← Nederland

Omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden (Vijfheerenlanden)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Vijfheerenlanden stelt regels vast voor de fysieke leefomgeving, met als doel een evenwichtige indeling van functies, het waarborgen van veiligheid en het beschermen van cultureel erfgoed en een gezonde leefomgeving. Het bevat algemene bepalingen, doelen en specifieke regels voor activiteiten en het gebruik van gronden en bouwwerken.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696537 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1961/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2024-12-11 2024-12-11 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696537/nld@2025-02-01 /join/id/proc

Afdeling 3

.2 Aanwijzingen in verband met de toepassing van regels in dit omgevingsplan Paragraaf 3.2.

Artikel 3

.1 Toepassingsbereik In deze afdeling worden locaties, gebieden of objecten aangewezen, voor zover die aanwijzing nodig is om toepassing te kunnen geven aan regels elders in dit omgevingsplan. Paragraaf 3.2.2 Thema's SubParagraaf 3.2.2.1 Cultureel erfgoed Artikel 3.2 (aanwijzing beeldbepalend pand) Er zijn beeldbepalende panden. Dit zijn de panden gelegen in het gebied Aanwijzing - beeldbepalende panden. Artikel 3.3 (aanwijzing gemeentelijk monument) Er zijn gemeentelijke monumenten of archeologische monumenten die van bijzonder belang zijn voor de gemeente vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Deze monumenten zijn gelegen in het gebied Aanwijzing - gemeentelijke monumenten. Artikel 3.4 (aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht) SubParagraaf 3.2.2.2 Begraafplaatsen Artikel 3.5 (aanwijzing begraafplaatsen) Er zijn begraafplaatsen. Dit zijn de locaties gelegen in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen. Afdeling 3.3 Aanwijzingen uitsluitend in verband met de toepassing van andere regels dan dit omgevingsplan Hoofdstuk 4 ACTIVITEITEN Afdeling 4.

Artikel 4

.1 (voorrangsbepaling) De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 gelden niet voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Artikel 4.2 (intrekken van een omgevingsvergunning) Een omgevingsvergunning die is verleend op grond van dit hoofdstuk kan worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Afdeling 4.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Paragraaf 4.2.

Artikel 4

.3 (richtingaanwijzer) Bij het gebruiken van de fysieke leefomgeving wordt voldaan aan deze paragraaf (4.2.

) en aan de volgende regels, voor zover die op de desbetreffende locatie van toepassing zijn: a. Paragraaf 4.2.2 Algemene regels over het gebruiken van gronden; b. Paragraaf 4.2.3 Algemene regels over het gebruiken van bouwwerken; c. paragraaf 4.2.4 Specifieke regels over functies; d. paragraaf 4.2.5 Verboden gebruiksactiviteiten; e. paragraaf 4.2.6 Meldingsplichtige gebruiksactiviteiten; f. Paragraaf 4.2.7 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten. Artikel 4.4 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over het gebruiken van de fysieke leefomgeving, waaronder het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 4.5 (verboden gebruiksactiviteiten) Het is verboden de fysieke leefomgeving te gebruiken anders dan in overeenstemming met deze afdeling. Dit verbod geldt niet voor zover gebruiksactiviteiten op een locatie zijn toegelaten op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Paragraaf 4.2.2 Algemene regels over het gebruiken van gronden Paragraaf 4.2.3 Algemene regels over het gebruiken van bouwwerken Paragraaf 4.2.4 Specifieke regels over functies Artikel 4.6 (begraafplaats)

