Omgevingsplan gemeente Ridderkerk (Ridderkerk)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Ridderkerk stelt regels voor de fysieke leefomgeving en gezondheid, met een focus op bodem- en grondwaterkwaliteit. Het bevat algemene bepalingen en specifieke regels voor het bouwen van gebouwen op locaties die gevoelig zijn voor bodem- of grondwaterverontreiniging.
Voor wie: Iedereen die een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving en gezondheid; Degene die een bodemgevoelig gebouw bouwt op een bodemgevoelige locatie.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 401
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definitie van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt.
- Gebiedsaanwijzingen met betrekking tot bodem en ondergrond, zoals bodembeheergebieden en bodemfunctieklassen.
- Het beschermen van de fysieke leefomgeving en gezondheid, inclusief de kwaliteit van bodem en watersystemen.
- Regels voor het bouwen van bodemgevoelige en grondwatergevoelige gebouwen op gevoelige locaties.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving en gezondheid.
- Degene die een bodemgevoelig gebouw bouwt op een bodemgevoelige locatie.
- Degene die een grondwatergevoelig gebouw bouwt op een grondwatergevoelige locatie.
Wat zijn de kernpunten?
- Er geldt een specifieke zorgplicht voor iedereen die een activiteit uitvoert, om nadelige gevolgen voor gezondheid, bodem- en waterkwaliteit te voorkomen of te beperken.
- Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie gelden waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, onder andere voor lood (370 mg/kg droge stof voor wonen met tuin en buitenruimte bij basisscholen/kinderdagverblijven), asbest (10-100 mg/kg droge stof afhankelijk van gebruik) en PFAS.
- Bij overschrijding van deze waarden moeten sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
- Voor vergunningsvrije bouwactiviteiten van bodemgevoelige gebouwen op gevoelige locaties is een melding verplicht, ten minste vier weken voor aanvang.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (401)
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2
- Artikel 3.1
- Artikel 4.1
- Artikel 4.2
- Artikel 4.3
- Artikel 4.4
- Artikel 4.5
- Artikel 4.6
- Artikel 4.7
- Artikel 4.8
- Artikel 4.9
- Artikel 4.10
- Artikel 4.11
- Artikel 4.12
- Artikel 4.13
- Artikel 4.14
- Artikel 4.15
- Artikel 4.16
- Artikel 4.17
- Artikel 4.18
- Artikel 4.19
- Artikel 4.20
- Artikel 4.21
- Artikel 4.22
- Artikel 4.23
- Artikel 4.24
- Artikel 4.25
- Artikel 4.26
- Artikel 4.27
- Artikel 4.28
- Artikel 4.29
- Artikel 4.30
- Artikel 4.31
- Artikel 4.32
- Artikel 4.33
- Artikel 4.34
- Artikel 7.1
- Artikel 7.2
- Artikel 7.3
- Artikel 7.4
- Artikel 7.5
- Artikel 7.6
- Artikel 7.7
- Artikel 7.8
- Artikel 7.9
- Artikel 7.10
- Artikel 7.11
- Artikel 7.12
- Artikel 7.13
- Artikel 7.14
- Artikel 7.15
- Artikel 7.16
- Artikel 7.17
- Artikel 7.18
- Artikel 7.19
- Artikel 7.20
- Artikel 7.21
- Artikel 7.22
- Artikel 7.23
- Artikel 7.24
- Artikel 7.25
- Artikel 7.26
- Artikel 7.27
- Artikel 7.28
- Artikel 7.29
- Artikel 7.30
- Artikel 7.31
- Artikel 7.32
- Artikel 7.33
- Artikel 7.34
- Artikel 7.35
- Artikel 7.36
- Artikel 7.37
- Artikel 7.38
- Artikel 7.39
- Artikel 7.40
- Artikel 7.41
- Artikel 7.42
- Artikel 7.43
- Artikel 7.44
- Artikel 7.45
- Artikel 7.46
- Artikel 7.47
- Artikel 7.48
- Artikel 7.49
- Artikel 7.50
- Artikel 7.51
- Artikel 7.52
- Artikel 7.53
- Artikel 7.54
- Artikel 7.55
- Artikel 7.56
- Artikel 7.57
- Artikel 7.58
- Artikel 7.59
- Artikel 22.1
- Artikel 22.2
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7
- Artikel 22.8
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 22.11
- Artikel 22.12
- Artikel 22.13
- Artikel 22.14
- Artikel 22.15
- Artikel 22.16
- Artikel 22.17
- Artikel 22.18
- Artikel 22.19
- Artikel 22.20
- Artikel 22.21
- Artikel 22.22
- Artikel 22.23
- Artikel 22.24
- Artikel 22.25
- Artikel 22.26
- Artikel 22.27
- Artikel 22.28
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35
- Artikel 22.36
- Artikel 22.37
- Artikel 22.38
- Artikel 22.39
- Artikel 22.40
- Artikel 22.41
- Artikel 22.42
- Artikel 22.43
- Artikel 22.44
- Artikel 22.45
- Artikel 22.46
- Artikel 22.47
- Artikel 22.48
- Artikel 22.49
- Artikel 22.50
- Artikel 22.51
- Artikel 22.52
- Artikel 22.53
- Artikel 22.54
- Artikel 22.55
- Artikel 22.56
- Artikel 22.57
- Artikel 22.58
- Artikel 22.59
- Artikel 22.60
- Artikel 22.61
- Artikel 22.62
- Artikel 22.63
- Artikel 22.64
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68
- Artikel 22.69
- Artikel 22.70
- Artikel 22.71
- Artikel 22.72
- Artikel 22.73
- Artikel 22.74
- Artikel 22.75
- Artikel 22.76
- Artikel 22.77
- Artikel 22.78
