← Nederland

Omgevingsplan gemeente Hardenberg (Hardenberg)

In het kort

Dit omgevingsplan regelt de doelen, meet- en rekenbepalingen en de gebiedsindeling voor de gemeente Hardenberg, met een focus op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het is gericht op het ontwikkelen van Hardenberg tot een "landstad" met behoud en versterking van de kwaliteit van leven en de omgeving.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst
Obsah (6)Artikel 1Artikel 2Artikel 4Artikel 5Artikel 6Artikel 22

act/gemeente/2024/CVDR696200 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0160/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-02-09 2026-02-09 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696200/nld@2026-03-12 /join/id/proc

Afdeling 1

.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

  1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in bijlage I daarvan is afgeweken. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen
  2. In dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. risico-index voor PFAS: de risico-index voor PFAS wordt bepaald volgens de richtlijnen van het RIVM zoals opgenomen in de memo Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie (29 april 2021); b. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; c. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten; d. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; f. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij:
  3. de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen; of
  4. de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft; In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning; g. het bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; h. de vloeroppervlakte: de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren; i. de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen; j. het verkoopvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw voor detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens; k. de ashoogte van een windturbine:
  5. turbines met een horizontale as: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
  6. turbines met een verticale as: vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein; l. de tiphoogte van een windturbine:
  7. turbines met een horizontale as: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
  8. turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt; m. de rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as; n. wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan:
  9. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter;
  10. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter;
  11. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
  12. het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of
  13. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg; en bij een spoorweg:
  14. het verhogen van de maximumrijsnelheid;
  15. het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of
  16. het verhogen van de treinintensiteit; o. waar waarden gelden:
  17. op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: i. op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en ii. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw;
  18. op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en
  19. in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte. p. de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op:
  20. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en,
  21. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
  22. Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden. Artikel 1.3 Doelen omgevingsplan Hardenberg
  23. Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  24. De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal: a. de groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde; b. kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen; c. ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig; d. bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid.
  25. De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken: a. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied; b. aantrekkelijk wonen; c. een vitale economie; en d. samen bouwen aan een duurzame toekomst. Artikel 1.4 Gebiedsindeling omgevingsplan Hardenberg
  26. Het nieuwe deel van het omgevingsplan bestaat uit: a. het stedelijk gebied; en b. het ‘landelijk gebied’. Afdeling 1.2 Programma’s en omgevingswaarden Hoofdstuk 2 Stedelijk gebied Afdeling 2.

stedelijk gebied Paragraaf 2.1.

Artikel 2.1 Doelstellingen 1.

Voor het stedelijk gebied gelden de volgende specifieke doelstellingen: a. het creëren van een aantrekkelijk, vitaal en concurrerend woon- en leefklimaat dat optimaal bijdraagt aan een positieve gezondheid van de inwoners; b. het behouden en verder ontwikkelen van het karakter van de verschillende kernen en het bouwen aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de woongebieden; c. het voldoen aan de regionale woningbehoefte met een passend woningaanbod, bij voorkeur middels kleine woningbouwprojecten die inspelen op woontrends; d. het creëren van meer kleinschalige woon-/zorgconcepten en nieuwe combinaties van (betaalbaar) wonen met ambulante zorg; e. het geven van ruimte aan kleinschalige bedrijfsactiviteiten door een goede en flexibele ruimtelijke inpassing; f. het revitaliseren en transformeren van de bestaande woningvoorraad en het stimuleren van investeringen in levensloopbestendigheid en duurzaamheid (waaronder het duurzaam verwarmen van woningen); g. het beschikken over voldoende bedrijventerreinen voor groeiende bedrijven met een grote ruimtebehoefte; h. het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat op het bedrijventerreinen en het versterken van het ondernemersklimaat; i. het beschikken over een goede fysieke en digitale bereikbaarheid van bedrijventerreinen; j. het stimuleren van een circulaire economie en verduurzaming; k. het stimuleren van de energietransitie en klimaatadaptatie; l. het zorgdragen voor een goede beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen met waar mogelijk behoud van landschappelijke elementen en een vloeiende overgang naar de omgeving; m. het zorgdragen voor een goede segmentering (juiste bedrijf op de juiste plek) op bedrijventerreinen; n. het zorgdragen voor een hoog kwaliteitsniveau en stimuleren van samenwerking tussen bedrijven en delen van voorzieningen (parkmanagement); o. het ontwikkelen van vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart met een goede samenhang tussen bereikbaarheid, cultureel aanbod, winkels en horeca, nieuwe bedrijvigheid, wonen en openbare ruimte; p. het uitbouwen van het stationsgebied van Hardenberg tot verblijfsgebied dat aanvullend is op het centrum; q. het ondersteunen van de leefbaarheid in kleine kernen met een concentratie en bundeling van dorpsvoorzieningen en een goede onderlinge bereikbaarheid met verschillende vervoermiddelen; r. het ontwikkelen van een goede strategie om het voorzieningenniveau te laten meebewegen met de veranderende behoefte; s. het behouden van een zo compleet en sterk mogelijk voorzieningenpakket in de gemeente met een basisvoorziening zoals een ontmoetingsruimte in elke kern; en, t. het behouden en versterken van de kwaliteit van de hoofdgroenstructuur bestaande uit groen en bos ten behoeve van een gezond leef- en woonmilieu en de vrijetijdseconomie.. 2. Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen kent het stedelijk gebied de volgende functies met daaraan gestelde regels ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: a. agrarisch in stedelijk gebied; b. bedrijf in stedelijk gebied; c. bedrijventerrein; d. begraafplaats; e. centrum; f. cultuur en ontspanning; g. detailhandel in stedelijk gebied; h. dienstverlening; i. gemengd; j. hoofdgroenstructuur; k. horeca in stedelijk gebied; l. industrieterrein; m. penitentiaire inrichting; n. maatschappelijke voorzieningen in stedelijk gebied; o. recreatie in stedelijk gebied; p. sport; q. wonen in stedelijk gebied; en, r. woongebied. Artikel 2.2 Algemene regels stedelijk gebied Afdeling 2.2 Agrarisch in stedelijk gebied Afdeling 2.3 Bedrijf in stedelijk gebied Afdeling 2.4 Bedrijventerrein Afdeling 2.5 Centrum Afdeling 2.6 Detailhandel in stedelijk gebied Afdeling 2.7 Dienstverlening Afdeling 2.8 Gemengd Afdeling 2.9 Hoofdgroenstructuur Paragraaf 2.9.

