← Nederland

Omgevingsplan gemeente Middelburg (Middelburg)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Middelburg regelt de fysieke leefomgeving en stelt regels voor onder andere bouwen, slopen en het gebruik van gebieden, met als doel een evenwichtige en duurzame ontwikkeling.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696383 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0687/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-05-06 2025-05-06 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696383/nld@2025-06-03 /join/id/proc

artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels

artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Afdeling 6.3 Bouwwerken Paragraaf 6.3.1 Hoofdgebouw Artikel 6.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van hoofdgebouwen, met uitzondering van bedrijfswoningen. Artikel 6.9 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een hoofdgebouw gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en e. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.10 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen en het bouwwerk in stand te houden. Artikel 6.11 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.2 Bedrijfswoning Artikel 6.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bedrijfswoningen. Artikel 6.13 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bedrijfswoning gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en e. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.14 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bedrijfswoning te bouwen en in stand te houden. Artikel 6.15 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.3 Bedrijfsgebouwen Artikel 6.16 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bedrijfsgebouwen. Artikel 6.17 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bedrijfsgebouw gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en e. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.18 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning bedrijfsgebouwen te bouwen en in stand te houden. Artikel 6.19 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.4 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan Artikel 6.20 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk. Artikel 6.21 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; e. het beschermen van de gezondheid; en f. het veilig gebruiken van bouwwerken. Artikel 6.22 Algemene regels vergunningsvrij bouwen, in stand houden, gebruiken of uitbreiden

  1. Het is toegestaan een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan te bouwen, in stand te houden en te gebruiken als wordt voldaan aan de volgende regels: a. op de grond staand; b. gelegen in achtererfgebied; c. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. niet hoger dan 5 meter; e. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en f. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
  2. 5 meter;
  3. 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
  4. het hoofdgebouw; h. voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
  5. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
  6. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; i. als een bijbehorend bouwwerk bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen het bepaalde in sub h, onder 2, van dit artikel van overeenkomstige toepassing; j. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied mag niet meer zijn dan:
  7. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
  8. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2 ; en
  9. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2 , vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 , tot een maximum van in totaal 150 m
  10. k. niet aan of bij:
  11. een woonwagen;
  12. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
  13. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden. l. als een bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in dit artikel onder j gestelde eisen, de volgende eisen:
  14. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;
  15. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en
  16. buiten de bebouwde kom.
  17. Het is toegestaan een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg te gebruiken zonder omgevingsvergunning. Artikel 6.23 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan te bouwen, in stand te houden en te gebruiken als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.

  1. Artikel 6.24 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.5 Bouwwerk geen gebouw zijnde Artikel 6.25 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Artikel 6.26 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende oogmerken: a. de energiezuinigheid van bouwwerken; b. de bescherming van het milieu; en c. het beschermen van de gezondheid. Artikel 6.27 Algemene regels
  2. Het is toegestaan een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan volgende regels: a. het bouwwerk geen gebouw zijnde is niet hoger dan 3 meter.
  3. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op de volgende bouwwerken, geen gebouw zijnde: a. een erf- of perceelafscheiding; b. een vlaggenmast; c. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik; d. tuinmeubilair; en e. een lichtmast (bouwwerk voor infrastructurele of openbare voorziening). Artikel 6.28 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.