- Artikel 22.79
- Artikel 22.80
- Artikel 22.81
- Artikel 22.82
- Artikel 22.83
- Artikel 22.84
- Artikel 22.85
- Artikel 22.86
- Artikel 22.87
- Artikel 22.88
- Artikel 22.89
- Artikel 22.90
- Artikel 22.91
- Artikel 22.92
- Artikel 22.93
- Artikel 22.94
- Artikel 22.95
- Artikel 22.96
- Artikel 22.97
- Artikel 22.98
- Artikel 22.99
- Artikel 22.100
- Artikel 22.101
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113
- Artikel 22.114
- Artikel 22.115
- Artikel 22.116
- Artikel 22.117
- Artikel 22.118
- Artikel 22.119
- Artikel 22.120
- Artikel 22.121
- Artikel 22.122
- Artikel 22.123
- Artikel 22.124
- Artikel 22.125
- Artikel 22.126
- Artikel 22.127
- Artikel 22.128
- Artikel 22.129
- Artikel 22.130
- Artikel 22.131
- Artikel 22.132
- Artikel 22.133
- Artikel 22.134
- Artikel 22.135
- Artikel 22.136
- Artikel 22.137
- Artikel 22.138
- Artikel 22.139
- Artikel 22.140
- Artikel 22.141
- Artikel 22.142
- Artikel 22.143
- Artikel 22.144
- Artikel 22.145
- Artikel 22.146
- Artikel 22.147
- Artikel 22.148
- Artikel 22.149
- Artikel 22.150
- Artikel 22.151
- Artikel 22.152
- Artikel 22.153
- Artikel 22.154
- Artikel 22.155
- Artikel 22.156
- Artikel 22.157
- Artikel 22.158
- Artikel 22.159
- Artikel 22.160
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162
- Artikel 22.163
- Artikel 22.164
- Artikel 22.165
- Artikel 22.166
- Artikel 22.167
- Artikel 22.168
- Artikel 22.169
- Artikel 22.170
- Artikel 22.171
- Artikel 22.172
- Artikel 22.173
- Artikel 22.174
- Artikel 22.175
- Artikel 22.176
- Artikel 22.177
- Artikel 22.178
- Artikel 22.179
- Artikel 22.180
- Artikel 22.181
- Artikel 22.182
- Artikel 22.183
- Artikel 22.184
- Artikel 22.185
- Artikel 22.186
- Artikel 22.187
- Artikel 22.188
- Artikel 22.189
- Artikel 22.190
- Artikel 22.191
- Artikel 22.192
- Artikel 22.193
- Artikel 22.194
- Artikel 22.195
- Artikel 22.196
- Artikel 22.197
- Artikel 22.198
- Artikel 22.199
- Artikel 22.200
- Artikel 22.201
- Artikel 22.202
- Artikel 22.203
- Artikel 22.204
- Artikel 22.205
- Artikel 22.206
- Artikel 22.207
- Artikel 22.208
- Artikel 22.209
- Artikel 22.210
- Artikel 22.211
- Artikel 22.212
- Artikel 22.213
- Artikel 22.214
- Artikel 22.215
- Artikel 22.216
- Artikel 22.217
- Artikel 22.218
- Artikel 22.219
- Artikel 22.220
- Artikel 22.221
- Artikel 22.222
- Artikel 22.223
- Artikel 22.224
- Artikel 22.225
- Artikel 22.226
- Artikel 22.227
- Artikel 22.228
- Artikel 22.229
- Artikel 22.230
- Artikel 22.231
- Artikel 22.232
- Artikel 22.233
- Artikel 22.234
- Artikel 22.235
- Artikel 22.236
- Artikel 22.237
- Artikel 22.238
- Artikel 22.239
- Artikel 22.240
- Artikel 22.241
- Artikel 22.242
- Artikel 22.243
- Artikel 22.244
- Artikel 22.245
- Artikel 22.246
- Artikel 22.247
- Artikel 22.248
- Artikel 22.249
- Artikel 22.250
- Artikel 22.251
- Artikel 22.252
- Artikel 22.253
- Artikel 22.254
- Artikel 22.255
- Artikel 22.256
- Artikel 22.257
- Artikel 22.258
- Artikel 22.259
- Artikel 22.260
- Artikel 22.261
- Artikel 22.262
- Artikel 22.263
- Artikel 22.264
- Artikel 22.265
- Artikel 22.266
- Artikel 22.267
- Artikel 22.268
- Artikel 22.269
- Artikel 22.270
- Artikel 22.271
- Artikel 22.272
- Artikel 22.273
- Artikel 22.274
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276
- Artikel 22.277
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283
- Artikel 22.284
- Artikel 22.285
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287
- Artikel 22.288
- Artikel 22.289
- Artikel 22.290
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293
- Artikel 22.294
- Artikel 22.295
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297
- Artikel 22.298
- Artikel 22.299
- Artikel 22.300
- Artikel 22.301
- Artikel 22.302
- Artikel 22.303
- Artikel 23.1
- Artikel 5.89h
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696361 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0597/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-02-12 2026-02-12 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696361/nld@2026-03-13 /join/id/proces/gm0597/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0597/2024/procedure834a62f8a7bb40028a320959df791cf3 /join/id/proces/gm0597/2025/proceduredaf2aab1b3794bb8ad2a4469bcf76198 2026-03-13 2026-03-13 /akn/nl/act/gm0597/2020/omgevingsplan/nld@2026-01-29;12563918 /akn/nl/act/gm0597/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0597/2020/omgevingsplan/nld@2026-01-29;12563918 /join/id/stop/work_019 3 Omgevingsplan gemeente Ridderkerk
Hoofdstuk 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Afdeling 1.1
Begrippen en reken- en meetbepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Voor dit omgevingsplan gelden de begripsbepalingen in bijlage I van dit omgevingsplan.
2.
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit: a. de bijlage bij de Omgevingswet; b. bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving; e. bijlage I van het Omgevingsbesluit; f. bijlage I en II van de Omgevingsregeling.
Artikel 1.2Voorrangsregeling begripsbepalingen
De begripsbepalingen zoals opgenomen in bijlage I van dit omgevingsplan gelden niet voor de regels van hoofdstuk 22. Voor de regels van hoofdstuk 22 gelden de begrippen in bijlage II.
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Gebiedsaanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 3.1
Afdeling 3.2
Afdeling 3.3
Gebiedstypen - thema milieu
Paragraaf 3.3.1
Bodem en ondergrond
Artikel 3.1Gebiedsaanwijzingen bodem
In dit omgevingsplan zijn de volgende gebieden aangewezen: a. bodembeheergebied; b. bodemfunctieklasse landbouw/natuur; c. bodemfunctieklasse wonen; d. bodemfunctieklasse industrie e. herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard; f. toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard.
Hoofdstuk 4
Beschermen van de fysieke leefomgeving en gezondheid
Afdeling 4.1
Algemene regels
Artikel 4.1Algemeen toepassingsbereik
Dit hoofdstuk gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving en gezondheid.
Artikel 4.2Oogmerken
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; e. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 4.3Voor wie de regels gelden
De regels in dit hoofdstuk gelden voor degene die een activiteit uitvoert. Diegene is verantwoordelijk voor het naleven van de regels over de activiteit.
Artikel 4.4Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, bedoeld in artikel 4.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover het voorkomen van de gevolgen niet kan: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als beperken of ongedaan maken van de gevolgen niet kan: de activiteit niet uitvoeren, zolang dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De zorgplicht, als bedoeld in het eerste lid, geldt ook voor: a. het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen van het verkeer van personen en goederen van en naar de milieubelastende activiteit; b. [gereserveerd].
Afdeling 4.2
Bodem
Paragraaf 4.2.1
Bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie bouwen
Artikel 4.5Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 4.6Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 4.7Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit
1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden voor lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld, de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.1.
Tabel 4.1: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood per gebruiksfunctie.
Gebruik Waarden lood (in mg/kg droge stof)1 Wonen met tuin 370 Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 370 1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
3.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.2. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 4.2: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest per gebied of gebruiksfunctie.
Gebied/ Gebruik Waarden asbest (in mg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 50 Gebied bodemfunctieklasse wonen 50 Gebied bodemfunctieklasse industrie 100 Gebruik voor wonen met tuin 10 Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 10 4.
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.3. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 4.3: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS per gebied of gebruiksfunctie.
Gebied/ Gebruik Waarden PFOS (in μg/kg droge stof) Waarden PFOA (in μg/kg droge stof) Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 59 60 59 Gebied bodemfunctieklasse wonen 59 60 59 Gebied bodemfunctieklasse industrie 59 60 59 Gebruik voor wonen met tuin 29 30 29 Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 59 60 59 5.
Er is sprake van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
6.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vijfde lid is niet van toepassing: a. bij de aanwezigheid van asbest b. bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld.
Artikel 4.8Maatregelen bij overschrijding van een waarde
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7, dienen de sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.
Artikel 4.9Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7 wordt het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.
Artikel 4.10Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten
1.
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor op grond van artikel 22.27 van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld artikel 4.7: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
3.
De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.11Vergunningplicht: aanvraagvereisten omgevingsvergunning
1.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
2.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.12Vergunningplicht: beoordelingsregel omgevingsvergunning
1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 betrekking heeft op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 4.7, niet wordt overschreden;
2.
Bij overschrijding van de waarden van de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 4.7 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan.
3.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd als het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, tenzij aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
Paragraaf 4.2.2
Grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bouwen
Artikel 4.13Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie als bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 ‘Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
2.
Deze paragraaf gaat niet over een niet-bodemgevoelig gebouw voor zover de oppervlakte van het gebouw dat de bodem raakt kleiner is dan 50 m2.
Artikel 4.14Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; c. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 4.15Voorafgaand grondwateronderzoek
1.
Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als uit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.16.
2.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het overleggen van een beschikking, krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor 1 januari 2024, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 4.16Verontreiniging van grondwater
Er is sprake van verontreiniging van het grondwater, bedoeld in artikel 4.15, als voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume hoger is dan de waarde, bedoeld in artikel 7.30 ‘verontreiniging van grondwater’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Artikel 4.17Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit
1.
Bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 4.16, is het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd als bedoeld in paragraaf 3.4.2 “Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit” van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of uit een beschikking als bedoeld in artikel 4.15, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.
3.
Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; b. een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of in een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor 1 januari 2024.
Artikel 4.18Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging
1.
Wanneer uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in artikel 4.17 blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, is het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een grondwatersanering, overeenkomstig de regels van paragraaf 3.4.3 ‘grondwatersanering’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als de significante grondwaterverontreiniging direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c van de Zuid-Hollande Omgevingsverordening.
2.
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.
Artikel 4.19Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen
Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in paragraaf 3.4.2 'module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit' van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop: a. de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 4.18, zijn getroffen; of, b. als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.
Artikel 4.20Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten
1.
Het is verboden een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarvoor op grond van artikel 22.27 van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.15; e. als sprake is van een verontreiniging van grondwater bedoeld in artikel 4.16, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift van de gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de melding bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid sub a, wordt verricht; g. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.
3.
De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.21Vergunningplicht: aanvraagvereisten omgevingsvergunning
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, die betrekking heeft op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, worden de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.15, verstrekt.
2.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
3.
Als sprake is van een verontreiniging van grondwater, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift van de gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn.
4.
Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de melding bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid sub a, wordt verricht.
5.
Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.
Artikel 4.22Vergunningplicht: beoordelingsregel omgevingsvergunning
1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan betrekking heeft op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.16; of, 2.
Bij een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.16 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit bedoeld in artikel 4.17 blijkt dat geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging.
3.
Het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in het tweede lid is niet nodig als voldaan wordt aan de criteria bedoeld in artikel 4.17, tweede en derde lid.
4.
Bij een significante grondwaterverontreiniging wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een bronaanpak, als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid sub a, als sanerende maatregel wordt getroffen; of, 5.
Bij een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig 4.18, eerste lid sub b lid wordt getroffen.
6.
Het gestelde in lid 4 geldt enkel voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.
Paragraaf 4.2.3
Speelplaats, moestuin of volkstuin aanleggen of in gebruik nemen
Artikel 4.23Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het aanleggen of in gebruik nemen van een speelplaats, moestuin of volkstuin zonder bodemgevoelig gebouw.
Artikel 4.24Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 4.25Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit
1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest en lood de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.4.
Tabel 4.4: Waarden voor toelaatbare bodemkwaliteit voor lood en asbest Gebruik Waarden lood (in mg/kg droge stof)1 Waarden asbest (in mg/kg droge stof) Speelplaats 370 10 Moestuin/volkstuin 260 10 1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
3.
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.5.
Tabel 4.5: Waarden voor toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS Gebruik Waarden PFOS (in μg/kg droge stof) Waarden PFOA (in μg/kg droge stof) Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof) Speelplaats 59 60 59 Moestuin/volkstuin 2,4 2,3 2,4 4.
Er is sprake van overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met derde lid.
5.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vierde lid is niet van toepassing: a. bij de aanwezigheid van asbest b. bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld
Artikel 4.26Maatregelen bij overschrijding van een waarde
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.25, dienen de sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.
Artikel 4.27Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.25 wordt de speelplaats, moestuin of volkstuin, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.
Artikel 4.28Meldplicht
1.
Het is verboden de activiteit bedoeld in artikel 4.23 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld deze paragraaf: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
3.
De in het tweede lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 4.2.4
Bodemgevoelige locatie gebruik wijzigen
Artikel 4.29Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het wijzigen van het gebruik van een bodemgevoelige locatie of het wijzigen van het gebruik van een gebouw waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.
Artikel 4.30Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 4.31Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit
1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden voor lood de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.6.
Tabel 4.6: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood per gebruiksfunctie.
Gebruik Waarden lood (in mg/kg droge stof)1 Gebruik voor wonen met tuin 370 Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 370 1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
3.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.7. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 4.7: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest per gebied of gebruiksfunctie.
Gebied/ Gebruik Waarden asbest (in mg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 50 Gebied bodemfunctieklasse wonen 50 Gebied bodemfunctieklasse industrie 100 Gebruik voor wonen met tuin 10 Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 10 4.
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.8. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 4.8: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS per gebied of gebruiksfunctie.
Gebied/ Gebruik Waarden PFOS (in μg/kg droge stof) Waarden PFOA (in μg/kg droge stof) Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 59 60 59 Gebied bodemfunctieklasse wonen 59 60 59 Gebied bodemfunctieklasse industrie 59 60 59 Gebruik voor wonen met tuin 29 30 29 Gebruik als moestuin/volkstuin 29 30 29 5.
Er is sprake van overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
6.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vijfde lid is niet van toepassing: a. bij de aanwezigheid van asbest; b. bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld.
Artikel 4.32Maatregelen bij overschrijding van een waarde
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.31, dienen sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.
