act/gemeente/2024/CVDR696355 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0556/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-05-07 2026-05-07 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696355/nld@2026-05-07 /join/id/proc
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die uitsluitend binnen een gebouw worden verricht. Artikel 4.15 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: a. Bouwen – lokale spoorweg – Afdeling 5.2.4; b. Sloopactiviteiten – lokale spoorweg – Afdeling 5.2.5; c. Activiteiten op of in de bodem – lokale spoorweg – Afdeling 5.4.5; Paragraaf 4.2.3.5 Restrictiegebied leiding riool Artikel 4.16 Aanwijzing en geometrische begrenzing restrictiegebied leiding riool Er is een ‘Restrictiegebied leiding - riool’ waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.17 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: a. Bouwen – restrictiegebied leiding riool – Afdeling 5.2.5 ; b. Activiteiten op of in de bodem – restrictiegebied leiding riool - Afdeling 5.4.6 ; Hoofdstuk 5 Regels over activiteiten Titel 5.1 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving Afdeling 5.1.1 Algemeen Artikel 5.1 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen of beperken van hinder; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van het milieu; en e. het waarborgen van de veiligheid. Afdeling 5.1.2 Parkeren Artikel 5.2 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en benutten van gronden in het werkingsgebied ‘Station west’ ten behoeve van parkeren. Artikel 5.3 Voorzien in voldoende parkeergelegenheid a. Degene die een bouwactiviteit of gebruiksactiviteit verricht, moet voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen ten behoeve van de betreffende activiteit op eigen terrein. b. Bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen moet worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid, te weten de Beleidsregel parkeren Maassluis 2022 of diens rechtsopvolger. Artikel 5.4 Toepassing normen Parkeervoorzieningen moeten voldoen aan: a. de CROW-richtlijnen, waaronder de ASVV, voor normvoertuigen en verkeersveiligheid; b. de NEN 2443 – Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in garages, inclusief toelichtingen; c. de aanvullende inzichten en verduidelijkingen zoals opgenomen in de notitie ‘Actuele inzichten NEN 2443’, april 2024 of diens opvolger. Artikel 5.5 Realiseren van parkeervoorzieningen a. Bij het bouwen van een bouwwerk moet worden voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeerplaatsen voor auto’s en fietsen. b. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald aan de hand van het op het tijdstip van de vergunningverlening geldende gemeentelijke parkeerbeleid. c. De parkeerplaatsen moeten uiterlijk gelijktijdig met de ingebruikname van het bouwwerk zijn gerealiseerd en beschikbaar zijn. Artikel 5.6 Inpassing van parkeervoorzieningen 1. Parkeerplaatsen die binnen bouwvelden worden gerealiseerd, moeten uit het zicht worden gesitueerd door: a. plaatsing in een (half)verdiepte parkeervoorziening, of b. plaatsing op maaiveld onder een groen dek of achter de bebouwing. 2. De entrees van parkeervoorzieningen moeten architectonisch worden geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw of gebouwencomplex. 3. Gevels van parkeervoorzieningen die grenzen aan de openbare ruimte moeten zodanig worden vormgegeven dat: a. minimaal 30% van het gevelvlak open of transparant is; of b. indien dit minder dan 30% bedraagt, ten minste 50% van het gevelvlak wordt voorzien van verticale of horizontale beplanting (groene gevel) of een gelijkwaardige hoogwaardige afwerking; c. gesloten gevelvlakken niet langer zijn dan 15 meter zonder onderbreking door transparante delen, entrees of beplanting. 4. Voor parkeervoorzieningen zoals
Artikel 5
.6, eerste lid, onder b, geldt dat deze voor minimaal 80% van de omtrek van de rooilijn van een gebouw, gebouwencomplex of bouwblok op ten minste 3,5 meter achter diezelfde rooilijn moeten liggen.
- De breedte van in- en uitritten van parkeervoorzieningen moet voldoen aan de maatvoeringseisen uit de NEN
- Artikel 5.7 Opstelruimte en veiligheid a. Voor de uitritcontrole (slagboom of speedgate) tot aan de openbare weg moet minimaal 5,00 meter opstelruimte beschikbaar zijn, overeenkomstig paragraaf 6.3.3 van de notitie Actuele inzichten NEN 2443 of diens opvolger. b. Indien de opstelruimte geheel of gedeeltelijk over het trottoir loopt, moet aan weerszijden van de in- of uitrit een fysieke barrière worden geplaatst met een minimale lengte van 1,70 meter, zodanig dat voetgangers zich niet in de uitzichtdriehoek begeven. Artikel 5.8 Maatwerk- en vergunningvoorschriften Het bevoegd gezag kan, met toepassing van artikel 4.5 van de Omgevingswet, bij omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen in deze afdeling indien: a. dit noodzakelijk is vanwege bijzondere stedenbouwkundige, architectonische of landschappelijke omstandigheden; b. indien een andere oplossing wordt geboden die voorziet in een gelijkwaardige mate van parkeervoorziening. Titel 5.2 Bouwactiviteiten en sloopactiviteiten Afdeling 5.2.1 Bouwen hoofdgebouwen Artikel 5.9 Bouwregels Chopinstraat
- Binnen het werkingsgebied ‘Sportzaal’ is de realisatie van een fietsenstalling toegestaan met een maximale oppervlakte van 450 m².
- De hoofdgebouwen bestaan uit blokken met gestapelde woningen met daarvan onderdeel uitmakende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer.
- De hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m.
- In afwijking van het bepaalde onder b, geldt voor de plint van hoofdgebouwen dat indien andere functies dan wonen plaatsvinden, de bouwlaag een hoogte heeft van maximaal 4,5 m.
- In afwijking van het bepaalde onder b mag binnen het werkingsgebied ‘Hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn.
- Hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing.
- Binnen het werkingsgebied ‘Sportzaal’ is een sportzaal toegestaan in de eerste bouwlaag.
- Het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op: a. de ruimtelijke kwaliteit van het openbaar gebied; b. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; c. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; d. de vekeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen
- Wanneer een gebouw hoger is dan 5 bouwlagen of 15 m ligt de bovenste bouwlaag terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback is minimaal 2,5 m.
- Voor het bouwen van een sportzaal geldt specifiek: a. de plint heeft een representatieve uitstraling. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met het beeldkwaliteitsplan Station West, vastgesteld op 3 december
- b. de sportzaal is in technisch en constructief opzicht een vrijstaand gebouw. De uiterlijke verschijningsvorm is zodanig dat de sportzaal onderdeel uitmaakt van het samengestelde gebouwencomplex. c. de hoofdentree van de sportzaal bevindt zich aan de spoorzijde.
- Er wordt een collectieve buitenruimte van minimaal 10% van het oppervlak van het werkingsgebied aangelegd. Deze collectieve buitenruimte is openbaar toegankelijk.
- Ten minste 10 - 40% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Formele oppervlakte type groen Rekenfactor type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied. 100% Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privetuinen Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 50% Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Per cm van de dikte van de grondlaag een procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt. a. Wanneer een groen dak gecombineerd wordt met zonnepanelen wordt de oppervlakte van het groene dak onder de zonnepanelen meegerekend indien tussen bovenkant grondlaag en onderkant zonnepaneel/constructie minimaal 40 cm vrije ruimte aanwezig is. b. het aantal bouwlagen bedraagt minimaal 3 en maximaal 6; c. in afwijking van het bepaalde onder j mag binnen het werkingsgebied ‘Hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn; d. hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing; e. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. Artikel 5.10 Bouwregels Haydnlaan Binnen het werkingsgebied ‘Haydnlaan’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. als hoofdgebouwen worden gebouwd blokken van drie of meer rijwoningen; b. het aantal bouwlagen van de woningen bedraagt 2 of 3; c. de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; d. de hoofdgebouwen worden zo gesitueerd dat de diepte van het achtererfgebied, gerekend vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw ten minste 6 m bedraagt; e. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving'; f. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op:
- de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
- het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
- de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden dan wel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen. g. ten minste 35 - 60% tot van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Formule oppervlakte type groen Rekenfactor type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 100% Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied. 50% Groen op daken en dekken met een grondlaag van miinimaal 10 cm. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied. Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt. Artikel 5.11 Bouwregels Koningshoek II Binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. de peilhoogte van het bouwblok moet voldoen aan de in het omgevingsplan vastgestelde algemene peilhoogte. b. de hoofdgebouwen bestaan uit blokken met gestapelde woningen met daarvan onderdeel uitmakende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer; c. de bebouwing bestaat uit maximaal 5 bouwlagen; d. de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; e. de bovenste bouwlaag ligt terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback bedraagt minimaal 2 m. f. maximaal 75% van het werkingsgebied mag worden gebouwd; g. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’; h. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op:
- de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
- het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
- de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden dan wel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; i. minimaal 20 - 70% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Formule oppervlakte type groen Rekenfactor type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 100% Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 50% Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt. Artikel 5.12 Bouwregels Uiverlaan Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. Er komen niet meer dan 100 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen; b. de hoofdgebouwen bestaan uit:
- blokken met gestapelde woningen met daarvan onderdeel uitmakende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer;
- blokken van drie of meer grondgebonden rijwoningen; c. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op:
- de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
- het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
- de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; d. de grondgebonden woningen hebben maximaal 3 bouwlagen; e. de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; f. voor de gestapelde woningen geldt:
- het aantal bouwlagen bedraagt minimaal 3 en maximaal 6;
- de maximale hoogte van een bouwlaag bedraagt 3 m;
- in afwijking van het bepaalde onder ii geldt dat in de zone die grenst aan de Logger het aantal bouwlagen 3 bedraagt;
- in afwijking van het bepaalde onder ii mag binnen het werkingsgebied ‘hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn;
- hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing;
- wanneer een gebouw hoger is dan 5 bouwlagen of 15 m ligt de bovenste bouwlaag terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback is minimaal 2 m. g. er wordt een collectieve buitenruimte van 25 tot 35% van het oppervlak van het werkingsgebied aangelegd. Deze collectieve buitenruimte is openbaar toegankelijk; h. ten minste 25 - 60% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Formule oppervlakte type groen Rekenfactor type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond. Vierkante meter groen oppervlakte vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door de oppervlakte werkingsgebied. 100% Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen. Vierkante meter tuinoppervlakte vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door de oppervlakte werkingsgebied. 50% Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm. Vierkante meter oppervlakte vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door de oppervlakte werkingsgebied. Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt. a. wanneer een groen dak gecombineerd wordt met zonnepanelen wordt de oppervlakte van het groene dak onder de zonnepanelen meegerekend indien tussen bovenkant grondlaag en onderkant zonnepaneel/constructie minimaal 40 cm vrije ruimte aanwezig is; b. het parkeren van bewoners wordt op eigen terrein opgelost door middel van een ondergrondse danwel half verdiepte parkeergarage of een parkeergarage in de eerste bouwlaag (met eisen aan gevel/niet doorzichtig/beplanting, etc); c. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. Artikel 5.13 Bouwregels Stationsgebied Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. een kiosk met afmetingen van 400 m
- Artikel 5.14 Bouwregels Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. voor nieuwe hoofdgebouwen kan slechts een vergunning worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- er komen niet meer dan 100 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen;
- alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn gebouwd;
- alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn voor ten minste 75% in gebruik genomen;
- als gevolg van de te vervallen parkeerplaatsen en de toevoeging van de nieuwbouw inclusief de theoretische parkeerbehoefte mag de bezettingsgraad van de openbare parkeerplaatsen binnen het werkingsgebied wijzigingsbesluit ‘Station West’ niet hoger uitkomen dan 85%;
- Bij de berekening van de bezettingsgraad wordt aangesloten bij de beleidsregel
Afdeling 5
.1.2 .
