act/gemeente/2024/CVDR696216 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0202/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-09-29 2025-09-29 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696216/nld@2025-09-29 /join/id/proc
Afdeling 1
.1 Algemeen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 3. Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 1 tot en met 21 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 2 Gereserveerd Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Gereserveerd Afdeling 3.2 Waarden Artikel 3.1 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd) 1. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd) zijn archeologisch waardevolle gebieden met de functie archeologisch rijksmonument . 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een rijksbeschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.2 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd UNESCO) 1. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) zijn archeologisch waardevolle gebieden die universele waarde van werelderfgoed vertegenwoordigen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied als UNESCO werelderfgoed met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.3 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, gemeentelijk beschermd) 1. De gronden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) hebben de functie gemeentelijk archeologische monument. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gemeentelijk beschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.4 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, begraafplaats) 1. De gronden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) zijn archeologisch waardevolle gebieden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied in de vorm van een historische begraafplaats met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.5 Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied) 1. De gronden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied zijn archeologisch waardevolle gebieden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.6 Waarde – Archeologie (hoge verwachting) 1. De gronden met de waarde Archeologie - Hoge verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting zijn gebieden met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.7 Waarde – Archeologie (middelhoge verwachting) 1. De gronden met de waarde Archeologie - Middelhoge verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting zijn gebieden met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.8 Waarde – Archeologie (lage verwachting) 1. De gronden met de waarde Archeologie - Lage verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting zijn gebieden met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen. 3. In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt. Artikel 3.9 Waarde - Archeologie (overige gebieden - opgehoogd terrein) 1. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - opgehoogd terrein met werkingsgebied waarde Archeologie - overige gebieden - opgehoogd terrein zijn opgehoogd. 2. Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het opgehoogd zijn van het terrein. Artikel 3.10 Waarde - Archeologie (overige gebieden - vergraven/afgegraven) 1. De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - vergraven/afgegraven met werkingsgebied waarde Archeologie - overige gebieden - vergraven/afgegraven zijn vergraven of afgegraven. 2. Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het vergraven en het afgegraven zijn van het terrein. Artikel 3.11 Waarde - Geomorfologie leemlagen (1,5 m-
- mv)1. Op de gronden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m kunnen zich leemlagen op een diepte van 1,5 meter beneden maaiveld bevinden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken. 3. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Artikel 3.12 Waarde - Geomorfologie leemlagen (3,0 m-
- mv)1. Op de gronden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m kunnen zich leemlagen op een diepte van 3,0 meter beneden maaiveld bevinden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken. 3. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Artikel 3.13 Waarde - Geomorfologie leemlagen (4,0 m-
- mv)1. Op de gronden met waarde Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m kunnen zich leemlagen op een diepte van 4,0 meter beneden maaiveld bevinden. 2. Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken. 3. In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt. Afdeling 3.3 Gereserveerd Hoofdstuk 4 Gereserveerd Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten Afdeling 5.1 Algemeen Artikel 5.1 Bouwactiviteiten algemeen Indien op een locatie meerdere bouwregels van toepassing zijn, moet bij het bouwen worden voldaan aan alle ter plaatse geldende bouwregels. Artikel 5.2 Bouwactiviteiten indien toegestaan Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze activiteiten expliciet in de regels van dit omgevingsplan worden toegestaan. Artikel 5.3 Bouwactiviteiten uitsluitend passend binnen de functie/activiteit Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de toegestane activiteiten zoals omschreven in dit omgevingsplan. Afdeling 5.2 Gereserveerd Afdeling 5.3 Gereserveerd Afdeling 5.4 Vergunningsplicht - omgevingsplanactiviteit Artikel 5.4 Bouwactiviteit - vergunningsplicht 1. GERESERVEERD 2. Het verbod als bedoeld in artikel 22.26 geldt niet voor bouwactiviteiten als genoemd onder: a. afdeling 5.2; b. paragraaf 7.2.1; c. artikel 22.27; d. artikel 22.36. Afdeling 5.5 Gereserveerd Afdeling 5.6 Beoordelingsregels Paragraaf 5.6.1 Algemene beoordelingsregels Artikel 5.5 Algemene bouwregels Een omgevingsvergunning voor bouwen kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan: a. het tijdelijk deel van het omgevingsplan; en b. de algemene bouwregels uit afdeling 5.1; en c. de beoordelingsregels uit afdeling 5.6; en d. de beoordelingsregels uit paragraaf 7.2.3; en e. de beoordelingsregels uit paragraaf 8.2.1. Hoofdstuk 6 Overige activiteiten Afdeling 6.1 Werken en werkzaamhedenactiviteiten Artikel 6.1 Verrichten van werken en werkzaamhedenactiviteiten - vergunningsplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.3; b. afdeling 8.3; c. het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afdeling 6.2 Kapactiviteiten Artikel 6.2 Kapactiviteit - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kapactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.3; b. het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Afdeling 6.3 Sloopactiviteiten Artikel 6.3 Sloopactiviteit - vergunningsplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten indien dit volgt uit: a. afdeling 7.4. Hoofdstuk 7 Thema Archeologie Afdeling 7.1 Algemene regels Archeologie Artikel 7.1 Voorrangsregels archeologie De regels over archeologie, die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing. Artikel 7.2 Archeologie - specifieke zorgplicht Degene die ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) of waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van archeologische waarden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Afdeling 7.2 Bouwactiviteiten Archeologie Paragraaf 7.2.1 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.3 Bouwactiviteiten ten behoeve van archeologisch onderzoek Een overig bouwwerk (bouwwerk, geen gebouw zijnde) dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is, is toestemmingsvrij. Paragraaf 7.2.2 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten indien passend binnen regels omgevingsplan - Archeologie Artikel 7.4 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd), en waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 0 m2, b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.5 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied; alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 30 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.6 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met hoge archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 200 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.7 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met middelhoge archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 500 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Artikel 7.8 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met lage archeologische verwachting Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting alleen toestemmingsvrij indien: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 5.000 m2; b. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit. Paragraaf 7.2.