← Nederland

Omgevingsplan gemeente Weert (Weert)

In het kort

Dit omgevingsplan van de gemeente Weert regelt hoe de fysieke leefomgeving mag worden gebruikt en ingericht, met als doel een goede omgevingskwaliteit en duurzame ontwikkeling te waarborgen. Het stelt regels voor onder andere wonen, verkeer en de bescherming van cultureel erfgoed en landschapswaarden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696458 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0988/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-11-20 2025-11-20 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696458/nld@2025-12-20 /join/id/proc

Artikel 4.14 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf gaat over kamerbewoning binnen de locatie ‘kamerbewoning -

’. 2. Onder kamerbewoning wordt verstaan het bewonen van een kamer in een woonhuis, waarbij de kamer niet als zelfstandige wooneenheid kan worden aangemerkt en zoals dit tot uitdrukking komt in de afwezigheid van een zelfstandige entree, keuken, of sanitaire voorzieningen. Artikel 4.15 Kamerbewoning -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te bewonen of te laten bewonen door meer dan één huishouden. Artikel 4.16 Kamerbewoning - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.15 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de huisvesting plaatsvindt in het hoofdgebouw of aan het hoofdgebouw fysiek verbonden bijbehorende bouwwerken; b. de huisvesting niet plaatsvindt in vrijstaande bijbehorende bouwwerken; c. de huisvesting plaatsvindt in niet-zelfstandige woonruimte en het aantal woningen niet toeneemt; d. niet meer dan 5 personen worden gehuisvest; e. de huisvesting naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar is uit verkeerskundig oogpunt; f. de huisvesting naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar is uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat; g. voldaan wordt aan de Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten gemeente Weert 2021 of een daaropvolgende beleidsnota, indien het huisvesting van arbeidsmigranten / internationale werknemers betreft. SubParagraaf 4.16.3.2 Aan huis verbonden beroep SubSubParagraaf 4.16.3.2.1 Aan huis verbonden beroep - toegestaan Artikel 4.17 Toepassingsbereik

  1. Deze subsubparagraaf gaat over het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep bij een woning binnen de locatie ’aan huis verbonden beroep - toegestaan’.
  2. Onder aan huis verbonden beroep wordt verstaan een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Onder een aan huis verbonden beroep wordt hier eveneens begrepen consument verzorgende activiteiten (bijvoorbeeld kapper, schoonheidsspecialist(e), nagelstudio, atelier). Het beroep wordt uitgeoefend door (een van) de bewoners van de woning en aan maximaal 2 personen tegelijk mogen diensten worden aangeboden. Artikel 4.18 Aan huis verbonden beroep - toegestaan Het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep is toegestaan als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de activiteit in de woning of in een bijbehorend bouwwerk plaats vindt; b. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is; c. de woning in overwegende mate ten behoeve van het wonen in gebruik blijft; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de woning niet verandert; e. er geen detailhandel plaatsvindt uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met het beroep; f. er geen ontoelaatbare publieks- en verkeersaantrekking ontstaat; g. maximaal 50 m² van het gebruiksoppervlak van de woning/bijbehorende bouwwerken gebruikt wordt voor het beroep aan huis; h. aan niet meer dan 2 personen tegelijk diensten worden aangeboden. SubSubParagraaf 4.16.3.2.2 Aan huis verbonden beroep -

Artikel 4.19 Toepassingsbereik 1.

Deze subsubparagraaf gaat over het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep bij een woning binnen de locatie ’aan huis verbonden beroep -

’. 2. Onder aan huis verbonden beroep wordt verstaan een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Onder een aan huis verbonden beroep wordt hier eveneens begrepen consument verzorgende activiteiten (bijvoorbeeld kapper, schoonheidsspecialist(e), nagelstudio, atelier). Het beroep wordt uitgeoefend door (een van) de bewoners van de woning en aan maximaal 2 personen tegelijk mogen diensten worden aangeboden. Artikel 4.20 Aan huis verbonden beroep -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een aan huis verbonden beroep uit te oefenen met een oppervlakte groter dan 50 m². Artikel 4.21 Aan huis verbonden beroep - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.20 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de activiteit in de woning of in een bijbehorend bouwwerk plaats vindt; b. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is; c. de woning in overwegende mate ten behoeve van het wonen in gebruik blijft; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de woning niet verandert; e. er geen detailhandel plaatsvindt uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met het beroep; f. er geen ontoelaatbare publieks- en verkeersaantrekking ontstaat; g. aan niet meer dan 2 personen tegelijk diensten worden aangeboden; h. het aan huis verbonden beroep naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt. SubParagraaf 4.16.3.3 Aan huis verbonden bedrijf SubSubParagraaf 4.16.3.3.1 Aan huis verbonden bedrijf -

Artikel 4.22 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf gaat over het uitoefenen van een aan-huis-verbonden bedrijf bij woningen binnen de locatie ‘aan huis verbonden bedrijf -

‘. 2. Onder aan huis verbonden bedrijf wordt verstaan een dienstverlenend ambachtelijk bedrijf, dat op kleine schaal in een woning en/of bijhorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Het beroep wordt uitgeoefend door (een van) de bewoners van de woning. Artikel 4.23 Aan huis verbonden bedrijf -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een aan huis verbonden bedrijf uit te oefenen. Artikel 4.24 Aan huis verbonden bedrijf - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.23 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de activiteit in de woning of in een bijbehorend bouwwerk plaats vindt; b. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is; c. de woning in overwegende mate ten behoeve van het wonen in gebruik blijft; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de woning niet verandert; e. er geen detailhandel plaatsvindt uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met het bedrijf; f. er geen ontoelaatbare publieks- en verkeersaantrekking ontstaat; g. maximaal 30 % van de gebruiksoppervlakte van de woning/bijbehorende bouwwerken gebruikt wordt voor het bedrijf aan huis; h. de daar gepleegde activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie; i. het gebruik naar de aard met de woonfunctie in overeenstemming is; j. het niet zodanig verkeer aantrekkende activiteiten betreft, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn en die niet binnen het perceel gedeelte waar het aan huis verbonden bedrijf wordt uitgeoefend gerealiseerd kunnen worden. SubParagraaf 4.16.3.4 Digitale verkoop via internet SubSubParagraaf 4.16.3.4.1 Digitale verkoop via internet -

Artikel 4.25 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken bij woningen voor digitale verkoop via internet binnen de locatie ’digitale verkoop via internet -

’. 2. Onder digitale verkoop via internet wordt verstaan een bedrijf dat producten of diensten via internet verkoopt en verkochte waren thuisbezorgt. Artikel 4.26 Digitale verkoop via internet -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van de woning of een bijbehorend bouwwerk bij de woning te gebruiken voor digitale verkoop via internet. Artikel 4.27 Digitale verkoop via internet - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.26 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de producten door de klant niet ter plaatse besteld of afgehaald worden; b. de bestelde producten door de ondernemer zelf of via de post c.q. een pakketdienst bij de klant thuis bezorgd worden; c. er geen verkoop aan huis plaatsvindt; d. maximaal 30 m² van het gebruiksoppervlak van de woning en/of het bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt voor de digitale verkoop per internet, in de vorm van administratie en opslag van goederen; e. er geen buitenopslag plaats vindt. SubParagraaf 4.16.3.5 Afhankelijke woonruimte SubSubParagraaf 4.16.3.5.1 Afhankelijke woonruimte -

Artikel 4.28 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken bij woningen voor afhankelijke woonruimte binnen de locatie ‘afhankelijke woonruimte -

‘. 2. Onder afhankelijke woonruimte wordt verstaan: a. een extra woonruimte inpandig of in een direct aan het hoofdgebouw aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning, waarin een huishouding gevestigd is, dat mantelzorg ontvangt van de bewoner(s) in de zelfstandige woonruimte; b. onder mantelzorg wordt verstaan langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Artikel 4.29 Afhankelijke woonruimte -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van de woning of een bijbehorend bouwwerk bij de woning te gebruiken als afhankelijke woonruimte. Artikel 4.30 Afhankelijke woonruimte - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de activiteit plaats vindt in het hoofdgebouw en/of in een aangebouwd bijbehorend bouwwerk; b. er geen sprake is van een zelfstandige woning; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; d. er maximaal één afhankelijke woonruimte per woning ontstaat; e. de gebruiksoppervlakte maximaal 75 m² bedraagt. SubParagraaf 4.16.3.6 Bed & Breakfast SubSubParagraaf 4.16.3.6.1 Bed & Breakfast -

Artikel 4.31 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken bij woningen voor Bed & Breakfast binnen de locatie ‘bed & breakfast -

