act/gemeente/2024/CVDR696264 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0307/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-10-22 2025-10-22 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696264/nld@2025-11-19 /join/id/proc
Artikel 4.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a.
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van natuur; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het behoud van cultureel erfgoed; f. het beschermen van archeologische waarden; g. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; h. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken. i. het waarborgen van de veiligheid; j. het beschermen van het milieu; k. het voorkomen of beperken van geluidhinder; l. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; m. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; n. het doelmatig beheer van afvalstoffen; o. het beschermen van de Eemkleilaag en het voorkomen van verspreiding grondwaterverontreiniging (horizontaal/verticaal). Artikel 4.2 Normadressaat Aan de regels van dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar, erfpachter, gebruiker of degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Afdeling 4.2 Thema's - te beschermen waarden en kwaliteiten Paragraaf 4.2.1 Archeologische waarden Artikel 4.3 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden en het ophogen van de bodem in gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.
- Onder de in lid 1 bedoelde grondwerkzaamheden wordt verstaan: a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; b. het uitgraven van een bouwput en/of funderingssleuven; c. het omzetten van grasland naar bouwland; d. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; e. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond; g. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting; i. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 4.4 Vergunningplicht
- Het is verboden om in de werkingsgebieden archeologisch gemeentelijk monument en archeologisch rijksmonument zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren of de bodem op te hogen.
- Het is verboden om in het werkingsgebied archeologie 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren of de bodem op te hogen met meer dan 30 cm.
- Het is verboden om in het werkingsgebied archeologie 2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten of de bodem op te hogen, als: a. de grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm; of b. de bodem met meer dan 30 cm wordt opgehoogd; c. en de oppervlakte van het gebied waarbinnen grondwerkzaamheden en/of ophoging plaatsvindt meer is dan 100 m².
- Het is verboden om in het werkingsgebied archeologie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten of de bodem op te hogen, als: a. de grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm; of b. de bodem met meer dan 30 cm wordt opgehoogd; c. en de oppervlakte van het gebied waarbinnen grondwerkzaamheden en/of ophoging plaatsvindt meer is dan 500 m².
- Het is verboden om in het werkingsgebied archeologie 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten of de bodem op te hogen, als: a. de grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm; of b. de bodem met meer dan 30 cm wordt opgehoogd; c. en de oppervlakte van het gebied waarbinnen grondwerkzaamheden en/of ophoging plaatsvindt meer is dan 10.000 m².
- Het tweede, derde, vierde, en vijfde lid gelden niet: a. voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering; b. als er op voorhand door het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
- In het geval van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm en/of ophoging van meer dan 30 cm in een gebied waar twee of meer categorieën gelden is de hoogste verwachtingswaarde van toepassing. Artikel 4.5 Aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.4 wordt een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport aangeleverd waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld.
- Als het in het eerste lid bedoelde archeologisch onderzoek een proefsleuvenonderzoek of een opgraving is, wordt voorafgaand aan dat onderzoek een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen aangeleverd, waarin nadere regels kunnen worden gesteld over het betreffende onderzoek.
- Voordat het in tweede lid bedoelde archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, legt de initiatiefnemer een archeologisch plan van aanpak ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 4.6 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4 wordt verleend als: a. archeologische waarden naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig worden geschaad; of b. schade door de grondwerkzaamheden en/of ophoging van gronden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen, door het verbinden van vergunningvoorschriften, als bedoeld in artikel 4.
- Artikel 4.7 Vergunningvoorschriften Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 4.6, onder b kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4 worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van aanvullend onderzoek. Paragraaf 4.2.2 Cultuurhistorische waarden Subparagraaf 4.2.2.1 Beeldbepalend pand Artikel 4.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het geheel of gedeeltelijk slopen of wijzigen van bouwwerken in het werkingsgebied beeldbepalend pand. Artikel 4.9 Vergunningplicht
- Het is verboden om in het werkingsgebied beeldbepalend pand zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren: a. het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken; b. het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een naar het openbaar gebied gekeerde gevel of dakconstructie van gebouwen.
- Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud voor zover materiaalsoort, vormgeving, profilering, kleur en detaillering niet wijzigen. Artikel 4.10 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.9 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. overzichtsfoto's in kleur van de bestaande situatie die een duidelijke indruk geven van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk; b. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
- plattegronden;
- doorsneden;
- gevelaanzichten; of
- een dakaanzicht; en
- slooptekeningen. c. als sprake is van het slopen van een deel van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie. Artikel 4.11 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.9 wordt verleend als: a. cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; en b. schriftelijk advies is ontvangen van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Paragraaf 4.2.3 Ecologie - gereserveerd Paragraaf 4.2.4 Groen - gereserveerd Paragraaf 4.2.5 Parkeren Artikel 4.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het parkeren bij bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 5.5 van dit omgevingsplan een vergunning nodig is. Artikel 4.13 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als ten aanzien van het parkeren wordt voorzien in (de aanleg van) voldoende parkeergelegenheid, zoals vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingprogramma Mobiliteit 2025 - 2035, de Beleidsregel Toepassing Parkeernormen 2024 en rechtsopvolgende beleidsregels inzake het parkeren zoals die gelden tijdens het indienen van de omgevingsvergunning (zie www.overheid.nl). Artikel 4.14 Instandhoudingsplicht Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is alleen toegestaan zolang de in artikel 4.13 bedoelde parkeergelegenheid in stand wordt gehouden. Afdeling 4.3 Milieuthema's Paragraaf 4.3.
Artikel 4.15 Algemeen toepassingsbereik 1.
Deze afdeling gaat over een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
- Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
- dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
- dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
- waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
- Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
- Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.3.2 en 22.3.
- Paragraaf 4.3.2 Bodem Subparagraaf 4.3.2.1 Algemene bouwregels over bodem Artikel 4.16 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Het is verboden om een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 4.17 Melding bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
- Het is verboden om een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen.
- Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt ondertekend en bevat: a. gegevens over de locatie van de activiteit; b. gegevens over de methoden en/of technieken die gebruikt worden om de activiteit te verrichten zoals bv schroeven, heien, boren. c. een beschrijving van de activiteit die het betreft en het voorgenomen gebruik; d. de naam en adres van degene die de activiteit verricht; e. een rapport met een beoordeling van de risico’s voor de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit, verricht volgens protocol Nen 4740; f. een beschrijving van de huidige situatie van de locatie, de bodem en het grondwater. Artikel 4.18 Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk en de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in de Nota bodembeheer Amersfoort 2021-2031 of diens rechtsopvolger, niet worden overschreden (zie www.overheid.nl); of b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Subparagraaf 4.3.2.2 Specifieke zorgplicht: ontplofbare oorlogsresten Artikel 4.19 Ontplofbare oorlogsresten Voor het verrichten van bodemingrepen, dient in verband met veiligheid kennis te worden genomen van de explosievenkaart en bijbehorend beleid van de gemeente Amersfoort (zie www.overheid.nl). Subparagraaf 4.3.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 4.20 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m
- Artikel 4.21 Voorafgaand bodemonderzoek In afwijking van artikel 4.1221, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan worden volstaan met een vooronderzoek bodem als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in hoofdstuk 3 van de Nota bodembeheer Amersfoort 2021-2031 of diens rechtopvolger (zie www.overheid.nl). Artikel 4.22 Bodem en afval: gescheiden houden grond In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten partijen grond gescheiden gehouden op de wijze zoals omschreven in de Nota Bodembeheer 2021-2031 of diens rechtsopvolger (zie www.overheid.nl). Artikel 4.23 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond Om de partijen opgeslagen grond moet een hekwerk worden geplaatst. Subparagraaf 4.3.2.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 4.24 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het graven in bodem als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3, voor zover het graven wordt verricht op een locatie met verontreinigingen boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Artikel 4.25 Bodem en afval: gescheiden houden grond In aanvulling op artikel 4.1230, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten: a. partijen grond met bodemvreemd materiaal gescheiden gehouden worden; en b. partijen grond die bestaan uit verschillende grondsoorten gescheiden gehouden worden. Artikel 4.26 Bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond In aanvulling op artikel 4.1230a van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden om grond na het tijdelijk uitnemen terug te brengen in de bodem als de grond is verontreinigd met asbest of mobiele verontreinigingen. Artikel 4.27 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten bij het opslaan van grond maatregelen getroffen worden om: a. verwaaiing van grond die is verontreinigd met asbest tegen te gaan; en b. verspreiding van mobiele verontreinigingen naar de onderliggende bodem tegen te gaan.
- Om de partijen opgeslagen grond moet een hekwerk worden geplaatst. Subparagraaf 4.3.2.5 Nazorg na saneren van de bodem of bij tijdelijke beschermingsmaatregelen Artikel 4.28 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van nazorg als: a. saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van:
- het Besluit activiteiten leefomgeving;
- dit omgevingsplan;
- een omgevingsvergunning;
- een maatwerkvoorschrift; of
- de Wet bodembescherming; en b. tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet. Artikel 4.29 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
- De eigenaar, erfpachter of gebruiker van gronden als bedoeld in artikel 4.28 treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die afdeklaag.
- De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie nazorg afdeklagen treft in ieder geval de volgende maatregelen: a. periodiek onderhoud en zo nodig reparatie of vervanging van de afdeklaag; b. als zich boven de afdeklaag een woning bevindt: installeren, periodiek onderhouden en zo nodig repareren van een mechanische ventilatie, een dampdichte vloer en dampdichte doorvoeren van leidingen. Artikel 4.30 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst
- De eigenaar, erfpachter of gebruiker van gronden als bedoeld in artikel 4.28 sub b treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die tijdelijke beschermingsmaatregelen.
- De eigenaar, erfpachter of gebruiker pleegt in ieder geval periodiek onderhoud en zonodig reparatie of vervanging van de tijdelijke beschermingsmaatregelen. Subparagraaf 4.3.2.6 Eemkleilaag Artikel 4.31 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het verrichten van bodemingrepen van dieper dan 8 meter ter plaatse van het werkingsgebied eemkleilaag. Artikel 4.32 Meldingsplicht
- Het is verboden om in het werkingsgebied eemkleilaag activiteiten uit te voeren die tot gevolg hebben dat de Eemkleilaag wordt doorboord en het 1e watervoerend pakket in aanraking komt met het 2e watervoerend pakket zonder dit tenminste vier weken voor aanvang van de werkzaamheden te melden.
- Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt ondertekend en bevat: a. gegevens over de locatie van de activiteit; b. gegevens over de methoden en/of technieken die gebruikt worden om de activiteit te verrichten zoals bijvoorbeeld schroeven, heien, boren; c. een beschrijving van de activiteit die het betreft en het voorgenomen gebruik; d. de naam en adres van degene die de activiteit verricht; e. een rapport met een beoordeling van de risico’s voor de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit, verricht volgens protocol Nen 4740; f. een beschrijving van de huidige situatie van de locatie, de bodem en het grondwater. g. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:
- scheidende laag na doorboren goed af te dichten;
- voorkomen van het creëren van preferente stroombanen;
- de risico’s, bedoeld onder e, zoveel mogelijk te beperken; Artikel 4.33 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan voor de in deze paragraaf bedoelde activiteiten maatwerkvoorschriften stellen. Subparagraaf 4.3.2.7 Beheren, gebruiken en ontwikkelen van een voormalige stortplaats Subsubparagraaf 4.3.2.7.1 Beheren van een voormalige stortplaats Artikel 4.34 Toepassingsbereik Deze subsubparagraaf gaat over het beheren van een locatie met het werkingsgebied voormalige stortplaats. Artikel 4.35 Voorzieningen en maatregelen voormalige stortplaats In het werkingsgebied voormalige stortplaats moeten in ieder geval voorzieningen en maatregelen worden getroffen: a. voor het in stand houden, onderhouden, herstellen en verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem en de grondwaterkwaliteit, met inbegrip van de afdeklaag; b. om de bereikbaarheid en bruikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; c. om peilbuizen in stand te houden; d. als peilbuizen zijn geïnstalleerd moet verspreiding van verontreiniging via het grondwater worden gemonitord. Subsubparagraaf 4.3.2.7.2 Ontwikkelingen op voormalige stortplaats Artikel 4.36 Toepassingsbereik Deze subsubparagraaf gaat over activiteiten waarbij de grond, de afdeklaag of het stortmateriaal op of in een voormalige stortplaats wordt afgegraven of doorboord. Artikel 4.37 Meldingsplicht
- Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 4.36 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt ondertekend en bevat: a. een beschrijving van de activiteit die het betreft; b. de naam en adres van degene die de activiteit verricht; c. een rapport met een beoordeling van de risico’s voor de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit, verricht volgens protocol (NEN 5740); d. een ontwikkelingsplan, dat ten minste een beschrijving bevat van:
- het voorgenomen gebruik van de voormalige stortplaats;
- de huidige situatie van de locatie, de bodem en het grondwater;
- de additionele voorzieningen die worden getroffen om het voorgenomen gebruik mogelijk te maken;
- het verzet van grond en stortmateriaal dat plaats gaat vinden en de behandeling van vrijkomende grond- en afvalstromen;
- het tijdpad voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan; en
- de nazorg, het beheer van de getroffen voorzieningen en maatregelen en de monitoring. e. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:
- de risico’s, bedoeld onder c, zoveel mogelijk te beperken;
- beschadiging te voorkomen aan de afdeklaag en de voorzieningen die zijn getroffen ter bescherming van de bodem- en grondwaterkwaliteit;
- de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
- te voorkomen dat de uitvoering van nazorgmaatregelen wordt belemmerd;
- verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen; en
- het vrijkomen en ophopen van stortgas tegen te gaan. Paragraaf 4.3.3 Geluid Subparagraaf 4.3.3.1 Activiteitengeluid Subsubparagraaf 4.3.3.1.
Artikel 4.38 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf gaat over het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
- In afwijking van het eerste lid gaat deze paragraaf niet over geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op een niet-geluidgevoelige gevel.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen. Artikel 4.39 Uitzondering toepassingsbereik De geluidnormen uit artikelen 4.47 en 4.48 zijn niet van toepassing op: a. vergunningplichtige activiteiten, wanneer in de regels van de omgevingsvergunning andere geluidnormen zijn bepaald dan de geluidnormen uit artikelen 4.47 en 4.48; en b. activiteiten, wanneer in een maatwerkvoorschrift andere geluidnormen zijn bepaald dan de geluidnormen uit artikelen 4.47 en 4.
- Artikel 4.40 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 4.41 Functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 4.42 Festiviteiten
- De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.67, 22.68, 22.69, 22.70, 22.71, 22.72, 22.73 en 22.74, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar, waarbij het college kan besluiten om per kalenderjaar collectieve dagen aan te wijzen.
- Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag. Artikel 4.43 Meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing. Subsubparagraaf 4.3.3.1.2 Aanvaardbaarheid nieuwe activiteiten Artikel 4.44 Meldingsplicht
- Het is verboden om nieuwe activiteiten te verrichten of activiteiten uit te breiden of te wijzigen waarbij de geluidemissie toeneemt zonder dit tenminste vier weken voor aanvang van de start van de activiteiten te melden.
- Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt ondertekend en bevat: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
- de grenzen van het terrein; en
- de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Een geluidrapportage op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen is onderdeel van de melding als: a. het bekend of aannemelijk is dat in enig vertrek waar de activiteit plaatsvindt het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door muziek meer bedraagt dan een achtergrondniveau van 70 dB(A); b. in de buitenlucht onversterkte of versterkte muziek ten gehore wordt gebracht; c. in de buitenlucht sport-, spel-, recreatie- en/of horeca-activiteiten plaats vinden en er:
- binnen 30 meter van waar deze activiteiten plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in gemengd gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan;
- binnen 50 meter van waar deze activiteiten plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in rustig gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan; d. door inpandige activiteiten tussen 19.00 uur en 7.00 uur het geluid in een geluidgevoelige ruimte van een aanpandig geluidgevoelig gebouw relevant is; e. door activiteiten in de buitenlucht tussen 19.00 uur en 7.00 uur het geluid op een geluidgevoelig gebouw relevant is en:
- binnen 30 meter van waar deze activiteiten plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in gemengd gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan;
- binnen 50 meter van waar deze activiteiten plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in rustig gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan; f. door activiteiten tussen 19:00 en 07:00 uur gebruik gemaakt kan worden van een parkeergelegenheid in de open lucht voor meer dan 10 motorvoertuigen en:
- binnen 30 meter van waar deze activiteiten plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in gemengd gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan;
- binnen 50 meter van waar deze activiteiten plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in rustig gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan; g. tussen 07.00 uur en 19.00 uur meer dan tien transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen die zwaarder zijn dan 3.500 kilo (incl. laadvermogen) en er:
- binnen 30 meter van waar deze plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in gemengd gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan;
- binnen 50 meter van waar deze plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in rustig gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan; h. tussen 19.00 uur en 23.00 uur transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen die zwaarder zijn dan 3.500 kilo (incl. laadvermogen) en er:
- meer dan 4 transportbewegingen zijn en er binnen 30 meter van waar deze plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in gemengd gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan;
- meer dan 2 transportbewegingen zijn en er binnen 50 meter van waar deze plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in rustig gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan; i. tussen 23.00 uur en 07.00 uur transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen die zwaarder zijn dan 3.500 kilo (incl. laadvermogen) en er:
- binnen 30 meter van waar deze plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in gemengd gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan;
- binnen 50 meter van waar deze plaatsvinden geluidsgevoelige gebouwen in rustig gebied aanwezig zijn of toegestaan volgens het omgevingsplan.
- In aanvulling op het derde lid kan het bevoegd gezag ook een geluidrapportage op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen verplicht stellen als anderszins aannemelijk is dat vanwege de activiteiten niet voldaan kan worden aan de geluidniveaus zoals bedoeld in artikel 4.47 en 4.
- Uit het geluidonderzoek moet blijken: a. dat voldaan wordt aan de waarden, bedoeld in de paragrafen 4.3.3.1.3, 4.3.3.1.4, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; en b. dat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
- In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b in het vijfde lid, worden overschreden. Artikel 4.45 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan voor de in deze paragraaf bedoelde activiteiten maatwerkvoorschriften stellen. Subsubparagraaf 4.3.3.1.3 Geluidregels voor activiteiten Artikel 4.46 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf gaat over het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit. Artikel 4.47 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen
- Het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 70 dB(A) 70 dB(A) Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 65 dB(A) 65 dB(A)
- In afwijking van het eerste lid is het geluid van een activiteit die wordt verricht, op een (deel van een) geluidgevoelig gebouw dat zich in het werkingsgebied rustig gebied bevindt, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw in het werkingsgebied ‘rustig gebied’. 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A) Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door activiteiten 65 dB(A) 60 dB(A) 55 dB(A)
- In afwijking van het eerste lid is het geluid van een activiteit die wordt verricht, op een (deel van een) geluidgevoelig gebouw dat zich in het werkingsgebied gemengd gebied bevindt, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.3 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw in het werkingsgebied ‘gemengd gebied’ 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
- De in het eerste, tweede en derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
- Het geluid door een activiteit is in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.4 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
- De in het vijfde lid opgenomen geluidniveaus zijn niet van toepassing in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw wanneer de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid door activiteiten in geluidsgevoelige ruimten binnen zijn gebouw en naar de noodzakelijke geluidswerende maatregelen of als de eigenaar weigert geluidswerende maatregelen te laten aanbrengen. Artikel 4.48 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: verkooppunt motorbrandstoffen
- In afwijking van artikel 4.47, eerste en tweede lid is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een (deel van een) geluidgevoelig gebouw dat zich in een rustig gebied bevindt, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 - 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 45 dB(A) 35 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 65 dB(A) 55 dB(A)
- In afwijking van artikel 4.47, eerste en derde lid is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een (deel van een) geluidgevoelig gebouw dat zich in een gemengd gebied bevindt, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.6 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 - 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A)
- De in het eerste en tweede lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur. Artikel 4.49 Eerbiedigende werking
- Voor een activiteit waarop artikel 2.17, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet of paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan zoals dat luidde in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 oktober 2025, van toepassing was, blijft het artikel gelden.
- Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet of paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan zoals dat luidde in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 oktober 2025, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.
- Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet of paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan zoals dat luidde in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 oktober 2025, van toepassing was, blijft dat lid gelden.
- Voor een activiteit waarop afwijkende geluidswaarden en bepalingen van toepassing zijn, anders dan genoemd in artikelen 2.17 en 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet of paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan zoals dat luidde in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 oktober 2025, geldt een eerbiedigende werking. Artikel 4.50 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen
- Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 4.47 en 22.74, 22.75 en 22.76, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van eeninstelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
- Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 4.47, 4.48, 22.69, 22.70, 22.71 en 22.72, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
- De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 4.47, 4.48, 22.69, 22.70, 22.71 en 22.72, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A). Artikel 4.51 Verbod geluidsgevoelige gebouwen op industrieterrein met geluidproductieplafonds Op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld zijn nieuwe geluidsgevoelige gebouwen niet toegestaan. Artikel 4.52 Geluidgevoelig gebouw op grote afstand
- Indien binnen een afstand van 50 meter van de bedrijfsactiviteit geen geluidgevoelig gebouw aanwezig of geprojecteerd is, gelden de waarden uit dit hoofdstuk ook op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de bedrijfsactiviteit. Dit geldt niet voor activiteiten waarvoor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) is vastgelegd in een vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. vergunningplichtige activiteiten op een gezoneerd industrieterrein; en b. vergunningplichtige activiteiten, wanneer in de regels van de omgevingsvergunning anders is bepaald; en c. activiteiten, wanneer in een maatwerkvoorschrift anders is bepaald. Subsubparagraaf 4.3.3.1.4 Aandachtsgebied stemgeluid bij activiteiten Artikel 4.53 Vergunningplicht Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning nieuwe activiteiten of uitbreiding van activiteiten zoals vermeld in tabel 4.3.7 te realiseren ofwel een nieuw geluidgevoelig gebouw nabij deze activiteiten te realiseren. Tabel 4.3.7 Aandachtsgebied stemgeluid bij activiteiten Activiteit Minimale afstand tussen de activiteit en geluidgevoelige gebouwen (meters)in rustig gebied Minimale afstand tussen de activiteit en geluidgevoelige gebouwen (meters)in gemengd gebied Speelplaats of schoolplein 50 30 Horeca met terras 50 10 Buitenbad 200 100 Sportveld (beoefenen van sport in de buitenlucht) 50 30 Overige buitenactiviteiten 50 30 Artikel 4.54 Uitzondering op de vergunningplicht Het in artikel 4.53 genoemde verbod is niet van toepassing als: a. de afstand van de nieuwe activiteiten of uitbreiding van activiteiten tot aan een geluidgevoelig gebouw groter is dan de in tabel 4.3.7, als opgenomen in artikel 4.53 vermelde afstanden; of b. de afstand van het nieuwe geluidgevoelige gebouw tot aan de activiteit groter is dan de in de tabel 4.3.7, als opgenomen in artikel 4.53, vermelde afstanden. Artikel 4.55 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.53 wordt verleend als er voor wat betreft geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervan is in ieder geval sprake als: a. is aangetoond met een akoestisch onderzoek dat de geluidbelasting door stemgeluid van deze activiteit niet hoger is dan de richtwaarde van 55 dB(A) (langtijdgemiddeld) op de gevel van een geluidgevoelig gebouw; en b. het maximale geluidniveau niet hoger ligt dan:
- in rustig gebied de richtwaarden van 70 dB(A) in de dagperiode / 65 dB(A) in de avondperiode / 60 dB(A) in de nachtperiode;
- in gemengd gebied de richtwaarden van 75 dB(A) in de dagperiode / 70 dB(A) in de avondperiode / 60 dB(A) in de nachtperiode. Artikel 4.56 Vergunningvoorschriften Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 4.55 kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.53 worden verbonden die verplichten tot het treffen van maatregelen. Subsubparagraaf 4.3.3.1.5 Geluidregels voor geluidgevoelige gebouwen bij een beroep of bedrijf aan huis Artikel 4.57 Geluid bij een beroep of bedrijf aan huis In de werkingsgebieden wonen, bedrijfswoning, bovenwoning en woonwagenstandplaats zijn bij elke woning beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, met dien verstande dat de activiteit geen waarneembaar geluid buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken mag veroorzaken op 20 meter van de gevel of in aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Subparagraaf 4.3.3.2 Verkeerslawaai Subsubparagraaf 4.3.3.2.
Artikel 4.58 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf gaat over geluid van spoorwegverkeer en wegverkeer, waarbij het voor wegverkeer enkel gaat over verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. Subsubparagraaf 4.3.3.2.2 Nieuw geluidgevoelig gebouw of nieuwe functie toedelen aan locatie Artikel 4.59 Vergunningplicht
- Het is verboden om een nieuwe, al dan niet tijdelijke, omgevingsplanactiviteit te verrichten, als de geluidbelasting vanwege de toename van verkeersintensiteit ten gevolge van die omgevingsplanactiviteit met meer dan 1 dB toeneemt.
- Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een nieuw, al dan niet tijdelijk, geluidgevoelig gebouw toe te delen aan een locatie, te bouwen of te gebruiken indien de geluidbelasting in het maatgevende jaar op een geluidgevoelige gevel van dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.3.
- Tabel 4.3.8 Geluidsbronsoort Standaardwaarde Gemeentewegen 53 dB Lden Rijkswegen en provinciale wegen 50 dB Lden Hoofdspoorwegen 55 dB Lden Artikel 4.60 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.59 wordt een geluidrapport aangeleverd waaruit blijkt: a. hoe hoog de geluidbelasting is op het geluidgevoelige gebouw zonder extra maatregelen; b. welke mogelijke maatregelen kunnen worden getroffen bij overschrijding van de standaardwaarde, als bedoeld in tabel 4.3.8, om de geluidbelasting terug te brengen tot de standaardwaarde; c. welke maatregelen in dit geval wel en niet genomen kunnen worden; d. welke maatregelen daadwerkelijk worden genomen om de geluidbelasting te beperken; e. hoe hoog de geluidbelasting wordt op het geluidgevoelige gebouw, na het nemen van maatregelen. Artikel 4.61 Beoordelingsregel nieuw geluidgevoelig gebouw hoger dan de standaardwaarde De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.59 wordt, als de geluidbelasting op een geluidgevoelige gevel hoger dan de standaardwaarde is, maar ten hoogste de limiet bedoeld in tabel 4.3.9 is, verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er kunnen geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen aan de bron of in de overdracht, om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde wordt zoveel mogelijk beperkt door het treffen van geluidsbeperkende maatregelen; c. er wordt voldaan aan de voorwaarden in tabel 4.3.10; d. de binnenwaarde is maximaal 33 dB uitgaande van het gezamenlijke geluid, waarbij geldt dat de binnenwaarde maximaal 38 dB mag zijn als bij een functiewijziging van een bestaand niet geluidgevoelig gebouw naar een geluidgevoelig gebouw een binnenwaarde van 33 dB redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd; e. er maximaal één niet geluidgevoelige gevel per bouwlaag per woning aanwezig is, tenzij het gaat om een situatie zoals een eind- of een hoekwoning. In deze situaties mogen maximaal twee niet geluidgevoelige gevels aanwezig zijn; en f. bij toepassing van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is het geluid op de te openen delen niet hoger dan de limiet. Tabel 4.3.9 Geluidbronsoorten Limiet Gemeentewegen 65 dB Lden Rijkswegen en provinciale wegen 60 dB Lden Hoofdspoorwegen 65 dB Lden Tabel 4.3.10 Geluidbelasting in dB (per weg) Voorwaarden 53 t/m 60 voor wegen55 t/m 60 voor spoorwegen - tenminste 1 geluidluwe gevel, - bij voorkeur tenminste 1 slaapkamer aan de zijde van de geluidluwe gevel,- een geluidluwe (gezamenlijke) buitenruimte. 61 t/m 65 voor gemeentewegen en spoorwegen - tenminste 1 geluidluwe gevel, - een geluidluwe (gezamenlijke) buitenruimte, - tenminste 1 slaapkamer aan de zijde van de geluidluwe gevel. - Er geldt een inspanningsverplichting om de (akoestische) kwaliteit van het geluidgevoelige gebouw/leefomgeving te verbeteren met akoestische danwel niet akoestische maatregelen. Artikel 4.62 Afwijking beoordelingsregels
- In afwijking van de voorwaarden in tabel 4.3.10, als opgenomen in artikel 4.61, kan, als sprake is van transformatie van een niet-geluidgevoelig naar een geluidgevoelig gebouw, waarbij redelijkerwijs geen geluidluwe gevel kan worden gerealiseerd, worden afgezien van een geluidluwe gevel mits de geluidbelasting bij minimaal één gevel van de betreffende woning niet meer dan 58 dB vanwege wegverkeerslawaai of 60 dB vanwege hoofdspoorwegen bedraagt.
- In afwijking van de voorwaarden in tabel 4.1.10, als opgenomen in artikel 4.61, kan, als sprake is van transformatie van een niet-geluidgevoelig naar een geluidgevoelig gebouw, waarbij redelijkerwijs geen geluidluwe buitenruimte kan worden gerealiseerd, worden afgezien van een geluidluwe (gemeenschappelijke) buitenruimte mits de geluidbelasting op de buitenruimte van het betreffende geluidgevoelige gebouw niet meer dan 58 dB vanwege wegverkeerslawaai of 60 dB vanwege hoofdspoorwegen bedraagt Artikel 4.63 Verbod Het is verboden om een geluidgevoelig gebouw als zodanig te gebruiken zonder dat akoestische maatregelen die getroffen moeten worden in het kader van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.59 getroffen zijn en in stand worden gehouden. Artikel 4.64 Nieuw geluidsgevoelig gebouw ter vervanging van een al bestaand geluidsgevoelig gebouw De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.59 kan, als de geluidbelasting door gemeentewegen hoger is dan de limiet bedoeld in tabel 4.3.9, als opgenomen in artikel 4.61, worden verleend voor een nieuw geluidsgevoelig gebouw ter vervanging van een al bestaand geluidsgevoelig gebouw als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er kunnen geen geluidsbeperkende maatregelen worden getroffen aan de bron of in de overdracht, om aan de standaardwaarde te voldoen of als dat redelijkerwijs niet mogelijk is aan de limiet te voldoen; b. de limiet wordt niet overschreden met meer dan 5 dB; c. er vindt geen toename plaats van het aantal bestaande geluidsgevoelige wooneenheden met een hogere geluidbelasting dan de limiet, bedoeld in tabel 4.3.9, als opgenomen in artikel 4.61; d. de binnenwaarde is maximaal 33 dB uitgaande van het gezamenlijke geluid; en e. de cumulatieve geluidbelasting is niet hoger dan 70 dB. Artikel 4.65 Beoordelingsregels tijdelijke woningen De omgevingsvergunning als bedoeld in 4.59 kan, voor een geluidsgevoelig gebouw dat voor een periode van ten hoogste 10 jaar wordt toegedeeld aan een locatie, gebouwd of gebruikt, worden verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden in de Handreiking afwijkingsmogelijkheden Geluidsnota Amersfoort Wet geluidhinder voor tijdelijke woningen of diens rechtsopvolger (zie www.overheid.nl). Subparagraaf 4.3.3.3 Aanleg of wijzigen van een gemeenteweg Artikel 4.66 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg. Artikel 4.67 Aanleg of wijzigen van een gemeenteweg
- De aanleg van een gemeenteweg is toegestaan, indien de geluidbelasting in het maatgevende jaar op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB. Dit dient tenminste 4 weken voor de start van de werkzaamheden te worden aangetoond met een geluidrapport.
- Het wijzigingen van een gemeenteweg is toegestaan, als tenminste 4 weken voor de start van de werkzaamheden wordt aangetoond met een geluidrapport dat het geluid op geluidsgevoelige gebouwen: a. niet hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB; of b. niet toeneemt door de wijziging. Artikel 4.68 Vergunningplicht Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gemeenteweg aan te leggen of te wijzigen, met een geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen die hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB en toeneemt door de wijziging als bedoeld in artikel 4.
- Artikel 4.69 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.68 wordt een geluidrapport aangeleverd waaruit blijkt: a. hoe hoog de geluidbelasting is op het geluidgevoelige gebouw voor en na de aanleg of wijziging; b. welke mogelijke maatregelen kunnen worden genomen om de toename van de geluidbelasting teniet te doen; c. welke maatregelen in dit geval wel en niet genomen kunnen worden; d. welke maatregelen daadwerkelijk worden genomen om de toename van de geluidbelasting te beperken; e. hoe hoog de geluidbelasting wordt op het geluidgevoelige gebouw na het nemen van maatregelen; f. dat voldaan wordt aan de binnenwaarde zoals bepaald in artikel 4.70 e. Artikel 4.70 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.68 wordt verleend als: a. er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen aan de bron of in de overdracht, om de toename van de geluidbelasting teniet te doen; b. de toename van de geluidbelasting zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidsbeperkende maatregelen; c. de toename van de gezamenlijke geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw niet meer dan 5 dB is; d. de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan 65 dB is, tenzij de huidige geluidbelasting hoger is met een maximale waarde van 68 dB; en e. de binnenwaarde maximaal 33 dB is, of maximaal 5 dB hoger als een functiewijziging heeft plaatsgevonden van een niet geluidgevoelig gebouw naar een geluidgevoelig gebouw en de binnenwaarde daarom hoger mocht zijn. Subparagraaf 4.3.3.4 Wijziging in overdracht van geluid Artikel 4.71 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van de overdracht van geluid in het aandachtsgebied geluidoverdracht. Artikel 4.72 Vergunningplicht Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de overdracht van geluid in het aandachtsgebied geluidoverdracht te wijzigen, waardoor geluidgevoelige gebouwen als gevolg van deze wijziging een toename van geluid van 2 dB of meer ondervinden en waarbij de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde. Artikel 4.73 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.72 wordt een geluidrapport aangeleverd waaruit blijkt: a. hoe hoog de geluidbelasting is op het geluidgevoelige gebouw voor en na de aanleg of wijziging; b. welke mogelijke maatregelen kunnen worden genomen om de toename van de geluidbelasting teniet te doen; c. welke maatregelen in dit geval wel en niet genomen kunnen worden; d. welke maatregelen daadwerkelijk worden genomen om de toename van de geluidbelasting te beperken; e. hoe hoog de geluidbelasting wordt op het geluidgevoelige gebouw na het nemen van maatregelen; f. dat voldaan wordt aan de binnenwaarde zoals bepaald in artikel 4.70 e. Artikel 4.74 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.72 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om toename van het geluid te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; of b. geluidswerende maatregelen worden getroffen om de binnenwaarde niet te laten toenemen. Paragraaf 4.3.4 Geur Subparagraaf 4.3.4.1 Geur veehouderij Subparagraaf 4.3.4.2 Geur overig Artikel 4.75 Geur bij een beroep of bedrijf aan huis In de werkingsgebieden wonen, bedrijfswoning, bovenwoning en woonwagenstandplaats zijn bij elke woning beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, met dien verstande dat de activiteit geen waarneembare geur buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken mag veroorzaken op 20 meter van de gevel of in aanpandige geurgevoelige gebouwen. Paragraaf 4.3.5 Licht Paragraaf 4.3.6 Luchtkwaliteit Subparagraaf 4.3.6.1 Nieuwe gevoelige activiteiten Artikel 4.76 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het vestigen van nieuwe gevoelige activiteiten ter plaatse van het werkingsgebied luchtkwaliteit rijksweg. Artikel 4.77 Verbod Ter plaatse van het werkingsgebied luchtkwaliteit rijksweg is het verboden om een nieuwe school en/of kinderdagverblijf te vestigen. Paragraaf 4.3.7 Omgevingsveiligheid Artikel 4.78 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over alle omgevingsvergunningplichtige activiteiten die worden uitgevoerd in het werkingsgebied VeiligheidszoneN199 en zijn opgenomen in afdeling 5.
- Artikel 4.79 Specifieke zorgplicht Degene die activiteiten als bedoeld in artikel 4.78 uitvoert in het werkingsgebied VeiligheidszoneN199 zorgt voor de beheersing en vermindering van effecten van een incident afkomstig van de risicobron N199 (transport gevaarlijke stoffen). Artikel 4.80 Vergunningvoorschriften Het bevoegd gezag kan in het werkingsgebied VeiligheidszoneN199 aan omgevingsvergunningen voor bouwwerken en functiewijzigingen vergunningvoorschriften stellen aan: a. vluchtmogelijkheden en situering van bouwwerken waarbij kwetsbare bouwwerken zover mogelijk van de risicobron af worden gesitueerd; b. vluchtmogelijkheden en de inrichting van terreinen/openbare ruimte, bouwwerken en gebieden. Deze moeten veilig en snel te verlaten zijn, door adequate vluchtroutes van de bron af zowel in gebouwen als in de buitenruimte; c. bouwwerken binnen het effectgebied, waarin personeelsleden, bezoekers, verminderd tot niet zelfredzame personen en/of grote groepen mensen kunnen verblijven, beschikken over een adequaat ontruimingsplan dat voldoende periodiek wordt geoefend; d. bewoners, personeelsleden en vaste bezoekers binnen de veiligheidszone worden geïnformeerd over de verschillende risico’s en gevaren van het transport van gevaarlijke stoffen. Daarbij dient men tevens geïnformeerd te worden over de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten (risicocommunicatie). Paragraaf 4.3.8 Trillingen Artikel 4.81 Trillingen bij een beroep of bedrijf aan huis In de werkingsgebieden wonen, bedrijfswoning, bovenwoning en woonwagenstandplaats zijn bij elke woning beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, met dien verstande dat de activiteit geen waarneembare trillingen buiten de woning en de bijbehorende bouwwerken mag veroorzaken op 20 meter van de gevel of in aanpandige trillinggevoelige gebouwen. Paragraaf 4.3.9 Waterkwaliteit Hoofdstuk 5 Activiteitgerichte regels Afdeling 5.
Artikel 5.1 Oogmerk 1.
De regels in dit hoofdstuk die gelden voor het hele ambtsgebied zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; b. het in stand houden en beschermen van de groene waarden, natuur en ecologische waarden; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; g. het waarborgen van de veiligheid; h. het beschermen van het milieu; 2. De regels in dit hoofdstuk die gelden voor het deelgebied Hoogland zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; b. het in stand houden en beschermen van de groene waarden, natuur en ecologische waarden; c. het beschermen van de gezondheid; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; g. het waarborgen van de veiligheid; h. het beschermen van het milieu; Artikel 5.2 Normadressaat Aan de regels van dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Afdeling 5.2 Bouwen Paragraaf 5.2.
Artikel 5
.3 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Artikel 5.4 Anti-dubbeltelbepaling Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Paragraaf 5.2.2 Algemene bouwregels Artikel 5.5 Vergunningplicht Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, tenzij in subparagraaf 22.2.6.2 anders aangegeven. Artikel 5.6 Bouwen ten dienste van gebruik Het is verboden om een bouwwerk te bouwen voor een gebruiksactiviteit die niet is toegestaan volgens artikel 6.4 juncto afdeling 6.
- Paragraaf 5.2.3 Beoordelingsregels hoofdgebouw Artikel 5.7 Beoordelingsregel hoofdgebouw - bouwvlak
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt voor een hoofdgebouw verleend als: a. het hoofdgebouw gerealiseerd wordt in het werkingsgebied bouwvlak; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders aangegeven in artikel 5.