  1. [gereserveerd]
  2. Voor een eigen urnennis op een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen gelden de volgende voorwaarden: a. in een urnennis mogen sierurnen worden geplaatst; b. bloemen worden alleen in de daarvoor bestemde vaasjes geplaatst, voor of in de buurt van de muur; c. een urnennis mag worden afgesloten met een afdekplaat voor zover hiervoor een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 4.
  3. Voor overige grafbedekking in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen gelden de volgende voorwaarden: a. op een voor het graf beschikbare ruimte mogen potplanten en bloemen in vazen worden geplaatst; het is toegestaan op een graf losse bloemen te leggen; b. potten, vazen of andere voorwerpen die buiten de voor het graf beschikbare oppervlakte zijn geplaatst, kunnen van gemeentewege verwijderd worden zonder dat de gemeente enige vergoeding verplicht is; c. verwelkte bloemen of kransen en kapotte voorwerpen kunnen zonder voorafgaande kennisgeving door de beheerder worden verwijderd, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is; d. alle sporen van afval, ontstaan ten gevolge van werkzaamheden op of aan de grafbedekking, moeten van de begraafplaats meegenomen worden; e. urnen die op een graf worden geplaatst moeten nagelvast vastgezet worden; f. de afmetingen van de urn voldoen aan de afmetingen opgenomen in de tabel afmetingen gedenktekens die is opgenomen als bijlage III; g. het aanbrengen van kettingen en hekwerken is niet toegestaan.
  4. Voor beplanting op een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen gelden de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van een particulier of algemeen graf mag door de rechthebbende of de gebruiker van het graf worden beplant met gewassen die de voor het graf beschikbare oppervlakte niet overschrijden of die door snoeien binnen de oppervlakte kunnen worden gehouden; b. de hoogte van deze gewassen overschrijdt de voor het gedenkteken toegestane hoogte op het graf niet; c. gewassen buiten de onder a beschreven ruimte worden van gemeentewege verwijderd zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. Dit geldt ook voor afgestorven beplanting. Paragraaf 4.2.5 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 4.7 (verboden gebruik begraafplaats)
  5. Het is verboden op een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen: a. verwelkte bloemen, papier en andere afvalstoffen anders dan op de daarvoor bestemde plaatsen te deponeren; b. gereedschappen, kledingstukken of andere niet tot graven behorende voorwerpen neer te leggen of te doen verblijven op of nabij de graven, de gedenktekens of de beplanting; c. dieren te begraven of bij te zetten.
  6. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b geldt niet voor hen die belast zijn met het onderhoud van de begraafplaatsen c.q. het plaatsen, onderhouden of verwijderen van gedenktekens gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het verrichten van werkzaamheden. Artikel 4.8 (verboden gebruik van de weg)
  7. Het is verboden op de weg: a. meer dan één voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen; b. een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan 3 achtereenvolgende dagen te parkeren; c. een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren; d. een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
  8. Het eerste lid, aanhef en onder d geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 4.9 (hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp) Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 4.10 (betreden plantsoenen) Het is verboden bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden te betreden als daardoor de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel 4.11 (rijden over bermen en dergelijke)
  9. Het is verboden met voertuigen te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist ter voorkoming van gevaarzetting.
  10. Het eerste lid geldt niet in situaties waarin wordt voorzien door artikel 2.40, eerste lid jo. artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Omgevingswet (beperkingengebiedactiviteit) of afdeling 4.2 van de provinciale omgevingsverordening. Artikel 4.12 (verontreiniging door honden of paarden)
  11. In het gebied Gebruik - verontreiniging honden en paarden - verboden is het degene die zich met een hond of paard op een openbare plaats begeeft verboden de uitwerpselen van die hond of van dat paard niet onmiddellijk te verwijderen.
  12. Het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of houder, van een geleidehond of sociale hulphond, die vanwege zijn beperking niet in staat is om aan de opruimplicht te voldoen.
  13. De eigenaar of houder als bedoeld in het eerste lid is verplicht op openbare plaatsen een deugdelijk opruimmiddel bij zich te hebben, dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen van de hond of het paard.
  14. De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht dit opruimmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudende ambtenaar. Artikel 4.13 (oplaten ballonnen)
  15. Het is verboden een ballon op te laten in de open lucht.
  16. Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. een luchtvaartuig als bedoeld in de Wet luchtvaart; b. een ballon waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald; en c. een ballon die noodzakelijk is voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen. Artikel 4.14 (gebruik plastic confetti en serpentines) Het is verboden confetti en serpentine, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, te gebruiken en/of te verspreiden in de open lucht. Artikel 4.15 (reclamevoertuigen) Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame (een reclamevoertuig) te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Artikel 4.16 (standplaatsen) Het verboden als rechthebbende op een perceel toe te staan dat daarop een standplaats wordt of is ingenomen zonder vergunning als bedoeld in Artikel 4.
  17. Artikel 4.17 (crosswedstrijden) Het is verboden: a. met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd te houden of b. met een motorvoertuig of een bromfiets een trainings- of proefrit te houden ter voorbereiding van een wedstrijd, c. deel te nemen aan een activiteit als bedoeld onder a of b; d. een motorvoertuig of een bromfiets aanwezig te hebben met het kennelijke doel om deel te nemen aan een activiteit als bedoeld onder a of b. Paragraaf 4.2.6 Meldingsplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 4.18 (meldplicht betreden plantsoenen en dergelijke)
  18. Het is verboden bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden te betreden zonder dit voor het begin ervan te melden aan het college van burgemeester en wethouders.
  19. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die verboden zijn op grond van Artikel 4.
  20. Paragraaf 4.2.7 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten SubParagraaf 4.2.7.1 Algemeen Artikel 4.19 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – voorwerp op in of boven openbaar water)
  21. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.
  22. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  23. Een vergunning als bedoeld in het eerste wordt geweigerd als: a. een voorwerp op een locatie niet is toegelaten op grond van het bestemmingsplan dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; b. een voorwerp door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water; of c. het gaat om een voorwerp waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Artikel 4.20 binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – reclame)
  24. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een onroerende zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van reclame waaronder inbegrepen handelsreclame, met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, verlicht of aangelicht, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.
  25. Het eerste lid geldt niet voor zover: a. de reclame-uitingen op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst zijn toegelaten; b. het opschriften, aankondigingen en afbeeldingen betreft in het inpandige gedeelte op de begane grond van een onroerende zaak waarbij geldt dat per raam/venster maximaal 1/3 deel van het vensteroppervlak (aan de binnenzijde of buitenzijde) mag worden benut voor handelsreclame; c. het opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies betreft die zijn aangewezen door de overheid; d. het opschriften en aankondigingen betreft betrekking hebbend op:
  26. openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; of
  27. het beroep, de dienst of het bedrijf, dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor deze zaak is bestemd, zomede op naamborden, mits deze opschriften en aankondigingen niet verlicht zijn, gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 vierkante meter en geen van alle een grotere afmeting in één richting hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en aankondigingen zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak; e. opschriften en aankondigingen betreft aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; f. vrijstaande reclameborden betreft die op de weg of op een terras worden geplaatst, mits:
  28. het aantal borden in totaal niet meer dan 1 stuk bedraagt per onderneming c.q. onroerende zaak; en
  29. geen grotere oppervlakte hebben dan 1,00 vierkante meter en geen grotere afmeting in één richting hebben dan 1,00 meter;
  30. deze vrijstaande reclameborden geplaatst worden tijdens de winkeluren, binnen de ruimte die is begrensd door de gevelbreedte. g. het een bouwwerk betreft waarvoor een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 22.
  31. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  32. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als er sprake is van het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Artikel 4.21 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – maken of veranderen van een uitweg)
  33. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
  34. Het eerste lid geldt niet in situaties als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder f van de Omgevingswet.
  35. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  36. Een vergunning als bedoeld het eerste lid wordt geweigerd als: a. de activiteit op een locatie niet is toegelaten op grond van het bestemmingsplan dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; b. de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag een onevenredig gevaar voor het verkeer op de weg veroorzaakt; c. de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats terwijl dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet noodzakelijk is; d. door de uitweg het openbaar groen naar het oordeel van het bevoegd gezag op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; e. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag op onaanvaardbare wijze ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. Artikel 4.22 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg)
  37. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
  38. Het eerste lid geldt niet: a. voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht; b. voor het plaatsen van oplaadpalen voor elektrische voertuigen waarvoor een verkeersbesluit is genomen; c. voor zover het Wetboek van Strafrecht, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Utrecht in het onderwerp voorziet, of het een beperkingengebiedsactiviteit bij een weg is als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder f van de Omgevingswet.
  39. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  40. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als de activiteit op een locatie niet is toegelaten op grond van het bestemmingsplan dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 4.23 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – kampeermiddelen)
  41. Het is verboden zonder omgevingsvergunning kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden ten behoeve van recreatief nachtverblijf op plaatsen waar dat niet uitdrukkelijk is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.
  42. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  43. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of b. de bescherming van een stads- of dorpsgezicht. Artikel 4.24 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – andere voertuigen)
  44. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een voertuig dat wordt gebruikt voor recreatie, anders dan een voertuig als bedoeld in Artikel 4.23, of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden: a. langer dan gedurende 3 achtereenvolgende dagen, hetzij op één plaats hetzij met enige verandering van plaats, te plaatsen of te hebben op de weg; b. op de weg te plaatsen of te hebben met de kennelijke bedoeling om deze als woning in gebruik te nemen.
  45. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu. Artikel 4.25 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats)
  46. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de weg of een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. de fysieke leefomgeving wijzigt als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid van het Omgevingsbesluit; of b. vanwege het langdurige karakter, hinder of gevaar veroorzaakt; of c. ontsiering veroorzaakt.
  47. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet in situaties zoals benoemd in artikel 2.40, eerste lid van de Omgevingswet jo. artikel 5.1, tweede lid, onder f van de Omgevingswet en afdeling 4.2 van de provinciale omgevingsverordening.
  48. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu. Artikel 4.26 (binnenplanse omgevingvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – grafbedekking)
  49. Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen een gedenkteken te plaatsen, een plaat ter afsluiting van een urnennis te plaatsen of een urn op een graf te doen plaatsen.
  50. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. de aanvrager niet de rechthebbende van het particuliere graf is; b. de grafbedekking naar het oordeel van het bevoegd gezag afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; c. de duurzaamheid van de materialen naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende is; d. de constructie van de grafbedekking naar het oordeel van het bevoegd gezag ondeugdelijk is; e. de grafbedekking niet voldoet aan de gestelde eisen in dit omgevingsplan.
  51. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als te allen tijde de rechthebbende op een particulier graf of de gebruiker op een algemeen graf eigenaar is en blijft van de grafbedekking zolang het graf niet geruimd mag worden.
  52. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid voor een gedenkteken wordt een ontwerptekening verstrekt op schaal 1:10, waarop in elk geval de volgende gegevens worden vermeld: a. een boven-, voor- en zijaanzicht met alle hoogte-, breedte-, dikte- en lengtematen; b. welke fundering wordt toegepast om verzakking te voorkomen; c. de soort, de kleur en de bewerking van het te gebruiken materiaal; d. of de letters e.d. ingehakt, opgehakt of van metaal zijn; e. de tekst en figuratie; f. de handtekening van de rechthebbende.
  53. Het gedenkteken moet recht boven het graf of het urnengraf op een fundering worden aangebracht.
  54. Alle onderdelen moeten vast aan het gedenkteken zijn verbonden.
  55. Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij wezenlijke wijzigingen van een gedenkteken en het toevoegen van een extra inscriptie na een bijzetting. Artikel 4.27 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – grafkelder)
  56. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning op een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen een grafkelder te stichten of in gereedheid te brengen.
  57. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend aan de rechthebbende op een particulier graf tot het daarin voor eigen rekening en risico doen aanbrengen van een grafkelder op een gedeelte van de begraafplaats dat daartoe bestemd is.
  58. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt tevens alleen verleend als: a. de persoonsgegevens van de rechthebbende en overledene zijn geverifieerd; b. de grafbedekking of andere voorwerpen naar het oordeel van het bevoegd gezag geen afbreuk doen aan het aanzien van de begraafplaats; c. de duurzaamheid van de materialen naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is; d. de constructie van de grafbedekking, fundering, kelder of andere voorwerpen naar het oordeel van het bevoegd gezag deugdelijk is.
  59. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een ontwerptekening verstrekt op schaal 1:10, waarop in elk geval de volgende gegevens worden vermeld: a. een boven-, voor- en zijaanzicht met alle hoogte-, breedte-, dikte- en lengtematen; b. welke fundering wordt toegepast om verzakking te voorkomen; c. de soort, de kleur en de bewerking van het te gebruiken materiaal; d. of de letters e.d. ingehakt, opgehakt of van metaal zijn; e. de tekst en figuratie; f. de handtekening van de rechthebbende.
  60. De afmetingen van de ruimte waarbinnen een grafkelder voor het begraven van lijken mag worden aangebracht zijn: lengte 250 cm, breedte 110 cm en diepte 150 cm beneden maaiveld.
  61. De afmetingen van de ruimte waarbinnen een grafkelder voor het bijzetten van asbussen, met of zonder urnen, mag worden aangebracht, zijn: lengte 50 cm, breedte 50 cm en diepte 50 cm beneden maaiveld.
  62. Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij wezenlijke wijzigingen van een gedenkteken en het toevoegen van een extra inscriptie na een bijzetting. Artikel 4.28 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – voertuigen van autobedrijf en dergelijke)
  63. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf, dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden zonder omgevingsvergunning: a. 3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
  64. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  65. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
  66. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Artikel 4.29 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – aantasting groenvoorzieningen door voertuigen)
  67. Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
  68. Het eerste lid geldt niet: a. op de weg; b. voor voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voor voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen overeenkomstig een vergunning als bedoeld in Artikel 4.
  69. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu. Artikel 4.30 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – standplaats)
  70. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben.
  71. Het eerste lid geldt niet in situaties waarin wordt voorzien door artikel 2.40, eerste lid jo. artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Omgevingswet (beperkingengebiedactiviteit).
  72. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  73. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. de activiteit op een locatie niet is toegelaten op grond van het bestemmingsplan dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; b. de standplaats, niet zijnde een bouwwerk, hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan het ruimtelijk kwaliteitsbeleid; of c. als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel 4.31 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – verkeer in natuurgebieden)
  74. Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
  75. Het eerste lid geldt niet: a. op verkeersterreinen in natuurgebieden; b. voor motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden
  76. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid;
  77. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
  78. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid;
  79. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de personen, bedoeld onder 3; c. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; d. binnen de bij of krachtens de Provinciale omgevingsverordening Utrecht aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen.
  80. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu.
  81. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als de activiteit op een locatie niet is toegelaten op grond van het bestemmingsplan dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 4.32 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit gebruiksactiviteit – verbranden van afvalstoffen)
  82. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de open lucht afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
  83. Het eerste lid geldt niet als het verbranden plaatsvindt als onderdeel van een milieubelastende activiteit als bedoeld in paragraaf 4.6.3 en hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan of hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  84. Het eerste lid geldt ook niet in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening.
  85. Het eerste lid geldt, voor zover geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, ook niet voor: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden;
  86. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in strijd komt met het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu; c. de bescherming van de flora en fauna. SubParagraaf 4.2.7.2 Specifiek / per functie Afdeling 4.3 Bouwactiviteiten Paragraaf 4.3.

Artikel 4

.33 (richtingaanwijzer) Bij het bouwen van een bouwwerk wordt voldaan aan deze paragraaf (4.3.

) en aan de volgende regels, voor zover die op de desbetreffende locatie van toepassing zijn: a. paragraaf 4.3.2 Algemene regels over bouwactiviteiten; b. Paragraaf 4.3.3 Verboden bouwactiviteiten; c. Paragraaf 4.3.4 Meldingsplichtige bouwactiviteiten; d. paragraaf 4.3.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten; e. Paragraaf 4.3.6 Maatwerk bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.34 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over het bouwen van bouwwerken. Artikel 4.35 (verboden bouwactiviteiten) Het is verboden bouwwerken te bouwen en in stand te houden anders dan in overeenstemming met deze afdeling. Paragraaf 4.3.2 Algemene regels over bouwactiviteiten SubParagraaf 4.3.2.1 Regels over het toelaten van bouwwerken en de hoogte en de locatie daarvan Artikel 4.36 (algemene regels bouwwerken, geen gebouwen zijnde – overige specifieke bouwwerken) De afmeting van een gedenkteken op een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen voldoet aan de afmetingen opgenomen in de tabel afmetingen gedenktekens die is opgenomen als bijlage III. SubParagraaf 4.3.2.2 Bouw- en sloopwerkzaamheden SubParagraaf 4.3.2.3 Aansluiting van een bouwwerk op netten SubParagraaf 4.3.2.4 Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid voor hulpverlening bij bouwwerken Paragraaf 4.3.3 Verboden bouwactiviteiten Paragraaf 4.3.4 Meldingsplichtige bouwactiviteiten Paragraaf 4.3.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten SubParagraaf 4.3.5.1 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 4.37 (voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken) Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26, als het op grond van het onderzoek als bedoeld in artikel 22.35, aanhef en onder j en/of andere bij hem bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. SubParagraaf 4.3.5.2 Binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit afwijken bouwregels Paragraaf 4.3.6 Maatwerk bij het Besluit bouwwerken leefomgeving Afdeling 4.4 Aanlegactiviteiten Afdeling 4.5 Sloopactiviteiten Paragraaf 4.5.

Artikel 4

.38 (richtingaanwijzer) Artikel 4.39 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over sloopactiviteiten. Paragraaf 4.5.2 Vergunningplichtige sloopactiviteiten Artikel 4.40 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit cultureel erfgoed – beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht) Afdeling 4.6 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 4.6.1 Algemene bepalingen Artikel 4.41 (richtingaanwijzer) Bij het verrichten van een milieubelastende activiteit wordt voldaan aan deze paragraaf (4.6.