  1. Artikel 6.29 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.6 Bouwwerk, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering Artikel 6.30 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering in achtererfgebied. Artikel 6.31 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken voor agrarische bedrijfsvoering gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en b. het benadrukken van de grens tussen agrarisch bedrijfsperceel en open buitengebied. Artikel 6.32 Algemene regels
  2. Het is toegestaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor agrarische bedrijfsvoering in achtererfgebied te bouwen en in stand te houden, voor zover het gaat om: a. een silo; of b. een ander bouwwerk niet hoger dan twee meter.
  3. In aanvulling op het bepaalde in lid 1 geldt dat tevens moet worden voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Artikel 6.33 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering in achtererfgebied te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.32. Artikel 6.34 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.7 Bouwwerk voor recreatief nachtverblijf Artikel 6.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf. Artikel 6.36 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van de gezondheid; d. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; en e. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 6.37 Algemene regels Het is toegestaan een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan de volgende regels: a. op de grond staand; b. niet hoger dan 5 m; en c. de oppervlakte niet meer dan 70 m². Artikel 6.38 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.37. Artikel 6.39 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.8 Bouwwerk veranderen Artikel 6.40 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen van een bouwwerk. Artikel 6.41 Oogmerk Voor het veranderen van een bouwwerk gelden de volgende oogmerken: a. de energiezuinigheid van bouwwerken; b. de bescherming van het milieu; c. het beschermen van de gezondheid; en d. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Artikel 6.42 Algemene regels Het is toegestaan een bouwwerk te veranderen als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan de volgende regels: a. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. geen bouwwerk

artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 6.43 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te veranderen als niet wordt voldaan aan de algemene regels in artikel 6.42. Artikel 6.44 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.9 Dakkapel Artikel 6.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een dakkapel. Artikel 6.46 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een dakkapel gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; en b. het beschermen van de architectonische kwaliteit. Artikel 6.47 Algemene regels Het is toegestaan een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gekeerd zijdakvlak te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan de volgende regels: a. de dakkapel is gelegen op een locatie binnen welstandsvrij gebied; b. de dakkapel wordt voorzien van een plat dak; c. de dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger dan 1,75 meter; d. de onderzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet; e. de bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 meter onder de daknok; en f. de zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak. Artikel 6.48 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gekeerd zijdakvlak te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.47. Artikel 6.49 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.10 Vlaggenmast Artikel 6.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een vlaggenmast. Artikel 6.51 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een vlaggenmast gelden de volgende oogmerken: a. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en b. het beschermen van het woon- en leefklimaat. Artikel 6.52 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de regels

Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 6.53 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.11 Sport- of speeltoestel Artikel 6.54 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een sport- of speeltoestel. Artikel 6.55 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een sport- of speeltoestel gelden de volgende oogmerken: a. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; b. het waarborgen van de veiligheid; en c. het beschermen van het woon- en leefklimaat. Artikel 6.56 Algemene regels Het is toegestaan een sport-of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan volgende regels: a. het sport-of speeltoestel is niet hoger dan 4 m; en b. het sport-of speeltoestel is alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. Artikel 6.57 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.56. Artikel 6.58 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Paragraaf 6.3.12 Erf- of perceelafscheiding Artikel 6.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van erf- of perceelafscheidingen. Artikel 6.60 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een erf- of perceelafscheiding gelden de volgende oogmerken: a. het waarborgen van de verkeers- en sociale veiligheid; b. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en c. het benadrukken van de grens tussen publieke en private ruimte. Artikel 6.61 Algemene regels Het is toegestaan een erf- of perceelafscheiding te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de volgende regels: a. maximaal 2 meter hoog; b. op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Artikel 6.62 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelafscheiding te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels

artikel 6.

  1. Artikel 6.63 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Afdeling 6.4 Slopen [Gereserveerd] Hoofdstuk 7 Gebruik [Gereserveerd] Hoofdstuk 8 Erfgoed en Archeologie Afdeling 8.1 Algemene regels archeologisch en gemeentelijk monument Paragraaf 8.1.1 Algemene regels gemeentelijk monument [Gereserveerd] Artikel 8.1 [Gereserveerd] Artikel 8.2 [Gereserveerd] Artikel 8.3 [Gereserveerd] Artikel 8.4 [Gereserveerd] Artikel 8.5 [Gereserveerd] Artikel 8.6 [Gereserveerd] Artikel 8.7 [Gereserveerd] Artikel 8.8 [Gereserveerd] Paragraaf 8.1.2 Gemeentelijk monument veranderen of slopen Artikel 8.9 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen of slopen van een gemeentelijk monument. Artikel 8.10 Oogmerk Voor het veranderen van een gemeentelijk monument gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen en behouden van stedenbouwkundige, architectonische, monumentale en cultuurhistorische waarden; b. Het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Artikel 8.11 Verbod
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college: a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
  3. Het verbod en de vergunningplicht,

