← Nederland

Omgevingsplan gemeente Etten-Leur (Etten-Leur)

Kort samengevat

Dit omgevingsplan van de gemeente Etten-Leur regelt de bescherming van archeologische waarden bij activiteiten die de bodem verstoren. Het stelt voorwaarden en vergunningplichten vast om archeologisch erfgoed te behouden.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696401 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0777/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-05-27 2026-05-27 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696401/nld@2026-06-24 /join/id/proc

Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij daarvan in bijlage II, III of IV is afgeweken.

  1. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
  2. Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 8 van dit omgevingsplan.
  3. Bijlage IV bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 5 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Thema's Afdeling 3.1 Algemene regels Afdeling 3.2 Ruimtelijke kwaliteit Paragraaf 3.2.1 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken Paragraaf 3.2.2 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Paragraaf 3.2.3 Bouwwerken Paragraaf 3.2.4 Welstand Paragraaf 3.2.5 Cultureel erfgoed Subparagraaf 3.2.5.1 Algemeen Subparagraaf 3.2.5.2 Activiteiten in een gebied met archeologische verwachtingen Artikel 3.1 Voorrangsbepaling archeologie Voor zover de regels in deze subparagraaf (3.2.5.2) strijdig zijn met de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, gaan de regels in deze subparagraaf voor. Bijlage V van dit omgevingsplan bevat de artikelen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, waarop deze subparagraaf voorgaat. Artikel 3.2 Toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologische waardevolle gebieden
  4. Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de archeologische waarde.
  5. Het betreft in ieder geval de volgende activiteiten voor zover deze activiteiten worden verricht in een gebied met archeologische verwachtingswaarde: a. bouwactiviteiten; en b. het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid.
  6. Met de activiteit als genoemd in het tweede lid, onder b, wordt in ieder geval bedoeld: a. het afgraven van gronden, waaronder afplaggen en het verwijderen van bestaande funderingen en het verwijderen van vloeren; b. graafwerkzaamheden; c. aanleg of onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen, kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. aanbrengen van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; e. aanleggen, verbreden, verdiepen of dempen van vaargeulen, waterlopen en waterpartijen; f. baggeren, waaronder saneren en onderzuigen; g. uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden; h. ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld of de waterbodem; i. wijzigen van de grondwaterstand; j. agrarische grondwerkzaamheden, zoals het aanleggen van drainage, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden; k. het aanbrengen van heipalen; l. grondwerkzaamheden op natuurterreinen; en m. saneren van gronden. Artikel 3.3 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Artikel 3.4 Aanwijzing gebieden met een archeologische verwachtingswaarde Er zijn gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, onderverdeeld in gebieden met een: a. archeologische verwachtingswaarde 1; b. archeologische verwachtingswaarde 2; c. archeologische verwachtingswaarde 3; d. archeologische verwachtingswaarde 4; e. archeologische verwachtingswaarde 5; en f. archeologische verwachtingswaarde
  7. Artikel 3.5 Aanwijzing vergunningplicht archeologie
  8. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 1, als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 100 m2 .
  9. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2,lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 2, als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 500 m2 .
  10. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 3 , als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 1.000 m2 .
  11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2 , lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 4, als: a. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en b. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 10.000 m2 .
  12. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2, (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 5 , als: a. de diepte van de bodemingreep minder is dan 1,00 meter:
  13. de diepte van de bodemingreep meer is dan 40 cm; en
  14. de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 10.000 m2 . b. De diepte van de bodemingreep meer is dan 1,00 meter en de oppervlakte van het daadwerkelijk te verstoren gebied groter is dan 100 m2 .
  15. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten zoals genoemd in artikel 3.2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten in het geval op grond van afdeling 16.4 van de wet een mer-plicht geldt, ongeacht of binnen de vrijstellingen van de daar geldende archeologische verwachtingswaarde wordt gebleven.
  16. De verplichting zoals genoemd in het eerste tot en met het vijfde lid is eveneens van toepassing bij een kleinere oppervlakte van het te verstoren gebied indien daarmede kennelijk de bedoeling is om de activiteiten genoemd in artikel 3.2, lid 2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te splitsen om onder een in het eerste tot en met het vijfde lid vrijgestelde oppervlakte te blijven. Artikel 3.6 Uitzonderingen vergunningplicht archeologie
  17. Het verbod als bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) geldt niet voor: a. het normale onderhoud en beheer en waarbij geen nieuwe bodemverstoring(en) worden veroorzaakt; b. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische grondlaag; c. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. activiteiten die in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd mits verricht door een gecertificeerde instantie op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  18. Het verbod als bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie) om de activiteiten genoemd in artikel 3.2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) te verrichten , geldt ook niet in een gebied met archeologische verwachtingswaarde 6 . Artikel 3.7 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie voor bouwen
  19. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) voor het uitvoeren van een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder a (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden), worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. funderingstekeningen en informatie over de verdere inrichting van het projectgebied;
  20. de omvang van het projectgebied en de bodemingrepen in vierkante meters;
  21. de diepte van de bodemingrepen, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; en
  22. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; b. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  23. een bureauonderzoek;
  24. zo nodig een booronderzoek; en
  25. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
  26. In aanvulling van het eerste lid worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 3.5, zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
  27. In afwijking van lid 1, onder b, is een rapport zoals daar genoemd niet vereist voor de aanvraag van een omgevingsvergunning archeologie indien: a. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of b. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt. Artikel 3.8 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden;
  28. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) voor het uitvoeren van een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder b en het derde lid (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden), worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Een omschrijving van de aard van de uit te voeren activiteit, met vermelding van:
  29. de omvang in vierkante meters; en
  30. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; c. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
  31. een bureauonderzoek;
  32. zo nodig een booronderzoek; en
  33. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; d. als er sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek: een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek.