) en aan de volgende regels, voor zover die op de desbetreffende locatie van toepassing zijn: a. paragraaf 4.6.2 Regels voor alle milieubelastende activiteiten; b. paragraaf 4.6.3 Regels voor specifieke milieubelastende activiteiten; c. Paragraaf 4.6.4 Verboden milieubelastende activiteiten; d. paragraaf 4.6.5 Meldingsplichtige milieubelastende activiteiten; e. Paragraaf 4.6.6 Regels over vergunningplichtige bouwactiviteiten; f. Paragraaf 4.6.7 Maatwerkregels bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.6.2 Regels voor alle milieubelastende activiteiten SubParagraaf 4.6.2.1 Veiligheid SubParagraaf 4.6.2.2 Kwaliteit van de buitenlucht SubParagraaf 4.6.2.3 Geluid door activiteiten SubSubParagraaf 4.6.2.3.1 Algemene bepalingen SubSubParagraaf 4.6.2.3.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 4.42 (onversterkte muziek)

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in Artikel 22.70, eerste lid, aanhef en onderdeel i zijn de waarden als bedoeld in artikel 22.63 van toepassing, met dien verstande dat: a. de in tabel 22.3.3 aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in tabel 22.3.1 aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel wordt de bedrijfsduurcorrectie toegepast voor zover het de dagperiode (07:00-19:00 uur) of de avondperiode (19:00-23:00 uur) betreft.
  2. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is Artikel 22.70 eerste lid, aanhef en onder i, niet van toepassing.
  3. Het eerste lid geldt niet voor incidentele festiviteiten als bedoeld in Artikel 4.
  4. Artikel 4.43 (geluid: festiviteiten)
  5. Artikel 22.63 is niet van toepassing tijdens een incidentele festiviteit als bedoeld in Artikel 4.
  6. Het geluid veroorzaakt door een activiteit, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste de waarde aangegeven in de onderstaande tabel. - 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-07.00 uur Toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten) 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) Toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT) 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
  7. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek, hoger dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd. SubSubParagraaf 4.6.2.3.3 Geluid door windturbines en windparken SubSubParagraaf 4.6.2.3.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen SubParagraaf 4.6.2.4 Geluid rond luchthavens SubParagraaf 4.6.2.5 Trillingen SubParagraaf 4.6.2.6 Bodemkwaliteit SubParagraaf 4.6.2.7 Geur SubSubParagraaf 4.6.2.7.1 Algemene bepalingen SubSubParagraaf 4.6.2.7.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf SubSubParagraaf 4.6.2.7.3 Geur door andere agrarische activiteiten SubSubParagraaf 4.6.2.7.4 Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken SubSubParagraaf 4.6.2.7.5 Regels uit de voormalige Geurverordening Artikel 4.44 (specifieke geurbelasting) In het gebied Milieubelastende activiteit - geurbelasting - 3,5 - toegelaten is de waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object niet meer dan 3,5 odeur units. Artikel 4.45 (afstanden geurgevoelige objecten) De afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object is niet minder dan: a. 50 meter binnen de bebouwde kom; b. 25 meter buiten de bebouwde kom. Artikel 4.46 (waarden voormalige agrarische bedrijfswoningen) Artikel 4.45 is niet van toepassing op de afstand tussen de voormalige eigen veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uit heeft gemaakt van deze veehouderij. SubParagraaf 4.6.2.8 Energiebesparing SubParagraaf 4.6.2.9 Afval SubParagraaf 4.6.2.10 Afvalwaterbeheer Paragraaf 4.6.3 Regels voor specifieke milieubelastende activiteiten SubParagraaf 4.6.3.1 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen SubParagraaf 4.6.3.2 Lozen bij maken van betonmortel SubParagraaf 4.6.3.3 Recreatieve visvijvers SubParagraaf 4.6.3.4 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal SubParagraaf 4.6.3.5 Wassen van motorvoertuigen SubParagraaf 4.6.3.6 Niet-industriële voedselbereiding SubParagraaf 4.6.3.7 Voedingsmiddelenindustrie SubParagraaf 4.6.3.8 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen SubParagraaf 4.6.3.9 Slagschaduw en lichtschittering van windturbines SubParagraaf 4.6.3.10 In werking hebben van een acculader SubParagraaf 4.6.3.11 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage SubParagraaf 4.6.3.12 Traditioneel schieten SubParagraaf 4.6.3.13 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht Artikel 4.47 (toepassingsbereik) Artikel 4.48 (gegevens en bescheiden) Artikel 4.49 (licht) Artikel 4.50 (licht: festiviteiten)
  8. Artikel 22.239 is niet van toepassing tijdens een incidentele festiviteit als bedoeld in als bedoeld in Artikel 4.
  9. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, moet de verlichting zijn uitgeschakeld tussen 23.00 uur en 07.00 uur. Paragraaf 4.6.4 Verboden milieubelastende activiteiten Paragraaf 4.6.5 Regels over meldingsplichtige milieubelastende activiteiten Artikel 4.51 (incidentele festiviteiten – geluid en licht)
  10. Het is in het kader van een activiteit als bedoeld in artikel 22.41 en artikel 22.54 verboden om een festiviteit te houden anders dan een festiviteit bedoeld in Artikel 4.43 of Artikel 4.50 zonder dit tenminste 2 weken voor het begin ervan te melden aan het college van burgemeester en wethouders.
  11. Een melding is ondertekend en bevat: a. de naam en het telefoonnummer van de contactpersoon; b. het adres en postcode en woonplaats van de locatie waar de festiviteit plaatsvindt; c. de tijd en datum van de festiviteit; d. de sluitingstijd van de inrichting; e. de gegevens van de festiviteit waaronder in ieder geval: de aard van de muziek en het aantal verwachte bezoekers; f. overige informatie waaronder in ieder geval: de te nemen maatregelen voor voorkoming van overlast en bij meer dan 20 db(A) overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 22.63, een akoestisch rapport.
  12. Per locatie mag ten hoogste 8 keer per jaar een incidentele festiviteit worden gehouden. Paragraaf 4.6.6 Regels over vergunningplichtige milieubelastende activiteiten Paragraaf 4.6.7 Maatwerkregels bij het Besluit activiteiten leefomgeving Afdeling 4.7 Activiteiten in openbaar gebied Paragraaf 4.7.

Artikel 4

.52 (richtingaanwijzer) Bij het verrichten van op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente wordt voldaan deze paragraaf (4.7.

) en aan de volgende regels, voor zover die op de desbetreffende locatie van toepassing zijn: a. paragraaf 4.7.2 Activiteiten met betrekking tot wateren en waterstaatswerken; b. Paragraaf 4.7.3 Activiteiten met betrekking tot de ondergrondse infrastructuur. Artikel 4.53 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over activiteiten in openbaar gebied voor zover die nog niet geregeld zijn in de voorgaande afdelingen, in het bijzonder afdeling 4.2 en 4.

  1. Artikel 4.54 (maatwerkvoorschriften) Paragraaf 4.7.2 Activiteiten met betrekking tot wateren en waterstaatswerken Artikel 4.55 (toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen) Het is de eigenaar verboden een sloot, een ander water of een niet openbaar riool of put buiten een gebouw in een toestand te laten bevinden die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel oplevert voor de gezondheid of hinder veroorzaakt voor gebruikers van het gebouw of voor anderen. Artikel 4.56 (beschadigen van waterstaatswerken)
  2. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.
  3. Het verbod geldt niet in situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of het Binnenvaartpolitiereglement, dan wel voor zover er in het Besluit activiteiten leefomgeving dan wel in de provinciale omgevingsverordening of in de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland regels zijn gesteld over een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk. Paragraaf 4.7.3 Activiteiten met betrekking tot de (ondergrondse) infrastructuur Artikel 4.57 (kabels en leidingen) Het is toegelaten gronden te gebruiken voor kabels en leidingen volgens de regels in deze paragraaf, de regels in paragraaf 5.1.2, het Handboek kabels en leidingen gemeente Vijfheerenlanden en de Verlegregeling gemeente Vijfheerenlanden. Artikel 4.58 (gegevens en bescheiden bij spoedeisende werkzaamheden aan kabels en leidingen)
  4. Artikel 22.49 en 22.50 van dit omgevingsplan zijn van toepassing op het verrichten van spoedeisende werkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening via het betreffende net, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk of wenselijk is.
  5. In het geval, bedoeld in het eerste lid, worden in aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 22.50, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een motivering waarom sprake was van spoedeisende werkzaamheden waarvoor in redelijkheid geen vergunning als bedoeld in Artikel 4.60 kon worden aangevraagd; b. de locatie waar de werkzaamheden zijn uitgevoerd, bij voorkeur met een tekening; c. contactgegevens van de partij die werkzaamheden heeft uitgevoerd;
  6. De gegevens worden verstrekt uiterlijk binnen 24 uur na de uitvoering van de werkzaamheden. Artikel 4.59 (meldplicht kabels en leidingen – werkzaamheden van niet ingrijpende aard)
  7. Dit artikel is van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen van niet ingrijpende aard, zijnde: a. werkzaamheden die qua aard en omvang dusdanig beperkt zijn dat, ter beoordeling door het bevoegd gezag, een afwijkend, lichter meldregime toegepast kan worden indien het werkzaamheden betreffen:
  8. die betrekking hebben op het onderhouden, wijzigen of uitbreiden van een al rechtsgeldig in de openbare ruimte van de gemeente aanwezig ondergronds netwerk; of
  9. met geringe overlast c.q. belemmeringen voor de omgeving; of
  10. waarbij geen asfalt rijbanen of andere verhardingen, wateren of groenvoorzieningen (in de zin van beplanting) worden gekruist; of
  11. waarbij geen boringen worden toegepast; b. en die bedoeld zijn voor:
  12. het aanbrengen of verwijderen van kabels en leidingen met aaneengesloten te ontgraven lengte van minder dan 25 m1 (gerekend vanaf de perceelgrens) in een reeds aanwezig netwerk; of
  13. het realiseren van incidentele (huis)aansluitingen waarbij clustering niet is toegestaan en waarbij de totale lengte minder is dan 25 meter; of
  14. proefsleuven; of
  15. reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan het netwerk over een lengte van minder dan 25 meter dan wel van lasgaten, en niet zijnde het plaatsen van een nieuwe handhole of nieuwe en ondergrondse lasmoffen; of
  16. werkzaamheden met een grondoppervlakte van maximaal 10 m
  17. Het is verboden kabels en leidingen in, op of boven openbare gemeentelijke gronden aan te leggen of, te onderhouden, in stand te houden, te verplaatsen of op te ruimen, zonder dit tenminste 5 dagen voor het begin ervan te melden aan het college van burgemeester en wethouders.
  18. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet: a. voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden als bedoeld in Artikel 4.58; of b. voor zover een vergunning vereist is op grond van Artikel 4.
  19. Een melding is ondertekend en bevat: a. een motivering waarom sprake is van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid; b. een tekening met de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; c. de contactgegevens van de persoon die de werkzaamheden gaat uitvoeren; d. de reden waarom de werkzaamheden uitgevoerd gaan worden; e. de contactgegevens van de uitvoerders. Artikel 4.60 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit activiteiten in openbaar gebied – kabels en leidingen)
  20. Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels en leidingen in, op of boven openbare gemeentelijke gronden aan te leggen of, te onderhouden, in stand te houden, te verplaatsen of op te ruimen.
  21. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet: a. voor het verrichten van werkzaamheden van niet ingrijpende aard als bedoeld in Artikel 4.59 lid 1; b. voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden als bedoeld in Artikel 4.
  22. Indien de spoedeisende werkzaamheden betrekking hebben op een tracé langer dan 25 meter, zal achteraf een vergunning voor deze werkzaamheden moeten worden aangevraagd.
  23. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als de kabel of leiding op de voorgenomen locatie is toegelaten op grond van het bestemmingsplan dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
  24. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van schade; c. de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gemeentelijke gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder werken ten behoeve van de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water, elektriciteit en persleidingen; f. de bescherming van het milieu.
  25. De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en verwijderen van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen gebeurt conform vigerende wet- en regelgeving, waaronder CROW-richtlijnen (o.a. CROW 250, Richtlijn zorgvuldig graafproces).
  26. Als de kabel of leiding is geprojecteerd onder een asfaltverharding, moeten deze door middel van een persing of boring worden aangebracht.
  27. Als het kabel- en leidingentracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en of leidingen, legt de netbeheerder de gemeente Vijfheerenlanden een alternatief tracé voor en wordt daarbij bezien of andere netbeheerders eventuele voorgenomen werkzaamheden op dat tracé willen combineren.
  28. Als binnen vijf jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gemeentelijke gronden de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren, stelt het college van burgemeester en wethouders bijzondere voorwaarden aan het herstel. De kosten van het herstel zijn voor rekening van de netbeheerder.
  29. De netbeheerder informeert omwonenden (belanghebbenden) ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden minimaal vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.
  30. Het bevoegd gezag wijzigt of trekt de vergunning in als: a. de netbeheerder niet binnen een half jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; b. de in de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; c. de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; d. na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het bevoegd gezag gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu; e. dit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs nodig is vanwege de uitvoering van gemeentelijke werkzaamheden van openbaar belang en algemeen nut; f. er sprake is van verkoop van gronden in eigendom van gemeente, behorende tot de openbare gemeentelijke grond, aan derden.
  31. Het bevoegd gezag gaat pas over tot intrekking of wijziging van de vergunning nadat het bevoegd gezag de houder van de vergunning heeft gehoord.
  32. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning wordt de verplichting verbonden om de betreffende leiding(en) te verleggen/verplaatsen en/of deze te verwijderen.
  33. Het eerste tot en met negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op het verwijderen van een kabel of leiding als bedoeld in dit artikel. Afdeling 4.8 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 4.8.

Artikel 4

.61 (richtingaanwijzer) Artikel 4.62 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed, voor zover die nog niet geregeld zijn in de voorgaande afdelingen, in het bijzonder afdeling 4.2 en 4.

  1. Artikel 4.63 (maatwerkvoorschriften) Paragraaf 4.8.2 Gemeentelijke monumenten Artikel 4.64 (instandhoudingsplicht gemeentelijk monument) Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 4.65 (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed – gemeentelijk monument)
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
  3. Het eerste lid geldt niet voor: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd: a. als het belang van de monumentenzorg zich daar naar het oordeel van het bevoegd gezag tegen verzet; b. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een kerkelijk monument: als er geen overeenstemming met de eigenaar is. Artikel 4.66 (voorbescherming gemeentelijk monument)
  5. Artikel 4.64 en Artikel 4.65 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in 16.29 van de Omgevingswet en artikel 5.21, aanhef en onder b is bekendgemaakt.
  6. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving in het gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 5.25 of op het moment waarop het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in het kader van een aanwijzing van een gemeentelijk monument door de bestuursrechter wordt vernietigd. Afdeling 4.9 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Hoofdstuk 5 OVERIGE BEPALINGEN Afdeling 5.1 Beheer en onderhoud Paragraaf 5.1.1 Beheer en onderhoud van begraafplaatsen Artikel 5.1 (onderhoud door de gemeente) Het bevoegd gezag voorziet in het algemeen onderhoud van een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen alsmede in het dagelijks beheer van de grafoppervlakken van de particuliere graven en algemene graven op een begraafplaats. Dit betekent dat het bevoegd gezag voorziet in: a. het rechtzetten van het gedenkteken nadat het verzakt is; b. het eenmaal per jaar schoonmaken van het gedenkteken, indien nodig met een algenbestrijdingsmiddel; c. het tweemaal per jaar bladvrij houden van het gedenkteken. Artikel 5.2 (onderhoud rechthebbende en gebruiker van begraafplaats)
  7. De rechthebbende of de gebruiker van een begraafplaats in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen is, naast het onderhoud van gemeentewege zoals beschreven in artikel 5.1, verplicht de grafbedekking en andere voorwerpen op het graf in goede staat te houden of te herstellen. Onder dit onderhoud wordt onder andere verstaan: a. het uitvoeren van herstellingen van het gedenkteken en andere grafbedekking; b. het verven of vergulden van letters en andere figuraties op het gedenkteken; c. het aanbrengen, onderhouden en eventueel vernieuwen van losse planten en één- of meerjarige planten; en d. het verwijderen van dode planten en het verwijderen van spontaan opkomende kruiden of zaailingen.
  8. Wild woekerende kruiden die de voor het graf beschikbare oppervlakte overgroeien, boomvormers en plantensoorten die vanwege ziektes of aantrekkingskracht van ongewenste dieren zorgen, worden op aanwijzing van de beheerder verwijderd.
  9. Het groenafval dat vrij komt bij het onderhoud wordt door de veroorzaker in de daarvoor aanwezige afvalbakken gedeponeerd.
  10. Als de rechthebbende of gebruiker het onderhoud, bedoeld in het eerste of tweede lid, nalaat, dan wel de aanwijzingen rondom herstel van de beheerder niet opvolgt, zal de rechthebbende worden aangeschreven het verzuim te herstellen binnen een fatale doch redelijke termijn. Na deze termijn heeft het bevoegd gezag het recht het verzuim zelf te verwijderen, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.
  11. De verwijdering van de grafbeplanting of het gedenkteken, als bedoeld in het vierde lid, vindt niet plaats dan nadat de rechthebbende of de gebruiker schriftelijk is ingelicht over de toestand van de grafbedekking. De oproeping geschiedt door mededeling op het mededelingenbord op de begraafplaats als het adres van de rechthebbende niet bekend is. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.
  12. De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de schade – ongeacht door welke omstandigheid deze is ontstaan – op eerste aanschrijven te herstellen, indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het bevoegd gezag het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar oplevert voor derden.
  13. Niet blijvende beplantingen, verwelkte bloemen of kransen en kapotte voorwerpen kunnen zonder voorafgaande kennisgeving door de beheerder worden verwijderd, zonder dat aanspraak kan worden gedaan op schadevergoeding.
  14. De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het bevoegd gezag worden verwijderd. Artikel 5.3 (aansprakelijkheid rechthebbende en gebruiker van begraafplaats)
  15. De in Artikel 5.2 bedoelde gedenktekens of beplantingen worden geacht voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker te zijn aangebracht.
  16. Zolang het graf niet geruimd mag worden, blijft de eigenaar de eigendom houden van de in Artikel 5.2 bedoelde gedenktekens, beplantingen en andere voorwerpen.
  17. Het doen plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door of namens de rechthebbende of de gebruiker en voor rekening en risico van de rechthebbende of de gebruiker.
  18. Schade en eventuele gevolgschade voor derden is voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker en deze dient de daaraan toegebrachte schade, door welke omstandigheid ook, op eerste aanschrijven te (doen) herstellen.
  19. Schade als gevolg van brand, storm, vorst, wateroverlast, bliksem, ontploffing, molest, vandalisme en andere van buiten komende oorzaken, of ontstaan door het weghalen en terugplaatsen van monumenten, grafstenen, zerken of andere gedenktekens of van andere beplantingen ten behoeve van een bijzetting of opgraving, en daaruit voortkomende eventuele gevolgschade voor derden, is voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker.
  20. Als binnen twaalf weken na de dag van aanschrijving als bedoeld het vierde lid geen herstel of vernieuwing heeft plaatsgevonden, is het bevoegd gezag bevoegd tot verwijdering en vernietiging van de gedenktekens of beplantingen en andere voorwerpen over te gaan zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.
  21. Als door een ondeugdelijke (geworden) constructie naar het oordeel van het bevoegd gezag een gevaarlijke situatie is ontstaan, kan het bevoegd gezag direct maatregelen treffen.
  22. Een rechthebbende of gebruiker is verplicht te gedogen dat de op een graf aanwezige gedenktekens, beplanting en voorwerpen door of namens de gemeente tijdelijk geheel of gedeeltelijk worden verwijderd en herplaatst, indien dit voor een begraving of bijzetting in de nabijheid van het graf of om andere reden nodig is.
  23. De gemeente Vijfheerenlanden kan niet aansprakelijk worden gesteld voor diefstal van of schade aan voorwerpen, welke op de graven zijn geplaatst. Artikel 5.4 (losse voorwerpen op begraafplaats)
  24. Al hetgeen als los voorwerp in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen op het graf geplaatst is, wordt geacht voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker te zijn aangebracht.
  25. Zolang het graf niet geruimd mag worden, blijven de op de graven geplaatste losse voorwerpen ter beschikking van de rechthebbende of gebruiker.
  26. Na afloop van het grafrecht of het gebruik, vervalt het recht op deze voorwerpen aan het bevoegd gezag zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. Artikel 5.5 (ruimen van graven)
  27. Het ruimen en/of samenvoegen van particuliere graven in het gebied Aanwijzing - begraafplaatsen geschiedt met in achtneming van de bij of krachtens de Wet op de lijkbezorging gestelde regels op verzoek van de rechthebbende en tegen betaling van de verschuldigde rechten.
  28. Het voornemen van het bevoegd gezag om een graf te ruimen wordt voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden op het mededelingenbord op de begraafplaats bekendgemaakt en er zal een bekendmaking in de krant worden gepubliceerd. Wanneer de gegevens van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend zijn maakt het bevoegd gezag het voornemen tot ruiming van het graf gedurende tenminste een jaar voorafgaande aan het tijdstip van ruiming door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend.
  29. De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van het graf nog aanwezige stoffelijke resten te allen tijde respectvol wordt omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met stoffelijke resten worden geconfronteerd.
  30. De bij de ruiming van een graf aanwezige stoffelijke resten worden begraven in dezelfde grafruimte of in een daarvoor bestemd gedeelte van de begraafplaats. De as wordt verstrooid op een daartoe bestemd gedeelte van de begraafplaats(en).
  31. De rechthebbende van een particulier graf kan bij de beheerder een verzoek indienen om de stoffelijke resten te doen verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze te cremeren of elders opnieuw te doen begraven. De rechthebbende van een particulier urnengraf of particuliere urnennis kan bij de beheerder een verzoek indienen de asbus elders bij te zetten of om de as te doen verstrooien. Hierbij worden de kosten voor bijzetting of verstrooiing in rekening gebracht.
  32. Het eventueel op het graf aanwezige gedenkteken en beplanting kan voor het vervallen van het grafrecht of de gebruikstermijn door de rechthebbende of gebruiker van het graf op eigen kosten worden verwijderd, op afspraak met de beheerder.
  33. Indien na de dag waarop het graf geruimd mag worden de grafbedekking niet is verwijderd, is het bevoegd gezag bevoegd tot verwijdering en vernietiging van de gedenktekens of beplantingen en andere voorwerpen over te gaan, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. Na het vervallen van het grafrecht kunnen de rechthebbenden of gebruikers geen aanspraken op deze voorwerpen doen gelden. Artikel 5.6 (lijst historische graven) Het bevoegd gezag houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft. Paragraaf 5.1.2 Beheer en onderhoud van kabels en leidingen Artikel 5.7 (verleggen van kabels en leidingen) Voor het nemen van maatregelen, waaronder het verleggen, ten aanzien van kabels en leidingen in of op openbare gemeentelijke gronden, gelden de volgende bepalingen: a. de netbeheerder is verplicht op aanwijzing van het college van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verleggen ten aanzien van kabels en leidingen ten dienste van zijn netwerk, voor zover dit noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang als bedoeld in artikel 4.60, tiende lid, aanhef en onder e; b. eventuele nadeelcompensatie wordt verleend op basis van de Verlegregeling gemeente Vijfheerenlanden; c. het college van burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verleggen, ten aanzien van kabels en leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; d. na een aanwijzing als bedoeld in onderdeel a gaat de netbeheerder zo snel mogelijk over tot de uitvoering, maar niet later dan zestien

(16)weken na de datum van ontvangst van de aanwijzing. Artikel 5.8 (verwijderen van kabels en leidingen)
  1. De netbeheerder is verplicht na het geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning als bedoeld in Artikel 4.60 de kabel en/ of leiding binnen een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen redelijke termijn te verwijderen.
  2. Bij reconstructies dienen buiten gebruik gestelde kabels en leidingen op aanzegging van het college van de gemeente Vijfheerenlanden te worden verwijderd. Artikel 5.9 (niet in gebruik zijnde kabels en leidingen)
  3. De netbeheerder stelt het college van burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een openbaar net in op of boven openbare gemeentelijke gronden.
  4. De netbeheerder levert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en leidingen. De bewijslast met betrekking tot het gebruik ligt bij de netbeheerder. Artikel 5.10 (overdracht eigendom kabels en leidingen) Als de eigendom, exploitatie of beheer van een net, kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten die samenhangen met de regels van dit omgevingsplan over op de nieuwe netbeheerder, en stelt de nieuwe of oude netbeheerder het college van burgemeester en wethouders onverwijld van deze overdracht in kennis en is de voormalige netbeheerder verplicht zorg te dragen voor overdracht van de rechten en plichten op de nieuwe netbeheerder. Afdeling 5.2 Financiële bepalingen Paragraaf 5.2.1 Doelgroepen sociale en middeldure huur- en koopwoningen Artikel 5.11 (huurprijsgrens sociale huurwoningen)
  5. De aanvangshuurprijs voor sociale huurwoningen bedraagt maximaal het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
  6. De maximale aanvangshuurprijs, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 27, eerste lid van de Wet op de huurtoeslag.
  7. De hoogte van de aanvangshuurprijs van sociale huurwoningen dient, gerekend vanaf de datum van eerste verhuur gedurende de instandhoudingstermijn zoals genoemd in artikel 5.17, eerste lid, onder het maximale bedrag bedoeld in het eerste lid van dit artikel te blijven. Artikel 5.12 (huurprijsgrens middeldure huurwoningen)
  8. De aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen is tenminste het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en ten hoogste de huurprijs behorend bij 187 WWS-punten.
  9. De minimale aanvangshuurprijs, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.
  10. De in het eerste lid bedoelde maximale aanvangshuurprijs wordt aangepast als de marktomstandigheden of rijksbeleid daar aanleiding toe geven.
  11. De hoogte van de aanvangshuurprijs van middeldure huurwoningen dient, gerekend vanaf de datum van eerste verhuur gedurende de instandhoudingstermijn zoals genoemd in artikel 5.17, tweede lid, te blijven vallen binnen de bandbreedte genoemd in het eerste lid van dit artikel. Artikel 5.13 (koopprijsgrens sociale en middeldure koopwoningen)
  12. De aanvangskoopprijs (VON-vrij op naam) voor sociale koopwoningen bedraagt maximaal € 250.000,00 .
  13. De aanvangskoopprijs (VON-vrij op naam) voor middeldure koopwoningen bedraagt tenminste het bedrag bedoeld in het eerste lid en ten hoogste de betaalbaarheidsgrens, bedoeld in het programma Woningbouw van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Woondeal (€ 355.000,00).
  14. De maximale aanvangskoopprijzen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangepast als de marktomstandigheden of rijksbeleid daar aanleiding toe geven.
  15. De sociale koopwoning of de middeldure koopwoning betreft een volwaardige woning, inclusief keuken en sanitair, met minimaal de basiseisen voor duurzaamheid volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  16. De sociale koopwoning of de middeldure koopwoning dient, gerekend vanaf de datum van eerste verkoop gedurende de instandhoudingstermijn zoals genoemd in artikel 5.17, derde lid, voor de doelgroep als sociale koopwoning of middeldure koopwoning beschikbaar te blijven. Artikel 5.14 (doelgroep sociale huurwoningen) De doelgroep voor sociale huurwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen niet hoger dan de DAEB-inkomensnorm. Artikel 5.15 (doelgroep middeldure huurwoningen)
  17. De doelgroep voor middeldure huurwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,58 keer de DAEB-inkomensnorm.
  18. Het norminkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast, als daar aanleiding toe is. Artikel 5.16 (doelgroep sociale en middeldure koopwoningen)
  19. De doelgroep voor sociale koopwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,3 keer de DAEB-inkomensnorm.
  20. De doelgroep voor middeldure koopwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal € 80.000,
  21. De norminkomens, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast, als daar aanleiding toe is.
  22. De koper van een sociale koopwoning of van een middeldure koopwoning dient de woning zelf te gaan bewonen.
  23. De zelfbewoningsplicht als bedoeld in het vierde lid geldt niet in de volgende gevallen: a. de woonruimte wordt in gebruik gegeven aan een woningzoekende die een bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad heeft met de eigenaar; b. de eigenaar heeft na oplevering van de woning (sleuteloverdracht) ten minste 12 maanden zijn woonadres in de woonruimte (ingeschreven in de Basisregistratie Personen) en die eigenaar komt met de woningzoekende schriftelijk overeen dat de woningzoekende de woonruimte voor een termijn van ten hoogste 12 maanden in gebruik neemt. Artikel 5.17 (instandhoudingstermijn sociale en middeldure huur- en koopwoningen)
  24. Sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na de eerste ingebruikname voor de doelgroep als sociale huurwoning beschikbaar te blijven.
  25. Middeldure huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 15 jaar na de eerste ingebruikname voor de doelgroep als middeldure huurwoning beschikbaar te blijven.
  26. Sociale koopwoningen en middeldure koopwoningen die gerealiseerd zijn onder dit omgevingsplan dienen gedurende een termijn van 10 jaar na het passeren van de akte van de eerste verkoop voor de doelgroep als sociale koopwoning of middeldure koopwoning beschikbaar te blijven, gebaseerd op de op het moment van (door)verkoop vastgestelde maximale aanvangskoopprijs.
  27. Het college van burgemeester en wethouders legt in een publiek toegankelijk register vast op welke woningen deze paragraaf van toepassing is én vanaf welke datum de instandhoudingstermijn geldt. Artikel 5.18 (informatieplicht huurwoningen)
  28. Gedurende de betreffende instandhoudingstermijn wordt door de eigenaar/verhuurder van huurwoningen, jaarlijks een overzicht verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders om aan te tonen dat de huurprijzen nog in lijn zijn met deze paragraaf.
  29. Binnen vier weken na de ingangsdatum van het huurcontract dient een mutatie gedurende de termijn van instandhouding te worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders en moet worden aangetoond dat de woning verhuurd is met een inkomen zoals aangegeven in artikel 5.14 en artikel 5.
  30. Artikel 5.19 (meldingsplicht koopwoningen)
  31. Het is verboden sociale koopwoningen en middeldure koopwoningen bij eerste verkoop te verkopen zonder dit tenminste 4 weken voor verkoop te melden aan het college van burgemeester en wethouders.
  32. Het is verboden bij volgende verkoop van een sociale koopwoning of middeldure koopwoning gedurende de in artikel 5.17, derde lid gestelde instandhoudingstermijn de woning te verkopen, zonder dit binnen 4 weken na het tekenen van de koopovereenkomst te melden aan het college van burgemeester en wethouders.
  33. Een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid is ondertekend en bevat een overzicht van potentiële kopers. Artikel 5.19a (maatwerkvoorschrift)
  34. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze paragraaf.
  35. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van deze paragraaf, voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat deze paragraaf beoogt te beschermen, naar het oordeel van het bevoegd gezag zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Een maatwerkvoorschrift kan de strekking hebben dat een bepaling uit deze paragraaf buiten toepassing wordt gelaten. Paragraaf 5.2.2 Kostenverhaal Paragraaf 5.2.3 Nadeelcompensatie Afdeling 5.3 Procesregels Paragraaf 5.3.1 Erfgoed Artikel 5.20 (procesregels bij de aanwijzing van beeldbepalende panden) Bij het wijzigen van het gebied, bedoeld in artikel 3.2, worden de volgende procedureregels in acht genomen: a. over het voornemen tot wijziging wordt schriftelijk advies gevraagd aan de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 5.24; b. de aanwijzing van een beeldbepalend pand kan niet tevens een monument betreffen dat is aangewezen op grond van een provinciale omgevingsverordening, is aangewezen als rijksmonument, of is aangewezen als gemeentelijk monument; c. de aanwijzing en wijziging van de aanwijzing van een beeldbepalend pand wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan; d. in de motivering van het wijzigingsbesluit wordt in elk geval de informatie opgenomen, bedoeld in artikel 5.25, tweede lid; e. zodra een wijzigingsbesluit onherroepelijk is geworden worden de gegevens, bedoeld in onderdeel d, opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 5.
  36. Artikel 5.21 (procesregels bij de aanwijzing van gemeentelijke monumenten) Bij het wijzigen van het gebied, bedoeld in artikel 3.3, worden de volgende procedureregels in acht genomen: a. een gemeentelijk monument kan niet tevens een rijksmonument of een provinciaal (archeologisch) monument zijn; b. een voornemen tot wijziging van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 16.29 van de Omgevingswet wordt ook schriftelijk mededeling gedaan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet; c. een besluit tot wijziging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet; d. voor zover de wijziging betrekking heeft op een kerkelijk monument is artikel 16.58 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing; e. over het voornemen tot wijziging wordt advies gevraagd aan de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit en Erfgoed overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 5.
  37. f. in de motivering van het wijzigingsbesluit wordt in elk geval de informatie opgenomen, bedoeld in artikel 5.25, tweede lid. g. zodra een wijzigingsbesluit onherroepelijk is geworden worden de gegevens, bedoeld in onderdeel f, opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 5.
  38. Artikel 5.22 (procesregels bij de aanwijzing van beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht) Bij het aanwijzen of wijzigen van het gebied, bedoeld in artikel 3.4 worden de volgende bepalingen in acht genomen: a. over het voornemen tot wijziging wordt advies gevraagd aan de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 5.24; b. in de motivering van het wijzigingsbesluit wordt in elk geval de informatie opgenomen, bedoeld in artikel 5.25, tweede lid; c. zodra een wijzigingsbesluit onherroepelijk is geworden worden de gegevens, bedoeld in onderdeel b, opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 5.
  39. Artikel 5.23 (advies omgevingsvergunning rijksmonumentenactiviteit) Van een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 van Omgevingswet wordt onverwijld een afschrift verzonden aan de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 5.
  40. Artikel 5.24 (procesregels gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed)
  41. Bij advisering door de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed wordt de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed in acht genomen.
  42. In aanvulling op het eerste lid worden de volgende procedureregels in acht genomen: a. de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed brengt na ontvangst van een adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit; b. over een advies dat betrekking heeft op een gemeentelijk monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van tenminste de leden die deskundig zijn op het gebied van monumentenzorg. Artikel 5.25 (gemeentelijk erfgoedregister)
  43. Het college van burgemeester en wethouders houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van in het omgevingsplan en krachtens de Erfgoedverordening aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister).
  44. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder in elk geval: a. de plaatselijke aanduiding; b. een verwijzing naar het besluit tot wijziging van het omgevingsplan waarmee de aanwijzing heeft plaatsgevonden; c. de datum dat die wijziging in werking is getreden; d. de kadastrale aanduiding; e. een beschrijving van het erfgoed. Paragraaf 5.3.2 Kabels en leidingen Artikel 5.26 (overleg – kabels en leidingen)
  45. Het college van burgemeester en wethouders organiseert periodiek een overleg waarvoor de bij de gemeente bekende netbeheerders van netten of netwerken die binnen de gemeente zijn gelegen, en andere belanghebbende partijen, worden uitgenodigd.
  46. Dit overleg is mede gericht op de beoordeling van mogelijk medegebruik van voorzieningen en afstemming van gezamenlijk of gelijktijdig uit te voeren werkzaamheden.
  47. Een netbeheerder kan om overleg verzoeken.
  48. Het college van burgemeester en wethouders nodigt de netbeheerders ook uit voor vooroverleg over gebiedsontwikkeling en eventueel daaruit voortvloeiende consequenties voor de kabels en leidingen, waaronder verleggingen, dit met als doel planvorming tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten. Afdeling 5.4 Uitvoering en handhaving Afdeling 5.5 Monitoring en informatie Afdeling 5.6 Voorbereidingsregels Hoofdstuk 6 OVERGANGSRECHT Artikel 6.1 (overgangsrecht gebruik) Artikel 6.2 (overgangsrecht bestaande bouwwerken) Artikel 6.3 (overgangsrecht Doelgroepenverordening) Voor woningen gerealiseerd of te realiseren onder de Doelgroepenverordening betaalbare woningen Vijfheerenlanden 2023 worden doelgroepen, prijsgrenzen en instandhoudingstermijnen gelijkgesteld met de voorwaarden in dit omgevingsplan. Artikel 6.4 (overgangsrecht beeldbepalende panden en gemeentelijke monumenten) Op een aanvraag om een vergunning krachtens de Erfgoedverordening 2020 gemeente Vijfheerenlanden die is ingediend voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan ‘Omzetting van verordeningsregels’ blijft de Erfgoedverordening 2020 gemeente Vijfheerenlanden van toepassing tot de vergunning onherroepelijk is. Hoofdstuk 7 SLOTBEPALINGEN Artikel 7.1 (citeertitel) Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden. Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  49. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  50. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  51. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  52. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  53. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  54. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  55. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  56. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  57. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  58. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  59. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  60. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  61. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  62. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  63. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  64. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  65. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  66. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  67. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  68. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  69. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  70. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  71. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  72. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  73. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  74. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  75. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  76. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  77. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  78. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  79. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  80. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  81. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  82. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  83. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  84. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  85. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  86. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  87. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  88. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  89. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  90. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  91. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  92. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  93. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  94. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  95. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  96. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  97. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  98. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  99. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SubParagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  100. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  101. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  102. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  103. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  104. op de grond staand;
  105. gelegen in achtererfgebied;
  106. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  107. niet hoger dan 5 m;
  108. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  109. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  110. op de grond staand;
  111. niet hoger dan 5 m; en
  112. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  113. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  114. voorzien van een plat dak;
  115. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  116. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  117. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  118. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  119. niet hoger dan 4 m; en
  120. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  121. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  122. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  123. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  124. een silo; of
  125. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  126. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  127. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  128. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  129. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  130. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  131. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  132. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  133. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  134. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  135. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  136. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  137. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  138. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  139. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  140. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  141. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  142. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  143. In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  144. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  145. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  146. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  147. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  148. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  149. de wijze

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.