‘. 2. Onder ‘Bed & Breakfast’ wordt verstaan kleinschalige verblijfsrecreatie als kleinschalige toeristisch-recreatieve activiteit in de vorm van het ter beschikking stellen van maximaal 4 slaapplaatsen binnen de bestaande woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten behoeve van overnachting voor één of enkele nachten waarbij het ontbijt voor de volgende dag inbegrepen is. Onder Bed & Breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. Artikel 4.32 Het aanbieden van bed & breakfast -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van de woning of een bijbehorend bouwwerk bij de woning te gebruiken voor Bed & Breakfast. Artikel 4.33 Het aanbieden van bed & breakfast - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de activiteit plaats vindt in de woning en/of in aangebouwd bijbehorend bouwwerk; b. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is; c. het aantal slaapplaatsen van de Bed & Breakfast niet meer bedraagt dan 4 per woning; d. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan. SubParagraaf 4.16.3.7 Gebruik als dakterras SubSubParagraaf 4.16.3.7.1 Gebruik als dakterras -

Artikel 4.34 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf gaat over het gebruiken van een plat dak bij woningen voor een dakterras binnen de locatie ’gebruik als dakterras -

’. 2. Onder dakterras wordt verstaan een terras op een plat dak. Artikel 4.35 Gebruik als dakterras -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een (gedeelte) van een plat dak bij een woning of een bijbehorend bouwwerk bij een woning te gebruiken voor een dakterras. Artikel 4.36 Gebruik als dakterras - beoordelingsregel omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.35 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; b. waarden en belangen van derden niet onevenredig worden geschaad of kunnen worden geschaad. Afdeling 4.17 Evenementenactiviteiten Paragraaf 4.17.1 Kleinschalige evenementen SubParagraaf 4.17.1.1 Kleinschalige Evenementen - toegestaan Artikel 4.37 Toepassingsbereik

  1. Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige evenementen ter plaatse van de locatie ‘kleinschalige evenementen - toegestaan’.
  2. Onder kleinschalige evenementen wordt verstaan lokale eendaags evenementen op dorps/wijk en buurtniveau, zoals een straatfeest of buurtfestiviteit. Deze evenementen dragen in belangrijke mate bij aan de binding tussen inwoners in het dorp/de wijk en buurt. Deze evenementen zijn vooral gericht op participatie en ontmoeting tussen inwoners. Artikel 4.38 Kleinschalige Evenementen - toegestaan Kleinschalige evenementen zijn toegestaan. Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten Afdeling 5.1 Algemene regels voor bouwactiviteiten Paragraaf 5.1.1 Regels voor alle bouwactiviteiten Artikel 5.1 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken ten behoeve van wonen binnen de locatie ‘nieuwe deel’. Artikel 5.2 Normadressaat Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5.3 Verboden bouwactiviteiten a. Bouwactiviteiten anders dan toegestaan in of op grond van hoofdstuk 5 zijn verboden, met uitzondering van bestaande bouwwerken. b. Onder bestaande bouwwerken wordt verstaan bouwwerken die aanwezig en toegestaan waren voor het tijdstip dat de (deel)-regeling rechtskracht heeft gekregen. Artikel 5.4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwproject waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwprojecten buiten beschouwing. Artikel 5.5 Relatie beoordelingsregels met artikel 22.29 De regels in deze paragraaf zijn in aanvulling op artikel 22.
  3. Paragraaf 5.1.2 Parkeren bij bouwactiviteiten Artikel 5.6 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken die gebruikt worden voor activiteiten met een parkeerbehoefte. Artikel 5.7 Parkeren - beoordelingsregels
  4. Als op grond van dit hoofdstuk een omgevingsvergunning nodig is, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en voldoende ruimte voor laden en lossen.
  5. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en voldoende ruimte voor laden en lossen als wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid zoals dat geldt ten tijde van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag.
  6. De parkeernormen van CROW publicatie 744 uitgebracht in juni 2024 worden aangemerkt als gemeentelijk parkeerbeleid zoals bedoeld in het tweede lid.
  7. In afwijking van lid
  8. kan de omgevingsvergunning worden verleend mits er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de openbare ruimte. Afdeling 5.3 Hoofdgebouw bouwen Paragraaf 5.3.1 Hoofdgebouw bouwen -

Artikel 5

.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en/of verbouwen van een hoofdgebouw ter plaatse van de locatie ‘hoofdgebouw bouwen -

’. Artikel 5.9 Maximum aantal hoofdgebouwen - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend indien er sprake is van vervangende nieuwbouw waarbij het aantal hoofdgebouwen niet toeneemt. Artikel 5.10 Maximum bouwhoogte hoofdgebouw - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als de bouwhoogte maximaal de met ‘maximum bouwhoogte hoofdgebouw’ aangeduide bouwhoogte bedraagt. Artikel 5.11 Maximum goothoogte hoofdgebouw - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als de goothoogte maximaal de met ‘maximum goothoogte hoofdgebouw’ aangeduide goothoogte bedraagt. Artikel 5.12 Bouwen in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregel omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als niet dieper wordt gebouwd dan de 0,4 m.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als de oppervlakte van de verstoring maximaal met de ‘maximum oppervlakte grondactiviteiten’ aangegeven oppervlakte bedraagt.
  3. Als dieper wordt gebouwd dan aangegeven in lid 1 en de oppervlakte van de verstoring groter is dan aangegeven in lid 2 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in paragraaf 5.6.
  4. Afdeling 5.4 Bijbehorend bouwwerk bouwen Paragraaf 5.4.1 Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan Artikel 5.13 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen en/of verbouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de locatie ‘bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan’. Artikel 5.14 Aanvulling artikel 22.27 en artikel 22.36 Bij de toepassing van artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regel: a. De oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 50 m². Paragraaf 5.4.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen -

Artikel 5

.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en/of verbouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de locatie ‘bijbehorend bouwwerk bouwen -

’. Artikel 5.16 Bijbehorend bouwwerk bouwen - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 22.26 wordt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. het bijbehorende bouwwerk staat ten minste 1,0 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw; b. de goothoogte is niet meer is dan 3,2 m; c. de bouwhoogte is niet meer dan 6,0 m; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken inclusief carports is niet meer dan 50% van de oppervlakte van de locatie ‘bijbehorend bouwwerk bouwen -

’ op het desbetreffende bouwperceel; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken inclusief carports voor zover gelegen buiten het bouwvlak op het desbetreffende bouwperceel is niet meer dan 150 m². Artikel 5.17 Bouwen in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregel omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als niet dieper wordt gebouwd dan de 0,4 m.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als de oppervlakte van de verstoring maximaal met de ‘maximum oppervlakte grondactiviteiten’ aangegeven oppervlakte bedraagt.
  3. Als dieper wordt gebouwd als aangegeven in lid 1 en de oppervlakte van de verstoring groter is dan aangegeven in lid 2 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in paragraaf 5.6.
  4. Afdeling 5.5 Ander bouwwerk bouwen Paragraaf 5.5.2 Ander bouwwerk bouwen -

Artikel 5

.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en/of verbouwen van een ander bouwwerk ter plaatse van de locatie ‘ander bouwwerk bouwen -

’. Artikel 5.19 Bouwen van een ondergronds bouwwerk - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een ondergronds bouwwerk wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. op de gronden uitsluitend ondergronds wordt gebouwd onder bestaande gebouwen en nieuw op te richten gebouwen die gelijktijdig worden gebouwd; b. direct aansluitend aan ondergrondse bouwwerken in- en uit ritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd; c. de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 3,5 m. Artikel 5.20 Bouwen van een erker - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een erker wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de diepte van de erker is niet meer dan 1,2 m; b. de grens van de locatie ‘wonen - toegestaan’ wordt niet overschreden; c. de oppervlakte van de erker is niet meer dan 5 m²; d. de erker wordt gebouwd aan de voorgevel of zijgevel van een hoofdgebouw; e. de erker naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig oogpunt; f. de erker naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen onevenredig nadelige gevolgen heeft vanuit verkeersveiligheid. Artikel 5.21 Bouwen van een luifel - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een luifel wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de diepte van de luifel is niet meer dan 1,2 m; b. de grens van de locatie ‘wonen - toegestaan’ wordt niet overschreden; c. de oppervlakte van de luifel niet meer is dan 5 m²; d. de luifel wordt gebouwd aan de gevel van een hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk; e. de luifel naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig oogpunt; f. de luifel naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen onevenredig nadelige gevolgen heeft vanuit verkeersveiligheid. Artikel 5.22 Bouwen van een carport - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een carport wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de carport heeft, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw, maximaal 3 wanden; b. de carport wordt tot maximaal 1,5 m voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd; c. de hoogte van de carport is niet meer dan 3,0 m; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het desbetreffende bouwperceel binnen de locatie ‘bijbehorend bouwwerk bouwen -

’ inclusief de carport niet meer is dan 50%; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het desbetreffende bouwperceel binnen de locatie ‘bijbehorend bouwwerk bouwen -

