← Nederland

Wijzigingsbesluit 3e wijziging Omgevingsplan, deel 1 (Veenendaal)

Kort samengevat

Dit wijzigingsbesluit past het Omgevingsplan van de gemeente Veenendaal aan en richt zich op het reguleren van activiteiten in de fysieke leefomgeving om diverse maatschappelijke doelen te bereiken. Het stelt regels voor onder andere veiligheid, gezondheid, milieu en het behoud van cultureel erfgoed.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696281 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0345/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-11-26 2025-11-26 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696281/nld@2025-12-25 /join/id/proc

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, toegepast. Artikel 5.3 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als

dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 5.5 Algemeen verbod gebruik Het is verboden locaties waar op grond van dit omgevingsplan bepaalde activiteiten zijn toegestaan, te gebruiken in strijd met de regels in dit hoofdstuk. Artikel 5.6 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften 1. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk of vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als

dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  1. Met maatwerkvoorschriften en vergunningsvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels of nadere invulling geven aan de regels voor activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij dit in strijd is met: a. een bepaling over maatwerkvoorschriften en vergunningsvoorschriften in het omgevingsplan; b. de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving; of c. de regels in Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning als

dit hoofdstuk kan worden verbonden. Artikel 5.7 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 5.8 Algemene gegevens bij een informatieplicht Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 5.9 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat 1. Voordat de naam of het adres,

de Artikel 5.7 of Artikel 5.8 , wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders.

  1. Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders. Artikel 5.10 Gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders
  2. Op verzoek van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  3. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Afdeling 5.2 Benutten van de fysieke leefomgeving Paragraaf 5.2.1 Algemeen Artikel 5.11 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Paragraaf 5.2.2 Gebruiksmelding Artikel 5.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het brandveilig gebruik van bouwwerken. Artikel 5.13 Maatwerkregel gebruiksmelding In afwijking van artikel 6.7, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving in combinatie met de tabel bij artikel 6.6 onder 7a (logiesfunctie in een logiesgebouw) is het tevens verboden een logiesgebouw te gebruiken voor een logiesfunctie voor meer dan vier personen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden. Afdeling 5.3 Bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten Paragraaf 5.3.1 Algemeen Artikel 5.14 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het garanderen van een goede bodemkwaliteit voor de beoogde functie of activiteit; c. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte; d. het beschermen van het openbaar riool; e. het beperken van hinder; f. het beschermen van de gezondheid; g. het veilige en doelmatige gebruik van openbaar toegankelijk gebied; en h. het beschermen van in de grond aanwezige kabels, leidingen en ondersteunende werken. Paragraaf 5.3.2 Aanleggen en gebruik riolering Artikel 5.15 Toepassingsbereik
  4. Deze paragraaf is van toepassing op: a. het aanleggen, wijzigen en verwijderen van riolering; b. het gebruik van riolering, waaronder lozen; en c. het beheer en onderhoud van riolering.
  5. Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als

artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als

artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. 3. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk. Artikel 5.16 Specifieke zorgplicht gebruik riolering De specifieke zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat: a.

het afvalwater geen stoffen mag bevatten die het materiaal van de rioleringen kunnen aantasten of het zuiveringsproces van de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen verstoren; en b. bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan een op het openbaar riool aangesloten perceel, door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool moeten worden getroffen dat schade aan of verzanding of verstopping van het openbaar riool of de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. Artikel 5.17 Algemene regels aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

  1. Een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk ligt zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. Artikel 5.18 Algemene regels lozen grondwater bij ontwatering In aanvulling op Artikel 22.140 geldt dat er: a. maximaal 40 m3/u bronneringswater op het hemelwaterriool wordt geloosd; en b. maximaal 5 m3/u bronneringswater op het vuilwaterriool wordt geloosd. Artikel 5.19 Algemene regel afvalwater in openbaar vuilwaterriool Een lozing van industrieel afvalwater op het openbaar vuilwaterriool dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dient te voldoen aan de eisen van bijlage I, afdeling C, bij de richtlijn stedelijk afvalwater of diens rechtsopvolgers. Artikel 5.20 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten aansluiting riool
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen.
  5. Er wordt één omgevingsvergunning per kadastraal perceel verleend, waarin alle aansluitingen voor het betreffende perceel afzonderlijk worden vermeld. Artikel 5.21 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning aansluiting riool Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.20, worden de volgende gegevens verstrekt: a.

de gewenste datum van uitvoering; b. de ligging van het aan te sluiten perceel: 1°. aan de hand van straat en huisnummer of, als nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel; en 2°. aangegeven op een situatieschets 1:500 of grotere schaal; c. voor zover het lozing van afvalwater van een locatie betreft waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij wordt aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen- of koelwater, of verontreinigd water, zoals huishoudelijk of bedrijfsafvalwater, zal worden afgevoerd; d. of het enkel lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of dat er daarnaast hemelwater zal worden afgevoerd; en e. van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool ten minste de volgende gegevens: 1°. de dimensionering; en 2°. de plaats van de afvalwater- en hemelwaterafvoerleidingen, waarbij op de situatieschets een duidelijk verschil in kleur, tekst of symbolen tussen de leidingen is aangebracht. Artikel 5.22 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aansluiting riool 1. Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.20 kan alleen worden verleend voor: a.

de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater als ter plaatse een gemengd rioolstelsel aanwezig is, met dien verstande dat het afvalwater en hemelwater tot aan de ontstoppingsput gescheiden wordt aangeboden; b. de afvoer van huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater naar het vuilwaterriool als ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is; c. de afvoer van hemelwater naar het hemelwaterriool als ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is; of d. de afvoer van huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater als ter plaatse een drukriool aanwezig is. 2. Een omgevingsvergunning als

Artikel 5

.20 wordt verleend als de aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen niet bezwaarlijk is. 3. Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.20 wordt niet verleend als: a.

ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de hoogteligging van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt afwijkt van de bij voorschrift

Artikel 5.24 bepaalde hoogte; c.

de bovenzijde van een lozingstoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij maatregelen worden getroffen om terugvloeien van het water in een lozingstoestel te voorkomen; d. door de aansluiting gemeenschappelijke lozing zou plaatsvinden van afvalwater, bronneringswater of hemelwater op een gescheiden rioolstelsel; e. het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren; f. de aansluiting wordt gebruikt voor lozing van drainagewater; g. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of via retourbemaling kan worden afgevoerd; h. de aansluiting op een vrijverval riool niet onder vrijverval plaatsvindt; i. verontreinigd hemelwater in geval van een gescheiden stelsel niet wordt afgevoerd via het vuilwaterriool; j. het af te voeren debiet van verontreinigd hemelwater in geval van een gescheiden stelsel groter is dan 5 l/sec/ha; k. de afvoer van hemelwater vanuit laadkuilen niet op het buizenstelsel bestemd voor afvoer van afvalwater wordt aangesloten of wanneer de afvoer groter is dan 5 l/sec/ha; l. het afvalwater dat naar het drukriool wordt afgevoerd hemelwater bevat; m. lozingsvoorzieningen zoals een septic-tank of beerput onderdeel uitmaken van een aansluitleiding; of n. vanuit een nieuwe woning regenwater en afvalwater niet gescheiden worden gehouden tot aan de ontstoppingsput. Artikel 5.23 Intrekken of wijzigen van de omgevingsvergunning aansluiting riool Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.20 kan worden ingetrokken of worden gewijzigd als: a.

de bepalingen van dit omgevingsplan of de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen; b. het gebruik van een aansluiting waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt beëindigd; c. het gebruik van de aansluiting niet overeenkomstig de bij de verkrijging van de omgevingsvergunning verstrekte gegevens is; of d. er wijzigingen optreden in de aard en het type water (afvalwater, hemelwater, bronneringswater) dat wordt afgevoerd. Artikel 5.24 Voorschriften omgevingsvergunning aansluiting riolering Als voorschrift bij een omgevingsvergunning als

Artikel 5

.20 voor aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als

artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 5.25 Informatieplicht beëindiging van of gebreken aan aansluitleiding 1. Als het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd stelt de rechthebbende burgemeester en wethouders hiervan in kennis. 2. Bij het ontdekken van gebreken aan de aansluitleiding, is de omgevingsvergunninghouder verplicht hiervan onmiddellijk kennis te geven aan de gemeente. Artikel 5.26 Maatwerkvoorschriften aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater Met een maatwerkvoorschrift als

