Omgevingsplan gemeente Capelle aan den IJssel (Capelle aan den IJssel)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel regelt de ontwikkeling van het gebied Kerklaan 450, met specifieke bepalingen voor groen, verkeer en wonen. Het bevat regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken, en stelt voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.
Voor wie: Ontwikkelaars en bewoners in het gebied Kerklaan 450; Personen die een aan huis verbonden beroep willen uitoefenen in het woongebied.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 398
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het gebruik van gronden en bouwwerken in het gebied Kerklaan 450.
- De toegestane activiteiten in gebieden met de functie 'groen', 'verkeer - verblijfsgebied' en 'wonen'.
- Bouwregels voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, inclusief maximale hoogtes en aantallen bouwlagen.
- Specifieke voorwaarden voor woningbouw, zoals het aandeel sociale huur, middeldure huur/koop en vrije sector huur/koop, en de bijbehorende gebruiksoppervlakte.
Voor wie geldt deze regeling?
- Ontwikkelaars en bewoners in het gebied Kerklaan 450.
- Personen die een aan huis verbonden beroep willen uitoefenen in het woongebied.
Wat zijn de kernpunten?
- In het gebied 'groen' zijn gebouwen niet toegestaan; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hebben een maximale bouwhoogte van 7,00 meter voor speelvoorzieningen, 1,00 meter voor erfafscheidingen en 3,00 meter voor overige bouwwerken.
- In het gebied 'verkeer - verblijfsgebied' zijn gebouwen niet toegestaan; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hebben maximale bouwhoogtes variërend van 1,00 meter (relingen van bruggen) tot 10,00 meter (palen en (licht)masten).
- Voor wonen geldt dat minimaal 30% sociale huurwoningen moet zijn (50-75 m2 GBO), 36-44% middeldure huur/koop (50-75 m2 GBO) en 27-33% vrije sector huur/koop (75-120 m2 GBO).
- Het totaal aantal woningen is maximaal 231.
- Een aan huis verbonden beroep mag maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning beslaan, tot een maximum van 50 m2.
- De bouwhoogte van gebouwen in het woongebied is gestaffeld, met een maximum van 3 tot 7 bouwlagen, en meer dan 7 bouwlagen uitsluitend ter plaatse van het gebied 'maximum bouwhoogte 75 m'.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (398)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 21.1 Toepassingsbereik
- Artikel 21.2 Toegelaten activiteiten
- Artikel 21.3 Voorrangsbepaling
- Artikel 18 Waarde - Archeologie - 3;
- Artikel 23 Waterstaat - Waterstaatkundige functie; en
- Artikel 29.2 Overige zone - openbaar vervoer
- Artikel 21.4 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 21.5 Toepassingsbereik
- Artikel 21.6 Toegelaten activiteiten - groen
- Artikel 21.7 Bouwregels gebouwen
- Artikel 21.8 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
- Artikel 21.9 Overkappingen
- Artikel 21.10 Toepassingsbereik
- Artikel 21.11 Toegelaten activiteiten – verkeer -verblijfsgebied
- Artikel 21.12 Bouwregels gebouwen
- Artikel 21.13 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
- Artikel 21.14 Toepassingsbereik
- Artikel 21.15 Toegelaten activiteiten – wonen
- Artikel 21.16 Toegelaten activiteiten – aan huis verbonden beroep
- Artikel 21.17 Toestaan andere categorie maatschappelijke functie met omgevingsvergun
- Artikel 21.18 Beoordelingsregels bouwen gebouwen algemeen
- Artikel 21.19 Nadere beoordelingsregels bouwen gebouwen
- Artikel 21.20 Specifieke beoordelingsregel waterberging
- Artikel 21.21 Bouwregels ondergrondse gebouwen
- Artikel 21.22 Specifieke beoordelingsregel geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsg
- Artikel 21.23 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de sta
- Artikel 21.24 Overschrijding van de standaardwaarde
- Artikel 21.25 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige
- Artikel 21.26 Belang van een geluidluwe gevel
- Artikel 21.27 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
- Artikel 21.28 Bepalen van gezamenlijk geluid
- Artikel 21.29 Vergunningvoorschriften
- Artikel 21.30 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
- Artikel 21.31 Bouwregels ondergeschikte bouwdelen
- Artikel 21.32 Toepassingsbereik
- Artikel 21.33 Toegelaten activiteiten - water
- Artikel 21.34 Specifiek toegelaten gebruik
- Artikel 21.35 Bouwregels gebouwen
- Artikel 21.36 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
- Artikel 21.37 Werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, toegestaan met omgevi
- Artikel 21.38 Toepassingsbereik lokale spoorweg
- Artikel 21.39 Oogmerken
- Artikel 21.40 Begrippen
- Artikel 21.41 Meetbepalingen
- Artikel 21.42 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg
- Artikel 21.43 Vrijstelling vergunningplicht binnen een gebouw
- Artikel 21.44 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 21.45 Toepassingsbereik
- Artikel 21.46 Vrijstelling vergunningplicht beschermingszone
- Artikel 21.47 Vrijstelling vergunningplicht buitenste beschermingszone
- Artikel 21.48 Meldingsplicht
- Artikel 21.49 Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden
- Artikel 21.50 Algemene regels - zetting
- Artikel 21.51 Overgangsrecht nieuwe vergunningplicht
- Artikel 21.52 Toepassingsbereik
- Artikel 21.53 Begripsbepalingen
- Artikel 21.54 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 21.55 Specifieke zorgplicht
- Artikel 21.56 Bevoegdheid stellen maatwerk/vergunningvoorschriften
- Artikel 21.57 Verboden gebruiksactiviteiten
- Artikel 21.58 Bouwen passend binnen gebruiksactiviteit
- Artikel 21.59 Bouwen conform maatvoering
- Artikel 21.60 Toepassingsbereik
- Artikel 21.61 Natuur en groenvoorzieningen
- Artikel 21.62 Bouwregels gebouwen
- Artikel 21.63 Schuilhutten
- Artikel 21.64 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
- Artikel 21.65 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zij
- Artikel 21.66 Uitzonderingen vergunningplicht
- Artikel 21.67 Afwegingskader
- Artikel 21.68 Toepassingsbereik
- Artikel 21.69 Water en voorzieningen ten behoeve van water
- Artikel 21.70 Bouwregels gebouwen
- Artikel 21.71 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
- Artikel 21.72 Toepassingsbereik
- Artikel 21.73 Toepassingsbereik archeologische waarden
- Artikel 21.74 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden
- Artikel 21.75 Uitzondering vergunningplicht
- Artikel 21.76 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
- Artikel 21.77 Vergunningvoorschriften
- Artikel 21.78 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zij
- Artikel 21.79 Uitzondering vergunningplicht
- Artikel 21.80 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
- Artikel 21.81 Vergunningvoorschriften
- Artikel 21.82 Toepassingsbereik archeologische waarden
- Artikel 21.83 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden
- Artikel 21.84 Uitzondering vergunningplicht
- Artikel 21.85 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
- Artikel 21.86 Vergunningvoorschriften
- Artikel 21.87 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zij
- Artikel 21.88 Uitzondering vergunningplicht
- Artikel 21.89 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
- Artikel 21.90 Vergunningvoorschriften
- Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
- Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
- Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7 Repressief welstand
- Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
- Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Artikel 22.25 Mantelzorg
- Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
- Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
- Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
- Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
- Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
- Artikel 22.42 Oogmerken
- Artikel 22.43 Normadressaat
- Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
- Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
- Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
- Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
- Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Artikel 22.51 Toepassingsbereik
- Artikel 22.52 Energie: maatregelen
- Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
- Artikel 22.54 Toepassingsbereik
- Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
- Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
- Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
- Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
- Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
- Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
- Artikel 22.62 Toepassingsbereik
- Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
- Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
- Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
- Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
- Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
- Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
- Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
- Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.75 Toepassingsbereik
- Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
- Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
- Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.79 Toepassingsbereik
- Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
- Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
- Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.83 Toepassingsbereik
- Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
- Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
- Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
- Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
- Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.90 Toepassingsbereik
- Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
- Artikel 22.93 Geur: functionele binding
- Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
- Artikel 22.95 Geur: cumulatie
- Artikel 22.96 Toepassingsbereik
- Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
- Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
- Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
- Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
- Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113 Subparagraaf
- Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
- Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
- Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
- Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
- Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
- Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
- Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
- Artikel 22.121 Toepassingsbereik
- Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
- Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
- Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
- Artikel 22.125 Toepassingsbereik
- Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
- Artikel 22.127 Toepassingsbereik
- Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
- Artikel 22.131 Toepassingsbereik
- Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
- Artikel 22.133 Gereserveerd
- Artikel 22.134 Gereserveerd
- Artikel 22.135 Gereserveerd
- Artikel 22.136 Gereserveerd
- Artikel 22.137 Toepassingsbereik
- Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
- Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
- Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.142 Toepassingsbereik
- Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
- Artikel 22.145 Toepassingsbereik
- Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
- Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.151 Toepassingsbereik
- Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.153 Koelwater
- Artikel 22.154 Toepassingsbereik
- Artikel 22.155 Periodiek reinigen
- Artikel 22.156 Toepassingsbereik
- Artikel 22.157 Inerte goederen
- Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
- Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162 Toepassingsbereik
- Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
- Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
- Artikel 22.165 Toepassingsbereik
- Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
- Artikel 22.167 Toepassingsbereik
- Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
- Artikel 22.170 Toepassingsbereik
- Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
- Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
- Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
- Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
- Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.177 Toepassingsbereik
- Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.179 Water
- Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.181 Toepassingsbereik
- Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.183 Water
- Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.185 Toepassingsbereik
- Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.187 Water: lozingsroute
- Artikel 22.188 Toepassingsbereik
- Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.190 Water
- Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.192 Toepassingsbereik
- Artikel 22.193 Bodem
- Artikel 22.194 Water
- Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.196 Toepassingsbereik
- Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.198 Water
- Artikel 22.199 Geur
- Artikel 22.200 Toepassingsbereik
- Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
- Artikel 22.202 Toepassingsbereik
- Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
- Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
- Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
- Artikel 22.214 Toepassingsbereik
- Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
- Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
- Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
- Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
- Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
- Artikel 22.221 Toepassingsbereik
- Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.224 Toepassingsbereik
- Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
- Artikel 22.227 Toepassingsbereik
- Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
- Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.237 Toepassingsbereik
- Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.239 Licht
- Artikel 22.240 Toepassingsbereik
- Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.242 Bodem: opslag
- Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.244 Water: lozingsroute
- Artikel 22.245 Geur
- Artikel 22.246 Toepassingsbereik
- Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
- Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.252 Toepassingsbereik
- Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.255 Bodem: logboek
- Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
- Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.258 Toepassingsbereik
- Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
- Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
- Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
- Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
- Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
- Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
- Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
- Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
- Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
- Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
- Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
- Artikel 22.271 Toepassingsbereik
- Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
- Artikel 22.273 Aandachtsgebied
- Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
- Artikel 22.277 Toepassingsbereik
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283 Toepassingsbereik
- Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
- Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
- Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
- Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
- Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
- Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
- Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
- Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
- Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
- Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
- Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
- Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
- Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
- Artikel 23.1 (citeertitel)
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696333 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-17 2026-03-17 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696333/nld@2026-04-15 /join/id/proces/gm0502/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0502/2024/procedure28c93c6458c44f369c9c63d56e001bc2 /join/id/proces/gm0502/2024/procedure5bd23edb36684781bb255e9e33294797 /join/id/proces/gm0502/2024/proceduref0406abd5857443491d5c19c522c4156 /join/id/proces/gm0502/2025/procedure3f94f461b6ad466d83e22accabd05cfc /join/id/proces/gm0502/2025/procedure628b261b91c04c7094696eef9916d466 2026-04-15 2026-04-15 /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-16;09134774 /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0502/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-16;09134774 /join/id/stop/work_019 6 Omgevingsplan gemeente Capelle aan den IJssel
Hoofdstuk 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
2.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
3.
Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 21 van dit omgevingsplan.
Hoofdstuk 2
Doelen
Hoofdstuk 3
Programma's
Hoofdstuk 4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Hoofdstuk 5
Thematische activiteiten
Hoofdstuk 6
Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte
Hoofdstuk 7
Beheer en onderhoud
Hoofdstuk 8
Financiële bepalingen
Hoofdstuk 9
Procedure regels
Hoofdstuk 10
Handhaving
Hoofdstuk 11
Monitoring en informatie
Hoofdstuk 12
Overgangsrecht
Hoofdstuk 13
Gereserveerd
Hoofdstuk 14
Gereserveerd
Hoofdstuk 15
Gereserveerd
Hoofdstuk 16
Gereserveerd
Hoofdstuk 17
Gereserveerd
Hoofdstuk 18
Gereserveerd
Hoofdstuk 19
Gereserveerd
Hoofdstuk 20
Gereserveerd
Hoofdstuk 21
ONTWIKKELINGEN
Titel 21.1
Kerklaan 450
Afdeling 21.1.1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 21.1Toepassingsbereik
Deze titel bevat regels die nodig zijn voor de gewenste ontwikkeling ter plaatse van het gebied Kerklaan 450 omdat deze ontwikkeling in strijd is met het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Daarom is deze titel alleen van toepassing in het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450.
Artikel 21.2Toegelaten activiteiten
Gronden en daarop aanwezige bouwwerken worden alleen gebruikt voor activiteiten die daar zijn toegelaten volgens dit hoofdstuk.
Artikel 21.3Voorrangsbepaling
1.
De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk, tenzij in de volgende leden anders is bepaald.
2.
In het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450 zijn in aanvulling op het eerste lid de regels de volgende regels uit het tijdelijk deel van dit bestemmingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, niet van toepassing: a.
Artikel 28.1 sub b Algemene afwijkingsregels Bestemmingsplan Middelwatering, vastgesteld 26 juni-2015, NL.IMRO.0502.BP15Middelwatering-4001;
3.
In het gebied Ontwikkeling Kerklaan 450 zijn in uitzondering op het eerste lid de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet: a.
Bestemmingsplan Middelwatering, vastgesteld 26-06-2015, NL.IMRO.0502.BP15Middelwatering-4001:
1.
Artikel 18Waarde - Archeologie - 3;
2.
Artikel 23Waterstaat - Waterstaatkundige functie; en
3.
Artikel 29.2Overige zone - openbaar vervoer
b.
Parapluplan Wonen, vastgesteld 14-12-2022, NL.IMRO.0502.BPParapluWonen-4001. c.
Bestemmingsplan Parkeren Capelle aan den IJssel 2023, vastgesteld 12-02-2024 IMRO-idn: NL.IMRO.0502.BP23Parkeren-4001.
4.
De regels voor welstand/ ruimtelijke kwaliteit in bijlage V die gelden voor Ontwikkeling Kerklaan 450 gaan voor de regels uit de Nota beeldkwaliteit.
Artikel 21.4Meet- en rekenbepalingen
In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden de volgende meetbepalingen: maximale bouwhoogte deze hoogte is exclusief ondergeschikte bouwwerken zoals technische installaties of kunstwerken.
Afdeling 21.1.2
GROEN
Paragraaf 21.1.2.1
Inleidende begrippen
Artikel 21.5Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels voor het gebied 'groen'
Paragraaf 21.1.2.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.6Toegelaten activiteiten - groen
In het gebied 'groen' mogen gronden worden gebruikt voor: a. grasvelden, beplanting en andere vegetatie; b. groenvoorzieningen; c. water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging, sierwater; d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals speelvoorzieningen, erfafscheidingen, wandel- en fietspaden, fietsparkeren, alsmede bermen, tunnels, straatmeubilair, ondergrondse afvalcontainers, kunstobjecten, kunstwerken, geluidwerende voorzieningen, (vis)vlonders en bruggen.
Paragraaf 21.1.2.3
Bouwen
Artikel 21.7Bouwregels gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan.
Artikel 21.8Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste bedragen: a. van speelvoorzieningen: 7,00 meter; b. van erfafscheidingen: 1,00 meter; c. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3,00 meter.
Artikel 21.9Overkappingen
Uitsluitend het bouwen van overkappingen ten behoeve van een fietsenstalling is toegestaan.
Afdeling 21.1.3
VERKEER - VERBLIJFSGEBIED
Paragraaf 21.1.3.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.10Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels voor het gebied 'verkeer - verblijfsgebied'
Paragraaf 21.1.3.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.11Toegelaten activiteiten – verkeer -verblijfsgebied
In het gebied 'verkeer - verblijfsgebied' mogen gronden worden gebruikt voor: a. wegen, voet- en fietspaden; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. water; f. bij deze functie behorende voorzieningen: zoals (fiets)parkeervoorzieningen, straatmeubilair, speelvoorzieningen, kunstwerken, bruggen met open relingen, duikers, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, opstelplaatsen voor (ondergrondse)inzamelmiddelen en -voorzieningen voor afvalstoffen, laad- en losvoorzieningen en andere vergelijkbare voorzieningen.
Paragraaf 21.1.3.3
Bouwen
Artikel 21.12Bouwregels gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
Artikel 21.13Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste bedragen: a. palen en (licht)masten: 10,00 meter; b. vlaggenmasten: 6,00 meter; c. kunstwerken: 7,00 meter; d. relingen van bruggen: 1,00 meter; e. speelvoorzieningen: 4,00 meter; f. overige bouwwerken, geen gebouw zijnde: 3,00 meter.
Afdeling 21.1.4
WONEN
Paragraaf 21.1.4.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.14Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels voor het gebied 'wonen'.
Paragraaf 21.1.4.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.15Toegelaten activiteiten – wonen
1.
In het gebied 'wonen' mogen gronden gebruikt worden voor wonen, onder voorwaarden dat: a. het aandeel sociale huurwoningen minimaal 30% van het totaal aantal woningen bedraagt en de totale gebruiksoppervlakte (GBO) per sociale huurwoning tussen 50-75 m2 bedraagt; b. het aandeel middeldure huur of middeldure koop minimaal 36 % en maximaal 44% van het totaal aantal woningen bedraagt en de totale gebruiksoppervlakte (GBO) per middeldure huur of middeldure koopwoning tussen 50-75 m2 bedraagt; c. het aandeel vrije sector huur of koop minimaal 27% en maximaal 33% van het totaal aantal woningen bedraagt en de totale gebruiksoppervlakte (GBO) per vrije sector huur of koopwoning tussen 75-120 m2 bedraagt; d. wordt voldaan aan de bij het type woning gestelde parkeereisen, zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023 en diens rechtsopvolgers, waarnaar wordt verwezen in het Paraplubestemmingsplan Parkeren.
2.
Het totaal aantal woningen is maximaal 231.
3.
In het gebied 'functies begane grond' kantoor met baliefunctie en maatschappelijke functie - apotheek in de onderste bouwlaag zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat de bruto vloeroppervlakte van de afzonderlijke als eenheid te beschouwen ruimtes in de categorie kantoor met baliefunctie maximaal 402 m2 bedraagt;
4.
Parkeren van motorvoertuigen in een inpandige, deels ondergrondse, parkeergarage.
Artikel 21.16Toegelaten activiteiten – aan huis verbonden beroep
Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep, waaronder internetverkoop, gelden de volgende regels: a. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd, waarbij maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning als zodanig mag worden gebruikt, tot een maximum van 50 m2; b. de bewoner zelf het beroep of de activiteit uitoefent; c. bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; d. de parkeerbalans wordt of kan in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig worden beïnvloed; e. het gebruik heeft geen onevenredige nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer; f. door de uitoefening van de activiteiten wijzigt het uiterlijk ten aanzien van de woning niet zodanig, dat het karakter van een woning geheel verandert of de woning het karakter van een woning gedeeltelijk verliest.
Artikel 21.17Toestaan andere categorie maatschappelijke functie met omgevingsvergunning
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 21.15 derde lid is ter plaatse van 'functies begane grond’ een andere categorie maatschappelijke functie dan apotheek toegestaan. Met een omgevingsvergunning kan zijn ter plaatse van 'functies begane grond’ daghoreca, ateliers of dienstverlening worden toegestaan.
2.
De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden dat: a. parkeren en verkeersaantrekkende werking niet groter is dan de apotheek en kantoor met baliefunctie van maximaal 402 m2, tenzij hiervoor in voldoende mate extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd; b. de functies naar aard en invloed op de omgeving gelijk zijn aan de apotheek.
3.
Detailhandel is niet toegestaan.
Paragraaf 21.1.4.3
Bouwen- gebouw
Artikel 21.18Beoordelingsregels bouwen gebouwen algemeen
In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 binnen de functie 'Wonen' verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
Hoofdgebouwen worden gebouwd in een 'bouwvlak'. b.
Het maximale bebouwingspercentage van het bouwvlak is aangeven op de kaart met de omgevingsnorm ‘maximum bebouwingspercentage’. c.
De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de op de kaart aangegeven omgevingsnorm 'maximum bouwhoogte'. d.
Het gebouw kent gestaffelde (of 'getrapte') bouwhoogten, waarbij het gebouw getrapt oploopt naar het zuidwesten. e.
Het aantal bouwlagen is maximaal:
1.
3 bouwlagen in 90% van het bouwvlak;
2.
4 bouwlagen in 80% van het bouwvlak;
3.
5 bouwlagen in 70% van het bouwvlak;
4.
6 bouwlagen in 60% van het bouwvlak;
5.
7 bouwlagen in 55% van het bouwvlak.
De oppervlakte van het gebouw - toren is maximaal 870,25 m2; g.
De balkons van het gebouw - toren mogen maximaal 1 m uitsteken vanaf de gevel van het gebouw - toren; h.
Ter plaatse van het gebied 'maximum bouwhoogte 24 m’ mogen de maximale bouwhoogte en het aantal bouwlagen uit 21.18 onder e. worden overschreden door het gebouw - toren onder de voorwaarden dat:
De bouwlaag die aansluit op maaiveld moet ter plaatse van het gebied 'functies begane grond' minimaal 4 meter hoog zijn tussen de bovenzijde van de vloer en onderzijde van de verdiepingsvloer. j.
Entrees liggen terug in de gevels. k.
Het bovengronds gelegen deel van de parkeergarage is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het gebied 'inpandig parkeren bovengronds'.
Artikel 21.19Nadere beoordelingsregels bouwen gebouwen
In aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29 en artikel 21.18 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
Voor schaduw moet voldaan worden aan de hieronder opgenomen toetsingsnorm waarbij:
I. op de onderste woningen in een gebouw, II. in het midden van de gevel van de woning, op 75 centimeter boven maaiveld of vloer;
Er moet worden voldaan aan de normen van de Gemeentelijke Nota Parkeernormen 2023 of diens rechtsopvolgers en de afwijkingsmogelijkheid daarbinnen. c.
Voor gebouwen die hoger zijn dan 30 meter geldt dat de initiatiefnemer aantoont, via een windonderzoek waarbij wordt voldaan aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar, dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Of voldaan wordt aan de eisen voor een aanvaardbaar windklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in bijlage IV bij deze regels. d.
Het uiterlijk van een bouwwerk moet voldoen aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit. Of voldaan wordt aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit welke zijn opgenomen in de welstandsregels, zoals opgenomen in bijlage V van deze regels. e.
Middels een waterhuishoudkundig plan, waarin is opgenomen hoe het hemelwater op eigen terrein wordt opgevangen, gebufferd en geïnfiltreerd, is aangetoond dat bij een bui met een herhalingstijd van 1:100 jaar, op eigen terrein voorzien wordt in de opvang van minimaal 50 mm water per vierkante meter van het totale perceeloppervlak; f.
Hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 48 uur weer volledig beschikbaar is; g.
774 m2 (zijnde 30% van het perceel) wordt groen ingericht. Dit betreft een combinatie van de particuliere buitenruimte, groen beplante daken én gevels.
Artikel 21.20Specifieke beoordelingsregel waterberging
Als het realiseren van de waterbergingscapaciteit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26, in afwijking van het bepaalde in artikel 21.19 onder e en f, ook verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag in een waterhuishoudkundig plan is aangetoond dat het hemelwater in voldoende mate op eigen terrein wordt opgevangen, gebufferd en geïnfiltreerd.
Artikel 21.21Bouwregels ondergrondse gebouwen
Voor ondergronds bouwen gelden de volgende regels: a.
Ondergrondse gebouwen (kelders) zijn toegestaan ter plaatse van 100% van het bouwvlak. b.
De diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 6 m onder peil.
Paragraaf 21.1.4.4
Bouwen geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied
Artikel 21.22Specifieke beoordelingsregel geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied
In aanvulling op het bepaalde in artikel 21.18 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat gelegen is in een geluidaandachtsgebied, dat daar ligt volgens artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.
Artikel 21.23Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
1.
Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 1:
Tabel 1: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen en rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 53 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight 2.
Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 1 gelezen voor «Lden»: »Lde».
4.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 1 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 21.24Overschrijding van de standaardwaarde
1.
Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 21.23 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 2.
Tabel 2: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw geluidbronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 65 Lden Industrieterreinen 55 Lden 45 Lnight 2.
Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
3.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 21.23, is berekend.
4.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en 21.23 niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel , is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a.
Elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en b.
Zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
5.
Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
6.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 2 gelezen voor «Lden»: »Lde».
7.
Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 2 gelezen voor «Lden»: «Lday».
Artikel 21.25Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
1.
Wanneer de geluidsbelasting op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 21.24, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen worden getroffen die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.
3.
Artikel 21.24, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21.26Belang van een geluidluwe gevel
Bij de toepassing van artikel 21.24 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.
Artikel 21.27Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
1.
Bij de toepassing van artikel 21.24 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.
2.
Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;
3.
Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 21.28Bepalen van gezamenlijk geluid
Bij de toepassing van artikel 21.24 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd.
Artikel 21.29Vergunningvoorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voorschriften verbonden die betrekking hebben op het nemen van geluidbeperkende maatregelen aan het gebouw met het oog op het voorkomen van, naar het oordeel van het bevoegd gezag, een onaanvaardbare mate van geluidsbelasting op de thermische schil van het geluidgevoelig gebouw. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op het opleggen van het treffen van bouwkundige maatregelen voor de buitengevel van het geluidgevoelige gebouw.
Paragraaf 21.1.4.5
Bouwen- bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Artikel 21.30Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De maximale toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogste bedragen: a. van erf- en terreinafscheidingen: 1,20 meter; b. van tuinmeubilair: 2,50 meter; c. van speelvoorzieningen: 2,50 meter; d. van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde: 3,00 meter.
Artikel 21.31Bouwregels ondergeschikte bouwdelen
Overschrijding van het bouwvlak is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, zoals een overstek en overkapping, mits het bouwdeel ondergeschikt is, mag de overschrijding maximaal 1,5 meter zijn. Balkons mogen maximaal 1 meter uitsteken buiten dit gebied.
Afdeling 21.1.5
WATER
Paragraaf 21.1.5.1
Inleidende bepalingen
Artikel 21.32Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over het gebied 'water'.
Paragraaf 21.1.5.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.33Toegelaten activiteiten - water
In het gebied 'water' mogen gronden worden gebruikt voor: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b. water ten behoeve van de aan- en afvoer, waterberging en sierwater; c. verkeer over water; d. groenvoorzieningen; e. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals: bruggen, duikers, kunstwerken, keermuren voor de waterbeheersing, beschoeiing, (inlaat)gemalen, visvlonders, andere vergelijkbare voorzieningen ten behoeve van de bestemming.
Artikel 21.34Specifiek toegelaten gebruik
In afwijking van het bepaalde in artikel 21.33 is het toegestaan de gronden te gebruiken voor parkeervoorzieningen onder de voorwaarde dat de vergunning als bedoeld in artikel 21.37 is verleend.
Paragraaf 21.1.5.3
Bouwen
Artikel 21.35Bouwregels gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
Artikel 21.36Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is maximaal 3 m.
Paragraaf 21.1.5.4
Uitvoeren van werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde
Artikel 21.37Werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, toegestaan met omgevingsvergunning
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning water voorzieningen te dempen.
2.
De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als aangetoond wordt het te dempen water wordt gecompenseerd met het graven van een gelijke hoeveelheid nieuw oppervlaktewater in hetzelfde peilgebied, dan wel dat gebruik gemaakt kan worden van eerder gerealiseerd oppervlaktewater conform de door het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard beheerde waterbank.
Titel 21.2
Beperkingengebied lokaal spoor
Afdeling 21.2.1
Activiteiten rond de lokale spoorweg
Paragraaf 21.2.1.1
Algemeen
Artikel 21.38Toepassingsbereik lokale spoorweg
Deze afdeling is van toepassing op activiteiten binnen het beperkingengebied lokale spoorweg
Artikel 21.39Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg.
Artikel 21.40Begrippen
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a. bevoegd gezag: bevoegd gezag, bedoeld in artikel 9.3 Besluit activiteiten leefomgeving; b. drukvat: een afgesloten ruimte, waarin zich een gas of vloeistof bevindt met een druk, die afwijkt van de omgevingsdruk; c. drukleiding: een leiding die wordt gebruikt om vloeistof of gas onder hoge druk te bevatten en te transporteren; d. erosiekrater: een trechtervormige uitholling in de grond veroorzaakt door erosie, bij falen van een drukleiding, waarbij erosie het proces is van slijtage van een vast oppervlak waarbij materiaal wordt verplaatst of geheel verdwijnt; e. explosievlam: een vlam die ontstaat bij explosie van een drukvat of drukleiding; f. maaiveld: hoogte van het terrein ter plaatse van de werkzaamheden; g.
NEN-3650: NEN 3650-1:2020 Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 1: Algemene eisen; h.
NEN-3651: NEN 3651:2020 Aanvullende eisen voor buisleidingen in of nabij belangrijke waterstaatswerken; en i. zetting: het inklinken van de grond door een hierop rustende belasting of uitgevoerde trilling.
Artikel 21.41Meetbepalingen
Er wordt op de volgende wijze gemeten: a. object- of bouwhoogte: de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; b. bemalingsdiepte: de diepte onder het maaiveld tot waar het grondwater verlaagd wordt; c. reikhoogte: de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het object, verticaal en loodrecht gemeten; d. reikwijdte: de afstand vanaf de kern van het object tot aan het verste punt dat het object reikt, horizontaal gemeten.
Artikel 21.42Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg
1.
Er is een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Het Beperkingengebied lokale spoorweg, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de volgende werkingsgebieden: a. de kernzone lokale spoorweg; b. de beschermingszone lokale spoorweg; c. de buitenste beschermingszone lokale spoorweg; d. de kernzone nood-, onderhouds- en gebruikerstoegangen.
Artikel 21.43Vrijstelling vergunningplicht binnen een gebouw
Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die uitsluitend binnen een gebouw worden verricht.
Artikel 21.44Maatwerkvoorschriften
1.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de algemene regels bedoeld in artikel 21.50.
2.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden de oogmerken van deze regels, bedoeld in artikel 21.39, in acht genomen.
Paragraaf 21.2.1.2
Regels over activiteiten lokale spoorweg op maaiveld
Artikel 21.45Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten in het beperkingengebied lokale spoorweg op het maaiveld.
Artikel 21.46Vrijstelling vergunningplicht beschermingszone
Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de beschermingszone lokale spoorweg niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:
Artikel 21.47Vrijstelling vergunningplicht buitenste beschermingszone
Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:
Artikel 21.48Meldingsplicht
1.
Binnen de beschermingszone lokale spoorweg is het verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 21.46, te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
2.
Een melding bevat: a. een beschrijving van:
3.
In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond dat de erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor.
4.
In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld.
Artikel 21.49Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden
1.
Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten, bedoeld in artikel 21.46, en geldt binnen de beschermingszone lokale spoorweg.
2.
Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag: a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en b. de verwachte duur ervan.
3.
Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit.
Artikel 21.50Algemene regels - zetting
1.
Dit artikel is van toepassing op: a. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 21.46, onder a binnen de beschermingszone lokale spoorweg; b. bemalingen, bedoeld in artikel 21.46, onder b binnen de beschermingszone lokale spoorweg; c. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 21.47, onder a, met een grondroeringsdiepte van meer dan 5 meter binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg; d. bemalingen, bedoeld in artikel 21.47, onder b, met een bemalingsdiepte dieper dan 5 meter binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg.
2.
Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen vindt geen zetting plaats onder het spoor.
3.
Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen is aantoonbaar door een deskundige zeker gesteld, dat er door de activiteit geen zetting onder het spoor plaatsvindt.
Paragraaf 21.2.1.3
Overgangsrecht
Artikel 21.51Overgangsrecht nieuwe vergunningplicht
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze afdeling onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze afdeling voor die activiteit het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze afdeling een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze afdeling.
Titel 21.3
Oeverrijk
Afdeling 21.3.1
Algemene bepalingen
Artikel 21.52Toepassingsbereik
De regels in deze titel zijn uitsluitend van toepassing op de locatie Oeverrijk.
Artikel 21.53Begripsbepalingen
1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlagebij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerkenleefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij deOmgevingsregeling, zijn van toepassing op deze afdeling.
2.
In aanvulling op het eerste lid gelden voor titel 21.3 de volgende begripsbepalingen: a.
Gebiedseigen beplanting: beplanting die van nature en vanuit cultuurhistorie voorkomt binnen het plangebied, zoals: hoogstamvruchtbomen, leilinden, wilgensoorten, els, populier, kastanje, es, eik, beuk, veldesdoorn, liguster. b.
Groenvoorziening: ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen. c.
Houtgewas: bomen, struiken, cactussen of doorlevende klimplanten (zoals druiven). d.
Kunstobject: uiting van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde. e.
Kunstwerk: bouwwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers. f.
Landschapselementen: zijn de bouwstenen die samen de structuur van het landschap bepalen. g.
Landschapswaarde: de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. h.
Peil: voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. i.
Verharden: verharding waarbij sprake is van een massieve toplaag zoals asfalt, beton, of verhardingen van al dan niet gebonden elementen zoals tegels, klinkers en grind. j.
Waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera.
Artikel 21.54Meet- en rekenbepalingen
In deze titel gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. d. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. e. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. f. het bebouwingspercentage: een in het plan aangegeven percentage van het bouwvlak, gerekend per bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd. g. breedte van een gebouw: grootste uitwendige afstand in een rechte lijn tussen de zijgevels.
Artikel 21.55Specifieke zorgplicht
Degene die een activiteit zoals aangewezen in deze titel verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 21.56Bevoegdheid stellen maatwerk/vergunningvoorschriften
1.
Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in deze titel.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze titel, tenzij anders is bepaald.
3.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
4.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
5.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
6.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Artikel 21.57Verboden gebruiksactiviteiten
1.
Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde activiteiten in deze afdeling zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
2.
Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) alsmede aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (m.e.r.-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een milieueffectrapportage is opgesteld in het kader van het omgevingsplan.
3.
Gebruiksactiviteiten die op grond van deze titel niet zijn toegestaan - rechtstreeks dan wel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
Artikel 21.58Bouwen passend binnen gebruiksactiviteit
Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in deze regels.
Artikel 21.59Bouwen conform maatvoering
1.
Indien op de verbeelding ter plaatse van een locatie maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse van deze locatie gegeven maximum-, minimum-, verplichte dan wel andere maten.
2.
Voor een locatie waar geen maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de eventueel in de regels opgenomen maten of omgevingsnormen, die van toepassing zijn op de betreffende locatie.
Afdeling 21.3.2
Groen-landschap - Oeverrijk
Paragraaf 21.3.2.1
Inleidende begrippen
Artikel 21.60Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels voor het gebied Groen-Landschap - Oeverrijk.
Paragraaf 21.3.2.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.61Natuur en groenvoorzieningen
Ter plaatse van de locatie Groen-Landschap - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan: a. weilanden; b. gebiedseigen beplantingen en andere gebiedseigen vegetatie, zoals opgenomen in de begripsbepaling gebiedseigen beplanting; c. de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen en kavelstructuren; d. bij deze activiteit behorende voorzieningen zoals, onverharde paden, kunstobjecten, water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging en bruggen met open relingen.
Paragraaf 21.3.2.3
Bouwen
Artikel 21.62Bouwregels gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan, tenzij anders aangegeven.
Artikel 21.63Schuilhutten
Schuilhutten zijn toegestaan, mits ze voldoen aan de volgende beoordelingsregels: a. per kavel mag 1 schuilhut worden gebouwd; b. de oppervlakte van een kavel waarop een schuilhut wordt gebouwd dient ten minste 2.000 m² te bedragen; c. het grondoppervlak van een schuilhut mag ten hoogste 10 m² bedragen; d. de schuilhut dient minimaal 20 meter uit de as van de weg te worden gesitueerd; e. de schuilhut dient op 5 meter vanaf de kant sloot en evenwijdig aan de sloot te worden gesitueerd; f. de bouwhoogte van een schuilhut mag ten hoogste 3 meter bedragen.
Artikel 21.64Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels: a. er zijn uitsluitend erfafscheidingen met een open constructie toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 1,5 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 2,5 meter bedragen.
Paragraaf 21.3.2.4
Werken en werkzaamheden
Artikel 21.65Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden op de in Groen-Landschap - Oeverrijk bedoelde gronden ter waarborging van het landschappelijke karakter van het plangebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas; b. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; c. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk; d. diepploegen vanaf 0,50 meter; e. het aanbrengen van verhardingen; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
Artikel 21.66Uitzonderingen vergunningplicht
De vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 21.65 is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: a. die ten tijde van de inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden uitgevoerd; b. die het normale beheer en/ of onderhoud betreffen.
Artikel 21.67Afwegingskader
De in artikel 21.65 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 21.61 genoemde waarden en gebruik.
Afdeling 21.3.3
Water - Oeverrijk
Paragraaf 21.3.3.1
Inleidende begrippen
Artikel 21.68Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels voor het gebied Water - Oeverrijk.
Paragraaf 21.3.3.2
Gebruiken van de fysieke leefomgeving
Artikel 21.69Water en voorzieningen ten behoeve van water
Ter plaatse van de locatie Water - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b. water ten behoeve van de aan- en afvoer, waterberging en sierwater; c. verkeer over water; d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals: bruggen met open relingen, duikers, visvlonders en groenvoorzieningen ten behoeve van de bestemming.
Paragraaf 21.3.3.3
Bouwen
Artikel 21.70Bouwregels gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan.
Artikel 21.71Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van toegangspoorten mag niet meer bedragen dan 2 meter; b. de bouwhoogte van relingen van bruggen mag niet meer bedragen dan 1 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter.
Afdeling 21.3.4
Gebieden met te beschermen waarden
Paragraaf 21.3.4.1
Inleidende begrippen
Artikel 21.72Toepassingsbereik
Deze afdeling bevat regels over de gebieden met te beschermen waardes.
Paragraaf 21.3.4.2
Archeologische waarden Subparagraaf 21.3.4.2.1 Waarde - Archeologie 1
Artikel 21.73Toepassingsbereik archeologische waarden
Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden.
Artikel 21.74Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk te bouwen.
Artikel 21.75Uitzondering vergunningplicht
De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.74 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 100 m² beslaan.
Artikel 21.76Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.77Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.74 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 21.78Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
Artikel 21.79Uitzondering vergunningplicht
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
Artikel 21.80Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
1.
De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
2.
Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen.
Artikel 21.81Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.78 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Subparagraaf 21.3.4.2.2 Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk
Artikel 21.82Toepassingsbereik archeologische waarden
Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden.
Artikel 21.83Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk te bouwen.
Artikel 21.84Uitzondering vergunningplicht
De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.83 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 200 m² beslaan.
Artikel 21.85Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.86Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 21.87Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
Artikel 21.88Uitzondering vergunningplicht
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
Artikel 21.89Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
1.
De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
2.
Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen.
Artikel 21.90Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.87 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Hoofdstuk 22
ACTIVITEITEN
Afdeling 22.1
ALGEMEEN
Artikel 22.1Voorrangsbepaling
1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6
Paragraaf 22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7Repressief welstand
1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 22.2.4
Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 22.2.6
Cultureel erfgoed
Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek
1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen
1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24Meetbepalingen
1.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 22.25Mantelzorg
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.
Artikel 22.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 22.34
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
De plicht tot het indienen van de onderzoeken als bedoeld in lid j, 1° geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikel 22.27 en 22.36. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in deze artikelen; en 4.
Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in lid j, 1° toe, als bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn; en 5.
Het bevoegd gezag kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in lid j, 1° toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, indien uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek niet rechtvaardigen; en 6.
Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. k.
Overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan; l.
Plattegronden van elke bouwlaag, schaal 1:100 of 1:50, volledig voorzien van indeling, maatvoering, de gebruiksfunctie en de opgave van de gebruiksoppervlakte per bouwlaag; m.
Het verslag van het participatieproces.
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
5 m; ii.
0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
1.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
2.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.
Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
Paragraaf 22.2.8
Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Afdeling 22.3
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN
Paragraaf 22.3.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
4.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.
Artikel 22.42Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
Artikel 22.43Normadressaat
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 22.44Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 22.3.2
Energiebesparing
Artikel 22.51Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.52Energie: maatregelen
1.
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
4.
Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.
5.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
6.
Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste lid tot en met het vierde lid niet van toepassing.
Paragraaf 22.3.3
Zwerfafval
Artikel 22.53Afval: zwerfvuil
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Paragraaf 22.3.4
Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.54Toepassingsbereik
1.
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
4.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
1.
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 22.58Geluid: functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Artikel 22.60Geluid: onderzoek
1.
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d.