’ inclusief de carport niet meer is dan 150 m²; f. het gedeelte van de carport voor de voorgevelrooilijn aan alle kanten open is; g. op zijerven die grenzen aan de openbare ruimte ook de wand die is gelegen achter de voorgevelrooilijn open blijft voor zover dat voor de verkeersveiligheid benodigde uitzichthoek van 45° ten opzichte van de voorgevel rooilijn nodig is. Een carport geplaatst op minder dan 0,50 m van een wand van een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk wordt geacht te zijn omsloten door de desbetreffende wand van het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk. Artikel 5.23 Bouwen van een balkon - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een balkon wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de diepte van het balkon is niet meer dan 1,2 m; b. de grens van de locatie ‘wonen - toegestaan‘ wordt niet overschreden; c. de oppervlakte van het balkon is niet meer dan 5 m²; d. het balkon is naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar uit stedenbouwkundig oogpunt; e. het balkon heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen onevenredig nadelige gevolgen vanuit verkeersveiligheid. Artikel 5.24 Bouwen van een dakterras - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een dakterras wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de hoogte van de vloerafscheiding/balustrade is niet meer dan 1,20 m, gemeten vanaf de bovenkant van het plat dak; b. op het dakterras wordt geen bouwwerken, anders dan onder a. bedoeld, opgericht; c. het dakterras is naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanvaardbaar uit stedenbouwkundig oogpunt. Artikel 5.25 Bouwen van een erfafscheiding - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een erfafscheiding wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. het betreft een sierhekwerk of een draaderfafscheiding; b. de bouwhoogte niet meer is dan 2,0 m. Artikel 5.26 Bouwen van een overig ander bouwwerk, geen gebouw zijnde - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een ander bouwwerk wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende regels: a. de bouwhoogte niet meer dan 4,0 m is; b. het bouwwerk past binnen de activiteiten die op grond van hoofdstuk 4 zijn toegelaten. Paragraaf 5.5.3 Ander bouwwerk bouwen in de openbare ruimte -

Artikel 5

.27 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen en/of verbouwen van een ander bouwwerk in de openbare ruimte. Artikel 5.28 Bouwen van een nutsvoorziening - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een nutsvoorziening binnen de locatie ‘bouwen van een nutsvoorziening -

’ wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de bouwhoogte niet meer is dan 3,5 m; b. de oppervlakte niet meer is dan 25 m². Artikel 5.29 Bouwen van een speeltoestel - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een speeltoestel binnen de locatie ‘bouwen van een speeltoestel -

’ wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende regel: a. de bouwhoogte niet meer is dan 10 m is. Artikel 5.30 Bouwen van een object voor beeldende kunst - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een object voor beeldende kunst binnen de locatie ‘bouwen van een object voor beeldende kunst -

’ wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende regel: a. de bouwhoogte niet meer is dan 10,0 m. Afdeling 5.6 Specifieke beoordelingsregels Paragraaf 5.6.1 Archeologisch waardevol gebied Artikel 5.31 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de locatie ‘archeologisch waardevol gebied’. Artikel 5.32 Bouwen in archeologisch waardevol gebied - bijzondere aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 5.33 Bouwen in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat: a. geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. Artikel 5.34 Bouwen in archeologisch waardevol gebied - voorschriften omgevingsvergunning Bij de verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 kunnen door het college van burgemeester en wethouders in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de aanlegactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. Paragraaf 5.6.2 Molenbiotoop De Hoop Swartbroek Artikel 5.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de locatie ‘molenbiotoop De Hoop Swartbroek’. Artikel 5.36 Bouwen binnen molenbiotoop De Hoop Swartbroek - beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. het zicht op de molen en de waarde van de molen als cultuurhistorisch en landschappelijk element door het bouwwerk niet vermindert; b. het bouwwerk geen negatieve invloed heeft, ook niet in samenhang met andere voorgenomen of gerealiseerde activiteiten, op het huidige of toekomstige functioneren van de molen als werktuig, voor zover het betreft een vermindering van de windvang van de molen. Hiertoe dient te worden voldaan aan de toegestane bouwhoogte H (max), welke als volgt wordt bepaald. H (max) = (x/50) + 33,90 m boven NAP, waarbij x de afstand van de bouwlocatie tot het hart van de molen is. Wanneer de bouwlocatie lager ligt dan 29.74 m boven NAP (= maaiveld molen) dan wordt de toegestane bouwhoogte vergroot met dit verschil. Wanneer de bouwlocatie hoger ligt dan 29.74 m boven NAP dan wordt de toegestane bouwhoogte verlaagd met dit verschil. c. in afwijking van sub a. en sub b. wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien een positief advies is ontvangen van een of meer organisatie(s) gericht op de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van molens. Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten Afdeling 6.1 Algemene regels aanlegactiviteiten Paragraaf 6.1.1 Regels voor alle aanlegactiviteiten Artikel 6.1 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie ‘nieuwe deel’. 2. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. de aanlegactiviteiten zoals bedoeld in afdeling 6.2, afdeling 6.3, afdeling 6.6 en afdeling 6.7. Artikel 6.2 Aanlegactiviteiten - toegestaan 1. Aanlegactiviteiten die in overeenstemming zijn met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in hoofdstuk 4 zijn toegestaan, tenzij het aanlegactiviteiten betreft waarvoor op grond van afdeling 6.2, afdeling 6.3, afdeling 6.6 en afdeling 6.7 regels gelden. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.2 eerste lid zijn aanlegactiviteiten ook toegestaan als: a. het aanlegactiviteiten betreft in verband met het normaal beheer en onderhoud; b. het werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis betreft; of c. het aanlegactiviteiten in de vorm van archeologisch (voor)onderzoek en het doen van opgravingen door een deskundige betreft. Afdeling 6.2 Grondactiviteiten uitvoeren Paragraaf 6.2.1 Grondactiviteiten uitvoeren - toegestaan Artikel 6.3 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondactiviteiten ter plaatse van de locatie 'grondactiviteiten uitvoeren - toegestaan'. 2. Onder grondactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. het egaliseren van gronden; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden of grondbewerkingen; c. het roeren en omwoelen van gronden waaronder begrepen het aanleggen van drainage; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden; e. het indrijven van objecten in de bodem; en f. het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt. Artikel 6.4 Grondactiviteiten uitvoeren - toegestaan 1. Het uitvoeren van grondactiviteiten is toegestaan als wordt voldaan aan alle onderstaande regels. 2. Bij het uitvoeren van grondactiviteiten wordt de grond niet dieper geroerd dan 0,4 m. 3. Bij het uitvoeren van grondactiviteiten wordt geen grotere oppervlakte geroerd dan de met ‘maximum oppervlakte grondactiviteiten’ aangegeven oppervlakte. Paragraaf 6.2.2 Grondactiviteiten uitvoeren –

Artikel 6.5 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondactiviteiten ter plaatse van de locatie 'grondactiviteiten uitvoeren -

’. 2. Onder grondactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. het egaliseren van gronden; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden of grondbewerkingen; c. het roeren en omwoelen van gronden waaronder begrepen het aanleggen van drainage; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden; e. het indrijven van objecten in de bodem; en f. het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt. Artikel 6.6 Grondactiviteiten uitvoeren -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondactiviteiten uit te voeren. Afdeling 6.3 Diepwortelende beplanting aanbrengen Paragraaf 6.3.1 Diepwortelende beplanting aanbrengen –

Artikel 6.7 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van diepwortelende beplanting ter plaatse van de locatie ‘diepwortelende beplanting aanbrengen -

’. 2. Onder het aanbrengen van diepwortelende beplanting als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan beplanting met een wortelstelsel dat meer dan 0,4 m onder het maaiveld reikt of dat naar verwachting in de toekomst zal doen en waarbij de oppervlakte die geroerd wordt groter is dan de met ‘maximum oppervlakte grondactiviteiten’ aangegeven oppervlakte. Artikel 6.8 Diepwortelende beplanting aanbrengen –

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning diepwortelende beplanting aan te brengen. Afdeling 6.4 Wonen - oppervlakteverharding aanleggen Paragraaf 6.4.1 Wonen - oppervlakteverharding aanleggen – toegestaan Artikel 6.9 Toepassingsbereik

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van oppervlakteverharding ter plaatse van de locatie ‘wonen - oppervlakteverharding aanleggen - toegestaan’.
  2. Onder het aanleggen van oppervlakteverharding als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. het aanleggen van open en gesloten oppervlakteverhardingen, niet zijnde terreinontsluitingen. Artikel 6.10 Wonen - oppervlakteverharding aanleggen – toegestaan
  3. Het aanleggen van oppervlakteverharding is toegestaan als aan het volgende lid wordt voldaan.
  4. De oppervlakte van de verharding is niet meer dan 150 m² per bouwperceel. Paragraaf 6.4.2 Wonen - oppervlakteverharding aanleggen -

Artikel 6.11 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van oppervlakteverharding ter plaatse van de locatie ’wonen - oppervlakteverharding aanleggen -

’. 2. Onder het aanleggen van oppervlakteverharding als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. het aanleggen van open en gesloten oppervlakteverhardingen, niet zijnde terreinontsluitingen. Artikel 6.12 Wonen - oppervlakteverharding aanleggen -

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning verhardingen aan te leggen met een oppervlakte groter dan 150 m² per bouwperceel. Afdeling 6.5 Molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen Paragraaf 6.5.1 Molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen - toegestaan Artikel 6.13 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van hoog opgaand groen en/of hoge bomen ter plaatse van de locatie ’molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen - toegestaan’. Artikel 6.14 Molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen – toegestaan Het planten van hoog opgaand groen en/of hoge bomen is toegestaan als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: a. het zicht op de molen en de waarde van de molen als cultuurhistorisch en landschappelijk element door het hoog opgaand groen en/of de hoge bomen niet vermindert; b. het hoog opgaand groen en/of de hoge bomen geen negatieve invloed heeft/hebben, ook niet in samenhang met andere voorgenomen of gerealiseerde activiteiten, op het huidige of toekomstige functioneren van de molen als werktuig, voor zover het betreft een vermindering van de windvang van de molen. Hiertoe dient te worden voldaan aan de toegestane hoogte H (max), welke als volgt wordt bepaald. H (max) = (x/50) + 33,90 m boven NAP, waarbij x de afstand van de locatie waar het groen wordt aangebracht tot het hart van de molen is. Wanneer de locatie waar het groen wordt aangebracht lager ligt dan 29.74 m boven NAP (= maaiveld molen) dan wordt de toegestane hoogte van het groen en/of de boom vergroot met dit verschil. Wanneer de locatie waar het groen wordt aangebracht hoger ligt dan 29.74 m boven NAP dan wordt de toegestane hoogte van het groen en/of de boom verlaagd met dit verschil. Paragraaf 6.5.2 Molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen –

Artikel 6

.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van hoog opgaand groen en/of hoge bomen ter plaatse van de locatie ’molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen -

’. Artikel 6.16 Molenbiotoop - hoog opgaand groen aanbrengen -

Het is verboden zonder omgevingsvergunning hoog opgaand groen en/of hoge bomen aan te brengen. Afdeling 6.6 Landschapswaarde verwijderen Paragraaf 6.6.1 Landschapswaarde verwijderen –

Artikel 6

.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van groen met landschapswaarde ter plaatse van de locatie ‘landschapswaarde verwijderen -

’. Artikel 6.18 Landschapswaarde verwijderen -

Het is verboden zonder omgevingsvergunning groen met landschapswaarde te verwijderen. Afdeling 6.7 Waardevolle boom verwijderen Paragraaf 6.7.1 Waardevolle boom verwijderen –

Artikel 6

.19 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van waardevolle bomen ter plaatse van de locatie ‘waardevolle boom verwijderen -

