← Nederland

Omgevingsplan gemeente Capelle aan den IJssel (Capelle aan den IJssel)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel regelt de ontwikkeling van het gebied Kerklaan 450, met specifieke bepalingen voor groen, verkeer en wonen. Het bevat regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken, en stelt voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696333 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-17 2026-03-17 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696333/nld@2026-04-15 /join/id/proces/gm0502/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0502/2024/procedure28c93c6458c44f369c9c63d56e001bc2 /join/id/proces/gm0502/2024/procedure5bd23edb36684781bb255e9e33294797 /join/id/proces/gm0502/2024/proceduref0406abd5857443491d5c19c522c4156 /join/id/proces/gm0502/2025/procedure3f94f461b6ad466d83e22accabd05cfc /join/id/proces/gm0502/2025/procedure628b261b91c04c7094696eef9916d466 2026-04-15 2026-04-15 /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-16;09134774 /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-16;09134774 /join/id/stop/work_019 6 Omgevingsplan gemeente Capelle aan den IJssel Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
  2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
  3. Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 21 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Doelen Hoofdstuk 3 Programma's Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Hoofdstuk 5 Thematische activiteiten Hoofdstuk 6 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte Hoofdstuk 7 Beheer en onderhoud Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen Hoofdstuk 9 Procedure regels Hoofdstuk 10 Handhaving Hoofdstuk 11 Monitoring en informatie Hoofdstuk 12 Overgangsrecht Hoofdstuk 13 Gereserveerd Hoofdstuk 14 Gereserveerd Hoofdstuk 15 Gereserveerd Hoofdstuk 16 Gereserveerd Hoofdstuk 17 Gereserveerd Hoofdstuk 18 Gereserveerd Hoofdstuk 19 Gereserveerd Hoofdstuk 20 Gereserveerd Hoofdstuk 21 ONTWIKKELINGEN Titel 21.1 Kerklaan 450 Afdeling 21.1.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 21.1 Toepassingsbereik Deze titel bevat regels die nodig zijn voor de gewenste ontwikkeling ter plaatse van het gebied Kerklaan 450 omdat deze ontwikkeling in strijd is met het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Daarom is deze titel alleen van toepassing in het gebied Ontwikkeling Kerklaan
  4. Artikel 21.2 Toegelaten activiteiten Gronden en daarop aanwezige bouwwerken worden alleen gebruikt voor activiteiten die daar zijn toegelaten volgens dit hoofdstuk. Artikel 21.3 Voorrangsbepaling
  5. De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk, tenzij in de volgende leden anders is bepaald.
  6. In het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450 zijn in aanvulling op het eerste lid de regels de volgende regels uit het tijdelijk deel van dit bestemmingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, niet van toepassing: a. Artikel 28.1 sub b Algemene afwijkingsregels Bestemmingsplan Middelwatering, vastgesteld 26 juni-2015, NL.IMRO.0502.BP15Middelwatering-4001;
  7. In het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450 zijn in uitzondering op het eerste lid de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet: a. Bestemmingsplan Middelwatering, vastgesteld 26-06-2015, NL.IMRO.0502.BP15Middelwatering-4001:
  8. Artikel 18 Waarde - Archeologie - 3;
  9. Artikel 23 Waterstaat - Waterstaatkundige functie; en
  10. Artikel 29.2 Overige zone - openbaar vervoer. b. Parapluplan Wonen, vastgesteld 14-12-2022, NL.IMRO.0502.BPParapluWonen-
  11. c. Bestemmingsplan Parkeren Capelle aan den IJssel 2023, vastgesteld 12-02-2024 IMRO-idn: NL.IMRO.0502.BP23Parkeren-
  12. De regels voor welstand/ ruimtelijke kwaliteit in bijlage V die gelden voor Ontwikkeling Kerklaan 450 gaan voor de regels uit de Nota beeldkwaliteit. Artikel 21.4 Meet- en rekenbepalingen In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden de volgende meetbepalingen: maximale bouwhoogte deze hoogte is exclusief ondergeschikte bouwwerken zoals technische installaties of kunstwerken. Afdeling 21.1.2 GROEN Paragraaf 21.1.2.1 Inleidende begrippen Artikel 21.5 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels voor het gebied 'groen' Paragraaf 21.1.2.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.6 Toegelaten activiteiten - groen In het gebied 'groen' mogen gronden worden gebruikt voor: a. grasvelden, beplanting en andere vegetatie; b. groenvoorzieningen; c. water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging, sierwater; d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals speelvoorzieningen, erfafscheidingen, wandel- en fietspaden, fietsparkeren, alsmede bermen, tunnels, straatmeubilair, ondergrondse afvalcontainers, kunstobjecten, kunstwerken, geluidwerende voorzieningen, (vis)vlonders en bruggen. Paragraaf 21.1.2.3 Bouwen Artikel 21.7 Bouwregels gebouwen Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 21.8 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste bedragen: a. van speelvoorzieningen: 7,00 meter; b. van erfafscheidingen: 1,00 meter; c. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3,00 meter. Artikel 21.9 Overkappingen Uitsluitend het bouwen van overkappingen ten behoeve van een fietsenstalling is toegestaan. Afdeling 21.1.3 VERKEER - VERBLIJFSGEBIED Paragraaf 21.1.3.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.10 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels voor het gebied 'verkeer - verblijfsgebied' Paragraaf 21.1.3.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.11 Toegelaten activiteiten – verkeer -verblijfsgebied In het gebied 'verkeer - verblijfsgebied' mogen gronden worden gebruikt voor: a. wegen, voet- en fietspaden; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. water; f. bij deze functie behorende voorzieningen: zoals (fiets)parkeervoorzieningen, straatmeubilair, speelvoorzieningen, kunstwerken, bruggen met open relingen, duikers, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, opstelplaatsen voor (ondergrondse)inzamelmiddelen en -voorzieningen voor afvalstoffen, laad- en losvoorzieningen en andere vergelijkbare voorzieningen. Paragraaf 21.1.3.3 Bouwen Artikel 21.12 Bouwregels gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Artikel 21.13 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste bedragen: a. palen en (licht)masten: 10,00 meter; b. vlaggenmasten: 6,00 meter; c. kunstwerken: 7,00 meter; d. relingen van bruggen: 1,00 meter; e. speelvoorzieningen: 4,00 meter; f. overige bouwwerken, geen gebouw zijnde: 3,00 meter. Afdeling 21.1.4 WONEN Paragraaf 21.1.4.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.14 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels voor het gebied 'wonen'. Paragraaf 21.1.4.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.15 Toegelaten activiteiten – wonen
  13. In het gebied 'wonen' mogen gronden gebruikt worden voor wonen, onder voorwaarden dat: a. het aandeel sociale huurwoningen minimaal 30% van het totaal aantal woningen bedraagt en de totale gebruiksoppervlakte (GBO) per sociale huurwoning tussen 50-75 m2 bedraagt; b. het aandeel middeldure huur of middeldure koop minimaal 36 % en maximaal 44% van het totaal aantal woningen bedraagt en de totale gebruiksoppervlakte (GBO) per middeldure huur of middeldure koopwoning tussen 50-75 m2 bedraagt; c. het aandeel vrije sector huur of koop minimaal 27% en maximaal 33% van het totaal aantal woningen bedraagt en de totale gebruiksoppervlakte (GBO) per vrije sector huur of koopwoning tussen 75-120 m2 bedraagt; d. wordt voldaan aan de bij het type woning gestelde parkeereisen, zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023 en diens rechtsopvolgers, waarnaar wordt verwezen in het Paraplubestemmingsplan Parkeren.
  14. Het totaal aantal woningen is maximaal
  15. In het gebied 'functies begane grond' kantoor met baliefunctie en maatschappelijke functie - apotheek in de onderste bouwlaag zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat de bruto vloeroppervlakte van de afzonderlijke als eenheid te beschouwen ruimtes in de categorie kantoor met baliefunctie maximaal 402 m2 bedraagt;
  16. Parkeren van motorvoertuigen in een inpandige, deels ondergrondse, parkeergarage. Artikel 21.16 Toegelaten activiteiten – aan huis verbonden beroep Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep, waaronder internetverkoop, gelden de volgende regels: a. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd, waarbij maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning als zodanig mag worden gebruikt, tot een maximum van 50 m2; b. de bewoner zelf het beroep of de activiteit uitoefent; c. bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; d. de parkeerbalans wordt of kan in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig worden beïnvloed; e. het gebruik heeft geen onevenredige nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer; f. door de uitoefening van de activiteiten wijzigt het uiterlijk ten aanzien van de woning niet zodanig, dat het karakter van een woning geheel verandert of de woning het karakter van een woning gedeeltelijk verliest. Artikel 21.17 Toestaan andere categorie maatschappelijke functie met omgevingsvergunning
  17. In afwijking van het bepaalde in artikel 21.15 derde lid is ter plaatse van 'functies begane grond’ een andere categorie maatschappelijke functie dan apotheek toegestaan. Met een omgevingsvergunning kan zijn ter plaatse van 'functies begane grond’ daghoreca, ateliers of dienstverlening worden toegestaan.
  18. De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden dat: a. parkeren en verkeersaantrekkende werking niet groter is dan de apotheek en kantoor met baliefunctie van maximaal 402 m2, tenzij hiervoor in voldoende mate extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd; b. de functies naar aard en invloed op de omgeving gelijk zijn aan de apotheek.
  19. Detailhandel is niet toegestaan. Paragraaf 21.1.4.3 Bouwen- gebouw Artikel 21.18 Beoordelingsregels bouwen gebouwen algemeen In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 binnen de functie 'Wonen' verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Hoofdgebouwen worden gebouwd in een 'bouwvlak'. b. Het maximale bebouwingspercentage van het bouwvlak is aangeven op de kaart met de omgevingsnorm ‘maximum bebouwingspercentage’. c. De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm 'maximum bouwhoogte'. d. Het gebouw kent gestaffelde (of 'getrapte') bouwhoogten, waarbij het gebouw getrapt oploopt naar het zuidwesten. e. Het aantal bouwlagen is maximaal:
  20. 3 bouwlagen in 90% van het bouwvlak;
  21. 4 bouwlagen in 80% van het bouwvlak;
  22. 5 bouwlagen in 70% van het bouwvlak;
  23. 6 bouwlagen in 60% van het bouwvlak;
  24. 7 bouwlagen in 55% van het bouwvlak.
  25. meer dan 7 bouwlagen uitsluitend ter plaatse van het gebied 'maximum bouwhoogte 75 m'. f. De oppervlakte van het gebouw - toren is maximaal 870,25 m2; g. De balkons van het gebouw - toren mogen maximaal 1 m uitsteken vanaf de gevel van het gebouw - toren; h. Ter plaatse van het gebied 'maximum bouwhoogte 24 m’ mogen de maximale bouwhoogte en het aantal bouwlagen uit 21.18 onder e. worden overschreden door het gebouw - toren onder de voorwaarden dat:
  26. de maximale oppervlakte van het gebouw - toren zoals bedoeld in lid f ongewijzigd blijft; en
  27. het gebouw - toren het gebied ‘maximum bouwhoogte 75 m’ met maximaal 15% overschrijdt. i. De bouwlaag die aansluit op maaiveld moet ter plaatse van het gebied 'functies begane grond' minimaal 4 meter hoog zijn tussen de bovenzijde van de vloer en onderzijde van de verdiepingsvloer. j. Entrees liggen terug in de gevels. k. Het bovengronds gelegen deel van de parkeergarage is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het gebied 'inpandig parkeren bovengronds'. Artikel 21.19 Nadere beoordelingsregels bouwen gebouwen In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29 en artikel 21.18 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Voor schaduw moet voldaan worden aan de hieronder opgenomen toetsingsnorm waarbij:
  28. getoetst wordt op de toetsingsdatum voor schaduw op 21 september (gelijk aan 21 maart); en
  29. er minimaal 2 uur zon is gedurende de hele daglichtperiode; I. op de onderste woningen in een gebouw, II. in het midden van de gevel van de woning, op 75 centimeter boven maaiveld of vloer;
  30. de toets plaatsvindt op gebouwen binnen een afstand van drie keer de toegestane bouwhoogte. b. Er moet worden voldaan aan de normen van de Gemeentelijke Nota Parkeernormen 2023 of diens rechtsopvolgers en de afwijkingsmogelijkheid daarbinnen. c. Voor gebouwen die hoger zijn dan 30 meter geldt dat de initiatiefnemer aantoont, via een windonderzoek waarbij wordt voldaan aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar, dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Of voldaan wordt aan de eisen voor een aanvaardbaar windklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in bijlage IV bij deze regels. d. Het uiterlijk van een bouwwerk moet voldoen aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit. Of voldaan wordt aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit welke zijn opgenomen in de welstandsregels, zoals opgenomen in bijlage V van deze regels. e. Middels een waterhuishoudkundig plan, waarin is opgenomen hoe het hemelwater op eigen terrein wordt opgevangen, gebufferd en geïnfiltreerd, is aangetoond dat bij een bui met een herhalingstijd van 1:100 jaar, op eigen terrein voorzien wordt in de opvang van minimaal 50 mm water per vierkante meter van het totale perceeloppervlak; f. Hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 48 uur weer volledig beschikbaar is; g. 774 m2 (zijnde 30% van het perceel) wordt groen ingericht. Dit betreft een combinatie van de particuliere buitenruimte, groen beplante daken én gevels. Artikel 21.20 Specifieke beoordelingsregel waterberging Als het realiseren van de waterbergingscapaciteit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.19 onder e en f, ook verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag in een waterhuishoudkundig plan is aangetoond dat het hemelwater in voldoende mate op eigen terrein wordt opgevangen, gebufferd en geïnfiltreerd. Artikel 21.21 Bouwregels ondergrondse gebouwen Voor ondergronds bouwen gelden de volgende regels: a. Ondergrondse gebouwen (kelders) zijn toegestaan ter plaatse van 100% van het bouwvlak. b. De diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 6 m onder peil. Paragraaf 21.1.4.4 Bouwen geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied Artikel 21.22 Specifieke beoordelingsregel geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied In aanvulling op het bepaalde in artikel 21.18 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat gelegen is in een geluidaandachtsgebied, dat daar ligt volgens artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Artikel 21.23 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
  31. Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 1: Tabel 1: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen en rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 53 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight
  32. Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.
  33. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 1 gelezen voor «Lden»: »Lde».
  34. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 1 gelezen voor «Lden»: «Lday». Artikel 21.24 Overschrijding van de standaardwaarde
  35. Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 21.23 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel
  36. Tabel 2: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw geluidbronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 65 Lden Industrieterreinen 55 Lden 45 Lnight
  37. Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
  38. Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 21.23, is berekend.
  39. Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en 21.23 niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel , is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a. Elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en b. Zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
  40. Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
  41. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 2 gelezen voor «Lden»: »Lde».
  42. Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 2 gelezen voor «Lden»: «Lday». Artikel 21.25 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
  43. Wanneer de geluidsbelasting op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 21.24, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen worden getroffen die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
  44. Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
  45. Artikel 21.24, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 21.26 Belang van een geluidluwe gevel Bij de toepassing van artikel 21.24 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. Artikel 21.27 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  46. Bij de toepassing van artikel 21.24 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
  47. Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;
  48. Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 21.28 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van artikel 21.24 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd. Artikel 21.29 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voorschriften verbonden die betrekking hebben op het nemen van geluidbeperkende maatregelen aan het gebouw met het oog op het voorkomen van, naar het oordeel van het bevoegd gezag, een onaanvaardbare mate van geluidsbelasting op de thermische schil van het geluidgevoelig gebouw. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op het opleggen van het treffen van bouwkundige maatregelen voor de buitengevel van het geluidgevoelige gebouw. Paragraaf 21.1.4.5 Bouwen- bouwwerken, geen gebouwen zijnde Artikel 21.30 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde De maximale toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste bedragen: a. van erf- en terreinafscheidingen: 1,20 meter; b. van tuinmeubilair: 2,50 meter; c. van speelvoorzieningen: 2,50 meter; d. van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde: 3,00 meter. Artikel 21.31 Bouwregels ondergeschikte bouwdelen Overschrijding van het bouwvlak is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, zoals een overstek en overkapping, mits het bouwdeel ondergeschikt is, mag de overschrijding maximaal 1,5 meter zijn. Balkons mogen maximaal 1 meter uitsteken buiten dit gebied. Afdeling 21.1.5 WATER Paragraaf 21.1.5.1 Inleidende bepalingen Artikel 21.32 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over het gebied 'water'. Paragraaf 21.1.5.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.33 Toegelaten activiteiten - water In het gebied 'water' mogen gronden worden gebruikt voor: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b. water ten behoeve van de aan- en afvoer, waterberging en sierwater; c. verkeer over water; d. groenvoorzieningen; e. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals: bruggen, duikers, kunstwerken, keermuren voor de waterbeheersing, beschoeiing, (inlaat)gemalen, visvlonders, andere vergelijkbare voorzieningen ten behoeve van de bestemming. Artikel 21.34 Specifiek toegelaten gebruik In afwijking van het bepaalde in artikel 21.33 is het toegestaan de gronden te gebruiken voor parkeervoorzieningen onder de voorwaarde dat de vergunning als bedoeld in artikel 21.37 is verleend. Paragraaf 21.1.5.3 Bouwen Artikel 21.35 Bouwregels gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Artikel 21.36 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is maximaal 3 m. Paragraaf 21.1.5.4 Uitvoeren van werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde Artikel 21.37 Werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, toegestaan met omgevingsvergunning
  49. Het is verboden zonder omgevingsvergunning water voorzieningen te dempen.
  50. De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aangetoond wordt het te dempen water wordt gecompenseerd met het graven van een gelijke hoeveelheid nieuw oppervlaktewater in hetzelfde peilgebied, dan wel dat gebruik gemaakt kan worden van eerder gerealiseerd oppervlaktewater conform de door het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard beheerde waterbank. Titel 21.2 Beperkingengebied lokaal spoor Afdeling 21.2.1 Activiteiten rond de lokale spoorweg Paragraaf 21.2.1.1 Algemeen Artikel 21.38 Toepassingsbereik lokale spoorweg Deze afdeling is van toepassing op activiteiten binnen het beperkingengebied lokale spoorweg Artikel 21.39 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg. Artikel 21.40 Begrippen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a. bevoegd gezag: bevoegd gezag, bedoeld in artikel 9.3 Besluit activiteiten leefomgeving; b. drukvat: een afgesloten ruimte, waarin zich een gas of vloeistof bevindt met een druk, die afwijkt van de omgevingsdruk; c. drukleiding: een leiding die wordt gebruikt om vloeistof of gas onder hoge druk te bevatten en te transporteren; d. erosiekrater: een trechtervormige uitholling in de grond veroorzaakt door erosie, bij falen van een drukleiding, waarbij erosie het proces is van slijtage van een vast oppervlak waarbij materiaal wordt verplaatst of geheel verdwijnt; e. explosievlam: een vlam die ontstaat bij explosie van een drukvat of drukleiding; f. maaiveld: hoogte van het terrein ter plaatse van de werkzaamheden; g. NEN-3650: NEN 3650-1:2020 Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 1: Algemene eisen; h. NEN-3651: NEN 3651:2020 Aanvullende eisen voor buisleidingen in of nabij belangrijke waterstaatswerken; en i. zetting: het inklinken van de grond door een hierop rustende belasting of uitgevoerde trilling. Artikel 21.41 Meetbepalingen Er wordt op de volgende wijze gemeten: a. object- of bouwhoogte: de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; b. bemalingsdiepte: de diepte onder het maaiveld tot waar het grondwater verlaagd wordt; c. reikhoogte: de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het object, verticaal en loodrecht gemeten; d. reikwijdte: de afstand vanaf de kern van het object tot aan het verste punt dat het object reikt, horizontaal gemeten. Artikel 21.42 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg
  51. Er is een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  52. Het Beperkingengebied lokale spoorweg, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de volgende werkingsgebieden: a. de kernzone lokale spoorweg; b. de beschermingszone lokale spoorweg; c. de buitenste beschermingszone lokale spoorweg; d. de kernzone nood-, onderhouds- en gebruikerstoegangen. Artikel 21.43 Vrijstelling vergunningplicht binnen een gebouw Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die uitsluitend binnen een gebouw worden verricht. Artikel 21.44 Maatwerkvoorschriften
  53. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de algemene regels bedoeld in artikel 21.
  54. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden de oogmerken van deze regels, bedoeld in artikel 21.39, in acht genomen. Paragraaf 21.2.1.2 Regels over activiteiten lokale spoorweg op maaiveld Artikel 21.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in het beperkingengebied lokale spoorweg op het maaiveld. Artikel 21.46 Vrijstelling vergunningplicht beschermingszone Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de beschermingszone lokale spoorweg niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:
  55. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter;
  56. de diepte van de grondroering maximaal 5 meter is;
  57. geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en
  58. in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 5 meter is; b. bemalingen:
  59. met een bemalingsdiepte van maximaal 5 meter; en
  60. waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; c. het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
  61. de object- of bouwhoogte maximaal 5 meter is; en
  62. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter; d. het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij:
  63. de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 5 meter is; en
  64. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter; e. het slopen van bouwwerken of het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
  65. de object- of bouwhoogte maximaal 5 meter is; en
  66. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter. Artikel 21.47 Vrijstelling vergunningplicht buitenste beschermingszone Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:
  67. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter; of
  68. de grondroeringsdiepte maximaal 15 meter is;
  69. geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en
  70. in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 15 meter is; b. bemalingen:
  71. met een bemalingsdiepte van maximaal 15 meter; en
  72. waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; c. het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en het in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
  73. de object- of bouwhoogte maximaal 15 meter is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de kernzone lokale spoorweg; en
  74. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de kernzone lokale spoorweg; d. het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij:
  75. de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 15 meter is; en
  76. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de kernzone lokale spoorweg; e. het slopen van bouwwerken of het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
  77. de object- of bouwhoogte maximaal 15 meter is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de kernzone lokale spoorweg; en
  78. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de kernzone lokale spoorweg. Artikel 21.48 Meldingsplicht
  79. Binnen de beschermingszone lokale spoorweg is het verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 21.46, te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  80. Een melding bevat: a. een beschrijving van:
  81. de wijze waarop de activiteit wordt verricht;
  82. de wijze waarop de activiteit wordt verricht;
  83. het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand.
  84. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond dat de erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor.
  85. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld. Artikel 21.49 Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden
  86. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten, bedoeld in artikel 21.46, en geldt binnen de beschermingszone lokale spoorweg.
  87. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag: a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en b. de verwachte duur ervan.
  88. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit. Artikel 21.50 Algemene regels - zetting
  89. Dit artikel is van toepassing op: a. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 21.46, onder a binnen de beschermingszone lokale spoorweg; b. bemalingen, bedoeld in artikel 21.46, onder b binnen de beschermingszone lokale spoorweg; c. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 21.47, onder a, met een grondroeringsdiepte van meer dan 5 meter binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg; d. bemalingen, bedoeld in artikel 21.47, onder b, met een bemalingsdiepte dieper dan 5 meter binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg.
  90. Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen vindt geen zetting plaats onder het spoor.
  91. Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen is aantoonbaar door een deskundige zeker gesteld, dat er door de activiteit geen zetting onder het spoor plaatsvindt. Paragraaf 21.2.1.3 Overgangsrecht Artikel 21.51 Overgangsrecht nieuwe vergunningplicht Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze afdeling onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze afdeling voor die activiteit het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze afdeling een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze afdeling. Titel 21.3 Oeverrijk Afdeling 21.3.1 Algemene bepalingen Artikel 21.52 Toepassingsbereik De regels in deze titel zijn uitsluitend van toepassing op de locatie Oeverrijk. Artikel 21.53 Begripsbepalingen
  92. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlagebij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerkenleefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij deOmgevingsregeling, zijn van toepassing op deze afdeling.
  93. In aanvulling op het eerste lid gelden voor titel 21.3 de volgende begripsbepalingen: a. Gebiedseigen beplanting: beplanting die van nature en vanuit cultuurhistorie voorkomt binnen het plangebied, zoals: hoogstamvruchtbomen, leilinden, wilgensoorten, els, populier, kastanje, es, eik, beuk, veldesdoorn, liguster. b. Groenvoorziening: ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen. c. Houtgewas: bomen, struiken, cactussen of doorlevende klimplanten (zoals druiven). d. Kunstobject: uiting van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde. e. Kunstwerk: bouwwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers. f. Landschapselementen: zijn de bouwstenen die samen de structuur van het landschap bepalen. g. Landschapswaarde: de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. h. Peil: voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. i. Verharden: verharding waarbij sprake is van een massieve toplaag zoals asfalt, beton, of verhardingen van al dan niet gebonden elementen zoals tegels, klinkers en grind. j. Waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera. Artikel 21.54 Meet- en rekenbepalingen In deze titel gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. d. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. e. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. f. het bebouwingspercentage: een in het plan aangegeven percentage van het bouwvlak, gerekend per bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd. g. breedte van een gebouw: grootste uitwendige afstand in een rechte lijn tussen de zijgevels. Artikel 21.55 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit zoals aangewezen in deze titel verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 21.56 Bevoegdheid stellen maatwerk/vergunningvoorschriften
  94. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in deze titel.
  95. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze titel, tenzij anders is bepaald.
  96. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
  97. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  98. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
  99. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist. Artikel 21.57 Verboden gebruiksactiviteiten
  100. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde activiteiten in deze afdeling zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  101. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) alsmede aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (m.e.r.-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een milieueffectrapportage is opgesteld in het kader van het omgevingsplan.
  102. Gebruiksactiviteiten die op grond van deze titel niet zijn toegestaan - rechtstreeks dan wel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden. Artikel 21.58 Bouwen passend binnen gebruiksactiviteit Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in deze regels. Artikel 21.59 Bouwen conform maatvoering
  103. Indien op de verbeelding ter plaatse van een locatie maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse van deze locatie gegeven maximum-, minimum-, verplichte dan wel andere maten.
  104. Voor een locatie waar geen maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de eventueel in de regels opgenomen maten of omgevingsnormen, die van toepassing zijn op de betreffende locatie. Afdeling 21.3.2 Groen-landschap - Oeverrijk Paragraaf 21.3.2.1 Inleidende begrippen Artikel 21.60 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels voor het gebied Groen-Landschap - Oeverrijk. Paragraaf 21.3.2.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.61 Natuur en groenvoorzieningen Ter plaatse van de locatie Groen-Landschap - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan: a. weilanden; b. gebiedseigen beplantingen en andere gebiedseigen vegetatie, zoals opgenomen in de begripsbepaling gebiedseigen beplanting; c. de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen en kavelstructuren; d. bij deze activiteit behorende voorzieningen zoals, onverharde paden, kunstobjecten, water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging en bruggen met open relingen. Paragraaf 21.3.2.3 Bouwen Artikel 21.62 Bouwregels gebouwen Gebouwen zijn niet toegestaan, tenzij anders aangegeven. Artikel 21.63 Schuilhutten Schuilhutten zijn toegestaan, mits ze voldoen aan de volgende beoordelingsregels: a. per kavel mag 1 schuilhut worden gebouwd; b. de oppervlakte van een kavel waarop een schuilhut wordt gebouwd dient ten minste 2.000 m² te bedragen; c. het grondoppervlak van een schuilhut mag ten hoogste 10 m² bedragen; d. de schuilhut dient minimaal 20 meter uit de as van de weg te worden gesitueerd; e. de schuilhut dient op 5 meter vanaf de kant sloot en evenwijdig aan de sloot te worden gesitueerd; f. de bouwhoogte van een schuilhut mag ten hoogste 3 meter bedragen. Artikel 21.64 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels: a. er zijn uitsluitend erfafscheidingen met een open constructie toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 1,5 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 2,5 meter bedragen. Paragraaf 21.3.2.4 Werken en werkzaamheden Artikel 21.65 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op de in Groen-Landschap - Oeverrijk bedoelde gronden ter waarborging van het landschappelijke karakter van het plangebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas; b. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; c. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk; d. diepploegen vanaf 0,50 meter; e. het aanbrengen van verhardingen; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen. Artikel 21.66 Uitzonderingen vergunningplicht De vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 21.65 is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a. die ten tijde van de inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden uitgevoerd; b. die het normale beheer en/ of onderhoud betreffen. Artikel 21.67 Afwegingskader De in artikel 21.65 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 21.61 genoemde waarden en gebruik. Afdeling 21.3.3 Water - Oeverrijk Paragraaf 21.3.3.1 Inleidende begrippen Artikel 21.68 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels voor het gebied Water - Oeverrijk. Paragraaf 21.3.3.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving Artikel 21.69 Water en voorzieningen ten behoeve van water Ter plaatse van de locatie Water - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b. water ten behoeve van de aan- en afvoer, waterberging en sierwater; c. verkeer over water; d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals: bruggen met open relingen, duikers, visvlonders en groenvoorzieningen ten behoeve van de bestemming. Paragraaf 21.3.3.3 Bouwen Artikel 21.70 Bouwregels gebouwen Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 21.71 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van toegangspoorten mag niet meer bedragen dan 2 meter; b. de bouwhoogte van relingen van bruggen mag niet meer bedragen dan 1 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter. Afdeling 21.3.4 Gebieden met te beschermen waarden Paragraaf 21.3.4.1 Inleidende begrippen Artikel 21.72 Toepassingsbereik Deze afdeling bevat regels over de gebieden met te beschermen waardes. Paragraaf 21.3.4.2 Archeologische waarden Subparagraaf 21.3.4.2.1 Waarde - Archeologie 1 Artikel 21.73 Toepassingsbereik archeologische waarden Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden. Artikel 21.74 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk te bouwen. Artikel 21.75 Uitzondering vergunningplicht De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.74 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 100 m² beslaan. Artikel 21.76 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 21.77 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.74 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. Artikel 21.78 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. Artikel 21.79 Uitzondering vergunningplicht Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. Artikel 21.80 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
  105. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
  106. Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen. Artikel 21.81 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.78 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. Subparagraaf 21.3.4.2.2 Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk Artikel 21.82 Toepassingsbereik archeologische waarden Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden. Artikel 21.83 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk te bouwen. Artikel 21.84 Uitzondering vergunningplicht De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.83 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 200 m² beslaan. Artikel 21.85 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 21.86 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. Artikel 21.87 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. Artikel 21.88 Uitzondering vergunningplicht Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. Artikel 21.89 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
  107. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
  108. Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen. Artikel 21.90 Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.87 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  109. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  110. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  111. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  112. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  113. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  114. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  115. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  116. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  117. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  118. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  119. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  120. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  121. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  122. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  123. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  124. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  125. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  126. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  127. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  128. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  129. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  130. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  131. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  132. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  133. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  134. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  135. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  136. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  137. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  138. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  139. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  140. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  141. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  142. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  143. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  144. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  145. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  146. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  147. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  148. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  149. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  150. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  151. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  152. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  153. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  154. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  155. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  156. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  157. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  158. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  159. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  160. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  161. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  162. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  163. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  164. op de grond staand;
  165. gelegen in achtererfgebied;
  166. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  167. niet hoger dan 5 m;
  168. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  169. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  170. op de grond staand;
  171. niet hoger dan 5 m; en
  172. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  173. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  174. voorzien van een plat dak;
  175. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  176. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  177. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  178. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  179. niet hoger dan 4 m; en
  180. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  181. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  182. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  183. achter de voorgevelrooilijn; en
  184. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  185. een silo; of
  186. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  187. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  188. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  189. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  190. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  191. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  192. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  193. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  194. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  195. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  196. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  197. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  198. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  199. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  200. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  201. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  202. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  203. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  204. In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  205. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  206. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  207. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  208. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  209. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  210. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  211. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  212. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de goot- en bouwhoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  213. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  214. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  215. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  216. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  217. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  218. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  219. De plicht tot het indienen van de onderzoeken als bedoeld in lid j, 1° geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikel 22.27 en 22.
  220. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in deze artikelen; en
  221. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in lid j, 1° toe, als bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn; en
  222. Het bevoegd gezag kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in lid j, 1° toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, indien uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek niet rechtvaardigen; en
  223. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. k. Overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan; l. Plattegronden van elke bouwlaag, schaal 1:100 of 1:50, volledig voorzien van indeling, maatvoering, de gebruiksfunctie en de opgave van de gebruiksoppervlakte per bouwlaag; m. Het verslag van het participatieproces. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  224. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
  225. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  226. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  227. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  228. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
  229. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  230. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  231. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  232. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  233. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  234. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  235. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  236. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  237. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  238. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  239. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  240. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  241. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  242. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  243. Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
  244. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
  245. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
  246. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
  247. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  248. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
  249. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
  250. Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  251. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  252. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  253. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  254. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  255. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  256. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  257. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  258. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  259. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  260. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
  261. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  262. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  263. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  264. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
  265. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  266. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  267. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  268. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  269. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  270. Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
  271. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  272. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
  273. Dit artikel is van toepassing tot 1 december
  274. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
  275. Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste lid tot en met het vierde lid niet van toepassing. Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Paragraaf 22.3.4 Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  276. Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
  277. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
  278. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
  279. Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  280. In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  281. In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
  282. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  283. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
  284. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  285. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  286. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 1

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.