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.9 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats Ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of 2. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 0 m2 bedraagt; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.10 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of 2. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 30 m2 bedraagt; of 3. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 30 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.11 Bouwactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of 2. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 200 m2 bedraagt; of 3. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 200 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.12 Bouwactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of 2. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 500 m2 bedraagt; of 3. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 500 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.13 Bouwactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. het gaat om bouwwerken, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of 2. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 5.000 m2 bedraagt; of 3. bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 5.000 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of c. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.14 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in deze paragraaf, paragraaf 7.2.3, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: 1. een bureauonderzoek; 2. zo nodig een booronderzoek; en 3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; b. funderingstekeningen; c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek; e. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Paragraaf 7.2.4 Maatwerkvoorschriften bouwactiviteiten - Archeologie Artikel 7.15 Maatwerkvoorschrift archeologische waarden Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van de instandhouding en versterking van archeologische kwaliteiten. Afdeling 7.3 Werken en werkzaamhedenactiviteiten en kapactiviteiten Archeologie Artikel 7.16 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 0 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 0 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het omgevingsplan; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.17 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 30 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 30 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.18 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 200 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 200 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.19 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 500 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 500 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.20 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand; c. het rooien of planten van bomen; d. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van verhardingen of ophogingen. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. een oppervlakte hebben tot ten hoogste 5.000 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 5.000 m1; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; d. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.21 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - beoordelingsregel De omgevingsvergunning, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.3, wordt verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verboden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen. Artikel 7.22 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke indieningsvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken en werkzaamhedenactiviteiten waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 7.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: 1. een bureauonderzoek; 2. zo nodig een booronderzoek; en 3. zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek; e. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en f. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en g. als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; b. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Afdeling 7.4 Sloopactiviteiten Archeologie Artikel 7.23 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is van toepassing ter plaatse van de werkingsgebieden waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd), waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO), waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats). 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 0 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.24 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiiteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 30 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.25 Sloopactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting 1. Het verbod m zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 200 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.26 Sloopactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.27 Sloopactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 5.000 m2; of b. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of c. mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of d. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Artikel 7.28 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - beoordelingsregel De omgevingsvergunning om een sloopactiviteit te verrichten, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.4, wordt verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of b. mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; 4. het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet; 5. het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden; 6. het vooraf melden van de start van werkzaamheden; 7. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 8. het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verboden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en 9. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen; c. voorschriften kunnen worden gesteld over de wijze van slopen. Artikel 7.29 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke indieningsvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels als bedoeld in deze afdeling, afdeling 7.4, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; en b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen. Hoofdstuk 8 Thema Geomorfologie / Leemlagen Afdeling 8.1 Algemene regels Leemlagen Artikel 8.1 Voorrangsregels leemlagen De regels over leemlagen , die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing. Artikel 8.2 Onderzoek ten behoeve van leemlagen - meldingsplicht 1. Het is verboden een hydro-geomorfologisch onderzoek uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Een melding bevat een plan van aanpak voor het onderzoek. 3. Een hydro-geomorfologisch onderzoek moet voldoen aan de volgende eisen: a. het onderzoek moet direct wordt gestaakt indien grondwater of leemlagen wordt aangetroffen; b. het onderzoek mag niet van destructieve aard zijn; c. het onderzoek mag aangetroffen leemlagen niet beschadigen of aantasten. Afdeling 8.2 Bouwactiviteiten Leemlagen Paragraaf 8.2.1 Beoordelingsregels bouwactiviteiten - Leemlagen Artikel 8.3 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.4 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 3,0 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.5 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv Ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover: a. deze activiteiten niet dieper dan 4,0 meter beneden maaiveld reiken; of b. op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of c. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of d. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.6 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - specifieke aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in deze paragraaf, paragraaf 8.2.1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de hydro-geomorfologischewaarden van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: 1. een bureauonderzoek; en 2. zo nodig een veldonderzoek; b. funderingstekeningen. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de hydro-geomorfologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Paragraaf 8.2.2 Maatwerkvoorschriften bouwactiviteiten - Leemlagen Artikel 8.7 Maatwerkvoorschrift aardkundige waarden Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van de instandhouding van hydro-geomorfologische waarden. Afdeling 8.3 Werken en werkzaamhedenactiviteiten Leemlagen Artikel 8.8 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.9 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.10 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoel in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; b. het verrichten van boringen; c. het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze; d. het afgraven van gronden. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten: a. zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.11 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - beoordelingsregel De omgevingsvergunning, als bedoeld in deze afdeling, afdeling 8.3, wordt verleend indien: a. met onderzoek kan worden aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of b. is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of c. naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen. Artikel 8.12 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - specifieke aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken en werkzaamhedenactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels zoals bedoeld in artikel 8.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen (boorprofielen conform NEN 5104) met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. een rapport waarin de hydro-geomorfologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op: 1. een bureauonderzoek; en 2. zo nodig een veldonderzoek; e. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek. 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de hydro-geomorfologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt. Afdeling 8.4 Sloopactiviteiten Leemlagen Artikel 8.13 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv - meldingsplicht 1. Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.14 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv - meldingsplicht 1. Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Artikel 8.15 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv - meldingsplicht 1. Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit: a. niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of b. reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan. Hoofdstuk 9 Gereserveerd Hoofdstuk 10 Gereserveerd Hoofdstuk 11 Gereserveerd Hoofdstuk 12 Gereserveerd Hoofdstuk 13 Gereserveerd Hoofdstuk 14 Gereserveerd Hoofdstuk 15 Gereserveerd Hoofdstuk 16 Gereserveerd Hoofdstuk 17 Gereserveerd Hoofdstuk 18 Gereserveerd Hoofdstuk 19 Gereserveerd Hoofdstuk 20 Gereserveerd Hoofdstuk 21 Gereserveerd Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
- Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
- Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
- Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
- De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
- Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
- Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
- De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
- Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
- Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
- Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
- De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
- Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
- Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
- Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
- de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
- geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
- Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter 1Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
- Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
- Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- gelegen in achtererfgebied;
- op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
- niet hoger dan 5 m;
- de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
- niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- op de grond staand;
- niet hoger dan 5 m; en
- de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
- voorzien van een plat dak;
- gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
- onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
- bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
- zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- niet hoger dan 4 m; en
- alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
- op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
- achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
- een silo; of
- een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
- geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
- geen uitbreiding van het bouwvolume; en
- geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
- Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
- [Vervallen] Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
- Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
- de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
- bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
- De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
- Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
- Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
- In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
- Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
- In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
- In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
- de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
- de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
- de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
- de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
- het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. [Vervallen]; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
- tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
- principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
- kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
- een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
- de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
- als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
- voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
- voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
- de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
- uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
- Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
- artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
- artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of
- artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.
Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik 1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
- Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
- dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
- dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
- waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
- Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
- Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
- Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
- het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
- het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
- een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
- De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
- Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
- Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
- Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
- Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
- Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
- Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
- Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
- Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
- Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
- Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
- Dit artikel is van toepassing tot 1 december
- Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
- Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste lid tot en met het vierde lid niet van toepassing. Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Paragraaf 22.3.4 Geluid Subparagraaf 22.3.4.
Artikel 22.54 Toepassingsbereik 1.
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
- In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
- Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
- In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
- het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
- een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
- het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
- een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
- In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoe