← Nederland

Omgevingsplan gemeente Arnhem (Arnhem)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Arnhem regelt hoe de fysieke leefomgeving mag worden gebruikt en bebouwd, met een sterke focus op de bescherming van archeologische waarden en geomorfologische leemlagen. Het stelt regels vast voor bouw-, werk-, kap- en sloopactiviteiten.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)Artikel 1Artikel 5Artikel 10Artikel 22

act/gemeente/2024/CVDR696216 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0202/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-02-04 2026-02-04 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696216/nld@2026-03-04 /join/id/proc

Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  1. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
  2. Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 1 tot en met 21 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Gereserveerd Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Gereserveerd Afdeling 3.2 Waarden Artikel 3.1 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd)
  3. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd) zijn archeologisch waardevolle gebieden met de functie archeologisch rijksmonument .
  4. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een rijksbeschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen.
  5. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.2 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd UNESCO)
  6. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) zijn archeologisch waardevolle gebieden die universele waarde van werelderfgoed vertegenwoordigen.
  7. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied als UNESCO werelderfgoed met bekende archeologische vindplaatsen.
  8. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.3 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, gemeentelijk beschermd)
  9. De gronden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) hebben de functie gemeentelijk archeologische monument.
  10. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gemeentelijk beschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen.
  11. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.4 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, begraafplaats)
  12. De gronden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) zijn archeologisch waardevolle gebieden.
  13. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied in de vorm van een historische begraafplaats met bekende archeologische vindplaatsen.
  14. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.5 Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied)
  15. De gronden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied zijn archeologisch waardevolle gebieden.
  16. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen.
  17. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.6 Waarde – Archeologie (hoge verwachting)
  18. De gronden met de waarde Archeologie - Hoge verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting zijn gebieden met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen.
  19. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen.
  20. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.7 Waarde – Archeologie (middelhoge verwachting)
  21. De gronden met de waarde Archeologie - Middelhoge verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting zijn gebieden met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen.
  22. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen.
  23. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.8 Waarde – Archeologie (lage verwachting)
  24. De gronden met de waarde Archeologie - Lage verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting zijn gebieden met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen.
  25. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen.
  26. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.9 Waarde - Archeologie (overige gebieden - opgehoogd terrein)
  27. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - opgehoogd terrein met werkingsgebied waarde Archeologie - overige gebieden - opgehoogd terrein zijn opgehoogd.
  28. Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het opgehoogd zijn van het terrein. Artikel 3.10 Waarde - Archeologie (overige gebieden - vergraven/afgegraven)
  29. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - vergraven/afgegraven met werkingsgebied waarde Archeologie - overige gebieden - vergraven/afgegraven zijn vergraven of afgegraven.
  30. Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het vergraven en het afgegraven zijn van het terrein. Artikel 3.11 Waarde - Geomorfologie leemlagen (1,5 m-mv)
  31. Op de gronden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m kunnen zich leemlagen op een diepte van 1,5 meter beneden maaiveld bevinden.
  32. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken.
  33. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Artikel 3.12 Waarde - Geomorfologie leemlagen (3,0 m-mv)
  34. Op de gronden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m kunnen zich leemlagen op een diepte van 3,0 meter beneden maaiveld bevinden.
  35. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken.
  36. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Artikel 3.13 Waarde - Geomorfologie leemlagen (4,0 m-mv)
  37. Op de gronden met waarde Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m kunnen zich leemlagen op een diepte van 4,0 meter beneden maaiveld bevinden.
  38. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken.
  39. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Afdeling 3.3 Gereserveerd Hoofdstuk 4 Gereserveerd Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten Afdeling 5.

Artikel 5

.1 Bouwactiviteiten algemeen Indien op een locatie meerdere bouwregels van toepassing zijn, moet bij het bouwen worden voldaan aan alle ter plaatse geldende bouwregels. Artikel 5.2 Bouwactiviteiten indien toegestaan Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze activiteiten expliciet in de regels van dit omgevingsplan worden toegestaan. Artikel 5.3 Bouwactiviteiten uitsluitend passend binnen de functie/activiteit Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de toegestane activiteiten zoals omschreven in dit omgevingsplan. Afdeling 5.2 Gereserveerd Afdeling 5.3 Gereserveerd Afdeling 5.4 Vergunningsplicht - omgevingsplanactiviteit Artikel 5.4 Bouwactiviteit - vergunningsplicht

