← Nederland

Omgevingsplan gemeente Uithoorn (Uithoorn)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Uithoorn regelt activiteiten die de fysieke leefomgeving beïnvloeden, met een focus op bouwactiviteiten en milieubelastende activiteiten, in het bijzonder graven in de bodem. Het stelt regels en voorwaarden om de gezondheid en bodemkwaliteit te beschermen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696323 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0451/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-07-23 2025-07-23 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696323/nld@2025-09-04 /join/id/proc

Afdeling 1

.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.

  1. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan. Afdeling 1.2 Overige bepalingen Artikel 1.2 Normadressaat Aan de regels van dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 1.3 Maatwerk- en vergunningvoorschriften
  2. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden in dit omgevingsplan, met uitzondering van bepalingen: a. over reken- en meetmethoden; b. over meldingen; en c. waarin activiteiten als omgevingsplanactiviteit worden aangewezen.
  3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit omgevingsplan.
  4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.
  5. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over bepalingen in dit omgevingsplan zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Functies van locaties Afdeling 2.2 Gebiedsaanwijzingen Afdeling 2.3 Bouwwerken Afdeling 2.4 Bodem Afdeling 2.5 Cultureel erfgoed Hoofdstuk 3 Bouwactiviteiten Afdeling 3.

Afdeling 3

.2 Inhoudelijke regels Hoofdstuk 4 Gebruiksactiviteiten Afdeling 4.1 Gebruiken van locaties en bouwwerken Hoofdstuk 5 Milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 6 Uitvoeren van werken of werkzaamheden Afdeling 6.

Hoofdstuk 7

Overige activiteiten Hoofdstuk 8 Procedures Hoofdstuk 9 Gereserveerd Hoofdstuk 10 Gereserveerd Hoofdstuk 11 Gereserveerd Hoofdstuk 12 Gereserveerd Hoofdstuk 13 Gereserveerd Hoofdstuk 14 Gereserveerd Hoofdstuk 15 Gereserveerd Hoofdstuk 16 Gereserveerd Hoofdstuk 17 Gereserveerd Hoofdstuk 18 Gereserveerd Hoofdstuk 19 Gereserveerd Hoofdstuk 20 Gereserveerd Hoofdstuk 21 REGELS - TRANSITIEFASE Afdeling 21.1 Activiteiten Paragraaf 21.1.1 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Artikel 21.1 Toepassingsbereik activiteit

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
  2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder sanerende maatregel: a. een sanering volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een sanering volgens paragraaf 21.2.5; of c. een sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdelen a en b. Artikel 21.2 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid. Artikel 21.3 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit
  3. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn: a. de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden, als het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  4. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  5. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  6. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  7. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden, bedoeld in het eerste lid.
  8. Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing op asbest.
  9. In afwijking van het eerste en tweede lid is sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood als: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 21.4 Beoordelingsregels bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit, als bedoeld in artikel 22.25, en het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 21.3 niet worden overschreden; of b. bij overschrijding van een waarde, als bedoeld in artikel 21.3: als aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld onder b die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel. Artikel 21.5 Vergunningvoorschriften bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Aan een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.25, die betrekking heeft op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en is verleend met toepassing van artikel 21.4, aanhef en onder d, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven. Artikel 21.6 Aanvraagvereisten bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een activiteit, als bedoeld in artikel 22.25 en het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bij aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem en meer dan 50% bodemvreemd materiaal: het onderzoek, uitgevoerd volgens NEN 5897; c. binnen de locatie bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw: een verkennend bodemonderzoek, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving, behalve als het om de bouw van een tijdelijk bouwwerk als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat:
  10. de locatie onverdacht is; of
  11. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek niet rechtvaardigen; en d. bij overschrijding van een waarde, als bedoeld in artikel 21.3: die gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; e. bij overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie; f. de onderzoeken worden verstrekt in:
  12. PDF-formaat; en
  13. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 21.7 Informatie: voor ingebruikname bodemgevoelig gebouw Bij overschrijding van een waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel 21.3, wordt een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen als het bevoegd gezag ten minste een week van tevoren geïnformeerd wordt over de manier waarop een of meer sanerende maatregelen zijn genomen. Afdeling 21.2 Milieubelastende activiteiten - maatwerkregels Paragraaf 21.2.1 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 21.8 Toepassingsbereik activiteit Deze paragraaf is, in aanvulling op en in afwijking van paragrafen 3.2.21 en 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Artikel 21.9 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de bodemkwaliteit; en c. het doelmatig beheren van afvalstoffen. Artikel 21.10 Graven: voorafgaand bodemonderzoek
  14. In afwijking van artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt op de locaties verkennend onderzoek graven, altijd een verkennend bodemonderzoek verricht, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  15. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 21.11 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  16. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 21.10 verstrekt.
  17. Het eerste lid is niet van toepassing als alleen een vooronderzoek bodem, als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoefde te worden verricht.
  18. De onderzoeken worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, als de gegevens zich daarvoor lenen. Artikel 21.12 Graven: gegevens en bescheiden op locatie beschikbaar De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 21.11, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het graven. Artikel 21.13 Graven: gescheiden houden grond In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnische scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden en gescheiden opgeslagen. Artikel 21.14 Graven: tijdelijk uitnemen van grond In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Paragraaf 21.2.2 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 21.15 Toepassingsbereik activiteit Deze paragraaf is, in aanvulling op en in afwijking van paragrafen 3.2.22 en 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Artikel 21.16 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de bodemkwaliteit; en c. het doelmatig beheren van afvalstoffen. Artikel 21.17 Graven: voorafgaand bodemonderzoek
  19. In afwijking van artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt op de locaties verkennend onderzoek graven, altijd een verkennend bodemonderzoek verricht, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  20. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 21.18 Informeren: actuele risico's Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Artikel 21.19 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  21. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 21.17, verstrekt.
  22. Het onderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, als de gegevens zich daarvoor lenen. Artikel 21.20 Graven: gegevens en bescheiden op locatie beschikbaar De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, eerste lid, artikel 4.1226, eerste en twee lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 21.19, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het graven. Artikel 21.21 Graven: afzetten locatie met hekwerk Om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond wordt een hekwerk geplaatst dan wel op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 21.22 Graven: gescheiden houden grond In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnische scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden en gescheiden opgeslagen, ook als het gaat om licht verontreinigde grond. Artikel 21.23 Graven: tijdelijk uitnemen van grond
  23. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt overschreden voor mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden wordt overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  24. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  25. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  26. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  27. Onder mobiele stoffen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan: a. Aromatische verbindingen:
  28. Benzeen;
  29. Ethylbenzeen;
  30. Tolueen; en
  31. Xylenen (som). b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
  32. monochlooretheen (vinylchloride);
  33. dichloormethaan;
  34. 1,1-dichloorethaan;
  35. 1,2-dichloorethaan;
  36. 1,1-dichlooretheen;
  37. 1,2-dichlooretheen (som);
  38. dichloorpropanen (som);
  39. trichloormethaan (chloroform);
  40. 1,1,1-trichloorethaan;
  41. 1,1,2-trichloorethaan;
  42. trichlooretheen (tri);
  43. tetrachloormethaan (tetra); en
  44. tetrachlooretheen (per). c. Minerale olie
  45. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als uit grondwateronderzoek, verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755, blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, opgenomen in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de mobiele stoffen, bedoeld in het tweede lid. Paragraaf 21.2.3 Op of in de bodem toepassen van bouwstoffen: staalslakken Artikel 21.24 Toepassingsbereik activiteit
  46. Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 3.2.25 en 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen als deze voor meer dan 20 gewichtsprocent uit staalslakken bestaan.
  47. In deze paragraaf wordt verstaan onder staalslak: a. hoogovenstaalslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; en b. LD-staalslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz. Artikel 21.25 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu. Artikel 21.26 Melding: staalslakken
  48. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 21.24, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  49. De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
  50. Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
  51. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Paragraaf 21.2.4 Op of in de bodem toepassen van bouwstoffen: grondstabilisatie Artikel 21.27 Toepassingsbereik activiteit
  52. Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 3.2.25 en 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen door het toevoegen van bindmiddelen zodat grondstabilisatie plaatsvindt met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer.
  53. In deze paragraaf wordt verstaan onder bindmiddelen niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips. Artikel 21.28 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu. Artikel 21.29 Melding: grondstabilisatie
  54. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 21.27, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  55. De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de activiteit plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de activiteit zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat; d. de herkomst en samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de totale hoeveelheid bindmiddelen die zullen worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
  56. Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
  57. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Paragraaf 21.2.5 Saneren van de bodem Artikel 21.30 Toepassingsbereik activiteit Deze paragraaf is, in afwijking van paragraaf 3.2.23 en 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het saneren van de bodem. Artikel 21.31 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu. Artikel 21.32 Eén saneringsaanpak: bodemgevoelig gebouw bouwen
  58. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vindt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als op de locatie van het gebouw verontreiniging met vluchtige stoffen aanwezig is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, bedoeld in artikel 21.
  59. Onder vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan: a. Aromatische verbindingen:
  60. Benzeen;
  61. Ethylbenzeen;
  62. Tolueen; en
  63. Xylenen (som). b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
  64. monochlooretheen (vinylchloride);
  65. dichloormethaan;
  66. 1,1-dichloorethaan;
  67. 1,2-dichloorethaan;
  68. 1,1-dichlooretheen;
  69. 1,2-dichlooretheen (som);
  70. dichloorpropanen (som);
  71. trichloormethaan (chloroform);
  72. 1,1,1-trichloorethaan;
  73. 1,1,2-trichloorethaan;
  74. trichlooretheen (tri);
  75. tetrachloormethaan (tetra); en
  76. tetrachlooretheen (per).
  77. Een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in artikel 1.3, kan inhouden dat de verontreiniging met vluchtige stoffen niet volledig wordt verwijderd vanwege: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging. Artikel 21.33 Saneringsaanpak afdekken: verbod herschikken mobiele verontreiniging
  78. In afwijking van artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond niet herschikt als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt overschreden voor mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden wordt overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  79. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  80. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  81. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  82. Onder mobiele stoffen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan: a. Aromatische verbindingen:
  83. Benzeen;
  84. Ethylbenzeen;
  85. Tolueen; en
  86. Xylenen (som). b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
  87. monochlooretheen (vinylchloride);
  88. dichloormethaan;
  89. 1,1-dichloorethaan;
  90. 1,2-dichloorethaan;
  91. 1,1-dichlooretheen;
  92. 1,2-dichlooretheen (som);
  93. dichloorpropanen (som);
  94. trichloormethaan (chloroform);
  95. 1,1,1-trichloorethaan;
  96. 1,1,2-trichloorethaan;
  97. trichlooretheen (tri);
  98. tetrachloormethaan (tetra); en
  99. tetrachlooretheen (per). c. Minerale olie.
  100. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als uit grondwateronderzoek, verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755, blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, opgenomen in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de mobiele stoffen, bedoeld in het tweede lid. Artikel 21.34 Saneringsaanpak verwijderen: gebiedsspecifieke kwaliteitseisen Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie van toepassing is, wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Afdeling 21.3 Milieubelastende activiteiten - omgevingsplan Paragraaf 21.3.1 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (ernst, niet-spoedlocatie) Artikel 21.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 21.36 Omgaan met ernstige bodemverontreiniging bij uitvoeren activiteit Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 21.35 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 21.3.2 Kleinschalig graven in de bodem Subparagraaf 21.3.2.

Artikel 21.37 Toepassingsbereik activiteiten 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het kleinschalig graven in de bodem.

  1. Het eerste lid is niet van toepassing op het: a. graven in de waterbodem; b. tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
  2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. kleinschalig graven: graven in de bodem als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3, waaronder ook wordt begrepen:
  3. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;
  4. het tijdelijk opslaan van grond; en
  5. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; d. afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder voormalige Wet bodembescherming. Artikel 21.38 Kleinschalig graven: voorafgaand bodemonderzoek
  6. Voor kleinschalig graven wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  7. In afwijking van paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een locatie met de aanduiding verkennend onderzoek kleinschalig graven altijd een verkennend bodemonderzoek verricht, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  8. Van het verrichten van het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in het tweede lid, kan worden afgezien als bij kleinschalig graven wordt voldaan aan subparagraaf 21.3.2.
  9. Het tweede lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
  10. Dit artikel is niet van toepassing bij een spoedreparatie van vitale infrastructuur. In dat geval is artikel 21.40 van toepassing. Artikel 21.39 Informatie kleinschalig graven: voor het begin van de activiteit
  11. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
  12. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, als de gegevens zich daarvoor lenen. Artikel 21.40 Informatie kleinschalig graven: na een spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie met de aanduiding spoedreparatie waarbij grond wordt afgevoerd, worden aan het bevoegd gezag onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht: en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 21.41 Kleinschalig graven: onderzoeken op locatie beschikbaar De onderzoeken, bedoeld in artikel 21.38, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het kleinschalig graven. Subparagraaf 21.3.2.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 21.42 Toepassingsbereik activiteiten Deze subparagraaf is van toepassing op kleinschalig graven als uit het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in artikel 21.38, blijkt dat de bodem een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit heeft. Artikel 21.43 Kleinschalig graven: gescheiden houden grond Bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. Artikel 21.44 Kleinschalig graven: tijdelijk uitnemen grond
  13. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggeplaatst in de bodem.
  14. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggeplaatst in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 21.45 Kleinschalig graven: tijdelijk opslaan van vrijkomende grond
  15. Grond, die bij het graven is vrijgekomen, wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
  16. Gescheiden partijen grond, bedoeld in artikel 21.43 worden gescheiden opgeslagen. Artikel 21.46 Verbod: terugplaatsen grond met PFAS verontreiniging In afwijking van artikel 21.44 wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden wordt overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Subparagraaf 21.3.2.3 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 21.47 Toepassingsbereik activiteiten Deze subparagraaf is van toepassing op kleinschalig graven als uit het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in artikel 21.38, blijkt dat de bodem een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit heeft. Artikel 21.48 Informatie kleinschalig graven: voor het begin van de activiteit
  17. Ten minste een week voor het begin van kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en als sprake is van afvoer van grond of als dieper wordt gegraven dan een aanwezige afdeklaag, worden de volgende gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. bij dieper graven dan een aanwezige afdeklaag: de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 21.49 gaan verrichten.
  18. Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 21.49 Kleinschalig graven: kwaliteitsborging en milieukundige begeleiding Op een locatie waar een afdeklaag als saneringsaanpak is aangebracht en de ontgraving dieper gaat dan deze afdeklaag wordt het kleinschalig graven: a. uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000; en b. begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB
  19. Artikel 21.50 Kleinschalig graven: afzetten locatie met hekwerk Om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond wordt een hekwerk geplaatst dan wel op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 21.51 Kleinschalig graven: gescheiden houden grond Bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. Artikel 21.52 Kleinschalig graven: tijdelijk uitnemen grond
  20. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggeplaatst in de bodem.
  21. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggeplaatst in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 21.53 Kleinschalig graven: tijdelijk opslaan van vrijkomende grond
  22. Grond, die bij het graven is vrijgekomen, wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
  23. Gescheiden partijen grond, bedoeld in artikel 21.51 worden gescheiden opgeslagen. Artikel 21.54 Verbod: terugplaatsen grond met mobiele verontreiniging
  24. In afwijking van artikel 21.52 wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt overschreden voor mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden wordt overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
  25. 59 µg/kg ds bij PFOS;
  26. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
  27. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
  28. Onder mobiele stoffen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan: a. Aromatische verbindingen:
  29. Benzeen;
  30. Ethylbenzeen;
  31. Tolueen; en
  32. Xylenen (som). b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
  33. monochlooretheen (vinylchloride);
  34. dichloormethaan;
  35. 1,1-dichloorethaan;
  36. 1,2-dichloorethaan;
  37. 1,1-dichlooretheen;
  38. 1,2-dichlooretheen (som);
  39. dichloorpropanen (som);
  40. trichloormethaan (chloroform);
  41. 1,1,1-trichloorethaan;
  42. 1,1,2-trichloorethaan;
  43. trichlooretheen (tri);
  44. tetrachloormethaan (tetra); en
  45. tetrachlooretheen (per). c. Minerale olie.
  46. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als uit grondwateronderzoek, verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755, blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, opgenomen in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de mobiele stoffen, bedoeld in het tweede lid. Paragraaf 21.3.3 Nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem Artikel 21.55 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg voor de volgende maatregelen: a. een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift over artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die is aangebracht tijdens de sanering van de bodem; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem, als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet. Artikel 21.56 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst
  47. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.
  48. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan. Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  49. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  50. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  51. Voor de toepassing van de artikelen 22.27, eerste en tweede lid, 22.37, 22.277, 22.278, 22.280tot en met22.283 en 22.285wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  52. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.27, derde lid, en 22.37, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  1. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.6 Repressief welstand
  2. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.7 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  4. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor gas
  6. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  7. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor warmte
  8. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  9. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  10. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  11. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.11 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  12. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  13. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  14. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  15. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.12 Bluswatervoorziening
  16. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  17. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  18. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.13 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  19. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  20. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  21. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  22. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  23. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.14 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  24. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  25. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  26. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  27. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.13, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  28. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.15 Overbewoning woonruimte
  29. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  30. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.16 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.17 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  31. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  32. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.18 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  34. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  35. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  36. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  37. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  38. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  40. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  41. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.19 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  42. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  43. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  44. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.20 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.21 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  45. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  46. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.

Artikel 22.22 Algemene afbakeningseisen 1.

De artikelen22.26en 22.35 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  1. Bij de toepassing van de artikelen22.26en 22.35 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.26, onder a, of 22.35, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.35, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.23 Meetbepalingen
  2. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.24 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.25 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.26 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.25 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.25, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  4. op de grond staand;
  5. gelegen in achtererfgebied;
  6. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  7. niet hoger dan 5 m;
  8. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  9. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. op de grond staand;
  11. niet hoger dan 5 m; en
  12. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  13. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  14. voorzien van een plat dak;
  15. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  16. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  17. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  18. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  19. niet hoger dan 4 m; en
  20. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  21. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  22. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  23. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  24. een silo; of
  25. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  26. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  27. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  28. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.27 Inperkingen artikel 22.26 vanwege cultureel erfgoed
  29. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel22.26niet van toepassing.
  30. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.26, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  31. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel22.26alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  32. Artikel 22.26 , aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel22.21over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel22.21over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.28 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  33. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
  34. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.29 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie Artikel 22.30 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Artikel 22.31 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  35. In afwijking van artikel 22.28, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  36. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  37. In afwijking van artikel22.28wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  38. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.33 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  39. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  40. Artikel 22.293, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.34 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  41. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  42. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  43. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  44. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  45. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  46. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  47. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  48. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  49. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.35 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.26, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  50. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
  51. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  52. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  53. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.26, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.36 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  54. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.35, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.35, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
  55. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.35, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.35, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.37 Inperkingen artikel 22.35 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.35 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.35 vanwege externe veiligheid Artikel 22.35 , aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  56. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  57. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  58. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  59. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  60. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  61. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  62. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  63. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  64. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  65. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  66. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  67. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  68. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.39 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.

Artikel 22.40 Algemeen toepassingsbereik 1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  1. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
  2. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
  3. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
  4. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  5. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk. Artikel 22.41 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  6. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  7. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  8. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.42 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.43 Specifieke zorgplicht
  9. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.41, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  10. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  11. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  12. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.44 Maatwerkvoorschriften
  13. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.43, 22.48 en 22.49 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  14. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen22.48en 22.49 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  15. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
  16. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.45 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.46 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  17. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.45, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  18. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.47 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  19. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
  20. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.48 Informeren over een ongewoon voorval
  21. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  22. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.49 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  23. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  24. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.51 Energie: maatregelen
  25. Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
  26. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  27. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
  28. Dit artikel is van toepassing tot 1 december
  29. Artikel 22.52 Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
  30. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
  31. Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel22.51niet van toepassing. Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Paragraaf 22.3.4 Geluid Subparagraaf 22.3.4.

Artikel 22.54 Toepassingsbereik 1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  1. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
  3. Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  4. In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  5. In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
  6. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  7. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
  8. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  9. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel22.40worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  10. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.81; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
  11. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of
  12. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
  13. Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
  14. Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
  15. Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
  16. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  17. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.62 Gegevens en bescheiden
  18. Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
  19. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
  20. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
  21. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
  22. Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
  23. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
  24. de grenzen van het terrein; en
  25. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  26. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 22.63 Toepassingsbereik
  27. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.
  28. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit. Artikel 22.64 (tijdelijke uitzondering windparken) Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  29. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  30. Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
  31. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  32. Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)
  33. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  34. Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
  35. De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur. Artikel 22.66 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  36. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.65, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  37. Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A)
  38. De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur. Artikel 22.67 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
  39. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.65, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  40. Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
  41. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.65, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  42. Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied. 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
  43. Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur. Artikel 22.68 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
  44. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.65, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  45. Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
  46. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.65, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  47. Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
  48. Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur. Artikel 22.69 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
  49. Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.65, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
  50. Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.67, eerste lid, en 22.68, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening. Artikel 22.70 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012 Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, 22.66, eerstelid, 22.67, eerste lid en 22.68, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:
  51. voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of
  52. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten. Artikel 22.71 Geluid: eerbiedigende werking
  53. Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.
  54. Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden. Artikel 22.72 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  55. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen22.65 tot en met 22.71 en 22.73, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
  56. Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen22.65 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
  57. De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.65 tot en met 22.71, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A). Artikel 22.73 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerstelid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 22.74 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  58. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.65 tot en met 22.71, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
  59. Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 22.75 Geluid: festiviteiten
  60. De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.65 tot en met 22.73, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
  61. Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag. Artikel 22.76 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing. Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines Artikel 22.77 Toepassingsbereik
  62. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.
  63. Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 22.78 Geluid: waarden windturbines Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight. Artikel 22.79 Registratie gegevens windturbines
  64. De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.
  65. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard. Artikel 22.80 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing. Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 22.81 Toepassingsbereik
  66. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.
  67. Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden. Artikel 22.82 Geluid: waarden buitenschietbanen Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel22.81op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan. Artikel 22.83 Registratie gegevens buitenschietbanen
  68. De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.
  69. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard. Artikel 22.84 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.82, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing. Paragraaf 22.3.5 Trillingen Artikel 22.85 Toepassingsbereik
  70. Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
  71. Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een indu

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.