b. de hoofdgebouwen bestaan uit blokken met gestapelde woningen met daarbij behorende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer; c. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op:
- de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
- het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
- de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; d. indien er meerdere verdiepingen worden gebouwd, ligt de bovenste verdieping terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback bedraagt ten minste 2 m; e. er wordt een collectieve buitenruimte van 25 tot 40% van het oppervlak van het werkingsgebied aangelegd. Deze collectieve buitenruimte is openbaar toegankelijk; f. 20% - 50% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Formule oppervlakte type groen Rekenfactor type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 100% Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 50% Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm. Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied. Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt. a. wanneer een groen dak gecombineerd wordt met zonnepanelen wordt de oppervlakte van het groene dak onder de zonnepanelen meegerekend indien tussen bovenkant grondlaag en onderkant zonnepaneel/constructie minimaal 40 cm vrije ruimte aanwezig is; b. het aantal bouwlagen bedraagt minimaal 3 en maximaal 6; c. de maximale hoogte van een bouwlaag bedraagt 3 m; d. in afwijking van het bepaalde onder h mag binnen het werkingsgebied ‘Hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn; e. hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing; f. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. Afdeling 5.2.2 Bouwen bijbehorende bouwwerken Artikel 5.15 Bouwregels Chopinstraat Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten. Artikel 5.16 Bouwregels Haydnlaan Binnen het werkingsgebied ‘Haydnlaan’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten met een grotere oppervlakte dan de oppervlakte
Artikel 22.36 onder a sub 3.
Artikel 5.17 Bouwregels Koningshoek II Binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten. Artikel 5.18 Bouwregels Uiverlaan 1. Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ is het niet toegestaan om bij grondgebonden woningen bijbehorende bouwwerken op te richten met een grotere oppervlakte dan de oppervlakte
Artikel 22.36 onder a sub 3.
2. Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten bij gestapelde woningen. Artikel 5.19 Bouwregels Stationsgebied Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten. Artikel 5.20 Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplann’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten. Afdeling 5.2.3 Bouwen bouwwerken geen gebouwen zijnde Artikel 5.21 Bouwregels Chopinstraat Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.22 Bouwregels Koningshoek II Binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ is het niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.23 Bouwregels Uiverlaan Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ is het op erven behorende bij gestapelde woningen niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.24 Bouwregels Stationsgebied Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ gelden voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde: op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.25 Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijke toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan’ is het niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten. Afdeling 5.2.4 Bouwen Beperkingengebied - lokale spoorweg Artikel 5.26 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over bouwactiviteiten binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’. Artikel 5.27 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg Artikel 5.28 Vrijstelling vergunningplicht Beschermingszone lokale spoorweg Het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’ niet voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; en b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m. Artikel 5.29 Vrijstelling vergunningplicht Buitenste beschermingszone lokale spoorweg Het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’ niet voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; en b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg. Artikel 5.29a Meldplicht 1. Binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ is het verboden de activiteiten,
artikel 5.28, te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Een melding bevat: a. een beschrijving van:
- de wijze waarop de activiteit wordt verricht;
- het te gebruiken materieel; en
- het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand.
- In aanvulling op het Artikel 5.29a, tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond datde erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor.
- In aanvulling op het Artikel 5.29a, tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld. Artikel 5.29b Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden a. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten,
Artikel 5.28 binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’.
b. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving:
- de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
- de verwachte duur ervan. c. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit. Afdeling 5.2.5 Bouwen - restrictiegebied leiding riool Artikel 5.30 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over bouwactiviteiten binnen het ‘Restrictiegebied leiding - riool’. Artikel 5.31 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de straat en werking van infrastructuur; b. het beschermen van de werking van leidingen; c. het voorkomen of beperken van hinder; d. het beschermen van de gezondheid; e. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.32 Bouwregels
- Binnen het Restrictiegebied leiding - riool gelden voor het bouwen de volgende regels: a. bouwwerken staan ten dienste van de betreffende leiding; b. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 m;
- In afwijking van het bepaalde in Artikel 5.32, eerste lid kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het bouwen indien: a. door de bouwwerken geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; en b. hiertoe vooraf positief schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s). c. voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding is gedaan. Afdeling 5.2.6 Sloopactiviteiten - lokale spoorweg Artikel 5.33 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over het slopen van bouwwerken binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’. Artikel 5.34 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg. Artikel 5.35 Vrijstelling vergunningplicht Beschermingszone lokale spoorweg Het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor het slopen van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m. Artikel 5.36 Vrijstelling vergunningplicht Buitenste beschermingszone lokale spoorweg Het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor het slopen van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’; en b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’. Artikel 5.37 Meldplicht 1. Binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ is het verboden de activiteiten,
Artikel 5
.36 te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Een melding bevat: a. een beschrijving van:
- de wijze waarop de activiteit wordt verricht;
- het te gebruiken materieel; en
- het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand.
- In aanvulling op het Artikel 5.37, tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond datde erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor.
- In aanvulling op het Artikel 5.37, tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld. Artikel 5.38 Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden a. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten,
Artikel 5.36 binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’.
b. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving:
- de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
- de verwachte duur ervan. c. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit. Titel 5.3 Gebruiksactiviteiten Afdeling 5.3.1 Algemeen Artikel 5.39 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als
deze titel worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd: b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; h. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; i. de verwachte verkeersaantrekkende werking; j. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- de situering van het bouwwerk waarin de activiteit gaat plaatsvinden ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; en
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; k. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein en een berekening van de parkeerbehoefte. Artikel 5.40 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor gebruiksactiviteiten als bedoeld deze titel kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op: a. gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. parkeren; e. verkeersafwikkeling; f. opslag op open erven en terreinen; g. maatregelen ter bescherming van personen in kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen of op die locaties of het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties. Artikel 5.41 Geluidonderzoek
- Een geluidonderzoek wordt verricht bij het verrichten van de activiteit
Artikel 5.50 Afdeling 5.3.6 en Artikel 5.49 Afdeling 5.3.5.
2. Uit het rapport van een geluidonderzoek,
het Artikel 5.41, eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden,
de paragrafen Subparagraaf 22.3.4.2, Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. c. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden. Artikel 5.42 Gegevens en bescheiden: geluidonderzoek a. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit
Artikel 5
.50 Afdeling 5.3.6 wordt een rapport van een geluidonderzoek
Artikel 5.41 verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
b. Ten minste vier weken voordat de activiteit
Artikel 5
.50 Afdeling 5.3.6 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. c. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit
Artikel 5
.49 Afdeling 5.3.5 wordt een rapport van een geluidonderzoek
Artikel 5.41 verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
d. Ten minste vier weken voordat de activiteit
Artikel 5
.49, Afdeling 5.3.5 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Afdeling 5.3.2 Detailhandel Artikel 5.43 Chopinstraat 1. Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandelsactiviteiten te verrichten. 2. De vergunning,
het Artikel 5.43, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van perifere detailhandel; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Titel 5
.1; c.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau Artikel 5.44 Stationsgebied 1. Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandelsactiviteiten te verrichten. 2. De vergunning,
het Artikel 5.44, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van perifere detailhandel; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Titel 5
.1; c.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau Afdeling 5.3.3 Horeca Artikel 5.45 Chopinstraat 1. Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning horeca-activiteiten te verrichten. 2. De vergunning,
het Artikel 5.45, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van horeca in de categorie 1 of 2; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Titel 5
.1; c.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau. Artikel 5.46 Horeca als functioneel ondersteunende activiteit Horeca als functioneel ondersteunende activiteit is toegestaan bij de volgende kernactiviteiten: a. Maatschappelijke activiteiten; b. Sport. Artikel 5.47 Horeca als nevenactiviteit 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit als nevenactiviteit te verrichten. 2. De vergunning,
het Artikel 5.47, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Titel 5
.1; b.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; c. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; d. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; f. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau. Afdeling 5.3.4 Maatschappelijk Artikel 5.48 Chopinstraat 1. Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning maatschappelijke activiteiten te verrichten 2. De vergunning,
het Artikel 5.48, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van maatschappelijke activiteiten in de vorm van overheids-, medische, sociaal-culturele of vergelijkbare voorzieningen; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Titel 5
.1; c.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau Afdeling 5.3.5 Sport Artikel 5.49 Chopinstraat De gronden binnen het werkingsgebied ‘Sportzaal’ mogen worden gebruikt voor: a. het bieden van gelegenheid tot binnensport in een sportzaal met een maximale bruto vloeroppervlakte van 2.000 m2; de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Afdeling 5.3.6 Wonen Artikel 5.50 Algemene regels voor wonen a. Binnen het werkingsgebied ‘Maximaal 400 woningen’ zijn maximaal 400 woningen toegestaan; b. In één woning woont slechts één huishouden. c. In afwijking van het bepaalde onder b zijn in een woning ook minder traditionele woonvormen toegestaan, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners. Hieraan wordt voldaan als sprake is van de volgende omstandigheden:
- het niet meer dan drie bewoners per woning betreft;
- de bewoners op het betreffende adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie;
- alle gezamenlijke ruimtes zoals woonkamer, keuken, toilet en badkamer gezamenlijk worden gebruikt;
- er een minimale woonoppervlak is van 25 m2 per persoon;
- er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlak van minder dan 13 m2 er maximaal een persoon per slaapkamer wordt gehuisvest;
- er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlakte van 13 m2 of meer er maximaal twee personen per slaapkamer worden gehuisvest. Artikel 5.51 Chopinstraat De gronden binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ worden gebruikt voor: a. gestapelde woningen; b. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.52 Haydnlaan De gronden binnen het werkingsgebied ‘Haydnlaan’ worden gebruikt voor: a. rijwoningen; b. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.53 Koningshoek II De gronden binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ worden gebruikt voor: a. gestapelde woningen; b. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.54 Uiverlaan De gronden binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ worden gebruikt voor: a. gestapelde woningen; b. rijwoningen; c. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.55 Bouwveld A - ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan
- Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A - Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning nieuwe woningen toe te voegen.