Artikel 5

.6 kan in ieder geval worden bepaald of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Afdeling 5.4 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 5.4.1 Algemeen Artikel 5.27 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen en beperken van hinder en overlast; en b. het beschermen van het milieu. Paragraaf 5.4.2 Activiteiten met geluidshinder of hinder door verlichting Subparagraaf 5.4.2.1 Onversterkte muziek Artikel 5.28 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het ten gehore brengen van onversterkte muziek .
  2. Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als

artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als

artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Artikel 5.29 Algemene regels onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, is in afwijking van Artikel 22.63, het geluid niet hoger dan de waarde in tabel 5.4.1 en geldt bij het toepassen van tabel 5.4.1 dat: a. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein; b. de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; en c. de beoordeling plaatsvindt aan de hand van paragraaf 6.2.1 van de Omgevingsregeling. Tabel 5.4.1 Waarde voor geluid op en in een geluidsgevoelig gebouw bij het ten gehore brengen onversterkte muziek op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT 3 LAr,LT staat voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
  2. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek. Subparagraaf 5.4.2.2 Collectieve festiviteiten Artikel 5.30 Toepassingsbereik
  3. Deze paragraaf is van toepassing op geluidhinder en lichthinder bij collectieve festiviteiten.
  4. Onder een collectieve festiviteit wordt bedoeld een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, is verbonden.
  5. Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als

artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als

artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Artikel 5.31 Algemene regels collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen,

subparagraaf 22.3.4.2, en de regels over verlichting voor sportuitoefening,

paragraaf 22.3.22, gelden niet tijdens de viering van de volgende collectieve festiviteiten: a. Koningsnacht; b. Koningsdag; c. Veense Wielerfeesten; d. Zomerfeesten; e. Lampegietersdagen; en f. Bockbierfestival. 2. Burgemeester en wethouders kunnen, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onmiddelijk als collectieve festiviteit aanwijzen. Tijdens deze aangewezen collectieve festiviteit gelden de geluidsnormen,

subparagraaf 22.3.4.2, en de regels over verlichting voor sportuitoefening,

paragraaf 22.3.22, ook niet. Subparagraaf 5.4.2.3 Incidentele festiviteiten Artikel 5.32 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf is van toepassing op geluidhinder bij incidentele festiviteiten.
  2. Onder een incidentele festiviteit wordt bedoeld een festiviteit die verbonden is aan één of een klein aantal locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  3. Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als

artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als

artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Artikel 5.33 Algemene regels incidentele festiviteiten

  1. In afwijking van Subparagraaf 22.3.4.2 is het is toegestaan om bij het houden van incidentele festiviteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, voor maximaal vier dagen of dagdelen per kalenderjaar een andere geluidsnorm toe te passen, als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de festiviteit op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 20 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm.
  2. De geluidsnorm,

het eerste lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en niet voor de buitenruimte.

  1. Tijdens een incidentele festiviteit wordt het ten gehore brengen van muziek van zondag tot en met donderdag om uiterlijk 23.00 uur en op vrijdag en zaterdag om uiterlijk 24.00 uur beëindigd.
  2. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, met uitzondering van voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
  3. In afwijking van Paragraaf 22.3.22 is het voor maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar toegestaan om bij het houden van incidentele festiviteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten. Artikel 5.34 Meldingsplicht incidentele festiviteiten
  4. Het is verboden een inicidentele festiviteit te houden op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan zonder dit ten minste tien werkdagen voor het begin ervan te melden.
  5. De houder van de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan verstrekt bij de melding: a. de locatie waar de festiviteit plaatsvindt; en b. de voorgenomen tijdsduur van de festiviteit. Afdeling 5.5 Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied Paragraaf 5.5.1 Algemeen Artikel 5.35 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de weg, de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water; b. het waarborgen en bevorderen van de toegankelijkheid van openbaar toegankelijk gebied; c. het beperken van hinder; d. het beschermen van het openbaar groen; e. het verdelen van schaarse ruimte; f. de parkeerregulatie in het centrum en de ring daarbuiten; g. het waarborgen en bevorderen van de verkeersveiligheid; h. de natuurbescherming; i. het beschermen van het milieu; en j. het beschermen van het uiterlijk aanzien van openbaar toegankelijk gebied. Artikel 5.36 Specifieke zorgplicht gebruik van de weg De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt in dat het beoogde gebruik van de weg geen: a.

schade toebrengt aan de weg; b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; en c. belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Paragraaf 5.5.2 Activiteiten met betrekking tot objecten op of aan de weg Subparagraaf 5.5.2.1 Tijdelijke reclame plaatsen op of aan de weg Artikel 5.37 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over: a. het verspreiden van reclame; b. het plaatsen van mobiele billboards; c. het beplakken van plakzuilen met handelsreclame; d. het plaatsen van aankondigingsborden; e. het plaatsen van spandoeken; f. het plaatsen van verwijsbordjes; en g. het plaatsen van tijdelijke reclame op of aan de openbare weg in beheer bij de gemeente. Artikel 5.38 Specifieke zorgplicht reclame De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt voor het plaatsen en verspreiden van reclame in ieder geval in dat: a.

de verspreider van flyers achteraf de op straat achtergebleven of weggegooide flyers opruimt; en b. de objecten die op of boven de openbare weg worden geplaatst, zijn voorzien van een solide constructie. Artikel 5.39 Algemene regels mobiele billboards

  1. Mobiele billboards zijn alleen toegestaan binnen de locatie Mobiele billboards en worden alleen gebruikt voor: a. gemeenteraadsverkiezingen; b. provinciale verkiezingen; c. waterschapsverkiezingen; d. Tweede Kamerverkiezingen; of e. Europese verkiezingen.
  2. Mobiele billboards worden uiterlijk binnen twee weken na de verkiezingsdatum verwijderd. Artikel 5.40 Algemeen verbod plakzuilen Het is verboden plakzuilen te beplakken met handelsreclame. Artikel 5.41 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten aankondigingsborden Het is verboden zonder omgevingsvergunning aankondigingsborden op of aan de weg te plaatsen. Artikel 5.42 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning aankondigingsborden Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.41 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

het gewenste aantal aankondiginigsborden; b. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie, lengte, breedte en hoogte van het object of de objecten; c. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen van het object of de objecten; d. een omschrijving van de gewenste typen reclame of aankondigingen; en e. een verkeersplan, als het fietspad, voetpad of de rijbaan geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd. Artikel 5.43 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aankondigingsborden Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.41 wordt verleend als: a.

de aanvraag niet meer dan 5 aankondigingsborden betreft; b. de afmetingen van de aankondigingsborden niet meer dan 1,22 meter bij 2,44 meter bedragen; c. de termijn van plaatsing niet langer is dan 14 dagen; d. de aankondigingsborden binnen de locatie Aankondigings- en spanborden worden geplaatst en deze locatie gedurende de aangevraagde termijn ook beschikbaar is; e. de aankondigingsborden geen belemmering vormen voor de doorstroming van het fiets-, voet- en gemotoriseerde verkeer; en f. het gaat om een van de volgende type reclame of aankondigingen: 1°. algemene overheids- en ideële reclame; 2°. aankondiging van activiteiten met een sociaal-cultureel of sportief karakter; of 3°. aankondiging van plaatselijke evenementen. Artikel 5.44 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten spandoeken Het is verboden zonder omgevingsvergunning spandoeken te plaatsen op of aan de weg. Artikel 5.45 Bijzondere aanvraagvereisten spandoeken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.44 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie, lengte, breedte en hoogte van het object of de objecten; b. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen van het object of de objecten; c. een omschrijving van de gewenste typen reclame of aankondigingen; en d. een verkeersplan, als het fietspad, voetpad of de rijbaan geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd. Artikel 5.46 Beoordelingsregels omgevingsvergunning spandoeken Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.44 wordt verleend als: a.

