act/gemeente/2024/CVDR696485 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1709/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-05-22 2026-05-22 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696485/nld@2026-06-18 /join/id/proc
Artikel 5.8 Aanwijzing evenementenactiviteit: evenementen 1.
Als evenementenactiviteiten worden aangewezen periodieke of eenmalige gebeurtenissen op het gebied van kunst, cultuur, sport, feesten en kermis. Hieronder vallen in ieder geval: a. braderieën; b. rommelmarkten; en c. gemeente-, stad-, dorps- of wijkfeesten. 2. Sportactiviteiten, zoals aangewezen in afdeling 5.3.11, vallen niet onder de aanwijzing. Paragraaf 5.3.2.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.9 Functie op locatie De in artikel 5.8 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied evenementen, waarbij er niet meer dan tien evenementenactiviteiten per jaar plaatsvinden. Afdeling 5.3.3 Bedrijfsmatige activiteiten Paragraaf 5.3.3.
Artikel 5
.10 Aanwijzing bedrijfsmatige activiteit: bedrijf Als bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen. Artikel 5.11 Aanwijzing bedrijfsmatige activiteit: verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg Als bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg. Artikel 5.12 Aanwijzing bedrijfsmatige activiteit: nutsvoorziening Als bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van openbaar vervoer, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. Paragraaf 5.3.3.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.13 Functie op locatie
- De in artikel 5.10 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied bedrijf.
- De in artikel 5.11 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg.
- De in artikel 5.12 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied nutsvoorziening. Afdeling 5.3.4 Woonactiviteiten Paragraaf 5.3.4.1 Algemene bepalingen Artikel 5.14 Toepassingsbereik afdeling 5.3.4 Woonactiviteiten
- Deze afdeling gaat over het wonen in woningen en wooneenheden.
- Deze afdeling gaat niet over short stay, vakantieverhuur of daarmee vergelijkbare activiteiten. Artikel 5.15 Aanwijzing activiteiten Als woonactiviteit wordt aangewezen het wonen in een woning. Artikel 5.16 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van: a. een goed woon- en leefklimaat; b. de gezondheid; en c. behoud en samenstelling van de woningvoorraad. Paragraaf 5.3.4.2 Wonen Subparagraaf 5.3.4.2.1 Algemeen Artikel 5.17 Algemene regels over wonen
- In één woning woont slechts één huishouden.
- In afwijking van het eerste lid kan in één woning anders dan door één huishouden worden gewoond, als dat uit de functie of functieaanduiding blijkt. Subparagraaf 5.3.4.2.2 Nieuwe woningen of wooneenheden Artikel 5.18 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. een goed woon- en leefklimaat; en c. het bereiken van een compacte winkelstructuur, waarbij het winkelen in het centrum van Zevenbergen zich concentreert rond het zuidwestelijk deel van de haven, Molenstraat en Markt. Artikel 5.19 Bestaande woningen en wooneenheden Binnen het plangebied - omgevingsplan nieuw deel is wonen toegestaan in woningen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van het omgevingsplan feitelijk aanwezig waren, voor zover de woningen direct voor de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming was met de op dat moment geldende regels van het omgevingsplan of een verleende omgevingsvergunning voor de gebruiksactiviteit wonen. Artikel 5.20 Vergunningplicht nieuwe woningen of wooneenheden in het centrum Met een vergunning kan alleen binnen het werkingsgebied 'vergunningplicht wonen' nieuwe woningen of wooneenheden worden toegevoegd. Artikel 5.21 Beoordelingsregels vergunningplicht Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.20 wordt alleen verleend indien: a. de woningbouw past binnen de aan de gemeente Moerdijk toegewezen woningcontigentering en het door de gemeenteraad vastgestelde c.q. vast te stellen woningbouwprogramma; b. een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing is gewaarborgd; c. de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld is gewaarborgd; d. de vloeroppervlakte bij zelfstandige woonruimte ten minste 60 m² bedraagt; e. er wordt voldaan aan de regels over parkeren in afdeling 5.2.2; f. er wordt voldaan aan de regels over geluidgevoelige gebouwen in paragraaf 5.4.1.8; g. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; en h. de verkeers- en brandveiligheid en sociale veiligheid zijn gewaarborgd. Artikel 5.22 Aanvraagvereisten vergunningplicht Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.20, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- het aantal woningen of wooneenheden en de grootte per wooneenheid;
- de situering van het bouwwerk waarin nieuwe woningen of wooneenheden worden toegevoegd ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing;
- en het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk waarin nieuwe woningen of wooneenheden worden toegevoegd;
- de hoogte van het bouwwerk waarin nieuwe woningen of wooneenheden worden toegevoegd en het aantal bouwlagen;
- de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; c. het telefoonnummer van de aanvrager; d. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; f. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; g. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; h. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 5.3.4.2.3 Beroep en bedrijf aan huis Artikel 5.23 Aanwijzing activiteiten Onder woonactiviteiten wordt ook verstaan het beroeps- of bedrijfsmatig uitoefenen van activiteiten aan huis. Artikel 5.24 Algemene regels uitoefenen beroep of bedrijf aan huis Een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende regels: a. een beroep of bedrijf aan huis wordt door de bewoners zelf uitgeoefend; b. het beroep of bedrijf aan huis wordt in de woonruimte of in een bijbehorend bouwwerk bij de woonruimte uitgeoefend; c. de oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend, is ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 60 m2; d. het beroep of bedrijf aan huis veroorzaakt geen onevenredige verkeersaantrekkende werking; en e. er wordt voldaan aan de normen in Afdeling 5.2.2 Parkeren. Artikel 5.25 Maatwerkvoorschriften
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 5.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in artikel 5.