Artikel 4.33Informatieplicht: voorafgaand aan de activiteit
1.
Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik als bedoeld in artikel 4.29 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.31: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; c. het oorspronkelijke gebruik en het voorgenomen gebruik van de locatie.
2.
De in het eerste lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.34Maatwerkvoorschrift
Bij maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen worden gesteld aan de sanerende of andere beschermende maatregelen.
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Milieubelastende activiteiten (MBA's)
Afdeling 7.1
Algemene regels
Paragraaf 7.1.1
Regels die gelden voor alle MBA's
Artikel 7.1Voorrangsbepalingen
De regels in hoofdstuk 7 zijn in niet van toepassing als: a. een voor 1 januari 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit onherroepelijk is geworden; en b. die activiteit vergunningplichtig is op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en, c. voor zover er voorschriften aan deze omgevingsvergunning zijn verbonden.
Artikel 7.2Algemeen toepassingsbereik
De regels in hoofdstuk 7 zijn van toepassing op een milieubelastende activiteit.
Artikel 7.3Oogmerken
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; e. het doelmatig beheer van afvalstoffen; f. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; g. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen; h. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 7.4Voor wie de regels gelden
De regels in dit hoofdstuk gelden voor degene die een milieubelastende activiteit uitvoert. Diegene is verantwoordelijk voor het naleven van de regels over de activiteit.
Artikel 7.5Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, bedoeld in artikel 7.3, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover het voorkomen van de gevolgen niet kan: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als beperken of ongedaan maken van de gevolgen onvoldoende kan: de activiteit niet uitvoeren, zolang dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De zorgplicht, als bedoeld in het eerste lid, houdt ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; b. gereserveerd.
4.
Op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing; b. is het derde lid wel van toepassing.
Artikel 7.6Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 7.5 en 7.10 en afdeling 7.3.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikelen 7.10 en afdeling 7.3.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld als dat nodig is voor het waarborgen van de oogmerken, zoals beschreven in artikel 7.3.
4.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.7Algemene gegevens bij het leveren van gegevens en documenten
Als degene voor wie de regels van dit hoofdstuk gelden, gegevens en documenten levert, dan zijn die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit uitvoert; c. het adres waarop de activiteit wordt uitgevoerd; en d. datum waarop de gegevens en documenten worden ingediend.
Artikel 7.8Gegevens bij wijzigen naam, adres of degene die de activiteit uitvoert
1.
Bij wijziging van de gegevens of documenten, bedoeld in artikel 7.7 worden de daardoor gewijzigde gegevens geleverd aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Als iemand anders de activiteit gaat uitvoeren, worden de nieuwe gegevens minstens vier weken van tevoren geleverd aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 7.9Gegevens en documenten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en documenten geleverd die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en documenten worden geleverd voor zover degene die de activiteit uitvoert er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 7.10Informatieplicht: informeren over een ongewoon voorval
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt direct, zonder uitstel, geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Zodra de volgende gegevens en documenten bekend zijn, worden ze geleverd aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 7.1.2
Paragraaf 7.1.3
Paragraaf 7.1.4
Afdeling 7.2
Afdeling 7.3
Bodembeheer en activiteiten in en op de bodem
Paragraaf 7.3.1
Algemene regels
Artikel 7.11Register met bodemlocaties
1.
Er is een register met: a. verdachte bodemlocaties; b. locaties waar in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden; c. locaties waar in het verleden bodemonderzoek is verricht.
2.
Er is een register met: a. locaties met een historisch bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico; b. locaties nazorg bodem - afdeklaag; c. locaties nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen.
3.
De registers a. worden beheerd door het college van burgemeester en wethouders; b. zijn voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk; c. worden actueel gehouden.
Paragraaf 7.3.2
Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume tot en met 25 m3
Artikel 7.12Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van ten hoogste 25 m3 op een verdachte bodemlocatie, die is opgenomen in het register, zoals bedoeld in artikel 7.11, eerste lid.
2.
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
4.
In deze paragraaf wordt verstaan onder een afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.
Artikel 7.13Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 7.14Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond
1.
Grond die bij het graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
2.
Bij tijdelijke opslag van vrijgekomen grond worden de volgende maatregelen genomen a. maatregelen om verwaaiing van verontreinigde grond tegen te gaan, vooral als deze grond asbest bevat; b. maatregelen om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond. Dit kan door de tijdelijke opslag zo veel als redelijkerwijs mogelijk is af te schermen met een hekwerk. Na het beëindigen van de dagelijkse werkzaamheden dient het hekwerk te worden afgesloten.
Artikel 7.15Kwaliteitsborging aannemer
De activiteit wordt uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 als: a. het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak; b. de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 7.16Milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
De activiteit wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als: a. het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak; b. de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 7.17Informatieplicht: voorafgaand aan de activiteit
1.
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.12, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit; d. de verwachte duur van de activiteit; e. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding bedoeld in artikel 7.16 gaan verrichten.
2.
Het college van burgemeester en wethouders ontvangt direct, zonder uitstel, informatie bij wijziging van de begrenzing, wijziging van de verwachte datum van het begin van de activiteit of of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten .
3.