het eerste lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 3. Het college verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning

het eerste lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel 8.12 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Artikel 8.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijk monument: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. Artikel 8.14 Vergunningvoorschriften verplaatsen gemeentelijk monument [Gereserveerd] Afdeling 8.2 Beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 8.15 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen van bouwwerken in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 8.16 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 8.17 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie. 3. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 8.18 Vergunningplicht bouwen in beschermd stadsgezicht Noordweg In het Beschermd stadsgezicht Noordweg is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Artikel 8.19 Beoordelingsregels bouwen in beschermd stadsgezicht Noordweg [Gereserveerd] Artikel 8.20 Vergunningplicht bouwen in beschermd stadsgezicht Middelburg In het Beschermd stadsgezicht Middelburg is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Artikel 8.21 Beoordelingsregels bouwen in beschermd stadsgezicht Middelburg [Gereserveerd] Afdeling 8.3 Waarde Archeologie Paragraaf 8.3.1 Algemene regels Archeologie Artikel 8.22 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op alle regels voor het bouwen, uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en slopen van een bouwwerk in gebieden met archeologische waarden. Artikel 8.23 Oogmerk Voor het bouwen, uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en slopen van een bouwwerk in gebieden met archeologische waarden gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het behoud van cultureel erfgoed; en c. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Paragraaf 8.3.2 Bouwregels Artikel 8.24 Waarde - Archeologie - 1 Bouwen 1. De voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 2. Voor het bouwen van bouwwerken in het gebied Waarde - Archeologie - 1 gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(

  1. s)mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van maximaal 30 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst. Artikel 8.25 Waarde - Archeologie - 2 Bouwen 1. De voor Waarde - Archeologie - 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 2. Op de gronden met Waarde - Archeologie - 2 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(
  2. s)mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 60 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst. Artikel 8.26 Waarde - Archeologie - 3 Bouwen 1. De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 2. Op de gronden met Waarde - Archeologie - 3 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(
  3. s)mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst. Artikel 8.27 Waarde - Archeologie - 4 Bouwen 1. De voor Waarde - Archeologie - 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 2. Op de gronden met Waarde - Archeologie - 4 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(
  4. s)mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst. Artikel 8.28 Waarde - Archeologie - 5 Bouwen 1. De voor Waarde - Archeologie - 5 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 2. Op de gronden met Waarde - Archeologie - 5 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(
  5. s)mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Artikel 8.29 Waarde - Archeologie - 6 Bouwen 1. De voor Waarde - Archeologie - 6 aangewezen gronden (waterbodems) zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 2. Op de gronden met Waarde - Archeologie - 6 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(
  6. s)mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is. De archeologische deskundige heeft hiervoor overleg gehad met de waterbodembeheerder. De waterbeheerder kan een vergunning eisen of vrijstelling geven. Die moet aanwezig zijn. 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige; b. het bepaalde in sub a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Paragraaf 8.3.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel 8.30 Waarde - Archeologie - 1 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden,

artikel 8.24 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m;
  3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  7. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.24 tweede lid in acht is genomen;
  8. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  9. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  10. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²;
  11. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm;
  12. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.31 Waarde - Archeologie - 2 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 2 aangewezen gronden,

artikel 8.25 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m;
  3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  7. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.25 tweede lid in acht is genomen;
  8. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  9. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  10. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 60 m²;
  11. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm;
  12. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.32 Waarde - Archeologie - 3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden,

Artikel 8

.26 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m;
  3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  7. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.26 tweede lid, in acht is genomen;
  8. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  9. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  10. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
  11. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm;
  12. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.33 Waarde - Archeologie - 4 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 4 aangewezen gronden,

Artikel 8

.27 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m;
  3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  7. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.27 tweede lid in acht is genomen;
  8. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  9. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  10. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
  11. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm;
  12. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.34 Waarde - Archeologie - 5 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 5 aangewezen gronden,

