act/gemeente/2024/CVDR696304 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0402/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-05-27 2025-05-27 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696304/nld@2025-06-24 /join/id/proc
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 6 en 22 van dit omgevingsplan. 2. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 6 en 22 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6 Gebiedsontwikkeling en transformatie Titel 6.
Artikel 6.1 Toepassingsbereik 1.
Dit hoofdstuk is van toepassing binnen de locatie ontwikkelgebieden.
- Deze titel gaat over de algemene bepalingen voor hoofdstuk
- Artikel 6.2 Begripsbepalingen De begripsbepalingen van de Omgevingswet, artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en artikel 1.1 van de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk, tenzij een begrip in bijlage II afwijkend is gedefinieerd. Artikel 6.3 Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 6.2 bevat bijlage II begripsbepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk van het omgevingsplan. Artikel 6.4 Wijze van meten Bij het bouwen van bouwwerken wordt voor dit hoofdstuk op de volgende wijze gemeten, tenzij anders bepaald elders in dit hoofdstuk: a. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevel (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; d. breedte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de zijgevels en/of de harten van zijdelingse gemeenschappelijke scheidsmuren; e. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, glazenwasinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; f. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; g. peil:
- voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg, langzaamverkeersroute of voetpad grenst: de hoogte van die weg, langzaamverkeersroute of voetpad ter plaatse van de hoofdtoegang;
- in alle andere gevallen en bij bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aangrenzende maaiveld. h. verticale diepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan het laagste punt van het gebouw; i. horizontale diepte van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voor- en achtergevel van een gebouw. Titel 6.2 Bruisend Hart Afdeling 6.2.
en activiteitoverstijgende regels Paragraaf 6.2.1.
Artikel 6
.5 Toepassingsbereik Deze titel gaat over activiteiten binnen het werkingsgebied Bruisend Hart. Artikel 6.6 Oogmerken De regels in deze titel zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van landschappelijke, archeologische en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de gezondheid; e. het waarborgen van de veiligheid; f. het waar mogelijk voorkomen van hinder en overlast. Artikel 6.7 Relatie bruidsschat hoofdstuk 22
- De artikelen uit hoofdstuk 22 zijn van overeenkomstige toepassing binnen het werkingsgebied Bruisend Hart, tenzij: a. de artikelen in strijd zijn met de artikelen in deze titel; b. in deze titel anders is bepaald.
- In ieder geval geldt dat artikel 22.27 en artikel 22.36 niet van toepassing zijn binnen het werkingsgebied Bruisend Hart. Paragraaf 6.2.1.2 Parkeren en laden en lossen Subparagraaf 6.2.1.2.1 Parkeernormering Artikel 6.8 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen van een gebouw of wijzigen van het gebruik waarvoor op grond van deze titel een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 6.9 Voldoende parkeergelegenheid
- Bij een gebouw wordt in de juiste mate ruimte aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort ten behoeve van het parkeren en stallen van auto’s.
- Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of wijzigen van het gebruik waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist wordt uitsluitend verleend, mits wordt voldaan aan het eerste lid, met dien verstande dat de in het eerste lid bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.
- Bij de toets of voldaan wordt aan het eerste lid wordt nadere invulling gegeven op basis van de beleidsregel 'Parkeerbeleid Hilversum 2023 Hilversum' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
- Het bevoegd gezag past het beleid als bedoeld in het derde lid toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. Subparagraaf 6.2.1.2.2 Normeringen laden en lossen Artikel 6.10 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het aanvangen, wijzigen of intensiveren van een activiteit waarvoor op grond van deze titel een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 6.11 Laden en lossen
- Bij een gebouw wordt voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen van goederen aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.
- Een omgevingsvergunning voor het aanvangen, wijzigen of intensiveren van een activiteit wordt uitsluitend verleend, mits wordt voldaan aan het eerste lid. Paragraaf 6.2.1.3 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen of gebruiken Artikel 6.12 Toepassingsbereik De locatie interferentiegebied Bruisend Hart wordt aangewezen als interferentiegebied zoals bedoeld in artikel 22.
- Artikel 6.13 Aanvullende beoordelingsregel
- Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 22.260 wordt binnen de locatie interferentiegebied Bruisend Hart alleen verleend als in aanvulling op 22.260 derde lid sprake is van een evenwichtige bodemenergiesituatie.
- Of sprake is van een evenwichtige bodemenergiesituatie wordt beoordeeld met behulp van de beleidsregel 'Bodemenergieplan Hilversum Centrum en Oost' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Paragraaf 6.2.1.4 Doelgroepen Artikel 6.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en sociale koopwoningen en de doelgroepen hiervan. Artikel 6.15 Woningbouwcategorieën Voor de woningbouwcategorieën gelden de volgende huur- en koopprijsgrenzen: a. sociale huurwoningen: sociale huurwoningen conform artikel 5.161c eerste lid sub a van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. middenhuurwoningen: middenhuurwoningen conform artikel 5.161c eerste lid sub c van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. sociale koopwoningen: koopwoningen conform artikel 5.161c eerste lid sub b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 6.16 Doelgroep
- Als doelgroep voor sociale huurwoningen als bedoeld in art. 6.15, eerste lid, sub a, worden aangemerkt, huishoudens met een maximaal inkomen tot de toelatingsgrens voor sociale huurwoningen (DAEB-norm).
- Als doelgroep voor middenhuurwoningen en voor sociale koopwoningen, als bedoeld in art. 6.15 sub b en c, worden aangemerkt huishoudens met een maximaal inkomen als genoemd in artikel 10 vierde lid van de Huisvestingswet 2014;
- In aanvulling op de definiëring van de doelgroepen naar inkomen kan het college in overleg met de ontwikkelaar/belegger bepalen dat de woningen in een bepaald project bij voorrang worden aangeboden aan huishoudens met (lokale en/of regionale) binding en/of bij voorrang aan huishoudens met maatschappelijke beroepen (zoals zorg en onderwijs) en/of aan ouderen met een AOW-gerechtigde leeftijd en/of een sociale huurwoning achterlaten. Artikel 6.17 Instandhoudingstermijn
- De sociale huurwoningen, zoals bedoeld in artikel 6.15, sub a, dienen gedurende een termijn van tenminste 25 jaar na de eerste ingebruikname voor de doelgroep zoals bedoeld in artikel 6.16 beschikbaar te blijven.
- De middenhuurwoningen, zoals bedoeld in artikel 6.15, sub b, dienen gedurende een termijn van tenminste 25 jaar na de eerste ingebruikname voor de doelgroep zoals bedoeld in artikel 6.16 beschikbaar te blijven.
- De sociale koopwoningen, zoals bedoeld in artikel 6.15, sub c, dienen gedurende een termijn van minimaal 3 jaar na de eerste ingebruikname voor de doelgroep zoals bedoeld in artikel 6.16 beschikbaar te blijven. Afdeling 6.2.2 Thematische activiteiten (Bouwen) Paragraaf 6.2.2.
Artikel 6.18 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het bouwen van bouwwerken.
