen Afdeling 4.1 Ontgrondingsactiviteiten Artikel 4.1 Uitzonderingen op verbod ontgrondingsactiviteit zonder omgevingsvergunning uit te voeren In afwijking van het bepaalde in artikel 16.7 ander a, h en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor zover het gaat om het ontgronden voor: a. Een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of daarmee vergelijkbare voorziening, mits:
- grondlagen dieper dan 2 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
- niet meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven, en
- deze voorziening niet in verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam. b. Een kleine insteekhaven of kleine trailerhelling, mits:
- grondlagen dieper dan dan 2 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en indien de ontgronding in de waterbodem plaatsvindt, grondlagen dieper dan 2 meter beneden het oppervlaktewaterpeil ongemoeid blijven, en
- een oppervlakte van niet meer dan 40 m2 wordt ontgraven. c. Het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit, mits:
- de locatie van de ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning, en
- grondlagen dieper dan dan 2 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en
- niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven. d. Het aanleggen, onderhouden of veranderen van een oppervlaktewaterlichaam door een ander dan namens de waterbeheerder, mits
- grondlagen dieper dan 2 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en
- het oppervlaktewaterlichaam een boven-breedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil. e. Een wadi, zijnde een verlaging bedoeld voor het tijdelijk opvangen en afvoeren van regenwater, mits:
- grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijk maaiveld ongemoeid blijven, en
- niet meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven. f. Van de aanvang van ontgrondingsactiviteiten waarvoor op grond van het bepaalde in artikel 4.1, a tot en met e, geen vergunning ingevolge deze verordening is vereist, wordt veertien dagen van tevoren schriftelijk melding gemaakt aan gedeputeerde staten. g. Bij de in f. bedoelde melding worden de volgende gegevens verstrekt:
- de locatie van de ontgronding;
- de hoeveelheid vrijgekomen materiaal;
- de kwaliteit van het vrijkomende materiaal;
- de bestemming van het vrijkomende materiaal. h. De in f. bedoelde meldplicht geldt niet voor ontgrondingen, waarbij niet meer dan 3.000 m3 bodemmateriaal wordt afgegraven. Artikel 4.2 Beoordelingsregels ontgrondingsactiviteit 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het beleid zoals vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie De Romte Diele en de daarop gebaseerde provinciale omgevingsprogramma’s. 2 De omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit wordt in ieder geval geweigerd indien: a. niet aannemelijk is dat de ontgronding, zowel tijdens de uitvoering als daarna, veilig en stabiel is; b. onvoldoende verzekerd is dat het gebied na afloop van het ontgronden goed ingericht en beheerd zal worden; c. de inrichting van de locatie niet aansluit bij de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld of een functie die mogelijk wordt gemaakt door een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 3 Bij de beoordeling van de aanvraag worden in ieder geval de gevolgen betrokken van de ontgronding voor: a. ecologie; b. waterhuishouding; c. archeologie; d. hydrologie, en e. milieuaspecten. 4 Indien voor een samenstel van activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit is vereist, ook een omgevingsvergunning voor een andere activiteit is vereist, maken de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor die andere activiteit geen deel uit van de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit. Afdeling 4.2 Bodemsanering Artikel 4.3 Meldingen Artikel 4.4 Melden feitelijke aanvang 1 Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2 Wanneer de grondsanering respectievelijk grondwatersanering niet zal worden gestart op de volgens het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de volgens dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt degene die de sanering feitelijk uitvoert dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Wanneer de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt degene die de sanering feitelijk uitvoert de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten. 3 Wanneer zich bij de uitvoering van de sanering feiten of omstandigheden voordoen als gevolg waarvan afgeweken moet worden van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, stelt degene die de sanering feitelijk uitvoert gedeputeerde staten hiervan onmiddellijk op de hoogte. 4 Wanneer bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt degene die de sanering feitelijk uitvoert uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de eindbreedte en de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan, gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeelten, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 5 Wanneer genoemde eindbreedte en einddiepte binnen vijf dagen na de start van de sanering worden bereikt, dient hiervan schriftelijk melding te worden gedaan bij de melding bedoeld in het eerste lid. 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder sanering ook begrepen de te verrichten handelingen ten gevolge waarvan de verontreiniging wordt verminderd of verplaatst als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming. Artikel 4.5 Wijziging melding artikel 28, eerste lid, Wet bodembescherming Artikel 4.6 Eisen evaluatieverslag Degene die de bodem heeft gesaneerd, of handelingen heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, biedt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. Artikel 4.7 Formulier evaluatieverslag Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming gaat het evaluatieverslag vergezeld van een volledig ingevuld en ondertekend formulier als bedoeld in Bijlage 4.2 van deze verordening. Artikel 4.8 Eisen nazorgplan Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de gegevens vermeld als gevraagd in het door gedeputeerde staten vastgestelde formulier als bedoeld in Bijlage 4.2 van deze verordening. Afdeling 4.3 Activiteiten in de verzadigde zone van de bodem Paragraaf 4.3.1 Algemeen Artikel 4.9 Activiteiten Deze afdeling gaat over milieubelastende activiteiten in de verzadigde zone van de bodem die zijn aangewezen in paragraaf 4.3.
- Artikel 4.10 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen tegen milieuverontreiniging; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige invloeden daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. het beschermen van de maatschappelijke functies van watersystemen. Artikel 4.11 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.12 Specifieke zorgplicht 1 Degene die een milieubelastende activiteit, als bedoeld in artikel 4.9, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.10, is verplicht: a. alle maatregelen treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passe