Artikel 8

.28 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m;
  3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  7. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.28 tweede lid, in acht is genomen;
  8. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  9. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  10. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.35 Waarde - Archeologie - 6 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 6 aangewezen gronden,

Artikel 8

.29 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grotere (infrastructurele) grondbewerkingen, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, baggeren en egaliseren;
  2. het aanbrengen van (ondergrondse) kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  3. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.29 tweede lid, in acht is genomen;
  4. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  5. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  6. de werken of werkzaamheden behoren tot normaal onderhoud en beheer;
  7. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Paragraaf 8.3.4 Sloopregels Artikel 8.36 Waarde - Archeologie - 1 Slopen Op de voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden,

artikel 8.24 eerste lid, gelden de volgende regels voor slopen van een bouwwerk: a. Het is verboden op of in de gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bouwwerken te slopen. b. Het verbod

sub a is niet van toepassing indien:

  1. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 8.24 tweede lid, in acht is genomen;
  2. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm bedraagt;
  4. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 30 m² bedraagt;
  5. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. Een omgevingsvergunning, zoals in sub a bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.37 Waarde - Archeologie - 2 Slopen Op de voor Waarde - Archeologie - 2 aangewezen gronden,

artikel 8.25 eerste lid, gelden de volgende regels voor slopen van een bouwwerk: a. Het is verboden op of in de gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bouwwerken te slopen. b. Het verbod

sub a is niet van toepassing indien:

  1. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 8.25 tweede lid, in acht is genomen;
  2. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm bedraagt;
  4. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 60 m² bedraagt;
  5. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. Een omgevingsvergunning, zoals in sub a bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.38 Waarde - Archeologie - 3 Slopen Op de voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden,

artikel 8.26 eerste lid, gelden de volgende regels voor slopen van een bouwwerk: a. Het is verboden op of in de gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bouwwerken te slopen. b. Het verbod

sub a is niet van toepassing indien:

  1. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 8.26 tweede lid, in acht is genomen;
  2. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm bedraagt;
  4. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 500 m² bedraagt;
  5. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. Een omgevingsvergunning, zoals in sub a bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.39 Waarde - Archeologie - 4 Slopen Op de voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden,

artikel 8.27 eerste lid, gelden de volgende regels voor slopen van een bouwwerk: a. Het is verboden op of in de gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bouwwerken te slopen. b. Het verbod

sub a is niet van toepassing indien:

  1. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 8.27 tweede lid, in acht is genomen;
  2. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm bedraagt;
  4. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 100 m² bedraagt;
  5. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. Een omgevingsvergunning, zoals in sub a bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Artikel 8.40 Waarde - Archeologie - 5 Slopen Op de voor Waarde - Archeologie - 5 aangewezen gronden,

artikel 8.28 eerste lid, gelden de volgende regels voor slopen van een bouwwerk: a. Het is verboden op of in de gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bouwwerken te slopen. b. Het verbod

sub a is niet van toepassing indien:

  1. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 8.28 tweede lid, in acht is genomen;
  2. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  3. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning

sub a nodig is. c. Een omgevingsvergunning, zoals in sub a bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. Afdeling 8.4 Gemeentelijk monument slopen/veranderen Artikel 8.41 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen van een Gemeentelijk monument. Artikel 8.42 Oogmerk Voor het veranderen van een Gemeentelijk monument gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen en behouden van stedenbouwkundige, architectonische, monumentale en cultuurhistorische waarden; b. het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Artikel 8.43 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning een Gemeentelijk monument te veranderen. Artikel 8.44 Beoordelingsregels [Gereserveerd] Hoofdstuk 9 Bruikbaarheid en aanzien van de weg en openbaar water Afdeling 9.1 Algemene bepalingen Artikel 9.1 Geldigheidsduur omgevingsvergunning De omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de omgevingsvergunning zich daartegen verzet. Artikel 9.2 Algemene aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteiten in dit hoofdstuk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan, in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. naam, adres en contactgegevens van de aanvrager; b. dagtekening van de aanvraag; en c. duiding van de beschikking die wordt gevraagd. Afdeling 9.2 Objecten plaatsen op of aan de weg Artikel 9.3 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen van objecten op de weg. Artikel 9.4 Oogmerk Voor het plaatsen van objecten op de weg gelden de volgende oogmerken: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water; b. het beschermen van de verkeersveiligheid; c. het beschermen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; en e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. Artikel 9.5 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet houdt voor het plaatsen van objecten op de weg in ieder geval in dat: a. voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten en op voetpaden overblijft; b. de vrije toegang tot brandputten en vluchtroutedeuren is geborgd; c. objecten voldoende zichtbaar zijn; en d. objecten stabiel worden geplaatst. Artikel 9.6 Vergunningplicht
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan.
  4. Een vergunning