SubParagraaf 2.9.1.

Artikel 2

.3 Oogmerk functie hoofdgroenstructuur De regels over de functie hoofdgroenstructuur in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behouden van de hoofdgroenstructuur met betekenis voor de openbare ruimte en de aanwezigheid van beeldbepalende bomen; b. het behouden en versterken van het landschap; en c. de recreatieve beleving en het gezonde leven. Paragraaf 2.9.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 2.9.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 2.4 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

  1. De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. het ontwikkelen en beheren van de hoofdgroenstructuur; en b. recreatief extensief verblijven.
  2. Gereserveerd
  3. Ter plaatse van de locatie ontsluiting zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. het ontwikkelen en beheren van de (spoor)wegverkeersstructuur, waarbij alleen een wijziging van de (spoor)weg mag plaatsvinden indien er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de (spoor)weg; b. zich verplaatsen, vervoeren en parkeren; en c. het gebruiken van openbaar gebied. SubParagraaf 2.9.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 2.5 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.9.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het voeren van reclame; en, b. het opslaan van goederen, voorwerpen, gewassen en afvalproducten; c. de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen binnen de locatie ontsluiting. Paragraaf 2.9.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 2.9.3.1 Toegestane bouwactiviteiten SubParagraaf 2.9.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten Artikel 2.6 Vaste beoordelingsregels bouwen ten behoeve van waterbeheer Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van waterbeheer wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; en b. de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter. Artikel 2.7 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) Een omgevingsvergunning voor het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter; en b. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter. SubParagraaf 2.9.3.3 Verboden bouwactiviteiten Artikel 2.8 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten Ter plaatse van de locatie ontsluiting is het verboden om een windturbine te realiseren, in stand te houden en gebruiken binnen een afstand van 7,85 meter plus een halve rotordiameter vanaf de grens van de locatie voor een hoofdroute voor spoorwegverkeer, met een minimum van 30 meter. Paragraaf 2.9.4 Overige activiteiten SubParagraaf 2.9.4.1 Toegestane overige activiteiten Artikel 2.9 Aanwijzing toegestane overige activiteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bestaande wegen, paden en parkeervoorzieningen in stand te houden en te gebruiken. Afdeling 2.10 Horeca in stedelijk gebied Afdeling 2.11 Industrieterrein Afdeling 2.12 Maatschappelijke voorzieningen in stedelijk gebied Afdeling 2.13 Penitentiaire inrichting Afdeling 2.14 Recreatie in stedelijk gebied Afdeling 2.15 Sport Afdeling 2.16 Woongebied Paragraaf 2.16.

Artikel 2

.10 Oogmerk functie woongebied De regels over de functie woongebied in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het benutten en ontwikkelen van woongebieden, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en c. het behoud en samenstelling van de woningvoorraad als bedoeld in artikel 2.