de spandoeken binnen de locatie Spandoeken worden geplaatst en deze locatie gedurende de aangevraagde termijn ook beschikbaar is; b. de termijn van de plaatsing niet langer is dan 14 dagen; c. de aanvraag afkomstig is van een ideële instelling; d. de spandoeken geen belemmering vormen voor de doorstroming van het fiets-, voet- en gemotoriseerde verkeer; en e. er geen sprake is van commerciële aanduidingen of handelsreclame. Artikel 5.47 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verwijsbordjes Het is verboden zonder omgevingsvergunning verwijsbordjes te plaatsen op of aan de weg. Artikel 5.48 Bijzondere aanvraagvereisten verwijsbordjes Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.47 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie, lengte, breedte en hoogte van het object of de objecten; b. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen van het object of de objecten; c. een omschrijving van de gewenste typen reclame of aankondigingen; en d. een verkeersplan, als het fietspad, voetpad of de rijbaan geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd. Artikel 5.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning verwijsbordjes Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.47 wordt verleend als: a.

de afmetingen van de tijdelijke verwijsbordjes minder dan 60 centimeter bij 30 centimeter bedragen; b. de tijdelijke verwijsbordjes maximaal 1 dag voor plaatsvinding activiteit geplaatst worden en direct na afloop van de activiteit worden verwijderd; c. de tijdelijke verwijsbordjes niet voor belemmering van het zicht van verkeersdeelnemers zorgen; d. de tijdelijke verwijsbordjes geen belemmering vormen voor de doorstroming van het fiets-, voet- en gemotoriseerde verkeer; en e. het gaat om tijdelijke verwijsbordjes voor activiteiten van bedrijven, voor bedrijfsverhuizingen binnen de gemeente of voor bedrijven die wegens reconstructie van wegen tijdelijk moeilijk bereikbaar zijn. Subparagraaf 5.5.2.2 Het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie Artikel 5.50 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over: a. het plaatsen van uitstallingen op of aan de weg; en b. het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie . Artikel 5.51 Specifieke zorgplicht uitstallingen De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt voor het plaatsen van uitstallingen in ieder geval in dat: a.

een uitstalling door omvang, vormgeving constructie, plaats of het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan openbaar toegankelijk gebied; b. een uitstalling of het beoogde gebruik daarvan geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid en het doelmatig en veilig gebruik van openbaar toegankelijk gebied en geen belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van openbaar toegankelijk gebied; c. een uitstalling of het beoogde gebruik daarvan geen overlast oplevert voor derden; d. een uitstalling geen risico oplevert voor de veiligheid; en e. de ondernemer van een uitstalling zorgt voor een schoon en ordelijk aanzien van de uitstalling en voor het schoonhouden van openbaar toegankelijk gebied in de directe omgeving daarvan. Artikel 5.52 Specifieke zorgplicht gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt in ieder geval in dat degene die de weg of een weggedeelte gebruikt anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan waarbij gebruik wordt gemaakt van een wegafzetting en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de weggebruikers kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 5.53 Algemene regels uitstallingen Bij het plaatsen van een uitstalling wordt voldaan aan de volgende regels: a. er is een vrije doorgang in een rechtdoorgaande lijn van minimaal 150 centimeter breed gewaarborgd voor onder andere voetgangers en rolstoelgebruikers; b. er is een vrije en onbelemmerde doorgang in een rechtdoorgaande lijn van minimaal 400 centimeter met een vrije hoogte van tenminste 420 centimeter aanwezig voor hulpdiensten; c. nooduitgangen van de eigen winkel en die van in de nabijheid gelegen onroerende zaken dienen altijd onbelemmerd te gebruiken te zijn; d. de uitstalling is alleen aanwezig op tijden dat de winkel voor het publiek geopend is; e. de uitstalling is uitsluitend aanwezig op voor voetgangers bestemde delen van openbaar toegankelijk gebied binnen een uitstallingszone van maximaal 100 centimeter vanuit de gevel over de gehele gevelbreedte van de winkel; en f. de uitstalling vormt geen belemmering voor: 1°. op de locatie van de uitstalling te verrichten (onderhouds)werkzaamheden; 2°. evenementen; 3°. markten; 4°. kermissen; 5°. andere festiviteiten; of 6°. gebeurtenissen van algemeen belang. Artikel 5.54 Algemene regels gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan Bij het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan wordt het terrein en straatmeubilair na afloop van de ingebruikneming in dezelfde staat als waarin dit bij de aanvang van het gebruik verkeerde, opgeleverd. Artikel 5.55 Meldingsplicht gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan 1. Het is verboden om een weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan voor zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden, als: a. de weg of een weggedeelte ligt binnen Veenendaal uitgezonderd ontsluitingswegen en hoofdfietsroute; en b. het gebruik maximaal drie dagen plaatsvindt. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als: a. de activiteit in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam wordt verricht; b. het gaat om een evenement als

artikel 2:24 Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal; c. het gaat om een vergunde standplaats als

artikel 5.90; of d. het gaat om een uitstalling als

artikel 5.

  1. Een melding bevat: a. het tijdstip en de duur van de activiteit; b. een situatietekening van de tijdelijke toestand; c. de omvang van de opslag van de roerende zaken; en d. de aard van de roerende zaken. Artikel 5.56 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning objecten te plaatsen op: a. een hoofdfietsroute van het fietsnetwerk b. een gebiedsontsluitingsweg c. een wijkontsluitingsweg; of d. een buurtontsluitingsweg
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning objecten te plaatsen op een weg of een weggedeelte voor meer dan drie aaneengesloten dagen, als de weg of een weg gedeelte ligt binnen Veenendaal uitgezonderd ontsluitingswegen en hoofdfietsroute.
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of een weg gedeelte te gebruiken als bouwveiligheidszone en/of hijszone, als de weg of een weg gedeelte een onderdeel is van: a. een hoofdfietsroute van het fietsnetwerk b. een gebiedsontsluitingsweg c. een wijkontsluitingsweg; of d. een buurtontsluitingsweg
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of een weggedeelte te gebruiken als bouwveiligheidszone en/of hijszone voor meer dan drie aaneengesloten dagen, als de weg of een weg gedeelte ligt binnen Veenendaal uitgezonderd ontsluitingswegen en hoofdfietsroute.
  6. Het verbod in het eerste lid tot en met het vierde lid is niet van toepassing als: a. de activiteit in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam wordt verricht; b. het gaat om een evenement als

artikel 2:24 Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal; c. het gaat om een vergunde standplaats als

artikel 5.90; of d. het gaat om een uitstalling als

artikel 5.53. Artikel 5.57 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

artikel 5.56 worden de volgende gegevens verstrekt: a. het tijdstip en de duur van de activiteit; b. een situatietekening van de tijdelijke toestand; c. de omvang van de opslag van de roerende zaken; d. de aard van de roerende zaken; e. indien van toepassing een tekening van de inrichting met de bouwveiligheidszone en/ of hijszone zoals omschreven in de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid; f. indien van toepassing een omleidingstekening; en g. indien van toepassing een bebordingstekening. Artikel 5.58 Beoordelingsregels gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan Een omgevingsvergunning als

artikel 5.56 kan alleen worden verleend als: a. de plaatsing van een object niet het zicht ontneemt voor de weggebruiker; b. andere weggebruikers veilig de weg kunnen gebruiken, als dat niet mogelijk is, een duidelijk alternatief wordt aangeboden; c. de manier waarop de activiteit wordt uitgevoerd de minste invloed heeft op de omgeving en er voor zorgt dat de continuïteit van het dagelijks leven zo min mogelijk wordt beïnvloed; en d. het achterliggende gebied bereikbaar blijft voor minimaal hulpdiensten. Paragraaf 5.5.3 Parkeerexcessen motorvoertuigen en aanhangwagens Artikel 5.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat: a. over het parkeren en het plaatsen of hebben van motorvoertuigen aanhangwagens op de openbare weg; en b. de openbare weg als werkplaats voor motorvoertuigen of aanhangwagens te gebruiken. Artikel 5.60 Algemeen verbod motorvoertuig en aanhangwagen

  1. Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben.
  2. Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben.
  3. Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben. bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
  4. Het derde lid is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het motorvoertuig of de aanhangwagen ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.61 Algemeen verbod motorvoertuig en aanhangwagen met handelsreclame Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Artikel 5.62 Algemeen verbod motorvoertuig en aanhangwagen anders dan verkeersdoeleinden
  5. Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de openbare weg te plaatsen of te hebben.
  6. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor campers. Artikel 5.63 Aanwijzing vergunningsplichtige activiteiten meer dan drie voertuigen parkeren of weg als werkplaats gebruiken
  7. Het is verboden voor degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om zonder omgevingsvergunning: a. drie of meer motorvoertuigen of aanhangwagens die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben binnen een cirkel met een straal van 35 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; of b. de openbare weg als werkplaats voor motorvoertuigen of aanhangwagens te gebruiken.
  8. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. motorvoertuigen of aanhangwagens waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. motorvoertuigen of aanhangwagens voor persoonlijk gebruik van de houder van een motorvoertuig. Artikel 5.64 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning meer dan drie voertuigen parkeren of weg als werkplaats gebruiken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning,

Artikel 5.63 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

de locatie van de motorvoertuigen of aanhangwagens aangegeven op een luchtfoto; b. de startdatum en de voorgenomen tijdsduur van het parkeren of plaatsen van de motorvoertuigen of aanhangwagens; c. een omschrijving van een dringende reden om de motorvoertuigen of aanhangwagens op de openbare weg te parkeren of te plaatsen of de openbare weg als werkplaats te gebruiken; d. het type motorvoertuigen of aanhangwagen; en e. kentekens van de motorvoertuigen of aanhangwagen. Artikel 5.65 Beoordelingsregels omgevingsvergunning meer dan drie voertuigen parkeren of als werkplaats gebruiken Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.63 wordt verleend als: a.

de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om de motorvoertuigen of aanhangwagens,

het eerste lid, op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben; of b. de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om de openbare weg als werkplaats te gebruiken. Paragraaf 5.5.4 Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 5.66 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Artikel 5.67 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel 5.68 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.67 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

een tekening of foto met daarop de gewenste weg of wijziging van de weg; b. een planning van de werkzaamheden; en c. een foto van de bestaande situatie. Artikel 5.69 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg 1. Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.67 wordt verleend als: a.

de activiteit niet ten koste gaat van de bruikbaarheid van de weg; b. de activiteit het waarborgen van de verkeersveiligheid niet in de weg staat; en c. de activiteit niet ten koste gaat van het aanwezige openbare groen.

  1. Van het ten koste gaan van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake als de aanleg van de weg voorafgaand aan het aanleggen van openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting, plaatsvindt. Paragraaf 5.5.5 Het maken of veranderen van een uitrit Artikel 5.70 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een uitrit naar de openbare weg in beheer bij de gemeente. Artikel 5.71 Algemeen verbod uitrit Het is verboden een uitrit aan te leggen of een bestaande uitrit te veranderen op onderstaande wegen: a. Bevrijdingslaan; b. Componistensingel; c. De Monding; d. De Reede; e. De Schans; f. Dichterslaan; g. Duivenwal; h. Gilbert van Schoonbekestraat; i. Goudvink; j. Grote Beer; k. Hoornzwaluw; l. Kleine Beer; m. Nijhofflaan; n. Prins Clauslaan; o. Raadhuisstraat; p. Rondweg West; q. Vondellaan; r. Weverij; en s. Wiekslag. Artikel 5.72 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten uitrit aanleggen of veranderen
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitrit naar de openbare weg te veranderen.
  3. Het eerste lid geldt niet als: a. het geen uitrit betreft aan de ontsluitingswegen, als

artikel 5.71; b. het om een eerste uitrit gaat; c. er geen wijziging van openbaar toegankelijk gebied nodig is, anders dan het aanbrengen of het aanpassen van de verharding die nodig is voor het aanleggen van de uitrit; d. er voor de aanleg van de uitrit geen bomen op particuliere grond worden verplaatst of verwijderd waarvoor een omgevingsvergunning voor kappen als

artikel 5.116 nodig is; e. de uitrit niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of een object in openbaar toegankelijk gebied; f. er geen voet- of fietspad tussen de uitrit en de openbare weg ligt; g. de afstand van de uitrit tot het tangent van de bocht of kruising op de openbare weg ten minste 5 meter is; h. er een opstelruimte voor voertuigen op het perceel is van ten minste 2,5 meter breed en 5 meter diep, gemeten vanaf de erfgrens aangrenzend aan de openbare weg; i. het een uitrit betreft op de locaties Dragonderweg 2 t/m 16 M (even nummers), deze niet breder is dan 4 meter, gemeten op het smalste punt; en j. het een uitrit betreft op de locaties Gelders Benedeneind 26 t/m 32 (even nummers), deze niet breder is dan 6 meter, gemeten op het smalste punt. Artikel 5.73 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitrit aanleggen of veranderen Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.72 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

een tekening of foto van de bestaande situatie; b. een situatietekening van de gewenste toestand, inclusief: 1°. maatvoering waaruit de ligging van de gewenste uitrit blijkt ten opzichte van de directe omgeving; 2°. eventuele aanwezige obstakels, zoals bomen, lichtmasten etc. op tekening weergeven; en c. een tekening van de gewenste uitrit inclusief afmetingen van de uitrit en het opstelvak op eigen terrein Artikel 5.74 Beoordelingsregel omgevingsvergunning uitrit aanleggen of veranderen Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.72 wordt verleend als: a.

door de uitrit geen onaanvaardbare verkeersonveilige situatie kan ontstaan; b. de aanleg van de uitrit niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. er geen onaanvaardbare wijziging van openbaar toegankelijk gebied nodig is; d. als het gaat om de aanleg van een tweede uitrit bij een woning en dit niet ten koste gaat van openbaar groen; e. als er een opstelruimte voor voertuigen op het perceel is van ten minste 2,5 meter breed en 5 meter diep, gemeten vanaf de erfgrens aangrenzend aan de openbare weg; f. er voor de aanleg van de uitrit één of meerdere bomen verplaatst of verwijderd moeten worden en hiervoor een benodigde omgevingsvergunning voor kappen als

artikel 5.116 is verleend; g. de uitrit ten behoeve van een woning op de Dragonderweg 2 t/m 16 M (even nummers) niet breder is dan 4 meter, gemeten op het smalste punt; en h. de uitrit ten behoeve van een woning op de Gelders Benedeneind 26 t/m 32 (even nummers) niet breder is dan 6 meter, gemeten op het smalste punt. Paragraaf 5.5.6 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbaar toegankelijk gebied Artikel 5.75 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten die betrekking hebben op openbaar toegankelijk gebied: a. het plaatsen of wijzigen van objecten op of aan onroerende zaken; en b. het maken van handelsreclame op of aan onroerende zaken. Artikel 5.76 Specifieke zorgplicht De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat: a.

beplanting of een voorwerp niet wordt aangebracht op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat; b. beplanting of een voorwerp niet wordt behouden op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat; en c. degene die handelsreclame op of aan een onroerende zaak maakt of heeft door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding, zorg draagt voor het voorkomen van het in gevaar brengen van het verkeer of het ontstaan van ernstige hinder voor de omgeving. Artikel 5.77 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten (verlicht) reclameobject Het is verboden zonder omgevingsvergunning een (verlicht) reclameobject, dat zichtbaar is vanaf de openbare weg, op of aan een bouwwerk te plaatsen of te wijzigen. Artikel 5.78 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning (verlicht) reclame object Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.77 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

de locatie van het object; b. de afmetingen van het object; en c. voorbeeld van het object. Artikel 5.79 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (verlicht) reclame object 1. Een omgevingsvergunning

Artikel 5.77 wordt verleend als: a.

de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit; en b. de activiteit het waarborgen van de verkeersveiligheid niet in de weg staat. 2. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als

het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels,

artikel 4.19 van de Omgevingswet. 3. Voor zover nog geen beleidsregels als

artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als

het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota,

artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Paragraaf 5.5.7 Openbaar water Artikel 5.80 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op: a. het plaatsen, aanbrengen of hebben van voorwerpen in of op openbaar water; en b. schade of veranderingen aan openbare wateren, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. Artikel 5.81 Algemeen verbod openbaar water

  1. Het is verboden een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
  2. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. Artikel 5.82 Meldingsplicht openbaar water
  3. Het is verboden een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
  4. Een melding bevat een beschrijving van wat het voorwerp is dat op, in of boven openbaar water wordt geplaatst en de grootte daarvan. Paragraaf 5.5.8 Gebruik openbaar groen Paragraaf 5.5.9 Het voorkomen van overlast, gevaar of schade Artikel 5.83 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op: a. het los laten lopen van honden; b. het zich bevinden met een hond in openbaar toegankelijk gebied; en Artikel 5.84 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten hond in gebied hondenverbod
  5. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in het gebied hondenverbod met een hond aanwezig te zijn.
  6. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond, sociale hulphond of gezelschapshond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 5.85 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning hond in gebied hondenverbod Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning,