het eerste lid kan worden geweigerd: a. Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. Indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; en c. In het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. het uitsteken van vlaggen, wimpels en vlaggenstokken mits zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:
  2. elk onderdeel zich meer dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt en;
  3. elk onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;
  4. elk onderdeel minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. voertuigen; d. evenementen

artikel 2.13 van de Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg; e. standplaatsen

artikel 9.63; f. terrassen

artikel 2.17, vierde lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg; en g. andere door het bevoegd bestuursorgaan aangewezen categorieën van gevallen.

  1. Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, tenzij deze door hun omvang of vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar kunnen opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
  2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.
  3. Het bevoegd bestuursorgaan kan categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor in afwijking van het eerste lid een meldingsplicht geldt.
  4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wet milieubeheer of de Wegenverordening Zeeland.
  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 9.7 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van objecten op de weg worden in aanvulling op artikel 9.2 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Informatie over de aard van het object en de afmetingen daarvan; b. plattegrond met aanduiding waar het object wordt geplaatst waarop aangegeven wordt of het object wordt verankerd in de grond en op welke wijze dat gebeurt; c. informatie over de tijdsduur van plaatsing van het object; en d. indien mogelijk een foto of afbeelding van het te plaatsen object. Afdeling 9.3 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 9.8 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Artikel 9.9 Oogmerk Voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg gelden de volgende oogmerken: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. het beschermen van de groenvoorzieningen in de gemeente; en e. voorkomen van onnodig verlies of belemmering van parkeerplaatsen. Artikel 9.10 Vergunningplicht
  6. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
  7. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden in tijdelijk deel omgevingsplan, dit omgevingsplan of andere regels; of b. door het college in de overige gevallen.
  8. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
  9. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland, de keur van het waterschap Scheldestromen, de Telecommunicatiewet of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren.
  10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 9.11 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg worden in aanvulling op artikel 9.2 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een zo exact mogelijke omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden; en b. een omschrijving van het doel van de uit te voeren werkzaamheden, de datum en tijdstip van aanvang van de werkzaamheden, inclusief de datum en tijdstip dat de werkzaamheden worden afgerond tot het moment dat de oorspronkelijke situatie is hersteld. Afdeling 9.4 Uitrit maken, hebben of veranderen Artikel 9.12 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het maken, hebben of veranderen van een uitrit. Artikel 9.13 Oogmerk Voor het maken, hebben of veranderen van een uitrit gelden de volgende oogmerken: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. het beschermen van de groenvoorzieningen in de gemeente; en e. voorkomen van onnodig verlies of belemmering van parkeerplaatsen. Artikel 9.14 Vergunningplicht
  11. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitrit te maken, hebben of veranderen die uitkomt op een weg.
  12. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 4.12 van de Omgevingswet, 5.10 van de Waterschapsverordening Waterschap Scheldestromen of artikel 2.13 van de Omgevingsverordening Zeeland. Artikel 9.15 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitrit wordt verleend: a. indien de bruikbaarheid, het veilig en doelmatig gebruik van de weg en het uiterlijk aanzien van de omgeving is gewaarborgd; b. voor maximaal 1 uitrit per perceel uitgezonderd in het Buitengebied en op het Bedrijventerrein; c. In het Buitengebied en op het Bedrijventerrein, is afhankelijk van de situatie ter plaatse, meer dan 1 uitrit per perceel toegestaan; d. de uitrit niet breder is dan 3 meter, met uitzondering in het Buitengebied en het Bedrijventerrein waar de uitrit niet breder is dan 6 meter; e. in het gebied vrije kavels Bluesroute gelden de volgende aanvullende regels:
  13. de afstand van een ontsluiting tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 2 m bedragen;
  14. per bouwperceel is 1 ontsluiting toegestaan, met dien verstande dat 2 ontsluitingen zijn toegestaan ten dienste van bouwpercelen van meer dan 30 m breed. Artikel 9.16 Maatwerkvoorschriften In bijzondere gevallen kan van de regels in deze afdeling worden afgeweken met een maatwerkvoorschrift. Artikel 9.17 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitrit worden in aanvulling op artikel 9.2 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; en c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen. Afdeling 9.5 Hinderlijke beplanting of gevaarlijke voorwerpen Artikel 9.18 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op hinderlijke beplanting of gevaarlijke voorwerpen. Artikel 9.19 Oogmerk Voor hinderlijke beplanting of gevaarlijke voorwerpen gelden de volgende oogmerken: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water; b. het beschermen van de verkeersveiligheid; c. het beschermen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; en e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. Artikel 9.20 Verbod Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Afdeling 9.6 Handelsreclame maken of voeren op of aan een onroerende zaak Artikel 9.21 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak. Artikel 9.22 Oogmerk Voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; en c. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 9.23 Vergunningplicht maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak Het is verboden zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf een openbare plaats zichtbaar is. Artikel 9.24 Beoordelingsregels
  15. De omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak wordt in ieder geval geweigerd indien: a. naar het oordeel van het college het belang van de volksgezondheid zich verzet tegen verlening van de omgevingsvergunning; b. naar het oordeel van het college het belang van de bescherming van het milieu zich verzet tegen verlening van de omgevingsvergunning; c. de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; of d. naar het oordeel van het college het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich verzet tegen verlening van de omgevingsvergunning.
  16. De weigeringsgrond

het eerste lid, onder c, geldt niet voor bouwwerken. 3. De weigeringsgrond

het eerste lid, onder d, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 9.25 Aanvullende aanvraagvereisten

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden in aanvulling op artikel 9.2 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame.
  2. Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. Afdeling 9.7 Vellen van houtopstanden Artikel 9.26 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden. Artikel 9.27 Oogmerk Voor het vellen van houtopstanden gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van waardevolle bomen; b. het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; en c. het beschermen van cultuurhistorische waarden. Artikel 9.28 Algemene regels Het is op particulier terrein toegestaan om zonder vergunning houtopstanden te vellen of te doen vellen die niet staan vermeld op de Bomenlijst. Artikel 9.29 Vergunningplicht
  3. Het is op particulier terrein verboden zonder omgevingsvergunning houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Bomenlijst.
  4. Het is op openbaar terrein verboden zonder omgevingsvergunning houtopstanden te vellen of te doen vellen.
  5. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor: a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; c. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in 9.31; en d. houtopstand, waarvan de gemeente de eigenaresse of de rechthebbende is, wanneer het vellen tot doel heeft een houtopstand te vervangen door nieuwe aanplant. Artikel 9.30 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden wordt alleen verleend als verlening van de vergunning naar het oordeel van het college niet leidt tot een onevenredige aantasting van: a. de natuur- en milieuwaarde; b. de landschappelijke waarde; c. de cultuurhistorische. beeldbepalende en landschappelijke waarde; d. de waarde van het stads- en dorpsschoon; en e. de waarde voor leefbaarheid. Artikel 9.31 Voorschriften Bij vergunningvoorschrift kan een herbeplantingsplicht worden opgelegd. Artikel 9.32 Afstand De afstand

artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek is voor particuliere monumentale en waardevolle bomen zoals aangegeven op de Bomenlijst vastgesteld op nihil. Artikel 9.33 Aanvullende aanvraagvereisten