- Afdeling 5.3.5 Horeca-activiteiten Paragraaf 5.3.5.
Artikel 5
.26 Aanwijzing horeca-activiteit: horeca 1a Als horeca-activiteit wordt aangewezen lichte horecabedrijven van relatief beperkte omvang, die zich met name richten op het winkelend publiek en veelal openingstijden hanteren die aansluiten op de openingstijden van de detailhandelsbedrijven in de omgeving waar zij gevestigd zijn en die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van kleinere maaltijden, broodjes, ijs, gebak, koffie, thee en overige dranken. Artikel 5.27 Aanwijzing horeca-activiteit: horeca 1b Als horeca-activiteit wordt aangewezen lichte horecabedrijven zonder of met beperkte verkeersaantrekkende werking. Horecabedrijven waarbij, zowel qua doelgroep als openingstijden, niet of slechts in beperkte mate sprake is van enige relatie tot detailhandel, zoals restaurants, proeverijen, hotels of bed & breakfast met minder dan 10 bedden. Artikel 5.28 Aanwijzen horeca-activiteit: horeca 1c Als horeca-activiteit wordt aangewezen horecabedrijven die overwegend overdag en in de avond geopend zijn en die door hun aard, omvang en bedrijfsvoering, een relatief grote verkeersaantrekkende werking hebben, zoals restaurants, bedrijven genoemd onder artikel 5.26 en artikel 5.27 met een vloeroppervlak van meer dan 400 m2 en hotels met meer dan 10 bedden. Artikel 5.29 Aanwijzen horeca-activiteit: horeca 1d Als horeca-activiteit wordt aangewezen horecabedrijven die onderdeel zijn van een instelling gericht op maatschappelijke, educatieve, sociale, medische, levensbeschouwelijke of godsdienstige, sportieve of recreatieve doeleinden en bijzondere woonvormen zoals verpleeghuizen. Deze bedrijven zijn in hun exploitatie ondersteunend aan de hoofdactiviteit en zijn met name gericht op de deelnemers of bezoekers van de hoofdactiviteit en hebben weinig tot geen zelfstandige aantrekkingskracht. Artikel 5.30 Aanwijzen horeca-activiteit: horeca 2 Als horeca-activiteit wordt aangewezen horecabedrijven die ten minste de gehele avond en delen van de nacht geopend zijn en die daardoor hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken. Deze bedrijven richten zich hoofdzakelijk op het verstrekken van dranken al dan niet in combinatie met het verstrekken van etenswaren en maaltijden. Het gaat bijvoorbeeld om horecabedrijven uit categorie 1, die ook delen van de nacht geopend zijn, cafés, bars, bedrijven gericht op zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek- en/of dansevenementen, bijvoorbeeld congrescentra). Artikel 5.31 Aanwijzen horeca-activiteit: speelautomatenhal Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend. Artikel 5.32 Aanwijzen horeca-activiteit: poolbiljartcafé Als horeca-activiteit wordt aangewezen het exploiteren van een poolbiljartcafé. Paragraaf 5.3.5.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.33 Functie op locatie
- a. de in artikel 5.26 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied horeca 1a; b. de activiteit mag alleen plaatsvinden op de begane grond; en c. de totale bedrijfsvloeroppervlakte van horecabedrijven bedraagt niet meer dan ter plaatse is aangegeven met horeca: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte.
- a. de in artikel 5.27 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied horeca 1b; b. de activiteit mag alleen plaatsvinden op de begane grond; c. de totale bedrijfsvloeroppervlakte van horecabedrijven bedraagt niet meer dan ter plaatse is aangegeven met horeca: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte; en d. in afwijking van sub b, mag de activiteit ter plaatse van het werkingsgebied horeca 1b/1c - verdiepingen ook plaatsvinden op de verdiepingen van het gebouw.
- a. de in artikel 5.28 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied horeca 1c; b. de activiteit mag alleen plaatsvinden op de begane grond; c. de totale bedrijfsvloeroppervlakte van horecabedrijven bedraagt niet meer dan ter plaatse is aangegeven met horeca: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte; en d. in afwijking van sub b, mag de activiteit ter plaatse van het werkingsgebied horeca 1b/1c - verdiepingen ook plaatsvinden op de verdiepingen van het gebouw.
- De in artikel 5.29 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied horeca 1d.
- a. de in artikel 5.30 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied horeca 2; en b. de totale bedrijfsvloeroppervlakte van horecabedrijven bedraagt niet meer dan ter plaatse is aangegeven met horeca: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte.
- De in artikel 5.31 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied speelautomatenhal.
- De in artikel 5.32 aangewezen activiteit wordt alleen verricht binnen het werkingsgebied poolbiljartcafe. Afdeling 5.3.6 Detailhandelsactiviteiten Paragraaf 5.3.6.
Artikel 5.34 Aanwijzing detailhandelsactiviteit: reguliere detailhandel 1.
Als detailhandelsactiviteiten worden aangewezen het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
- De aanwijzing in het eerste lid omvat ook activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de detailhandel functioneel ondersteunen.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen geen supermarkten. Artikel 5.35 Aanwijzing detailhandelsactiviteit: volumineuze detailhandel
- Als detailhandelsactiviteiten worden aangewezen het exploiteren van detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals detailhandel in wooninrichting, keukens en sanitair, bouwmarkten, auto's, boten, caravans en tenten, tuincentra en daarmee vergelijkbare activiteiten.
- De aanwijzing in het eerste lid omvat ook activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de detailhandel functioneel ondersteunen.
- Onder de aanwijzing in het eerste lid vallen geen supermarkten. Artikel 5.36 Aanwijzing detailhandelsactiviteit: supermarkt Als detailhandelsactiviteit wordt aangewezen het verkopen van levensmiddelen en huishoudelijke artikelen voor particulier gebruik in de vorm van een supermarkt. Artikel 5.37 Aanwijzing detailhandelsactiviteit: ambulante detailhandel standplaatsen Als detailhandelsactiviteit wordt aangewezen het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals kraam, wagen of tafel. Paragraaf 5.3.6.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.38 Functie op locatie
- a. de in artikel 5.34 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied reguliere detailhandel; b. de activiteit mag alleen plaatsvinden op de begane grond; en c. de totale bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandel en dienstverlening bedraagt niet meer dan ter plaats is aangegeven met detailhandel: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte.
- a. de in artikel 5.36 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied supermarkt; b. de activiteit mag alleen plaatsvinden op de begane grond; c. de bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan ter plaatse is aangegeven met supermarkt: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte; en d. de winkelvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan ter plaatse is aangegeven met supermarkt: maximum winkelvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 winkelvloeroppervlakte.
- De in artikel 5.37 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied ambulante detailhandel - standplaatsen. Afdeling 5.3.7 Kantooractiviteiten Paragraaf 5.3.7.
Artikel 5.39 Aanwijzing kantooractiviteit: kantoor 1.
Als kantooractiviteiten worden aangewezen het benutten van een ruimte gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen discipline, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
- De aanwijzing in het eerste lid omvat ook activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die het kantoor functioneel ondersteunen. Artikel 5.40 Aanwijzing kantooractiviteit: functioneel ondersteunend kantoor Als kantooractiviteit wordt aangewezen het uitvoeren van administratieve diensten die een andere activiteit op dezelfde locatie functioneel ondersteunen. Paragraaf 5.3.7.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.41 Functie op locatie
- De in artikel 5.39 aangewezen activiteiten worden verricht binnen het werkingsgebied kantoor - begane grond, waarbij geldt dat de activiteit alleen mag plaatsvinden op de begane grond.
- De in artikel 5.39 aangewezen activiteiten worden verricht binnen het werkingsgebied kantoor - verdiepingen, waarbij geldt dat de activiteit alleen mag plaatsvinden op de verdiepingen van gebouwen.
- De in artikel 5.39 aangewezen activiteiten worden verricht binnen het werkingsgebied kantoor - begane grond én verdiepingen , waarbij geldt dat de activiteit mag plaatsvinden op zowel de begane grond als op de verdiepingen van gebouwen.
- De in artikel 5.40 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied functioneel ondersteunend kantoor, waarbij geldt dat maximaal 50% van het oppervlak mag worden gebruikt als kantoor met een maximum van 400 m² gebruiksoppervlakte. Afdeling 5.3.8 Maatschappelijke activiteiten Paragraaf 5.3.8.
Artikel 5
.42 Aanwijzing maatschappelijke activiteit: maatschappelijke voorziening Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van voorzieningen voor medische, sociale, culturele of religieuze activiteiten, voorzieningen ten dienste van onderwijs, sport- en gymnastieklokalen, kinderopvang, alsmede overheidsdiensten met een overwegend openbaar karakter. Artikel 5.43 Aanwijzing maatschappelijke activiteit: bibliotheek Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en gronden voor een bibliotheek. Artikel 5.44 Aanwijzing maatschappelijke activiteit: religie Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het bieden van faciliteiten voor levensbeschouwelijke activiteiten dan wel religieuze bijeenkomsten. Artikel 5.45 Aanwijzing maatschappelijke activiteit: gezondheidszorg Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen activiteiten op het gebied van gezondheidszorg. Artikel 5.46 Aanwijzing maatschappelijke activiteit: zorgwoning Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen voor zorgwoningen. Artikel 5.47 Aanwijzing maatschappelijke activiteit: uitvaartcentrum Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het benutten van gebouwen en locaties voor een uitvaartcentrum. Paragraaf 5.3.8.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.48 Functie op locatie 1. De in artikel 5.42 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied maatschappelijke voorziening . 2. De in artikel 5.43 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied bibliotheek. 3. De in artikel 5.44 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied religie. 4. De in artikel 5.45 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied gezondheidszorg. 5. De in artikel 5.46 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied zorgwoning. 6. De in artikel 5.47 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied uitvaartcentrum. Afdeling 5.3.9 Dienstverlening activiteiten Paragraaf 5.3.9.
Artikel 5
.49 Aanwijzing dienstverlening activiteit: consument gebonden dienstverlening Als activiteiten met betrekking tot consumentgebonden dienstverlening worden aangewezen het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, en bankfilialen. Paragraaf 5.3.9.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.50 Functie op locatie a. de in artikel 5.49 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied consumentgebonden dienstverlening; b. de activiteit mag alleen plaatsvinden op de begane grond; en c. de totale bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandel en dienstverlening bedraagt niet meer dan ter plaats is aangegeven met dienstverlening: maximum bedrijfsvloeroppervlakte; indien geen norm is gesteld, geldt er geen maximum m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Afdeling 5.3.10 Risicovolle activiteiten Paragraaf 5.3.10.
Artikel 5
.51 Aanwijzing risicovolle activiteit: Type A Als risicovolle activiteiten type A worden aangewezen de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Afdeling 5.3.11 Sportactiviteiten Paragraaf 5.3.11.
Artikel 5
.52 Aanwijzing sportactiviteit: fitnesscentrum Als binnensportactiviteiten worden aangewezen: a. het bieden van gelegenheid tot het beoefenen van sport in een afgesloten ruimte; en b. daaraan ondergeschikte activiteiten. Paragraaf 5.3.11.2 Toegelaten activiteiten Artikel 5.53 Functie op locatie De in artikel 5.52 aangewezen activiteiten worden alleen verricht binnen het werkingsgebied fitnesscentrum. Titel 5.4 Bouw- en sloopactiviteiten Afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten Paragraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.54 Toepassingsbereik afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken in het plangebied - omgevingsplan nieuw deel. Artikel 5.55 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. de duurzaamheid en bruikbaarheid; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Artikel 5.56 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Paragraaf 5.4.1.2 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwwerken artikel 22.26 Subparagraaf 5.4.1.2.1 Bouwregels hoofdgebouwen Artikel 5.57 Hoofdgebouw A Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw A); b. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd ter plaatse van de gevellijn; c. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; d. de diepte van het hoofdgebouw op de verdiepingen is niet meer dan 15 m; en e. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.58 Hoofdgebouw B Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw B); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; en c. het bestaande aantal bouwlagen mag niet worden uitgebreid, met dien verstande ter plaatse van de aanduiding maximum aantal bouwlagen het aangegeven aantal bouwlagen als maximum geldt; Artikel 5.59 Hoofdgebouw C Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw C); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. in afwijking van het bepaalde onder a zijn gebouwen buiten het bouwvlak (hoofdgebouw C) maar binnen hetzelfde bouwperceel toegestaan als wordt voldaan aan de volgende regels:
- de totale oppervlakte van gebouwen bedraagt per bouwperceel niet meer dan 100 m²; en
- de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 4 m. d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.60 Hoofdgebouw D Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw D); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%; en d. de afstand van hoofdgebouwen tot de perceelsgrens is minimaal 5 m. Artikel 5.61 Hoofdgebouw E Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw E); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; en c. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.62 Hoofdgebouw F Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw F); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. het bestaande aantal bouwlagen mag niet worden uitgebreid, met dien verstande ter plaatse van de aanduiding maximum aantal bouwlagen het aangegeven aantal bouwlagen als maximum geldt; d. ter plaatse van de aanduiding gestapeld worden hoofdgebouwen gestapeld gebouwd, met dien verstande dat grondgebonden hoofdgebouwen ook gebouwd mogen worden; e. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%; en f. ter plaatse van de aanduiding onderdoorgang wordt maximaal één onderdoorgang gerealiseerd. Artikel 5.63 Hoofdgebouw G Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw G); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%; d. de afstand van hoofdgebouwen tot de perceelsgrens is minimaal 3 m; en e. indien hoofdgebouwen op een bouwperceel niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van minimaal 3 m. Artikel 5.64 Hoofdgebouw H Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden alleen gebouwd binnen het bouwvlak (hoofdgebouw H); b. de bouwhoogte van gebouwen is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; en c. ter plaatse van de aanduiding gestapeld worden hoofdgebouwen gestapeld gebouwd, met dien verstande dat grondgebonden hoofdgebouwen ook gebouwd mogen worden. Artikel 5.65 Afwijkingsmogelijkheid
- In afwijking van de in subparagraaf 5.4.1.2.1 aangegeven bouwmogelijkheden van hoofdgebouwen kan het bevoegd gezag alsnog een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 verlenen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de afwijking bedraagt ten hoogste 3 meter, met dien verstande dat de afwijking niet meer dan 10% van de toegestane maat mag bedragen; b. door toepassing van de afwijking ontstaat een betere bouwkundige en/of stedenbouwkundige aansluiting met de direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken; c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van het betreffende perceel en de direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken.
- De afwijking als bedoeld in het eerste lid mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van eerder met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakte afwijkingen. Subparagraaf 5.4.1.2.2 Bouwregels bijbehorende bouwwerken Artikel 5.66 Bijbehorende bouwwerken A Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken A; b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak (hoofdgebouw A) is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte, waarbij geldt dat bijbehorende bouwwerken achter het hoofdgebouw niet hoger zijn dan 5 m; c. bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw A) zijn niet hoger dan 3 m; en d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.67 Bijbehorende bouwwerken B Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken B; b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak (hoofdgebouw B) is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw B) zijn niet hoger dan 3 m; en d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.68 Bijbehorende bouwwerken C Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken C; b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak (hoofdgebouw C) is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw C) maar binnen hetzelfde bouwperceel zijn toegestaan als wordt voldaan aan de volgende regels:
- de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt per bouwperceel niet meer dan 100 m2; en
- de bijbehorende bouwwerken zijn niet hoger dan 4 m. d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.69 Bijbehorende bouwwerken D Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken D; b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak (hoofdgebouw D) en bouwvlak (hoofdgebouw E) is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; en c. bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw D) en bouwvlak (hoofdgebouw E) zijn niet hoger dan 3 m; en d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.70 Bijbehorende bouwwerken E Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken E; b. de goothoogte van aan- en uitbouwen is niet hoger dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,35 m; c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 6 m; d. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m; e. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 6 m; f. de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 50% van het erf met een maximum van 90 m2; g. ter plaatse van het werkingsgebied garages en bergingen is de bouw van een garage of berging ten behoeve van de woning toegestaan, waarbij geldt dat:
- de breedte van het bijbehorende bouwwerk niet meer dan 3 m bedraagt; en
- de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk niet meer dan 3 m bedraagt. Artikel 5.71 Bijbehorende bouwwerken F Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken F; b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak (hoofdgebouw G) is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw G) zijn niet hoger dan 3 m; d. de afstand van bijgebouwen tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m; e. indien bijgebouwen op een bouwperceel niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van minstens 3 m; en f. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage ; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Artikel 5.72 Bijbehorende bouwwerken G Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken G; b. de goothoogte van aan- en uitbouwen is niet hoger dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,35 m; c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen is niet hoger dan 5 m; d. de goothoogte van bijgebouwen is niet hoger dan 3 m; e. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen is niet hoger dan 6 m; f. de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken gelegen buiten bouwvlak (hoofdgebouw H) is niet meer dan 50% van het erf met een maximum van 90 m2; en g. ter plaatse van het werkingsgebied garages is de bouw van een garage ten behoeve van de woningen toegestaan, waarbij geldt dat:
- de inhoud van het bijbehorende bouwwerk niet meer dan 50 m3 bedraagt;
- de breedte van het bijbehorende bouwwerk niet hoger is dan 3 m; en
- de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk niet hoger is dan 2,7 m. Artikel 5.73 Bijbehorende bouwwerken H Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken H; b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak (hoofdgebouw E) is niet hoger dan ter plaatse is aangegeven met maximum bouwhoogte; c. bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw E) maar binnen hetzelfde bouwperceel zijn toegestaan tot een oppervlakte van niet meer dan 50 m2 per bouwperceel; d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak (hoofdgebouw E) maar binnen hetzelfde bouwperceel is niet hoger dan 3 m; en e. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten opzichte van het bouwperceel is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met maximum bebouwingspercentage; indien geen percentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100%. Subparagraaf 5.4.1.2.3 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Artikel 5.74 Bouwwerken geen gebouw zijnde A Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde A, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen op minder dan 1 m afstand van openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten is niet hoger dan 6 meter; en d. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is niet hoger dan 4 meter. Artikel 5.75 Bouwwerken geen gebouw zijnde B Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde B, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen op minder dan 1 m afstand van openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is niet hoger dan 4 meter. Artikel 5.76 Bouwwerken geen gebouw zijnde C Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde C, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen op minder dan 1 m afstand van openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is niet hoger dan 4 meter. Artikel 5.77 Bouwwerken geen gebouw zijnde D Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde D, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen op minder dan 1 m afstand van het openbaar gebied bedraagt ten hoogste1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 3 m; c. de bouwhoogte van lichtmasten is niet hoger dan 6 meter; d. de bouwhoogte van een zendmast, ter plaatse van het werkingsgebied zend en ontvangsinstallatie is niet hoger dan 37,3 meter; e. de bouwhoogte van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantenne-installaties, bedraagt gemeten vanaf de voet van de antenne-installatie ten hoogste 5 m; f. de bouwhoogte van schotelantenne-installaties is, vanaf de voet van de antenne-installatie gemeten, niet hoger dan 3 meter; en g. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is niet hoger dan 4 meter. Artikel 5.78 Bouwwerken geen gebouw zijnde E Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde E, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen is niet hoger dan 2 meter; b. de bouwhoogte van lichtmasten is niet hoger dan 9 meter; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten is niet hoger dan 6 meter; en d. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is niet hoger dan 4 meter. Artikel 5.79 Bouwwerken geen gebouw zijnde F Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde F, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen is niet hoger dan 2 meter; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten is niet hoger dan 6 meter; en c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is niet hoger dan 4 meter. Subparagraaf 5.4.1.2.4 Bouwregels overige ondergeschikte bouwdelen Artikel 5.80 Overige ondergeschikte bouwdelen Voor het bouwen van luifels, balkons en andere ondergeschikte bouwdelen gelden de volgende regels: a. de luifels, balkons en andere ondergeschikte bouwdelen mogen worden gebouwd binnen de locatie overige ondergeschikte bouwdelen; b. de diepte van luifels, balkons en andere ondergeschikte bouwdelen is niet meer dan 1,25 meter; c. het oppervlak van luifels, balkons en andere ondergeschikte bouwdelen is niet meer dan 6 m2; en d. de afstand tot aan een gemeenteweg bedraagt ten minste 1 m. Paragraaf 5.4.1.3 Bouwen in een restrictiegebied archeologie Artikel 5.81 Toepassingsbereik paragraaf 5.4.1.3 Bouwen in een restrictiegebied archeologie Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten binnen het restrictiegebied archeologische verwachtingswaardengebied: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing; en b. het realiseren van nieuwe bebouwing. Artikel 5.82 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het herstel en behoud van archeologische waarden. Artikel 5.83 Vergunningplicht
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.81 genoemde activiteiten te verrichten binnen het werkingsgebied archeologische verwachtingswaardengebied indien de activiteit dieper reikt dan aangegeven met diepte onder het maaiveld en die een minimum grondoppervlakte bestrijkt als aangegeven met minimum grondoppervlakte.