Artikel 5.84 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

het woonadres van de aanvrager; of b. als het woondadres buiten het gebied hondenverbod is gelegen en ook niet aan het gebied hondenverbod grenst, een omschrijving van een dringende reden om met een hond in het gebied hondenverbod aanwezig te zijn. Artikel 5.86 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hond in gebied hondenverbod Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.84 wordt verleend als: a.

de woning van de aanvrager aan het gebied hondenverbod grenst; of b. de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om zich met de hond in het gebied hondenverbod te begeven. Paragraaf 5.5.10 Standplaatsen Artikel 5.87 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het innemen of hebben van een standplaats.
  2. In deze paragraaf wordt onder standplaats niet verstaan een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als

artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en een vaste plaats op een evenement. 3. In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als

artikel 160, eerste lid, aanhef onder g van de Gemeentewet; c. kansspelen als

de Wet op kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als

de Wet openbare manifestaties; f. vertoningen op openbare plaatsen; g. speelgelegenheden; en h. sportwedstrijden. Artikel 5.88 Specifieke zorgplicht De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat: a.

een standplaats wordt voorzien van voldoende voorzieningen voor het achterlaten van afval; en b. bij het verlaten van de standplaats de omgeving binnen een straal van 25 m2 schoon wordt achtergelaten. Artikel 5.89 Algemeen verbod standplaats Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder omgevingsvergunning standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5.90 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten standplaatsen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben. Artikel 5.91 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning standplaatsen Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5.90 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

een omschrijving van de activiteit en de diensten en goederen die aangeboden worden; b. het kvk-nummer; c. de duur van de activiteit en op welke dagen de activiteit plaatsvindt; d. een opstellingsplan en plattegrondtekening op schaal voor de gewenste locatie; e. afmetingen van de mobiele verkoopinrichting; f. informatie over de benodigde stroomvoorziening; en g. een foto van de mobiele verkoopinrichting. Artikel 5.92 Beoordelingsregels omgevingsvergunning standplaatsen Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.90 wordt verleend als: a.

er geen strijdigheid bestaat met de gebruiksregels in het omgevingsplan; b. de verkoopinrichting in goede staat van onderhoud verkeert; c. de verkoopinrichting wordt gebruikt voor reclamedoeleinden die passend zijn bij de aard van de activiteit; d. de verkopende partij ingeschreven staat bij de Kamer voor Koophandel; e. er geen sprake is van een kwantitatieve of territoriale beperking in de gemeente of een deel van de gemeente als gevolg van bijzondere omstandigheden en welke noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang; en f. als de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit. Afdeling 5.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Paragraaf 5.6.1 Algemeen Artikel 5.93 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van het cultureel erfgoed. Paragraaf 5.6.2 Gemeentelijke monumenten Subparagraaf 5.6.2.1 Algemeen Artikel 5.94 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die betrekking hebben op een gemeentelijke monument. Artikel 5.95 Specifieke zorgplicht 1. De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt in ieder geval in dat een gemeentelijk monument niet wordt beschadigd of vernield en wordt onderhouden als dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt ook in dat aantasting van de omgeving van monumenten wordt voorkomen, voor zover door die aantasting de monumenten worden ontsierd of beschadigd. Subparagraaf 5.6.2.2 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.96 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten gemeentelijke monumenten

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gemeentelijke monumenten: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud van een monument, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigt; of b. inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Artikel 5.97 Bijzondere aanvraagvereisten gemeentelijke monumenten
  3. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5

.96 , voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument als

Artikel 5.96 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en b. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

  1. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het slopen van een monument, worden in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2°. foto's van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen: 1°. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  2. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het slopen van een monument, kan in aanvulling op het eerste en tweede lid op verzoek van burgemeester en wethouders worden verzocht om de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
  3. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, worden in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; 2°. foto's van de bestaande toestand; en 3°. overzichtsfoto's van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen: 1°. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
  4. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, kan in aanvulling op het eerste en vierde lid op verzoek van burgemeester en wethouders worden verzocht de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
  5. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het wijzigen of herstellen van een monument, worden in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2°. detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen: 1°. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; 3°. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 5°. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 1°. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2°. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
  6. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het wijzigen of herstellen van een monument, kan in aanvulling op het eerste en zesde lid op verzoek van burgemeester en wethouders worden verzocht de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
  7. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het slopen van een monument, op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument of op het wijzigen of herstellen van een monument gelden de volgende eisen voor tekeningen: a. tekeningen hebben een schaal die niet kleiner is dan: 1°. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; 2°. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; 3°. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en 4°. 1: 00, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; b. een detailtekening heet een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering; c. uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen; en d. een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: 1°. balklagen: i. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en ii. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; 2°. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; 3°. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en 4°. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
  8. Bij een aanvraag die betrekking heeft op het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, wordt een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Artikel 5.98 Beoordelingsregel omgevingsvergunning gemeentelijke monumenten
  9. De omgevingsvergunning als

artikel 5.96 wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

  1. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden. Paragraaf 5.6.3 Beeldbepalende panden Artikel 5.99 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die betrekking hebben op beeldbepalende panden en objecten. Artikel 5.100 Voorrangsregel In geval van strijdigheid tussen de regels van Paragraaf 5.6.3 en de regels over beeldbepalende panden buiten deze paragraaf, gelden de regels van Paragraaf 5.6.
  2. Artikel 5.101 Specifieke zorgplicht De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt in ieder geval in dat een beeldbepalend pand niet wordt beschadigd of vernield en wordt onderhouden als dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 5.102 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten beeldbepalende panden

  1. Op de locatie Beeldbepalende panden is het verboden zonder omgevingsvergunning: a. de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling of kapvorm of de gevelindeling van gevels van beeldbepalende panden, gelegen aan de zijde van openbaar toegankelijk gebied te wijzigen; b. de bestaande omvang van het beeldbepalend pand te wijzigen; of c. het beeldbepalend pand te slopen.
  2. Het eerste lid, onder a en b, zijn alleen van toepassing op activiteiten waarvoor ook een omgevingsvergunning voor bouwen van bouwwerken of afwijken van het omgevingsplan nodig is. Artikel 5.103 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning beeldbepalende panden
  3. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 5

.102, eerste lid, onder a en b, wordt in ieder geval een onderbouwing verstrekt waaruit blijkt hoe wordt omgegaan met de karakteristieke kenmerken van het beeldbepalende pand. 2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als

Artikel 5.102, eerste lid, onder c, wordt in ieder geval verstrekt: a.

een onderbouwing waaruit blijkt dat de beeldbepalende bouwmassa niet te handhaven is; en b. een nieuw plan dat aantoont hoe met de karakteristieke kenmerken van het beeldbepaldende pand wordt omgegaan. 3. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als

Artikel 5

.102, eerste lid worden indien nodig overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een benodigde toetsing aan dit omgevingsplan verstrekt. Artikel 5.104 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beeldbepalende panden 1. Een omgevingsvergunning als

Artikel 5

.102 wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de karakteristieke kenmerken van het beeldbepalend pand 2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het volgende beginsel: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beeldbepalende panden. Paragraaf 5.6.4 Integrale ensembles Artikel 5.105 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van wijzigingen in integrale ensembles. Artikel 5.106 Specifieke zorgplicht De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt in ieder geval in dat bij aanpassingen in openbaar toegankelijk gebied en aan of bij gebouwen en bouwwerken geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden behorende bij integrale ensembles, zoals opgenomen in de beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet of de welstandsnota of diens rechtsopvolgers. Paragraaf 5.6.5 Stedenbouwkundige ensembles Artikel 5.107 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van wijzigingen in stedenbouwkundige ensembles. Artikel 5.108 Specifieke zorgplicht De zorgplicht,