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.
  2. Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en d. de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan. Afdeling 9.8 Opslag voertuigen en vaartuigen Artikel 9.34 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de opslag van voertuigen en vaartuigen. Artikel 9.35 Oogmerk Voor het opslaan van voertuigen en vaartuiten geldt het volgende oogmerk: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 9.36 Verbod
  3. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg waar het in het belang van het uiterlijk aan­zien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te heb­ben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken­ voer‑ of vaartuigen of onderdelen daar­van; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daar­van; of c. kampeermiddelen

artikel 5.21 van de Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel.

  1. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
  2. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Omgevingswet of de Provinciale Verordening. Afdeling 9.9 Parkeren voertuigen autobedrijf Artikel 9.37 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het parkeren van voertuigen door een autobedrijf op de weg. Artikel 9.38 Oogmerk Voor het parkeren van voertuigen door een autobedrijf gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.39 Verbod
  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; of b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
  4. Tot de voertuigen

dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het dit artikel bedoelde persoon. Afdeling 9.10 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 9.40 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het te koop aanbieden van voertuigen. Artikel 9.41 Oogmerk Voor het te koop aanbieden van voertuigen gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.42 Verbod Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Afdeling 9.11 Defecte voertuigen Artikel 9.43 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op defecte voertuigen. Artikel 9.44 Oogmerk Voor defecte voertuigen gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.45 Verbod Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Afdeling 9.12 Voertuigwrakken Artikel 9.46 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op voertuigwrakken. Artikel 9.47 Oogmerk Voor het plaatsen voertuigwrakken gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.48 Verbod

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin bij wet is voorzien. Afdeling 9.13 Kampeermiddelen, aanhangwagens, e.a. Artikel 9.49 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt. Artikel 9.50 Oogmerk Voor een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat voor recreatie of voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.51 Verbod Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat voor recreatie of voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op zeven achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; of b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Afdeling 9.14 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 9.52 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het parkeren van reclamevoertuigen. Artikel 9.53 Oogmerk Voor het parkeren van reclamevoertuigen gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; en b. het beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.54 Verbod Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Afdeling 9.15 Parkeren van grote voertuigen en uitzicht belemmerde voertuigen Artikel 9.55 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het parkeren van grote voertuigen en voertuigen die het uitzicht belemmeren. Artikel 9.56 Oogmerk Voor het parkeren van grote voertuigen en voertuigen die het uitzicht belemmeren gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. het beschermen van de verkeersveiligheid; en c. beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.57 Verbod
  3. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
  4. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
  5. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
  6. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
  7. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd. Afdeling 9.16 Verkeerd geplaatste (brom-)fietsen, fietswrakken en weesfietsen Artikel 9.58 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op verkeerd geplaatste (brom-)fietsen, fietswrakken en weesfietsen. Artikel 9.59 Oogmerk Voor verkeerd geplaatste (brom-)fietsen, fietswrakken en weesfietsen gelden de volgende oogmerken: a. het voorkomen van aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. het beschermen van de verkeersveiligheid; en c. het beperken van de parkeerdruk binnen de gemeente. Artikel 9.60 Verbod
  8. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
  9. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op een openbare plaats te laten staan.
  10. Het is verboden fietsen of bromfietsen langer dan 28 dagen onafgebroken op een openbare plaats te laten staan. Afdeling 9.17 Standplaatsen innemen of hebben Artikel 9.61 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het innemen of hebben van een standplaats. Artikel 9.62 Oogmerk Voor het innemen of hebben van een standplaats gelden de volgende oogmerken: a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de maatschappelijke behoeften; en c. bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 9.63 Vergunningplicht
  11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben.
  12. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, artikel 4.12 van de Omgevingswet, of artikel 2.21 van de Omgevingsverordening Zeeland. Artikel 9.64 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de openbare plaats; b. de standplaats geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; c. als geen overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak te verwachten valt; en d. redelijkerwijs niet te verwachten is dat voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Dat betekent dat er ter plaatse een ruimer assortiment beschikbaar komt voor de consument. De standplaats mag daarbij niet dusdanig verstorend werken op de reguliere detailhandel dat bestaande winkels geen bestaansmogelijkheid meer hebben en moeten sluiten. Artikel 9.65 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het innemen of hebben van een standplaats worden in aanvulling op artikel 9.2 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de activiteit waarvoor standplaats wordt gevraagd en de afmetingen daarvan; b. plattegrond met aanduiding waar de standplaats wordt ingenomen, waarop aangegeven wordt of de standplaats wordt verankerd in de grond en op welke wijze dat gebeurt; en c. informatie over de datum, tijdstip en tijdsduur van plaatsing van de standplaats. Afdeling 9.18 Ligplaats vaartuigen in openbaar water Artikel 9.66 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het innemen of hebben van een ligplaats met een vaartuig in openbaar water. Artikel 9.67 Oogmerk Voor het innemen of hebben van ligplaats met een vaartuig in openbaar water gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van de verkeersveiligheid op het water; b. het bieden van ruimte voor beheer en onderhoud; en c. het reguleren van het gebruik van ligplaatsen en steigers. Artikel 9.68 Verbod
  13. Het is de eigenaar of gebruiker van een vaartuig verboden om een ligplaats of ankerplaats in te nemen op een niet daartoe aangewezen plaats.
  14. Het is de eigenaar of gebruiker van een vaartuig tevens verboden: a. binnen het gebied van de gemeente met enig vaartuig langer dan 24 uur ankerplaats in te nemen of ligplaats in te nemen op een daartoe aangewezen ligplaats; b. binnen het gebied van de gemeente met enig vaartuig langer dan 24 uur aan een openbare steiger ligplaats te hebben; of c. met enig vaartuig binnen 24 uur nadat het is verplaatst, op dezelfde plaats ankerplaats in te nemen of ligplaats te nemen.
  15. Wanneer met enig vaartuig binnen 24 uur ankerplaats of ligplaats wordt ingenomen op een plaats, gelegen op minder dan 150 meter van de vorige ankerplaats of ligplaats, wordt het vaartuig geacht niet te zijn verplaatst.
  16. Het gestelde in het tweede en derde lid van dit artikel is niet van toepassing op ligplaatsen in rijks-, gemeente- of jachthavens, waar de ligplaatsen door de betreffende havenmeester worden aangewezen en op de havens waarop de Haven- en Woonschepenverordening Middelburg van toepassing is.
  17. Onder ankerplaats, ligplaats en openbare steiger wordt verstaan iedere ankerplaats, ligplaats en steiger onder beheer van het rijk, provincie of gemeente.
  18. De in dit artikel gestelde verboden zijn niet van toepassing op vaartuigen van: de politie, Rijkswaterstaat, domeinen en andere rijksdiensten en vaartuigen toebehorende aan of uitsluitend gebezigd voor openbare werken. Hoofdstuk 10 Milieubelastende activiteiten [Gereserveerd] Hoofdstuk 11 Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds [Gereserveerd] Hoofdstuk 12 Financiële bepalingen [Gereserveerd] Hoofdstuk 13 Procesregels [Gereserveerd] Hoofdstuk 14 Handhaving [Gereserveerd] Hoofdstuk 15 Monitoring en informatie [Gereserveerd] Hoofdstuk 16 Overgangsrecht [Gereserveerd] Hoofdstuk 17 [Gereserveerd] Hoofdstuk 18 [Gereserveerd] Hoofdstuk 19 [Gereserveerd] Hoofdstuk 20 [Gereserveerd] Hoofdstuk 21 [Gereserveerd] Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  19. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  20. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  21. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  22. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit

die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  3. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  5. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  6. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  7. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  8. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  9. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  10. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  11. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  12. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  13. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  14. Bij maatwerkvoorschrift

artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem

artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang

artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  1. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  2. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  4. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  5. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  6. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  7. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  8. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte ind

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.