Artikel 6.19 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het bieden van voldoende en gevarieerd aanbod aan woonruimte; e. het beschermen, behoud, herstel en ontwikkelen van stedenbouwkundige waarden; f. het beschermen, behoud, herstel en ontwikkelen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; g. het tot stand brengen en beschermen van een duurzame leefomgeving; h. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 6.20 Afwijkende bepaling wijze van meten In afwijking van het bepaalde in artikel 6.4 onder g. wordt in deze Afdeling het volgende onder peil verstaan: de kruin van de aanliggende weg. Artikel 6.21 Antidubbeltelbepaling Bij het beoordelen van een nieuw bouwplan wordt grond waarop eerder een bouwplan is toegestaan waar wel of nog geen uitvoering aan is gegeven niet meegenomen in de overweging. Artikel 6.22 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het vaststellingsbesluit van de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van deze titel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het vaststellingsbesluit van de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de titel, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze titel, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen. Artikel 6.23 Voorrangsbepaling vergunningplicht bouwactiviteit In afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 gelden voor bouwactiviteiten op de locatie Bruisend Hart de vergunningplichten zoals opgenomen in deze afdeling. Paragraaf 6.2.2.2 Gebouw bouwen Subparagraaf 6.2.2.2.1 Ondergronds gebouw bouwen ten behoeve van fietsverbinding Artikel 6.24 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een ondergronds gebouw ten behoeve van een ondergrondse verbinding bij het spoor. Artikel 6.25 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergronds gebouw te bouwen. Artikel 6.26 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor een ondergronds gebouw bouwen wordt alleen verleend als aan alle voorwaarden wordt voldaan van dit artikel.
- Het ondergrondse gebouw bestaat uit maximaal één ondergrondse bouwlaag.
- Het ondergrondse gebouw, als bedoeld in het tweede lid, dient als ondergrondse fietsverbinding voor het spoor.
- Er ontstaan geen onevenredige nadelige effecten voor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Subparagraaf 6.2.2.2.2 Gebouw bouwen binnen bebouwingsgebied Bruisend Hart Artikel 6.27 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een gebouw binnen de locatie bebouwingsgebied Bruisend Hart. Artikel 6.28 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - gebouw bouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een verbinding te bouwen; b. parkeergarage te bouwen; of c. overige gebouwen te bouwen. Artikel 6.29 Beoordelingsregels gebouw bouwen - verbinding
- De omgevingsvergunning voor gebouwen in de vorm van een verbinding als bedoeld in artikel 6.28 wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Binnen de locatie verbinding Bruisend Hart is uitsluitend een bovengronds gebouw toegestaan.
- De bouwhoogte is niet hoger dan de maximale bouwhoogte zoals aangegeven op de locatie maximale bouwhoogte.
- Dit gebouw dient enkel als verbinding van en naar het stationsgebouw. Artikel 6.30 Beoordelingsregels gebouw bouwen - parkeergarage
- De omgevingsvergunning voor een gebouw in de vorm van een parkeergarage bouwen als bedoeld in artikel 6.28 wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Een parkeergarage binnen de locatie parkeergarage Bruisend Hart is uitsluitend ondergronds toegestaan, waarbij een maximum van 2.200 m² bvo geldt. Artikel 6.31 Beoordelingsregels gebouw bouwen – overige gebouwen
- De omgevingsvergunning voor overige gebouwen als bedoeld in artikel 6.28 wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Binnen de locatie Blok C binnenterrein mag maximaal 1.000 m2 bovengronds worden bebouwd.
- De bouwhoogte is niet lager dan de minimale bouwhoogte zoals aangegeven op de locatie minimale bouwhoogte.
- De bouwhoogte is niet hoger dan de maximale bouwhoogte zoals aangegeven op de locatie maximale bouwhoogte.
- De goothoogte is niet hoger dan de maximale goothoogte zoals aangegeven op de locatie maximale goothoogte.
- In afwijking van het derde en vierde lid geldt op de locatie Blok A voor een oppervlak van minimaal 300 m2 tot maximaal 600 m2 een maximale bouwhoogte van 6 m.
- In afwijking van het vierde en vijfde lid geldt op de locatie hoogteaccent Bruisend Hart voor een oppervlak van maximaal 400 m2 een maximale bouw- en goothoogte van 25 m.
- In afwijking van het vierde en vijfde lid geldt op de locatie Blok A torentje voor een oppervlak van maximaal 4 m2 een maximale bouw- en goothoogte van 24 m.
- In afwijking van het vierde en vijfde lid geldt op de locatie Blok C straatgevel voor een oppervlak van maximaal 40 m2 een maximale bouw- en goothoogte van 14 m.
- Het aantal bouwlagen, gemeten vanaf het peil, bedraagt niet meer dan aangegeven op de locatie maximum aantal bouwlagen.
- Binnen de locatie ondergronds bouwen Bruisend Hart zijn ondergrondse gebouwen alleen toegestaan tot maximaal één ondergrondse bouwlaag. Artikel 6.32 Aanvullende beoordelingsregels - woningen
- In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 6.31 geldt voor de locatie Blok A en B een maximum van 80 nieuwe woningen met een gezamenlijke omvang van maximaal 5.930 m² bvo.
- In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 6.31 geldt voor de locatie Blok C een maximum van 70 nieuwe woningen worden gebouwd met een gezamenlijke omvang van maximaal 5.520 m² bvo.
- In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 6.31 geldt voor de locatie woning bestaand Bruisend Hart dat het eerste en tweede lid niet van toepassing is en dat de omvang van deze woning gelijk is aan de bestaande omvang.
- In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 6.31 geldt dat: a. van het totaal aantal woningen, zoals genoemd in het eerste en tweede lid tezamen dient niet minder dan 33% te worden gebouwd als sociale huurwoningen; b. van het totaal aantal woningen, zoals genoemd in het eerste en tweede lid tezamen dient niet minder dan 50% te worden gebouwd als middenhuurwoningen en sociale koopwoningen. c. van het genoemde percentage onder sub b. mag maximaal de helft als sociale koopwoningen worden gerealiseerd. Artikel 6.33 Aanvullende beoordelingsregels - geluidgevoelig gebouw bouwen
- Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw wordt verleend als de standaardwaarde, zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt overschreden.
- Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, ook verleend als: a. de grenswaarde zoals bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt overschreden; en b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt.
- Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het tweede lid worden in onderstaande volgorde afgewogen: a. bronmaatregelen, zoals het wijzigen van het wegdek; b. overdrachtsmaatregelen, zoals geluidschermen, geluidwallen of afschermende balkons of loggia's; c. gevelmaatregelen zoals geluidreducerende cassetteramen of een vliesgevel.
- Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het tweede lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
- Als de standaardwaarde zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, al dan niet na het treffen van geluidbeperkende maatregelen, wordt overschreden, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw alleen verleend als het geluidgevoelig gebouw beschikt over: a. ten minste één geluidluwe zijde; b. buitenruimten niet mogen worden gesitueerd aan de zijde met de hoogste geluidbelasting, tenzij deze zijde ook een geluidluwe zijde betreft; c. indien er sprake is van een of meer buitenruimten bij een gestapeld geluidgevoelig gebouw mogen buitenruimten aan de hoogst geluidbelaste gevel worden gesitueerd mits aan de gevel aanvullende bouwkundige maatregelen zijn getroffen zoals een (deels) afsluitbare buitenruimte in de vorm van bijvoorbeeld een loggia of een afsluitbaar balkon en de geluidbelasting op de thermische schil voldoet aan de standaardwaarden.
- In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend als het geluidgevoelig gebouw niet beschikt over ten minste één geluidluwe zijde , indien: a. gemotiveerd kan worden dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om maatregelen te treffen om de geluidbelasting te verlagen, vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard; b. de geluidbelasting op één zijde van het gebouw de standaardwaarde zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving met maximaal 5 dB overschrijdt; c. er ondanks het ontbreken van een geluidluwe zijde sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij ten minste dient te worden betrokken of in de omgeving van het geluidgevoelig object sprake is van een geluidluwe buitenruimte, een stil park, ander groen op loopafstand of andere kwaliteiten van de woning en/of de nabije woonomgeving; d. indien er sprake is van een of meer buitenruimten bij grondgebonden woningen dient minimaal één buitenruimte aan de zijde met de laagste geluidbelasting te worden gesitueerd; en e. in aanvulling op sub d. geldt dat overige buitenruimten niet mogen worden gesitueerd aan de zijde met de hoogste geluidbelasting; f. indien er sprake is van een of meer buitenruimten bij een gestapeld geluidgevoelig gebouw mogen buitenruimten aan de hoogst geluidbelaste gevel worden gesitueerd mits aan de gevel aanvullende bouwkundige maatregelen zijn getroffen zoals een (deels) afsluitbare buitenruimte in de vorm van bijvoorbeeld een loggia of een afsluitbaar balkon en de geluidbelasting op de thermische schil voldoet aan de standaardwaarden. Artikel 6.34 Aanvullende beoordelingsregels - natuurinclusief bouwen
- In aanvulling op het bepaalde in artikel 6.29 tot en met 6.32 wordt de omgevingsvergunning voor bouwen met een omvang vanaf 30 m³ alleen verleend als tenminste het aantal ecopunten in de bebouwing wordt gerealiseerd en in stand gehouden zoals opgenomen in de beleidsregel 'Leidraad Natuurinclusief Bouwen, Hilversum 2021' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
- De omgevingsvergunning voor bouwen met een omvang van tenminste 1.500 m³, kan in afwijking lid 1, worden verleend als een 'Realisatieplan Natuurinclusief bouwen en inrichten' wordt ingediend conform de eisen uit de beleidsregel 'Leidraad Natuurinclusief Bouwen, Hilversum 2021' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Uit dit 'Realisatieplan natuurinclusief bouwen en inrichten' moet blijken welke maatregelen in het kader van het natuurinclusief bouwen en inrichten worden genomen, hoe wordt geborgd dat deze maatregelen uiterlijk binnen 2 jaar na de start van de bouw zijn gerealiseerd en hoe deze maatregelen duurzaam, ten minste 30 jaar, in stand worden gehouden en beheerd een en ander ter beoordeling aan het bevoegd gezag. Artikel 6.35 Aanvullende beoordelingsregels - ruimtelijke kwaliteit
- In aanvulling op het bepaalde in artikel 6.29 tot en met 6.31 wordt de omgevingsvergunning voor bouwen van een bouwwerk alleen verleend indien aan alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Het gebouw voldoet aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit voor het Bruisend Hart, zoals opgenomen in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Bruisend Hart'.
- Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor tijdelijke bouwwerken.
- Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten. Artikel 6.36 Aanvullende beoordelingsregels - hemelwaterinfiltratie
- In aanvulling op het bepaalde in artikel 6.29 tot en met 6.31 wordt de omgevingsvergunning voor bouwen van een bouwwerk alleen verleend indien aan alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Het bouwen van gebouwen is alleen toegestaan indien dit hydrologisch neutraal geschiedt doordat er wordt voorzien in afdoende (infiltratie)voorzieningen en waterberging om regenwater op te vangen.
- Of wordt voldaan aan de eisen van hydrologisch neutraal bouwen, als bedoeld in het tweede lid, wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel 'Gemeentelijk Watermanagementplan 2021-2026' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Artikel 6.37 Aanvullende beoordelingsregels - voorzieningen
- In aanvulling op het bepaalde in artikel 6.29 tot en met 6.31 wordt de omgevingsvergunning voor bouwen van een bouwwerk alleen verleend indien aan alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Voorzieningen ten behoeve van het gebruik van het te bouwen bouwwerk dienen uitsluitend inpandig te worden gerealiseerd.
- Onder voorzieningen als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan: a. voorzieningen ten behoeve van energie; b. voorzieningen ten behoeve van warmte; c. voorzieningen ten behoeve van de tijdelijke opslag van huishoudelijk en commercieel afval. Artikel 6.38 Afwijkende beoordelingsregels - gebouw bouwen In afwijking van artikelen 6.29 tot en met 6.31 wordt de omgevingsvergunning ook verleend voor het bouwen van een gebouw ten behoeve van de overschrijding van grenzen van de locatie bebouwingsgebied Bruisend Hart door balkons of daarmee gelijk gestelde bouwdelen indien: a. de overschrijding maximaal 1,2 m bedraagt; b. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; c. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast; d. er sprake is van een goed woon- en leefklimaat; en e. er geen onevenredige nadelige effecten ontstaan voor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Artikel 6.39 Vergunningvoorschriften - gebouw bouwen Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden in verband met de werkelijke toestand van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en/of bebouwing mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad. Artikel 6.40 Vergunningvoorschriften - geluidgevoelig gebouw bouwen Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw wordt ten behoeve van de toetsing op grond van artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, een voorschrift verbonden waarin het gezamenlijke geluid is bepaald. Artikel 6.41 Aanvullende aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning waarbij sprake is van het bouwen van een geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 6.33 dient aanvullend de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek naar het gezamenlijk geluid op de gevel(s) van het geluidgevoelig gebouw; b. een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai; en c. als blijkt dat de standaardwaarde zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt overschreden, ook een onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen.
- Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, waarbij sprake is van het bouwen met een omvang zoals genoemd in artikel 6.34 dient aanvullend een realisatieplan 'Natuurinclusief bouwen en inrichten' te worden ingediend. Subparagraaf 6.2.2.2.3 Gebouw bouwen in bebouwingsgebied bestaand Bruisend Hart Artikel 6.42 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen of verbouwen van een gebouw binnen de locatie bebouwingsgebied bestaand Bruisend Hart. Artikel 6.43 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebouw bouwen - bestaand gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nieuw gebouw te bouwen of het bestaande gebouw te veranderen of te vergroten. Artikel 6.44 Beoordelingsregels gebouw bouwen - bestaand gebouw
- De omgevingsvergunning voor gebouwen, zijnde bestaande gebouwen, als bedoeld in artikel 6.43, wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het tweede lid.
- Binnen de locatie bebouwingsgebied bestaand Bruisend Hart mag het bestaande gebouw qua omvang en afmetingen niet worden veranderd of vergroot. De bestaande maten en oppervlakten zijn de minimale en maximale maten. Artikel 6.45 Aanvullende beoordelingsregels - ruimtelijke kwaliteit
- In aanvulling op het bepaalde in artikel 6.44 wordt de omgevingsvergunning voor bouwen van een bouwwerk alleen verleend indien aan alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Het gebouw voldoet aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit voor het Bruisend Hart, zoals opgenomen in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Bruisend Hart'.
- Het derde lid geldt niet voor tijdelijke bouwwerken.
- Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten. Subparagraaf 6.2.2.2.4 Gebouw bouwen in de openbare ruimte Bruisend Hart Artikel 6.46 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen van een gebouw binnen de locatie openbare ruimte Bruisend Hart. Artikel 6.47 Algemene regels
- Een gebouw is alleen toegestaan als: a. nutsvoorziening; b. ten behoeve van de waterhuishouding; of c. ten behoeve van verkeer.
- De bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m.
- De oppervlakte per gebouw bedraagt maximaal 20 m².
- Ondergronds bouwen is toegestaan, voor zover er bovengronds een gebouw aanwezig is. Artikel 6.48 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen binnen de locatie openbare ruimte Bruisend Hart als niet wordt voldaan aan artikel 6.
- Artikel 6.49 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor gebouwen binnen de locatie openbare ruimte Bruisend Hart ruimte wordt alleen verleend als aan de voorwaarden van dit artikel.
- De bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties worden niet onevenredig aangetast.
- Het gebouw voldoet aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit voor het Bruisend Hart, zoals opgenomen in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Bruisend Hart'.
- Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten. Paragraaf 6.2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen Artikel 6.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Artikel 6.51 Algemene regels
- Een erf- of perceelafscheiding is alleen toegestaan als: a. de bouwhoogte hoger is dan 1 m, maar niet hoger is dan 2 m; b. de erf- of perceelafscheiding op een erf of perceel staat waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. de erf- of perceelafscheiding achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw loopt, loopt vanaf daar evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
- De volgende overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn alleen toegestaan als: a. de bouwhoogte van een sport- of speeltoestel niet hoger is dan 4 m en alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. b. de bouwhoogte van een kunstwerk of kunstobject niet hoger is dan 6 m. c. de bouwhoogte van palen of masten niet hoger is dan 10 m. Artikel 6.52 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen als niet wordt voldaan aan de algemene regels in de artikelen 6.
- Artikel 6.53 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit relevante overige leden van dit artikel wordt voldaan.
- De bouwhoogte voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet zijnde een erfafscheiding, bedraagt maximaal 12 m.
- Een ondergronds bouwwerk geen gebouw zijnde is uitsluitend toegestaan ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling.
- De bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties worden niet onevenredig aangetast.
- Het bouwwerk geen gebouw zijnde voldoet aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit voor het Bruisend Hart, zoals opgenomen in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Bruisend Hart'.
- Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten. Afdeling 6.2.3 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte (Gebruiksactiviteiten) Paragraaf 6.2.3.
Artikel 6
.54 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het verrichten van gebruiksactiviteiten en het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 6.55 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het bieden van voldoende en gevarieerd aanbod aan woonruimte; e. het tot stand brengen en beschermen van een duurzame leefomgeving; f. het waarborgen van de veiligheid. Artikel 6.56 Toedeling van gebruiksactiviteiten Gebruiksactiviteiten worden alleen verricht als die zijn toegelaten op een locatie op grond van deze afdeling en voldaan wordt aan de gestelde regels voor gebruiksactiviteiten zoals in deze afdeling is opgenomen. Artikel 6.57 Overgangsrecht bestaande gebruiksactiviteiten
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het vaststellingsbesluit van de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de vaststelling van deze titel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het in het eerste lid genoemde strijdige gebruik mag niet worden veranderd in een andere vorm van strijdig gebruik of worden vergroot.
- Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het vaststellingsbesluit van de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de vaststelling van deze titel langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan (tijdelijk deel van het omgevingsplan), daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 6.58 Verbod exploiteren darkstores Het is verboden om een darkstore te exploiteren binnen de locatie Bruisend Hart. Paragraaf 6.2.3.2 Bedrijfsactiviteiten Artikel 6.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsactiviteiten binnen de locatie bedrijf Bruisend Hart. Artikel 6.60 Algemene regels
- Binnen de locatie bedrijf Bruisend Hart zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan.
- De oppervlakte van bedrijven en kantoren tezamen bedraagt niet meer dan 3.800 m² bvo.
- Alleen bedrijven behorende tot ten hoogste milieucategorie 2 zoals opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten Bruisend Hart zijn toegestaan.
- Binnen de locatie Blok A zijn bedrijven alleen op bouwlaag 1 tot en met 7 toegestaan.
- Binnen de locatie Blok B bedrijf en kantoor vanaf tweede bouwlaag zijn bedrijfsactiviteiten niet toegestaan op de begane grond en de eerste bouwlaag. Artikel 6.61 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in 6.
- Artikel 6.62 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.61 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden uit dit artikel.
- De oppervlakte van bedrijven en kantoren tezamen bedraagt niet meer dan 6.000 m² bvo.
- Het bedrijf behoort tot ten hoogste milieucategorie 2 zoals opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten Bruisend Hart.
- Binnen de locatie Blok A zijn bedrijven alleen op bouwlaag 1 tot en met 7 toegestaan.
- Binnen de locatie Blok B bedrijf en kantoor vanaf tweede bouwlaag zijn bedrijven niet toegestaan op de begane grond en de eerste bouwlaag.
- Er is naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake van nadelige invloed op de afwikkeling van verkeer ten opzichte van hetgeen op basis van artikel 6.60 is toegestaan.
- Er is naar oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte ten opzichte van hetgeen op basis van artikel 6.60 is toegestaan. Paragraaf 6.2.3.3 Detailhandelsactiviteiten Artikel 6.63 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op detailhandelsactiviteiten binnen de locatie detailhandel Bruisend Hart. Artikel 6.64 Algemene regels
- Binnen de locatie detailhandel Bruisend Hart zijn detailhandelsactiviteiten toegestaan.
- Binnen de locatie Blok A zijn detailhandelsactiviteiten alleen op bouwlaag -1 en de begane grond toegestaan.
- Binnen de locatie Blok C zijn detailhandelsactiviteiten alleen op de begane grond en de eerste bouwlaag toegestaan.
- De oppervlakte van dienstverleningsactiviteiten met detailhandelsactiviteiten tezamen bedraagt niet meer dan de bvo zoals aangegeven op de locatie maximum bvo detailhandel en dienstverlening. Artikel 6.65 Verbod Het is verboden om detailhandelsactiviteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.
- Paragraaf 6.2.3.4 Dienstverleningsactiviteiten Artikel 6.66 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op dienstverleningsactiviteiten binnen de locatie dienstverlening Bruisend Hart. Artikel 6.67 Algemene regels
- Binnen de locatie dienstverlening Bruisend Hart zijn dienstverleningsactiviteiten toegestaan.
- Binnen de locatie Blok A zijn dienstverleningsactiviteiten alleen op bouwlaag -1 en de begane grond toegestaan.
- Binnen de locatie Blok C zijn dienstverleningsactiviteiten alleen op de begane grond en de eerste bouwlaag toegestaan.
- De oppervlakte van dienstverleningsactiviteiten met detailhandelsactiviteiten tezamen bedraagt niet meer dan de bvo zoals aangegeven op de locatie maximum bvo detailhandel en dienstverlening. Artikel 6.68 Verbod Het is verboden om dienstverleningsactiviteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.
- Paragraaf 6.2.3.5 Gebruiksactiviteiten in de openbare ruimte Bruisend Hart Artikel 6.69 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de volgende gebruiksactiviteiten binnen de locatie openbare ruimte Bruisend Hart: a. activiteiten die betrekking hebben op groenvoorzieningen; b. activiteiten die betrekking hebben op watervoorzieningen; c. activiteiten die betrekking hebben op parkeer- en verkeersvoorzieningen; en d. activiteiten die betrekking hebben op stationsvoorzieningen. Artikel 6.70 Gebodsbepaling - groenvoorzieningen Er dient minimaal 3.000 m² aan openbare groenvoorzieningen, waarvan minimaal 1.400 m² aaneengesloten groene ruimte, te worden gerealiseerd. Artikel 6.71 Algemene regels - activiteiten die betrekking hebben op groenvoorzieningen
- Activiteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden voor groenvoorzieningen zijn toegestaan.
- Onder het gebruik van gronden, zoals bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval het gebruik voor: a. plantsoenen, parken, bermen, groenstroken en beplanting; b. paden voor langzaam verkeer; c. speelvoorzieningen; d. straatmeubilair; e. nutsvoorzieningen; en f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 6.72 Algemene regels – activiteiten die betrekking hebben op watervoorzieningen
- Activiteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden voor watervoorzieningen zijn toegestaan.
- Onder het gebruik van gronden, zoals bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval het gebruik voor: a. waterlopen en waterpartijen; b. voorzieningen voor waterberging, wateraanvoer en waterafvoer, waaronder duikers; c. groenvoorzieningen en oevers; d. nutsvoorzieningen; en e. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf. Artikel 6.73 Algemene regels - activiteiten die betrekking hebben op parkeer- en verkeersvoorzieningen
- Activiteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden voor voorverkeersvoorzieningen zijn toegestaan.
- Onder het gebruik van gronden, zoals bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval het gebruik voor: a. wegen, woonstraten, paden voor langzaam verkeer en pleinen; b. parkeervoorzieningen; c. nutsvoorzieningen; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 6.74 Algemene regels - activiteiten die betrekking hebben op stationsvoorzieningen
- Activiteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden voor stationsvoorzieningen zijn toegestaan.
- Onder het gebruik van gronden, zoals bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval het gebruik behorende bij een treinstation: a. kaartverkoop; b. informatievoorzieningen; c. reizigersvoorzieningen. Artikel 6.75 Verbod Het is verboden om gebruiksactiviteiten in de openbare ruimte te verrichten indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.71 tot en met 6.
- Paragraaf 6.2.3.6 Gebruiksactiviteiten in het stationsgebied Bruisend Hart Subparagraaf 6.2.3.6.1 Gebruiksactiviteiten in het stationsgebouw Blok A Artikel 6.76 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten in het stationsgebouw binnen de locatie Blok A. Artikel 6.77 Algemene regels
- Activiteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden voor stationsvoorzieningen zijn toegestaan.
- Binnen de locatie Blok A is een stationsgebouw met bijbehorende voorzieningen alleen toegestaan op de begane grond en in de ondergrondse bouwlaag.
- Onder bijbehorende voorzieningen, als bedoeld in het tweede lid, worden verstaan: a. kaartverkoop; b. informatievoorzieningen; c. reizigersvoorzieningen; d. ondersteunende detailhandelsactiviteiten; e. ondersteunende horeca-activiteiten; en f. een fietsenstalling.
- Voor de bijbehorende voorzieningen, als bedoeld in het eerste lid, geldt een maximum oppervlak van 2.900m2 bvo. Artikel 6.78 Verbod Het is verboden om een stationsgebouw met bijbehorende voorzieningen binnen de locatie Blok A te realiseren, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.
- Subparagraaf 6.2.3.6.2 Gebruiksactiviteiten in de spoorreserveringszone Bruisend Hart Artikel 6.79 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen de locatie spoorreserveringszone Bruisend Hart. Artikel 6.80 Algemene regels Binnen de locatie spoorreserveringszone Bruisend Hart is uitsluitend het gebruik van gronden ten behoeve van railverkeer en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Artikel 6.81 Verbod Het is verboden om gebruiksactiviteiten binnen de locatie spoorreserveringszone Bruisend Hart te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.
- Paragraaf 6.2.3.7 Horeca-activiteiten Artikel 6.82 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op horeca-activiteiten binnen de locatie horeca Bruisend Hart. Artikel 6.83 Algemene regels
- Binnen de locatie horeca Bruisend Hart zijn horeca-activiteiten toegestaan.
- Binnen de locatie horeca Blok C is horeca alleen toegestaan op de begane grond en de eerste bouwlaag.
- De gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van horeca-activiteiten is niet hoger dan de bvo zoals aangegeven op de locatie maximum bvo horeca.
- Alleen horeca-activiteiten behorende tot de exploitatiecategorieën A, B of C zoals opgenomen in de Module horeca Bruisend Hart zijn toegestaan. Artikel 6.84 Verbod Het is verboden om horeca-activiteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.
- Paragraaf 6.2.3.8 Kantooractiviteiten Artikel 6.85 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op kantooractiviteiten binnen de locatie kantoor Bruisend Hart. Artikel 6.86 Algemene regels
- Binnen de locatie kantoor Bruisend Hart zijn kantooractiviteiten toegestaan.
- De oppervlakte van kantooractiviteiten en bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 2 tezamen bedraagt niet meer dan 3.800 m² bvo.
- Binnen de locatie Blok A zijn kantooractiviteiten alleen op bouwlaag 1 tot en met 7 toegestaan.
- Binnen de locatie Blok B bedrijf en kantoor vanaf tweede bouwlaag zijn kantooractiviteiten niet toegestaan op de begane grond en de eerste bouwlaag. Artikel 6.87 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning kantooractiviteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in 6.
- Artikel 6.88 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.87 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden uit dit artikel.
- De oppervlakte van bedrijven en kantoren tezamen bedraagt niet meer dan 6.000 m² bvo.
- Het bedrijf behoort tot ten hoogste milieucategorie 2 zoals opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten Bruisend Hart.
- Binnen de locatie Blok A zijn kantooractiviteiten alleen op bouwlaag 1 tot en met 7 toegestaan.
- Binnen de locatie Blok B bedrijf en kantoor vanaf tweede bouwlaag zijn kantooractiviteiten niet toegestaan op de begane grond en de eerste bouwlaag.
- Er is naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake van nadelige invloed op de afwikkeling van verkeer ten opzichte van hetgeen op basis van artikel 6.86 is toegestaan.
- Er is naar oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte ten opzichte van hetgeen op basis van artikel 6.86 is toegestaan. Paragraaf 6.2.3.9 Maatschappelijke activiteiten Artikel 6.89 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op maatschappelijke activiteiten binnen locatie maatschappelijk Bruisend Hart. Artikel 6.90 Algemene regels
- Binnen de locatie maatschappelijk Bruisend Hart zijn maatschappelijke activiteiten toegestaan.
- Maatschappelijke activiteiten zijn alleen op de begane grond en de eerste bouwlaag toegestaan.
- De oppervlakte van maatschappelijke activiteiten bedraagt maximaal 720 m² bvo. Artikel 6.91 Verbod Het is verboden om maatschappelijke activiteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.
- Paragraaf 6.2.3.10 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten Artikel 6.92 Toepassingsbereik
- De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op ondergeschikt gebruik bij een gebruiksactiviteit dat is toegestaan op een locatie, zoals bedoeld in deze afdeling met uitzondering van de gebruiksactiviteiten in de openbare ruimte, in blok A en bij de gebruiksactiviteit wonen.
- Alleen de in deze paragraaf genoemde onderschikte gebruiksactiviteiten zijn toegestaan. Artikel 6.93 Algemene regels - ondergeschikte horeca-activiteit Een ondergeschikte horeca-activiteit moet voldoen aan de volgende regels: a. de horeca-activiteit is ondergeschikt aan en samenhangend met de hoofdactiviteit; b. de oppervlakte van de horeca-activiteit is niet groter dan 30 % van de oppervlakte van de hoofdactiviteit; c. de openingstijden van de horeca-activiteit zijn gebonden aan de openingstijden van de hoofdactiviteit; en d. de uitstraling van de hoofdactiviteit blijft behouden. Artikel 6.94 Algemene regels - ondergeschikte detailhandelsactiviteit Ondergeschikte detailhandel moet voldoen aan de volgende regels: a. de detailhandelsactiviteit is ondergeschikt aan en samenhangend met de hoofdactiviteit; b. de oppervlakte van de detailhandelsactiviteit is niet groter dan 30 % van de oppervlakte van de hoofdactiviteit; en c. de uitstraling van de hoofdactiviteit blijft behouden. Artikel 6.95 Algemene regels - ondergeschikte kantooractiviteit Een ondergeschikte kantooractiviteit moet voldoen aan de volgende regels: a. de kantooractiviteit is ondergeschikt aan en samenhangend met de hoofdactiviteit; b. de oppervlakte van een kantooractiviteit is niet groter dan 30% van de oppervlakte van de hoofdactiviteit; en c. de uitstraling van de hoofdactiviteit blijft behouden. Artikel 6.96 Verbod Het is verboden om ondergeschikte gebruiksactiviteiten te verrichten, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.92 tot en met 6.
- Paragraaf 6.2.3.11 Wonen Subparagraaf 6.2.3.11.1 Wonen Artikel 6.97 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op wonen in een woning, waaronder ook inwoning wordt verstaan, binnen de locatie wonen Bruisend Hart. Artikel 6.98 Algemene regels - wonen
- Wonen in een woning is alleen toegestaan binnen de locatie wonen Bruisend Hart.
- In afwijking van het eerste lid geldt dat wonen binnen de locatie Blok A alleen is toegestaan vanaf de eerste bouwlaag en hoger.
- In afwijking van het eerste lid geldt dat wonen binnen de locatie Blok B wonen vanaf eerste bouwlaag alleen is toegestaan vanaf de eerste bouwlaag en hoger.
- In afwijking van het eerste lid geldt dat wonen binnen de locatie Blok C minus binnenterrein alleen is toegestaan vanaf de eerste bouwlaag en hoger.
- Voor de toepassing van de regels uit deze subparagraaf geldt als één huishouden ook een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning of onzelfstandige woonruimte woont of in een gebouw dat bij de woning of onzelfstandige woonruimte hoort.
- In een woning of onzelfstandige woonruimte woont slechts één huishouden.
- Een woning of onzelfstandige woonruimte wordt niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. Artikel 6.99 Algemene regels - inwoning
- De hoofdbewoner heeft de woning als feitelijk hoofdverblijf.
- De hoofdbewoner bewoont minimaal 75% van de woning zelf.
- Er woont maximaal één huishouden naast het huishouden van de bewoner.
- Het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om inwoning in verband met mantelzorg. Artikel 6.100 Verbod Het is verboden om te wonen in een woning indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikelen 6.98 en 6.
- Subparagraaf 6.2.3.11.2 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen Artikel 6.101 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Artikel 6.102 Algemene regels
- Een beroep of bedrijf aan huis wordt door de hoofdbewoner van de woning of onzelfstandige woonruimte zelf uitgeoefend.
- De oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 50 m² met een maximum van 33% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken.
- Bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis worden geen horeca-activiteiten of detailhandelsactiviteiten verricht. Artikel 6.103 Verbod Het is verboden om een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen als niet wordt voldaan aan de het bepaalde in artikel 6.
- Artikel 6.104 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen met een extra medewerker naast de hoofdbewoner. Artikel 6.105 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor het laten uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis door een extra medewerker naast de hoofdbewoner als bedoeld in artikel 6.104 wordt alleen verleend als: a. het parkeren op eigen terrein wordt opgelost; en b. de activiteit zowel naar aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doet aan het karakter van de woning. Subparagraaf 6.2.3.11.3 Woningsplitsing Artikel 6.106 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op woningsplitsing. Artikel 6.107 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te splitsen. Artikel 6.108 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.107, wordt verleend als het voormalig samengevoegde woningen betreft.
- In afwijking van het eerste lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend als: a. Geen afbreuk wordt gedaan aan:
- het woon- en leefklimaat;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de cultuurhistorische waarden; en
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. b. voldaan wordt aan de parkeernormen zoals verwoord in de beleidsregel 'Parkeernormen Hilversum 2023' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; c. de splitsing voldoet aan de regels over het maximum aantal toegestane woningen op de betreffende locatie elders geregeld in dit omgevingsplan; d. het geen bedrijfswoning betreft.
- Bij de toets of wordt voldaan aan het tweede lid, aanhef en onder a, wordt nader invulling gegeven op basis van beleidsregel 'Woningsplitsing, verkamering en transformatie 2023' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Subparagraaf 6.2.3.11.4 Samenvoegen bestaande woningen Artikel 6.109 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het samenvoegen van bestaande woningen. Artikel 6.110 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning bestaande woningen samen te voegen. Artikel 6.111 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor het samenvoegen van bestaande woningen wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Het betreft voormalig gesplitste woningen.
- De samenvoeging komt ten goede aan de kwaliteit van de uiteindelijke woning.
- De samenvoeging betreft geen sociale huur- of koopwoningen of middenhuur woningen. Subparagraaf 6.2.3.11.5 Verkamering Artikel 6.112 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het wijzigen van woonruimte voor verkamering. Artikel 6.113 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te verkameren. Artikel 6.114 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor het wijzigen van woonruimte voor verkamering wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Geen afbreuk wordt gedaan aan: a. het woon- en leefklimaat; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de cultuurhistorische waarden; en e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
- Het betreft geen bedrijfswoning.
- De verkamering voldoet aan de regels over het maximum aantal toegestane woningen op de betreffende locatie zoals geregeld in artikel 6.32 eerste t/m derde lid.
- Bij de toets of wordt voldaan aan het tweede lid, aanhef en onder a wordt nader invulling gegeven op basis van beleidsregel 'Woningsplitsing, verkamering en transformatie 2023' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Afdeling 6.2.4 Beperkingengebieden en beschermingsgebieden Paragraaf 6.2.4.
Artikel 6.115 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a.
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen van archeologische waarden; e. het waarborgen van de veiligheid. Paragraaf 6.2.4.2 Activiteiten in een gebied met archeologische waarden 1 (Oude Dorpskern – Hoog) Artikel 6.116 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de volgende grondwerkzaamheden en bouwactiviteiten binnen het beperkingengebied archeologische waarden 1: a. het bouwen van bouwwerken waarvoor werkzaamheden beneden het maaiveld plaatsvinden, dan wel beneden de waterbodem; b. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; c. het uitvoeren van grondbewerkingen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen of het rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen waarbij de stobben worden verwijderd; e. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; f. het verlagen en verhogen van het waterpeil; en g. het slopen van bouwwerken, waaronder werkzaamheden beneden het maaiveld plaatsvinden, dan wel beneden de waterbodem. Artikel 6.117 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteiten als bedoeld in artikel 6.116 te verrichten indien de activiteiten uitgevoerd worden op een plangebied dat groter is dan 25 m² en de activiteit die verricht wordt dieper reikt dan 30 cm beneden het maaiveld.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor activiteiten die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud; b. op activiteiten die uit het oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; of d. als uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden. Artikel 6.118 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden een vroegtijdig inventariserend en de nadere aanvullende onderzoeksrapporten die daaruit volgen overlegd. Artikel 6.119 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.117 wordt verleend als: a. er op de plaats van de uit te voeren activiteiten geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het belang van de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad; of c. de archeologische waarden kunnen worden behouden door voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning. Artikel 6.120 Advies deskundige archeologie Het bevoegd gezag wint voorafgaand het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de deskundige inzake archeologie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.
- Artikel 6.121 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. Paragraaf 6.2.4.3 Vervoer gevaarlijke stoffen Artikel 6.122 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen danwel het als zodanig gebruiken van gebouwen binnen het beperkingengebied vervoer gevaarlijke stoffen Bruisend Hart. Artikel 6.123 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Eventueel in afwijking van het overige bepaalde in deze titel is het binnen het beperkingengebied vervoer gevaarlijke stoffen Bruisend Hart niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning nieuwe zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen te bouwen danwel het gebruik binnen bestaande gebouwen te wijzigen naar zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen. Artikel 6.124 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen als bedoeld in artikel 6.123 wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- De veiligheid van personen en goederen is in voldoende mate geborgd.
- Indien het uit een onderzoek blijkt dat maatregelen noodzakelijk zijn, dienen deze maatregelen te worden getroffen en in stand te worden gehouden. Artikel 6.125 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.123 worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Een rapport van een (externe veiligheids-)milieudeskundige waarin wordt aangetoond dat de veiligheid van personen en goederen in voldoende mate is geborgd (eventueel door het treffen van veiligheidsmaatregelen). Artikel 6.126 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden: a. indien die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen; b. in afwijking van het overige bepaalde in deze titel, ten behoeve van het treffen van gebouwde maatregelen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen. Paragraaf 6.2.4.4 Trillinggevoelig gebouw toevoegen Artikel 6.127 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw binnen het beperkingengebied trillingen Bruisend Hart.
- In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. Artikel 6.128 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen In afwijking van het overige bepaalde in deze titel is het binnen het beperkingengebied trillingen Bruisend Hart niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning nieuwe trillinggevoelige gebouwen toe te voegen. Artikel 6.129 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning voor het toevoegen van trillinggevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 6.128 wordt alleen verleend als aan de voorwaarden uit alle leden van dit artikel wordt voldaan.
- Trillingen door spoorverkeer in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen dienen aanvaardbaar te zijn.
- Er is sprake van een aanvaardbaar trillingenniveau als voldaan wordt aan de standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen, zoals bedoeld in de Richtlijn deel B "Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn" van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus
- Als aanvaardbare waarden voor de toelaatbare herhaald voorkomende trillingen door spoorverkeer in trillinggevoelige ruimten gelden de waarden genoemd onder A2 (Vmax) en A3 (Vper) in onderstaande tabel:
- Op het bepalen van de trillingen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
- Indien uit onderzoek blijkt dat maatregelen noodzakelijk zijn, dienen deze maatregelen te worden getroffen en in stand te worden gehouden. Artikel 6.130 Aanvullende beoordelingsregels
- In afwijking van het bepaalde in artikel 6.129, vierde lid zijn alleen hogere waarden toegestaan als: a. die waarden niet hoger zijn dan de grenswaarden, vermenigvuldigd met de factor 2; en b. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
- Op het bepalen van de trillingen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
- Indien uit onderzoek blijkt dat maatregelen noodzakelijk zijn, dienen deze maatregelen te worden getroffen en in stand te worden gehouden. Artikel 6.131 Aanvullende aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.128 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een trillingsonderzoek waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan het bepaalde artikel 6.129, danwel artikel 6.130 al dan niet door middel van het treffen van maatregelen. Artikel 6.132 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden: a. indien die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van het tegengaan van trillingshinder; b. in afwijking van het overige bepaalde in deze titel, ten behoeve van het treffen van gebouwde maatregelen die noodzakelijk zijn voor het tegengaan van trillingshinder. Afdeling 6.2.5 Financiële bepalingen Paragraaf 6.2.5.1 Algemene kostenverhaalsregels Artikel 6.133 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over het verhalen van kosten in relatie tot investeringen in de publieke voorzieningen. Artikel 6.134 Kostenverhaalsgebied De regels in deze afdeling zijn van toepassing op de locatie Bruisend Hart. Artikel 6.135 Specifieke aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking Bij de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een lijst met soort en aantal kostenverhaalsplichtige activiteiten die zullen worden uitgevoerd; b. de locatie waar deze activiteiten worden uitgevoerd; c. een opgave van de kosten van zelf verrichte werkzaamheden blijkend uit facturen. De opgave wordt ingedeeld volgens de voor het kostenverhaalsgebied vastgestelde lijst met werken, werkzaamheden en maatregelen. Artikel 6.136 Aanspraak op vergoeding kosten inrichting openbare ruimte
- Degene die in het omgevingsplan als openbaar gebied aangewezen locaties inricht als openbare ruimte kan verzoeken om een vergoeding voor de kosten van die inrichting voor zover die kosten niet reeds in mindering zijn gebracht op de kostenverhaalsbijdrage in de kostenverhaalsbeschikking.
- De vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. het bevoegd gezag de oplevering van de ingerichte openbare ruimte niet heeft goedgekeurd; en b. tussen het bevoegd gezag en aanvrager geen overeenkomst tot stand is gekomen over het beheer of de koop en verkoop van de grond van die openbare ruimte. Artikel 6.137 Methode raming inbrengwaarden Bij de raming van de kosten per kostenverhaalsgebied wordt in dit omgevingsplan voor de inbrengwaarde toepassing gegeven aan: a. voor de gronden waarvoor een WOZ-waarde bekend is: artikel 8.17, eerste lid, onder b van het Omgevingsbesluit. Artikel 6.138 Behandeltermijn en tijdstip indiening verzoek om eindafrekening Burgemeester en wethouders stellen eindafrekeningen op verzoek, als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet, eenmaal per jaar vast uiterlijk op 15 december. Verzoeken om een eindafrekening dienen tenminste 8 weken voor die datum te worden ingediend. Artikel 6.139 Eindafrekening
- Binnen 12 weken na uitvoering van voor de in het kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.
- De kostenverhaalsregel blijft van kracht totdat deze is ingetrokken. Wanneer na het moment van eindafrekening nog niet voor alle bouwactiviteiten kostenverhaalsbeschikkingen zijn aangevraagd, maar daarna worden aangevraagd, wordt de verschuldigde geldsom geacht samen te vallen met het bedrag van de in het derde lid bedoelde herberekening op het in het eerste lid bedoelde moment. Het besluit tot eindafrekening houdt in die gevallen in dat er geen sprake is van een terugbetaling.
- Bij de eindafrekening wordt de kostenverhaalsbijdrage, zoals betaald op basis van de kostenverhaalsbeschikking, herberekend op grond van de totale werkelijk gerealiseerde kosten na uitvoering van de voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen. Ingeval van terugbetaling wordt 1,2% rente gerekend over het terug te betalen bedrag.
- Bij de eindafrekening wordt uitgegaan van de eenheden en relatieve gewichten die zijn gehanteerd bij de kostenverhaalsbeschikking.
- Bij de eindafrekening wordt een vergelijking gemaakt tussen enerzijds het programma aan bouwactiviteiten zoals dat in het omgevingsplan was opgenomen ten tijde van de eindafrekening en anderzijds het programma aan bouwactiviteiten zoals dat gehanteerd is bij het verlenen van de kostenverhaalsbeschikking. Artikel 6.140 Aanvraagvereisten verzoek om eindafrekening Bij het verzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking; b. een opgave van de kosten van zelf verrichte werkzaamheden blijkend uit facturen; c. de opgave wordt ingedeeld volgens de voor het kostenverhaalsgebied vastgestelde lijst met werken, werkzaamheden en maatregelen; d. een bewijs dat verzoeker recht heeft op de terugbetaling, als een ander dan degene namens wie betaald is, het verzoek doet; e. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker. Artikel 6.141 Tijdvak voor het kostenverhaal Voor het kostenverhaalsgebied geldt een tijdvak van een periode van elf jaren, welk tijdvak ingaat op de prijspeildatum van 1 januari
- Artikel 6.142 Opbrengsten
- De opbrengsten worden geraamd op het bedrag conform de tabel in het tweede lid.
- Tabel 1: grondopbrengsten
- Per eigendom zijn de opbrengsten verdeeld conform de tabel in het vierde lid.
- Tabel 2: grondopbrengsten per eigendom Artikel 6.143 Inbrengwaarde van gronden en te slopen opstallen
- De inbrengwaarden van de gronden met de daarop eventueel te slopen opstallen in het kostenverhaalsgebied zijn geraamd op de bedragen zoals opgenomen de tabel in het tweede lid in de onderdelen: a. waarde van gronden en te slopen opstallen; b. kosten vrijmaken van rechten, etc.; c. kosten van sloop en verwijdering/verplaatsing opstallen, obstakel.
- Tabel 3 : inbrengwaarden gronden, te slopen opstallen en sloopkosten Eigenaren op 1 januari 2025 Gemeente Hilversum
- Onderdeel d, als bedoeld in de definitie van inbrengwaarde is verdisconteerd in de raming zoals opgenomen in dit artikel. Artikel 6.144 Overige kosten waaronder bovenwijkse kosten
- Voor de kosten van de werken, werkzaamheden en maatregelen zijn de bedragen geraamd als opgenomen in de tabel in het tweede lid na de post inbrengwaarde, en zijn de bovenwijkse kosten toegerekend conform deze tabel.
- Tabel 4: overige kosten incl bovenwijkse kosten Artikel 6.145 Parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten
- Voor het toerekenen van rente, discontering en indexering van de kosten en opbrengsten zijn de parameters gehanteerd, uitgaande van een prijspeil van 1 januari 2024 en een einde van het in artikel 6.141 bedoelde tijdvak op 31 december 2034, alles conform de tabel in het tweede lid.
- Tabel 5: parameters Artikel 6.146 Fasering, parameters en contante kosten en opbrengsten
- Met toepassing van de kosten- en opbrengstenparameters als bedoeld in 6.145 zijn de kosten en opbrengsten in de tijd uitgezet en contant gemaakt. De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend aan de hand van de contant gemaakte kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de tabellen in het tweede lid.
- Tabel 6: contante kosten Tabel 7: contante opbrengsten per categorie Tabel 8: contante opbrengsten per eigenaar Eigenaren op 1 januari 2025 Gemeente Hilversum Artikel 6.147 Verhaalbare kosten na toepassing macro-aftoppingstoets
- Het bedrag aan totaal te verhalen kosten na toepassing van de macro-aftopping bedraagt € 9.794.892,00 berekend door het totale niveau van de contant gemaakte kosten te nemen na aftrek van subsidie, als overige opbrengstpost, en het totale niveau van de contant gemaakte kosten, alles conform de tabel in het tweede lid.
- Tabel 9: verhaalbare kosten Artikel 6.148 Verdeling van de verhaalbare kosten over de activiteiten
- De bruto kostenverhaalsbijdrage in de kostenverhaalsbeschikking wordt berekend volgens de tabel in het tweede lid, voor de daarin genoemde categorieën van de linker kolom, op het bedrag per eenheid (woning als m²), zoals in de rechter kolom 'Bruto kostenbijdrage per eenheid’ is weergeven.
- Tabel 10: bruto bijdrage per categorie Paragraaf 6.2.5.2 Financiële bijdragen voor kostenverhaalsgebied Bruisend Hart Artikel 6.149 Financiële bijdrage Voor dit kostenverhaalsgebied is sprake van macro-aftopping. Hierdoor kunnen er voor dit kostenverhaalsgebied geen financiële bijdrage worden geëffectueerd. Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 Activiteiten Afdeling 22.1 Algemeen Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
- Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
- Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen Paragraaf 22.2.
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
- Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
- Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
- De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
- Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
- Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
- De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
- Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
- Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
- De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
- Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
- Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
- de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
- geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
- Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
- Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
- Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- gelegen in achtererfgebied;
- op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
- niet hoger dan 5 m;
- de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
- niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- niet hoger dan 5 m; en
- de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
- voorzien van een plat dak;
- gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
- onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
- bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
- zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- niet hoger dan 4 m; en
- alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
- op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
- achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
- een silo; of
- een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
- geen uitbreiding van het bouwvolume; en
- geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
- Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
- Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
- de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
- bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
- De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
- Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
- Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
- In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
- In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
- In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
- Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
- het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
- tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
- principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
- kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
- een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
- de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
- als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
- voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
- voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
- de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
- uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
- Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
- artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
- artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 22.3.
Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik 1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
- Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
- dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
- dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
- waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
- Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
- Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
- Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
- het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
- het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
- een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 N