Artikel 5

.4, houdt in ieder geval in dat bij aanpassingen in openbaar toegankelijk gebied en aan of bij gebouwen en bouwwerken geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden behorende bij stedenbouwkundige ensembles, zoals opgenomen in de beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet of de welstandsnota of diens rechtsopvolgers. Afdeling 5.7 Activiteiten met betrekking tot flora en fauna Paragraaf 5.7.1 Algemeen Artikel 5.109 Oogmerken 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of opheffen van overlast of schade aan de gezondheid; b. het voorkomen van hinder; c. het behouden en beschermen van de beeldbepalende - en cultuurhistorische waarde van bomen; en d. het waarborgen van de veiligheid. 2. Voor bomen als

artikel 11.111, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn de regels in deze paragraaf ook gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; en b. het beschermen van landschappelijke waarden. Paragraaf 5.7.2 Hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 5.110 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf is van toepassing op: a. het houden van duiven; b. het houden van bijen; en c. het houden van landbouwhuisdieren.
  2. Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; 1°. een evenement dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als

artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; e. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als

artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en f. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Artikel 5.111 Specifieke zorgplicht hinderlijke of schadelijke dieren 1. De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat: a.

de rechthebbende op duiven en bijen zorg draagt voor het voorkomen van overlast voor zijn omgeving; b. de rechthebbende op landbouwhuisdieren dat zich bevindt in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een veekering of andere afrastering, zorg draagt voor het treffen van zodanige maatregelen dat landbouwhuisdieren de weg niet kunnen bereiken. 2. De zorgplicht,

Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat: a.

binnen de bebouwde kom en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, dragen rechthebbenden van landbouw- of huisdieren zorg voor het voorkomen van overlast of schade aan de gezondheid. Dit houdt in ieder geval in dat: 1°. dagelijks zorg wordt gedragen voor het opruimen van uitwerpselen, voedselresten en schadelijke overlastgevende geuren of stoffen en indien mogelijk worden deze voorkomen. Artikel 5.112 Maatwerkvoorschriften hinderlijke of schadelijke dieren Met een maatwerkvoorschrift als

artikel 5.6 kan in ieder geval worden bepaald dat binnen de bebouwde kom en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, landbouw- of huisdieren binnen worden gehouden, geplaatst worden in een geluidswerende ruimte of geplaatst worden in een nachthok tussen 22.00 uur en 08.00 uur. Artikel 5.113 Algemeen verbod bijen houden

  1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
  3. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen

dat lid. Paragraaf 5.7.3 Kappen van bomen en vellen van houtopstanden Artikel 5.114 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op: a. het kappen van bomen; en b. het vellen van houtopstanden. Artikel 5.115 Voorrangsregel Alle gemeentelijke regels met betrekking tot het kappen van bomen en het vellen van houtopstanden buiten deze paragraaf zijn niet van toepassing. Artikel 5.116 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten kappen van bomen en vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een houtopstand te vellen, als het om een gemeentelijke boom of houtopstand gaat.
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een houtopstand te vellen, als het om een boom of houtopstand gaat binnen de locatie Beschermde bomen.
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een houtopstand te vellen binnen de volgende locaties: a. Coulissenlandschap; b. Karakteristiek verkavelingspatroon; c. Landschapswaarden; d. Bos; e. Natuur; en f. Waarde-ecologie.
  4. Het derde lid is niet van toepassing op fruitbomen.
  5. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op bomen die moeten worden gekapt op grond van de Plantgezondheidswet of vanwege een op grond van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet of artikel 4, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio's gegeven bevel. Artikel 5.117 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning kappen van bomen en vellen van houtopstanden Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als

Artikel 5.116 worden de volgende gegevens verstrekt: a.

een kaart, foto of tekening waar iedere te kappen boom of te vellen houtopstand is geïdentificeerd met een nummer en de locatie op het perceel; b. de reden voor het kappen van iedere boom of het vellen van de houtopstand; c. de soort boom of houtopstand; en d. een toelichting op de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten over te gaan, met daarbij het aantal en soorten vermeld. Artikel 5.118 Beoordelingsregels omgevingsvergunning kappen van bomen en vellen van houtopstanden 1. Een omgevingsvergunning als

Artikel 5.116 wordt verleend als: a.

de boom of de houtopstand gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; of b. een individueel of maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het beschermen van: 1°. de waarde van de boom of de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; 2°. de beeldbepalende waarde van de boom of de houtopstand; 3°. de cultuurhistorische waarde van de boom of de houtopstand; en 4°. de waarde voor de leefbaarheid van de boom of de houtopstand. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt, wanneer het gaat om het kappen van een boom of het vellen van een houtopstand,

artikel 11.111, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsvergunning verleend vanwege een individueel of maatschappelijk belang, dat zwaarder moet wegen dan het beschermen van: a. de landschappelijke waarde van de boom of de houtopstand; b. de natuurwaarde van de boom of houtopstand. Artikel 5.119 Vergunningvoorschrift kappen van bomen en vellen van houtopstanden Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen of het vellen van houtopstanden die is verleend met toepassing van artikel 5.116 kan in ieder geval als voorschrift een herbeplantingsplicht worden verbonden. Afdeling 5.8 Activiteiten met betrekking tot afval Paragraaf 5.8.1 Algemeen Artikel 5.120 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu; b. het doelmatig beheren van afvalstoffen; c. het beperken van hinder en overlast; d. het waarborgen van de veiligheid; en e. het beschermen van de gezondheid. Paragraaf 5.8.2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5.121 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 5.122 Specifieke zorgplicht inzamelen oud papier en karton De zorgplicht,

Artikel 5.4 houdt in ieder geval in dat: a.

de inzamelaar zorg draagt voor een ordelijke en zorgvuldige inzameling; en b. de inzamelaar zorg draagt voor het schoonhouden van de ruimte rond de verzamelcontainer. Artikel 5.123 Algemene regels inzameldienst en inzamelaars

  1. Als inzameldienst is aangewezen: ACV te Ede.
  2. In aanvulling op het eerste lid is in Bijlage V Huishoudelijke afvalstoffen opgenomen welke andere inzamelaars zijn aangewezen om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. Artikel 5.124 Algemene regel inzamelen oud papier en karton De inzamelaar van huishoudelijk oud papier en karton zamelt alleen huishoudelijk oud papier en karton in dat droog, schoon en niet vervuild is met andere afvalfracties. Artikel 5.125 Algemene regels dagen en tijden van aanbieding
  3. De inzameldienst stelt jaarlijks een afvalkalender op voor het aanbieden van het huishoudelijk afval via een inzamelmiddel, waarbij het volgende geldt: a. huishoudelijk restafval wordt eens per drie weken opgehaald op vaste dagen; b. gft+e-afval wordt eens per twee weken opgehaald op vaste dagen; c. oud papier en karton worden eens per drie weken opgehaald op vaste dagen; en d. plastic verpakkingen, blik en drankpakken worden via een minicontainer een maal per drie weken en via PMD-zakken eens per week bij gestapelde woningen opgehaald op vaste dagen;
  4. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders in verband met feestdagen en bijzondere evenementen andere inzameldagen vaststellen. Dit wordt - voor zover mogelijk - bekend gemaakt op de afvalkalender en anders in de lokale krant.
  5. De inzamelmiddelen worden aangeboden op de vastgestelde of afgesproken inzameldag tussen 6.00 uur en 7.30 uur of op de dag voorafgaande aan de inzameldag vanaf 20.00 uur.
  6. Afvalstoffen in inzamelvoorzieningen worden niet aangeboden tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Artikel 5.126 Algemene regels gebruik en aanbieden inzamelmiddelen
  7. De volgende regels gelden voor het gebruik van de door de gemeente verstrekte inzamelmiddelen: a. de door de gemeente verstrekte inzamelmiddelen behoren bij het perceel; b. het maximum aantal minicontainers per afvalstroom is twee minicontainers (kliko's), ongeacht het volume van de minicontainer; c. de gebruiker went zich tot de inzameldienst indien bij een verhuizing naar een perceel geen of een kapot door de gemeente verstrekt inzamelmiddel wordt aangetroffen. d. de gebruiker went zich tot de inzameldienst bij verdwijning, vermissing of beschadiging van een door de gemeente verstrekt inzamelmiddel; e. de inzamelmiddelen blijven eigendom van de gemeente en worden bij normale slijtage voor haar rekening technisch onderhouden; f. de gebruiker is verantwoordelijk voor het gebruik en het onderhoud van de in bruikleen ontvangen inzamelmiddelen als ware deze zijn eigendom; en g. de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen worden zodanig gebruikt dat deze geen overlast voor derden veroorzaken.
  8. De volgende regels gelden voor de plaats en de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen worden aangeboden: a. inzamelmiddelen en inzamelvoorziening: 1°. inzamelmiddelen worden netjes op een rij op het voetpad geplaatst, zo dicht mogelijk bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de kant van de openbare weg of op een inzamel- of clusterplaats, zodanig dat het voetgangers- en overige verkeer niet wordt gehinderd of in de doorgang wordt belemmerd en gevaar of schade wordt voorkomen en waarbij aanwijzingen van de inzameldienst worden opgevolgd; 2°. inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen worden goed gesloten; 3°. uit het inzamelmiddel en de inzamelvoorziening mag geen huishoudelijk afval steken; 4°. afvalstoffen die ten onrechte of op een onjuiste wijze zijn aangeboden en die na inzameling daardoor in het inzamelmiddel zijn achtergebleven, worden onverwijld door de gebruiker uit het inzamelmiddel verwijderd; 5°. het gewicht van de hoeveelheid afvalstoffen en het eigen gewicht van de ter lediging aangeboden inzamelmiddel is in zijn totaliteit niet zwaarder dan 50 kilogram; 6°. afvalstoffen worden niet naast de inzamelvoorziening geplaatst; en 7°. er worden geen wijzigingen aan de inzamelmiddelen gebracht, waaronder het aanbrengen van een containerslot of het verwijderen van de chip, anders dan ter verfraaiing; b. elektrische en elektronische apparatuur, hout, grof tuinafval, grof huishoudelijk afval: 1°. de gebruiker neemt vóór de vastgestelde inzameldag, telefonisch of mondeling contact op met de inzameldienst of een inzamelaar als