Het eerste lid is in de volgende gevallen niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond en het graven niet plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag; b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
4.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 7.3.3
Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3
Artikel 7.18Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van meer dan 25 m3 op een locatie met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Artikel 7.19Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig beheer van afvalstoffen; d. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen.
Artikel 7.20Waarden PFOS, PFOA en overige PFAS (maatwerkregel)
Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in de bodem met een gehalte:
a.
PFOS van 59 μg/kg droge stof of minder; b.
PFOA van 60 μg/kg droge stof of minder; c. overige PFAS van 59 μg/kg droge stof of minder.
Artikel 7.21Informatieplicht voorafgaand aan de activiteit (maatwerkregel)
1.
In aanvulling op artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ten minste een week voor het begin van het graven ook de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan het college van burgemeester en wethouders verstrekt.
2.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 7.22Gescheiden houden van grond (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond gescheiden gehouden als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. bestaan uit verschillende grondsoorten; c. asbest bevatten; d. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014.
Artikel 7.23Tijdelijk uitnemen van grond (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1222a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. visueel waarneembaar asbest bevatten; c. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014.
Artikel 7.24Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1223 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij tijdelijke opslag van vrijgekomen grond de volgende maatregelen genomen: a. maatregelen om verwaaiing van verontreinigde grond tegen te gaan, vooral als deze grond asbest bevat; b. maatregelen om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond. Dit kan door de tijdelijke opslag, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, af te schermen met een hekwerk.
Artikel 7.25Terugplaatsen tijdelijk uitgenomen grond (maatwerkregel)
In afwijking van artikel 4.1222a van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt bij het tijdelijk uitnemen van grond dat verschillende bodemlagen niet gescheiden teruggeplaatst hoeven te worden.
Paragraaf 7.3.4
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3
Artikel 7.26Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van meer dan 25 m3 op een locatie met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Artikel 7.27Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig beheer van afvalstoffen; d. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen.
Artikel 7.28Waarden PFOS, PFOA en overige PFAS (maatwerkregel)
Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in de bodem met een gehalte:
a.
PFOS van 59 ug/kg droge stof of meer; b.
PFOA van 60 ug/kg droge stof of meer; c. overige PFAS van 59 ug/kg droge stof of meer.
Artikel 7.29Meldplicht voorafgaand aan de activiteit (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 7.30Gescheiden houden van partijen grond (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1230 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond gescheiden gehouden als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. bestaan uit verschillende grondsoorten; c. asbest bevatten; d. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014; e. een mobiele verontreiniging bevatten.
Artikel 7.31Tijdelijk uitnemen van partijen grond (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1230a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. verontreinigd zijn met asbest; c. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014; d. een mobiele verontreiniging bevatten.
Artikel 7.32Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij tijdelijke opslag van vrijgekomen grond de volgende maatregelen genomen: a. maatregelen om verwaaiing van verontreinigde grond tegen te gaan, vooral als deze grond asbest bevat; b. maatregelen om verspreiding van een mobiele verontreiniging naar de onderliggende bodem tegen te gaan; c. maatregelen om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond. Dit kan door de tijdelijke opslag, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, af te schermen met een hekwerk.
Artikel 7.33Informatieplicht na beëindigen van de activiteit (maatwerkregel)
1.
In aanvulling op artikel 4.1234 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, indien gedurende de graafwerkzaamheden aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd, ten hoogste een week na het beëindigen van het graven ook de resultaten van dit aanvullend bodemonderzoek aan het college van burgemeester en wethouders verstrekt.
2.
De in het eerste lid genoemde resultaten van aanvullend bodemonderzoek worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 7.3.5
Bodem saneren
Artikel 7.34Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het saneren van de bodem.
Artikel 7.35Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 7.36Verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak (maatwerkregel)
In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een sanering uitgevoerd volgens artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving als de waarde van een vluchtige organische stof in de bodem hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 7.37Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit na saneren (maatwerkregel)
1.
In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de grond op een bodemgevoelige locatie zodanig ontgraven dat de stof lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld niet meer voorkomt in een concentratie hoger of gelijk aan de waarden uit tabel 7.1;
Tabel 7.1: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood na verwijdering van verontreiniging per gebruiksfunctie.
Gebruik Waarden lood (in mg/kg in droge stof)1 Wonen met tuin 90 Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 90 Speelplaats 90 Moestuin/volkstuin 60 1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
2.
In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de grond op een bodemgevoelige locatie zodanig ontgraven dat de stof asbest niet meer voorkomt in een concentratie hoger of gelijk aan de waarden uit tabel 7.2. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 7.2: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest na verwijdering van verontreiniging per gebruiksfunctie.
Gebied/ Gebruik Waarden asbest (in mg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 50 Gebied bodemfunctieklasse wonen 50 Gebied bodemfunctieklasse industrie 100 Gebruik voor wonen met tuin 10 Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 10 Gebruik voor speelplaats 10 Gebruik voor moestuin/ volkstuin 10 3.
In aanvulling op artikel 4.1242, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de grond op een bodemgevoelige locatie zodanig ontgraven dat de stoffen PFOS, PFOA en overige PFAS niet meer voorkomen in een concentratie hoger of gelijk aan de waarden uit tabel 7.3.
Tabel 7.3: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS na verwijdering van verontreiniging per gebied.
Gebied / Gebruik Waarden PFOS (in μg/kg droge stof) Waarden PFOA (in μg/kg droge stof) Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 3 7 3 Gebied bodemfunctieklasse wonen 3 7 3 Gebied bodemfunctieklasse industrie 3 7 3 Gebruik voor speelplaats 3 7 3 Gebruik voor moestuin/volkstuin 2,4 2,3 2,4
Paragraaf 7.3.6
Bodem saneren ter uitvoering van een bronaanpak bij een significante grondwaterverontreiniging
Artikel 7.38Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak vanwege een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid onder a.
2.
Deze paragraaf gaat niet over het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Artikel 7.39Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; c. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 7.40Saneringsaanpak: niet afdekken tenzij
1.
Een sanering van de bodem in verband met een bronaanpak vanwege een significante grondwaterverontreiniging mag niet worden uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid, is de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving wel toegestaan als: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
Artikel 7.41Informatieplicht: voor het begin van de bronaanpak
In aanvulling op artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de voor het begin van de bronaanpak aan het college van burgemeester en wethouders verstrekte gegevens en bescheiden gelijktijdig verstrekt aan gedeputeerde staten.
Artikel 7.42Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak
In aanvulling op artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt het bij beëindiging van de bronaanpak aan het college van burgemeester en wethouders verstrekte evaluatieverslag, gelijktijdig verstrekt aan gedeputeerde staten.
Artikel 7.43Maatwerkvoorschrift andere aanpak grondwaterverontreiniging
Een maatwerkvoorschrift voor een andere saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt alleen gesteld als deze saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
Paragraaf 7.3.7
Nazorg na saneren van de bodem of bij toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem
Artikel 7.44Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van: a. het Besluit activiteiten leefomgeving; b. dit omgevingsplan; c. een omgevingsvergunning; d. een maatwerkvoorschrift.
2.
Deze paragraaf gaat ook over het verrichten van nazorg als tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Artikel 7.45Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 7.46Locatie nazorg bodem - afdeklaag
Met het oog op het beschermen van de gezondheid treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een ‘locatie nazorg bodem - afdeklaag’ de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die afdeklaag. De betreffende locaties zijn opgenomen in het register met bodemlocaties zoals bedoeld in artikel 7.11, tweede lid.
Artikel 7.47Locatie nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen
Met het oog op het beschermen van de gezondheid treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een ‘locatie nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen’ de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die tijdelijke beschermingsmaatregelen. De betreffende locaties zijn opgenomen in het register met bodemlocaties zoals bedoeld in artikel 7.11, tweede lid.
Paragraaf 7.3.8
Paragraaf 7.3.9
Grond of baggerspecie toepassen
Artikel 7.48Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie.
Artikel 7.49Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; d. het doelmatig beheer van afvalstoffen. e. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen.
Artikel 7.50Bodembeheergebied
Er is een bodembeheergebied, waarin met maatwerkvoorschriften en maatwerkregels afgeweken mag worden van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 7.51Invasieve exoten (maatwerkregel)
De toe te passen grond of baggerspecie moet vrij zijn van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014.
Artikel 7.52Bijzondere kwaliteitseisen (maatwerkregel)
1.
In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld voldoen aan de waarden uit tabel 7.4.
Tabel 7.4: Waarden de toelaatbare bodemkwaliteit voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor lood.
Gebruik Waarden lood (in mg/kg droge stof)1 Wonen met tuin 90 Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 90 Speelplaats 90 Moestuin/ volkstuin 60 1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
2.
In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor asbest voldoen aan de waarden uit tabel 7.5. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 7.5: Waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor asbest.
Gebied/ Gebruik Waarden asbest (in mg/kg droge stof) Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 50 Gebied bodemfunctieklasse wonen 50 Gebied bodemfunctieklasse industrie 100 Gebruik voor wonen met tuin 10 Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven 10 Gebruik voor speelplaats 10 Gebruik voor moestuin/ volkstuin 10 3.
In aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS voldoen aan de waarden uit tabel 7.6.
Tabel 7.6: Waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor PFOS, PFOA en overige PFAS.
Gebied/ Gebruik Waarden PFOS (in μg/kg droge stof) Waarden PFOA (in μg/kg droge stof) Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof) afkomstig van binnen bodembeheergebied afkomstig van buiten bodembeheergebied afkomstig van binnen bodembeheergebied afkomstig van buiten bodembeheergebied afkomstig van binnen bodembeheergebied afkomstig van buiten bodembeheergebied Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur 2,4 1,4 2,3 1,9 2,4 1,4 Gebied bodemfunctieklasse wonen 3 3 7 7 3 3 Gebied bodemfunctieklasse industrie 3 3 7 7 3 3 Gebruik voor speelplaats 3 3 7 7 3 3 Gebruik voor moestuin/ volkstuin 2,4 1,4 2,3 1,9 2,4 1,4
Artikel 7.53Grond en baggerspecie in een bodembeheergebied toepassen (maatwerkregel)
In afwijking van artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving is het toegestaan binnen het bodembeheergebied op de landbodem grond of baggerspecie toe te passen die: a. niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens het Besluit bodemkwaliteit is ingedeeld; en b. voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de bodemfunctieklasse waarin de landbodem is ingedeeld; en c. voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 7.52; en d. afkomstig is uit het bodembeheergebied.
Artikel 7.54Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor zone Nieuw Reijerwaard
In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het toegestaan binnen het toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard grond of baggerspecie op de landbodem toe te passen die: a. alleen voor de stofgroep drins niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving; b. voor de stofgroep drins voldoet aan de kwaliteitseis van maximaal 2 mg/kg droge stof; c. voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 7.52; d. afkomstig is uit het herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard.
Artikel 7.55Meldplicht voorafgaand aan een grootschalige bodemtoepassing (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1266, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat een melding in het geval van een grootschalige bodemtoepassing (GBT) als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook een plan van aanpak aanleg GBT waarin ten minste het volgende is opgenomen: a. situatietekening van de GBT inclusief dwarsprofiel; b. de herkenbaarheid van de toepassing na realisatie; c. een berekening van de hoeveelheid benodigde grond in de kern en de leeflaag en de wijze waarop de controle op hoeveelheid wordt uitgevoerd; d. de benaming van de GBT zoals die vermeld zal worden bij alle meldingen van toe te passen partijen; e. de wijze van borging hoe de maximaal aangemelde hoeveelheid niet wordt overschreden; f. de omvang van de GBT (inclusief begrenzing) in het veld en een beschrijving van de wijze waarop toezicht op deze grenzen plaatsvindt; g. de ligging, kwaliteit en de dikte van de leeflaag of afdeklaag en een beschrijving van de wijze waarop borging van deze aspecten plaatsvindt; h. een berekening van de zettingen, die onder meer aangeeft welk deel van de toepassing onder het grondwaterniveau zal komen te liggen. Op basis van de zetting en de ligging ten opzichte van het grondwaterniveau de toetsing van de toepassing aan de juiste toepassingsnormen (normen voor boven grondwaterniveau en normen voor onder grondwaterniveau); i. het uitpersen van (zout) grondwater met een beschouwing van de effecten hiervan op de omgeving en waterkwaliteit; j. de terreininrichting en de afsluiting van het terrein na werktijd; k. de verantwoordelijke voor de juiste aanvoer van grond en bagger; l. de verantwoordelijke partij tijdens de aanleg en realisatie; m. op welk moment de verantwoordelijkheid van de aannemer naar de gebruiker verschuift.
Artikel 7.56Informatieplicht na een grootschalige bodemtoepassing (maatwerkregel)
In aanvulling op artikel 4.1268 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ontvangt het bevoegd gezag na een grootschalige bodemtoepassing (GBT) een evaluatierapport waarin ten minste het volgende is opgenomen: a. de gegevens uit het plan van aanpak, zoals gevraagd in artikel 7.55; b. tekeningen met de ligging en doorsneden van de GBT; c. een beschrijving en verantwoording van de toegepaste partijen grond; d. de verantwoordelijke voor onderhoud en controle van de GBT; e. de locatie waar de administratie wordt bewaard; f. de verantwoordelijke voor de GBT tijdens de gebruiksfase; g. de wijze waarop het (blijvende) beheer van de toepassing plaatsvindt. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid waarin deze is toegepast en geregistreerd. Dit geldt met name voor de ligging en dikte van de leef- en/of afdeklagen; h. de controle op de kwaliteit van het grondwater als hier aanleiding voor is; i. de rapportage van de grondwatercontrole en locatie-inspectie.
Paragraaf 7.3.10
Paragraaf 7.3.11
Activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Artikel 7.57Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over een activiteit op een locatie die in het register, als bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, is aangemerkt als een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
2.
Deze paragraaf gaat ook over een activiteit op een locatie waarvoor een nader bodemonderzoek is verricht voor 1 januari 2024 en dat voldoet aan NTA 5755. Uit dit nader bodemonderzoek moet blijken dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 7.58Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
Artikel 7.59Mitigerende maatregelen
1.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.57 verricht, neemt in het belang van de oogmerken zoals genoemd in artikel 7.58 maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om: a. verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken; b. verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken.
2.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.57 verricht, neemt in het belang van de oogmerken zoals genoemd in artikel 7.58 als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht maatregelen om: a. verontreiniging van de bodem ongedaan te maken; b. verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de bodem, ongedaan te maken.
Afdeling 7.4
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Hoofdstuk 18
Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 20
Hoofdstuk 21
Hoofdstuk 22
Voormalige rijksregels (bruidsschat)
Afdeling 22.1
ALGEMEEN
Artikel 22.1Voorrangsbepaling
1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6
Paragraaf 22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7Repressief welstand
1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 22.2.4
Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 22.2.6
Cultureel erfgoed
Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek
1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen
1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24Meetbepalingen
1.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 22.25Mantelzorg
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
Artikel 22.31
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit
Artikel 22.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 22.34
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
5 m; ii.
0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
1.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
2.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.
Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
Paragraaf 22.2.8
Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Afdeling 22.3
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN
Paragraaf 22.3.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Artikel 22.42Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
Artikel 22.43Normadressaat
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 22.44Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 22.3.2
Energiebesparing
Artikel 22.51Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.52Energie: maatregelen
1.
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
4.
Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.
5.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
6.