- Het verbod het eerste lid geldt niet voor activiteiten: a. waarvoor grondwerkzaamheden onder het bestaande maaiveld worden uitgevoerd:
- met een (gezamenlijk) oppervlakte kleiner dan de aangegeven oppervlakte van de bodemverstoring; en
- die minder diep gaan dan de aangegeven diepte van de bodemverstoring waarbij: I. zonder heipalen kan worden gebouwd; of, II. met heipalen wordt gebouwd en volgens het palenplan de totale verstoring door heipalen niet meer bedraagt dan 2% van de oppervlakte van het bouwwerk en de afstand tussen de rijen heipalen tenminste 4 meter bedraagt. b. bouwactiviteiten bij bestaande bouwwerken mits:
- de bestaande fundering wordt gebruikt;
- de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; of,
- gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. c. normaal onderhoud en beheer betreffen; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel; of e. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. Artikel 5.84 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.83 wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de oogmerken bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.85 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.83, worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de locatie van de voorgenomen activiteiten; b. aard en omvang van de activiteiten; en c. een archeologisch onderzoek waarin:
- de archeologische waarden van de locatie worden beschreven;
- de gevolgen van de voorgenomen activiteit worden beschreven in het kader van de archeologische waarden van de locatie; en
- eventuele maatregelen worden beschreven die moeten worden getroffen om de archeologische waarden te behouden. Artikel 5.86 Vergunningvoorschriften Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende voorschriften verbinden aan de vergunning, als bedoeld in artikel 5.83: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en c. een verplichting om de uitvoering van de activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Paragraaf 5.4.1.4 Bouwen in een beperkingengebied molenbiotoop Artikel 5.87 Toepassingsbereik paragraaf 5.4.1.4 Bouwen in een beperkingengebied molenbiotoop Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand laten van bouwwerken in het beperkingengebied molenbiotoop. Artikel 5.88 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van vrije windvang voor de molen. Artikel 5.89 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in het beperkingengebied molenbiotoop als het gaat om de volgende bouwwerken: a. bebouwing die hoger is dan de onderste punt van de verticaalstaande wiek waarbij de bebouwing binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van de molen is gelegen; en b. bebouwing die hoger is dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;. Artikel 5.90 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.89 kan worden verleend als: a. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; en b. toepassing van de in artikel 5.89 bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden. Paragraaf 5.4.1.5 Bouwen in een beperkingengebied waterstaat - waterkering Artikel 5.91 Toepassingsbereik paragraaf 5.4.1.5 Bouwen in een beperkingengebied waterstaat - waterkering Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand laten van bouwwerken geen gebouwen zijnde in het . Artikel 5.92 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van waterkeringen. Artikel 5.93 Beoordelingsregels De maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in het beperkingengebied waterstaat - waterkering is 4 m. Paragraaf 5.4.1.6 Bouwen in een beperkingengebied rioolleiding Artikel 5.94 Toepassingsbereik paragraaf 5.4.1.6 Bouwen in een beperkingengebied rioolleiding Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand laten van bouwwerken geen gebouwen zijnde in het beperkingengebied rioolleiding. Artikel 5.95 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van rioolleidingen. Artikel 5.96 Beoordelingsregels De maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in het beperkingengebied rioolleiding is 3 m. Paragraaf 5.4.1.7 Bouwen in het openbaar gebied Artikel 5.97 Verbod Binnen het openbaar toegankelijk gebied van het plangebied - omgevingsplan nieuw deel zijn geen andere bouwwerken toegelaten dan de bouwwerken die zijn genoemd in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 5.4.1.8 Bouwen van een geluidgevoelig gebouw Artikel 5.98 Toepassingsbereik paragraaf 5.4.1.8 Bouwen van een geluidgevoelig gebouw
- Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en veranderen van geluidgevoelige gebouwen en het wijzigen van gebruik naar geluidgevoelige gebouwen in het plangebied - omgevingsplan nieuw deel.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van het omgevingsplan feitelijk aanwezig waren, voor zover deze direct voor de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming was met de op dat moment geldende regels van het omgevingsplan of een verleende omgevingsvergunning. Artikel 5.99 Bouwregels geluidgevoelige gebouwen Voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw in het plangebied - omgevingsplan nieuw deel gelden de volgende regels: a. indien voor een nieuwe woning of bij vervangende nieuwbouw van een woning een hogere waarde wordt vastgesteld die meer dan 3 dB hoger ligt dan de standaardwaarde, dient ten minste één geluidsluwe gevel gerealiseerd te worden; b. bij een nieuwe woning dient ten minste één slaapkamer gesitueerd te worden aan de zijde van de geluidsluwe gevel; c. bij een nieuwe woning of bij vervangende nieuwbouw, indien deze beschikt over één of meerdere buitenruimtes, dient bij ten minste één buitenruimte het geluidsniveau niet meer te bedragen dan 5 dB hoger dan de standaardwaarde; d. een nog niet geprojecteerde woning binnen de bebouwde kom die door de gekozen situering een open plaats tussen de aanwezige bebouwing opvult, in combinatie met nog niet geprojecteerde bebouwing, dient ter vervanging van ter plaatse reeds aanwezige bebouwing, en leidt tot een verbetering van de directe leefomgeving; e. wanneer een weg een verkeersverzamelfunctie vervult, dient bij minimaal een gelijk aantal woningen als waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, een aanmerkelijke geluidreductie op te treden. Artikel 5.100 Bouwregels binnen een geluidzone - industrie Binnen de geluidzone - industrie, vastgesteld krachtens artikel 40 van de Wetgeluidhinder, die op grond van artikel 3.6 eerste lid van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet van toepassing is, is het bouwen van geluidgevoelige objecten uitsluitend toegestaan indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein Schansdijk/De Koekoek op de gevels van deze objecten niet hoger dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, dan wel een rechtmatig vastgestelde hogere grenswaarde. Afdeling 5.4.2 Sloopactiviteiten Paragraaf 5.4.2.1 Algemene bepalingen Artikel 5.101 Aanwijzing activiteiten Deze afdeling is van toepassing op het slopen van bouwwerken in het plangebied - omgevingsplan nieuw deel. Artikel 5.102 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. de duurzaamheid; en d. het voorkomen van hinder en overlast. Paragraaf 5.4.2.2 Slopen in een restrictiegebied archeologie Artikel 5.103 Toepassingsbereik paragraaf 5.4.2.2 Slopen in een restrictiegebied archeologie Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten binnen het restrictiegebied archeologische verwachtingswaardengebied: a. het slopen of laten slopen van bouwwerken. Artikel 5.104 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het herstel en behoud van archeologische waarden. Artikel 5.105 Vergunningplicht