Bijlage V Huishoudelijke afvalstoffen onderdeel 3 om door te geven welke afvalstoffen hij zal aanbieden; 2°. de afvalstoffen worden zoveel mogelijk in één of meer handzame bundels, gedemonteerd, samengevoegd, samengedrukt en samengebonden aangeboden; 3°. de afvalstoffen hebben per inzameling in totaal geen grotere omvang dan 2 m³ en zijn per bundel afval niet zwaarder dan 30 kilogram; 4°. de afvalstoffen worden zodanig aangeboden dat zij geen hinder of gevaar voor weggebruikers opleveren; 5°. grof tuinafval heeft bij het aanbieden geen grotere afmeting dan 2 meter; 6°. de afvalstoffen worden aangeboden op de plaats, die is aangewezen voor het ter inzameling aanbieden van inzamelmiddelen of bij de geplaatste inzamelvoorziening; en 7°. elektrische - en elektronische apparatuur en herbruikbare componenten uit het grof huishoudelijk afval die worden meegegeven aan een inzamelaar als

Bijlage V Huishoudelijke afvalstoffen onderdeel 3 worden op het eigen perceel en droog aangeboden. 3. Voor het brengen van afvalstoffen naar een afvalbrengstation gelden de volgende regels: a. het afvalbrengstation van de inzameldienst is het brengdepot waar de afvalstoffen,

Artikel 5.127, kunnen worden achtergelaten; b.

de afvalstoffen worden in de daartoe op het brengdepot aangewezen container of op de daartoe aangewezen plaats achtergelaten; c. de aanwijzingen van de medewerkers van de inzameldienst worden te allen tijde opgevolgd; d. een ieder legitimeert zich op verzoek van de medewerkers van de inzameldienst of een toezichthouder die burgemeester en wethouders hebben aangewezen; en e. bij het brengdepot kan maximaal 2 m3 aan afvalstoffen per inzameling worden achtergelaten. Artikel 5.127 Algemene regels afvalscheiding In ieder geval worden de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: Tabel 5.8.1 Bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen groente-, fruit- en tuinafval en etensresten (GFT+e) dat deel van de huishoudelijke afvalstoffen dat van organische oorsprong is, beperkt is van omvang en apart wordt ingezameld klein chemisch afval huishoudelijke afvalstoffen zoals vermeld op de kca-lijst glas op kleur gescheiden eenmalige glasverpakkingen zoals flessen, potten en andere glazen verpakkingen, met uitzondering van vlakglas, (glas)keramiek, gloei- en spaarlampen, TL-lampen, nagellakflesjes, stenen kruiken, porselein, kristal, spiegels, doppen van flessen, kunststofflessen en kurken oud papier en karton huishoudelijk oud papier en karton dat droog en schoon en niet vervuild is met andere afvalfracties, met uitzondering van drankenkartons voor zuivel en frisdranken, ordners en ringbanden met metaal of plastic onderdelen, geplastificeerd papier, sanitair papier, behang, vinyl en doorslagpapier plastic verpakkingen, blik en drankpakken plastic verpakkingen, blik en drankpakken als

het kader van de Raamovereenkomst verpakkingen textiel kleding, lakens, dekens, handdoeken en dergelijke, schoeisels, grote lappen stof en gordijnen die schoon zijn, niet vervuild met andere afvalfracties en niet eerder gebruikt als bijvoorbeeld poets- of verflappen elektrische en elektronische apparatuur de producten,

de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur verduurzaamd hout hout dat is geïmpregneerd, te herkennen aan groene of bruine kleur, zoals bielzen of tuinhout grof tuinafval plantaardige of organische afvalstoffen door aard, samenstelling of omvang niet vallend onder gft+e-afval en vrijkomend bij de aanleg, het onderhoud of verwijdering van particulier groen, zoals grof loofafval, snoeihout et cetera, met uitzondering van bielzen, tuinhekken en tuinschuttingen asbest en asbesthoudend afval afval waarin zich asbest bevindt grof huishoudelijk afval volumineus of zwaar huishoudelijk afval dat door afmeting of gewicht niet in eeninzamelmiddelof via eeninzamelvoorzieningter inzameling kan worden aangeboden metalen producten met als belangrijkste bestanddeel ferroof non-ferro EPS piepschuim/tempex banden schone banden van motoren en personenauto's van maximaal 16 inch zonder velgen vlakglas vlak en glad glas dat is gebruikt in woning- en utiliteitsbouw incontinentieafval afval van incontinentiemateriaal gips dat deel van de huishoudelijke afvalstoffen dat bestaat uit gips, voor zover geen bouw- en of sloopafval huishoudelijk restafval afval afkomstig uit particuliere huishoudens, dat overblijft na scheiding in de deelstromen frituurvet en plantaardige olie restanten van voor consumptie bestemd frituurvet en plantaardige olie Artikel 5.128 Algemeen verbod huishoudelijke afvalstoffen 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als

Artikel 5.123, tweede lid onder b; b.

over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als

Artikel 5.123, tweede lid; c.

achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats,

Artikel 5.126, tweede lid; en d.

ter inzameling aan te bieden anders dan de in Artikel 5.125 genoemde dagen en tijden. 2. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen,

Artikel 5.127, anders dan afzonderlijk: a.

ter inzameling aan te bieden; of b. achter te laten op een inzamelplaats, als

Artikel 5.126, tweede lid onder b.

3. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden,

Artikel 5.128.

eerste lid onder d, buiten een perceel te laten staan. 4. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, omver te werpen of deze anderszins te behandelen. Artikel 5.129 Informatieplicht inzamelen oud papier en karton Jaarlijks verstrekt de inzamelaar uiterlijk in de maand januari het college een rapport waarin staat hoeveel oud papier en karton is ingezameld in het voorgaande kalenderjaar. Paragraaf 5.8.3 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 5.130 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen. Artikel 5.131 Algemene regels inzameling bedrijfsafvalstoffen De inzameldienst van huishoudelijke afvalstoffen verzamelt ook categorieën bedrijfsafvalstoffen die qua aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met de volgende huishoudelijke afvalstoffen: a. bij basisscholen voor wat betreft de inzameling van GFT+e-afval, papier en karton en plastic verpakkingen, blik en drankpakken; en b. bij kantoren en winkels voor wat betreft de inzameling van kantoor-, winkel- en dienstenafval. Artikel 5.132 Algemene regels aanbieden bedrijfsafvalstoffen Bedrijven, maatschappelijke organisaties en scholen die volgens Artikel 5.131 bedrijfsafvalstoffen aanbieden, bieden deze aan overeenkomstig de in Paragraaf 5.8.2 gestelde regels. Artikel 5.133 Algemeen verbod bedrijfsafvalstoffen Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst, over te dragen aan de inzameldienst of bij de inzamelplaats,

Artikel 5.126, derde lid, achter te laten, tenzij Artikel 5.131 van toepassing is.