  34. In aanvulling van het eerste lid worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie), zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. een rapport opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
  35. In afwijking van lid 1, onder c, is een rapport zoals daar genoemd niet vereist voor de aanvraag van een omgevingsvergunning archeologie indien: a. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of b. op basis van andere informatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt. Artikel 3.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning archeologie Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie ) voor het uitvoeren van een activiteit zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder a en b (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden) wordt alleen verleend als : a. uit het bij de aanvraag gevoegde en door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport blijkt dat er op de locatie van de uit te voeren activiteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door (technische) maatregelen die vast zijn gelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren behoudsmaatregelenplan; of d. op basis van andere door het bevoegd gezag goedkeurde informatie in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of e. op basis van andere door het bevoegd gezag goedgekeurde informatie in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt. Artikel 3.10 Mogelijkheid verbinden voorschriften aan omgevingsvergunning archeologie Indien uit het artikel 3.7 of artikel 3.8 (bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning archeologie) genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: a. het doen van nader archeologisch onderzoek; b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden en dit vast te leggen in een door het bevoegd gezag goed te keuren behoudsmaatregelenplan; c. de verplichting tot het doen van opgravingen en deze te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie op het terrein van archeologische monumentenzorg conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); d. de verplichting de activiteiten als genoemd in artikel 3.2, lid 2 (toepassingsbereik regels voor activiteiten in archeologisch waardevolle gebieden), die leiden tot bodemverstoring , te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie op het terrein van archeologische monumentenzorg conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Werkgebieden Afdeling 5.1 Algemeen Paragraaf 5.1.1 Algemene regels Artikel 5.1 Toepassingsbereik De regels binnen dit hoofdstuk gelden binnen werkgebieden. Artikel 5.2 Oogmerken De regels binnen dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de werkgebieden; b. het beschermen van waarden en kwaliteiten binnen de werkgebieden. Artikel 5.3 Specifieke doelen voor werkgebieden Afdeling 5.2 Functies en gebruiksactiviteiten Paragraaf 5.2.1 Algemene gebruiksregels Paragraaf 5.2.2 Aanwijzing van functies Artikel 5.4 Functie binnen de locatie bedrijvigheid in werkgebieden De gronden binnen de locatie bedrijvigheid in werkgebieden hebben de functie bedrijvigheid. Paragraaf 5.2.3 Bedrijvigheid in werkgebieden Subparagraaf 5.2.3.1 Gebruiksactiviteiten - toegestaan Subparagraaf 5.2.3.2 Gebruiksactiviteiten - meldingsplicht Subparagraaf 5.2.3.3 Gebruiksactiviteiten - vergunningplicht Subparagraaf 5.2.3.4 Gebruiksactiviteiten - verbod Artikel 5.5 Voorrangsbepaling gebruiksregels Voor zover de regels in deze subparagraaf (5.2.3.4) strijdig zijn met de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, gaan de regels in deze subparagraaf voor. Artikel 5.6 Toepassingsbereik De regels binnen deze subparagraaf gaan over verboden gebruiksactiviteiten op gronden met de functie bedrijvigheid. Artikel 5.7 Gebruiken van gronden en bouwwerken voor middelgrote logistiek - verbod
  36. Binnen de locatie beperking middelgrote logistiek is een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor middelgrote logistiek verboden.
  37. Als bestaande gebruiksoppervlakte voor middelgrote logistiek geldt de oppervlakte van: a. de bebouwing die:
  38. op 14 oktober 2024 legaal in gebruik was voor middelgrote logistiek;
  39. krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning mag worden gebouwd of in gebruik mag worden genomen voor middelgrote logistiek; b. de onbebouwde grond die op 14 oktober 2024 legaal voor middelgrote logistiek in gebruik was of die krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor middelgrote logistiek in gebruik mag worden genomen. Artikel 5.8 Gebruiken van gronden en bouwwerken grootschalige logistiek - verbod
  40. Binnen de locatie beperking grootschalige logistiek is een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor grootschalige logistiek verboden.
  41. Als bestaande gebruiksoppervlakte voor grootschalige logistiek geldt de oppervlakte van: a. de bebouwing die:
  42. op 4 maart 2023 legaal in gebruik was voor grootschalige logistiek;
  43. krachtens een voor 4 maart 2023 verleende omgevingsvergunning mag worden gebouwd of in gebruik mag worden genomen voor grootschalige logistiek; b. De onbebouwde grond die op 4 maart 2023 legaal voor grootschalige logistiek in gebruik was of die krachtens een voor 4 maart 2023 verleende omgevingsvergunning voor grootschalige logistiek in gebruik mag worden genomen. Artikel 5.9 Gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsverzamelgebouwen - verbod
  44. Binnen de locatie beperking bedrijfsverzamelgebouwen is een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte van bedrijfsverzamelgebouwen verboden.