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.103 genoemde activiteiten te verrichten binnen het restrictiegebied archeologische verwachtingswaardengebied indien de activiteit dieper reikt dan aangegeven met diepte onder het maaiveld en die een minimum grondoppervlakte bestrijkt als aangegeven met minimum grondoppervlakte.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor activiteiten: a. waarvoor grondwerkzaamheden onder het bestaande maaiveld worden uitgevoerd:
- met een (gezamenlijk) oppervlakte kleiner dan de aangegeven oppervlakte van de bodemverstoring; en
- die minder diep gaan dan de aangegeven diepte van de bodemverstoring waarbij: I. zonder heipalen kan worden gebouwd; of, II. met heipalen wordt gebouwd en volgens het palenplan de totale verstoring door heipalen niet meer bedraagt dan 2% van de oppervlakte van het bouwwerk en de afstand tussen de rijen heipalen tenminste 4 meter bedraagt. b. normaal onderhoud en beheer betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel; of d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. Artikel 5.106 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.105 wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de oogmerken bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.107 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.105, worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de locatie van de voorgenomen activiteiten; b. aard en omvang van de activiteiten; en c. een archeologisch onderzoek waarin:
- de archeologische waarden van de locatie worden beschreven;
- de gevolgen van de voorgenomen activiteit worden beschreven in het kader van de archeologische waarden van de locatie; en
- eventuele maatregelen worden beschreven die moeten worden getroffen om de archeologische waarden te behouden. Artikel 5.108 Vergunningvoorschriften Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende voorschriften verbinden aan de vergunning, als bedoeld in artikel 5.105: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en c. een verplichting om de uitvoering van de activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Titel 5.5 Milieubelastende activiteiten (gereserveerd) Titel 5.6 Verrichten van werken en werkzaamheden Afdeling 5.6.1 Activiteiten op of in de bodem Paragraaf 5.6.1.1 Het beschermen van infrastructuur Artikel 5.109 Toepassingsbereik 5.6.1.1 Het beschermen van infrastructuur Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het werkingsgebied (vaar)weg: a. het indrijven van voorwerpen in de bodem; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; en c. het aanleggen van, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Artikel 5.110 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behouden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; b. het benutten van de fysieke leefomgeving; en c. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.111 Specifieke zorgplicht Beschadiging van in de grond aanwezige werken wordt zoveel mogelijk voorkomen. Artikel 5.112 Toegestane activiteiten Alleen de volgende activiteiten zijn toegestaan in het werkingsgebied (vaar)weg: a. activiteiten die al in uitvoering waren voor inwerkingtreding van dit plan; en b. activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van het betreffende onderdeel van de fysieke leefomgeving worden verricht in verband met de oogmerken genoemd in artikel 5.
- Artikel 5.113 Vergunningplicht In het werkingsgebied (vaar)weg is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten als bedoeld in artikel 5.109 te verrichten, anders dan de activiteiten genoemd in artikel 5.
- Artikel 5.114 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.113, wordt alleen verleend als de oogmerken als bedoeld in artikel 5.110 niet onevenredig worden geschaad. Artikel 5.115 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.113, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. de te gebruiken materialen; h. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; i. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en j. een advies van beheerder van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het beperkingengebied is aangewezen. Paragraaf 5.6.1.2 Het beschermen van archeologische waarden Artikel 5.116 Toepassingsbereik paragraaf 5.6.1.2 Het beschermen van archeologische waarden Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten binnen het restrictiegebied archeologische verwachtingswaardengebied: a. het ontgronden, (ver- en of af-)graven, dempen, afschuiven, ophogen, egaliseren, woelen, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband hangende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen van het grondwaterpeil; en e. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd over een gebied dat de ter plaatse geldende vrijstellingsgrenzen overschrijdt. Artikel 5.117 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het herstel en behoud van archeologische waarden. Artikel 5.118 Vergunningplicht
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.116 genoemde activiteiten te verrichten binnen het werkingsgebied archeologische verwachtingswaardengebied indien de activiteit dieper reikt dan aangegeven met diepte onder het maaiveld en die een minimum grondoppervlakte bestrijkt als aangegeven met minimum grondoppervlakte.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor activiteiten die: a. normaal onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel; en c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. die bestaan uit het ophogen van gronden, waarbij:
- de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m2; en
- het ophogen plaatsvindt op gronden die niet zettingsgevoelig zijn. Artikel 5.119 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.118 wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de oogmerken bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.120 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.118, worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de locatie van de voorgenomen activiteiten; b. aard en omvang van de activiteiten; c. informatie over:
- de te gebruiken materialen;
- de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
- de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; d. een archeologisch onderzoeksrapport conform KNA-richtlijnen waarin:
- de archeologische waarden van de locatie worden beschreven;
- de gevolgen van de voorgenomen activiteit worden beschreven in het kader van de archeologische waarden van de locatie;
- eventuele maatregelen worden beschreven die moeten worden getroffen om de archeologische waarden te behouden. Artikel 5.121 Vergunningvoorschriften Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende voorschriften verbinden aan de vergunning, bedoeld in artikel 5.118: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en c. een verplichting om de uitvoering van de activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Paragraaf 5.6.1.3 Het beschermen van een waterstaat - waterkering Artikel 5.122 Toepassingsbereik paragraaf 5.6.1.3 Het beschermen van een waterstaat - waterkering Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten binnen het beperkingengebied waterstaat - waterkering: a. het ophogen van gronden, het dempen van watergangen; b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; en c. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen. Artikel 5.123 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behouden van de staat en werking van waterkeringen voor nadelige gevolgen van activiteiten; b. het benutten van de fysieke leefomgeving; en c. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.124 Vergunningplicht
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteiten als bedoeld in artikel 5.122 te verrichten in het beperkingengebied waterstaat - waterkering.
- Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van activiteiten die het normale onderhoud en beheer betreffen. Artikel 5.125 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.124 wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de oogmerken bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.126 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.124, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. de te gebruiken materialen; h. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; i. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en j. een advies van beheerder van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het beperkingengebied is aangewezen. Paragraaf 5.6.1.4 Het beschermen van een rioolleiding Artikel 5.127 Toepassingsbereik paragraaf 5.6.1.4 Het beschermen van een rioolleiding Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten binnen het beperkingengebied rioolleiding: a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het aanleggen van andere kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; en f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Artikel 5.128 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behouden van de staat en werking van rioolleidingen voor nadelige gevolgen van activiteiten; b. het benutten van de fysieke leefomgeving; en c. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.129 Vergunningplicht
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteiten als bedoeld in artikel 5.127 te verrichten in het beperkingengebied rioolleiding.
- Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van activiteiten die het normale onderhoud en beheer betreffen. Artikel 5.130 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.129 wordt alleen verleend als door het verrichten van de activiteit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de oogmerken bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.131 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.129, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. de te gebruiken materialen; h. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; i. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; en j. een advies van beheerder van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het beperkingengebied is aangewezen. Afdeling 5.6.2 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren Paragraaf 5.6.2.1 Het aanleggen en in stand houden van een (vaar)weg Artikel 5.132 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een (vaar)weg in het werkingsgebied (vaar)weg Artikel 5.133 Algemene regels De volgende activiteiten zijn toegestaan in het werkingsgebied (vaar)weg: a. het aanleggen en in stand houden van een (vaar)weg; b. het plaatsen van opstallen van algemeen nut, zoals straatmeubilair en afvalinzamelvoorzieningen; c. parkeer-, en groenvoorzieningen; d. geluidwerende voorzieningen; e. water, wateropvang- en infiltratievoorzieningen; f. leidingen en openbare nutsvoorzieningen; en g. bijbehorende kunstwerken. Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud (gereserveerd) Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen (gereserveerd) Hoofdstuk 8 Overgangsrecht Afdeling 8.1 Overgangsrecht bestaande omgevingsbelastingen Artikel 8.1 Overgangsregeling bedrijfsmatige activiteiten
- De omgevingsbelasting van bedrijfsmatige activiteiten in de vorm van geluidbelasting, geurbelasting en trillingsbelasting op gevoelige gebouwen, die in strijd is met een daarvoor in dit omgevingsplan gestelde regel en die was toegestaan op het moment van de inwerkingtreding van het eerste vaststellingsbesluit van dit omgevingsplan, mag worden voortgezet gedurende drie jaar na inwerkingtreding van het vaststellingsbesluit.
- Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee een langere voortzetting wordt mogelijk gemaakt. Afdeling 8.2 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 8.2 Overgangsregeling bestaande bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het eerste vaststellingsbesluit van dit omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en afwijkt van dit omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, dan wel na het teniet gaan als gevolg van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het eerste vaststellingsbesluit van dit omgevingsplan, maar die zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het bestemmingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan. Afdeling 8.3 Overgangsrecht bestaande gebruiksactiviteiten Artikel 8.3 Overgangsregeling bestaande activiteiten
- De gebruiksactiviteiten die werden verricht op het moment voorafgaand aan inwerking treding van het eerste vaststellingsbesluit van dit omgevingsplan en die in strijd zijn met dit omgevingsplan mogen worden voortgezet.
- Gebruiksactiviteiten die met het omgevingsplan in strijd zijn en die met het bestemmingsplan in strijd waren, worden niet veranderd in andere strijdige gebruiksactiviteiten, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien de gebruiksactiviteiten, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van het eerste vaststellingsbesluit van dit omgevingsplan, langer dan een jaar zijn onderbroken, worden deze gebruiksactiviteiten niet hervat.
- Het eerste lid is niet van toepassing op gebruiksactiviteiten die in strijd waren met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Hoofdstuk 9 [Gereserveerd] Hoofdstuk 10 [Gereserveerd] Hoofdstuk 11 [Gereserveerd] Hoofdstuk 12 [Gereserveerd] Hoofdstuk 13 [Gereserveerd] Hoofdstuk 14 [Gereserveerd] Hoofdstuk 15 [Gereserveerd] Hoofdstuk 16 [Gereserveerd] Hoofdstuk 17 [Gereserveerd] Hoofdstuk 18 [Gereserveerd] Hoofdstuk 19 [Gereserveerd] Hoofdstuk 20 [Gereserveerd] Hoofdstuk 21 Wijzigingsplannen (gereserveerd) Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
- Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerstelid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.290, Artikel 22.291, Artikel22.293tot en met Artikel22.296en Artikel22.298wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
- Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 - Vervallen Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
- Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in Artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
- Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
- De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
- Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
- Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
- De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
- Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
- Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
- De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
- Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
- Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
- de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
- geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
- Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
- Bij de toepassing van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
- Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- gelegen in achtererfgebied;
- op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
- niet hoger dan 5 m;
- de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
- niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- niet hoger dan 5 m; en
- de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
- voorzien van een plat dak;
- gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
- onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
- bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
- zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- niet hoger dan 4 m; en
- alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
- op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
- achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
- een silo; of
- een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
- geen uitbreiding van het bouwvolume; en
- geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naa