Paragraaf 5.8.4 Zwerfafval en overige Artikel 5.134 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf is van toepassing op: a. het achterlaten van zwerfafval; b. het verontreinigen van de weg; c. het dumpen van afval; d. het opslaan van afval in de open lucht; en e. het achterlaten van autowrakken.
  2. Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2°. dat geen festiviteit als

artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als

artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. Artikel 5.135 Specifieke zorgplicht zwerfafval De zorgplicht,

Artikel 5.4 houdt in ieder geval in dat: a.

huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, niet worden achtergelaten in openbaar toegankelijk gebied, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen; b. reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in openbaar toegankelijk gebied wordt weggeworpen of achtergelaten, onmiddelijk worden opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde; c. degene die een locatie runt waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, zorg draagt voor de aanwezigheid in of nabij de locatie van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval; en d. degene die een locatie runt waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, binnen een straal van 25 meter rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Artikel 5.136 Specifieke zorgplicht afval en verontreiniging op de weg 1. De zorgplicht,

Artikel 5

.4 houdt in ieder geval in dat een weg niet verontreinigd wordt door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

  1. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of diens opdrachtgever zorgt direct na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 5.137 Algemeen verbod afval dumpen
  2. Het is verboden hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op een locatie waar een milieubelastende activiteit wordt verricht, die is toegestaan op basis van dit omgevingsplan en het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een omgevingsvergunning, als het gaat om de volgende gevallen: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met dit omgevingsplan; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; en c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de openbare weg. 3. Indien de overtreder van het tweede lid onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit lid. Artikel 5.138 Algemeen verbod afval opslaan open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan op te slaan, anders dan door het in overeenstemming met Paragraaf 5.8.2 aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 5.139 Algemeen verbod autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan: a. degene die een milieubelastende activiteit als

artikel 3.152 van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht; b. degene die een milieubelastende activiteit als

artikel 3.276 van het Besluit activiteiten leefomgeivng verricht, waar motorvoertuigen worden onderhouden anders dan alleen wassen; of c. degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het autowrak naar dat land brengt. Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Afdeling 6.1 Verplichtingen Paragraaf 6.1.1 Woningbouwcategorieën Artikel 6.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op woningen in de gemeente Veenendaal. Artikel 6.2 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bieden van voldoende woonruimte; en b. het bereiken van een gevarieerd aanbod aan woonruimte. Artikel 6.3 Normadressaat Aan de artikelen in deze paragraaf wordt voldaan door de eigenaar van de woning. Artikel 6.4 Sociale huurwoningen 1. De doelgroep voor sociale huurwoningen zijn huishoudens - 1 met een inkomen dat niet hoger is dan het rekeninkomen zoals genoemd in artikel 14, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag. 2. Een sociale huurwoning heeft een huurprijs tot de maximale huurgrens,

artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.

  1. Sociale huurwoningen blijven gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname als sociale huurwoning beschikbaar. Artikel 6.5 Sociale koopwoningen
  2. De doelgroep voor sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning zijn huishoudens - 1 met een inkomen van maximaal € 65.000,- en waarbij de eerste toewijzing van de sociale koopwoning type goedkoop betaalbare koopwoning gaat op de wijze zoals is bepaald in de Beleidsregel sociale koopwoningen gemeente Veenendaal of diens rechtsopvolgers.
  3. De koopprijs vrij op naam voor sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning bedraagt maximaal € 270.795,-
  4. Voor indexatie van de maximale koopprijs voor sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning, wordt jaarlijks de landelijke gehanteerde Consumentenprijsindex gebruikt.
  5. Sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning, blijven gedurende een termijn van tenminste en ten hoogste 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar, zoals bepaald in de Beleidsregel sociale koopwoningen gemeente Veenendaal of diens rechtsopvolgers.
  6. De doelgroep voor sociale koopwoningen type betaalbare koopwoning zijn huishoudens - 1 met een maximaal inkomen waar vanuit wordt gegaan bij de vaststelling van de landelijke betaalbaarheidsgrens.
  7. De koopprijs vrij op naam voor sociale koopwoningen type betaalbare koopwoning bedraagt maximaal de landelijke betaalbaarheidsgrens voor betaalbare koopwoningen.
  8. Sociale koopwoningen type betaalbare koopwoning, blijven gedurende een termijn van tenminste en ten hoogste 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar. Artikel 6.6 Middenhuurwoningen
  9. De doelgroep voor middenhuurwoningen zijn huishoudens - 1 met een inkomen van niet meer dan € 55.000,-.
  10. Een middenhuurwoning heeft een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag,

artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als

artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte met inbegrip van, voor zover van toepassing, de vermeerdering,

artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte. 3. Middenhuurwoningen blijven gedurende een termijn van tenminste 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar. Artikel 6.7 Algemene regels verbod Het is verboden af te wijken van de instandhoudingstermijnen,

Artikel 6

.4, derde lid, Artikel 6.5, vierde lid en zevende lid ​en Artikel 6.6, derde lid, dan wel woningen te onttrekken aan de doelgroep. Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Afdeling 7.1 Kostenverhaal [gereserveerd] Hoofdstuk 8 Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Afdeling 8.2 Advies Paragraaf 8.2.1 Cultureel erfgoed Artikel 8.1 Advies over activiteiten met betrekking tot beschermd cultureel erfgoed 1. Het college van burgemeester en wethouders vraagt advies aan de gemeentelijke adviescommissie als

artikel 17.9 van de Omgevingswet genaamd de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Veenendaal, voordat wordt beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor: a. voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument als

artikel 5.96; en b. voor een activiteit die betrekking heeft op een beeldbepalend pand als

artikel 5.

  1. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als burgemeester en wethouders op verzoek van een ander bevoegd gezag adviseren over een aanvraag als

het eerste lid. Afdeling 8.3 Maatschappelijk draagvlak [gereserveerd] Afdeling 8.4 Andere bestuursorganen [gereserveerd] Afdeling 8.5 Overige procesregels Paragraaf 8.5.1 Cultureel erfgoed Artikel 8.2 Kerkelijke monumenten 1. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning als

artikel 5.96 betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument welke een kerkelijk monument is, neemt het bevoegd gezag pas een beslissing op de aanvraag na overleg met de eigenaar. 2. Voor zover het gaat om een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat gemeentelijk monument welke een kerkelijk monument is in het geding zijn, beslist het bevoegd gezag alleen in overeenstemming met de eigenaar. Hoofdstuk 9 Handhaving Artikel 9.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoeringstaak,

artikel 18.18, tweede lid, van de Omgevingswet en de handhavingstaak,

artikel 18.1 van de Omgevingswet, door of in opdracht van burgemeester en wethouders. Artikel 9.2 Betrokkenheid van de raad De raad ziet toe op de hoofdlijnen van het door burgemeester en wethouders gevoerde beleid voor de kwaliteit van de uitvoeringstaak en handhavingstaak, in het licht van de door de raad vastgestelde kaders voor de fysieke leefomgeving in de Omgevingsvisie. Artikel 9.3 Kwaliteitsdoelen

  1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoeringstaak en handhavingstaak in het licht van de daarvoor door hen op grond van artikel 13.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen.
  2. De doelen hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; en c. de financiën. Artikel 9.4 Kwaliteitsborging
  3. Op de uitvoeringstaak en de handhavingstaak door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld zijn inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast.
  4. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de raad.
  5. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave. Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie [gereserveerd] Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht Artikel 11.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve besluiten
  6. Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
  7. Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
  8. Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. Artikel 11.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten
  9. Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.
  10. Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan. Artikel 11.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften
  11. Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.
  12. Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.
  13. Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.
  14. Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan. Artikel 11.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 1°. de last volledig is uitgevoerd; 2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3°. de last is opgeheven. Hoofdstuk 12 Slotbepaling [gereserveerd] Hoofdstuk 13 [Gereserveerd] Hoofdstuk 14 [Gereserveerd] Hoofdstuk 15 [Gereserveerd] Hoofdstuk 16 [Gereserveerd] Hoofdstuk 17 [Gereserveerd] Hoofdstuk 18 [Gereserveerd] Hoofdstuk 19 [Gereserveerd] Hoofdstuk 20 [Gereserveerd] Hoofdstuk 21 [Gereserveerd] Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  15. De regels in Afdeling 22.2 , met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3 , en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan,

artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.