’. Artikel 6.20 Waardevolle boom verwijderen -

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een waardevolle boom te verwijderen. Afdeling 6.8 Beoordelingskader Paragraaf 6.8.2 Beoordelingskader archeologie Artikel 6.21 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 en artikel 6.8 wordt verleend als: a. uit een bij de aanvraag verstrekt rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie blijkt dat de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan één of meer archeologische waarden en/of aan de mogelijkheid tot herstel daarvan. Artikel 6.22 Bijzondere aanvraagvereisten aanlegactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 en artikel 6.8 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 6.23 Advies Bij het beoordelen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 en artikel 6.8 wordt advies ingewonnen bij een deskundige. Artikel 6.24 Voorschriften aanlegactiviteiten Bij de verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 en artikel 6.8 kunnen door het college van burgemeester en wethouders in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de aanlegactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. Paragraaf 6.8.3 Beoordelingskader wonen - oppervlakteverhardingen Artikel 6.25 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.12 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. de verharding is reeds in uitvoering of is aanwezig op het moment dat deze paragraaf van toepassing wordt; b. er wordt voldaan aan de ‘Verordening op de opvang, verwerking en afvoer van hemel- en grond- water 2023 voor nieuwbouw‘ of er wordt aangetoond dat het waterbergend vermogen van de tuin minstens 100 mm per m² extra verharding bedraagt; c. de gronden binnen het desbetreffende bouwperceel worden niet voor meer dan 50% verhard. Paragraaf 6.8.4 Beoordelingskader molenbiotoop - hoog opgaand groen Artikel 6.26 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.16 wordt verleend als aan onderstaande regel wordt voldaan: a. een positief advies is ontvangen een of meer organisatie(s) gericht op de bescherming van de belevingswaarde en het functioneren van molens. Paragraaf 6.8.5 Beoordelingskader landschapswaarde Artikel 6.27 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.18 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. het kappen van het groen met landschapswaarde naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is uit het oogpunt van veiligheid; b. het kappen van het groen met landschapswaarde naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is vanwege ziekte van de boom; of c. sprake is van een groot openbaar belang waarvoor het kappen van het groen met landschapswaarde nodig is.
  2. Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.18, wordt alleen verleend als: a. wordt voorzien in herplant ter plaatse; of b. wordt voorzien compensatie van het groen met landschapswaarden volgens een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan. Paragraaf 6.8.6 Beoordelingskader waardevolle boom Artikel 6.28 Beoordelingsregel omgevingsvergunning
  3. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.20 wordt verleend als aan alle onderstaande regels wordt voldaan: a. het kappen van de waardevolle boom naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is uit het oogpunt van veiligheid; b. het kappen van de waardevolle boom naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is vanwege ziekte van de boom; of c. sprake is van een groot openbaar belang waarvoor het kappen van de waardevolle boom nodig is.
  4. Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.20 wordt alleen verleend als: a. wordt voorzien in herplant ter plaatse; of b. wordt voorzien compensatie van de waardevolle boom volgens een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan. Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 Activiteiten Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  5. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  6. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als

ig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  1. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  3. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
  4. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en (straat)peil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het (straat)peil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  5. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  6. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  7. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  8. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  9. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  10. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  11. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  12. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  13. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  14. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  15. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  16. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  17. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  18. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  19. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  20. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  21. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  22. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  23. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  24. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  25. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  26. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  27. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  28. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  29. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  30. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  31. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  32. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  34. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  35. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  36. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  37. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  38. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  39. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  40. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  41. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  42. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  43. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  44. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  45. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  46. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  47. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  48. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  49. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7

en met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SubParagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen

  1. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
  2. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  3. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  4. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse

voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op

artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26 geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  1. op de grond staand;
  2. gelegen in achtererfgebied;
  3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  4. niet hoger dan 5 m;
  5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  7. op de grond staand;
  8. niet hoger dan 5 m; en
  9. de oppervlakte niet meer dan 70 m²; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  11. voorzien van een plat dak;
  12. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  13. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  14. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  15. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  16. niet hoger dan 4 m; en
  17. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  18. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  19. op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  20. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  21. een silo; of
  22. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  23. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  24. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  25. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen; j. in aanvulling op artikel 22.27, onder f, onder 3°, van de bruidsschat wordt onder de lijn, bedoeld in dat onderdeel, verstaan: de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouwen vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  26. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  27. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  28. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  29. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  30. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  31. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  32. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  33. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  34. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  35. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  36. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  37. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  38. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  39. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  40. In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  41. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
  42. In aanvulling op het eerste lid, onder a en b, wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  43. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  44. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten en een opgave van de gebruiksfuncties en de gebruiksoppervlakten;; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  45. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  46. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  47. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  48. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  49. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  50. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  51. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  52. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  53. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  54. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  55. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. SubParagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  56. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
  57. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  58. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  59. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  60. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
  61. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een

ige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

  1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  3. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  12. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; d. in aanvulling op artikel 22.39, onder c, van de bruidsschat is artikel 22.36, aanhef en onder a en c, van de bruidsschat ook niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een locatie binnen een afstand als bedoeld in artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  14. Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
  15. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
  16. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
  17. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
  18. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  19. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
  20. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
  21. Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  22. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  23. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  24. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  25. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  26. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  27. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  28. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  29. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  30. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  31. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
  32. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  33. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  34. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  35. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
  36. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  37. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  38. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  39. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  40. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  41. Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
  42. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  43. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
  44. Dit artikel is van toepassing tot 1 december
  45. Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
  46. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
  47. Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing. Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Paragraaf 22.3.4 Geluid SubParagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  48. Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
  49. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
  50. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
  51. Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  52. In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  53. In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
  54. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  55. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
  56. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  57. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  58. In aanvulling op artikel 22.55 van de bruidsschat is paragraaf 22.3.4 van de bruidsschat niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  59. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
  60. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of
  61. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
  62. Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
  63. Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
  64. Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rappo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.