In het kort
Deze verordening regelt de algemene openbare orde en veiligheid binnen de gemeente Velsen, en stelt regels voor vergunningen en ontheffingen die daarvoor nodig zijn. Het doel is het beschermen van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu.
Wat het reguleert
- Definities van belangrijke begrippen zoals 'openbare plaats', 'weg' en 'openbaar water'.
- De procedures en termijnen voor het aanvragen, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen en ontheffingen.
- Regels voor gedrag op openbare plaatsen, zoals samenscholing, betogingen en het verspreiden van gedrukte stukken.
- Voorschriften voor het gebruik en de bruikbaarheid van wegen, inclusief het aanleggen van uitwegen en het voorkomen van gladheid.
Wie het aangaat
- Inwoners en bezoekers van de gemeente Velsen die zich op openbare plaatsen begeven of activiteiten willen ontplooien waarvoor een vergunning of ontheffing nodig is.
- Bedrijven die winkelwagentjes ter beschikking stellen.
Kernpunten
- Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen moeten binnen acht weken worden beslist, met een mogelijke verlenging van nog eens acht weken.
- Aanvragen die minder dan drie weken voor de benodigde datum worden ingediend, kunnen worden geweigerd.
- Vergunningen en ontheffingen zijn persoonsgebonden, tenzij anders bepaald, en kunnen worden ingetrokken bij onjuiste gegevens, veranderde omstandigheden, niet-naleving van voorschriften, of geen gebruik.
- Het is verboden deel te nemen aan samenscholingen of door uitdagend gedrag ongeregeldheden te veroorzaken op openbare plaatsen.
- Wie een betoging wil houden, moet dit ten minste 48 uur van tevoren schriftelijk melden aan de burgemeester.
Wettekst
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Velsen 2009 (1e wijziging en 2e wijziging)HOOFDSTUK
- ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet; rechthebbende: degene die over een zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Velsen; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. strand: de al dan niet begroeide of ingerichte zandstrook met inbegrip van het binnenmeergebied tussen de duinen die als primaire waterkering dienen en de Noordzee met inbegrip van de duinhellingen of het beloop van de duinen en de afritten van wegen en paden, welke toegang geven tot deze zandstrook alsmede de zandstrook van de ten westen van het sluizencomplex gelegen havens en kanalen en de havenhoofden en strekdammen; zee: het gedeelte van de Noordzee, gelegen tussen het strand en de gemeentegrens in de Noordzee, alsmede het water van de havens en kanalen gelegen ten westen van het sluizencomplex. Artikel 1:2 Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bevoegd orgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:6 of artikel 4:
- Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid. Artikel 1:3 Indiening aanvraag Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of de ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1:8 Weigeringgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Artikel 1:9 Toepassen lex silencio positivo Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: Artikel 2:4 Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest. Artikel 5:22 Vergunning organisatie snuffelmarkt. Artikel 1:10 Niet toepassen lex silencio positivo Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: Artikel 2:17 Vergunning evenement Artikel 2:20 Exploitatievergunning horecabedrijf Artikel 2:31 Exploitatievergunning speelgelegenheid Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting Artikel 4:29 Ontheffing verbod recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein HOOFDSTUK
- OPENBARE ORDE AFDELING
- BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldhedenHet is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. AFDELING
- BETOGING Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen, samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensovertuiging of vergaderingen op openbare plaatsenHij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat deze wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt; het doel van de betoging, samenkomst of vergadering; de datum waarop de betoging, samenkomst of vergadering wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die hij die de betoging, samenkomst of vergadering houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. AFDELING
- VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN Artikel 2:3 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingenHet is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. AFDELING
- VERTONINGEN E.D. OP DE WEG OF HET STRAND Artikel 2:4 Straatartiest e.d.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. AFDELING
- BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG Artikel 2:5 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervanHet is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:16; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:
- Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegHet is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening. Artikel 2:7 Maken, veranderen van een uitwegHet is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. AFDELING
- VEILIGHEID OP DE WEG Artikel 2:8 Veroorzaken van gladheidHet is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- De eigenaar van dan wel rechthebbende op een gebouw of terrein is verplicht om het trottoir langs dat gebouw of terrein zoveel mogelijk sneeuw- en ijsvrij te maken en te houden. Artikel 2:9 WinkelwagentjesDe rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het is verboden zich met een winkelwagentje op een openbare plaats te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. Het in het eerste lid bepaalde is geldt niet voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:10 Openen straatkolken e.d.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolpunt, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:11 Voorzieningen voor verkeer en verlichtingDe rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:12 Maken filmopnamen e.d.Het is zonder vergunning van het college verboden film- en foto-opnamen te maken in de openbare ruimte voor commerciële doeleinden. Artikel 2:13 Aanwezigheid van LPGHet is verboden LPG voor handen te hebben, anders dan voor het voortbewegen van voertuigen voorzien van een deugdelijke installatie. Van het verbod gesteld in het eerste lid kan het college ontheffing verlenen. Artikel 2:14 Bezit gevaarlijke voorwerpenHet is verboden op door het college aangegeven wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III, en IV van de Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2:15 Verbod gebruik metaaldetectorHet is verboden om met een metaaldetector of een ander gelijksoortig instrument metalen voorwerpen op te sporen in het gedeelte De Heerenduinen van het natuurgebied Nationaal Park Kennemerduinen zoals door het college aangewezen. Het college kan in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod aan het Explosieven Opruimings Commando van de Koninklijke Landmacht. AFDELING
- EVENEMENTEN Artikel 2:16 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder: Evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:21 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet Openbare Manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:31 van deze verordening. Groot evenement: Een evenement waarbij tijdens de voorbereiding en uitvoering van dit evenement een gecoördineerde aanpak van politie, brandweer, Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR), gemeente en organisator van het evenement noodzakelijk wordt geacht, dan wel een evenement dat voldoet aan drie van de volgende vier criteria: het evenement vormt een belasting voor de leefomgeving; doorgaande wegen moeten worden afgesloten in verband met het te organiseren evenement; voor het evenement worden meer dan 1000 bezoekers/deelnemers verwacht; het evenement veroorzaakt geluidhinder. Middelgroot evenement: Een evenement dat een belasting vormt voor de leefomgeving, maar verder slechts aan één van de volgende criteria voldoet: doorgaande wegen moeten worden afgesloten in verband met het te organiseren evenement; voor het evenement worden meer dan 500 bezoekers/deelnemers verwacht; het evenement veroorzaakt geluidhinder. Klein evenement: Een evenement dat geen noemenswaardige belasting vormt voor of impact heeft op de leefomgeving, de openbare orde en veiligheid en aan de volgende criteria voldoet: er worden geen doorgaande wegen afgesloten in verband met het te organiseren evenement; er worden minder dan 500 bezoekers/deelnemers verwacht. Evenementengebied: Een al dan niet afgesloten gebied waar een evenement plaatsvindt. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg of op openbaar water; een klein evenement. Artikel 2:17 EvenementHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. De burgemeester kan voor het houden van een evenement een gebied aanwijzen als evenementengebied. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 gelden voor het aanvragen van grote, middelgrote en kleine evenementen de volgende termijnen: de aanvraag voor een groot evenement dient minimaal twintig weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt te worden ingediend; de aanvraag voor een middelgroot evenement dient minimaal twaalf weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt te worden ingediend; de aanvraag voor een klein evenement dient uiterlijk vier weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt te worden ingediend. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 beslist de burgemeester op een aanvraag voor een vergunning voor een groot of middelgroot evenement binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De burgemeester kan zijn besluit voor ten hoogste acht weken verdagen. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: het evenement tussen 10.00 uur en 24.00 uur plaatsvindt; het evenement niet meer dan 2 straten omvat; geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 10.00 uur of na 23.00 uur; het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object en niet meer dan 2 objecten per straat; een zo nodig vereiste gebruiksvergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening is verleend; er een organisator is; de organisator binnen ten minste 4 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester met een door deze vastgesteld meldingsformulier. Indien binnen 3 weken na ontvangst van het meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest, (muziek)voorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet
- Artikel 2:18 OrdeverstoringHet is verboden bij een evenement de orde te verstoren. AFDELING
- TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN Artikel 2:19 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een horecabedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen. leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in het horecabedrijf. Artikel 2:20 Exploitatievergunning openbare inrichtingHet is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester weigert de vergunning, indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan. De burgemeester weigert de vergunning voorts indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag van hemzelf en eventuele leidinggevenden overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een zorginstelling; een museum; of een bedrijfskantine- of restaurant. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien: zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:20, tweede of vierde lid. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid, onder a. Artikel 2:21 ToelatingstijdHet is de exploitant van een openbare inrichting verboden hierin bezoekers toe te laten tussen 02.00 uur en 05.00 uur. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere toelatingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:20, zesde lid, onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het eerste is niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Artikel 2:22 Afwijking toelatingstijd; tijdelijke sluitingDe burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere toelatingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het eerste is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet. Artikel 2:23 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijfHet is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf ingevolge een op grond van artikel 2:22, lid 1 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel 2:24 Handel binnen openbare inrichtingenIn dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2:25 OrdeverstoringHet is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 2:26 Het college als bevoegd bestuursorgaanIndien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:20 tot en met 2:22 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:27 Nadere regelsMet het oog op de in artikel 2:20 genoemde belangen kan de burgemeester nadere regels stellen ter zake van de exploitatie van het horecabedrijf en de handhaving hiervan. AFDELING
- TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF Artikel 2:28 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft, waaronder ook wordt begrepen de jachthaven ten zuiden van de Zuidpier. Artikel 2:29 Kennisgeving exploitatieDegene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:30 Verschaffing gegevens nachtregisterDegene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. AFDELING
- TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN Artikel 2:31 SpeelgelegenhedenDit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen, waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de Kansspelen te verrichten. De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel 2:32 SpeelautomatenIn dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de Kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. AFDELING
- MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID Artikel 2:33 Betreden gesloten woning of lokaalHet is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:34 Plakken en kladdenHet is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:35 Vervoer plakgereedschap e.d.Het is verboden op de weg, het strand of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn gebruikt of niet bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:
- Artikel 2:36 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstalHet is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Het is verboden op de openbare weg in de nabijheid van winkels een tas of ander hulpmiddel, kennelijk uitgerust om winkeldiefstal mee te plegen, bij zich te hebben of te vervoeren. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die tas of dat ander hulpmiddel niet is bestemd voor het plegen van winkeldiefstal. Artikel 2:37 Vervoer verontreinigend middel tijdens luilakHet is verboden tussen de vrijdagavond om 22.00 uur en zaterdagochtend tot 08.00 uur vóór Pinksteren op of aan de weg te vervoeren of bij zich te hebben artikelen als boter, eieren, kaars, zeep meel, mayonaise, lijm en/of andere middelen met het kennelijke doel roerende en/of onroerende zaken te besmeuren. Artikel 2:38 Hinderlijk gedrag op of aan de wegHet is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. op of aan de weg te vechten, te schreeuwen of ander lawaai te veroorzaken, op te dringen, anderen overlast aan te doen of op enigerlei wijze de openbare orde te verstoren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- Artikel 2:39 Verboden drankgebruikHet is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een openbare inrichting die horecabedrijf is als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:40 Verboden gedrag bij of in gebouwenHet is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw. Artikel 2:41 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenHet is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, galerijen, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2:42 Neerzetten van fietsen e.d.Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of die portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2:43 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:44 Bespieden van personenHet is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevinden de persoon, te bespieden. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, een woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel 2:45 Loslopende hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg of het strand zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg of het strand zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt (losloopplaatsen). De verboden genoemd in het eerste lid, onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2:46 Verontreiniging door hondenDe eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op het strand; op een andere door het college aangewezen plaats. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a of c niet geldt. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich met een hond op of aan de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben voor verwijdering van uitwerpselen van de hond. De eigenaar of houder van een hond die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht het hulpmiddel als genoemd in lid 3 op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudend ambtenaar. De zorgplicht van lid 1 geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel 2:47 Overlast door hondenDe eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat het dier anderen geen overlast aandoet, hinder of burengerucht veroorzaakt. Artikel 2:48 Gevaarlijke hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of een openbare plaats of het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college aan de eigenaar of houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; In afwijking van artikel 2:45, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel 2:49 Verontreiniging door paardenDe eigenaar of houder van een paard is verplicht ervoor te zorgen dat uitwerpselen van het paard niet op de weg terecht komen. Om te voorkomen dat uitwerpselen op de weg terecht komen is de eigenaar of houder van een paard verplicht ervoor te zorgen dat het paard een doelmatige voorziening draagt om de uitwerpselen op te vangen. Deze voorziening hoeft niet aanwezig te zijn indien het paard aanwezig is op de aangewezen ruiterpaden. Artikel 2:50 Houden van hinderlijke of schadelijke dierenHet college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen en krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2:51 Loslopend vee en pluimveeDe rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:52 BedelarijHet is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Artikel 2:53 Toestand woningen en andere bouwwerken of bijbehorende ervenHet is verboden in, op of aan een woning, een ander bouwwerk of een bijbehorend erf voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten waardoor voor de omgeving overlast, hinder of gevaar voor de gezondheid wordt veroorzaakt. Het is verboden door de aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van de woning, het bouwwerk of het erf hinder, overlast dan wel gevaar voor de gezondheid van omwonenden te veroorzaken. Artikel 2:54 Overlast van bouwplaatsDe eigenaar of ontwikkelaar van een bouwplaats is verplicht er zorg voor te dragen dat het bouwrijp maken en ontwikkelen van deze bouwplaats geen overlast oplevert voor de omgeving in de vorm van stuifzand op de weg of een openbare plaats. Hij treft tijdig afdoende maatregelen om deze overlast te voorkomen. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven, indien de eigenaar of ontwikkelaar er zorg voor draagt dat het stuifzand onmiddellijk wordt verwijderd. AFDELING
- VUURWERK Artikel 2:55 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:56 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagenHet is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Artikel 2:57 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisselingHet is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. AFDELING
- DRUGSOVERLAST Artikel 2:58 Drugshandel/ -gebruik op straatOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Het is verboden op een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Het verbod van lid 1 en 2 geldt niet voor voorwerpen en handelingen die in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder preventie, bestrijding van drugs- verslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd. AFDELING
- TOEZICHT OP GROW-, SMART- en HEADSHOPS Artikel 2:59 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop; leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: de levenspartner en kinderen van de leidinggevende van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2:60 VergunningplichtHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren (winkelvergunning). Artikel 2:61 Gedragseisen leidinggevendeIedere leidinggevende moet voldoen aan de volgende eisen: staat niet onder curatele; is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt. Naast de in lid 1 genoemde gedragseisen voor leidinggevenden wordt bovendien voldaan aan de eisen genoemd in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet
- Artikel 2:62 Nadere regelsDe burgemeester kan nadere regels stellen over het aantal inrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend, de vestiging en exploitatie van inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2:59 onder a. Artikel 2:63 VergunningaanvraagVoor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. De ondernemer vraagt de vergunning aan met overlegging van: de persoonsgegevens van de leidinggevende voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de persoonsgegevens van iedere overige leidinggevende; het adres en de aard van de inrichting; het bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, indien de ondernemer is gevestigd in Nederland; een verklaring waaruit blijkt dat de ondernemer gerechtigd is over de ruimte te beschikken; een nauwkeurige omschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan alsmede de plattegrondtekening schaal 1:
- Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen Artikel 2:64 BeslistermijnDe burgemeester beslist binnen 12 weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het 1e lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging. Artikel 2:65 WeigeringgrondenDe vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:61 geldende gedragseisen voor leidinggevenden De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. De vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de nadere regels van de burgemeester, als bedoeld in artikel 2:
- Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de wijze van exploitatie van een inrichting in het verleden. Artikel 2:66 Vergunning
- In een vergunning worden vermeld: de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend; de leidinggevenden; tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; de plaats waar de inrichting zich bevindt; de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten
- De vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig. Artikel 2:67 Aanwezigheid leidinggevendeHet is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning. Artikel 2:68 IntrekkinggrondenOnverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien: zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; is gehandeld in strijd met het bij of krachtens de artikelen 2:59 tot en met 2:73 bepaalde; een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft. Artikel 2:69 Vervallen vergunningDe vergunning vervalt, indien: geen exploitatie van de inrichting plaatsvindt gedurende drie maanden en geen sprake is van overmacht; er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend. de vergunning vervalt op het moment dat blijkt dat geen nieuwe vergunning is aangevraagd binnen een week nadat de op de vergunning vermelde leidinggevende de hoedanigheid van leidinggevende heeft verloren of in de inrichting een aanmerkelijke wijziging van bouwkundige aard heeft plaatsgevonden. Artikel 2:70 SluitingsuurOp de openingstijden van de inrichting is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde van toepassing. Het is de exploitant van een inrichting verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijden dat de inrichting op grond van de in het eerste lid bedoelde regelgeving voor het publiek gesloten dient te zijn. Artikel 2:71 Sluiting van inrichtingenDe burgemeester kan de sluiting bevelen van een inrichting in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een inrichting indien: die inrichting wordt geëxploiteerd zonder vergunning als bedoeld in artikel 2:60; die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning, als bedoeld in artikel 2:60, verbonden voorschriften; De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het 1e en het 3e lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven. Artikel 2:72 Toegang ambtenaren van politieDe leidinggevende van een inrichting als bedoeld in artikel 2:59 is verplicht ervoor zorg te dragen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting: gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, indien die ambtenaren van politie het vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn. Artikel 2:73 OvergangsbepalingOp bestaande inrichtingen als bedoeld in artikel 2:59 is het bepaalde in artikel 2:60 (vergunningplicht) niet van toepassing: gedurende 13 weken na inwerkingtreding daarvan; na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:60 is ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen. AFDELING
- BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN, STADIONOMGEVINGSVERBOD EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:74 Bestuurlijke ophoudingDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in een noodbevel, een noodverordening dan wel de navolgende artikelen van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1 (samenscholingsverbod), artikel 2:5 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg), artikel 2:6 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), artikel 2:10 (openen straatkolken e.d.), artikel 2:14 (bezit gevaarlijke voorwerpen), artikel 2:38 (hinderlijk gedrag op of aan de weg), artikel 2:39 (verboden drankgebruik), artikel 2:40 (verboden gedrag in of bij gebouwen), artikel 2:41 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten), artikel 2:58 (bezigen van consumentenvuurwerk), artikel 5:47 (verbod om vuur te stoken). Artikel 2:75 VeiligheidsrisicogebiedenDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Hij zal - behoudens onvoorziene omstandigheden - voorafgaand aan de aanwijzing de raad consulteren. Artikel 2:76 StadiomomgevingsverbodDe burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden binnen een straal van 500 meter van een stadion van een betaald voetbal organisatie vanaf 4 uur vóór het vastgestelde aanvangstijdstip tot 4 uur na afloop van voetbalwedstrijden. Het verbod geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan 2 jaar. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsenDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van toezicht op een openbare plaats. HOOFDSTUK
- SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE AFDELING
- BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 3:1 BegripsbepalingenIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte (waaronder begrepen een voer- of vaartuig, dan wel een gedeelte daarvan) waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijk persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaanIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3:3 Nadere regelsMet het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS E.D. Artikel 3:4 SeksinrichtingenHet is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; een plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerderDe exploitant en de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Absintwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel 3:6 SluitingstijdenHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met zondag tussen 24.00 en 05.00 uur. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluitingMet het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6 eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:3 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3:9 StraatprostitutieHet is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan de weg; zichtbaar vanaf de weg; op een andere dan onder a en b bedoelde openbare plaats. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden als genoemd in het besluit. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel 3:10 SekswinkelsHet is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen aan, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. AFDELING
- BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGGRONDEN Artikel 3:12 BeslissingstermijnHet bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3:13 WeigeringgrondenDe vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting, de sekswinkel of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een vastgesteld ontwerp voor een bestemmingsplan of een ontwerp voor een herziening daarvan; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zin of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Het maximaal af te geven aantal vergunningen voor seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee; AFDELING
- BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER Artikel 3:14 Beëindiging exploitatieDe vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:15 Wijziging beheerIndien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. HOOFDSTUK
- BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE AFDELING
- GELUIDHINDER EN VERLICHTING Artikel 4:1 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. inrichting: inrichting type A of type B als bedoel in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteitenDe geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van het nieuwe kalenderjaar bekend. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het college kan ten aanzien van een collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid nadere regels vaststellen die zien op het maximale geluidsniveau als gevolg van de inrichting en gedragsmaatregelen ter voorkoming of beperking van geluidhinder. De houder van de inrichting is verplicht deze nadere regels na te leven. Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteitenHet is een inrichting toegestaan maximaal 12 dagen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, onder voorwaarde dat: de houder van de inrichting ten minste 10 dagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld; de festiviteit overeenkomstig de kennisgeving wordt uitgevoerd. Het is een inrichting toegestaan om tijdens de incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, onder voorwaarde dat: de houder van de inrichting ten minste 10 dagen voor de aanvang van de festiviteit het college in kennis heeft gesteld; de festiviteit overeenkomstig de kennisgeving wordt uitgevoerd. Het college stelt een (digitaal) formulier vast voor het doen van een kennisgeving. Omwonenden dienen ten minste 3 werkdagen voorafgaand aan de festiviteit (schriftelijk) op de hoogte te worden gebracht. Het college kan wanneer een incidentele festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, deze festiviteit terstond toestaan op verzoek van de houder van de inrichting. Het ongebruikt laten van een collectieve dag betekent niet dat het aantal incidentele dagen evenredig toeneemt. Uitwisseling tussen collectieve en incidentele festiviteiten is niet toegestaan. Het college kan ten aanzien van een incidentele festiviteit zoals bedoeld in het eerste lid nadere regels vaststellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder tijdens een incidentele festiviteit. De houder van de inrichting is verplicht deze nadere regels na te leven. Artikel 4:4 Overige geluidhinderHet is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Het verbod geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. Artikel 4:5 (Geluid)hinder in de openluchtHet is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. Artikel 4:6 (Geluid)hinder door dierenDegene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel 4:7 (Geluid)hinder door motorvoertuig, bromfiets e.d.Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel 4:8 (Geluid)hinder door vrachtauto’sHet is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. AFDELING
- BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel 4:9 Natuurlijke behoefte doenHet is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg/ strand zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel 4:10 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwenDe eigenaar van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen, is verplicht ervoor te zorgen dat deze zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel 4:11 GevelreinigingHet is verboden zonder vergunning van het college: aanslag, verf, conserveerlagen of enige andere dergelijke stof van gevels, muren, puien, bruggen of andere voorwerpen te verwijderen; voegen van gevels, muren, puien, bruggen of andere voorwerpen met behulp van pneumatisch en/of elektrisch gereedschap te bewerken; stoffen aan te brengen ter voorbereiding van de onder a. bedoelde verwijdering. Dit verbod geldt niet voor het schoonmaken van glasoppervlakken en niet van verf of conserveerlagen voorziene gladde natuurstenen, aluminium of kunststof oppervlakken met water en huishoudzepen. AFDELING
- HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN Artikel 4:12 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand: één of meer bomen, hakhout of een houtwal; hakhout: één of meer bomen of boomvormers die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand, die uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; iepziekte: de aantasting van iepen door schimmel Ophistoma ulmi (Buism.), Nannf.(syn Ceratocystis ulmi (Buism.) C.Moreau); iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) Scolytus multistriatus (Marsch). en Scolytus pygmaeus. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Onder boomwaardebepaling wordt verstaan de door burgemeester en wethouders vastgestelde wijze waarop de waarde van de bomen wordt bepaald. Artikel 4:13 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstandenHet is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen en houtopstand met een diameter van 15 cm. of groter op 1.30 m. hoogte te vellen of te doen vellen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:
- Artikel 4:14 WeigeringgrondenDe vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. college verwijst hierbij zoveel mogelijk naar gemeentelijke groen-, bomen- of landschapsplannen. Artikel 4:15 Bijzondere vergunningsvoorschriftenTot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. Houtopstand mag niet eerder worden geveld, dat nadat de wettelijke bezwaartermijn is verstreken. Indien tegen de rooivergunning bezwaar is ingediend en/of tijdens de bezwarentermijn een voorlopige voorziening is gevraagd, mag pas met rooien worden begonnen als de bezwarenprocedure is afgerond, of het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De geldigheidsduur van de kapvergunning is 1 jaar. Artikel 4:16 Herplant / instandhoudingplichtIndien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. De waarde en omvang van de te herbeplanten houtopstand kan worden vastgesteld overeenkomstig de boomwaarde van de tenietgegane houtopstand. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel 4:17 SchadevergoedingIndien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4:13, artikel 4:17 of artikel 4:19 schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 4:18 Bestrijding iepziekteIndien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. a. het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren; het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnee kleiner dan 4 cm ; het college kan ontheffing verlenen van het onder a en b van dit lid gestelde verbod. AFDELING
- BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel 4:19 Bescherming groenvoorzieningenHet is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen, of bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken, straatbomen of bloembakken verboden hieraan enige schade toe te brengen dan wel aldaar bloemen te plukken. Artikel 4:20 Beschermde planten; hout sprokkelenHet college is bevoegd: plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur , landschaps of dorps / stadsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben; bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. Het is verboden op een door het college, krachtens het eerste lid, aangewezen plaats: de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken, bij zich te hebben; dan wel hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. Het in dit artikel bepaalde geldt niet: ten aanzien van door of met toestemming van de rechtshebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige bloemen of planten of hout; indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; voor zover de Natuurbeschermingswet van toepassing is. Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet: ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop het in artikel 4:13 gestelde verbod niet van toepassing is;. ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout. Artikel 4:21 Ruiters in parken of plantsoenenHet is verboden zich in de parken of plantsoenen, als ruiter te bevinden buiten de als zodanig aangeduide ruiterpaden. Voor toepassing van het eerste lid wordt onder ruiter verstaan hij, die paard of pony berijdt of begeleidt. Artikel 4:22 Ruiterbewijs in parkenRuiters van 12 jaar en ouder zijn verplicht om in parken in het bezit te zijn van een door de Minister erkend geldig ruiterbewijs. Een ruiter jonger dan 12 jaar mag slechts in de parken rijden, indien hij wordt begeleid door iemand met een ruiterbewijs. Manegehouders mogen maximaal 12 ruiters zonder ruiterbewijs begeleiden. AFDELING
- MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 4:23 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:28 of onderdelen daarvan en boten, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Milieuverordening Noord Holland. Artikel 4:24 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclameHet is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. AFDELING
- KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel 4:25 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:26 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinenHet is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. Artikel 4:27 Aanwijzing kampeerplaatsenHet college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:26, eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:26, vierde lid. HOOFDSTUK
- ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling
- PARKEEREXCESSEN Artikel 5:1 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigenHet is verboden op wegen en weggedeelten in de gemeente een voertuig te parkeren - verder dan 100 meter van het woonadres van de eigenaar - met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:4 Defecte voertuigenHet is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 VoertuigwrakkenHet is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:6 Kampeermiddelen/ aanhangwagensHet is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigenHet is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffenHet is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet Milieubeheer van toepassing is. Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenHet is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfietsHet college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar het verboden is langer dan een door hem te bepalen periode zonder wezenlijke tijdsonderbreking van de voor het parkeren van fietsen of bromfietsen bestemde voorzieningen gebruik te maken. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan. AFDELING
- COLLECTEREN Artikel 5:13 Inzameling van geld of goedHet is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. AFDELING
- VENTEN Artikel 5:14 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis; Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:21; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:
- Artikel 5:15 VentverbodHet is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het is verboden - met uitzondering van het strand - te venten op zondagen en op maandag t/m zaterdag tussen 17.00 en 09.00 uur. Het verbod geldt voor het strand van zondag t/m zaterdag tussen 20.00 uur en 09.00 uur. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuitingHet verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen: op door het college aangewezen openbare plaatsen, of voor bepaalde dagen en uren. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. AFDELING
- STANDPLAATSEN Artikel 5:17 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder een standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:
- Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringgrondenHet is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs is te verwachten dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel 5:19 Toestemming rechthebbendeHet is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats is of wordt ingenomen. Artikel 5:20 AfbakeningsbepalingHet verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. AFDELING
- SNUFFELMARKTEN Artikel 5:21 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:
- Artikel 5:22 Organiseren van een snuffelmarktHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. AFDELING
- OPENBAAR WATER Artikel 5:23 BegripsbepalingIn deze afdeling en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: Woonboot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf; burgemeester en wethouders kunnen categorieën van woonboten vaststellen; Bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet-zijnde een zee- of binnenschip, hoofdzakelijk gebruikt als of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten; Passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk binnen de gemeente gebruikt voor of bestemd tot vervoer van personen of om beschikbaar te worden gesteld aan een of meer personen ten behoeve van varende recreatie; Pleziervaartuig: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie; Stationerend vaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object, dat afgemeerd is te water en niet tot enig andere in deze verordening genoemde categorie behoort, alsmede een schip, vaartuig of casco in aanbouw tot woonboot, pleziervaartuig, bedrijfsvaartuig, passagiersvaartuig of ander stationerend vaartuig. Artikel 5:24 Ligplaatsvergunning woonbootHet is verboden met een woonboot ligplaats in te nemen of te hebben op door burgemeester en wethouders aangegeven gedeelten openbaar water. Het is verboden, in de niet op grond van lid 1 aangewezen gedeelten, zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden. Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op plaatsen die zijn aangewezen op grond van artikel 31 Wet op de woonwagens en woonschepen. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van ordening van het gebruik van het water, de openbare orde, de veiligheid, het milieu en het stadsschoon de vergunning weigeren dan wel ter behartiging van genoemde belangen voorwaarden verbinden aan het innemen van een plaats als bedoeld in het tweede lid. Het is verboden, nadat een vergunning als bedoeld in het tweede lid is geweigerd, in de gemeente ligplaats in te nemen. Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders bedrijfsmatige activiteiten op een woonboot uit te oefenen. Artikel 5:25 Nadere regels woonbotenBurgemeester en wethouders stellen nadere regels vast met betrekking tot registratie en veiligheid. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot afmetingen; zij kunnen daarbij onderscheid maken naar categorieën woonboten. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met het oog op het milieu. De vergunninghouder dan wel degene die ligplaats heeft op een aangewezen plaats als bedoeld in artikel 5:24 derde lid, is verplicht op door burgemeester en wethouders te bepalen termijn aan te tonen dat de woonboot voldoet aan de op grond van dit artikel gestelde regels. Burgemeester en wethouders kunnen de in het vierde lid bedoelde personen aanschrijven de woonboot binnen een bepaalde termijn in overeenstemming te brengen met de op grond van of krachtens deze verordening gestelde regels; degene tot wie de aanschrijving is gericht, is verplicht hieraan te voldoen. Artikel 5:26 Vervangen woonbootHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonboot te vervangen. Burgemeester en wethouders stellen ten aanzien van het vervangen nadere regels met betrekking tot afmetingen; zij kunnen daarbij onderscheid maken naar categorieën woonboten.
- Artikel 5:24 derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:27 Verbouwen woonbootHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonboot te verbouwen. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing in het geval het verbouwen geen wijzigingen van de afmetingen of de uiterlijke staat tot gevolg heeft. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het verbouwen. Artikel 5:24 derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:28 Woonverblijf anders dan op een woonbootHet is verboden woonverblijf te hebben op water indien geen vergunning als bedoeld in artikel 5:24, tweede lid is verleend of indien geen ligplaats op een aangewezen plaats als bedoeld in artikel 5:24, derde lid wordt ingenomen. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor zee- en binnenschepen. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod, vermeld in het eerste lid, ontheffing verlenen indien het betrokken vaartuig niet hoofdzakelijk als woonverblijf wordt gebruikt of is bestemd. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod, vermeld in het eerste lid, ontheffing verlenen voor woonverblijf op een voormalig binnenschip aan een voormalig schipper. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels vast omtrent het in het vierde lid bepaalde. Artikel 5:29 Ligplaatsvergunning bedrijfsvaartuigHet is verboden, zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen; de vergunning is persoons-, bedrijfs-, ligplaats- en vaartuiggebonden. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing voor het innemen van een ligplaats die burgemeester en wethouders hebben aangewezen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen. De vergunning kan alleen worden verleend indien de uit te oefenen werkzaamheden of activiteiten watergebonden zijn of wanneer het gaat om de aan- of afvoer van materialen over water en de vereiste vergunningen voor het uitoefenen van die werkzaamheden of activiteiten zijn verleend. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het gestelde in het derde lid. Burgemeester en wethouders kunnen voorts in afwijking van het derde lid vergunning verlenen voor incidentele sociaal-culturele activiteiten die een korte periode duren. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een bedrijfsvaartuig waarmee uitsluitend watergebonden activiteiten worden uitgeoefend en dat niet langer dan tien achtereenvolgende dagen ligplaats inneemt; burgemeester en wethouders kunnen de termijn van tien dagen met maximaal tien dagen verlengen. Artikel 5:25, derde lid is van overeenkomstige toepassing. Het is verboden, nadat een vergunning als bedoeld in het eerste lid is geweigerd, in de gemeente ligplaats in te nemen. Artikel 5:30 Nadere regels bedrijfsvaartuigenBurgemeester en wethouders stellen nadere regels vast met betrekking tot registratie en veiligheid. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de afmetingen en met het oog op het milieu. De vergunninghouder dan wel degene die ligplaats heeft op een aangewezen plaats als bedoeld in artikel 5:29, tweede lid, is verplicht op een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn aan te tonen dat het vaartuig voldoet aan de op grond van dit artikel gestelde regels. Burgemeester en wethouders kunnen de in het derde lid bedoelde personen aanschrijven het bedrijfsvaartuig binnen een bepaalde termijn in overeenstemming te brengen met de op grond van dit artikel gestelde regels; degene tot wie een zodanige aanschrijving is gericht, is verplicht hieraan te voldoen. Artikel 5:31 Vervangen bedrijfsvaartuigHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een bedrijfsvaartuig te vervangen. Burgemeester en wethouders stellen ten aanzien van het vervangen nadere regels met betrekking tot afmetingen. Artikel 5:25, derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:32 Verbouwen bedrijfsvaartuigHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een bedrijfsvaartuig te verbouwen. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing in het geval de verbouwing geen wijzigingen van afmetingen of uiterlijke staat tot gevolg heeft. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het verbouwen. Artikel 5:25, derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:33 PassagiersvaartuigenHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een passagiersvaartuig te exploiteren. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid en milieu. Burgemeester en wethouders kunnen, gelet op de in het tweede lid genoemde belangen, ter beperking van het aantal passagiersvaartuigen de vergunning weigeren dan wel bij de vergunning een maximum bepalen van het aantal te exploiteren vaartuigen. Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van de vergunning tevens bepalen welke wateren, al of niet met enige beperking, mogen worden bevaren, alsmede op welke plaatsen mag worden afgemeerd; zij kunnen hierbij onderscheid maken naar categorieën passagiersvaartuigen. Artikel 5:25, derde lid is van overeenkomstige toepassing; burgemeester en wethouders kunnen hierbij onderscheid maken naar categorieën passagiersvaartuigen. Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing voor zover in of krachtens de Binnenschepenwet eisen zijn gesteld met betrekking tot de vermelde onderwerpen. Artikel 5:34 PleziervaartuigenOnverminderd het op grond van artikel 5:35 bepaalde is het verboden pleziervaartuigen die langer zijn dan 12 meter, op de lengte over het dek gemeten, af te meren op andere dan door burgemeester en wethouders aangewezen ligplaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen; zij kunnen hiervoor nadere regels vaststellen. Artikel 5:35 Stationerende vaartuigenHet is verboden met een stationerend vaartuig ligplaats in te nemen. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. Het is verboden, nadat een ontheffing als bedoeld in het tweede lid is geweigerd, in de gemeente ligplaats in te nemen. Artikel 5:36 Voorwerpen op, in of boven openbaar waterHet is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerd Telecommunicatieverordening. Artikel 5:37 Beschadigen van waterstaatswerkenHet is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland. Artikel 5:38 ReddingsmiddelenHet is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5:39 Orde en veiligheid met betrekking tot de scheepvaartHij, aan wie bij ordeverstoring of dreigende ordeverstoring op het openbaar water door een politieambtenaar het bevel gegeven wordt zich te verwijderen, is verplicht aan dit bevel onmiddellijk te voldoen en wel langs de weg of in de richting door die politieambtenaar aangeduid. De schipper of andere gebruiker van een vaartuig aan wie bij ordeverstoring of dreigende ordeverstoring op het openbaar water door een politieambtenaar het bevel gegeven wordt zijn vaartuig te verwijderen, is verplicht aan dit bevel onmiddellijk te voldoen en wel langs de weg of in de richting door die politieambtenaar aangeduid. Onder openbaar water in het eerste lid wordt in dit verband mede verstaan de hierin, hieraan of hierover gelegen kunstwerken. Artikel 5:40 Veiligheid op het waterHet is aan een ieder die zich als bader of zwemmer of als beoefenaar van de watersport in een openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland. Artikel 5:41 Overlast aan vaartuigHet is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. AFDELING
- TOEZICHT OP STRAND EN ZEE Artikel 5:42 Berijden strand met voertuigenHet is verboden met gemotoriseerde voertuigen, zeilwagens, windrijders of andere dergelijke voor de recreatie bestemde voertuigen, op het strand te rijden, deze op het strand te brengen of te hebben. Het verbod van lid 1 geldt niet voor fietsen. Het college kan van het verbod van lid 1 ontheffing verlenen. Het college kan plaatsen en/of tijden aanwijzen waarop het verbod van lid 1 niet geldt voor zeilwagens, windrijders of andere dergelijke voor de recreatie bestemde voertuigen. Aan een dergelijke aanwijzing kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden. Van het verbod van lid 1 zijn uitgezonderd bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen in dienst van het als zodanig erkende reddingswezen, de dienst tot onderhoud van zeewering en andere kunstwerken, de algemeen erkende hulpdiensten, de gemeente en de strandvonderij, allen in de uitoefening van hun taak. Artikel 5:43 Berijden of gebruik rij en trekdierenHet is verboden op het strand een paard, een pony of een ander rij of trekdier, al dan niet met bijbehorende wagens, mee te voeren of te gebruiken. Het verbod geldt niet voor ambtenaren van politie bij de uitoefening van hun taak. Het college kan plaatsen en/of tijden aanwijzen waarop het verbod niet geldt. Aan deze aanwijzing kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden. Artikel 5:44 VaartuigenHet is verboden een vaartuig, waaronder begrepen een waterscooter, op het strand te brengen, te hebben of vanaf het strand in zee te brengen. Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen in gebruik bij de politie, het door het college als zodanig erkende reddingswezen en overige vaartuigen ten behoeve waarvan door het college ontheffing is verleend; Het verbod is eveneens niet van toepassing op vaartuigen, waaronder begrepen waterscooters, mits: gebruik wordt gemaakt van door het college nader aan te wijzen gedeelten van het strand; deze vaartuigen 300 meter uit de waterlijn vandaan blijven, behalve bij het vertrek vanaf het strand en bij de aanlanding op het daarvoor aangewezen gedeelte van het strand; bij het gebruik van deze vaartuigen wordt voldaan aan de door het college te stellen voorschriften; deze vaartuigen voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 8 van het Binnenvaartpolitiereglement. Artikel 5:45 Open vuurHet is verboden op het strand enig vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het gebruik van een daartoe geschikt toestel om te barbecueën, een vuurkorf of een terrashaard aan de achterzijde van een strandhuisje of op het terras van een paviljoen is toegestaan, mits dit gebruik geen hinder, gevaar of anderszins overlast oplevert voor de (directe) omgeving en eventuele (as)resten worden opgeruimd. Artikel 5:46 Tenten, strandstoelen en windschermenHet is verboden op het strand tussen 22.00 en 06.00 tenten, strandstoelen of windschermen te hebben of te laten staan. Artikel 5:47 Spel of sportHet is verboden op of aan het strand enig spel of enige sport te beoefenen, indien daarvan gevaar of overlast voor personen, dan wel beschadiging van goederen is te duchten. Het oplaten van bestuurbare vliegers, flexifoils of hoe dan ook genaamd, is in ieder geval zodanig gevaarlijk en overlast veroorzakend, dat het onder het verbod van het eerste lid valt. Het college kan plaatsen en/ of tijden aanwijzen waarop het onder lid 1 en 2 gestelde niet geldt. Aan een dergelijke aanwijzing kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor gevallen, waarin artikel 350, 351, 351bis of 424 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 5:48 Vervoer van personenHet is aan personen, die daarvan hun beroep maken, verboden zonder vergunning van het college op of aan het strand hun diensten aan te bieden tot het vervoer van personen met vaar of voertuigen, personen in of uit die vaar of voertuigen te dr
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.