- De vergunning,
het Artikel 5.55, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden gestapelde woningen gerealiseerd; b. er komen niet meer dan 100 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen; c. alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn gebouwd; d. alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn voor ten minste 75% in gebruik genomen; e. als gevolg van de te vervallen parkeerplaatsen en de toevoeging van de nieuwbouw inclusief de theoretische parkeerbehoefte mag de bezettingsgraad van de openbare parkeerplaatsen binnen het werkingsgebied wijzigingsbesluit ‘Station West’ niet hoger uitkomen dan 85%; f. Bij de berekening van de bezettingsgraad wordt aangesloten bij de beleidsregel
Afdeling 5
.1.2.
Artikel 5.56 Algemene regels voor Zorgwoningen
- Binnen het werkingsgebied ‘Station west’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken ten behoeve van zorgwoningen:
- De vergunning,
het Artikel 5.56, eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Titel 5
.1; b.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; c. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; d. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; f. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau Titel 5.4 Activiteiten op en in de bodem Afdeling 5.4.1 Algemeen Artikel 5.57 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
Titel 5
.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. de te gebruiken materialen; h. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; i. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; j. de te gebruiken materialen; k. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; l. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit. Artikel 5.58 Vergunningvoorschriften a. Aan een omgevingsvergunning voor gebruiksactiviteiten als
Titel 5
.4 kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de oogmerken ten behoeve waarvan de regels zijn gesteld. b. Aan een vergunning als
Artikel 5.57 kunnen specifiek de volgende voorschriften worden verbonden: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals
de Monumentenwet 1988;
- de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. Afdeling 5.4.2 Activiteiten op of in de bodem in openbaar gebied Artikel 5.59 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen het werkingsgebied ‘Openbaar gebied’ en gaan over: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het aanleggen van oppervlakteverharding en het verharden van gronden. Artikel 5.60 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het woon- en leefmilieu; b. het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit; c. het beschermen en bevorderen van biodiversiteit; d. klimaatadaptatie. Artikel 5.61 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer verricht door of in opdracht van de waterbeheerder of het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5.62 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in Artikel 5.59 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan Artikel 5.
- Artikel 5.63 Beoordelingsregels De vergunning
Artikel 5.62 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
ten minste 40 tot 50% van het werkingsgebied ‘openbaar gebied’ wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. b. er wordt maximaal 50 tot 60% verharding aangelegd binnen het werkingsgebied ‘openbaar groen’. Afdeling 5.4.3 Activiteiten op of in de bodem - archeologie Artikel 5.64 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen het 'Restrictiegebied - Archeologie’ en gaan over: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het waterschap; e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; j. het scheuren van grasland; k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Artikel 5.65 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en behouden van archeologische waarden. Artikel 5.66 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m²; b. niet dieper dan 300 cm onder maaiveld reiken; of c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. Artikel 5.67 Vergunningplicht Het is verboden om de in Artikel 5.64 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan Artikel 5.66. Artikel 5.68 Beoordelingsregels a. De vergunning
Artikel 5
.67 kan uitsluitend worden verleend indien door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. b. Bij het beoordeling van de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het advies van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige. Artikel 5.69 Specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
Artikel 5
.67 wordt een rapport overgelegd op basis van de in de beroepsgroep geldende normen waaruit in voldoende mate blijkt dat: a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. Afdeling 5.4.4 Activiteiten op of in de bodem - waterkering Artikel 5.70 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen het 'Beperkingengebied waterkering' en gaan over: a. het aanleggen van oppervlakteverharding en het verharden van gronden; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, bodemverlagen, ophogen of egaliseren van de bodem en aanleggen van drainagevoorzieningen en leidingen; c. het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen, met uitzondering van heipalen; d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Artikel 5.71 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en behouden van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en de bescherming van deze waterkerende functie; b. het beschermen van waterstaatkundige werken en waterkeringen; c. een goede werking en bescherming van het watersysteem. Artikel 5.72 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer verricht door of in opdracht van de waterbeheerder of het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5.73 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in Artikel 5.70 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan Artikel 5.72. Artikel 5.74 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning
Artikel 5
.73 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in Artikel 5.71 Bij de beoordeling wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. Artikel 5.75 Specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning
Artikel 5
.73 wordt ten behoeve van de toetsing aan dit omgevingsplan in elk geval een advies van de waterbeheerder overgelegd. Afdeling 5.4.5 Activiteiten op of in de bodem - lokale spoorweg Artikel 5.76 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over activiteiten op of in de bodem binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’. Artikel 5.77 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg. Artikel 5.78 Vrijstelling vergunningplicht Beschermingszone lokale spoorweg Het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m;
- de diepte van de grondroering maximaal 5 m is;
- geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en
- in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 5 m is; b. bemalingen:
- met een bemalingsdiepte van maximaal 5 m; en
- waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; c. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
- de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; en
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m; d. het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij:
- de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 5 m is; en
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m; of e. het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
- de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is;
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m. Artikel 5.79 Vrijstelling vergunningplicht Buitenste beschermingszone lokale spoorweg Het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m; of
- de grondroeringsdiepte maximaal 15 m is;
- geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en
- in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 15 m is; b. bemalingen:
- met een bemalingsdiepte van maximaal 15 m; en
- waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; c. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en het in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
- de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; en
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; d. het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij:
- de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 15 m is; en
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; of; e. het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
- de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’; en
- het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’. Artikel 5.80 Meldplicht
- Binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ is het verboden de activiteiten,
Artikel 5
.76, te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Een melding bevat: a. een beschrijving van:
- de wijze waarop de activiteit wordt verricht;
- het te gebruiken materieel; en
- het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand.
- In aanvulling op het Artikel 5.80, tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond datde erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor.
- In aanvulling op het Artikel 5.80, tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld. Artikel 5.81 Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden a. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten,
Artikel 5.76 binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’; b.
Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving:
- de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit;
- ende verwachte duur ervan. c. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit. Artikel 5.82 Algemene regels - zetting a. Dit artikel is van toepassing op:
- grondroerende activiteiten,
Artikel 5.78, onder a binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’; 2.
bemalingen,
Artikel 5.78, onder b binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’: 3.
grondroerende activiteiten,
Artikel 5
.78, onder a, met een grondroeringsdiepte van meer dan 5 m binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’; en 4. bemalingen,
Artikel 5
.78 onder b, met een bemalingsdiepte dieper dan 5 m binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’. b. Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen vindt geen zetting plaats onder het spoor. c. Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen is aantoonbaar door een deskundige zeker gesteld, dat er door de activiteit geen zetting onder het spoor plaatsvindt. Artikel 5.83 Maatwerkvoorschriften a. Het bevoegd gezag
artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan maatwerkvoorschriften stellen over de algemene regels,
Artikel 5.82.
b. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden de oogmerken van deze regels,
Artikel 5.77 in acht genomen.
Afdeling 5.4.6 Activiteiten op of in de bodem - restrictiegebied leiding riool Artikel 5.84 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over: a. het aanleggen en/of verharden van gronden, zoals wegen, fiets- en voetpaden en oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, bodemverlagen, ophogen of egaliseren van de bodem en aanleggen van (drainage)leidingen; c. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. het aanleggen van boven- of ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen anders dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; g. het verhogen of verlagen van de grondwaterstand. Artikel 5.85 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; b. het beschermen van de werking van leidingen; c. het voorkomen of beperken van hinder; d. het beschermen van de gezondheid; e. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.86 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de op de gronden toegestane functies; b. activiteiten die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het wijzigingsbesluit Maassluis West; c. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning; d. activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Artikel 5.87 Vergunningplicht Het is verboden om de in Artikel 5.84 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan Artikel 5.86. Artikel 5.88 Beoordelingsregels De vergunning
Artikel 5.87 kan uitsluitend worden verleend indien: a.
door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; en b. hierover vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. Artikel 5.89 Specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
Artikel 5
.84 wordt ten behoeve van de toetsing aan dit omgevingsplan in elk geval een advies van de desbetreffende beheerder van de leiding overgelegd. Hoofdstuk 6 Instandhoudingsverplichting Afdeling 6.1 Woningbouwcategorieën Artikel 6.1 Toepassingsbereik
- De regels in deze afdeling hebben betrekking op: a. sociale huurwoningen; b. middenhuurwoningen; c. betaalbare koopwoningen.
- Deze regels zijn van toepassing op bouw- en gebruiksactiviteiten, waaronder begrepen nieuwbouw, herontwikkeling en functiewijziging, binnen het werkingsgebied, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op het realiseren en instandhouden van de in het eerste lid genoemde woningbouwcategorieën.
- De regels in deze afdeling zijn van toepassing op woningen die zijn gerealiseerd ter uitvoering van het woningbouwprogramma als
het Artikel 6.2 van dit omgevingsplan. Artikel 6.2 Woningbouwprogrammering
- Binnen het werkingsgebied Station West bestaat het woningbouwprogramma, voor zover sprake is van woningen, voor minimaal 90% uit betaalbare woningen.
- Onder betaalbare woningen worden verstaan: a. sociale huurwoningen; b. middenhuurwoningen; c. betaalbare koopwoningen, waaronder duurzaam betaalbare koop.
- Het aandeel overige woningbouwsegmenten bedraagt maximaal 10% van het totale woningbouwprogramma als
Artikel 6.2, eerste lid.
- Zorggebouwen en zorgvoorzieningen die niet als woning in de zin van dit omgevingsplan worden aangemerkt, worden niet meegeteld bij de berekening van de in dit artikel genoemde percentages.
- Indien een zorggebouw of zorgvoorziening als
Artikel 6
.2, vierde lid blijvend zijn zorgfunctie verliest en wordt omgezet naar wonen, geldt dat: a. per twee zorgplaatsen maximaal een woning mag worden gerealiseerd; en b. deze woning dient te worden aangemerkt als betaalbare woning als
Artikel 6.2, tweede lid.
Artikel 6.3 Normadressaat Aan de regels van deze afdeling wordt voldaan door de eigenaar, de verhuurder of degene die anderszins gerechtigd is tot het gebruik van de woning. Artikel 6.4 Woning differentiatie
- Binnen het plangebied bedraagt het totaal aantal te realiseren woningen ten minste 350 en ten hoogste 400 woningen.Daarnaast mogen maximaal 40 zorgunits worden gerealiseerd. Deze zorgunits worden niet aangemerkt als woningen, maar worden voor de toepassing van de woningbouwprogrammering gerekend als equivalent van 20 woningen.
- De woningbouwdifferentiatie wordt gerealiseerd overeenkomstig de volgende procentuele verdeling: a. ten minste 40% sociale huurwoningen (corporatie); b. ten minste 25% middenhuurwoningen (corporatie); c. ten minste 15% betaalbare koopwoningen conform de op het moment van vergunningverlening geldende landelijke definitie; d. ten minste 10% woningen conform het DBK Maassluis Model; e. ten hoogste 10% vrije sector woningen.
- Onder middenhuurwoningen (corporatie) als
Artikel 6
.4, tweede lid onder b wordt verstaan: huurwoningen van een toegelaten instelling die qua huurprijs zijn gepositioneerd in het middenhuursegment zoals dat geldt op het moment van vergunningverlening.
- Tot de in Artikel 6.4, derde lid bedoelde middenhuurwoningen worden mede gerekend door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw geborgde huurwoningen met een huurprijs tot de geldende DAEB-huurgrens (TOP-DAEB), voor zover deze door de toegelaten instelling worden ingezet voor huishoudens behorend tot de middenhuurdoelgroep.
- De middenhuur (corporatie) als
Artikel 6
.4, tweede lid onder b bestaat uit de woningen zoals omschreven in Artikel 6.4, derde lid en Artikel 6.4, vierde lid. Deze twee categorieën samen bedragen ten minste 25% van het totaal aantal te realiseren woningen. Binnen dit gezamenlijke aandeel is een onderlinge verdeling tussen reguliere middenhuurwoningen en TOP-DAEB-woningen vrij toegestaan. Artikel 6.5 Instandhoudingsverplichting woningbouwcategorieën
- Iedere sociale huurwoning blijft gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname beschikbaar voor de doelgroep.
- Iedere middenhuurwoning blijft gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname beschikbaar voor de doelgroep.
- Iedere betaalbare koopwoning blijft gedurende een termijn van ten minste 5 jaar na eerste ingebruikname beschikbaar voor de doelgroep. Artikel 6.6 Verplichting tot inschrijving in de openbare registers
- De eigenaar van een sociale huurwoning of een betaalbare koopwoning is verplicht om in de openbare registers,
artikel 3:17, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek, in te schrijven dat de woning uitsluitend bestemd is voor de betreffende woningbouwcategorie. 2. De inschrijving als
het Artikel 6.6, eerste lid vindt plaats vóór eerste ingebruikname van de woning. Artikel 6.7 Doelgroep 1. Tot de doelgroep voor sociale huurwoningen behoren huishoudens met een inkomen tot de DAEB-inkomensgrens als
artikel 16 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
- Tot de doelgroep voor betaalbare koopwoningen en middenhuurwoningen behoren huishoudens met een middeninkomen, conform Rijksbeleid.
- In afwijking van het tweede lid geldt voor duurzaam betaalbare koopwoningen een nader via het college te bepalen maximale inkomensgrens.
- De toets of wordt voldaan aan de doelgroepvereisten vindt plaats: a. bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit, waarbij wordt beoordeeld of aannemelijk is gemaakt dat toewijzing overeenkomstig de doelgroep zal plaatsvinden; b. bij eerste ingebruikname van de woning; en c. periodiek gedurende de instandhoudingsperiode, indien landelijke, provinciale of gemeentelijke beleidskaders daartoe aanleiding geven.
- Bij de vergunningverlening wordt aangetoond dat de toewijzing van woningen plaatsvindt overeenkomstig de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, voor zover deze van toepassing is binnen het werkingsgebied station west. De uitvoering voor het betaalbare koopdeel geschiedt door de ontwikkelaar in overleg met de gemeente. Nadere afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Artikel 6.8 Minimale gebruiksoppervlakte middenhuur en betaalbare koop
- De gebruiksoppervlakte van een middenhuurwoning bedraagt minimaal 60 m².
- De gebruiksoppervlakte van een betaalbare koopwoning bedraagt minimaal 60 m².
- De gebruiksoppervlakte wordt bepaald overeenkomstig Bijlage I, onderdeel A, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en NEN 2580:2007 + C1:
- Het college kan afwijken van het bepaalde in het Artikel 6.8, eerste lid en Artikel 6.8, tweede lid indien de aanvrager aantoont dat: a. het woon- en leefklimaat niet in het geding komt; b. de functionele bruikbaarheid van de woning is gewaarborgd; en c. de afwijking noodzakelijk is vanwege de doelgroepen, transformatie of stedenbouwkundige omstandigheden. Hoofdstuk 7 Voorrangsregels Titel 7.1 Voorrangsregels hoofdstuk 22 Afdeling 7.1.1 Voorrangsregels Artikel 7.1 Voorrangsregels bouwen bijbehorende bouwwerken De artikelen voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken die zijn opgenomen in onderstaande tabel gaan voor op de betreffende bepalingen uit hoofdstuk 22 die onderstaande tabel zijn opgenomen. Werkingsgebied Artikelnummer nieuwe deel omgevingsplan Artikelnummer hoofdstuk 22 Chopinstraat Artikel 5.15 Artikel 22.27 onder a Artikel 22.36 onder a Haydnlaan Artikel 5.16 Artikel 22.27 onder a Koningshoek II Artikel 5.17 Artikel 22.27 onder a Artikel 22.36 onder a Uiverlaan Artikel 5.18, eerste lid Artikel 22.27 onder a Uiverlaan Artikel 5.18, tweede lid Artikel 22.27 onder a Artikel 22.36 onder a Stationsgebied Artikel 5.19 Artikel 22.27 onder a Artikel 22.36 onder a Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Artikel 5.20 Artikel 22.27 onder a Artikel 22.36 onder a Artikel 7.2 Voorrangsregels bouwen geen gebouwen zijnde De artikelen voor het bouwen geen gebouwen zijnde die zijn opgenomen in onderstaande tabel gaan voor op de betreffende bepalingen uit hoofdstuk 22 die onderstaande tabel zijn opgenomen. Werkingsgebied Artikelnummer nieuwe deel omgevingsplan Artikelnummer hoofdstuk 22 Chopinstraat Artikel 5.21 Artikel 22.27 onder b tot en met h en Artikel 22.36 onder b Koningshoek II Artikel 5.22 Artikel 22.27 onder b tot en met h en Artikel 22.36 onder b Uiverlaan Artikel 5.23 Artikel 22.27 onder b tot en met h en Artikel 22.36 onder b Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Artikel 5.24 Artikel 22.27 onder b tot en met h en Artikel 22.36 onder b Afdeling 7.1.2 Voorrangsregels - regels uit andere besluiten Artikel 7.3 Voorrangsregels - bestemmingsplannen De regels in de hoofstukken 1 tot en met 8 van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ gaan voor op de volgende bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als
artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet: a. Koningshoek e.o. NL.IMRO.0556.BP77Koningshoekeo-Va01, met uitzondering van artikel 21; b. Parapluherziening Parkeernormen met identificatienummer NL.IMRO.0556.BP86MSPARKEER-VA01 van de gemeente Maassluis; c. Parapluherziening Overbewoning met identificatienummer NL.IMRO.0556.90BPOB-Va01van de gemeente Maassluis. Hoofdstuk 8 Overgangsrecht Titel 8.1 Overgangsrecht bouwen en sloopactiviteiten Afdeling 8.1.1 Overgangsrecht bouwen en sloopactiviteiten Artikel 8.1 Bouwen en sloopactiviteiten
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan ‘Station West’ aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een (omgevings)vergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. als een gebouw door een calamiteit niet meer aanwezig is mag het bouwwerk na een calamiteit volledig worden herbouwd of aangepast, zolang de aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen twee jaar na de dag van de calamiteit wordt ingediend.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het Artikel 8.1, eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als
het Artikel 8.1, eerste lid met maximaal 10%.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
- Als een bouw- of sloopactiviteit binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’ voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ voor die activiteit het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’. Afdeling 8.1.2 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten Artikel 8.2 Gebruiksactiviteiten 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan voor ‘Station West’ en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik,
het Artikel 8.2, eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik,
het Artikel 8.2, eerste lid na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee een langere voortzetting dan
het Artikel 8.2, eerste lid wordt mogelijk gemaakt. Afdeling 8.1.3 Overgangsrecht activiteiten op of in de bodem - lokaal spoor Artikel 8.3 Activiteiten op of in de bodem - lokaal spoor Als een activiteit op of in de bodem binnen het ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’ voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ voor die activiteit het verbod,
artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’. Hoofdstuk 9 [Gereserveerd] Hoofdstuk 10 [Gereserveerd] Hoofdstuk 11 [Gereserveerd] Hoofdstuk 12 [Gereserveerd] Hoofdstuk 13 [Gereserveerd] Hoofdstuk 14 [Gereserveerd] Hoofdstuk 15 [Gereserveerd] Hoofdstuk 16 [Gereserveerd] Hoofdstuk 17 [Gereserveerd] Hoofdstuk 18 [Gereserveerd] Hoofdstuk 19 [Gereserveerd] Hoofdstuk 20 [Gereserveerd] Hoofdstuk 21 [Gereserveerd] Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
- Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
- Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als
die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als
artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Vervallen Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
- Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,
artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
Artikel 22
.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
- Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
- De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
- Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
- Bij maatwerkvoorschrift als
Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a.
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als
artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als
artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
- Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
- Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte,
het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
- De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als
artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte,
Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
- Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
- Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken,
afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als
tabel 22.2.1 aanwezig.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
- de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
- geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
- Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid,
het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend. 5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als
dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
- Bij de toepassing van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als
Artikel 22
.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als
Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
- Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod,
Artikel 22
.26, geldt niet voor de activiteiten,
dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- gelegen in achtererfgebied;
- op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
- niet hoger dan 5 m;
- de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
- niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- niet hoger dan 5 m; en
- de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
- voorzien van een plat dak;
- gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
- onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
- bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
- zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- niet hoger dan 4 m; en
- alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
- op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
- achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
- een silo; of
- een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
- geen uitbreiding van het bouwvolume; en
- geen bouwwerk als
artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
- Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als
Artikel 22
.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als
Artikel 22
.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,
artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
- de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
- bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1. De toelaatbare kwaliteit van de bodem,
Artikel 22
.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit,
bijlage II A bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
- Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als
Artikel 22.29.
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1. In afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
- In afwijking van Artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als
artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als
artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als
artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als
artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
- In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
- Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
- het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,
artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,
artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
- tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
- principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
- kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
- een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag