Omgevingsplan gemeente Rotterdam (Rotterdam)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan regelt hoe het grondgebied van de gemeente Rotterdam gebruikt en ingericht mag worden, met specifieke regels voor onder andere woonruimte, open erven en terreinen, en bouwwerken. Het doel is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het waarborgen van gezondheid, veiligheid en leefbaarheid.
Voor wie: Eigenaren van bouwwerken, open erven of terreinen; Degenen die activiteiten verrichten of laten verrichten op het grondgebied van de gemeente Rotterdam.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 385
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het gebruik, toevoegen en wijzigen van woonruimte.
- Het in stand houden en gebruiken van open erven en terreinen.
- Het bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken.
- De aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen op open erven en terreinen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Eigenaren van bouwwerken, open erven of terreinen.
- Degenen die activiteiten verrichten of laten verrichten op het grondgebied van de gemeente Rotterdam.
Wat zijn de kernpunten?
- De regels gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Rotterdam, tenzij anders bepaald.
- Woonruimte mag niet bewoond worden door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte (voor woonwagens is dit 6 m2).
- Op open erven of terreinen nabij bouwwerken zijn brandgevaarlijke stoffen niet toegestaan, tenzij de toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden (totale toegestane hoeveelheid 100 kilogram of liter) en de stoffen deugdelijk zijn verpakt en gebruikt.
- Eigenaren of gebruikers van open erven of terreinen moeten maatregelen treffen om gevaar voor gezondheid of veiligheid en overlast of hinder voor de omgeving te voorkomen.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (385)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 1.2 Geometrische begrenzing
- Artikel 1.3 Normadressaat
- Artikel 4.1 Toepassingsbereik
- Artikel 4.2 Woonruimte gebruiken
- Artikel 4.3 Toepassingsbereik
- Artikel 4.4 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
- Artikel 4.5 Toepassingsbereik
- Artikel 4.6 Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk
- Artikel 4.7 Het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 4.8 Het slopen van een bouwwerk
- Artikel 5.1 Toepassingsbereik
- Artikel 5.2 Overbewoning woonruimte
- Artikel 5.3 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- Artikel 5.5 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk bij open erf of terrein
- Artikel 6.1 Toepassingsbereik
- Artikel 6.2 Voorrangsbepaling
- Artikel 6.3 Bouwen overeenkomstig gebruiksactiviteit
- Artikel 6.4 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 6.5 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Artikel 6.6 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 6.7 Mantelzorg
- Artikel 6.8 Repressief welstand
- Artikel 6.9 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
- Artikel 6.10 Meetbepalingen
- Artikel 6.11 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 6.12 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
- Artikel 6.13 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Artikel 6.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Artikel 6.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Artikel 6.16 Bluswatervoorziening
- Artikel 6.17 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Artikel 6.18 Toepassingsbereik
- Artikel 6.19 Vergunningvrije bouwwerken
- Artikel 6.20 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Artikel 6.21 Inperkingen artikel 6.19 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 6.22 Inperkingen artikel 6.19 vanwege externe veiligheid
- Artikel 6.23 Toepassingsbereik
- Artikel 6.24 Vergunningvrije bouwwerken - omgevingsplan onverminderd van toepassing
- Artikel 6.25 Inperkingen artikel 6.24 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 6.26 Toepassingsbereik
- Artikel 6.27 Aanwijzing vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
- Artikel 6.28 Toepassingsbereik
- Artikel 6.29 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerk
- Artikel 6.30 Toepassingsbereik
- Artikel 6.31 Algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 6.32
- Artikel 6.33
- Artikel 6.34
- Artikel 6.35 Toepassingsbereik
- Artikel 6.36 Beoordelingsregel welstand omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 7.1 Toepassingsbereik
- Artikel 7.2
- Artikel 7.3 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
- Artikel 7.4
- Artikel 7.5
- Artikel 7.6
- Artikel 7.7 Toepassingsbereik
- Artikel 7.8 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
- Artikel 7.9 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
- Artikel 7.10
- Artikel 7.11 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
- Artikel 7.12 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
- Artikel 7.13 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 7.12
- Artikel 7.14 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
- Artikel 7.15
- Artikel 7.16
- Artikel 7.17 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
- Artikel 7.18 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 7.14 tot en met 7.16
- Artikel 7.19 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
- Artikel 7.20 Omgevingsplanactiviteit: inrit of uitrit
- Artikel 7.21 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
- Artikel 7.22 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
- Artikel 7.23 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
- Artikel 7.24 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
- Artikel 7.25 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
- Artikel 13.1 Toepassingsbereik
- Artikel 13.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
- Artikel 13.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
- Artikel 13.4 Overgangsrecht: bestaande bouwwerken
- Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
- Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
- Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7 Repressief welstand
- Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
- Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Artikel 22.25 Mantelzorg
- Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
- Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
- Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
- Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
- Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
- Artikel 22.42 Oogmerken
- Artikel 22.43 Normadressaat
- Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
- Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
- Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
- Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
- Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Artikel 22.51 Toepassingsbereik
- Artikel 22.52 Energie: maatregelen
- Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
- Artikel 22.54 Toepassingsbereik
- Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
- Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
- Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
- Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
- Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
- Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
- Artikel 22.62 Toepassingsbereik
- Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
- Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
- Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
- Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
- Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
- Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
- Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
- Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.75 Toepassingsbereik
- Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
- Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
- Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.79 Toepassingsbereik
- Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
- Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
- Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.83 Toepassingsbereik
- Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
- Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
- Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
- Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
- Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.90 Toepassingsbereik
- Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
- Artikel 22.93 Geur: functionele binding
- Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
- Artikel 22.95 Geur: cumulatie
- Artikel 22.96 Toepassingsbereik
- Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
- Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
- Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
- Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
- Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113 Subparagraaf
- Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
- Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
- Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
- Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
- Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
- Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
- Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
- Artikel 22.121 Toepassingsbereik
- Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
- Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
- Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
- Artikel 22.125 Toepassingsbereik
- Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
- Artikel 22.127 Toepassingsbereik
- Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
- Artikel 22.131 Toepassingsbereik
- Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
- Artikel 22.133
- Artikel 22.134
- Artikel 22.135
- Artikel 22.136
- Artikel 22.137 Toepassingsbereik
- Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
- Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
- Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.142 Toepassingsbereik
- Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
- Artikel 22.145 Toepassingsbereik
- Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
- Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.151 Toepassingsbereik
- Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.153 Koelwater
- Artikel 22.154 Toepassingsbereik
- Artikel 22.155 Periodiek reinigen
- Artikel 22.156 Toepassingsbereik
- Artikel 22.157 Inerte goederen
- Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
- Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162 Toepassingsbereik
- Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
- Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
- Artikel 22.165 Toepassingsbereik
- Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
- Artikel 22.167 Toepassingsbereik
- Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
- Artikel 22.170 Toepassingsbereik
- Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
- Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
- Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
- Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
- Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.177 Toepassingsbereik
- Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.179 Water
- Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.181 Toepassingsbereik
- Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.183 Water
- Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.185 Toepassingsbereik
- Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.187 Water: lozingsroute
- Artikel 22.188 Toepassingsbereik
- Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.190 Water
- Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.192 Toepassingsbereik
- Artikel 22.193 Bodem
- Artikel 22.194 Water
- Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.196 Toepassingsbereik
- Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.198 Water
- Artikel 22.199 Geur
- Artikel 22.200 Toepassingsbereik
- Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
- Artikel 22.202 Toepassingsbereik
- Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
- Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
- Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
- Artikel 22.214 Toepassingsbereik
- Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
- Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
- Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
- Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
- Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
- Artikel 22.221 Toepassingsbereik
- Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.224 Toepassingsbereik
- Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
- Artikel 22.227 Toepassingsbereik
- Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
- Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.237 Toepassingsbereik
- Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.239 Licht
- Artikel 22.240 Toepassingsbereik
- Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.242 Bodem: opslag
- Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.244 Water: lozingsroute
- Artikel 22.245 Geur
- Artikel 22.246 Toepassingsbereik
- Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
- Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.252 Toepassingsbereik
- Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.255 Bodem: logboek
- Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
- Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.258 Toepassingsbereik
- Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
- Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
- Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
- Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
- Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
- Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
- Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
- Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
- Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
- Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
- Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
- Artikel 22.271 Toepassingsbereik
- Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
- Artikel 22.273 Aandachtsgebied
- Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
- Artikel 22.277 Toepassingsbereik
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283 Toepassingsbereik
- Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
- Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
- Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
- Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
- Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
- Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
- Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
- Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
- Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
- Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
- Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
- Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
- Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
- Artikel 23.1 (citeertitel)
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696362 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0599/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-11-27 2025-11-27 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696362/nld@2025-12-25 /join/id/proces/gm0599/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0599/2024/procedure0f787022ead7463fb386d3749ab40e3f /join/id/proces/gm0599/2024/procedure8ecdd18253c84d21977373bf81989895 2025-12-25 2025-12-25 /akn/nl/act/gm0599/2020/omgevingsplan/nld@2025-11-25;10083083 /akn/nl/act/gm0599/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0599/2020/omgevingsplan/nld@2025-11-25;10083083 /join/id/stop/work_019 3 Omgevingsplan gemeente Rotterdam
Hoofdstuk 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
2.
Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
3.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan en op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, tenzij bijlage I van dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving bevat.
4.
Als een begripsbepaling in het geldend tijdelijk deel van het omgevingsplan op de locatie 'regels tijdelijk deel nog niet vervallen' afwijkt van de begripsbepaling opgenomen in bijlage I van dit omgevingsplan, dan is die begripsbepaling de begripsbepaling van het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldend op die locatie van toepassing.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op de begripsbepaling voor straatpeil of peil opgenomen in bijlage I van dit omgevingsplan.
6.
Daar waar een TAM-omgevingsplan geldt, zijn de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-omgevingsplan.
7.
Als een begripsbepaling in een TAM-omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling opgenomen in bijlage I van dit omgevingsplan, dan is op de begripsbepaling de desbetreffende begripsbepaling van het TAM-omgevingsplan van toepassing.
Artikel 1.2Geometrische begrenzing
1.
De regels in dit omgevingsplan gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Rotterdam, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald in dit omgevingsplan.
2.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van alle geografische informatieobjecten voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Artikel 1.3Normadressaat
Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of door degene die de activiteit verricht of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit, het bouwwerk, open erf of terrein.
Hoofdstuk 2
Doelen
Hoofdstuk 3
Omgevingswaarden en programma's
Hoofdstuk 4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 4.1
Algemene bepalingen
Afdeling 4.2
Thema's
Paragraaf 4.2.1
Woonruimte
Artikel 4.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken, toevoegen en wijzigen van woonruimte.
Artikel 4.2Woonruimte gebruiken
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van woonruimte in ieder geval voldaan aan: a. afdeling 5.1 - Algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels; en b. paragraaf 5.2.1 - Woonruimte gebruiken.
Paragraaf 4.2.2
Open erven en terreinen
Artikel 4.3Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het in stand houden en gebruiken van open erven en terreinen.
Artikel 4.4In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het in stand houden en gebruiken van open erven en terreinen in ieder geval voldaan aan: a. afdeling 5.1 - Algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels; en b. paragraaf 5.2.4 - In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen.
Paragraaf 4.2.3
Bouwwerken
Artikel 4.5Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk; b. het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; en c. het slopen van een bouwwerk.
Artikel 4.6Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk voldaan aan: a. afdeling 6.1 - Algemene bepalingen; b. afdeling 6.2 - Algemene regels bouwwerken; c. paragraaf 6.3.1 - Vergunningplicht; d. paragraaf 6.3.2 - Aanvraagvereisten; e. paragraaf 6.3.3 - Beoordelingsregels; en f. afdeling 5.4 - Beperkingengebieden en beschermingsgebieden.
Artikel 4.7Het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voldaan aan: a. afdeling 6.1 - Algemene bepalingen; b. paragraaf 6.3.1 - Vergunningplicht; c. paragraaf 6.3.2 - Aanvraagvereisten; d. paragraaf 6.3.3 - Beoordelingsregels; en e. afdeling 5.4 - Beperkingengebieden en beschermingsgebieden.
Artikel 4.8Het slopen van een bouwwerk
Afdeling 4.3
Gebiedstypen
Hoofdstuk 5
Activiteiten
Afdeling 5.1
Algemene bepalingen en activiteitoverstijgende regels
Paragraaf 5.1.1
Algemeen
Paragraaf 5.1.2
Parkeernormering
Paragraaf 5.1.3
Regels ter voorkoming van milieuhinder
Afdeling 5.2
Thematische activiteiten
Paragraaf 5.2.1
Woonruimte gebruiken
Artikel 5.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf bevat regels over het gebruiken van woonruimten.
Artikel 5.2Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Paragraaf 5.2.2
Woonruimte toevoegen
Paragraaf 5.2.3
Woonruimte wijzigen
Paragraaf 5.2.4
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 5.3Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 5.3 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 5.3 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 5.3 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 5.4Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 5.5Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk bij open erf of terrein
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 5.2.5
Kappen en vellen van bomen en houtopstanden
Paragraaf 5.2.6
Reclame plaatsen
Paragraaf 5.2.7
Roerende zaken opslaan
Paragraaf 5.2.8
Evenement houden
Paragraaf 5.2.9
Standplaats op een warenmarkt of voor ambulante handel innemen en venten
Paragraaf 5.2.10
Aanleggen, hebben, onderhouden of verwijderen van leidingen
Paragraaf 5.2.11
Aanleggen of wijzigen van wegen en spoorwegen
Paragraaf 5.2.12
Uitweg maken, hebben of veranderen van uitwegen
Paragraaf 5.2.13
Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds
Paragraaf 5.2.14
Graven, vergraven, afgraven, egaliseren, ophogen van grond en baggerspecie
Paragraaf 5.2.15
Afvalwater lozen
Paragraaf 5.2.16
Motorvoertuig wassen
Paragraaf 5.2.17
Parkeergelegenheid in een parkeergarage bieden
Paragraaf 5.2.18
Energiebesparende maatregelen nemen
Paragraaf 5.2.19
Elektriciteit en warmte opwekken
Paragraaf 5.2.20
Zwerfafval opruimen
Paragraaf 5.2.21
Een acculader in werking hebben
Paragraaf 5.2.22
Traditioneel schieten
Paragraaf 5.2.23
Verrichten van activiteiten op open erven en terreinen
Paragraaf 5.2.24
Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis, of organen
Paragraaf 5.2.25
Voedingsmiddelen produceren
Paragraaf 5.2.26
Niet industriële voedingsmiddelen bereiden
Paragraaf 5.2.27
Polyesterhars verwerken
Paragraaf 5.2.28
Maden van vliegende insecten kweken
Paragraaf 5.2.29
Propaan of propeen opslaan
Paragraaf 5.2.30
LPG tanken
Paragraaf 5.2.31
Antihagelkanonnen in werking hebben
Paragraaf 5.2.32
Genetisch gemodificeerde organismen kweken
Paragraaf 5.2.33
Met biologische wagens werken
Paragraaf 5.2.34
Vaste mest opslaan
Paragraaf 5.2.35
Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan
Paragraaf 5.2.36
Landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels fokken, houden, of trainen van
Paragraaf 5.2.37
Opslaan dierlijke meststoffen
Paragraaf 5.2.38
Zuiveringtechnisch werk in werking hebben
Afdeling 5.3
Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte
Afdeling 5.4
Beperkingengebieden en beschermingsgebieden
Hoofdstuk 6
Bouwwerken
Afdeling 6.1
Algemene bepalingen over bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken
Artikel 6.1Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk; b. het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; en c. het slopen van een bouwwerk.
Artikel 6.2Voorrangsbepaling
De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 6.3Bouwen overeenkomstig gebruiksactiviteit
Artikel 6.4Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk.
Artikel 6.5Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.6Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 6.7Mantelzorg
Voor de toepassing van de paragrafen 6.2.1 en 6.2.2 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Artikel 6.8Repressief welstand
1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Rotterdam 2025 - Kwaliteit voor de toekomst of de rechtsopvolger(s) daarvan: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
3.
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een maatwerkvoorschrift te stellen over het eerste lid.
Artikel 6.9Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig door of namens het bevoegd gezag: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is bepaald.
Artikel 6.10Meetbepalingen
1.
Voor de toepassing van de paragrafen 6.2.1 en 6.2.2 worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 6.11Algemene afbakeningseisen
1.
De artikelen 6.19 en 6.24 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 6.19 en 6.24 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 6.24, onder a, of 6.19 onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 6.19, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 6.12Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 6.13Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 6.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 6.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
6.
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.7 van de Omgevingswet, voor de bereikbaarheid van een bouwwerk voor hulpverleningsdiensten houdt in dat deze: a. functioneert als zodanig; en b. adequaat wordt beheerd, onderhouden en gecontroleerd.
Artikel 6.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 6.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
6.
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.7 van de Omgevingswet, voor de opstelplaatsen voor brandweervoertuigen houdt in dat deze: a. functioneert als zodanig; en b. adequaat wordt beheerd, onderhouden en gecontroleerd.
Artikel 6.16Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
4.
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.7 van de Omgevingswet, voor de bluswatervoorziening houdt in dat deze: a. functioneert als zodanig; en b. adequaat wordt beheerd, onderhouden en gecontroleerd.
Artikel 6.17Vrijstelling van archeologisch onderzoek
1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Afdeling 6.2
Algemene regels bouwwerken
Paragraaf 6.2.1
Bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 6.18Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bouwwerken waarop de vergunningplicht uit 6.27 niet van toepassing is.
Artikel 6.19Vergunningvrije bouwwerken
In uitzondering op artikel 6.27 mogen de volgende bouwwerken worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt worden zonder omgevingsvergunning: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als wordt voldaan aan de volgende eisen:
I.
5 meter;
II.
0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;
8.
Voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 meter: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2 : 50% van dat bebouwingsgebied;
II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2 : 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2 ; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2 : 90 m2 , vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 , tot een maximum van in totaal 150 m2 ; en 10. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
I. een woonwagen;
II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 6.20Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
1.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 6.19, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 6.19, sub a, onder 8, onder II, van overeenkomstige toepassing.
2.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 6.19, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 6.19, sub a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.
Artikel 6.21Inperkingen artikel 6.19 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 6.19 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 6.22Inperkingen artikel 6.19 vanwege externe veiligheid
Artikel 6.19, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
Paragraaf 6.2.2
Bouwwerken uitgezonderd van de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken - omgevingsplan onverminderd van toepassing
Artikel 6.23Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op bouwwerken waarop de vergunningplicht uit artikel 6.27 niet van toepassing is.
2.
De overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan zijn ook van toepassing.
Artikel 6.24Vergunningvrije bouwwerken - omgevingsplan onverminderd van toepassing
1.
In uitzondering op artikel 6.27 mogen de volgende bouwwerken worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt worden zonder omgevingsvergunning: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als niet aan de overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt voldaan.
Artikel 6.25Inperkingen artikel 6.24 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 6.24 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 6.24, aanhef en onder d tot en met h, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 6.24 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouw-erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouw-erf niet ook deel uitmaakt van het gebouw-erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 6.24, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 6.17 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 6.17 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Afdeling 6.3
Vergunningplichtige bouwwerken
Paragraaf 6.3.1
Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 6.26Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Artikel 6.27Aanwijzing vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.
Paragraaf 6.3.2
Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 6.28Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de aanvraagvereisten van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Artikel 6.29Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie volledig voorzien van indeling, maatvoering, de gebruiksfunctie en de opgave van de gebruiksoppervlakte per bouwlaag; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
Paragraaf 6.3.3
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken Subparagraaf 6.3.3.1 Beoordelingsregels bouwwerken
Artikel 6.30Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op de beoordelingsregels voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Artikel 6.31Algemene beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken
1.
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.27 wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels in paragraaf 6.3.3.
2.
In het werkingsgebied regels tijdelijk deel nog niet vervallen wordt een aanvraag om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.27 alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de regels in deze paragraaf; en b. de activiteit niet in strijd is met de regels in het tijdelijk omgevingsplan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.
Artikel 6.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In het werkingsgebied regels tijdelijk deel nog niet vervallen kan in afwijking van artikel 6.31 de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 6.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
In afwijking van artikel 6.31 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 6.34
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 7.25, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Subparagraaf 6.3.3.2 Beoordelingsregels welstand
Artikel 6.35Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op de beoordelingsregels voor welstand voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Artikel 6.36Beoordelingsregel welstand omgevingsplanactiviteit bouwwerken
1.
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.27 wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Rotterdam 2025 - Kwaliteit voor de toekomst of de rechtsopvolger(s) daarvan.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid toch moet worden verleend.
Afdeling 6.4
Slopen van bouwwerken
Hoofdstuk 7
Overige activiteiten tijdelijk deel omgevingsplan
Afdeling 7.1
Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 7.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan: a. het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren; b. het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.
Artikel 7.2
Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht
Artikel 7.3Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk
Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 7.4
Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Artikel 7.5
Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 7.4 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Artikel 7.6
Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 7.4 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling 7.2
Aanvraagvereisten
Paragraaf 7.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 7.7Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van: a. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; b. artikel 7.4 van dit omgevingsplan; c. een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of d. artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Paragraaf 7.2.2
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 7.8Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; d. de afmeting van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en e. de specifieke locatie waar het of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd.
2.
Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld
Artikel 7.9Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Paragraaf 7.2.3
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
Artikel 7.10
Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 7.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
2.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
Paragraaf 7.2.4
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
Artikel 7.11Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Artikel 7.12Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
1.
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 7.11, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:
Artikel 7.13Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 7.12
Tekeningen als bedoeld in artikel 7.12 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a.
1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b.
1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c.
1:50, als het gaat om een detailtekening.
Artikel 7.14Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7.11, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Artikel 7.15
Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument 1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7.11, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Artikel 7.16
Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen 1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7.11, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Artikel 7.17Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 7.11 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 7.18Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 7.14 tot en met 7.16
1.
Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 7.14 tot en met 7.16 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a.
1:1000, als het gaat om een situatietekening; b.
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c.
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d.
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
2.
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
3.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
4.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:
Artikel 7.19Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
De artikelen 7.11 tot en met 7.18 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Artikel 7.20Omgevingsplanactiviteit: inrit of uitrit
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de beoogde toestand met daarop:
Artikel 7.21Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.
2.
Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en d. de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.
Artikel 7.22Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame.
2.
Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.
Artikel 7.23Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard van de roerende zaken; en b. de omvang van de opslag van de roerende zaken.
2.
Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.
Paragraaf 7.2.5
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 7.24Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
2.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Afdeling 7.3
Voorschriften
Artikel 7.25Voorschriften over archeologische monumentenzorg
1.
Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.
Hoofdstuk 8
Beheer en onderhoud
Hoofdstuk 9
Financiële bepalingen
Hoofdstuk 10
Procesregels
Hoofdstuk 11
Handhaving
Hoofdstuk 12
Monitoring en informatie
Hoofdstuk 13
Overgangsrecht
Artikel 13.1Toepassingsbereik
1.
Dit hoofdstuk bevat regels over overgangsrecht.
2.
Van dit hoofdstuk kan elders in dit omgevingsplan met specifieke overgangsrechtelijke regels worden afgeweken. In dat geval is dat specifieke overgangsrecht van toepassing.
Artikel 13.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van de artikelen 6.25, eerste en tweede lid, 6.21, 7.11, 7.12, 7.14 tot en met 7.17 en 7.19 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 13.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
De artikelen 6.25, derde lid, en 6.21, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 13.4Overgangsrecht: bestaande bouwwerken
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Hoofdstuk 18
Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 20
Hoofdstuk 21
Hoofdstuk 22
ACTIVITEITEN
Afdeling 22.1
ALGEMEEN
Artikel 22.1Voorrangsbepaling
1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
Afdeling 22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften
Paragraaf 22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Artikel 22.6
Paragraaf 22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7Repressief welstand
Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Artikel 22.13Bluswatervoorziening
Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
Paragraaf 22.2.4
Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16Overbewoning woonruimte
Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
Paragraaf 22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Paragraaf 22.2.6
Cultureel erfgoed
Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek
Paragraaf 22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen
Artikel 22.24Meetbepalingen
Artikel 22.25Mantelzorg
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.29
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. vervallen; b. vervallen; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
2.
Vervallen.
Artikel 22.30
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.
Artikel 22.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
Artikel 22.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 22.34
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. vervallen; b. vervallen; c. vervallen; d. vervallen; e. vervallen; f. vervallen; g. vervallen; h. vervallen; i. vervallen; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Paragraaf 22.2.8
Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Afdeling 22.3
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN
Paragraaf 22.3.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
4.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.
Artikel 22.42Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
Artikel 22.43Normadressaat
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 22.44Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 22.3.2
Energiebesparing
Artikel 22.51Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.52Energie: maatregelen
1.
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
4.
Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.
5.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
6.
Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.
Paragraaf 22.3.3
Zwerfafval
Artikel 22.53Afval: zwerfvuil
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Paragraaf 22.3.4
Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.54Toepassingsbereik
1.
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
4.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
1.
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 22.58Geluid: functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Artikel 22.60Geluid: onderzoek
1.
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii.
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
2.
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
3.
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
4.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
Artikel 22.61Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
3.
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1.
70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
2.
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
5.
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
6.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
7.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.62Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.63Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.
Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.
Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.
De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
Artikel 22.64Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.
Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
Artikel 22.65
Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.
Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.
Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
Artikel 22.66Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.
Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.
Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
Artikel 22.67
Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.
Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
2.
Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.