  1. Paragraaf 2.16.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 2.16.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 2.11 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. wonen door één huishouden in een woning; b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis onder de voorwaarden in Artikel 2.12 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis; en c. het gebruiken van het openbaar gebied. Artikel 2.12 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis Voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. het betreft de exploitatie van een bedrijf zoals vermeld op de Lijst van toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in bijlage III; b. de activiteit dient inpandig te worden verricht; c. de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 30% van het bruto vloeroppervlak van de totale bebouwing tot een maximum van 100 m²; d. degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning; e. in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit is beperkte detailhandel toegestaan; en f. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.
  2. SubParagraaf 2.16.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. zorgfuncties bij het wonen: het wonen in één of meerdere woningen door wonen in groepsverband voor speciale doelgroepen, zoals hulpbehoevenden met daarbij behorende speciale woonzorgfuncties; b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel Artikel 2.12 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis; en c. de exploitatie van een kinderopvang. Artikel 2.14 Extra beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. bij de activiteit als bedoeld in Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten eerste lid onder c: degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning; b. de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving; c. de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt; d. de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet onevenredig aantasten; e. de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2; f. de activiteit mag geen publieksgericht karakter hebben; en g. de activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen voor dit deelgebied en de oogmerken zoals bedoeld in artikel 2.1 en Artikel 2.10 Oogmerk functie woongebied . SubParagraaf 2.16.2.3 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 2.15 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.16.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten en subparagraaf 2.16.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis – voor:
  3. de exploitatie van horeca- of detailhandelsbedrijven, anders dan is bedoeld in Artikel 2.11 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten onder b;
  4. verblijfsrecreatie, anders dan bed & breakfasts;
  5. groothandel;
  6. reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans; b. wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden; c. opslag voor de voorgevel van het hoofdgebouw. Paragraaf 2.16.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 2.16.3.1 Toegestane bouwactiviteiten SubParagraaf 2.16.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. per bouwperceel is het bestaand aantal woningen in de bestaande bebouwingstypologie toegestaan, tenzij ter plaatse op de kaart:
  7. is aangegeven dat sprake is van een ‘woonzorgcomplex’ of een ‘appartementencomplex’;
  8. een ander maximaal aantal woningen Kraneplas is aangegeven, dan geldt dit aantal; b. als er op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dient het hoofdgebouw binnen dit bouwvlak te worden gebouwd; c. als er op de kaart bebouwingstypologieën zijn opgenomen, dient het hoofdgebouw te worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse aangegeven bebouwingstypologie; d. het hoofdgebouw mag de voorgevelrooilijn niet overschrijden, tenzij op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dient het hoofdgebouw in de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd; e. het hoofdgebouw dient te worden geplaatst binnen een strook - gemeten vanuit de voorgevelrooilijn danwel de naar de weg gekeerde bouwgrens - met een diepte van:
  9. 20 m voor vrijstaande woningen;
  10. 15 m voor overige grondgebonden woningen; f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag:
  11. bij vrijstaande woningen niet minder bedragen dan 3 meter aan beide zijden;
  12. bij andere woningen dan vrijstaande woningen en rijwoningen niet minder bedragen dan 3 meter aan één zijde; g. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan 115% van de goot- en bouwhoogte van het bestaande hoofgebouw op het bouwperceel, tenzij ter plaatse op de kaart een andere maximale goothoogte woongebied Kraneplas of maximale bouwhoogte woongebied Kraneplas is aangegeven dan bedragen deze niet meer dan ter plaatse op de kaart is aangegeven; h. het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan 60% van het bouwperceel; en, i. de dakhelling bedraagt ten minste 35°, tenzij ter plaatse op de kaart is aangegeven dat sprake is van een ‘woonzorgcomplex’ of een ‘appartementencomplex’. Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw ; b. als er op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dienen bijbehorende bouwwerken binnen dit bouwvlak te worden gebouwd; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter; d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. In afwijking hiervan mag de bouwhoogte van overkappingen niet meer dan 3,5 meter bedragen; e. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd. In afwijking hiervan mogen overkappingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; f. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen, bedraagt niet meer dan 75 m² tot een maximum bebouwd oppervlak van 60% van het bouwperceel. Dit is met inbegrip van de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die niet voldoen aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen. Artikel 2.18 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) Een omgevingsvergunning voor het bouwen van overige bouwwerken wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 meter. In afwijking hiervan is een bouwhoogte van 2 meter toegestaan indien de erf- of perceelafscheiding:
  13. op een erf of perceel, waarop al een hoofdgebouw aanwezig is waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  14. achter de voorgevelrooilijn staat; en
  15. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied staat, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn als bedoeld in Artikel 5.12; en b. de bouwhoogte van alle andere overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter. Artikel 2.19 Extra beoordelingsregels
  16. In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw , Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken en Artikel 2.18 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub d verkleinen van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 1 m dient te bedragen; b. het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub e verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte; c. het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub g verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak; d. het in afwijking van Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken sub c en d verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte, met dien verstande dat de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt dient te blijven aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan de goothoogte van het hoofdgebouw; e. het in afwijking van Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken sub e bouwen van bijbehorende bouwwerken op een kortere afstand tot de voorgevelrooilijn; f. het in afwijking van Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken sub f vergroten van het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot 150 m2 en het bebouwen van het bouwperceel met meer dan 60%; en, g. het in afwijking van Artikel 2.18 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken.
  17. Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt in aanvulling op het eerste lid de omgevingsvergunning ook verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub a afwijken van het bouwvlak, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; en, b. het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub a en c vergroten van het aantal woningen en hun bebouwingstypologie, met dien verstande dat het in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid of er aanleiding is om het aantal woningen te wijzigen vanwege andere marktomstandigheden en/of het voorkomen van leegstand.
  18. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: a. het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld; c. het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid; d. het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat; e. het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2; f. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel 2.1 en artikel Artikel 2.10 Oogmerk functie woongebied . Hoofdstuk 3 Landelijk gebied Hoofdstuk 4 Algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen Afdeling 4.

Artikel 4

.1 Doelstellingen Voor de algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen gelden de volgende specifieke doelstellingen: a. het beschermen van het milieu; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. het creëren van een aantrekkelijk, vitaal en concurrerend woon- en leefklimaat dat optimaal bijdraagt aan een positieve gezondheid van de inwoners; d. het beheer van infrastructuur en het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; e. het beheer van watersystemen; en, f. het beschermen van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Afdeling 4.2 Beperkingengebied molen Afdeling 4.3 Beschermd dorpsgezicht Afdeling 4.4 Beschermingszones Astron Afdeling 4.5 Bodemgebieden Paragraaf 4.5.

Artikel 4.2 Aanwijzing bodembeheergebieden Er zijn de volgende bodembeheergebieden: a.

bodembeheergebied Rollepaal; b. bodembeheergebied De Marke; c. bodembeheergebied ’t Refter; en, d. bodembeheergebied Kuilen IV. Artikel 4.3 Bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften

  1. Er kunnen in het kader van de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikel 4.1 en Artikel 4.2 in de bodembeheergebieden met maatwerkvoorschriften worden afgeweken van de kwaliteitseisen of worden aangevuld voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem zoals bedoeld in de artikelen 4.1273 en 4.1275 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  2. De regels met betrekking tot bodembeheergebieden gelden ook voor locaties met gereinigde grond die van oorsprong afkomstig is uit deze bodembeheergebieden. Paragraaf 4.5.2 Milieubelastende activiteiten SubParagraaf 4.5.2.1 Toegestane milieubelastende activiteiten Artikel 4.4 Aanwijzing en algemene regels toegestane drins en andere OCB's
  3. Ter plaatse van het bodembeheergebied Rollepaal is het - in afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving - toegestaan grond en baggerspecie toe te passen waarbij voor drins en overige OCB’s de volgende kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof) gelden: a. Som drins: 500 µg/kg d.s. b. Overige OCB’s: conform de somparameter voor organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (OCB’s) (landbodem) zoals beschreven in bijlage E van de Regeling bodemkwaliteit
  4. c. Som OCB’s: 500 µg/kg d.s.
  5. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de kwaliteitseisen bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en, b. de grond of baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied Rollepaal. Artikel 4.5 Aanwijzing en algemene regels toegestane PFOA en PFOS
  6. Ter plaatse van de bodembeheergebieden is het - in aanvulling op artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Handelingskader PFAS (december 2021) - toegestaan om grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor PFOA een kwaliteitseis geldt van 30 µg/kg d.s. en voor PFOS 29 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).
  7. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de hoogste waarden van de volgende twee kwaliteitseisen:
  8. bedoeld in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en,
  9. zoals geformuleerd in de Nota Bodembeheer (Regio IJsselland), die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. b. gebruikmakend van de risicogrenswaarde voor de functie Wonen is de risico-index voor PFAS lager dan 1; c. de grond of baggerspecie is afkomstig uit (een van) de bodembeheergebieden; en, d. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie als bedoeld in Artikel 4.2, waar de bodem al voor het toepassen aantoonbaar en vergelijkbaar diffuus met de stof was verontreinigd. Artikel 4.6 Aanwijzing en algemene regels grootschalige bodemtoepassingen
  10. Het is - in afwijking van artikel 4.1274, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving - toegestaan om grootschalig grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor som drins een kwaliteitseis geldt van 500 µg/kg d.s., voor PFOA 29 µg/kg d.s. en voor PFOS 30 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).
  11. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de kwaliteitseisen bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. gebruikmakend van de INEV is de risico-index voor PFAS lager dan 1; en, c. de grond of baggerspecie is afkomstig uit de gemeente Hardenberg. Artikel 4.7 Gegevens en bescheiden voor het toepassen van baggerspecie In aanvulling op artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ten minste een week voor het toepassen van grond of baggerspecie de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bewijs waaruit blijkt dat PFAS voldoet aan de eisen ten aanzien van de risico-index volgens Artikel 4.5 lid 2 sub b en Artikel 4.6 lid 2 sub b. Afdeling 4.6 Externe veiligheidsgebieden Afdeling 4.7 Gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Paragraaf 4.7.