  45. Als bestaande gebruiksoppervlakte voor bedrijfsverzamelgebouwen geldt de oppervlakte van: a. de bebouwing die:
  46. op 14 oktober 2024 legaal in gebruik was voor bedrijfsverzamelgebouwen;
  47. krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning mag worden gebouwd of in gebruik mag worden genomen voor bedrijfsverzamelgebouwen; b. de onbebouwde grond die op 14 oktober 2024 legaal voor bedrijfsverzamelgebouwen in gebruik was of die krachtens een voor 14 oktober 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor bedrijfsverzamelgebouwen in gebruik mag worden genomen. Paragraaf 5.2.4 maatschappelijk in werkgebieden Paragraaf 5.2.5 wonen in werkgebieden Afdeling 5.3 Bouwregels werkgebieden Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Woongebied - Haansberg-Oost Afdeling 8.1 Algemene regels Artikel 8.1 Toepassingsbereik De regels van dit hoofdstuk gelden binnen het woongebied - Haansberg-Oost. Artikel 8.2 Meet- en rekenregels In afwijking van artikel 22.24 gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend; b. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; c. de bouwhoogte van een bouwwerk: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; d. de dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak; e. de breedte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse zijgevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende zijgevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat; f. de (horizontale) diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voor- en achtergevel en/of tot het hart van de scheidingsmuren; g. de afstand van bouwwerken: afstanden van bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens alsmede afstanden van bouwwerken tot de openbare weg worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; h. de oppervlakte van een bouwwerk; de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; i. de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; en j. de vloeroppervlakte: de bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN
  48. Artikel 8.3 Oogmerken De regels binnen dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. de algemene doelen zoals opgenomen in artikel 8.4; b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de woongebieden; en c. het beschermen van waarden en kwaliteiten in de woongebieden. Artikel 8.4 Algemene doelen De regels van dit hoofdstuk zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. de natuurbescherming; f. het tegengaan van klimaatverandering; g. een klimaatbestendig woongebied; h. het behoeden van de staat en werkingen van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; i. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; j. het bieden van voldoende woonruimte; k. het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden; l. een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; m. kwalitatief hoogwaardig wonen; n. een fietsvriendelijke woonwijk; o. een aanvaardbare akoestische woonomgeving; p. een aanvaardbaar geurniveau voor woningen; q. een energieneutraal woongebied; r. een speel- en beweegvriendelijke wijk; en s. het beschermen van omgevingskwaliteit. Afdeling 8.2 Ruimtelijke kwaliteit Paragraaf 8.2.1 Welstand Artikel 8.5 Toepassingsbereik De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op alle hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk, bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde en dakkapellen. Artikel 8.6 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het ontwikkelen en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Artikel 8.7 Redelijke eisen van welstand In afwijking van artikel 22.7 geldt voor welstand dat het uiterlijk of de plaatsing van de hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde en overige bouwwerken zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd mag zijn met de omgevingskwaliteit beoordeeld volgens de beleidsregels ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Etten-Leur, voor deze wijziging van het omgevingsplan bekend als 'Beeldkwaliteitsplan Haansberg-Oost'. Het beeldkwaliteitsplan is raadpleegbaar via www.etten-leurmakenwesamen.nl/welstand. Artikel 8.8 Redelijke eisen van welstand - beoordelingsregels In afwijking van artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan de beleidsregels ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Etten-Leur, voor deze wijziging van het omgevingsplan bekend als ‘Beeldkwaliteitsplan Haansberg-Oost’. Het beeldkwaliteitsplan is raadpleegbaar via www.etten-leurmakenwesamen.nl/welstand. Paragraaf 8.2.2 Woningbouwcategorieën Artikel 8.9 Toepassingsbereik
  49. De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op vergunningplichtige bouwactiviteiten, zoals opgenomen in artikel 22.26, waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid van de Omgevingswet kosten moeten worden verhaald.
  50. In deze paragraaf zijn voor de bouwactiviteit, zoals genoemd in het eerste lid, regels opgenomen over de volgende te realiseren categorieën woningen: a. sociale huurwoning; b. sociale koopwoning; en c. middenhuurwoning.
  51. De prijsgrens voor de categorie sociale koopwoning, als genoemd in het tweede lid, onder b, wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. De huidige prijsgrenzen zijn raadpleegbaar via www.etten-leurmakenwesamen.nl/notitieprijskwaliteit.
  52. Binnen de categorie middenhuurwoning wordt een staffel gehanteerd waarvan de prijsgrenzen jaarlijks opnieuw worden vastgesteld. De huidige prijsgrenzen zijn raadpleegbaar via www.etten-leurmakenwesamen.nl/notitieprijskwaliteit. Artikel 8.10 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het ontwikkelen van een divers aanbod aan woningen. Artikel 8.11 Verdeling woningbouwcategorieën - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 gelden voor de verdeling van de woningbouwcategorieën de volgende regels: a. minimaal 20% van de hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel 8.56 lid 2 wordt gebouwd en gebruikt als sociale huurwoning; b. minimaal 35% van de hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel 8.56 lid 2 wordt gebouwd en gebruikt als sociale koopwoning of middenhuurwoning; en c. sociale huurwoningen en middenhuurwoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de locatie huurwoning - Haansberg-Oost worden gerealiseerd. Artikel 8.12 Doelgroepen
  53. Als doelgroep voor een sociale huurwoning worden huishoudens aangemerkt waarvan het huishoudinkomen maximaal de DAEB-Norm bedraagt.
  54. Als doelgroep voor de middenhuurwoning worden huishoudens aangemerkt waarvan het huishoudinkomen maximaal 2 keer de DAEB-norm bedraagt.
  55. Als doelgroep voor een sociale koopwoning worden huishoudens aangemerkt waarvan het huishoudinkomen maximaal 2 keer de DAEB-norm bedraagt. Artikel 8.13 Instandhoudingstermijn
  56. Een sociale huurwoning moet voor ten minste een periode van 25 jaar voor de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, beschikbaar blijven.
  57. Een middenhuurwoning moet voor ten minste een periode van 20 jaar voor de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, beschikbaar blijven.
  58. Een sociale koopwoning moet 10 jaar voor de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8.12, derde lid, beschikbaar blijven. Afdeling 8.3 Infrastructuur, mobiliteit en openbaar gebied Paragraaf 8.3.1 Parkeernormen voor auto's en fietsen Artikel 8.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de bouw van hoofdgebouwen. Artikel 8.15 Parkeernormen - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 gelden de volgende regels voor parkeernormen: a. per hoofdgebouw worden 1,2 parkeerplaatsen voor bewoners en 0,15 parkeerplaatsen voor bezoekers gerealiseerd en in stand gehouden, waarbij geldt dat:
  59. er per vrijstaande woning minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd en in stand worden gehouden; en
  60. er per twee-aaneen-woning minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Afdeling 8.4 Duurzaamheid en klimaat Paragraaf 8.4.1 Hemelwater Artikel 8.16 Toepassingbereik Deze paragraaf is van toepassing op de bouw van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken en het aanleggen van nieuw verhard oppervlak. Artikel 8.17 Waterberging bij hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 gelden de volgende regels voor waterberging: a. bij de bouw van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken binnen de locatie wonen in woongebied - Haansberg-Oost moet voorzien worden in hemelwaterberging (met hergebruiksysteem) op eigen perceel; b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op een gebouw dat wordt gebouwd met een groen dak; c. een hemelwaterberging:
  61. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak;
  62. loost maximaal 2 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur naar het oppervlaktewater vanuit de bergingsvoorziening; en
  63. is na 60 uur leeg; d. een hemelwaterberging met hergebruiksysteem:
  64. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak;
  65. loost maximaal 2 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur naar het oppervlaktewater vanuit de bergingsvoorziening;
  66. is na 60 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%;
  67. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem; en e. voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste onder c., onder
  68. Artikel 8.18 Aanbrengen van nieuw verhard oppervlak - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuw verhard oppervlak aan te leggen. Artikel 8.19 Aanleggen van nieuw verhard oppervlak - beoordelingsregels De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.18, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. bij het aanleggen van nieuw verhard oppervlak binnen de locatie wonen in woongebied - Haansberg-Oost moet voorzien worden in hemelwaterberging (met hergebruiksysteem) op eigen perceel; b. bij het aanleggen van nieuw verhard oppervlak binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost moet voorzien worden in hemelwaterberging (met hergebruiksysteem of centraal besturingssysteem) in openbaar gebied; c. een hemelwaterberging:
  69. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd en/of verhard oppervlak;
  70. loost maximaal 2 liter per m2 verhard oppervlak per uur naar het oppervlaktewater vanuit de bergingsvoorziening; en
  71. is na 60 uur leeg; d. een hemelwaterberging met hergebruiksysteem:
  72. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 verhard oppervlak;
  73. loost maximaal 2 liter per m2 verhard oppervlak per uur naar het oppervlaktewater vanuit de bergingsvoorziening;
  74. is na 60 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en
  75. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem; en e. voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste onder c., onder
  76. Afdeling 8.5 Functies en gebruiksactiviteiten Paragraaf 8.5.1 Algemene gebruiksregels Artikel 8.20 Toepassingsbereik De regels binnen deze paragraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het woongebied - Haansberg-Oost. Artikel 8.21 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de algemene doelen zoals genoemd in artikel 8.4; b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de woongebieden; en c. het beschermen van waarden en kwaliteiten in de woongebieden. Artikel 8.22 Gebruik van gronden en bouwwerken - algemeen verbod Gebruiksactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels in deze afdeling zijn verboden, met uitzondering van legaal aanwezige gebruiksactiviteiten. Artikel 8.23 Gebruiken van gronden en bouwwerken - specifiek verbod Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken voor: a. seksinrichtingen, escortbedrijven of prostitutie; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, tenzij dit behoort bij dan wel onderdeel is van een ter plaatse toegelaten functie; en c. het plaatsen of het geplaatst houden van onderkomens, waaronder begrepen kampeermiddelen, tenzij dit expliciet is toegestaan binnen de toegelaten functie. Paragraaf 8.5.2 Aanwijzing van functies Artikel 8.24 Functie binnen de locatie wonen in woongebied - Haansberg-Oost De gronden binnen de locatie wonen in woongebied - Haansberg-Oost hebben de functie wonen. Artikel 8.25 Functie binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost De gronden binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost en binnen de locatie water - Haansberg-Oost hebben de functie openbaar gebied. Paragraaf 8.5.3 Wonen in woongebieden Subparagraaf 8.5.3.1 Gebruiksactiviteiten - toegestaan Artikel 8.26 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over toegestane gebruiksactiviteiten op gronden met de functie wonen. Artikel 8.27 Gebruiken gronden en bouwwerken voor wonen - toegestaan Het is toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor wonen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. wonen vindt alleen plaats in de vorm van het bewonen van woningen, tenzij het gaat om het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor (pré-)mantelzorg, zoals bedoeld in artikel 8.31 en artikel 8.41; en b. in een woning woont niet meer dan 1 huishouden. Artikel 8.28 Gebruiken gronden en bouwwerken voor beroep of bedrijf aan huis - toegestaan Het is toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor een beroep of bedrijf aan huis, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend in het hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk; b. een beroep of bedrijf aan huis heeft een kleinschalig karakter en is naar aard en omvang in overeenstemming met het karakter van de omgeving; c. de praktijkruimte bedraagt maximaal 1/3 van het gebruiksoppervlak van de woning; d. de vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt maximaal 50 m2; e. een beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning en er is geen personeel werkzaam; f. een beroep of bedrijf aan huis heeft geen zodanige verkeersaantrekkende werking dat sprake is van een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of van een onevenredige parkeerdruk in de openbare ruimte; en g. er worden geen detailhandelsactiviteiten uitgeoefend, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel dat een relatie heeft met het ter plaatse aanwezig beroep of bedrijf aan huis. Artikel 8.29 Gebruiken gronden voor bij de functie wonen behorende activiteiten en voorzieningen - toegestaan Het is toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende bij het wonen horende activiteiten en voorzieningen: a. parkeervoorzieningen en overige verhardingen; b. tuinen, erven en andere groenvoorzieningen; en c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Subparagraaf 8.5.3.2 Gebruiksactiviteiten - meldingplicht Artikel 8.30 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over meldingplichtige gebruiksactiviteiten op gronden met de functie wonen. Artikel 8.31 Gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor mantelzorg - meldingplicht
  77. In afwijking van artikel 22.36 is het verboden om een bijbehorend bouwwerk te gebruiken voor mantelzorg zonder dit ten minste 4 weken voorafgaand aan het gebruik te melden.