  1. GERESERVEERD
  2. Het verbod als bedoeld in artikel 22.26 geldt niet voor bouwactiviteiten als genoemd onder: a. afdeling 5.2; b. paragraaf 7.2.1; c. artikel 22.27; d. artikel 22.
  3. Afdeling 5.5 Gereserveerd Afdeling 5.6 Beoordelingsregels Paragraaf 5.6.1 Algemene beoordelingsregels Artikel 5.5 Algemene bouwregels Een omgevingsvergunning voor bouwen kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan: a. het tijdelijk deel van het omgevingsplan; en b. de algemene bouwregels uit afdeling 5.1; en c. de beoordelingsregels uit afdeling 5.6; en d. de beoordelingsregels uit paragraaf 7.2.3; en e. de beoordelingsregels uit paragraaf 8.2.
  4. Hoofdstuk 6 Overige activiteiten Afdeling 6.1 Werken en werkzaamhedenactiviteiten Artikel 6.1 Verrichten van werken en werkzaamhedenactiviteiten - vergunningsplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.3; b. afdeling 8.3; c. het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afdeling 6.2 Kapactiviteiten Artikel 6.2 Kapactiviteit - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kapactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.3; b. het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afdeling 6.3 Sloopactiviteiten Artikel 6.3 Sloopactiviteit - vergunningsplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.
  5. Hoofdstuk 7 Thema Archeologie Afdeling 7.1 Algemene regels Archeologie Artikel 7.1 Voorrangsregels archeologie De regels over archeologie, die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing. Artikel 7.2 Archeologie - specifieke zorgplicht Degene die ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) of waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van archeologische waarden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Afdeling 7.2 Bouwactiviteiten Archeologie Paragraaf 7.2.1 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.3 Bouwactiviteiten ten behoeve van archeologisch onderzoek Een overig bouwwerk (bouwwerk, geen gebouw zijnde) dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is, is toestemmingsvrij. Paragraaf 7.2.2 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten indien passend binnen regels omgevingsplan - Archeologie Artikel 7.4 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd), en waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 0 m2, b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.5 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied; alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 30 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.6 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met hoge archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 200 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.7 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met middelhoge archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 500 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.8 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met lage archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 5.000 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Paragraaf 7.2.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.9 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats Ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
  6. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
  7. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 0 m2 bedraagt; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
  8. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  9. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  10. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  11. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  12. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  13. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  14. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  15. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  16. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.10 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
  17. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
  18. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 30 m2 bedraagt; of
  19. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 30 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
  20. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  21. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  22. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  23. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  24. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  25. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  26. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  27. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  28. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.11 Bouwactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
  29. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
  30. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 200 m2 bedraagt; of
  31. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 200 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
  32. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  33. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  34. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  35. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  36. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  37. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  38. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  39. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  40. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.12 Bouwactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
  41. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
  42. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 500 m2 bedraagt; of
  43. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 500 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
  44. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  45. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  46. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  47. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  48. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  49. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  50. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  51. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  52. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.13 Bouwactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft:
  53. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of
  54. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 5.000 m2 bedraagt; of
  55. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 5.000 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
  56. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  57. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  58. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  59. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  60. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  61. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  62. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  63. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  64. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.14 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke aanvraagvereisten
  65. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in deze paragraaf, paragraaf 7.2.3, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  66. een bureauonderzoek;
  67. zo nodig een booronderzoek; en
  68. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; b. funderingstekeningen; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek; e. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  69. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Paragraaf 7.2.4 Maatwerkvoorschriften bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.15 Maatwerkvoorschrift archeologische waarden Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van de instandhouding en versterking van archeologische kwaliteiten. Afdeling 7.3 Werken en werkzaamhedenactiviteiten en kapactiviteiten Archeologie Artikel 7.16 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats
  70. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
  71. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 0 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 0 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het omgevingsplan; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.17 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied
  72. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
  73. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 30 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 30 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.18 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting
  74. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
  75. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 200 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 200 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.19 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting
  76. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
  77. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 500 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 500 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.20 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting
  78. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.
  79. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 5.000 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 5.000 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.21 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - beoordelingsregel De omgevingsvergunning, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.3, wordt verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
  80. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  81. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  82. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  83. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  84. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  85. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  86. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  87. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verboden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
  88. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.22 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke indieningsvereisten
  89. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken en werkzaamhedenactiviteiten waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 7.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
  90. de omvang in vierkante meters; en
  91. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  92. een bureauonderzoek;
  93. zo nodig een booronderzoek; en
  94. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; e. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en f. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en g. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  95. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Afdeling 7.4 Sloopactiviteiten Archeologie Artikel 7.23 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats
  96. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is van toepassing ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats).
  97. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 0 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.24 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied
  98. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiiteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
  99. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 30 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.25 Sloopactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting
  100. Het verbod m zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
  101. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 200 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.26 Sloopactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting
  102. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
  103. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.27 Sloopactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting
  104. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.
  105. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 5.000 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.28 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - beoordelingsregel De omgevingsvergunning om een sloopactiviteit te verrichten, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.4, wordt verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of b. mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op:
  106. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  107. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
  108. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
  109. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
  110. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
  111. het vooraf melden van de start van werkzaamheden;
  112. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  113. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verboden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
  114. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen; c. voorschriften kunnen worden gesteld over de wijze van slopen. Artikel 7.29 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke indieningsvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.4, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; en b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen. Hoofdstuk 8 Thema Geomorfologie / Leemlagen Afdeling 8.1 Algemene regels Leemlagen Artikel 8.1 Voorrangsregels leemlagen De regels over leemlagen , die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing. Artikel 8.2 Onderzoek ten behoeve van leemlagen - meldingsplicht
  115. Het is verboden een hydro-geomorfologisch onderzoek uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  116. Een melding bevat een plan van aanpak voor het onderzoek.
  117. Een hydro-geomorfologisch onderzoek moet voldoen aan de volgende eisen: a. het onderzoek moet direct wordt gestaakt indien grondwater of leemlagen wordt aangetroffen; b. het onderzoek mag niet van destructieve aard zijn; c. het onderzoek mag aangetroffen leemlagen niet beschadigen of aantasten. Afdeling 8.2 Bouwactiviteiten Leemlagen Paragraaf 8.2.1 Beoordelingsregels bouwactiviteiten - Leemlagen Artikel 8.3 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.4 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 3,0 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.5 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 4,0 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.6 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - specifieke aanvraagvereisten
  118. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in deze paragraaf, paragraaf 8.2.1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de hydro-geomorfologischewaarden van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  119. een bureauonderzoek; en
  120. zo nodig een veldonderzoek; b. funderingstekeningen.
  121. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de hydro-geomorfologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Paragraaf 8.2.2 Maatwerkvoorschriften bouwactiviteiten - Leemlagen Artikel 8.7 Maatwerkvoorschrift aardkundige waarden Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van de instandhouding van hydro-geomorfologische waarden. Afdeling 8.3 Werken en werkzaamhedenactiviteiten Leemlagen Artikel 8.8 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv
  122. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden.
  123. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.9 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv
  124. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden.
  125. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.10 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv
  126. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden.
  127. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.11 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - beoordelingsregel De omgevingsvergunning, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 8.3, wordt verleend indien: a. met onderzoek kan worden aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of b. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of c. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.12 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - specifieke aanvraagvereisten
  128. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken en werkzaamhedenactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 8.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
  129. de omvang in vierkante meters; en
  130. de diepte ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen (boorprofielen conform NEN 5104) met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de hydro-geomorfologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  131. een bureauonderzoek; en
  132. zo nodig een veldonderzoek; e. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek.
  133. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de hydro-geomorfologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Afdeling 8.4 Sloopactiviteiten Leemlagen Artikel 8.13 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv - meldingsplicht
  134. Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  135. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.14 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv - meldingsplicht
  136. Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  137. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.15 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv - meldingsplicht
  138. Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  139. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Hoofdstuk 9 Gereserveerd Hoofdstuk 10 Activiteiten met betrekking tot transformatiegebieden Afdeling 10.1 Algemene bepalingen Paragraaf 10.1.1 Aanwijzing transformatiegebieden Artikel 10.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op locatie Transformatiegebieden Arnhem. Artikel 10.2 Voorrangsbepaling transformatiegebieden De regels in het tijdelijk deel omgevingsplan en bruidsschat die in strijd zijn met dit hoofdstuk zijn niet van toepassing binnen transformatiegebieden. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. Artikel 10.3 Transformatiegebied Bartok Park Zuid De locatie ‘Transformatiegebied Bartok Park Zuid ’ is aangewezen als ontwikkelgebied, waarbij het gebied wordt getransformeerd naar een woongebied met een openbare fietsenstalling. Artikel 10.4 Transformatiegebied Bartok Park Noord De locatie 'Transformatiegebied Bartok Park Noord' is aangewezen als ontwikkelgebied, waarbij het gebied wordt getransformeerd naar een gemengd gebied met mogelijkheden tot een woonfunctie, culturele functie en tuinfunctie. Paragraaf 10.1.2 Aanwijzingen in fysieke leefomgeving in transformatiegebieden Subparagraaf 10.1.2.1 Functies Artikel 10.5 Functie wonen transformatiegebied Er is een functie Wonen tranformatiegebied. Artikel 10.6 Functie verblijfsgebied transformatiegebied Er is een functie Verblijfsgebied transformatiegebied. Artikel 10.7 Functie nutsvoorziening transformatiegebied Er is een functie Nutsvoorziening transformatiegebied. Artikel 10.8 Functie tuin transformatiegebied Er is een functie Tuin transformatiegebied. Subparagraaf 10.1.2.2 Waarden Subsubparagraaf 10.1.2.2.1 Beschermd stadsgezicht Binnenstad en singels transformatiegebied Artikel 10.9 Waarde gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied Er is een waarde Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied. Artikel 10.10 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen de locatie Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied. Artikel 10.11 Oogmerk Deze regels uit deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. Het beschermen van het beschermde stadsgezicht Binnenstad en singels Artikel 10.12 Maatwerkvoorschrift Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de bouwactiviteiten binnen een Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels transformatiegebied. Afdeling 10.2 Standaardbepalingen in transformatiegebieden Paragraaf 10.2.

Artikel 10

.13 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten binnen Transformatiegebieden Arnhem. Paragraaf 10.2.2 Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 10.2.2.1 Algemene bepalingen Artikel 10.14 Algemene regels over gebruiksactiviteiten binnen transformatiegebieden

  1. Deze paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen een transformatiegebied.
  2. Het gebruik van gronden en bouwwerken voor andere gebruiksactiviteiten dan die zijn geregeld in hoofdstuk 10 zijn verboden.
  3. De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. groen- en watervoorzieningen b. overige voorzieningen en bijbehorende activiteiten, die qua aard, oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit, zoals nutsvoorzieningen, fitnessvoorzieningen en kinderopvang ten behoeve van de hoofdactiviteit. Hieronder worden geen ondergeschikte horeca, niet zijnde bedrijfskantines, en detailhandel verstaan Subparagraaf 10.2.2.2 Gebruiksactiviteit cultuur Artikel 10.15 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit cultuur Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van culturele functies, zoals expositieruimten, ateliers, muziek- en kunstonderwijs en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, met uitzondering van musea, muziektheaters, bioscopen en naar aard vergelijkbare voorzieningen, in transformatiegebieden. Artikel 10.16 Algemene regels: locaties voor culturele functies exploiteren toegestaan Binnen transformatiegebieden is het exploiteren van culturele functies uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Cultuur transformatiegebied - toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.3 Gebruiksactiviteit nutsvoorziening Artikel 10.17 Toepassingsbereik
  4. Deze subparagraaf is van toepassing op de het gebruiken van een nutsvoorziening binnen transformatiegebieden.
  5. Deze subparagraaf is niet toepassing op ondergeschikte nutsvoorzieningen bedoeld in derde lid van artikel 10.
  6. Artikel 10.18 Algemene regels: locaties voor nutsvoorziening toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruik van nutsvoorzieningen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Nutsvoorziening transformatiegebied - toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.4 Gebruiksactiviteit tuin Artikel 10.19 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit tuin
  7. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van een tuin binnen transformatiegebieden.
  8. Deze subparagraaf is niet toepassing op het gebruik als tuin bedoeld in derde lid van artikel 10.
  9. Artikel 10.20 Algemene regels: locaties voor tuin gebruiken toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruik als tuin uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Tuin transformatiegebied - toegestaan. Subparagraaf 10.2.2.5 Gebruiksactiviteit verblijfsgebied Artikel 10.21 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit verblijfsgebied Deze subparagraaf is van toepassing op de activiteiten verrichten binnen de locatie Verblijfsgebied transformatiegebied. Artikel 10.22 Algemene regels: locaties voor verblijfsgebied toegestaan Binnen transformatiegebieden zijn activiteiten binnen de functie Verblijfsgebied transformatiegebied toegestaan indien het gaat om aanleg, bouw, gebruik en instandhouding van de volgende voorzieningen: a. ten behoeve van bestemmingsverkeer en verblijfsfuncties; b. aanleg, beheer, onderhoud en gebruik van fiets- en wandelpaden, straatmeubilair en speelvoorzieningen; c. voorzieningen voor het openbaar vervoer, zoals busstations; d. terrassen; e. nutsvoorzieningen; f. onderdoorgangen, alsmede toegangen tot ondergrondse voorzieningen ten behoeve van direct aangrenzende functies en activiteiten. Subparagraaf 10.2.2.6 Gebruiksactiviteit wonen Artikel 10.23 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit wonen Deze subparagraaf is van toepassing op de locatie Wonen tranformatiegebied. Artikel 10.24 Algemene regels: locaties voor garagebox toegestaan Binnen transformatiegebieden is het gebruik van een garagebox ten behoeve van het stallen van vervoersmiddelen of de opslag van goederen toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Garagebox gebruiken transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.25 Algemene regels: locaties voor wonen toegestaan Binnen transformatiegebieden is wonen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie activiteit Wonen transformatiegebied - toegestaan. Artikel 10.26 Algemene regels: wonen Voor wonen gelden de volgende regels: a. beroep aan huis is toegestaan, waaronder mede begrepen bed and breakfast, mits:
  10. dit maximaal 33% van het vloeroppervlakte van de woning betreft; en
  11. dit door de bewoner wordt uitgeoefend; en
  12. dit geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse of een onevenredige parkeerdruk tot gevolg heeft; en
  13. het geen detailhandel, internetverkoop hiervan uitgezonderd, prostitutie of horeca betreft. b. onder wonen wordt niet begrepen:
  14. bewoning van woonwagens of woonschepen;
  15. het bewonen, of laten bewonen, van een kamergewijze bewoning door meer dan één persoon per 18 m2 gebruiksoppervlakte;
  16. het verschaffen van kortdurend verblijf van maximaal 3 maanden, te vergelijken met logies, al dan niet als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden aan werknemers in een kamergewijze bewoning;
  17. het gebruik van bijgebouwen als onzelfstandige wooneenheid in een kamergewijze bewoning. Artikel 10.27 Woning splitsen - vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van een gebouw te splitsen naar twee of meerdere zelfstandige woningen. Artikel 10.28 Woning splitsen - beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.27 mag alleen worden verleend op de locatie activiteit Woning splitsen kernwinkelgebied transformatiegebied - vergunningplicht indien: a. de gebruiksoppervlakte van de bestaande woning gelijk is aan of groter is dan 110 m2; en b. de gebruiksoppervlakte van elke zelfstandige woning die als gevolg van splitsing ontstaat niet kleiner is dan 50 m2; en c. de gesplitste woningen over een bergingsruimte met een oppervlakte van ten minste 5 m2 per woning; en d. de gesplitste woningen beschikken over een buitenruimte. Artikel 10.29 Woning verkameren - vergunningplicht
  18. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van een gebouw te verkameren (vanaf drie onzelfstandige wooneenheden).
  19. Het verbod, als bedoeld het eerste lid geldt niet indien sprake is van verkameren door een hospita. Artikel 10.30 Woning verkameren - beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.29 mag alleen worden verleend indien opde locatie activiteit Verkamering transformatiegebied - vergunningplicht: a. de gebruiksoppervlakte van de bestaande woning gelijk is aan of groter is dan 110 m2; en b. het gebouw niet opgedeeld wordt in meer dan één onzelfstandige wooneenheid per 18 m2 gebruiksoppervlakte; en c. het verkamerde gebouw minimaal beschikt over een bergingsruimte met een oppervlakte van ten minste 3 m2 ten behoeve van de stalling van fietsen, afvalcontainer(s) of afvalzakken. Vanaf 4 onzelfstandige wooneenheden geldt als aanvullende eis dat 1 m2 bergingsruimte per wooneenheid wordt toegevoegd. Paragraaf 10.2.3 Bouwactiviteiten Subparagraaf 10.2.3.

Artikel 10.31 Algemene regels over bouwen 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van gebouwen ter plaatse van transformatiegebieden.

  1. Bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht, voor zover deze passen binnen de functies dan wel activiteiten zoals omschreven in deze regels.
  2. Het bouwen, verbouwen en instand houden van andere bouwwerken dan die zijn geregeld in hoofdstuk 10 zijn verboden. Artikel 10.32 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: a. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de bovenste goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. b. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Artikel 10.33 Algemene bouwregel: bouwvlak
  3. Het bouwen van hoofdgebouwen is uitsluitend toegestaan binnen het Bouwvlak tranformatiegebieden.
  4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om buiten het bouwvlak te bouwen indien: a. de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 2 m, de activiteitengrens niet wordt overschreden en het de bouw betreft van erkers, luifels, balkons, keldergaten (koekoeken) of galerijen; b. het de bouw van volledig beneden peil gelegen bouwwerken betreft, mits:
  5. een diepte van 6 m niet wordt overschreden;
  6. het maaiveld wordt afgewerkt op een wijze die past binnen de activiteit en de ter plaatse geldende waarden;
  7. geen onevenredige toename van de parkeerdruk plaatsvindt;
  8. de activiteitengrens niet wordt overschreden. Artikel 10.34 Algemene bouwregel: bouwen conform maatvoering
  9. Ter plaatse van de locatie omgevingsnorm Maximum bouwhoogte transformatiegebied bedraagt de maximum bouwhoogte niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte transformatiegebieden.
  10. Ter plaatse van de locatie omgevingsnorm Maximum goothoogte transformatiegebied bedraagt de maximum goothoogte niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte transformatiegebieden.
  11. Afwijken van het bepaalde in het eerste lid is toegestaan indien: a. de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in de regels vastgelegde maten en een onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de privacy van omwonenden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; b. Ten behoeve van het oprichten van hekwerken op platte daken voor het gebruik als dakterras indien:
  12. de hoogte niet meer bedraagt dan 1 meter boven de aangegeven maximum bouwhoogte;
  13. dit passend is in het bebouwingsbeeld van de omringende bebouwing en
  14. de belangen van omwonenden met betrekking tot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig worden geschaad. Artikel 10.35 Algemene regel: vergunningvrij bouwen Het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken conform paragraaf 22.2.7.2 en paragraaf 22.2.7.3 is toegestaan. Subparagraaf 10.2.3.2 Bouwen in verblijfsgebied Artikel 10.36 Bouwen in verblijfsgebied transformatiegebied – vergunningplicht
  15. Het is verboden om op de locatie Verblijfsgebied transformatiegebied zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.
  16. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
  17. Artikel 10.37 Bouwen in verblijfsgebied transformatiegebied – beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.36 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. de bouwhoogte maximaal 5 meter hoog is; c. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
  18. Paragraaf 10.2.4 Gebouw of activiteit met parkeerbehoefte toevoegen Artikel 10.38 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing binnen transformatiegebieden en gaat over het: a. bouwen van een gebouw met een parkeerbehoefte; b. het wijzigen van gebruik van gronden en/of bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd. Artikel 10.39 Gebouw of activiteit met parkeerbehoefte toevoegen
  19. Er moet gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate worden voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
  20. De onder het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van personenauto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.
  21. Aan het bepaalde in het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien de ruimte voor parkeren of stallen voldoet aan de in de 'Beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem' daartoe opgenomen normen. Artikel 10.40 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in, of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Artikel 10.41 Specifieke bepaling strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein overeenkomstig de beleidsregels zoals die golden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 10.42 Beleidsregels
  22. Burgemeester en wethouders passen deze regels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
  23. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging. Artikel 10.43 Afwijkbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.39 en artikel 10.40 indien: a. indien het voldoen aan hetgeen in bovengenoemde artikelen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of b. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte zoals bedoeld in artikel 10.39 dan wel laad- of losruimte zoals bedoeld in artikel 10.40 wordt voorzien. Artikel 10.44 Voorwaarden voor afwijken Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. de woon- en leefsituatie Paragraaf 10.2.5 In stand houden Subparagraaf 10.2.5.1 Algemene bepalingen Artikel 10.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het in in stand houden in transformatiegebieden. Subparagraaf 10.2.5.2 Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen Artikel 10.46 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het in stand houden van maatregelen in het kader van natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen. Artikel 10.47 Afwijken instandhoudingsverplichting klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen - vergunningplicht Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te gebruiken zonder de vereiste klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen in het kader van de vergunningverlening aan te brengen en in stand te houden. Artikel 10.48 Afwijken instandhoudingsverplichting klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen - beoordelingsregels - beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 10.47 kan worden verleend indien indien op andere wijze kan worden voorzien in het treffen van voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen zoals opgenomen in de Beleidsregels Klimaatadaptief en Natuurinclusief bouwen. Artikel 10.49 Afwijken instandhoudingsverplichting klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen - bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van de instandhoudingsverplichting klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen worden de volgende gegevens en bescheiden ingediend: a. een ingevuld format van het Puntensysteem Klimaatadaptief en Natuurinclusief Bouwen Gemeente Arnhem b. voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:
  24. alle gevels van het bouwwerk;
  25. het dakaanzicht. Paragraaf 10.2.6 Overige activiteiten Subparagraaf 10.2.6.

Artikel 10

.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van overige activiteiten binnen transformatiegebieden. Subparagraaf 10.2.6.2 Het verrichten van activiteiten in een tuin Artikel 10.51 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten op de locatie Tuin transformatiegebied zijnde het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. Artikel 10.52 Algemene regels: Activiteiten verrichten in een tuin Op de locatie Tuin transformatiegebied is het aanbrengen van ondergeschikte oppervlakte aan noodzakelijke en functionele verharding toegestaan. Artikel 10.53 Activiteiten verrichten in een tuin - vergunningplicht Het is verboden om zonder vergunning activiteiten in een Tuin transformatiegebied te verrichten zijnde het aanbrengen van oppervlakteverhardingen in afwijking van het bepaalde in 10.

  1. Artikel 10.54 Activiteiten verrichten in een tuin - beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 10.53 kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde of de waardevolle groenelementen binnen de tuin. Afdeling 10.3 Transformatiegebied Bartok Park Zuid Paragraaf 10.3.1 Gebruiksactiviteiten Bartok Park Zuid Artikel 10.55 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gebruiksactiviteiten op de locatie Transformatiegebied Bartok Park Zuid . Artikel 10.56 Transformatiegebied Bartok Park Zuid – algemene regels over gebruiksactiviteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden alleen de volgende activiteiten verricht: a. wonen, bedoeld in 10.2.2.6; b. verblijfsgebied, bedoeld in 10.2.2.5; c. exploiteren van een openbare fietsenstalling, bedoeld in 10.57; d. het gebruiken van een nutsvoorziening, bedoeld in 10.2.2.
  2. Artikel 10.57 Gebruiksactiviteiten openbare fietsenstalling - toegestaan Het gebruik van een openbare fietstelstalling is toegestaan voor zover dat plaatsvindt ter plaatse van de locatie activiteit Openbare fietsenstalling gebruiken Bartok Park Zuid - toegestaan. Artikel 10.58 Overgangsrecht gebruik
  3. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.3 en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  4. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  5. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  6. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Paragraaf 10.3.2 Bouwactiviteiten Bartok Park Zuid Artikel 10.59 Toepassingsbereik bouwactiviteiten Transformatiegebied Bartok Park Zuid Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van gebouwen op de locatie Transformatiegebied Bartok Park Zuid . Artikel 10.60 Hoofdgebouw bouwen – vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen of te verbouwen. Artikel 10.61 Hoofdgebouw bouwen – beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.60 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van het bouwvlak, bedoeld in artikel 10.33; c. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maatvoeringen, bedoeld in artikel 10.34; d. voorziet in voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 10.67; e. voldoet aan het bepaalde in 22.29; f. voldoet aan Paragraaf 10.2.4 Gebouw of activiteit met parkeerbehoefte toevoegen. Artikel 10.62 Bijbehorend bouwwerk bouwen – vergunningplicht
  7. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen of te verbouwen.
  8. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
  9. Artikel 10.63 Bijbehorend bouwen – beoordelingsregels
  10. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.62 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. wordt gebouwd binnen de locatie Bouwvlak tranformatiegebieden of activiteit Bijbehorende bouwwerken bouwen Bartok Park Zuid - vergunningplicht; c. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maatvoeringen, bedoeld in artikel 10.34; d. binnen een bouwvlak wordt gebouwd waar de figuur ‘Historische rooilijn 1940'’ geldt zoals bedoeld in het kaartje in het tweede lid, dat de naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw op de gevellijn gebouwd moet worden; e. voorziet in voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 10.67; f. voldoet aan het bepaalde in 22.
  11. Historische rooilijnen binnen het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad en Singels NL.IMRO.0202.886-0301 Artikel 10.64 Overige bouwwerken bouwen – vergunningplicht
  12. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen de locatie Bouwvlak transformatiegebieden een overig bouwwerk, niet zijnde een hoofgebouw of een bijbehorend bouwwerk, te bouwen.
  13. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
  14. Artikel 10.65 Overige bouwwerken bouwen – beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.64 wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maatvoeringen, bedoeld in artikel 10.34; c. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
  15. Artikel 10.66 Bouwen – bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen of in stand houden van een gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden ingediend: a. de gegevens en bescheiden bedoeld in 22.35; b. een ingevuld format van het Puntensysteem Klimaatadaptief en Natuurinclusief Bouwen Gemeente Arnhem c. voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:
  16. alle gevels van het bouwwerk;
  17. het dakaanzicht. Artikel 10.67 Beoordelingsregel klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen, groene inrichting en voldoende waterberging
  18. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen worden getroffen.
  19. Aan het bepaalde onder a wordt geacht te zijn voldaan indien door de genomen maatregelen voldoende punten worden gehaald zoals opgenomen in de beleidsregels 'Beleidsregels Klimaatadaptief en Natuurinclusief Bouwen' en het bijbehorende 'Puntensysteem Klimaatadaptief en Natuurinclusief bouwen'.
  20. Burgemeester en wethouders passen deze regels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
  21. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging.
  22. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid geldt dat voor het bouwen van het hoofdgebouw; a. de waterberging op eigen terrein wordt voorzien; b. het dakoppervlak in het projectgebied wordt voorzien van groene daken, zoals weergegeven in navolgende afbeelding 8.1, met een afwijkingsmogelijkheid van 10%; c. de aanleg en instandhouding van minimaal twee bomen in de 2e grootte binnen één jaar na ingebruikname van de bouwwerken in het plangebied. Artikel 10.68 Overgangsrecht bouwwerken
  23. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.3 aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  24. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid vergroten met maximaal 10%.
  25. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.3, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Afdeling 10.4 Transformatiegebied Bartok Park Noord Paragraaf 10.4.1 Gebruiksactiviteiten Bartok Park Noord Subparagraaf 10.4.1.

Artikel 10

.69 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gebruiksactiviteiten op de locatie Transformatiegebied Bartok Park Noord. Artikel 10.70 Transformatiegebied Bartok Park Noord – algemene regels over gebruiksactiviteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden alleen de volgende activiteiten verricht: a. cultuur, bedoeld in 10.2.2.2; b. verblijfsgebied, bedoeld in 10.2.2.5; c. wonen, bedoeld in 10.2.2.6 en de aanvullingen in 10.4.1.2; d. tuin, bedoeld in 10.2.2.4; Subparagraaf 10.4.1.2 Gebruiksactiviteit wonen Artikel 10.71 Locaties wonen – vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op locatie activiteit Wonen Bartok Park Noord - vergunningplicht een gebouw te gebruiken voor wonen. Artikel 10.72 Wonen – beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in 10.71 wordt alleen verleend als geluidsonderzoek aantoont dat het geluid dat afkomstig is van milieubelastende activiteiten op het moment van de aanvraag om omgevingsvergunning, ter plaatse van de gevel van de woning niet meer bedraagt dan 50 dB(A) etmaalwaarde, resulterend in een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van: a. 50 dB(A) in de dagperiode van 7.00 uur - 19.00 uur; b. 45 dB(A) in de avondperiode van 19.00 uur - 23.00 uur; en c. 40 dB(A) in de nachtperiode van 23.00 uur - 7.00 uur. Artikel 10.73 Wonen – aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wonen bedoeld in 10.71 worden de volgende gegevens en bescheiden ingediend: a. een akoestisch onderzoek. Artikel 10.74 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.4 en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Paragraaf 10.4.2 Bouwactiviteiten Bartok Park Noord Artikel 10.75 Toepassingsbereik bouwactiviteiten Transformatiegebied Bartok Park Noord Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van gebouwen op de locatie Transformatiegebied Bartok Park Noord. Artikel 10.76 Hoofdgebouw bouwen – vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen of te verbouwen. Artikel 10.77 Hoofdgebouw bouwen – beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.76 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van het bouwvlak, bedoeld in artikel 10.33; c. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maatvoeringen, bedoeld in artikel 10.34; d. voorziet in voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 10.67; e. voldoet aan het bepaalde in 22.29; f. voldoet aan Paragraaf 10.2.4 Gebouw of activiteit met parkeerbehoefte toevoegen. Artikel 10.78 Bijbehorend bouwwerk bouwen – vergunningplicht
  5. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen of te verbouwen.
  6. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
  7. Artikel 10.79 Bijbehorend bouwwerk bouwen – beoordelingsregels
  8. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.62 wordt alleen verleend indien het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. wordt gebouwd binnen de locatie Bouwvlak transformatiegebied of activiteit Bijbehorende bouwwerken Bartok Park Noord - vergunningplicht; c. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maatvoeringen, bedoeld in artikel 10.34; d. voorziet in voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 10.67; e. binnen de locatie activiteit Bijbehorende bouwwerken Bartok Park Noord - vergunningplicht alleen mag worden gebouwd indien aan het bepaalde in het tweede en derde lid wordt voldaan; f. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
  9. Voor bouwen geldt dat: a. uitbreiding van de hoofdbebouwing, tot een maximumbouwhoogte gelijk aan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met maximaal 40 cm ten behoeve van isolatie of afschot; b. andere bijbehorende bouwwerken, met een maximumbouwhoogte gelijk aan de goothoogte van het hoofdgebouw, waarbij de goothoogte van vrijstaande bouwwerken niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing; c. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, passend binnen de activiteit, met een maximumbouwhoogte van 3 m.
  10. Waarbij geldt dat de oppervlakte van het totaal van deze bebouwing per bouwperceel de in onderstaand schema opgenomen maten niet overschrijdt. Tabel 10 oppervlakte gebied met de locatie ' activiteit Bijbehorende bouwwerken Bartok Park Noord - vergunningplicht ' per bouwperceel maximale oppervlakte bouwwerken < 90 m2 50% van de oppervlakte van het gebied met de gebiedsaanduiding 'bijbehorende bouwwerken' per bouwperceel met een minimum van 20 m2 90-150 m2 45 m2 150-300 m2 55 m2 300-500 m2 65 m2 500-1000 m2 75 m2 Tabel oppervlakte bijbehorende bouwwerken Artikel 10.80 Overige bouwwerken bouwen – vergunningplicht
  11. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen de locatie Bouwvlak transformatiegebieden een overig bouwwerk, niet zijnde een hoofgebouw of een bijbehorend bouwwerk, te bouwen.
  12. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als er sprake is van vergunningsvrij bouwen conform 10.
  13. Artikel 10.81 Overige bouwwerken bouwen – beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.80 wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk: a. past binnen de functie/activiteit, bedoeld in artikel 10.31; b. voldoet aan de bepalingen ten aanzien van de maatvoeringen, bedoeld in artikel 10.34; c. voldoet aan het bepaalde in artikel 22.
  14. Artikel 10.82 Bouwen – bijzondere aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen of in stand houden van een gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden ingediend: a. de gegevens en bescheiden bedoeld in 22.35; b. een ingevuld format van het Puntensysteem Klimaatadaptief en Natuurinclusief Bouwen Gemeente Arnhem c. voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:
  15. alle gevels van het bouwwerk;
  16. het dakaanzicht. Artikel 10.83 Beoordelingsregel klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen, groene inrichting en voldoende waterberging
  17. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat voldoende klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen worden getroffen.
  18. Aan het bepaalde onder a wordt geacht te zijn voldaan indien door de genomen maatregelen voldoende punten worden gehaald zoals opgenomen in de beleidsregels 'Beleidsregels Klimaatadaptief en Natuurinclusief Bouwen' en het bijbehorende 'Puntensysteem Klimaatadaptief en Natuurinclusief bouwen'.
  19. Burgemeester en wethouders passen deze regels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
  20. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging.
  21. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid geldt dat voor het bouwen van het hoofdgebouw; a. Een waterberging op eigen terrein wordt voorzien; b. indien het dakoppervlak in het projectgebied voorzien wordt van groene daken, zoals weergegeven in navolgende afbeelding 8.1, met een afwijkingsmogelijkheid van 10%; Artikel 10.84 Overgangsrecht bouwwerken
  22. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.4 aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  23. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid vergroten met maximaal 10%.
  24. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.4, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Hoofdstuk 11 Gereserveerd Hoofdstuk 12 Gereserveerd Hoofdstuk 13 Gereserveerd Hoofdstuk 14 Gereserveerd Hoofdstuk 15 Gereserveerd Hoofdstuk 16 Gereserveerd Hoofdstuk 17 Gereserveerd Hoofdstuk 18 Gereserveerd Hoofdstuk 19 Gereserveerd Hoofdstuk 20 Gereserveerd Hoofdstuk 21 Gereserveerd Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  1. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  2. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  3. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  4. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  5. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  6. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  7. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  8. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  9. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  10. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  11. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  12. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  13. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  14. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  15. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  16. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  17. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  18. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  19. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  20. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  21. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  22. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  23. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  24. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  25. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  26. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  27. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  28. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  29. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  30. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  31. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  32. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  33. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  34. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  35. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  36. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  37. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  38. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  40. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  41. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  42. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  43. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  44. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  45. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  46. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  47. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  48. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  49. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  50. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalinge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.