- In uitzondering op het bepaalde in het eerste lid onder a geldt in het werkingsgebied speeltuin dat gebouwen buiten het bouwvlak toegestaan zijn voor bijvoorbeeld bergingen, fietsenstallingen of toiletvoorzieningen, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en het straat- en bebouwingsbeeld; b. de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 m²; c. de goot- en/of bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter; d. de gebouwen plat worden afgedekt of met een kap met een dakhelling kleiner dan
- Artikel 5.8 Beoordelingsregel hoofdgebouw - bebouwingspercentage De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als het bebouwingspercentage maximaal de aangegeven omgevingsnorm maximaal bebouwingspercentage bedraagt. Artikel 5.9 Beoordelingsregel hoofdgebouw - bouwhoogte De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als de bouwhoogte maximaal de aangegeven omgevingsnorm maximale bouwhoogte bedraagt. Artikel 5.10 Beoordelingsregel hoofdgebouw - goothoogte De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als de goothoogte maximaal de aangegeven omgevingsnorm maximale goothoogte bedraagt. Artikel 5.11 Beoordelingsregel hoofdgebouw - kap De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied kap verleend als het hoofdgebouw plat of met een kap wordt afgedekt. Artikel 5.12 Beoordelingsregel hoofdgebouw - bouwlagen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als het aantal bouwlagen maximaal de aangegeven omgevingsnorm maximaal aantal bouwlagen bedraagt, waarbij geldt dat: a. voor bestaande gebouwen de bestaande bouwhoogte als maximale bouwhoogte moet worden aangemerkt, uitgezonderd de in artikel 5.21 toegestane dakopbouwen en situaties waarin het maximaal aantal toegestane bouwlagen nog niet is gerealiseerd. In gevallen waarin het maximaal aantal toegestane bouwlagen nog niet is gerealiseerd, geldt bij toevoeging van een bouwlaag de verdiepingshoogte van de bestaande bouwlagen als maximale verdiepingshoogte; b. voor nieuwe gebouwen de maximale verdiepingshoogte 3,5 meter is. Artikel 5.13 Beoordelingsregel hoofdgebouw - woningtypologie
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied aaneen gebouwde woningen alleen verleend voor aaneen gebouwde woningen.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied twee aaneen gebouwde woningen alleen verleend voor twee aaneen gebouwde woningen.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied vrijstaande woningen alleen verleend voor vrijstaande woningen.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied gestapelde woningen alleen verleend voor gestapelde woningen.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied bovenwoning alleen verleend voor woningen op de verdieping(en). Artikel 5.14 Beoordelingsregel hoofdgebouw - aantal woningen
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied bedrijfswoning verleend als in totaal niet meer dan 1 bedrijfswoning wordt gebouwd.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als het aantal woningen maximaal de aangegeven omgevingsnorm 'maximaal aantal woningen' bedraagt. Paragraaf 5.2.4 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken Artikel 5.15 Beoordelingsregel bijbehorende bouwwerken De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor bijbehorende bouwwerken: a.
- bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd bij een (bedrijfs-) woning;
- bijbehorende bouwwerken dienen op minimaal 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd;
- de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping, vermeerderd met 0,3 m;
- de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer bedragen dan de halve hoogte van de kap van het hoofdgebouw met een maximum van 5 m, dan wel, bij hoofdgebouwen bestaande uit 1 bouwlaag met 1 kap, niet meer bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
- de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m;
- de bouwhoogte van vrijstaande bouwwerken en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 m;
- bijbehorende bouwwerken mogen plat worden afgedekt en/of met een kap met een dakhelling van 45 graden; indien de dakhelling van de kap van het hoofdgebouw groter is dan 45 graden mogen bijbehorende bouwwerken worden afgedekt met een dakhelling overeenkomstig de dakhelling van het hoofdgebouw;
- in geval van een te bebouwen erf kleiner dan of gelijk aan 100 m2 mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan maximaal 50% van dat te bebouwen erf;
- in geval van een te bebouwen erf groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2 mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het te bebouwen erf dat groter is dan 100 m2;
- in geval van een te bebouwen erf groter dan 300 m2 mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het te bebouwen erf dat groter is dan 300 m2, met een maximum van 150 m2; b. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- niet hoger dan 4 m; en
- alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; c. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- de erf- of perceelafscheiding is 1 m achter de voorgevelrooilijn gebouwd;
- de erf- of perceelafscheiding is hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
- de erf- of perceelafscheiding staat op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat. d. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; e. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of f. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
- geen uitbreiding van het bouwvolume; en
- geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 5.16 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken voor de voorgevelrooilijn
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor erkers en ingangspartijen aan de voorgevel van een (bedrijfs)woning ter plaatse van het werkingsgebieden wonen en bedrijfswoning, als: a. de diepte van de erker of ingangspartij, gerekend vanaf de voorgevel van de woning maximaal 1,5 meter bedraagt, mits de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde voortuin ten minste 2,5 meter bedraagt; b. de goothoogte van de erker of ingangspartij niet meer bedraagt dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartoe deze bebouwing behoort, vermeerderd met 0,30 meter; c. de oppervlakte van de erker of ingangspartij voor de voorgevel niet meer bedraagt dan 12 m2; d. de erker of ingangspartij maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel beslaat; e. de erker of ingangspartij minimaal 1 meter uit de erfgrens wordt geplaatst; f. de erker of ingangspartij niet wordt gebruikt als (uitbreiding van) bergingen en schuren.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel van een woning, als: a. het bijbehorende bouwwerk wordt gebouwd binnen het werkingsgebied bouw voor de voorgevel; b. de afmetingen van het bijbehorende bouwwerk niet toeneemt ten opzichte van de afmetingen van het bijbehorende bouwwerk op het moment van vaststelling van het werkingsgebied bouw voor de voorgevel op de locatie. Artikel 5.17 Beoordelingsregels bergingen in de voortuin De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor bergingen in de voortuin ter plaatse van de werkingsgebieden wonen en bedrijfswoning, als: a. het feitelijk onmogelijk is om een vanaf de openbare weg toegankelijke berging op het achter- of zijerf te realiseren; b. er geen bestaande, vanaf de weg toegankelijke berging aanwezig is op het perceel; c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,4 m; d. de berging slechts toegankelijk is vanaf het eigen erf en wordt gebouwd op een afstand van niet minder dan 0,5 m vanuit de erfgrenzen met het openbaar gebied; e. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 3 m2, mits de oppervlakte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde voortuin ten minste 2/3 van de voortuin bedraagt. Artikel 5.18 Beoordelingsregels bijbehorend bouwwerken bij een ander hoofdgebouw dan een grondgebonden woning
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van bijgebouwen buiten het bouwvlak bij een hoofdgebouw anders dan een woongebouw, zoals voor bijvoorbeeld bergingen of fietsenstallingen, als: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 15% van het bouwvlak; b. de goot- en/of bouwhoogte niet meer bedragen dan 3 meter; c. de bijbehorende bouwwerken plat worden afgedekt of met een dakhelling kleiner dan 450 . Indien de dakhelling van het hoofdgebouw groter is dan 450 mogen de bijbehorende bouwwerken een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het werkingsgebied bijgebouwen, zoals bijvoorbeeld bergingen of fietsenstallingen, als: a. de goot- en/of bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer bedragen dan 3 meter; b. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartoe deze bebouwing behoort, vermeerderd met 0,3 meter; c. de bijbehorende bouwwerken plat worden afgedekt of met een dakhelling kleiner dan 450 . Indien de dakhelling van het hoofdgebouw groter is dan 450 mogen de bijbehorende bouwwerken een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben. Artikel 5.19 Beoordelingsregels overkapping bij een verkooppunt voor motorbrandstoffen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor overkappingen bij een verkooppunt voor motorbrandstoffen in het werkingsgebied overkapping bij een verkooppunt voor motorbrandstoffen tot een maximale hoogte van 5 meter. Artikel 5.20 Beoordelingsregels overkapping De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor overkappingen in het werkingsgebied overkapping tot een maximale hoogte van 3 meter. Paragraaf 5.2.5 Beoordelingsregels dakopbouw Artikel 5.21 Beoordelingsregels dakopbouw
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van een dakopbouw op een hoofdgebouw, als: a. een dakopbouw met reguliere dakkappelen geen stahoogte van 2,4 m haalt voor een oppervlakte van minimaal 8 m2; b. een dakopbouw op een woning een dakhelling van maximaal 35° heeft en een vrije stahoogte onder de nok van maximaal 2,4 m; c. de dakopbouw wordt geplaatst op een hoofdgebouw bestaande uit maximaal 2 bouwlagen afgedekt met een kap; d. de dakopbouw bouwkundig ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, waarbij tenminste één zijde van de dakopbouw terug moet liggen ten opzichte van één van de buitengevels van het hoofdgebouw; e. de dakbouw geen onevenredige nadelige invloed heeft op naastgelegen percelen als het gaat om privacy, licht en afstand; f. de dakopbouw overeenkomt met reeds gerealiseerde dakopbouwen, die leidend in de beoordeling, waarbij onderscheid wordt gemaakt in tussenwoningen en hoekwoningen.
- In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van een dakopbouw, voor een dakopbouw waarbij de nok zich exact boven de oorspronkelijke nok van het hoofdgebouw bevindt, als: a. de dakhelling gelijk is aan de oorspronkelijke dakhelling; b. de dakopbouw aan de voorzijde van de woning maximaal de helft van de diepte van het onderliggende dakvlak bedraagt, gemeten tussen nok en voorgevel; c. de dakopbouw aan de achterzijde van de woning maximaal de helft van de diepte van het onderliggende dakvlak bedraagt, gemeten tussen nok en achtergevel; d. de maximale goothoogte van de dakopbouw gelijk is aan de oorspronkelijke nokhoogte van het hoofdgebouw.
- In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van een dakopbouw, waarbij de nok zich niet exact boven de oorspronkelijke nok van het het hoofdgebouw bevindt, als: a. de dakopbouw geplaatst wordt tussen de nok en de achtergevel van het hoofdgebouw; b. het dakvlak van de dakopbouw aan één zijde bestaat uit de doortrekking van het oorspronkelijke voordakvlak en voor het overige uit een dakhelling evenwijdig aan de oorspronkelijke dakhelling; c. de dakopbouw aan de achterzijde van de woning maximaal 2/3 van de diepte van het onderliggende dakvlak bedraagt, gemeten tussen nok en achtergevel; d. de maximale goothoogte van de dakopbouw gelijk is aan de oorspronkelijke nokhoogte van het hoofdgebouw. Paragraaf 5.2.6 Beoordelingsregels woonwagens Artikel 5.22 Beoordelingsregels aantal woonwagens De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend als het aantal woonwagenstandplaatsen maximaal de aangegeven omgevingsnorm 'maximaal aantal woonwagenstandplaatsen' bedraagt. Artikel 5.23 Beoordelingsregels afmetingen woonwagens
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied woonwagenstandplaats verleend als het bebouwd oppervlak per woonwagenstandplaats niet meer bedraagt dan 75%.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied woonwagenstandplaats verleend als de bijbehorende bouwwerken vrijstaand worden gebouwd.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied woonwagenstandplaats verleend als de oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken per woonwagen maximaal 30 m² bedraagt.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied woonwagenstandplaats verleend als de goothoogte van een woonwagen niet meer dan 3,5 meter bedraagt.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied woonwagenstandplaats verleend als de goothoogte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 meter bedraagt.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied woonwagenstandplaats verleend als woonwagens en de bijbehorende bouwwerken plat worden afgedekt of met een dakhelling kleiner dan 45o. Paragraaf 5.2.7 Beoordelingsregels erfafscheidingen Artikel 5.24 Beoordelingsregel erfafscheidingen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor een erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn als de hoogte van de erfafscheiding grenzend aan het openbaar gebied niet hoger is dan 2 meter. Paragraaf 5.2.8 Beoordelingsregels andere bouwwerken Artikel 5.25 Beoordelingsregels geluidwerende voorzieningen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in de werkingsgebieden buurtgroen, stadsgroen - gebruik en recreatie, stadsgroen - natuur, verblijfsgebied, verkeer 3 rijstroken toegestaan en verkeer verleend voor een geluidwerende voorziening als de hoogte van geluidwerende voorzieningen niet meer bedraagt dan 10 meter. Artikel 5.26 Beoordelingsregels waterhuishoudkundige voorzieningen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend in het werkingsgebied Water en voor waterhuishoudkundige voorzieningen als: a. het om een ander bouwwerk gaat, zoals: stuwen, gemalen, duikers en bruggen; b. de bouwhoogte niet meer dan 10 meter bedraagt; en c. de beheerder wordt geraadpleegd en instemt met de voorwaarden die, gelet op het waterschapsbelang, aan de uitvoering van de bouwwerken worden gesteld. Artikel 5.27 Beoordelingsregels antennemast De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied antennemast verleend als de hoogte van de antennemast niet meer bedraagt dan 33 meter. Artikel 5.28 Beoordelingsregels schotelantennes De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het plaatsen van schotelantennes vóór de voorgevelrooilijn of het verlengde daarvan als: a. de schotelantenne een doorsnede heeft van niet meer dan 1 meter; b. de schotelantenne enkel aan de (hoofd)voorgevel wordt opgericht; en c. de schotelantenne niet boven de goothoogte van het bijbehorende gebouw uitsteekt. Artikel 5.29 Beoordelingsregels overige andere bouwwerken
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van palen en masten tot een maximale hoogte van 10 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van reclame en andere tekens tot een maximale hoogte van 10 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van speeltoestellen tot een maximale hoogte van 4 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van verlichtingsmasten en antenne-installaties tot een maximale hoogte van 12 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied wonen verleend voor het bouwen van pergola's tot een maximale hoogte van 3 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van luifels tot een maximale hoogte van 6 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in de werkingsgebieden verkeer, verblijfsgebied, stadsgroen - gebruik en recreatie, stadsgroen - natuur en buurtgroen verleend voor het bouwen van ander straatmeubilair tot een maximale hoogte van 4 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van beeldende kunstwerken tot een maximale hoogte van 15 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van verkeerstekens, regelinstallaties en civieltechnische kunstwerken tot een maximale hoogte van 10 meter.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied sport verleend voor het bouwen van ballenvangers tot een maximale hoogte van 6 meter. Artikel 5.30 Afwijking beoordelingsregels overige andere bouwwerken Het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.29 is niet van toepassing in de werkingsgebieden wonen, sociale huurwoning en woonwagenstandplaats. Paragraaf 5.2.9 Beoordelingsregels ondergrondse bouwwerken Artikel 5.31 Beoordelingsregels ondergrondse bouwwerken
- De omgevingsvergunning als bedoeld in 5.5 wordt verleend voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken als: a. deze geheel zijn gelegen onder het maaiveld en geplaatst zijn waar gebouwen zijn toegestaan; b. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken die buiten het bouwvlak worden gerealiseerd voldoet aan het maximale percentage en oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken als benoemd in artikel 22.31; c. de gevels van ondergrondse bouwwerken niet zichtbaar zijn, met uitzondering van een koekoek en een inrit aan de straatzijde met een maximale breedte van 3 meter voor ondergronds parkeren; d. het realiseren van ondergrondse bouwwerken geen nadelige invloed heeft op de waterhuishouding.
- In uitzondering op het eerste lid is in het werkingsgebied parkeren ondergronds een ondergronds bouwwerk toegestaan voor parkeren in het volledige werkingsgebied, waarbij een ontsluiting met een breedte van maximaal 6 meter is toegestaan.
- In uitzondering op het eerste lid zijn in het werkingsgebied ondergronds bouwwerk bij een tankstation bestaande ondergrondse bouwwerken toegestaan voor een tankstation, zoals ondergrondse brandstofvoorzieningen of andere daarmee samenhangende ondergrondse bouwwerken. Paragraaf 5.2.10 Beoordelingsregels onderdoorgangen Artikel 5.32 Beoordelingsregels onderdoorgangen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van onderdoorgangen als: a. bouwwerken boven een openbaar voetpad een minimale doorgangshoogte van 2,2 m hebben; b. bouwwerken boven een rijbaan een minimale doorgangshoogte van 4,2 m hebben. Paragraaf 5.2.11 Beoordelingsregels bouwvolume Artikel 5.33 Beoordelingsregels bedrijfswoningen Hoogland De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt in het werkingsgebied bedrijfswoning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning met een maximale inhoud van 750 m
- Paragraaf 5.2.12 Beoordelingsregels ondergeschikte bouwdelen Artikel 5.34 Beoordelingsregels ondergeschikte bouwdelen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 wordt verleend voor het bouwen van ondergeschikte bouwdelen als: a. plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met maximaal 0,3 m overschrijden; b. luifels en overstekende daken de bouwgrens met maximaal 1 m overschrijden, waarbij bestaande grotere overschrijdingen zijn toegestaan; c. bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht een minimale doorgangshoogte van 2,2 m hebben; d. bouwwerken die boven een rijbaan worden aangebracht een minimale doorgangshoogte van 4,2 m hebben. Paragraaf 5.2.13 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten met nadere afweging Artikel 5.35 Beoordelingsregels overschrijding bouwgrenzen met nadere afweging In afwijking van het bepaalde in artikel 5.34 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 verleend voor het bouwen van luifels, balkons, bordessen, trappen, galerijen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwgrens wordt met niet meer dan 1,5 m overschreden; b. de bouwwerken worden niet lager dan 4,2 m boven een rijbaan en 2,2 m boven een voetpad aangebracht; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en het straat- en bebouwingsbeeld. Artikel 5.36 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten met nadere afweging
- In afwijking van het bepaalde in paragraaf 5.2.3, 5.2.4, 5.2.5, 5.2.6, 5.2.7, 5.2.8, 5.2.9, 5.2.10 en 5.2.11 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, abri's, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 meter en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen; b. voor het in geringe mate overschrijden van de grenzen van een werkingsgebied met ten hoogste 3 meter, mits:
- dit noodzakelijk is voor de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing; en
- daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt vergroot; c. voor overschrijdingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die beperkt blijven tot ten hoogste 10%.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. op enig aangrenzend terrein de realisering van planologische mogelijkheden wordt belemmerd; b. daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; c. daardoor onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld; d. daardoor de verkeersveiligheidsbelangen onevenredig worden geschaad. Afdeling 5.3 Werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden Paragraaf 5.3.
Artikel 5
.37 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde en over het uitvoeren van werkzaamheden. Paragraaf 5.3.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen in openbaar gebied Artikel 5.38 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren in openbaar gebied: a. het aanleggen en verharden of wijzigen van het profiel van wegen en paden, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud; b. het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud. Artikel 5.39 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening op schaal van de bestaande en de nieuwe situatie; b. de locatie van de werkzaamheden; c. een beschrijving van de te gebruiken materialen; d. een omschrijving van de werkzaamheden en de effecten daarvan. Artikel 5.40 Beoordelingsregels aanleggen of wijzigen oppervlakteverharding openbaar gebied
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.38 wordt verleend als: a. de aanwezige oppervlakte aan groen niet minder wordt dan is aangegeven op de Groenkaart; en b. door de werken en/of werkzaamheden de natuurlijke of landschappelijke waarden van de betreffende groenvoorziening niet in onevenredige mate worden aangetast; en c. op andere wijze verstening wordt voorkomen dan wel waterdoorlatendheid is geregeld.
- In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt dat ter plaatse van het werkingsgebied lijnbeplanting het behoud en de ontwikkeling van deze lijn het uitgangspunt is en rekening wordt gehouden met de benodigde groeiplaats voor de bestaande en/of nieuwe bomen en onderbeplanting. Paragraaf 5.3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen in niet openbaar gebied Artikel 5.41 Vergunningplicht
- Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning percelen die niet tot het openbaar gebied behoren te verharden, ten behoeve van paden, terrassen, parkeerplaatsen en inritten, wanneer: a. de oppervlakte aan verharding meer bedraagt dan 50% van het perceel (na aftrek van de oppervlakte van de aanwezige bebouwing); en b. het materiaal van verharding bestaat uit volledige verharding.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor half-verharding waarbij regenwater direct naar de onderliggende laag kan stromen, waardoor het in de bodem of vertraagd kan worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Artikel 5.42 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.41 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening op schaal van de bestaande en de nieuwe situatie; b. de locatie van de werkzaamheden; c. een beschrijving van de te gebruiken materialen; d. een omschrijving van de werkzaamheden en de effecten daarvan. Artikel 5.43 Beoordelingsregels aanleggen of wijzigen oppervlakteverharding niet openbaar gebied De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.41 wordt verleend als op andere wijze verstening wordt voorkomen dan wel waterdoorlatendheid is geregeld. Paragraaf 5.3.4 Omgevingsvergunning voor grondwerkzaamheden nabij een buisleiding Artikel 5.44 Vergunningplicht
- Het is verboden om in het werkingsgebied rioolpersleiding zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren.
- Onder de in het eerste lid bedoelde grondwerkzaamheden wordt verstaan: a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; b. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond; e. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting; g. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Artikel 5.45 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.44, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie en maatvoeringen van de activiteit; en b. een omschrijving van de activiteit en de effecten daarvan. Artikel 5.46 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.44 wordt verleend als de beheerder van de buisleiding wordt geraadpleegd en instemt met de manier waarop de veiligheid rondom de buisleiding is gewaarborgd. Afdeling 5.4 (Uit)weg aanleggen, veranderen en beschadigen Paragraaf 5.4.
Artikel 5
.47 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het aanleggen, veranderen en/of beschadigen van een weg en over het maken of veranderen van een uitweg. Paragraaf 5.4.2 Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 5.48 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Artikel 5.49 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.48, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie en maatvoeringen van de activiteit; en b. een omschrijving van de activiteit en de effecten daarvan. Artikel 5.50 Beoordelingsregels voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.48 wordt verleend als: a. het verkeer op de weg niet in gevaar wordt gebracht; b. het doelmatig gebruik van de weg niet onevenredig wordt gehinderd; c. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen wordt niet onevenredig gehinderd; d. de weg niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; e. de openbare weg niet onaanvaardbaar wordt beschadigd; en f. het openbaar groen niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Paragraaf 5.4.3 Het maken, veranderen van een uitweg Artikel 5.51 Vergunningsplicht voor het maken, veranderen van een uitweg Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg, of een verandering aan te brengen in de bestaande uitweg naar de weg. Artikel 5.52 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.51 wordt een situatietekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie en maatvoeringen van de activiteit verstrekt en in het geval dat de uitweg nodig is voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij een gemeentelijke groenvoorziening wordt aangetast (5.53, onder f), eveneens een Bomen Effect Analyse. Artikel 5.53 Beoordelingsregels voor het maken, veranderen van een uitweg De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.51 wordt verleend als: a. er geen sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten; b. er voldoende ruimte op het eigen terrein beschikbaar is voor het kunnen parkeren, stallen of opladen van een personenauto; c. de bruikbaarheid van de weg niet wordt belemmerd; d. het verkeer op de weg niet in gevaar wordt gebracht; e. de uitweg niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; f. de uitweg nodig is voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij een gemeentelijke groenvoorziening niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; g. parkeren niet is verboden in het omgevingsplan; h. het uitweg is toegestaan, voor zover het gaat om een uitweg die is bedoeld voor het ontsluiten van een parkeergelegenheid bij een daar toegestane gebruiksactiviteit; i. het niet ten koste gaat van een houtopstand waarvoor, voor het vellen, een omgevingsvergunning nodig is op grond van artikel 5.59; en j. het niet ten koste gaat van een groenvoorziening van de gemeente, indien de aanvraag ziet op een uitweg ten behoeve van een reeds bestaand perceel waar geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Artikel 5.54 Vergunningvoorschriften Het college van burgemeester en wethouders kunnen vergunningvoorschriften stellen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.51 ten behoeve van de bescherming van één of meerdere bomen. Afdeling 5.5 Aanbrengen en voeren van handelsreclame Paragraaf 5.5.
Artikel 5
.55 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het aanbrengen en voeren van handelsreclame. Paragraaf 5.5.2 Aanbrengen en voeren van handelsreclame Artikel 5.56 Omgevingsvergunning voor het aanbrengen en voeren van handelsreclame
- Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op, aan of in gronden en/of bouwwerken handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg.
- Het in het eerste lid 1 genoemde verbod geldt niet voor: a. onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op, aan of in gronden en/of bouwwerken, daartoe aangewezen door de overheid; b. onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:
- een openbare verkoping of aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van gronden en/of bouwwerken, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
- het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de gronden en/of bouwwerken wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; c. onverlichte opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde (bouw)werken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk of werk zijn betrokken, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde (bouw)werken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; d. onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op, aan of in gronden en/of bouwwerken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; e. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen van kennelijk tijdelijke aard op, aan of in gronden en/of bouwwerken welke niet gelegen is in het beschermd stadsgezicht Binnenstad, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits deze opschriften, aankondigingen of afbeeldingen niet langer dan zes weken op de gronden en/of bouwwerken aanwezig zijn.
- In aanvulling op het tweede lid geldt dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar mag worden gebracht of ernstige hinder voor de omgeving mag worden veroorzaakt. Artikel 5.57 Beoordelingsregels voor het aanbrengen en voeren van handelsreclame De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.56 wordt verleend als: a. de verkeersveiligheid niet in het geding is; b. de gebruiksmogelijkheden van de nabij gelegen gronden en/of bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. Afdeling 5.6 Vellen van een houtopstand Paragraaf 5.6.
Artikel 5
.58 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het vellen van een houtopstand en de afstand van een houtopstand tot de erfgrens. Paragraaf 5.6.2 Vellen van een houtopstand Artikel 5.59 Omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand
- Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een houtopstand te vellen.
- Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. houtopstand in eigendom van een natuurlijk- of rechtspersoon, waarvan de stamomtrek, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld minder is dan 35 centimeter; b. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet geknotte populieren of wilgen; c. vruchtbomen in en windschermen om boomgaarden; d. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; e. kweekgoed; f. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college van burgemeester en wethouders; h. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud
- Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die gelegen is in het werkingsgebied buiten de bebouwde kom, tenzij: a. de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are of bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; of b. de houtopstand zich bevindt op erven en in tuinen. Artikel 5.60 Meldingsplicht vellen van een houtopstand Het verbod als bedoeld in artikel 5.59 geldt niet in de volgende gevallen, als vooraf een melding is gedaan bij het college van burgemeester en wethouders: a. houtopstand waarvan het vellen onverwijld nodig is vanwege acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang; b. houtopstand die dood is en waarvan vellen binnen vier weken nodig is vanwege spoedeisend belang. Artikel 5.61 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.59 worden de gegevens en bescheiden verstrekt als benoemd in artikel 22.
- Artikel 5.62 Beoordelingsregels
- De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.59 wordt verleend als: a. de natuurwaarde van de houtopstand niet onevenredig wordt aangetast; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand niet onevenredig wordt aangetast; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon niet onevenredig wordt aangetast; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand niet onevenredig wordt aangetast; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand niet onevenredig wordt aangetast; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand niet onevenredig wordt aangetast; g. de boomwaarde van de houtopstand niet onevenredig wordt aangetast.
- In aanvulling op het eerste lid geldt dat het is verboden om in het werkingsgebied monumentale boom een houtopstand te vellen, tenzij er zwaarwegende redenen zijn, zoals veiligheid. Artikel 5.63 Vergunningvoorschriften Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 5.62 kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.59 worden verbonden: a. een termijn waarbinnen moet worden herplant en/of elders gecompenseerd; b. bij niet geslaagde herplant of compensatie kan een termijn van vervangen van deze niet geslaagde beplanting worden bepaald; c. ten aanzien van de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning. Paragraaf 5.6.3 Afstand van erfgrenslijn Artikel 5.64 Afstand van erfgrenslijn De afstand als bedoeld in Burgerlijk Wetboek, boek 5 artikel 42, wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters. Hoofdstuk 6 Gebruiksactiviteiten Afdeling 6.
Artikel 6
.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over het verrichten van gebruiksactiviteiten op (onbebouwde) gronden en in bouwwerken. Artikel 6.2 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 6.3 Normadressaat Aan de regels van dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 6.4 Verbod op strijdig gebruik Het is verboden om andere gebruiksactiviteiten te verrichten op (onbebouwde) gronden en in bouwwerken, dan genoemd in de regels van een gebruiksactiviteit als bedoeld in afdeling 6.2. Afdeling 6.2 Toegedeelde activiteiten met gebruiksruimte Paragraaf 6.2.1 Antennemast Artikel 6.5 Antennemast In het werkingsgebied antennemast mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor het zenden en ontvangen van informatie met gebruik van elektrische signalen. Artikel 6.6 Antennemast - terreininrichting In het werkingsgebied antennemast mogen gronden en bouwwerken ook worden gebruikt voor bij de antenne behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.2 Apotheek Artikel 6.7 Apotheek In het werkingsgebied apotheek mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor dienstverlenende activiteiten in de vorm van het maken en verkopen van geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten. Artikel 6.8 Apotheek - terreininrichting In het werkingsgebied apotheek mogen gronden en bouwwerken ook worden gebruikt voor bij de apotheek behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.3 Bedrijf Artikel 6.9 Bedrijf In het werkingsgebied bedrijf mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. Artikel 6.10 Bedrijf - terreininrichting In het werkingsgebied bedrijf mogen gronden en bouwwerken ook worden gebruikt voor bij het bedrijf behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Artikel 6.11 Bedrijf - buitenopslag 1. In het werkingsgebied bedrijf zijn buitenopslagactiviteiten onder de volgende voorwaarden toegestaan: a. de buitenopslagactiviteiten vinden plaats achter het verlengde van de voorgevel; en b. tot een maximale hoogte van 3 meter. 2. In afwijking van het eerste lid zijn buitenopslagactiviteiten op het zijerf dat grenst aan openbare ruimte uitsluitend toegestaan indien: a. de hoogte maximaal 2 meter bedraagt; en b. de buitenopslag visueel is ingepast door een groeiende afscherming (haag of begroeid hekwerk) van maximaal 2 meter hoog. Artikel 6.12 Bedrijf - detailhandel In het werkingsgebied bedrijf zijn detailhandelsactiviteiten onder de volgende voorwaarden toegestaan: a. het gaat om verkoop van ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten; en/of b. een internetwinkel. Artikel 6.13 Bedrijf - kantoor In het werkingsgebied bedrijf zijn kantooractiviteiten onder de volgende voorwaarden toegestaan: a. het bruto vloeroppervlak mag niet meer bedragen dan 50% van het hoofdgebouw; en b. het bruto vloeroppervlak mag niet meer bedragen dan 2000 m2. Paragraaf 6.2.4 Begraafplaats Artikel 6.14 Begraafplaats In het werkingsgebied begraafplaats mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor begraafplaatsactiviteiten. Artikel 6.15 Begraafplaats - terreininrichting In het werkingsgebied begraafplaats mogen gronden en bouwwerken ook worden gebruikt voor bij de begraafplaats behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.5 Bibliotheek Artikel 6.16 Bibliotheek In het werkingsgebied bibliotheek mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bibliotheekactiviteiten. Artikel 6.17 Bibliotheek - terreininrichting In het werkingsgebied bibliotheek mogen gronden en bouwwerken ook worden gebruikt voor bij de bibliotheek behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.6 Detailhandel Artikel 6.18 Detailhandel In het werkingsgebied detailhandel mogen gronden en bouwwerken, uitsluitend op de begane grond, worden gebruikt voor de volgende activiteiten: a. detailhandelsactiviteiten met uitzondering van: 1. detailhandel in volumineuze goederen; 2. detailhandel in grove bouwmaterialen; 3. grootschalige detailhandel in meubelen en woninginrichting; 4. (flits)bezorgdienst vanuit darkstores; b. internetwinkels of bezorgdiensten waarbij de activiteiten ten dienste van de internetwinkel of bezorgdienst geen grotere oppervlakte omvatten dan 10% van de bruto vloeroppervlakte van de winkel met een maximum van 100 m2; c. detailhandelsactiviteiten met aan detailhandel verwante bedrijfsactiviteiten; d. publieksgerichte dienstverleningsactiviteit. Artikel 6.19 Detailhandel - grootschalig In het werkingsgebied detailhandel grootschalig mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor grootschalige detailhandel in meubelen en woninginrichting en/of een bouwmarkt. Artikel 6.20 Detailhandel - terreininrichting In de werkingsgebieden detailhandel en detailhandel grootschalig mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij de detailhandel behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Artikel 6.21 Vergunningplicht en beoordelingsregels voor detailhandel op de eerste verdieping 1. In het werkingsgebied detailhandel kan in afwijking van het bepaalde in artikel 6.4 en artikel 6.18 een omgevingsvergunning worden verleend voor het gebruiken en inrichten van ruimten op de eerste verdieping voor detailhandelsactiviteiten en aan detailhandel verwante bedrijfsactiviteiten en publieksgerichte dienstverleningsactiviteiten. 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. minimaal 1 bovenwoning gehandhaafd blijft voor zover in de bestaande situatie (een) bovenwoning(
- en)in het pand (
- is)zijn gevestigd; b. er wordt voldaan aan de parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf 4.2.5; c. de verkeersveiligheid is gewaarborgd en er is sprake van een goede verkeersafwikkeling; en d. geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden plaatsvindt. Artikel 6.22 Vergunningplicht en beoordelingsregels voor (flits)bezorgingsdiensten vanuit darkstores en internetwinkels 1. In het werkingsgebied detailhandel kan in afwijking van het bepaalde in artikel 6.4 en artikel 6.18 een omgevingsvergunning worden verleend voor het gebruiken en inrichten van gronden en gebouwen ten dienste van vormen van bedrijfsvoering die blijkens hun reclame-uiting, presentatie, assortiment of bedrijfsvoering zijn te kwalificeren als zogenoemde (flits)bezorgdiensten vanuit darkstores en internetwinkels. 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als wordt voldaan aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 6.23 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 en artikel 6.22, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie en maatvoeringen van de activiteit; b. een omschrijving van de activiteit en de effecten daarvan. Paragraaf 6.2.7 Garageboxen Artikel 6.24 Garagebox In het werkingsgebied garage mag een garagebox worden gebruikt voor het parkeren en stallen van voertuigen, huisraad en dergelijke en ten behoeve van hobbymatig gebruik. De garageboxen mogen niet worden gebruikt als woonruimte en voor bedrijfsmatige opslag en overige activiteiten met een bedrijfsmatig karakter. Artikel 6.25 Garagebox - terreininrichting In het werkingsgebied garage mogen gronden worden gebruikt voor bij de garagebox behorende voorzieningen zoals wegen en paden, groen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen. Paragraaf 6.2.8 Gezondheidszorg Artikel 6.26 Gezondheidszorg In het werkingsgebied gezondheidszorg mogen gronden en gebouwen worden gebruikt voor gezondheidszorg van mens en dier. Artikel 6.27 Gezondheidszorg - terreininrichting In het werkingsgebied gezondheidszorg mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij de gezondheidszorg behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.9 Groen Artikel 6.28 Buurtgroen In het werkingsgebied buurtgroen mogen gronden worden gebruikt voor: a. groenvoorzieningen met een functie voor de buurt; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken; c. recreatief medegebruik in de vorm van wandelen, fietsen, spelen, verblijven en beleven; d. voet- en fietspaden; e. buurtinitiatieven, zoals het aanleggen van een moestuin; f. speeltoestellen; g. geluidwerende voorzieningen. Artikel 6.29 Stadsgroen met nadruk op gebruik en recreatie In het werkingsgebied stadsgroen - gebruik en recreatie en recreatie mogen gronden worden gebruikt voor: a. groenvoorzieningen in de vorm van bos, park, plantsoen en belangrijke groenstructuren en gebieden, met een functie en/of belang voor de stad en/of wijk; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken; c. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke, recreatieve en landschappelijke waarden van de groenvoorzieningen; d. recreatief medegebruik in de vorm van wandelen, fietsen, spelen, sporten, verblijven en beleven; e. speeltoestellen; f. geluidswerende voorzieningen. Artikel 6.30 Stadsgroen met nadruk op natuur In het werkingsgebied stadsgroen - natuur mogen gronden worden gebruikt voor: a. groenvoorzieningen in de vorm van bos, park, plantsoen en belangrijke groenstructuren en gebieden, met een functie en/of belang voor de stad en/of wijk; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken; c. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de groenvoorzieningen; d. recreatief medegebruik in de vorm van wandelen, spelen, verblijven en beleven; e. recreatief medegebruik in de vorm van fietsen uitsluitend ter plaatse van fietspaden; f. geluidswerende voorzieningen. Artikel 6.31 Vergunningplicht en beoordelingsregels voor wegen en parkeervoorzieningen in buurtgroen, stadsgroen - natuur en stadsgroen - gebruik en recreatie 1. In afwijking van het bepaalde in artikelen 6.4, 6.28, 6.29 en 6.30 kan een omgevingsvergunning in de werkingsgebieden buurtgroen, stadsgroen - natuur en stadsgroen - gebruik en recreatie worden verleend voor het gebruik van gronden voor wegen en parkeervoorzieningen. 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als: a. de afwijking noodzakelijk is ten behoeve van een optimale verkeersafwikkeling dan wel in verband met de parkeerbehoefte binnen het gebied; b. de verkeersveiligheid in het gebied niet in het gedrang komt; c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld van het openbaar (groen)gebied; en d. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het gebruik van belendende percelen. Artikel 6.32 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.31, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie en maatvoeringen van de activiteit; en b. een omschrijving van de activiteit en de effecten daarvan. Paragraaf 6.2.10 Horeca Artikel 6.33 Horeca van categorie 1 In het werkingsgebied horeca van categorie 1 mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor horeca van categorie 1 activiteiten. Artikel 6.34 Horeca van categorie 1 op de verdieping In het werkingsgebied horeca van categorie 1 op de verdieping mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor horeca van categorie 1 activiteiten op de eerste verdieping. Artikel 6.35 Horeca van categorie 2 In het werkingsgebied horeca van categorie 2 mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor horeca van categorie 1 en/of horeca van categorie 2 activiteiten. Artikel 6.36 Horeca van categorie 3 In het werkingsgebied horeca van categorie 3 mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor horeca van categorie 3 activiteiten. Artikel 6.37 Horeca - terreininrichting In de werkingsgebieden horeca van categorie 1, horeca van categorie 2 en horeca van categorie 3 mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij de horeca behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.11 Jeugdopvang Artikel 6.38 Jeugdopvang In het werkingsgebied jeugdopvang mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de opvang van kinderen (in de leeftijd 0 t/m ongeveer 12 jaar). Artikel 6.39 Jeugdopvang - terreininrichting In het werkingsgebied jeugdopvang mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij de jeugdopvang behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.12 Kantoor Artikel 6.40 Kantoor In het werkingsgebied kantoor mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor administratieve, financiële en zakelijke dienstverleningsactiviteiten. Artikel 6.41 Kantoor op de verdieping In het werkingsgebied kantoor op de verdieping mogen verdieping(
- en)van gebouwen worden gebruikt voor administratieve, financiële en zakelijke dienstverleningsactiviteiten. Artikel 6.42 Kantoor - terreininrichting In het werkingsgebied kantoor mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij het kantoor behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.13 Nutsvoorziening Artikel 6.43 Nutsvoorzieningen In het werkingsgebied nutsvoorziening mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor nutsvoorzieningen. Artikel 6.44 Nutsvoorziening - terreininrichting In het werkingsgebied nutsvoorziening mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij de nutsvoorziening behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.14 Onderwijs Artikel 6.45 Onderwijs In het werkingsgebied onderwijs mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor onderwijsactiviteiten. Artikel 6.46 Onderwijs - terreininrichting In het werkingsgebied onderwijs mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij het onderwijs behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding en water. Paragraaf 6.2.15 Parkeren ondergronds Artikel 6.47 Parkeren ondergronds In het werkingsgebied parkeren ondergronds mogen gronden en ondergrondse bouwwerken worden gebruikt voor parkeeractiviteiten in een ondergrondse parkeergarage. Paragraaf 6.2.16 Publieksgerichte dienstverlening Artikel 6.48 Publieksgerichte dienstverlening In het werkingsgebied publieksgerichte dienstverlening mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en