  78. Een melding bevat een verklaring van een door de gemeente Etten-Leur aangewezen deskundige waarin de behoefte van mantelzorg wordt aangetoond. Artikel 8.32 Gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor mantelzorg - algemene regels Bij het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor mantelzorg, zoals bedoeld in artikel 8.31, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het huishouden dat gevestigd wordt in de mantelzorgwoning bestaat uit maximaal 2 personen van wie ten minste 1 persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; b. er moet sprake zijn van een sociale relatie, zoals een familierelatie, tussen de mantelzorgbehoevende en de mantelzorgverlener. Deze zorg wordt niet in het kader van een hulpverlenend beroep aangeboden; c. de tijdelijke mantelzorgwoning kan in geen geval leiden tot een permanente woning; d. het gebruik van de mantelzorgwoning is uitsluitend toegestaan gedurende de periode dat de intensieve zorgbehoefte bestaat; e. indien de mantelzorgbehoevende verhuist of komt te overlijden kan de achterblijvende partner om een mantelzorgverklaring verzoeken. Bij inwilliging van dat verzoek kan de achterblijvende partner in de mantelzorgwoning blijven wonen. Als hij of zij deze verklaring niet krijgt, dan dient hij of zij te verhuizen; en f. na het beëindigen van de mantelzorg dient binnen 1 maand:
  79. de verplaatsbare mantelzorgwoning (woonunit) te zijn verwijderd; of
  80. het bouwwerk geen voorzieningen meer te hebben die het maken tot een woning. Subparagraaf 8.5.3.3 Gebruiksactiviteiten - vergunningplicht Artikel 8.33 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over vergunningplichtige gebruiksactiviteiten op gronden met de functie wonen. Artikel 8.34 Exploiteren van een bed and breakfast - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bed and breakfast te starten of in stand te houden. Artikel 8.35 Exploiteren van een bed and breakfast - beoordelingsregels De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.34, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzieningen voor bed and breakfast zijn uitsluitend toegestaan binnen de bestaande woning; b. de exploitatie van de bed and breakfast wordt uitgeoefend door een bewoner van de woning; c. per woning is sprake van niet meer dan 2 bed and breakfast kamers en maximaal 4 slaapplaatsen; d. de woonfunctie van de woning blijft behouden; e. de vloeroppervlakte aan logeereenheden en zelfstandige sanitaire voorzieningen bedraagt maximaal 50 m2; en f. er is geen sprake van onevenredige verkeers- en parkeerproblemen. Artikel 8.36 Exploiteren van een bed and breakfast - aanvraagvereisten Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.34, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  81. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  82. indien aanwezig de parkeervoorzieningen op eigen terrein;
  83. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; en
  84. het aantal kamers dat verhuurd kan worden met het aantal slaapplaatsen; en b. wie de bed and breakfast gaat exploiteren. Artikel 8.37 Huisvesten van arbeidsmigranten en overige personen - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning arbeidsmigranten en overige personen te huisvesten in een woning. Artikel 8.38 Huisvesten van arbeidsmigranten en overige personen - beoordelingsregels De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.37, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het aantal te huisvesten arbeidsmigranten en overige personen bedraagt maximaal 4 personen per woning; b. de te huisvesten arbeidsmigranten moeten in Etten-Leur werkzaam zijn; c. het bruto woonoppervlak per persoon bedraagt minimaal 12 m2; d. de huisvesting heeft geen zodanige verkeersaantrekkende werking dat sprake is van een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of van een onevenredige parkeerdruk in de openbare ruimte; e. de huisvesting voldoet aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen (SNF-normen); f. bij huisvesting van arbeidsmigranten is door vergunninghouder een beheerder aangewezen die:
  85. 24 uur per dag, 7 dagen in de week bereikbaar is; en
  86. de contactpersoon is voor bewoners, omgeving en instanties (waaronder de gemeente); g. het verlenen van de omgevingsvergunning leidt niet tot de verhuur van meer dan 1 woning in een straatnaam; en h. de omgevingsvergunning voor het huisvesten van arbeidsmigranten en overige personen heeft een duur van maximaal 2 jaar, behoudens verlenging. Artikel 8.39 Huisvesten van arbeidsmigranten en overige personen - aanvraagvereisten Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.37, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de beoogde huisvesting van arbeidsmigranten en overige personen, waarin ten minste informatie wordt verstrekt over:
  87. het adres waar de huisvesting beoogd is;
  88. de beoogde duur van de huisvesting;
  89. het aantal te huisvesten personen;
  90. het bruto woonoppervlak per persoon;
  91. het voldoen aan de SNF-normen;
  92. de onderneming waar personen, in geval sprake is van het huisvesten van arbeidsmigranten, werkzaam zijn; en
  93. hoeveel voertuigen in de openbare ruimte worden geparkeerd; en b. een document waaruit blijkt dat er een beheerder is aangewezen. Artikel 8.40 Huisvesten van arbeidsmigranten en overige personen - vergunningvoorschriften Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.37: a. de door vergunninghouder aangewezen beheerder wijst de gehuisveste personen op de verplichting om zich binnen de Basisregistratie Personen (BRP) in te schrijven bij een (beoogd) verblijf van meer dan 4 maanden; en b. het gebruik van de (bedrijfs)woning ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten en overige personen leidt niet tot (aanhoudende) overlast voor de omgeving. Artikel 8.41 Gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor pré-mantelzorg - vergunningplicht In afwijking van artikel 22.36 is het verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerkte gebruiken ten behoeve van huisvesting in verband met pré-mantelzorg. Artikel 8.42 Gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor pré-mantelzorg - beoordelingsregels De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.41, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van 3 jaar als uit een pré-mantelzorgverklaring blijkt dat er binnen drie jaar een behoefte aan mantelzorg gaat ontstaan; b. het huishouden dat gevestigd wordt in de pré-mantelzorgwoning bestaat uit maximaal 2 personen van wie ten minste 1 persoon pré-mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; c. er moet sprake zijn van een sociale relatie, zoals een familierelatie, tussen de pré-mantelzorgbehoevende en de pré-mantelzorgverlener. Deze zorg wordt niet in het kader van een hulpverlenend beroep aangeboden; d. de tijdelijke pré-mantelzorgwoning kan in geen geval leiden tot een permanente woning; e. het gebruik van de pré-mantelzorgwoning is uitsluitend toegestaan gedurende de periode dat de pré-mantelzorgrelatie dan wel te verwachten zorgbehoefte bestaat; f. indien de pré-mantelzorgbehoevende verhuist of komt te overlijden kan de achterblijvende partner om een pré-mantelzorgverklaring verzoeken. Bij inwilliging van dat verzoek kan de achterblijvende partner in de pré-mantelzorgwoning blijven wonen. Als hij of zij deze verklaring niet krijgt, dan dient hij of zij te verhuizen; g. tenzij na het beëindigen van de pré-mantelzorg deze direct overgaat in een mantelzorgsituatie, zoals bedoeld in de definitie mantelzorg zoals bedoeld in bijlage 1 bij arikel 1.1 van het Bbl, dient binnen 1 maand na het beëindigen van de pré-mantelzorg:
  94. de verplaatsbare pré-mantelzorgwoning (woonunit) te zijn verwijderd; of
  95. het bouwwerk geen voorzieningen meer te hebben die het maken tot een woning; en h. indien na 3 jaar nog geen sprake is van een mantelzorgsituatie wordt opnieuw een onafhankelijk medisch advies opgevraagd. Op basis hiervan dient er eventueel opnieuw een vergunning aangevraagd te worden. Artikel 8.43 Gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor pré-mantelzorg - aanvraagvereisten Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 8.41, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. pré-mantelzorgverklaring; b. het aantal personen dat in de pré-mantelzorgwoning zal gaan wonen; en c. de sociale relatie tussen zorgbehoevende en zorgverlener. Subparagraaf 8.5.3.4 Gebruiksactiviteiten - verbod Artikel 8.44 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over verboden gebruiksactiviteiten op gronden met de functie wonen. Artikel 8.45 Gebruiken bijbehorende bouwwerken voor wonen - verbod Het is verboden om een bijbehorend bouwwerk te gebruiken als zelfstandige woning, tenzij het gaat om het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk voor (pré)-mantelzorg, zoals bedoeld in artikel 8.31 en artikel 8.
  96. Artikel 8.46 Toevoegen aantal woningen - verbod Het is verboden om bouwwerken te gebruiken als hiermee het aantal woningen zoals opgenomen in artikel 8.56 lid 2 toeneemt, tenzij het gaat het om het gebruiken van bouwwerken voor (pré-)mantelzorg, zoals bedoeld in artikel 8.31 en artikel 8.
  97. Artikel 8.47 Gebruiken van gronden en bouwwerken - verbod ander gebruik Het is verboden om gronden en bouwwerken ter plaatse van de locatie parkeerschuur - Haansberg-Oost anders te gebruiken dan voor het parkeren van voertuigen voor bewoners en bezoekers van de woningen binnen de bijbehorende locatie wonen in woongebied - Haansberg-Oost. Paragraaf 8.5.4 Openbaar gebied in woongebieden Subparagraaf 8.5.4.1 Gebruiksactiviteiten - toegestaan Artikel 8.48 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over toegestane gebruiksactiviteiten op gronden met de functie openbaar gebied. Artikel 8.49 Gebruiken en inrichten van gronden in openbaar gebied - toegestaan
  98. Het is toegestaan gronden binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost te gebruiken en in te richten voor: a. wegen en woonstraten; b. fiets- en voetpaden; c. openbare parkeervoorzieningen; d. overige openbaar toegankelijke verhardingen; e. plantsoen, bermen en openbare groenvoorzieningen; f. taluds en oevers; en g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
  99. Het is toegestaan gronden binnen de locatie water - Haansberg-Oost te gebruiken en in te richten voor: a. waterpartijen; b. (primaire) waterlopen zoals sloten, watergangen en singels; c. schouwstroken; d. taluds en oevers; en e. groenvoorzieningen. Afdeling 8.6 Bouwregels Paragraaf 8.6.1 Algemene bouwregels Artikel 8.50 Toepassingsbereik De regels binnen deze paragraaf gaan over het bouwen van bouwwerken binnen het woongebied - Haansberg-Oost. Artikel 8.51 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de algemene doelen zoals genoemd in artikel 8.4; b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de woongebieden; en c. het beschermen van waarden en kwaliteiten in de woongebieden. Artikel 8.52 Voorrangsbepaling Artikel 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing. Artikel 8.53 Bouw van ondergrondse bouwwerken - toegestaan
  100. Ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan binnen de contouren van legaal opgerichte bovengrondse gebouwen en bijbehorende bouwwerken.
  101. De bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder straatpeil. Artikel 8.54 Bouw van bouwwerken - algemeen verbod Bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels in deze afdeling zijn verboden, met uitzondering van legaal aanwezige bouwwerken. Paragraaf 8.6.2 Wonen in woongebieden Subparagraaf 8.6.2.1 Hoofdgebouwen Artikel 8.55 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen binnen de locatie wonen in woongebied - Haansberg-Oost. Artikel 8.56 Bouwen van een hoofdgebouw - beoordelingsregels
  102. In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.
  103. Ter plaatse van de omgevingsnorm maximale aantal hoofdgebouwen - Haansberg-Oost is maximaal het aangeven aantal hoofdgebouwen toegestaan.
  104. Ter plaatse van de omgevingsnorm maximale aantal hoofdgebouwen deelgebieden - Haansberg-Oost is maximaal het aangegeven aantal hoofdgebouwen toegestaan.
  105. Per bouwperceel mag 1 hoofdgebouw worden gebouwd.
  106. Ter plaatse van de omgevingsnorm maximale bouwhoogte - Haansberg-Oost is maximaal de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
  107. Ter plaatse van de omgevingsnorm maximale goothoogte - Haansberg-Oost is maximaal de aangegeven goothoogte toegestaan.
  108. In afwijking van het bepaalde onder het zesde lid, geldt dat voor een verhoogd geveldeel de goothoogte voor 50% van de betreffende gevel met maximaal 1,5 meter mag worden overschreden.
  109. De maximale diepte van een hoofdgebouw bedraagt per woningtype: Maximale diepte van een hoofdgebouw per woningtype Woningtype Maximale diepte hoofdgebouw Aaneengesloten woningen 12 meter Geschakelde woningen 15 meter Patiowoningen 15 meter Twee-aaneen woningen 15 meter Vrijstaande woningen 15 meter
  110. Een hoofdgebouw wordt met de voorgevel gebouwd in de locatie voorgevellijn - Haansberg-Oost of op een afstand van maximaal 1 meter daarachter.
  111. Een dakoverstek is toegestaan vóór de locatie voorgevellijn - Haansberg-Oost met een maximale diepte van 1,5 meter.
  112. Hoofdgebouwen worden gebouwd in de locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost of op een grotere afstand daarvan.
  113. Indien geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen, bedraagt de minimale afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens (een bijbehorend bouwwerk niet meegerekend) ter plaatse van de locatie afstand tot zijdelingse perceelsgrens - Haansberg-Oost: 0 meter.
  114. Indien geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen, bedraagt de minimale afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens (een bijbehorend bouwwerk niet meegerekend) ter plaatse van de locatie afwijkende afstand tot zijdelingse perceelsgrens - Haansberg-Oost: Minimale afstand tussen hoofdgebouw en zijdelingse perceelsgrens Woningtype Afstand tot zijdelingse perceelsgrens Twee-aaneen woningen Aan 1 zijde minimaal 3 meter Vrijstaande woningen Aan 2 zijden minimaal 3 meter
  115. Vanaf de goothoogte worden hoofdgebouwen afgedekt met een kap met een dakhelling van minimaal 35° en maximaal 60°.
  116. Het hoofdgebouw voldoet aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.
  117. Het hoofdgebouw voldoet aan de regels met betrekking tot woningbouwcategorieën, zoals bedoeld in paragraaf 8.2.
  118. Bij het bouwen van het hoofdgebouw moet worden voldaan aan de geldende parkeernorm als genoemd in paragraaf 8.3.
  119. Bij het bouwen van een hoofdgebouw moet worden voldaan aan de geldende norm met betrekking tot waterberging, zoals genoemd in paragraaf 8.4.
  120. Artikel 8.57 Bouwen van een hoofdgebouw - aanvraagvereisten In aanvulling op artikel 22.35 worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 de volgende gegevens verstrekt: a. gegevens waaruit blijkt dat aan de woningbouwcategorieën wordt voldaan; b. gegevens waaruit blijkt dat aan de parkeernorm wordt voldaan; en c. gegevens waaruit blijkt dat aan de waterbergingsnorm wordt voldaan. Subparagraaf 8.6.2.2 Bijbehorende bouwwerken Artikel 8.58 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken. Artikel 8.59 Bouwen van bijbehorende bouwwerken - toegestaan Het bouwen van bijbehorende bouwwerken is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bijbehorende bouwwerk staat op de grond; b. het bijbehorende bouwwerk ligt minimaal 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw; c. voor zover het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft:
  121. bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal: I. 0,3 meter boven de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en II. de hoogte van het hoofdgebouw;
  122. voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte bedraagt de afscheiding maximaal 1 meter, gemeten vanaf de vloer; d. voor zover het een vrijstaand bijbehorend bouwwerk betreft:
  123. bedraagt de goothoogte maximaal 3,25 meter;
  124. bedraagt de bouwhoogte maximaal 5,5 meter;
  125. indien meer dan 1 bouwlaag, ligt het verblijfsgebied enkel op de begane grond;
  126. is deze functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat over het gebruik van een bijbehorend bouwwerk voor (pré-)mantelzorg;
  127. is deze niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal:
  128. als een gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat gebied;
  129. als een gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van dat gebied dat groter is dan 100 m2; en
  130. als een gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van dat gebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; f. bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost of op een grotere afstand daarvan. Indien er geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen bestaat er geen minimale afstand; g. bijbehorende bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.1; en h. bijbehorende bouwwerken voldoen aan de geldende norm met betrekking tot waterberging als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.4.
  131. Artikel 8.60 Bouwen van bijbehorende bouwwerken patiowoning - toegestaan Het bouwen van bijbehorende bouwwerken is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden in het geval van een patiowoning: a. het bijbehorende bouwwerk staat op de grond; b. het bijbehorende bouwwerk ligt minimaal 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw; c. voor zover het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft:
  132. bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal: I. 0,3 meter boven de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en II. de hoogte van het hoofdgebouw;
  133. voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte bedraagt de afscheiding maximaal 1 meter, gemeten vanaf de vloer; d. voor zover het een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of overkapping betreft:
  134. bedraagt de goot- en bouwhoogte niet meer dan 3,25 meter;
  135. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en vrijstaande overkappingen bedraagt maximaal 50 m2; f. andere vrijstaande bijbehorende bouwwerken anders dan genoemd onder sub d. zijn niet toegestaan; g. bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost of op een grotere afstand daarvan. Indien er geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen bedraagt er geen minimale afstand; h. bijbehorende bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.1; en i. bijbehorende bouwwerken voldoen aan de geldende norm met betrekking tot waterberging als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.4.
  136. Artikel 8.61 Plaatsen van een verplaatsbare (pré)mantelzorgwoning (woonunit) - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de mantelzorgbehoefte is aangetoond in een verklaring van Wmo-loket Elz; b. bovenop de reeds toegestane oppervlakte zoals genoemd in artikel 8.59 lid onder e. mag een verplaatsbare (pré-)mantelzorgwoning worden geplaatst met een maximale oppervlakte van 80 m2, waarbij ten minste 50% van het gebied gelegen 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw onbebouwd blijft; c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,25 meter; d. de verplaatsbare (pré-)mantelzorgwoning (woonunit) staat minimaal 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw; e. na het beëindigen van de (pré-)mantelzorg moet de verplaatsbare (pré-)mantelzorgwoning (woonunit) binnen 1 maand zijn verwijderd; f. een verplaatsbare (pré-)mantelzorgwoning wordt gebouwd in de zijgevellijn - Haansberg-Oost of op een grotere afstand daarvan. Indien er geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen bedraagt er geen minimale afstand; en g. verplaatsbare (pré-)mantelzorgwoning (woonunit) voldoen aan de geldende norm met betrekking tot waterberging als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.4.
  137. Artikel 8.62 Plaatsen van een verplaatsbare (pré)mantelzorgwoning (woonunit) - aanvraagvereisten In aanvulling op artikel 22.35 worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.61 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. (pré)mantelzorgverklaring; en b. gegevens waaruit blijkt dat aan de waterbergingsnorm wordt voldaan. Artikel 8.63 Bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken met een hogere goot- en bouwhoogte - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bijbehorende bouwwerk staat op de grond; b. het bijbehorende bouwwerk ligt minimaal 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw; c. de goot- en bouwhoogte is niet hoger dan:
  138. 0,3 meter boven de bouwhoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
  139. de hoogte van het hoofdgebouw; d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; e. de maximale oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken bedraagt:
  140. als een gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat gebied;
  141. als een gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van dat gebied dat groter is dan 100 m2; en
  142. als een gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van dat gebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; f. een aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd in de locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost of op een grotere afstand daarvan. Indien er geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen bedraagt er geen minimale afstand; g. bijbehorende bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.1; en h. bijbehorende bouwwerken voldoen aan de geldende norm met betrekking tot waterberging als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.4.
  143. Subparagraaf 8.6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Artikel 8.64 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde. Artikel 8.65 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde - toegestaan Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gebouwd vóór het verlengde van de voorgevel bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter het verlengde van de voorgevel bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van pergola’s vóór het verlengde van de voorgevel bedraagt maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gebouwd achter het verlengde van de voorgevel bedraagt maximaal 3 meter; e. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde worden gebouwd in de locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost of op een grotere afstand daarvan. Indien er geen locatie zijgevellijn - Haansberg-Oost is opgenomen bedraagt er geen minimale afstand; en f. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde voldoen aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.
  144. Artikel 8.66 Bouwen van onoverdekte zwembaden - toegestaan Het bouwen van onoverdekte zwembaden is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het zwembad wordt gebouwd op een afstand van ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel en op een afstand van ten minste 1 meter van de perceelsgrenzen met derden; b. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut; c. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd; d. de oppervlakte van een zwembad bedraagt maximaal 100 m2, met dien verstande dat het gebied gelegen ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 50% onbebouwd blijft; en e. de bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 4 meter onder straatpeil. Subparagraaf 8.6.2.4 Bouwen van een dakkapel Artikel 8.67 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een dakkapel. Artikel 8.68 Bouwen van een dakkapel in het voordakvlak en/of een naar openbaar gebied toegankelijk gekeerd zijdakvlak - beoordelingsregels In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de hoogte van de dakkapel bedraagt maximaal 1,75 meter, gemeten vanaf de onderkant van de dakkapel; b. afstand vanaf onderkant dakkapel tot aan de dakgoot bedraagt minimaal 0,5 meter; c. afstand vanaf goothoogte dakkapel tot de daknok bedraagt minimaal 1 rij dakpannen; d. afstand vanaf de zijkant dakkapel (exclusief dakoverstek) tot de zijkant van de dakrand van de woning of het midden van de woning scheidende muur bedraagt minimaal 0,5 meter; en e. een dakkapel voldoet aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.
  145. Subparagraaf 8.6.2.5 Parkeerschuur - Haansberg-Oost Artikel 8.69 Toepassingbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een overdekte parkeervoorziening ter plaatse van de locatie parkeerschuur - Haansberg-Oost. Artikel 8.70 Bouwen van een parkeerschuur - toegestaan Het bouwen van een bouwwerk ter plaatse van de locatie parkeerschuur - Haansberg-Oost is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte bedraagt minimaal 90 m2; b. de goothoogte bedraag maximaal 3 meter; en c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter. Paragraaf 8.6.3 Openbaar gebied in woongebieden Subparagraaf 8.6.3.1 Gebouwen en overkappingen Artikel 8.71 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van gebouwen en overkappingen binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost. Artikel 8.72 Bouwen van een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening - toegestaan Het bouwen van een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte per gebouw bedraagt maximaal 30 m2; en b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter. Subparagraaf 8.6.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Artikel 8.73 Toepassingsbereik Deze subparagraaf gaat over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost en de locatie water - Haansberg-Oost. Artikel 8.74 Bouwen van een pergola - toegestaan Het bouwen van een pergola is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de pergola ligt binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter;
  146. een pergola voldoet aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.
  147. Artikel 8.75 Bouwen van kunstobjecten - toegestaan
  148. Het bouwen van kunstobjecten binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost is toegestaan als de bouwhoogte maximaal 15 meter bedraagt.
  149. Het bouwen van kunstobjecten binnen de locatie water - Haansberg-Oost is toegestaan als de bouwhoogte maximaal 5 meter bedraagt. Artikel 8.76 Bouwen van erf- en terreinafscheidingen - toegestaan Het bouwen van erf- en terreinafscheidingen is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 2 meter; b. een erf- en terreinafscheiding voldoet aan de redelijke eisen van welstand als genoemd in de aanvullende beoordelingsregels in paragraaf 8.2.
  150. Artikel 8.77 Bouwen van speelvoorzieningen en straatmeubilair - toegestaan Het bouwen van speelvoorzieningen en straatmeubilair is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de speelvoorzieningen en het straatmeubilair liggen binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 meter. Artikel 8.78 Bouwen van bruggen en viaducten - toegestaan
  151. Het bouwen van bruggen en viaducten binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost is toegestaan als de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt.
  152. Het bouwen van bruggen en viaducten binnen de locatie water - Haansberg-Oost is toegestaan als de bouwhoogte maximaal 5 meter bedraagt. Artikel 8.79 Bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde - toegestaan
  153. Het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde binnen de locatie openbaar gebied in woongebied - Haansberg-Oost is toegestaan als de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt.
  154. Het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen binnen de locatie water - Haansberg-Oost is toegestaan als de bouwhoogte maximaal 5 meter bedraagt. Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  155. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  156. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  157. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
  158. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  1. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  2. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  4. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  6. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  7. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  8. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  9. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  10. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  11. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  12. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  13. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  14. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  15. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  16. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  17. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  18. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  19. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  20. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  21. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  22. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  23. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  24. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  25. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  26. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  27. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  28. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  29. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  30. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  31. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  32. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  34. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  35. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  36. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  37. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  38. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  40. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  41. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  42. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  43. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  44. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  1. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  2. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  4. op de grond staand;
  5. gelegen in achtererfgebied;
  6. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  7. niet hoger dan 5 m;
  8. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  9. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. op de grond staand;
  11. niet hoger dan 5 m; en
  12. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  13. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  14. voorzien van een plat dak;
  15. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  16. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  17. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  18. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  19. niet hoger dan 4 m; en
  20. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  21. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  22. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  23. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  24. een silo; of
  25. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  26. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  27. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  28. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  29. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  30. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  31. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  32. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, op grond van artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplicht archeologie) een verbod geldt om de activiteit te verrichten. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  33. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  34. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  35. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  36. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  37. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  38. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  39. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  40. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  41. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  42. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  43. In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  44. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  45. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  46. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  47. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  48. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  49. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  50. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  51. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  52. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  53. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  54. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  55. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  56. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;
  57. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  58. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  59. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  60. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
  61. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  62. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  63. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  64. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  65. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  66. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  67. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  68. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  69. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  70. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  71. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  72. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  73. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  74. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik 1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  1. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
  2. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
  3. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
  4. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  5. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
  6. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
  7. Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  8. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  9. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  10. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  11. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  12. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  13. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  14. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  15. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  16. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  17. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
  18. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  19. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  20. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  21. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
  22. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  23. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  24. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  25. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  26. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  27. Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
  28. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.