Obsah (4)
Artikel 1Artikel 5Artikel 8Artikel 22act/gemeente/2024/CVDR696234 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0232/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-12-18 2025-12-18 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696234/nld@2026-01-15 /join/id/proc
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
- Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
- Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in Bijlage I daarvan is afgeweken.
- De begripsbepalingen in Bijlage I gelden aanvullend en gaan voor op de begripsbepalingen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor zover dit tijdelijk deel van het omgevingsplan nog niet is vervallen. Artikel 1.2 Geografisch werkingsgebied van de regels
- De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Epe, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.
- Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van informatieobjecten. Artikel 1.3 Normadressaat Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Hoofdstuk 2 DOELEN EN OMGEVINGSWAARDEN Afdeling 2.1 DOELEN Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; g. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; h. het behoud van cultureel erfgoed; i. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; j. de natuurbescherming; k. de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente; l. het tegengaan van klimaatverandering; m. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; n. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; o. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; p. het beheren van infrastructuur; q. het beheren van watersystemen; r. het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; s. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; t. het beheren van natuurlijke hulpbronnen; u. het beheren van natuurgebieden; v. het gebruiken van bouwwerken; w. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; x. het realiseren van een gemeentelijk natuurnetwerk; y. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; z. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden; aa. het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; ab. het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan woonactiviteiten; ac. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; ad. het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie; ae. het kunnen produceren binnen gesloten kringlopen; af. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling; ag. het bieden van voldoende woonruimte; ah. het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden; ai. het doelmatig beheren van afvalstoffen; aj. het beschermen van grondgebonden veehouderij als drager van het landschap; ak. het bevorderen van kringlooplandbouw en duurzame veehouderij; al. het verlagen of voorkomen van emissies van geur van agrarische activiteiten; am. het bevorderen van een grotere variatie in de bedrijfsvoering van grondgebonden veehouderijbedrijven; an. het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing; ao. het bevorderen van extensief recreatief medegebruik; ap. het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap; aq. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing; ar. het voorkomen en beschermen van mensen tegen infecties door het houden van landbouwhuisdieren; as. het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen; at. het behouden en waar mogelijk versterken van het natuurdoeltype overstromingsgrasland; au. het vergroten van de natuurbeleving en recreatieve waarde, zonder afbreuk te doen aan natuurwaarden; av. het behouden van een klimaatbestendig watersysteem; aw. het realiseren van een suburbaan woonmilieu in een groen-blauwe setting; ax. het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing; ay. het realiseren van een fietsvriendelijk woongebied; az. het realiseren van een woongebied dat goed ontsloten is met openbaar vervoer; ba. het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woongebied; bb. het realiseren van een woongebied met een aanvaardbaar geurniveau; bc. het realiseren van een veilig woongebied; bd. een realiseren van een energieneutraal woongebied; be. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied; bf. het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied; bg. realiseren van een natuurnetwerk; bh. het beschermen van natuurgebieden; bi. een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; bj. voorkomen van geluidhinder; en bk. het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen. Afdeling 2.2 VERPLICHTE OMGEVINGSWAARDEN Afdeling 2.3 FACULTATIEVE OMGEVINGSWAARDEN Hoofdstuk 3 PROGRAMMA'S Hoofdstuk 4 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 4.1 THEMA'S Paragraaf 4.1.1 Bouwwerken en andere werken Artikel 4.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken. Artikel 4.2 Doelen bouwwerken en andere werken Voor bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; c. het beschermen van cultuurhistorische waarden; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van de veiligheid f. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; g. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; h. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; en i. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken. Artikel 4.3 Hoofdgebouw bouwen
- Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; f. paragraaf 5.2.9.7 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een hoofdgebouw; g. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en h. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.
- Dit artikel is niet van toepassing op: a. het bouwen van bedrijfsgebouwen; b. het bouwen van bouwwerken op een volkstuinencomplex; en c. het bouwen van agrarische gebouwen. Artikel 4.4 Bedrijfsgebouw bouwen
- Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bedrijfsgebouw binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; f. paragraaf 5.2.9.10 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfsgebouwen; g. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en h. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.
- Dit artikel is niet van toepassing op het bouwen van hoofdgebouwen. Artikel 4.5 Bouwwerken op een volkstuinencomplex bouwen
- Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk op een volkstuinencomplex binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.11 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken op een volkstuinencomplex; f. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en g. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen.
- Dit artikel is niet van toepassing op: a. het bouwen van hoofdgebouwen op een volkstuinencomplex; en b. het bouwen van bijbehorende bouwwerken op een volkstuinencomplex. Artikel 4.6 Agrarische gebouwen bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een agrarische gebouwen binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; f. paragraaf 5.2.9.12 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van agrarische gebouwen; g. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en h. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen. Artikel 4.7 Bijbehorende bouwwerken bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van bijbehorende bouwwerken, niet zijnde een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg, binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; f. paragraaf 5.2.9.8 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk; g. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en h. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen. Artikel 4.8 Bouwen ten behoeve van mantelzorg Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en e. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen. Artikel 4.9 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2 - bouwen - algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; d. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; f. paragraaf 5.2.9.9 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde; g. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en h. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen. Artikel 4.10 Bouwwerken veranderen Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het ambtsgebied voldaan aan: a. paragraaf 5.2.9.1 - bouwen - algemene bepalingen; b. paragraaf 5.2.9.2.4 - bouwen - algemene regels een te veranderen bouwwerk; c. paragraaf 5.2.9.2.5 - bouwen - algemene regels bouwwerken in beschermd stads- of dorpsgezicht; d. paragraaf 5.2.9.4 - bouwen - vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk; e. paragraaf 5.2.9.6 - bouwen - beoordelingsregels voor welstand; f. paragraaf 5.2.9.5 - bouwen - nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk; g. afdeling 5.2.1 - algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels - algemeen; en h. titel 5.4 - gebieden met beperkingen en inperkingen. Artikel 4.11 Erven en terreinen gebruiken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het gebruiken van open erven en terrein voldaan aan afdeling 5.2.5 - activiteiten op open erven en terreinen. Paragraaf 4.1.2 Woonruimte Artikel 4.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met betrekking tot woonruimte. Artikel 4.13 Doelen woonruimte Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 4.14 Woonruimte gebruiken Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.13, wordt bij het gebruiken van woonruimte voldaan aan de regels in afdeling 5.2.40 - woonruimte gebruiken. Paragraaf 4.1.3 Infrastructuur en voor publiek toegankelijke buitenruimte Paragraaf 4.1.4 Natuur Paragraaf 4.1.5 Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie Paragraaf 4.1.6 Milieu Paragraaf 4.1.7 Cultureel erfgoed Paragraaf 4.1.8 Gezondheid Afdeling 4.2 GEBIEDSTYPEN Paragraaf 4.2.1 Dorpscentra Paragraaf 4.2.2 Dorps wonen Paragraaf 4.2.3 Landelijk wonen Paragraaf 4.2.4 Bedrijventerrein Paragraaf 4.2.5 Hoofdinfrastructuur Paragraaf 4.2.6 Buitengebied Hoofdstuk 5 ACTIVITEITEN Titel 5.
EN ACTIVITEITOVERSTIJGENDE REGELS Afdeling 5.1.1 ALGEMEEN Artikel 5.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van deze afdeling is een afdeling, paragraaf of subparagraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald. Artikel 5.2 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit hoofdstuk aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten. Afdeling 5.1.2 PARKEERNORMERING EN NORMERING LADEN EN LOSSEN Afdeling 5.1.3 REGELS TER VOORKOMING VAN (MILIEU)HINDER Paragraaf 5.1.3.1 Geluid Paragraaf 5.1.3.2 Luchtkwaliteit Paragraaf 5.1.3.3 Geur Paragraaf 5.1.3.4 Trillingen Paragraaf 5.1.3.5 Externe veiligheid Paragraaf 5.1.3.6 Stikstofdepositie Paragraaf 5.1.3.7 Bezonning Paragraaf 5.1.3.8 Windhinder en windgevaar Titel 5.2 THEMATISCHE ACTIVITEITEN Afdeling 5.2.
Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Afdeling 5.2.2 AANLEGGEN, HEBBEN, ONDERHOUDEN OF VERWIJDEREN VAN LEIDINGEN Afdeling 5.2.3 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN Afdeling 5.2.4 ACTIVITEITEN DIE VERBAND HOUDEN MET DE VEILIGHEID VAN DE WEG Afdeling 5.2.5 ACTIVITEITEN OP OPEN ERVEN EN TERREINEN Artikel 5.4 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk op open erven en terreinen Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 5.5 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
- de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
- geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
- Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 5.6 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Afdeling 5.2.6 ACTIVITEITEN OM OVERLAST IN DE OPENBARE RUIMTE TE VOORKOMEN Afdeling 5.2.7 ALARMINSTALLATIE HEBBEN Afdeling 5.2.8 ANTIHAGELKANONNEN IN WERKING HEBBEN Afdeling 5.2.9 BOUWEN VAN EEN BOUWWERK Paragraaf 5.2.9.
Artikel 5.7 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over: a.
het bouwen van een bouwwerk; en b. het veranderen van een bouwwerk. Artikel 5.8 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het waarborgen van de energiezuinigheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen, behouden, herstellen en ontwikkelen van stedenbouwkundige waarden; e. het beschermen, behouden, herstellen en ontwikkelen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; f. het beschermen, behouden, herstellen en ontwikkelen van het woon- en leefklimaat; en g. het beschermen van de gezondheid. Artikel 5.9 Voorrangsbepaling De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Artikel 5.10 Algemene afbakeningseisen
- De artikelen 22.8, 22.9, 22.10, 5.24 en 5.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
- Bij de toepassing van de artikelen in paragraaf 5.2.9.2, blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan zoals bedoeld in artikel 5.24, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 5.26, tweede lid, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 5.11 Meetbepalingen
- Voor de toepassing van paragraaf 5.2.9.2 worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,75 meter buiten beschouwing blijven.
- Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 5.12 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 5.13 Bouwen in overeenstemming met de locatie
- Het is verboden om een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken in strijd met de aan de locatie toebedeelde gebruiksactiviteit in dit omgevingsplan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk zoals bedoeld in artikel 5.24; b. een sport- of speeltoestel zoals bedoeld in artikel 5.31; en c. een erf- of perceelafscheiding zoals bedoeld in artikelen 5.36 en 5.
- d. een silo of ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter zoals bedoeld in artikel 5.39 Artikel 5.14 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Degene die een bouwwerk gebruikt en weet – of had kunnen weten – dat dit gevaar kan opleveren voor de gezondheid of veiligheid, moet alle redelijke maatregelen nemen om dat gevaar te voorkomen of te stoppen.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 5.15 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 5.16 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter. Artikel 5.17 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
- De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
- Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
- Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.3 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 5.18 Bluswatervoorziening
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
- De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.
- De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 5.19 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt er een verbindingsweg tussen de openbare weg en ten minste één toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen.
- De verbindingsweg is geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
- Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders is bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 meter; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15.000 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter; en d. een doeltreffende afwatering.
- Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het vierde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.20 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
- De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.
- Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.19, vierde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
- Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 5.21 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Artikel 5.22 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
- Voor de toepassing van paragraaf 5.2.9.2 en de artikelen 8.11, 8.12, 8.14 tot en met 8.17 en 8.19 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
- Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Paragraaf 5.2.9.2 Algemene regels bouwwerken Subparagraaf 5.2.9.2.1 Algemene regels bijbehorend bouwwerk Artikel 5.23 Toepassingsbereik
- De regels in deze subparagraaf gaan over de algemene regels voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan.
- De regels in deze subparagraaf gaan niet over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden. Artikel 5.24 Algemene regels bijbehorend bouwwerk
- Onverminderd de overige bepalingen van afdelingen 5.2.9 en 22.3 mag in uitzondering op artikel 5.47 een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. op de grond staand; b. gelegen in het achtererfgebied; c. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. niet hoger dan 5 meter; e. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; f. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
- 5 meter;
- 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
- het hoofdgebouw; h. voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
- als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 meter: I. voorzien van een schuin dak; II. de dakvoet niet hoger dan 3 meter; III. de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken; IV. met een hellingshoek van niet meer dan 55°; V. waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter; VI. verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
- functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; i. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:
- bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
- bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
- bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en j. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
- een woonwagen;
- een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
- een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
- Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 5.24, eerste lid, onder h, onder 2, van overeenkomstige toepassing.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 5.25 Algemene regels bijbehorend bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. op de grond staand; b. gelegen in het achtererfgebied; c. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. niet hoger dan 5 meter; e. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, allen op de eerste bouwlaag; en f. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.
- In aanvulling op het eerste lid mag een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels gesteld in dit omgevingsplan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
- Het eerste lid is niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 5.26 Mantelzorg
- Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg worden gebruikt zonder omgevingsvergunning.
- Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.24, eerste lid wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 5.24, eerste lid, onder i, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 5.27 Artikel 5.24 en 5.26, tweede lid, niet van toepassing vanwege externe veiligheid
- Artikelen 5.24 en 5.26, tweede lid, zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
- artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
- artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
- In aanvulling op het eerste lid zijn de artikelen 5.24 en 5.26, tweede lid ook niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een locatie binnen een afstand als bedoeld in artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is. Subparagraaf 5.2.9.2.2 Algemene regels recreatief nachtverblijf Artikel 5.28 Toepassingsbereik De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een recreatief nachtverblijf. Artikel 5.29 Algemene regels bouwwerk voor recreatief nachtverblijf mits in overeenstemming met het omgevingsplan
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. op de grond staand; b. niet hoger dan 5 m; en c. de oppervlakte niet meer dan 70 m2
- In aanvulling op het eerste lid mag een recreatief nachtverblijf alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels gesteld in dit omgevingsplan.
- Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
- Dit artikel is niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 5.69 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Subparagraaf 5.2.9.2.3 Algemene regels bouwwerken, geen gebouw zijnde Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.1 Algemene regels sport- of speeltoestel Artikel 5.30 Toepassingsbereik De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel. Artikel 5.31 Algemene regels sport- of speeltoestel
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; en b. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.2 Algemene regels zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening Artikel 5.32 Toepassingsbereik De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw. Artikel 5.33 Algemene regels zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening mits in overeenstemming met het omgevingsplan
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning.
- In aanvulling op het eerste lid mag een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 5.32, alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als deze in overeenstemming is met de overige regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk gesteld in dit omgevingsplan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.3 Algemene regels erf- of perceelafscheiding Artikel 5.34 Toepassingsbereik De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Artikel 5.35 Voorrangsbepaling erf- of perceelafscheiding In uitzondering op artikel 5.9 gaan de regels in deze subparagraaf voor op de regels over het bouwen van een erf- of perceelafscheiding in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 5.36 Algemene regels erf- of perceelafscheiding in de kernen
- In uitzondering op artikel 5.47 mag in het werkingsgebied kernen een erf- of perceelafscheiding voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor bedrijfs- en sportactiviteiten; en b. op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. niet hoger dan 2,5 meter.
- In uitzondering op artikel 5.47 mag in werkingsgebied kernen een erf- of perceelafscheiding achter de voorgevelrooilijn worden gebouw, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en b. niet hoger dan 2 meter voor woonactiviteiten of niet hoger dan 2,5 meter voor overige activiteiten; of c. niet hoger dan 2 meter op een perceel zonder hoofdgebouw.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Artikel 5.37 Algemene regels erf- of perceelafscheiding in het buitengebied
- In uitzondering op artikel 5.47 mag in het werkingsgebied buitengebied een erf- of perceelafscheiding voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor agrarische, bedrijfs- en sportactiviteiten; en b. op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. niet hoger dan 2,5 meter indien binnen een bouwvlak of niet hoger dan 1,5 meter indien buiten een bouwvlak.
- In uitzondering op artikel 5.47 mag in werkingsgebied buitengebied een erf- of perceelafscheiding achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. op een erf of perceel met een hoofdgebouw waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en b. niet hoger dan 2,5 meter; of c. niet hoger dan 2 meter op een perceel zonder hoofdgebouw.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.4 Algemene regels bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering Artikel 5.38 Toepassingsbereik
- De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering.
- De regels in deze subsubparagraaf gaan niet over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding. Artikel 5.39 Algemene regels bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning voor zover het gaat om: a. een silo; of b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subsubparagraaf 5.2.9.2.3.5 Algemene regels buisleiding Artikel 5.40 Toepassingsbereik De regels in deze subsubparagraaf gaan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Artikel 5.41 Algemene regels buisleiding mits in overeenstemming met het omgevingsplan
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een buisleiding, zoals bedoeld in artikel 5.40, worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning.
- In aanvulling op het eerste lid mag een buisleiding, zoals bedoeld in artikel 5.40, alleen worden gebouwd, in stand worden gehouden en gebruikt zonder omgevingsvergunning als deze in overeenstemming is met de overige regels over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk gesteld in dit omgevingsplan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subparagraaf 5.2.9.2.4 Algemene regels een te veranderen bouwwerk Artikel 5.42 Toepassingsbereik De regels in deze subsubparagraaf gaan over een te veranderen bouwwerk. Artikel 5.43 Algemene regels een te veranderen bouwwerk mits in overeenstemming met het omgevingsplan
- In uitzondering op artikel 5.47 mag een bouwwerk worden veranderd zonder omgevingsvergunning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
- In aanvulling op het eerste lid mag een bouwwerk alleen worden veranderd zonder omgevingsvergunning als dit in overeenstemming is met de overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken gesteld in dit omgevingsplan.
- Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Subparagraaf 5.2.9.2.5 Algemene regels bouwwerken in beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 5.44 Toepassingsbereik De regels in deze subparagraaf gaan over bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk in beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 5.45 Algemene regels bouwwerken in rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
- Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is de uitzondering op de vergunningplicht van artikel 5.47 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding stads- of rijksbeschermd dorpsgezicht is gegeven. Paragraaf 5.2.9.3 Meldingsplicht of informatieplicht voor het bouwen van een bouwwerk Paragraaf 5.2.9.4 Vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk Subparagraaf 5.2.9.4.1 Aanwijzing vergunningplicht Artikel 5.46 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 5.47 Aanwijzing vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Subparagraaf 5.2.9.4.2 Aanvraagvereisten Artikel 5.48 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 5.49 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
- het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil in relatie tot omliggende bebouwing of de bestaande grondslag en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
- tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
- principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
- kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
- een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. andere relevante gegevens en bescheiden voor het beoordelen van de aanvraag bedoeld in dit artikel. Paragraaf 5.2.9.5 Beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk Artikel 5.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat beoordelingsregels voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.51 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in deze afdeling gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van de artikelen 5.68, 5.15 en 5.
- In het werkingsgebied tijdelijk deel nog niet vervallen wordt in aanvulling op het eerste lid een aanvraag omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over bouwen, in stand houden en gebruiken in het tijdelijk deel van het omgevingsplan bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet. Artikel 5.52 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
- In afwijking van artikel 5.51 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
- In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of b. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
- In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 5.53 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
- In afwijking van artikel 5.51 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 5.54 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
- Artikel 8.27, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 5.2.9.6 Beoordelingsregels welstand Artikel 5.55 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat beoordelingsregels voor welstand. Artikel 5.56 Beoordelingsregels welstand
- Een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Epe of de rechtsopvolger(s) daarvan.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. het gaat om een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; b. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of c. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid toch moet worden verleend. Artikel 5.57 Repressief welstand
- Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Paragraaf 5.2.9.7 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een hoofdgebouw Artikel 5.58 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een hoofdgebouw Artikel 5.59 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een hoofdgebouw Artikel 5.60 Nadere invulling beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw
- De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op: a. het verduurzamen van een hoofdgebouw; en b. het verbeteren van de energieprestatie van een hoofdgebouw.
- In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand hoofdgebouw tot maximaal 10% wordt afgeweken van de omgevingsnormen, elders in dit hoofdstuk of het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, bepaald.
- In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor de aanvraag bedoeld in het tweede lid tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd. Paragraaf 5.2.9.8 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk Artikel 5.61 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk Artikel 5.62 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Epe of de rechtsopvolger(s) daarvan zoals bedoeld in artikel 5.56, eerste lid. Artikel 5.63 Nadere invulling beoordelingsregels voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand bijbehorend bouwwerk
- De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op: a. het verduurzamen van een bijbehorend bouwwerk; en b. het verbeteren van de energieprestatie van een bijbehorend bouwwerk.
- In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.47 voor het isoleren van de buitenzijde van een bestaand bijbehorend bouwwerk tot maximaal 10% wordt afgeweken van de omgevingsnormen, elders in dit hoofdstuk of het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, bepaald.
- In aanvulling op de beoordelingsregels in paragraaf 5.2.9.5 kan voor de aanvraag bedoeld in het tweede lid tot maximaal 0,5 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd. Paragraaf 5.2.9.9 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde Artikel 5.64 Toepassingsbereik Paragraaf 5.2.9.10 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfsgebouwen Artikel 5.65 Toepassingsbereik Paragraaf 5.2.9.11 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken op een volkstuinencomplex Artikel 5.66 Toepassingsbereik Paragraaf 5.2.9.12 Nadere invulling beoordelingsregels voor het bouwen van agrarische gebouwen Artikel 5.67 Toepassingsbereik Afdeling 5.2.10 ENERGIEBESPARENDE MAATREGELEN NEMEN Afdeling 5.2.11 FOKKEN, HOUDEN OF TRAINEN VAN LANDBOUWHUISDIEREN, ANDERE ZOOGDIEREN OF VOGELS Afdeling 5.2.12 GENETISCH GEMODIFICEERDE ORGANISMEN Afdeling 5.2.13 GRAVEN, VERGRAVEN, AFGRAVEN, EGALISEREN, OPHOGEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE Afdeling 5.2.14 HOUDEN VAN EVENEMENTEN Afdeling 5.2.15 IN WERKING HEBBEN VAN EEN ACCULADER Afdeling 5.2.16 KAPPEN EN VELLEN VAN BOMEN EN HOUTOPSTANDEN Afdeling 5.2.17 KUILVOER OF VASTE BIJVOERMIDDELEN OPSLAAN Afdeling 5.2.18 LOZEN VAN AFVALWATER Afdeling 5.2.19 LPG TANKEN Afdeling 5.2.20 MADEN VAN VLIEGENDE INSECTEN KWEKEN Afdeling 5.2.21 MOTORVOERTUIGEN WASSEN Afdeling 5.2.22 NEVENACTIVITEITEN BIJ EEN WOONRUIMTE UITOEFENEN Afdeling 5.2.23 NIET-INDUSTRIËLE VOEDSELBEREIDING Afdeling 5.2.24 OPSLAAN VAN DIERLIJKE MESTSTOFFEN Afdeling 5.2.25 OPWEKKEN VAN ELEKTRICITEIT EN WARMTE Afdeling 5.2.26 PARKEERGELEGENHEID IN EEN PARKEERGARAGE BIEDEN Afdeling 5.2.27 POLYESTERHARS VERWERKEN Afdeling 5.2.28 PROPAAN OF PROPEEN OPSLAAN Afdeling 5.2.29 RECLAME PLAATSEN Afdeling 5.2.30 ROERENDE ZAKEN OPSLAAN Afdeling 5.2.31 SLACHTEN VAN DIEREN EN BEWERKEN VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN OF UITSNIJDEN VAN VLEES, VIS OF ORGANEN Afdeling 5.2.32 SLOPEN VAN EEN BOUWWERK Afdeling 5.2.33 STANDPLAATS OP EEN WARENMARKT OF VOOR AMBULANTE HANDEL INNEMEN EN VENTEN Afdeling 5.2.34 TRADITIONEEL SCHIETEN Afdeling 5.2.35 UITWEG MAKEN, HEBBEN OF VERANDEREN VAN UITWEGEN Afdeling 5.2.36 VASTE MEST OPSLAAN Afdeling 5.2.37 VOEDINGSMIDDELENINDUSTRIE Afdeling 5.2.38 WEBWINKEL EXPLOITEREN Afdeling 5.2.39 WERKEN MET BIOLOGISCHE AGENS Afdeling 5.2.40 WOONRUIMTE GEBRUIKEN Artikel 5.68 Overbewoning woonruimte
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
- Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Afdeling 5.2.41 WOONRUIMTE TOEVOEGEN Afdeling 5.2.42 WOONRUIMTE WIJZIGEN Afdeling 5.2.43 ZUIVERINGSTECHNISCH WERK EXPLOITEREN Afdeling 5.2.44 ZWERFAFVAL OPRUIMEN Titel 5.3 GEBIEDSGERICHTE ACTIVITEITEN Afdeling 5.3.
Afdeling 5
.3.2 AGRARISCHE ACTIVITEITEN Afdeling 5.3.3 BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN Afdeling 5.3.4 CULTURELE EN ONTSPANNINGSACTIVITEITEN Afdeling 5.3.5 DETAILHANDELSACTIVITEITEN Afdeling 5.3.6 DIENSTVERLENINGSACTIVITEITEN Afdeling 5.3.7 EVENEMENTENACTIVITEITEN Afdeling 5.3.8 HORECA-ACTIVITEITEN Afdeling 5.3.9 KANTOORACTIVITEITEN Afdeling 5.3.10 MAATSCHAPPELIJKE ACTIVITEITEN Afdeling 5.3.11 ONDERGESCHIKTE GEBRUIKSACTIVITEITEN Afdeling 5.3.12 RECREATIEVE ACTIVITEITEN Afdeling 5.3.13 SPORTACTIVITEITEN Afdeling 5.3.14 STANDPLAATS OP EEN WARENMARKT OF VOOR AMBULANTE HANDEL INNEMEN EN VENTEN Afdeling 5.3.15 VERKEERS- EN PARKEERACTIVITEITEN Afdeling 5.3.16 WOONACTIVITEITEN Titel 5.4 GEBIEDEN MET BEPERKINGEN EN INPERKINGEN Afdeling 5.4.1 ACTIVITEITEN IN EEN GEBIED MET ARCHEOLOGISCHE WAARDEN VERRICHTEN Paragraaf 5.4.1.
Artikel 5.69 Vrijstelling van archeologisch onderzoek 1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Afdeling 5.4.2 ACTIVITEITEN IN EEN BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT VERRICHTEN Afdeling 5.4.3 ACTIVITEITEN IN EEN LANDSCHAP, NATUUR- OF BOSGEBIED VERRICHTEN Afdeling 5.4.4 ACTIVITEITEN IN EEN GEBIED MET ECOLOGISCHE WAARDEN VERRICHTEN Afdeling 5.4.5 ACTIVITEITEN BOVEN EN NABIJ ONDERGRONDSE KABELS EN LEIDINGEN VERRICHTEN Afdeling 5.4.6 ACTIVITEITEN BOVEN EN NABIJ BOVENGRONDSE KABELS EN LEIDINGEN VERRICHTEN Afdeling 5.4.7 ACTIVITEITEN IN HET GEBIED (SPOOR)WEG VERRICHTEN Afdeling 5.4.8 ACTIVITEITEN IN HET GEBIED EXTERNE VEILIGHEID VERRICHTEN Hoofdstuk 6 REGELS GEBIEDSONTWIKKELING EN TRANSFORMATIE Titel 6.
Hoofdstuk 7
LOCATIESPECIFIEKE REGELINGEN Hoofdstuk 8 OVERIGE ACTIVITEITEN TIJDELIJK DEEL VAN HET OMGEVINGSPLAN Afdeling 8.1 VERGUNNINGPLICHTEN EN BEOORDELINGSREGELS VOOR ACTIVITEITEN IN HET TIJDELIJKE DEEL VAN DIT OMGEVINGSPLAN Paragraaf 8.1.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan Artikel 8.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan: a. het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren; b. het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Artikel 8.2 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
- Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; of c. als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
- een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
- een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
- In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht Artikel 8.3 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Artikel 8.4 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Artikel 8.5 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet algemeen Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.4 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid. Artikel 8.6 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
- Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 8.4 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
- Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Afdeling 8.2 AANVRAAGVEREISTEN Paragraaf 8.2.1 Aanvraagvereisten Subparagraaf 8.2.1.
Artikel 8
.7 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van: a. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; b. artikel 8.4 van dit omgevingsplan; c. een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of d. artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Subparagraaf 8.2.1.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan Artikel 8.8 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.
- Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld Artikel 8.9 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Subparagraaf 8.2.1.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 8.4 van dit omgevingsplan Artikel 8.10 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
- het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
- Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Subparagraaf 8.2.1.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet Artikel 8.11 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. Artikel 8.12 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
- Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.11, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
- de omvang in vierkante meters; en
- de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:
- de exacte locatie;
- de omvang; en
- de diepte ten opzichte van het maaiveld; d. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:
- een bestek met bijbehorende tekeningen; of
- een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; e. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of f. als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. Artikel 8.13 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 8.12 Tekeningen als bedoeld in artikel 8.12 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening. Artikel 8.14 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
- Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 8.11, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
- overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
- foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen:
- als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;
- opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en
- slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. Artikel 8.15 Omgevingsplanactiviteit voor zover het gaat om een monument: verplaatsen van een gemeentelijk monument
- Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 8.11, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
- overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;
- foto’s van de bestaande toestand; en
- overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen:
- situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;
- opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en
- plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen. Artikel 8.16 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
- Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 8.11, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
- overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
- detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen:
- een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
- opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht;
- als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
- plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en
- als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
- de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en
- als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
- Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. Artikel 8.17 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.11 wordt, voor zover het gaat om het gebruik van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Artikel 8.18 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 8.14 tot en met 8.16
- Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 8.14 tot en met 8.16 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
- Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
- Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
- Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:
- gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en
- getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. Artikel 8.19 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument De artikelen 8.11 tot en met 8.18 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument. Artikel 8.20 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
- Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 8.21 Omgevingsplanactiviteit: uitweg Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen. Artikel 8.22 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben van een alarminstallatie in, op of aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en de werking van de signalering; en b. twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen. Artikel 8.23 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.
- Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en d. de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan. Artikel 8.24 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame.
- Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. Artikel 8.25 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard van de roerende zaken; en b. de omvang van de opslag van de roerende zaken.
- Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander. Subparagraaf 8.2.1.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet Artikel 8.26 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
- Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld. Afdeling 8.3 VOORSCHRIFTEN Paragraaf 8.3.1 Voorschriften Artikel 8.27 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
- Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
- Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden. Hoofdstuk 9 BEHEER EN ONDERHOUD Afdeling 9.1 ONDERHOUDS- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN Afdeling 9.2 GEDOOGPLICHTEN Hoofdstuk 10 FINANCIËLE BEPALINGEN Afdeling 10.1 KOSTENVERHAAL Afdeling 10.2 NADEELCOMPENSATIE Hoofdstuk 11 PROCESREGELS Afdeling 11.1 VOORBEREIDING VAN BESLUITEN Afdeling 11.2 GEMEENTELIJKE PROJECTEN VAN PUBLIEK BELANG Afdeling 11.3 ADVIES Afdeling 11.4 MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK Afdeling 11.5 ANDERE BESTUURSORGANEN Hoofdstuk 12 TOEZICHT EN HANDHAVING Afdeling 12.1 STRAFBEPALINGEN Afdeling 12.2 KWALITEITSBORGING EN AFSTEMMING Hoofdstuk 13 MONITORING EN INFORMATIE Afdeling 13.1 MONITORING Afdeling 13.2 INFORMATIE Hoofdstuk 14 OVERGANGSRECHT Artikel 14.1 Toepassingsbereik
- Dit hoofdstuk bevat algemene bepalingen over overgangsrecht.
- Van dit hoofdstuk kan elders in dit omgevingsplan met specifieke overgangsrechtelijke bepalingen worden afgeweken. In dat geval is dat specifieke overgangsrecht van toepassing. Artikel 14.2 Overgangsrecht met betrekking tot verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere genomen besluiten
- Een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift, of een ander besluit dat genomen is op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan, blijft gelden, hetzij tot heteinde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.
- Een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift verleend of gesteld op grond van dit omgevingsplan blijft ook na wijziging van de daarop betrekking hebbende regels in dit omgevingsplan gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken. Artikel 14.3 Overgangsrecht met betrekking tot aanvragen om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit
- Op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.
- In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat de regels over die activiteit worden toegepast zoals die opgrond van het omgevingsplan golden op het moment van de aanvraag, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen vaneen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, en er ook geen voorbeschermingsregels van toepassing waren. Artikel 14.4 Overgangsrecht met betrekking tot meldingen en kennisgevingen Dit artikel is gereserveerd voor regels over overgangsrecht met betrekking tot meldingen en kennisgevingen. Artikel 14.5 Overgangsrecht met betrekking tot nieuwe vergunningplichten
- Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van hetomgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van tweejaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
- De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken. Artikel 14.6 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten
- In afwijking van artikel 14.5, eerste lid, geldt dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, voor zover met diewijziging expliciet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een bepaalde activiteit te verrichten. In dat geval is artikel 14.5 onverkort van toepassing.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
- Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
- Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Artikel 14.7 Overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard enomvang niet wordt vergroot: a. in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en instrijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.
- Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Artikel 14.8 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
- Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in een gemeentelijke verordening die nadat het besluit is genomen zijn opgegaan in dit omgevingsplan, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:
- de last volledig is uitgevoerd;
- de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of
- de last is opgeheven.
- Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:
- de last volledig is uitgevoerd;
- de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of
- de last is opgeheven. Hoofdstuk 15 GERESERVEERD Hoofdstuk 16 GERESERVEERD Hoofdstuk 17 GERESERVEERD Hoofdstuk 18 GERESERVEERD Hoofdstuk 19 GERESERVEERD Hoofdstuk 20 GERESERVEERD Hoofdstuk 21 GERESERVEERD Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN ['BRUIDSSCHAT' VAN HET RIJK] Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Artikel 22.6 Vervallen Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
- Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater Artikel 22.13 Bluswatervoorziening Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.
Artikel 22
.23 Algemene afbakeningseisen Artikel 22.24 Meetbepalingen Artikel 22.25 Mantelzorg Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
- Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. vervallen; b. vervallen; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
- de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
- bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Vervallen. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
- De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
- Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van bu