Artikel 4

.8 Oogmerk gebieden met archeologische (verwachtings)waarde De regels over gebieden met archeologische (verwachtings)waarde zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten; b. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en c. het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden. Paragraaf 4.7.2 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.7.2.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten Artikel 4.9 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bouwactiviteiten

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld: a. er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplas zoals aangegeven op de kaart; en b. er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplas zoals aangegeven op de kaart.
  2. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is. Artikel 4.10 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften Indien uit het in Artikel 4.9 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. Paragraaf 4.7.3 Overige activiteiten SubParagraaf 4.7.3.1 Vergunningplichtige overige activiteiten Artikel 4.11 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden
  3. Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplas en de diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplas zoals aangegeven op de kaart: a. het ophogen van de bodem; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; en i. het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
  4. Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen; a. al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd; b. onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en d. uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
  5. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.
  6. De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal. Afdeling 4.8 Geluidsgebieden door (spoor)wegen en industrieterreinen Afdeling 4.9 Hoofdroute (spoor)wegverkeer Afdeling 4.10 Hoofdwaterstructuur Afdeling 4.11 Laagvliegroutes Paragraaf 4.11.1 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.11.1.1 Verboden bouwactiviteiten Artikel 4.12 Hoogtebeperking laagvliegroutes Het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter vanaf het maaiveld binnen laagvliegroutes is niet toegestaan. Afdeling 4.12 Landgoed Afdeling 4.13 Leidingnetwerk Afdeling 4.14 Monumenten en karakteristieke bebouwing Afdeling 4.15 Volkstuinen Hoofdstuk 5 Algemene regels voor activiteiten Afdeling 5.1 Bouwwerk bouwen Paragraaf 5.1.1 Bouwactiviteiten SubParagraaf 5.1.1.

Artikel 5

.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen van bouwwerken. Artikel 5.2 Bestaande maatvoering toegestaan

  1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van deze afdeling danwel hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
  2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van deze titel danwel hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden behouden en in stand gehouden. Artikel 5.3 Anti-dubbeltelregel
  3. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  4. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. SubParagraaf 5.1.1.2 Toegestane activiteiten Artikel 5.4 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
  5. In afwijking van Artikel 22.26 is het toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van: a. nutsvoorzieningen; b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en extensieve openluchtrecreatie; c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en, d. waterhuishoudkundige voorzieningen.
  6. In afwijking van Artikel 22.26 is het toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  7. Voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m
  8. SubParagraaf 5.1.1.3 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.5 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
  9. In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken op en in gronden: a. binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘hoofdroute (spoor)wegverkeer’ als bedoeld in afdeling Afdeling 4.9, loodrecht gemeten uit de as van de (spoor)weg in verband met de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid, uitgezonderd andere bouwwerken; en, b. binnen een afstand van 5 meter van de functie ‘water’ als bedoeld in afdeling Afdeling 4.10 loodrecht gemeten op de functiegrens van die gronden in verband met de waterstaatkundige aanvaardbaarheid.
  10. In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aanlegsteiger te plaatsen. Artikel 5.6 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: algemeen
  11. De omgevingsvergunning wordt verleend indien de bouwactiviteit: a. in overeenstemming is met de toegedeelde functie en daarbij al dan niet met omgevingsvergunning toegestane gebruiksactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m hoofdstuk Hoofdstuk 4; b. voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; c. voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf. Artikel 5.7 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
  12. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter; c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter; d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
  13. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; en b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  14. Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt. Artikel 5.8 Beoordelingsregels plaatsen aanlegsteiger De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanlegsteiger: a. de steiger behoort bij de toegedeelde functie als bedoeld in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 en wordt geplaatst volgens de vaste beoordelingsregels voor bouwwerken die binnen die functie op die locatie van toepassing zijn; b. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud en de ontwikkeling van de waterveiligheid van de regionale waterkeringen zoals opgenomen in de omgevingsverordening van provincie of waterschap; c. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; en d. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals bepaald in de provinciale omgevingsverordening. Artikel 5.9 Beoordelingsregels bedrijfs- of dienstwoning Artikel 5.10 Beoordelingsregels woningsplitsing voormalige boerderij De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten die verband houden met het toestaan van extra woningen per bouwperceel: a. er is één woning extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.000 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; b. er zijn twee woningen extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.500 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; c. de extra woning mag/de extra woningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de aaneengesloten bebouwing van een voormalige boerderij, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij moet in stand blijven; e. de gezamenlijke inhoud van de woningen mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f. de extra woning dient/de extra woningen dienen te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden of functie van aangrenzende gronden; h. op geen van de gevels van een extra woning mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder overschrijden; i. de inpassing op het gebouwerf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 5.11 Specifieke beoordelingsregels over de beeldkwaliteit
  15. Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten alleen verleend als het bouwplan past binnen de gestelde voorwaarden in het Beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in deze regel. Beeldkwaliteitsplan 4.1 Beeldkwaliteitsplan 4.1.1 Beeldkwaliteitsplan 4.1.2 Artikel 5.12 Extra beoordelingsregels voor bouwactiviteiten
  16. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; d. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt; e. het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en f. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor:
  17. ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten;
  18. eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.
  19. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: a. er ontstaat geen strijd met de regels in afdeling Artikel 22.3 van de bruidsschat; en b. er ontstaat geen onevenredige aantasting van:
  20. de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
  21. de verkeersveiligheid;
  22. de parkeervoorzieningen;
  23. het bebouwingsbeeld;
  24. het landschap.
  25. Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het gebouwerf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.
  26. In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele communicatie de volgende beoordelingsregels van toepassing: a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van vergunningsvrije antenne-installaties op gebouwen, bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals lichtmasten en verkeersportalen; b. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst; c. de antenne-installatie en bijbehorende apparatuur dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur of omgeving, ook door zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande bebouwing of (groen)elementen; d. de antenne-installatie, de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden; e. de antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving en specifieke architectonische kenmerken niet aantasten; f. de antenne-installatie mag geen onevenredige of onomkeerbare afbreuk doen aan de waarde van monumentale gebouwen of beschermde dorpsgezichten, waarbij:
  27. blijvende bouwkundige aantasting of (gevolg)schade aan het monument moet worden voorkomen;
  28. de zichtbaarheid van de antenne vanaf de openbare ruimte moet worden geminimaliseerd;
  29. bliksem- en brandbeveiliging moeten worden aangepast op de nieuwe situatie;
  30. restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, in aan of op het monument moeten ongehinderd doorgang kunnen vinden; en g. bij antenneplaatsing moet gestreefd worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden. Het heeft de voorkeur dat aanbieders zoveel mogelijk opstelpunten delen (site-sharing).
  31. In aanvulling op artikel Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators; b. een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en c. het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur.
  32. In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor radiozendamateurs de volgende beoordelingsregels van toepassing: a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een radiozendnetwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van een lagere antenne-installatie of vergunningsvrije antenne-installaties; b. de antenne-installatie mag niet voor de voorgevelrooilijn staan, bij voorkeur op het achtererf; c. de antenne-installatie mag niet op en/of boven gronden van derden komen; d. indien er welstandseisen van toepassing zijn, dient er te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand. De kleur dient in de meeste gevallen bij voorkeur grijs of vergelijkbaar te zijn; e. de antenne-installatie mag niet meer dan 5 meter hoger zijn dan de nok van het hoofdgebouw op het perceel; f. er wordt maximaal één antenne-installatie per bouwperceel op grond van dit lid opgericht; g. de antenne-installatie bevindt zich niet in beschermd dorpsgezicht; h. de antenne-installatie bevindt zich niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument; en i. de antenne-installatie mag geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaken.
  33. In aanvulling op artikel Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. diploma radiozendamateur; b. de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en c. een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt. SubParagraaf 5.1.1.4 Verboden activiteiten Artikel 5.13 Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken: a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in subparagraaf SubParagraaf 5.1.1.2t/m subparagraaf SubParagraaf 5.1.1.3; c. bedoeld als overdekte stalling voor pleziervaartuigen. Afdeling 5.2 Gronden of bouwwerk gebruiken Paragraaf 5.2.1 Gebruiksactiviteiten: algemeen SubParagraaf 5.2.1.

Artikel 5.14 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gronden of bouwwerken. Sub

Paragraaf 5.2.1.2 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 5.15 Mantelzorg / extra huishouden

  1. Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.
  2. Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel Artikel 22.36 en Artikel 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning. Artikel 5.16 Evenementen
  3. Het omgevingsplan verzet zich niet tegen het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen en andere meerdaagse of regelmatig terugkerende activiteiten met een maximum van drie evenementen per jaar met een duur van ten hoogste 15 dagen per evenement, mits, voor zover noodzakelijk, een omgevingsvergunning op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verleend. SubParagraaf 5.2.1.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 5.17 Kleinschalige duurzame energiewinning
  4. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonne-energie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk
  5. De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is. Artikel 5.18 (Pre)mantelzorg
  6. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel Artikel 22.36 en Artikel 22.37: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning; b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.
  7. De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.
  8. De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s). SubParagraaf 5.2.1.4 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 5.19 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
  9. Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  10. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie ‘mer-activiteiten toegestaan’ is opgenomen.
  11. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
  12. Het gebruik als seksinrichting is verboden.
  13. Het wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden is verboden.
  14. Het gebruik als hyperscale datacentrum is verboden. Artikel 5.20 Bebouwingscontour jacht Paragraaf 5.2.2 Voertuig parkeren Artikel 5.21 Parkeergelegenheid
  15. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
  16. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en b. een parkeerbalans en toelichting hierop.
  17. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b:
  18. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en
  19. als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.
  20. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid. Artikel 5.22 Laden en lossen
  21. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.
  22. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en b. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.
  23. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a:
  24. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en
  25. als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.
  26. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte. Afdeling 5.3 Milieubelastende activiteit verrichten Afdeling 5.4 Werk verrichten Paragraaf 5.4.1 Werken en werkzaamheden SubParagraaf 5.4.1.

Artikel 5.25 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werken en werkzaamheden. Sub

Paragraaf 5.4.1.2 Toegestane werken en werkzaamheden Artikel 5.23 Aanwijzing toegestane werken en werkzaamheden Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze niet in strijd zijn met de toegedeelde functie: a. nutsvoorzieningen; b. infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen); c. verblijfsvoorzieningen; d. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en e. vaar- en waterhuishoudkundige voorzieningen. SubParagraaf 5.4.1.3 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Artikel 5.24 Dempen waterlopen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning waterlopen te dempen.
  2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de demping geen negatieve invloed heeft op het watersysteem; b. de demping niet leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; c. het (deels) dempen noodzakelijk is om watersystemen van elkaar gescheiden te houden om waterstaatkundige redenen; en d. de te dempen waterloop voor aanvang van demping grondig wordt geschoond van aanwezige beplanting en bagger. Afdeling 5.5 Overige activiteit verrichten Hoofdstuk 6 Procesregels Afdeling 6.

Artikel 6.1 Rangorde 1.

Indien op basis van Hoofdstuk 4 op een locatie als gevolg van een stapeling van gebiedsaanwijzingen meerdere locatiegebonden en/of meer specifieke regelingen gelden, dan gaat de regeling voor die het meest bijdraagt aan de doelen van dit omgevingsplan als opgenomen in artikel 1.

  1. Indien in hoofdstuk Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in de hoofdstukken 2, 3 en Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.
  2. Indien in de hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in hoofdstuk Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.
  3. De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan, met uitzondering van de artikelen 1.1 en 1.2 waarbij het tijdelijke omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing blijft. Artikel 6.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend; b. naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de melder of aanvrager en diens eventuele gemachtigde; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding; d. een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven; en e. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan. Artikel 6.3 Advies
  4. Het bevoegd gezag vraagt schriftelijk advies aan: a. de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten; en, b. de gemeentelijke adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg in het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor monumentenactiviteiten.
  5. De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits: a. de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en b. de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd.
  6. Totdat de beleidsregels als bedoeld in lid 2 zijn vastgesteld, baseert de stadsbouwmeester zijn/haar welstandsadvies op de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 6.4 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning
  7. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en b. het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.
  8. Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit. Artikel 6.5 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en d. de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in artikel 1.
  9. Artikel 6.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
  10. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk
  11. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze hoofdstukken tenzij anders is bepaald.
  12. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
  13. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  14. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
  15. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist. Artikel 6.7 Gelijkwaardigheid
  16. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel Artikel 6.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen.
  17. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd. Artikel 6.8 Normadressaat
  18. Aan de hoofdstukken 1, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan.
  19. Aan de hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 die gaan over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.
  20. Aan hoofdstuk Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 6.9 Administratieve bepaling Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit omgevingsplan - of in de bij dit omgevingsplan behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift is herzien of vervangen en die herziening of vervanging is gepubliceerd. Artikel 6.10 Participatie bij omgevingsplanactiviteiten
  21. Indien participatie van en overleg met derden verplicht is, verstrekt de aanvrager bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op basis van artikel 16.55 lid 4 van de Omgevingswet de volgende gegevens en bescheiden: a. een overzicht van het gevolgde participatieproces; b. een weergave van de inbreng van degenen die hebben deelgenomen aan de participatie; c. een reactie van de aanvrager op de inbreng als bedoeld onder b, waarbij wordt aangegeven welke inbreng op welke wijze is verwerkt in de aangevraagde omgevingsplanactiviteit; en d. een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt.
  22. Het bevoegd gezag kan over de aanvraag om een omgevingsvergunning een participatieproces organiseren met burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen, indien de verstrekte gegevens daar aanleiding toe geven. Artikel 6.11 Participatie bij wijziging van het omgevingsplan
  23. Het college stelt een participatieplan op bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan.
  24. Het participatieplan bevat: a. het doel en de intentie van de participatie; b. wie de deelnemers zijn van het participatieproces; c. welk niveau van participatie wordt toegepast, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: raadplegen, adviseren, meebeslissen of samenwerken; d. hoe het resultaat wordt betrokken bij de besluitvorming; e. hoe het participatieproces wordt vormgegeven; en f. of en zo ja, hoe, een evaluatie van het participatieproces plaatsvindt.
  25. Bij de kennisgeving van het voornemen om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen, wordt op basis van het participatieplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
  26. Indien omstandigheden het noodzakelijk maken om het participatieproces als bedoeld in het derde lid aan te passen, draagt het college er zorg voor dat dit onverwijld bekend wordt gemaakt aan de participanten.
  27. Als afronding van het participatieproces maakt het college een participatieverslag op. Het participatieverslag bevat ieder geval: a. een overzicht van het gevolgde participatieproces; b. een weergave van de inbreng die tijdens het participatieproces mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; c. een reactie op de inbreng, met redenen omkleed welke punten al dan niet van invloed zullen zijn op de wijziging van het omgevingsplan; en d. een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt.
  28. Het bevoegd gezag neemt het participatieverslag op bij het besluit tot vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan en motiveert op basis van het participatieplan als bedoeld in het derde lid en het verslag in het zesde lid: a. hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn betrokken en wat er met de resultaten is gedaan; en b. op welke wijze invulling is gegeven aan het bepaalde in dit artikel. Afdeling 6.2 Financiële bepalingen Afdeling 6.3 Handhaving Hoofdstuk 7 Overgangsrecht en slotbepalingen Afdeling 7.1 Overgangsrecht Artikel 7.1 Overgangsrecht bouwwerken
  29. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  30. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  31. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende wijzigingsbesluit voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. Artikel 7.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  32. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) met de daarbij behorende milieugebruiksruimte als bedoeld in hoofdstuk 2,hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 dat bestond op het tijdstip van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  33. Het is verboden het met dit wijzigingsbesluit strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit wijzigingsbesluit strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  34. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  35. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende wijzigingsbesluit voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. Artikel 7.3 Overgangsrecht overige activiteiten
  36. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan: a. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit; b. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  37. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  38. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
  39. Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van een besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 1, Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing. Artikel 7.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: d. de last volledig is uitgevoerd; e. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of f. de last is opgeheven. Artikel 7.5 Voorrangsregels overgangsrecht Voor zover dit plan elders regels bevat over eerbiedigende werking hebben deze regels voorrang op de regels in deze afdeling. Afdeling 7.2 Slotbepalingen Artikel 7.6 Citeertitel Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Hardenberg. Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  40. De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van SubParagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  41. De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  42. Voor de toepassing van de Artikel 22.28 lid 1 en Artikel 22.28 lid 2, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  43. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen Artikel 22.28 lid 3, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  1. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  2. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  4. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  6. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  7. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  8. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  9. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  10. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  11. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  12. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  13. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  14. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  15. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  16. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  17. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  18. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  19. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  20. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  21. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  22. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  23. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  24. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  25. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  26. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  27. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14 lid 3, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  28. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  29. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  30. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  31. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  32. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  34. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  35. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  36. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  37. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  38. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  40. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  41. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  42. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  43. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  44. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  45. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  46. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SubParagraaf 22.2.7.

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.

De Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  1. Bij de toepassing van de Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  2. Voor de toepassing van de SubParagraaf 22.2.7.2 en SubParagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de SubParagraaf 22.2.7.2 en SubParagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  4. op de grond staand;
  5. gelegen in achtererfgebied;
  6. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  7. niet hoger dan 5 m;
  8. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  9. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. op de grond staand;
  11. niet hoger dan 5 m; en
  12. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  13. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  14. voorzien van een plat dak;
  15. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  16. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  17. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  18. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  19. niet hoger dan 4 m; en
  20. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  21. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  22. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  23. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  24. een silo; of
  25. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  26. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  27. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  28. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  29. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.
  30. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  31. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  32. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  33. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  34. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  35. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  36. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  37. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.29 lid 1, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  38. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  39. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 22.29 lid 1, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in Artikel 22.
  40. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  41. In afwijking van Artikel 22.29 lid 1, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  42. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  43. In afwijking van Artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  44. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  45. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  46. Artikel 22.303 lid 1, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  47. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  48. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  49. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  50. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  51. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  52. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  53. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  54. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  55. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  56. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  57. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. SubPa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.