← Nederland

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) (Noord

Kort samengevat

Deze verordening van de provincie Noord-Brabant stelt regels vast met betrekking tot de omgeving. Het doel is om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en te verbeteren.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)Hoofdstuk1Inleidende regels Artikel1.1Begripsbepaling aardkundige waarden en kenmerken waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn; aardpen een veiligheidsmaatregel die voorziet in een verbinding van het elektriciteitsnet met de aarde; agrarisch bedrijf inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig-agrarisch bedrijf; agrarisch-technisch hulpbedrijf bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking; agrarisch-verwant bedrijf bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking; ambitiekaart kaart als bedoeld in artikel 1.2, derde lid van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016; archeologisch monument archeologisch terrein dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart staat afgebeeld en waaraan een monumentnummer is toegekend; bebouwing gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; bebouwingscluster vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten Stedelijk gebied; bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; bebouwingslint min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten Stedelijk gebied; bedrijventerrein aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven; beëindigingslocatie veehouderij perceel waar de beëindigde veehouderij op grond van het vigerende bestemmingsplan was gevestigd, waar voor de veehouderij een mestnummer is afgegeven en rechten voor de productie van fosfaat voor de veehouderij zijn geregistreerd bij de Dienst Regelingen en waar de bedrijfsbebouwing is gesloopt; bestaand bouwperceel bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat; bestemmingsvlak geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; boorput met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; boskern aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare; bouwlaag doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen; bouwperceel aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan; bouwvlak geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; brongerichte techniek techniek, gericht op het voorkomen dat milieubelastende stoffen ontstaan in de stal; buisleiding buisleiding voor het transport van gas, olie of chemicaliën, met uitzon¬dering van buisleidingen voor het transport van aardgas, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; compartimenteringskering regionale waterkering die als zodanig geen directe waterkerende functie heeft, tenzij in geval van doorbraak of overstroming van de primaire waterkering; cultuurhistorische waarden en kenmerken waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; detailhandel bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; ecologische waarden en kenmerken aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde; één-op-één beheermethode methode waarbij één persoon dieren opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet; equivalent A-gewogen niveau geluidmaat (LAeq) waarbij over een periode variërende geluidniveaus zijn gemiddeld tot één waarde; evenement een georganiseerde gebeurtenis ten behoeve van meerdere bezoekers en met vaak tijdelijke voorzieningen voor water, electriciteit, catering of toiletvoorzieningen; extensieve recreatie openlucht recreatie waarbij de beleving van rust belangrijk is en het aantal recreanten per hectare beperkt is; gebruiksoppervlakte bruikbare oppervlakte van bebouwing en gronden, geschikt voor het beoogde gebruik, berekend op grond van NEN 2580; gedenkteken niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie op de provinciale weg dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden; glastuinbouwbedrijf agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt; grond- of funderingswerken werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies, met uitzondering van werken of handelingen waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, zoals het toepassen van een bodemenergiesysteem; grondgebonden teeltbedrijf agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt; grondgebonden veehouderij veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie; grondwateronttrekker houder van een inrichting als bedoeld in artikel 15.34, tweede lid, van de Wet milieubeheer; GVE groot vee-eenheid, waarmee de fosfaatproductie van landbouwhuisdieren wordt uitgedrukt en waarbij 1 GVE overeenkomt met de fosfaatproductie van één melkkoe; hergebruik nieuwe handeling op of in een gesloten of voormalige stortplaats; hergebruikplan beschrijving en motivering van te treffen maatregelen en nazorg in relatie tot de milieurisico's bij hergebruik; hokdierhouderij veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij; kas agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter; kernrandzone overgangszone van bestaand stedelijk gebied naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies; kleinschalige bebouwing of -voorziening bebouwing, al dan niet ten behoeve van een voorziening, met een gezamenlijke omvang van ten hoogste 90 m2; LAeq, 24 uur geluidmaat waarbij alle geluidniveaus over de periode van een etmaal zijn gemiddeld tot één waarde; landbouw akkerbouw, weidebouw, veehouderij, tuinbouw -waaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen- en elke andere vorm van bodemcultuur; landgoed ruimtelijk-functionele eenheid bestaande uit bos of overige natuur, al dan niet in combinatie met agrarische gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke (woon)bebouwing; landschappelijke waarden en kenmerken gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten; lawaaisport voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport; locatiegebonden milieubelastende activiteit inrichting als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht, bijlage 1; maatregelkaart kaart als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder b, van de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant; mestbewerking de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest; natuurbeheerplan natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016; natuurinclusieve bedrijfsvoering economisch rendabel en grondgebonden landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans is met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorg draagt voor de biodiversiteit op en rond het bedrijf, zoals bedoeld in de Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant; natuurontwikkelingsproject project dat tot doel heeft de natuurlijke gesteldheid van een terrein te herstellen, te versterken of te ontwikkelen en dat een omvorming van bestaande natuur of het ontwikkelen van nieuwe, gebiedseigen natuur tot gevolg heeft; N-depositie neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat, waarbij de belasting op een punt binnen het habitat uitgedrukt wordt in mol, per ha, per jaar en de belasting op het habitat als geheel in mol, per jaar; netto glas aantal m2 kasoppervlakte; nieuwvestiging vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan; omgevingskwaliteit de kwaliteit van een plek of gebied die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde; omschakeling geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm; onconventionele winning van koolwaterstoffen winningsmethode, waarbij via verticale en horizontale boringen en hydraulisch kraken schaliegas en schalie-olie uit de diepe ondergrond vrij wordt gemaakt door water, zand en chemicaliën onder hoge druk in een boorput te pompen en zo scheurtjes te creëren in het brongesteente waar het gas in opgesloten zit; ontgronding activiteit, gericht op het permanent dan wel tijdelijk verlagen van de hoogteligging van het maaiveld of het verdiepen van de waterbodem; Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte entiteit gericht op de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels vanwege in het verleden op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken behaalde milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; overig-agrarisch bedrijf agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt; parkeerterrein terrein dat wordt gebruikt voor het bieden van parkeergelegenheid voor vier motorvoertuigen of meer; permanente teeltondersteunende voorzieningen teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas; profiel van vrije ruimte ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor een toekomstige versterking van de waterkering; recreatiewoning woning of enig ander bouwwerk, ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf; regionale waterkering waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming; restladingdamp een gasvormige, uit vloeistof vervluchtigende verbinding, die na het lossen in een mobiele tank achterblijft; ruimtelijke ontwikkeling bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is; sondering het bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten; splitsing nieuwvestiging van een bouwperceel door opdeling van een bestaand bouwperceel; stro(oisel)stal stal waarin de mest of urine van de gehouden dieren in overwegende mate wordt vermengd met strooisel zoals stro, hooi en zaagsel waarbij vaste mest ontstaat, bijvoorbeeld potstallen, hellingstallen en vrijloopstallen; teeltondersteunende voorzieningen ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf; tuincentrum bedrijf, geheel of in overwegende mate gericht op detailhandel van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, kamerplanten, artikelen voor de aanleg en het onderhoud van de tuinen alsmede tuininrichtingsartikelen en aanverwante artikelen zoals bloempotten, vazen, plantenbakken en dergelijke; uitbreiding vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak; veehouderij agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren; veldwerk boorput of sondering veranderen van de provinciale weg uitvoeren, oprichten, hebben, instandhouden, onderhouden, wijzigen of verwijderen van de provinciale weg; vergisting het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces (waarbij biogas wordt geproduceerd); verkoopvloeroppervlak voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten; vestiging mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan; voormalige stortplaats stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd; waterkering waterkering met aangrenzende gronden, die van belang zijn voor de beveiliging tegen overstroming en als zodanig zijn aangewezen in de Waterwet of deze verordening, alsmede de overige waterkeringen die dienen voor bescherming tegen wateroverlast vanuit het regionale watersysteem overeenkomstig de Keuren van de waterschappen; weg gerelateerde voorziening voorziening die direct aansluitend aan de weg ligt en die ten behoeve van weggebruikers ter plaatse gevestigd is, zoals een motorbrandstoffenverkooppunt; werkingsgebied digitaal vastgelegd gebied waaraan regels zijn gekoppeld; windturbine bouwwerk bestaande uit een mast met bijbehorende fundering en de rotor, bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie; zorgvuldige veehouderij veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving; zwaar bedrijventerrein terrein waar in overwegende mate bedrijven van categorie 4 en hoger, bedoeld in de VNG-publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering', zijn toegelaten; Artikel1.2Interim omgevingsverordening De geometrische plaatsbepalingen van planobjecten in deze verordening zijn met de daaraan gekoppelde regels vastgelegd als GML-bestand met plan-idn: NL.IMRO.9930.InterimOvr-va01 en bekend gemaakt via www.ruimtelijkeplannen.nl. Artikel1.3Opsommingen Opsommingen in deze verordening zijn cumulatief tenzij anders aangegeven. Hoofdstuk2Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten Afdeling 2.1 Waterwinning voor menselijke consumptie Paragraaf2.1.1Zorgplicht Artikel2.1Zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie Lid 1 Degene die binnen de Waterwinning voor menselijke consumptie een activiteit verricht waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Lid 2 De zorgplicht houdt in ieder geval in dat wanneer er sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater Gedeputeerde Staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld. Artikel2.2Afwijkende regels Beschermingszone rivierwaterwinning Binnen de Beschermingszone rivierwaterwinning geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.1 Zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie ter bescherming van de kwaliteit van het rivierwater en wordt bij een direct optredende of dreigende verontreiniging van het rivierwater Rijkswaterstaat onmiddellijk op de hoogte gesteld. Paragraaf2.1.2Waterwingebied Artikel2.3Verboden activiteiten Waterwingebied Lid 1 Binnen een Waterwingebied zijn de volgende activiteiten verboden: een locatiegebonden milieubelastende activiteit; het gebruik of aanwezig hebben van een (potentieel) schadelijke stof; het aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden op of in de bodem; het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as; het toepassen van uitloogbare materialen; het (laten) gebruiken als parkeerterrein of voor evenementen. Lid 2 Als een (potentieel) schadelijke stof worden aangemerkt: een zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM; stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst'; stoffen met een schadelijke werking op de smaak of geur van het grondwater, alsmede mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; gewasbeschermingsmiddelen, biociden en derivaten daarvan. Artikel2.4Afwijkende regels toegelaten activiteiten Waterwingebied In afwijking van artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied zijn de volgende activiteiten toegestaan: het winnen van grondwater voor menselijke consumptie met alle daarvoor noodzakelijke activiteiten; reguliere bodemwerkzaamheden, zoals groenonderhoud en tuinieren, die de beschermende bodemlagen niet aantasten; het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding; het aanwezig hebben van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, als deze afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, als deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden; beweiding van de grond door een veehouderij met een intensiteit van ten hoogste 2 GVE; het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit. Artikel2.5Regels voor activiteiten in de bodem Waterwingebied Het verbod bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder c, geldt niet als er overeenkomstig artikel 6.9 startmelding is gedaan voor: het onderzoeken van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming; het aanbrengen van aardpennen. Artikel2.6Meldingsplichtige activiteiten Waterwingebied Lid 1 Het verbod bedoeld in artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied, eerste lid, onder c, geldt niet als er overeenkomstig artikel 6.10 melding is gedaan voor: de aanleg van (on)verharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer; het toepassen van grond of baggerspecie met een kwaliteit die voldoet aan de achtergrondwaarde; werkzaamheden in de bodem gericht op behoud van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie; civiel- en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer; de aanleg van kabels en leidingen, uitgezonderd buisleidingen. Lid 2 In aanvulling op artikel 6.10 Melding algemeen bevat de melding: een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; een onderzoek waaruit blijkt dat er geen realistische alternatieven zijn voor de aanleg van kabels en leidingen buiten het waterwingebied. Paragraaf2.1.3Grondwaterbeschermingsgebied Artikel2.7Verboden activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied verboden: een locatiegebonden milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.9; het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; de toepassing van IBC-bouwstoffen; de aanleg van een buisleiding; opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen; een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats of uitstrooiveld voor dierlijke as; activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen. Lid 2 Als voor het grondwater schadelijke stof wordt aangemerkt een zeer zorgwekkende stof zoals vastgesteld door het RIVM. Artikel2.8Meldingsplichtige activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan als wordt voldaan aan de bepalingen in artikel 2.10 tot en met artikel 2.17: het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van een potentieel schadelijke stof; het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer; het lozen van afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem; het lozen van afstromend hemelwater van verharde wegen op of in de bodem; het inrichten of hebben van een parkeerterrein; het (laten) gebruiken van gronden voor een evenement; het toepassen van grond of baggerspecie. Lid 2 In afwijking van het eerste lid zijn werkzaamheden die worden uitgevoerd ter controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie toegestaan. Artikel2.9Verboden locatiegebonden milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied Er is sprake van een verboden locatiegebonden milieubelastende activiteit in Grondwaterbeschermingsgebied, als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid onder a, in de volgende gevallen: BRZO-inrichting; IPPC, categorie 4 inrichting; inrichting als bedoeld in bijlage 1C Besluit omgevingsrecht, categorie 28.4 gevaarlijke afvalstoffen. Artikel2.10Meldingsplicht gebruik potentieel schadelijke stoffen Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van een potentieel schadelijke stof in Grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan als: toepassing is gegeven aan de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen zoals opgenomen in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming; er overeenkomstig artikel 6.10 melding is gedaan. Lid 2 In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding: een beschrijving welke potentieel schadelijke stof het betreft, de hoeveelheid van deze stof en de reden waarvoor die nodig is; een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; welke bodembeschermende maatregelen met de hoogst mogelijke vorm van bescherming worden getroffen. Lid 3 Als potentieel schadelijke stoffen worden aangemerkt: stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst'; stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het grondwater, alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken. Artikel2.11Regels voor activiteiten in de bodem Grondwaterbeschermingsgebied Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan tot de diepte zoals weergegeven op de kaart, in de volgende gevallen: het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming en er er overeenkomstig protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan gedeputeerde staten wordt gestuurd; sondering waarbij voor de afdichting van het gat toepassing is gegeven aan het protocol 2101 mechanisch boren, hoofdstuk 6.2, eis 16 en 17; het aanbrengen van een aardpen; wateronttrekkingen als bedoeld in artikel 6.4 en artikel 6.5 Waterwet, met uitzondering van activiteiten bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder g, en er er overeenkomstig protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan gedeputeerde staten wordt gestuurd; het uitvoeren van grond- of funderingswerken, anders dan boringen, waarbij: na graafwerkzaamheden het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld volgens het oorspronkelijke bodemprofiel; voor het inbrengen van palen alleen gebruik gemaakt mag worden van: grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet, of in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is of grondverdringend wordt ingebracht, of schroefpalen. de aanleg van kabels en leidingen, uitgezonderd een buisleiding; er overeenkomstig artikel 6.9 startmelding is gedaan. Artikel2.12Meldingsplicht en uitzondering voor lozen van afstromend hemelwater van gebouwen Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Het is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem te lozen als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan en daarvoor een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10: er sprake is van gecontroleerd infiltreren met een voldoende zuiverende voorziening, of als het water afstroomt via een watergang zonder infiltrerende werking. Lid 2 In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding: een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; de wijze waarop de voorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord. Lid 3 In afwijking van het eerste lid geldt alleen een plicht tot het doen van een startmelding overeenkomstig artikel 6.9, als er geen schadelijk uitloogbaar (bouw)materiaal is gebruikt. Lid 4 Als schadelijk uitloogbaar (bouw)materiaal wordt in ieder geval aangemerkt: zink, lood, koper; gewolmaniseerd hout; teerbitumen. Artikel2.13Meldingsplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegen Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Het is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan afstromend hemelwater van verharde wegen voor gemotoriseerd verkeer in of op de bodem te lozen, als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan en daarvoor een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10: er sprake is van gecontroleerd infiltreren met een voldoende zuiverende voorziening; het water afstroomt via een watergang zonder infiltrerende werking. Lid 2 In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding: een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; de wijze waarop de voorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord. Artikel2.14Meldingsplicht permanent parkeerterrein Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Het is toegestaan een permanent parkeerterrein in te richten of te hebben als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan en daarvoor een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10: er is sprake van een gecontroleerd infiltreren van het afstromend hemelwater op of in de bodem met een voldoende zuiverende voorziening; het hemelwater stroomt af via een watergang zonder infiltrerende werking. Lid 2 In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding: een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; een beschrijving van de wijze waarop de voorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord. Artikel2.15Regels voor tijdelijk onverhard parkeren Grondwaterbeschermingsgebied Het tijdelijk inrichten van onverharde gronden als parkeerterrein in Grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan: het betreft incidenteel en tijdelijk parkeren voor ten hoogste 10 etmalen per kalenderjaar; aan gebruikers duidelijk is gemaakt dat er sprake is van een grondwaterbeschermingsgebied en dat het in de bodem komen van bepaalde stoffen een bedreiging vormt voor het grondwater; er voldoende middelen beschikbaar zijn om een eventuele verontreiniging op te ruimen; er een toezichthouder beschikbaar is die in geval van verontreiniging direct passende maatregelen treft; er een logboek wordt bijgehouden van uitgevoerde controles en bevindingen; er startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.

  1. Artikel2.16Regels voor tijdelijk gebruik gronden voor een evenement Grondwaterbeschermingsgebied Het tijdelijk gebruik van gronden voor een evenement in Grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan: een bodembeschermende voorziening is aangebracht ter plaatse van risicovolle activiteiten en handelingen, zoals het gebruik van aggregaten, chemische middelen en brandstoftanks; spoelwater afkomstig van voorzieningen wordt opgevangen en naar buiten het grondwaterbeschermingsgebied wordt afgevoerd; er een toezichthouder beschikbaar is die in geval van calamiteiten direct passende actie onderneemt; er een logboek wordt bijgehouden van uitgevoerde controles en bevindingen; er een startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.
  2. Artikel2.17Meldingsplicht en uitzondering toepassen grond en baggerspecie Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Het is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan grond of baggerspecie toe te passen in oppervlaktewater dan wel op of in de bodem tot ten hoogste 5000 m³ als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de grond of baggerspecie van voldoende kwaliteit is; de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem gelijk is of slechter is dan de toe te passen grond of baggerspecie. Lid 2 Er is sprake van grond of baggerspecie van voldoende kwaliteit als die: de achtergrondwaarde niet overschrijdt; of afkomstig is uit het betreffende grondwaterbeschermingsgebied en voldoet aan: de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen bij toepassing op of in de bodem; de maximale waarde van de kwaliteitsklasse A bij toepassing in oppervlaktewater. Lid 3 In afwijking van het eerste lid, aanhef, is het toegestaan meer dan 5000 m³ grond of baggerspecie toe te passen als er melding wordt gedaan overeenkomstig artikel 6.
  3. Lid 4 In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding de resultaten van een locatie specifiek onderzoek waaruit blijkt dat de risico's op verontreiniging van het grondwater niet toenemen. Paragraaf2.1.4Boringsvrije zone Artikel2.18Regels voor activiteiten in de bodem Boringsvrije zone Lid 1 Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van tien meter of meer onder het maaiveld is in Boringsvrije Zone toegestaan: tot de diepte zoals weergegeven op de kaart; en er er overeenkomstig protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan gedeputeerde staten wordt gestuurd; een startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.
  4. Lid 2 Het verrichten van werkzaamheden die worden uitgevoerd ter controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie zijn uitgezonderd van het verbod in het eerste lid. Artikel2.19Regels voor warmtetoevoeging en -onttrekking Boringsvrije zone Lid 1 Activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder in ieder geval het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem, is in de Boringsvrije zone toegestaan als: er geen schadelijke middelen worden toegepast; een startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.
  5. Lid 2 Als niet schadelijke middelen worden in volgorde van voorkeur aangemerkt: water, waterstofcarbonaat, monopropyleenglycol. Afdeling 2.2 Grondwater Artikel2.20Verbod onconventionele koolwaterstofwinning Diep grondwaterlichaam Boven, in of onder een Diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Artikel2.21Vrijstelling vergunningplicht grondwaterontrekking Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, Waterwet, is niet vereist voor een onttrekking gesitueerd in Geen Attentiezone waterhuishouding als: de te onttrekken hoeveelheid grondwater ten hoogste 10 m³ per uur bedraagt; de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld. Artikel2.22Vrijstelling registratieplicht bodemenergiesystemen Lid 1 De verplichtingen met betrekking tot het melden, meten en registreren van een grondwateronttrekking, bedoeld in artikel 6.11, eerste, tweede en vierde lid, Waterbesluit, zijn niet vereist bij onttrekkingen voor bodemenergiesystemen gesitueerd in Geen Attentiezone waterhuishouding als: de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur; de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld. Lid 2 De verplichting met betrekking tot de opgave van de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, bedoeld in artikel 6.11, vierde lid van het Waterbesluit, is niet van toepassing op een onttrekking voor een bodemenergiesysteem bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, als de gemeten hoeveelheden in overeenstemming zijn met de watervergunning. Afdeling 2.3 Bodem Paragraaf2.3.1Bodemsanering Artikel2.23Het saneringsplan bodemsanering Lid 1 Naast de eisen die op grond van artikel 39, eerste lid, of artikel 40, eerste lid, Wet bodembescherming worden gesteld bevat het saneringsplan de gegevens zoals opgenomen in de door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde checklist. Lid 2 De aanvullende gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen achterwege blijven als die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan. Artikel2.24Eisen saneringsplan bodemsanering Waterwingebied of Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Als een sanering geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen een Waterwingebied of een Grondwaterbeschermingsgebied is het saneringsplan gericht op het bereiken van de streefwaarde of de (verhoogde) achtergrondwaarde. Lid 2 Als een volledige verwijdering van de verontreiniging niet kosteneffectief is, is het saneringsplan gericht op een stabiele eindsituatie, waarbij de contouren van een eventuele restverontreiniging zich niet groter worden. Lid 3 Als het bereiken van de waarden bedoeld in het eerste lid niet haalbaar is, wordt aangegeven op welke wijze de risico’s voor het drinkwater, worden weggenomen. Lid 4 Uit het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat: hulpstoffen voor een in-situ-sanering geen risico vormen voor het drinkwater; de afbraak van restproducten inzichtelijk is gemaakt. Artikel2.25Wijziging saneringsplan bodemsanering Bij een melding tot wijziging van het saneringsplan, genoemd in artikel 39, vierde lid en artikel 40 Wet bodembescherming worden de volgende gegevens verstrekt: de gegevens die afwijken van het saneringsplan waarmee Gedeputeerde Staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; de gevolgen van de wijziging voor de saneringsdoelstelling en de te treffen saneringsmaatregelen; de eventuele verandering van het tijdstip waarop de sanering naar verwachting is afgerond. Artikel2.26Saneringsverslag Lid 1 Naast de eisen bedoeld in artikel 39c, eerste lid, Wet bodembescherming, bevat het saneringsverslag de gegevens zoals opgenomen in de door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde checklist. Lid 2 De aanvullende gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen achterwege blijven in het geval dat: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken; de gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsverslag. Artikel2.27Nazorgplan Lid 1 Naast de eisen bedoeld in artikel 39d, eerste lid, Wet bodembescherming, bevat het nazorgplan: de gegevens zoals opgenomen in de door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde checklist; een beschrijving van de handelwijze in geval van het gebruik van de locatie; een beschrijving van de handelwijze in geval van graafwerkzaamheden op de locatie; een beschrijving van de gebruiksbeperkingen in relatie tot de nazorg. Lid 2 Als de maatregelen inhouden het regelmatig inspecteren van de beheers- en isolatievoorzieningen die ter uitvoering van de sanering zijn aangebracht, worden de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de wijze en de tijdstippen waarop de instandhouding van de voorzieningen worden gewaarborgd en gecontroleerd; de wijze en de tijdstippen waarop hierover verslag wordt gedaan. Lid 3 Als de maatregelen het periodiek monitoren van de restverontreiniging inhouden, worden de volgende gegevens verstrekt: het monitoringsprogramma, waarin in ieder geval is opgenomen de wijze en het tijdstip waarop monitoring plaats vindt, de peilbuizen en de te verrichten analyses en frequentie van bemonstering; de signaal- en actiewaarden met bijbehorende acties; de wijze en tijdstippen waarop hierover verslag wordt gedaan. Lid 4 Als de maatregelen het isoleren en beheersen van de achtergebleven verontreiniging inhouden, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop het betrokken gebied wordt beheerd. Lid 5 Het vermelden in het nazorgplan van de aanvullende gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven in het geval dat: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken; de gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan. Artikel2.28Melding bodemsanering Lid 1 De uitvoerder van een grond- of grondwatersanering doet ten minste twee en ten hoogste zes weken voor aanvang van de sanering hiervan mededeling overeenkomstig artikel 6.11 Melding bodemsanering. Lid 2 De uitvoerder meldt ten minste 2 werkdagen tevoren: het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving; het volledige voltooien van een grondsanering na aanvulling tot peil. Lid 3 In geval van een gefaseerde sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, Wet bodembescherming wordt ten minste vier weken voor de aanvang van elke fase mededeling gedaan overeenkomstig artikel 6.11 Melding bodemsanering. Lid 4 Als sprake is van een grondsanering of grondwatersanering waarbij is ingestemd met een aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere fase op de in het eerste lid, beschreven wijze gemeld. Lid 5 De opdrachtgever van de sanering of de uitvoerder draagt tijdens en na de uitvoering van een sanering zorg voor het indienen van voortgangsverslagen: bij een sanering met een langere duur dan zes maanden, iedere zes maanden een voortgangsrapport; als een grondsanering wordt uitgevoerd in combinatie met een daarna nog doorlopende grondwatersanering en de gehele sanering langer duurt dan zes maanden, een tussentijds saneringsverslag conform artikel 39 c, eerste lid, van de Wet bodembescherming na afronding van de grondsanering en vervolgens iedere zes maanden een voortgangsverslag van de grondwatersanering. Lid 6 Het eindverslag over de sanering, bedoeld in artikel 39c, eerste lid, Wet bodembescherming heeft betrekking op de gehele sanering. Lid 7 De voortgangsverslagen worden opgesteld op basis van een door de uitvoerder op de locatie bij te houden logboek. Lid 8 Voortgangsverslagen worden ingediend binnen een maand na afloop van de periode waar zij betrekking op hebben. Lid 9 Saneringsverslagen en nazorgplannen worden ingediend binnen acht weken na afronding van de sanering, dan wel van het deel van de sanering waar zij betrekking op hebben. Lid 10 Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van de voortgangsverslagen, binnen het kader van de afgegeven beschikking, aanwijzingen geven over voortgang. Artikel2.29Verbijzondering van beleid De bepalingen uit deze paragraaf blijven buiten toepassing voor zover sprake is van strijdigheid met regels die voortvloeien uit (toekomstig) beleid dat door Gedeputeerde Staten, door het Rijk of de Europese Unie is vastgesteld. Paragraaf2.3.2Ontgronden Artikel2.30Ontgrondingsactiviteit Voor de toepassing van deze verordening worden tot één ontgrondingsactiviteit gerekend, die ontgrondingsactiviteiten die in elkaars nabijheid of volgtijdelijk worden uitgevoerd en waarbij onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan. Artikel2.31Eenvoudige ontgrondingsactiviteit De procedurele bepalingen in artikel 10, eerste tot en met derde lid, Ontgrondingenwet, zijn niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken en die betreffen: een ondergeschikte wijziging waarvoor reeds eerder een vergunning is verleend; een wijziging van de tenaamstelling van een reeds verleende vergunning; of een intrekking van een verleende vergunning op verzoek van de vergunninghouder. Artikel2.32Vrijstelling vergunningplicht ontgronden zonder meldingsplicht Met toepassing van artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet is geen vergunning vereist voor de volgende categorieën van ontgrondingen: grondwerken voor het maken, wijzigen en verwijderen van bouwwerken en funderingen; het delven, openen en ruimen van graven; het doen van archeologische opgravingen met vergunning krachtens de Erfgoedwet; het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen en sonderingen; het plaatsen, vervangen en opruimen van in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen; de normale uitoefening van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf; grondwerken voor het normale onderhoud aan grond, werken of bouwwerken inclusief het reguliere onderhoud van waterlopen en zandvangers; het aanleggen, wijzigen en opruimen van infrastructurele werken inclusief de retentievoorzieningen met een maximale diepte van 3,00 meter beneden het maaiveld, die in technische en functionele zin onlosmakelijk onderdeel vormen van deze werken, ter uitvoering van een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit; het verbeteren van de bodemgesteldheid en egalisatie, niet zijnde de realisatie van een voorziening voor oppervlaktewater, ten behoeve van het aanleggen, wijzigen en verwijderen van openbaar groen, pleinen, parken, parkeer- en industrieterreinen, sportterreinen – met uitzondering van golfbanen – en speelterreinen, ter uitvoering van een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit; het ontginnen van een voormalige of gesloten stortplaats waarvoor Gedeputeerde Staten toestemming hebben verleend; sanering van ernstige gevallen van bodemverontreiniging krachtens de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer; ontgrondingen, niet groter dan 2.000 m2, en waarbij niet dieper dan 3,00 meter beneden het maaiveld wordt ontgrond. Artikel2.33Vrijstelling vergunningplicht ontgronden met meldingsplicht Met toepassing van artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet, geldt voor de volgende categorieën dat er geen vergunning is vereist als er melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10 Melding algemeen: functionele ontgrondingen, met een oppervlakte groter dan 2.000 m2, in het geval dat: niet dieper wordt ontgrond dan 3,00 meter beneden maaiveld; niet meer dan 15.000 m3 grond wordt vergraven; de ontgronding niet in strijd is met een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit; de ontgronding niet in een gebied ligt dat op de Aardkundige waardevolle gebiedenkaart is aangeduid als aardkundig waardevol gebied; de ontgronding niet in een gebied ligt dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als archeologisch monument; als de ontgronding in een gebied ligt dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid met een hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarde of in een gebied met een zeer hoge of hoge historisch geografische waarde of historische groenstructuren, dat door middel van een rapportage conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is aangetoond dat de ontgronding geen afbreuk doet aan archeologische of cultuurhistorische waarden; als het de uitvoering betreft van werkzaamheden ten behoeve van de waterhuishouding, de ontgronding zich niet binnen 30 meter van de teen van een waterkering of binnen 200 meter van het aansluitpunt van een primaire waterkering op de hogere gronden plaatsvindt. ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten in het kader van ecologische verbindingszones, beek- en kreekherstelprojecten of een overige natuurontwikkelingsproject, die: in overeenstemming zijn met de vigerende gebiedsanalyse PAS of een ter plaatse geldende gebiedsanalyse PAS, het vigerend natuurbeheerplan op het moment van de melding; zijn opgenomen in een plan waarin de betrokken belangen bij de ontgronding zijn afgewogen en dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Paragraaf2.3.3Stortplaatsen Artikel2.34Verbod activiteiten Gesloten stortplaats Lid 1 Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 Wet milieubeheer bedoelde zorg met betrekking tot een Gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: werken te realiseren of in stand te houden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen, neer te leggen, of te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten als daardoor de instandhouding van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, Wet milieubeheer, belemmerd kan worden of de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden. Lid 2 Het eerste lid, is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 Wet milieubeheer waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan; handelingen ter uitvoering van maatregelen vastgesteld bij of krachtens de Wet bodembescherming of de Waterwet; handelingen waarvoor melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.37 Meldingsplicht hergebruik stortplaatsen en waarvan is aangegeven dat met de melding volstaan kan worden. Lid 3 Ontheffing is mogelijk van de in het eerste lid, gestelde verbod als het belang, dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. Artikel2.35Verbod activiteiten Voormalige stortplaats Lid 1 Het is verboden in, op, onder of over een Voormalige Stortplaats: werken te realiseren of in stand te houden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen, neer te leggen, of te laten staan of liggen; andere dan de onder a en b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten als daardoor de aanleg van nazorgvoorzieningen verhinderd kan worden of de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen volgens een hergebruikplan waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan; handelingen ter uitvoering van maatregelen vastgesteld bij of krachtens de Wet bodembescherming of de Waterwet; handelingen waarvoor melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.37 Meldingsplicht hergebruik stortplaatsen en waarvan is aangegeven dat met de melding volstaan kan worden. Lid 3 Ontheffing van het verbod bedoeld in het eerste lid is mogelijk als het belang, dat de voormalige stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. Artikel2.36Regels vergunningverlening activiteiten op stortplaatsen Lid 1 Het bevoegd gezag dat een besluit neemt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en die is, dan wel zal zijn gelegen op een voormalige of gesloten stortplaats, houdt rekening met Beleidsnota Hergebruik stortplaatsen van 22 juni
  6. Lid 2 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Lid 3 Indien gedeputeerde staten geen bevoegd gezag zijn, stelt het bevoegde gezag gedeputeerde staten in de gelegenheid advies uit te brengen over de aanvraag, waarbij gedeputeerde staten aanwijzingen kunnen geven aan het bevoegd gezag met betrekking tot de inhoud van de aanvraag en de omgevingsvergunning. Artikel2.37Meldingsplicht hergebruik stortplaatsen Het verbod bedoeld in artikel 2.34 Verbod activiteiten Gesloten stortplaats, eerste lid en artikel 2.35 Verbod activiteiten Voormalige stortplaats, eerste lid, geldt niet als er een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10 in de volgende gevallen: handelingen die geen belemmering, dan wel beschadiging betekenen voor de nazorgvoorzieningen; een ondergeschikte wijziging in de uitvoering van een hergebruikplan voor handelingen waarvoor reeds een ontheffing is verleend en welke geen belemmering, dan wel beschadiging betekenen voor de nazorgvoorzieningen; een nadere uitwerking van maatregelen ter bescherming van de nazorgvoorzieningen van een hergebruikplan waarvoor reeds een ontheffing of vergunning is verleend teneinde te voldoen aan de voorschriften daarvan. Afdeling 2.4 Lucht en geluid Paragraaf2.4.1Luchtkwaliteit Artikel2.38Verbod varend ontgassen in Ontgassingsvrijgebied Lid 1 Het is verboden om in Ontgassingsvrij gebied restladingdamp van aardolieproducten die bestaan uit meer dan 10% benzeen te emitteren. Lid 2 Van het verbod in het eerste lid kan ontheffing verleend worden als de belangen van het milieu zich daar niet tegen verzetten. Paragraaf2.4.2Stiltegebied Artikel2.39Zorgplicht Stiltegebied Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een Stiltegebied de na te streven stilte en rust wordt verstoord, is verplicht: dergelijk handelen of nalaten achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan; indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om de verstoring te beperken; indien er een verstoring optreedt, deze zoveel mogelijk te beperken en zo spoedig als mogelijk te beëindigen. Artikel2.40Streefwaarde Stiltegebied Binnen een Stiltegebied geldt een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq, 24 uur. Artikel2.41Grenswaarde milieubelastende activiteit Stiltegebied Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in een Stiltegebied geldt: 40 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte, op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit, als deze 100 meter of meer van de grens van het Stiltegebied ligt; 45 dB(A) Laeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte, op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit, als deze minder dan 100 meter van de grens van het Stiltegebied ligt. Artikel2.42Grenswaarde externe werking stiltegebied Lid 1 Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied geldt 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte: op de grens van het Stiltegebied, als de locatie van de activiteit 50 meter of meer van de grens van het Stiltegebied ligt; op 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit, als deze minder dan 50 meter van de grens van het Stiltegebied ligt. Lid 2 Als grenswaarde voor de geluidbelasting vanwege een niet locatiegebonden geluidsbron binnen de Attentiezone stiltegebied, geldt een geluidsniveau van 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op de grens van het Stiltegebied. Artikel2.43Verboden gebruik toestellen Stiltegebied Lid 1 Ter beperking van geluidsoverlast is het binnen een Stiltegebied verboden een toestel te gebruiken waardoor de na te streven stilte en rust wordt verstoord. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen: als het toestel wordt gebruikt bij de aanleg kabels en buisleidingen voor directe woonaansluitingen; als het gebruik van het toestel noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid; als het toestel wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en niet hoorbaar is op een afstand van meer dan 50 meter van het toestel; als het toestel wordt gebruikt: door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; als noodseinmiddel in geval van nood; bij of krachtens de Wet natuurbescherming. Lid 3 Het verbod bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor: de reguliere uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; de uitoefening van een locatiegebonden milieubelastende activiteit binnen de daarvoor geldende voorwaarden; werkzaamheden door het drinkwaterbedrijf in Waterwinning voor menselijke consumptie; het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel2.44Verboden gebruik motorvoertuig en bromfiets Stiltegebied Lid 1 Het is in een Stiltegebied verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen. Lid 2 Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. Lid 3 Het verbod bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor: de reguliere uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; de uitoefening van een locatiegebonden milieubelastende activiteit binnen de daarvoor geldende voorwaarden; werkzaamheden door het drinkwaterbedrijf in Waterwinning voor menselijke consumptie; het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel2.45Verboden gebruik vaartuigen Stiltegebied Het is in een Stiltegebied verboden met een verbrandingsmotor aangedreven vaartuig sneller te varen dan 6 kilometer per uur. Artikel2.46Verboden gebruik vuurwerk Stiltegebied Lid 1 Het is in een Stiltegebied verboden vuurwerk tot ontbranding te brengen. Lid 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als dit: noodzakelijk is voor oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar, of plaatsvindt gedurende een bij Vuurwerkbesluit aangewezen periode. Artikel2.47Instructieregels (Attentiezone) Stiltegebied Lid 1 Het bevoegd gezag houdt in het Stiltegebied en de Attentiezone stiltegebied rekening met de grenswaarden, genoemd in artikel 2.40 Streefwaarde Stiltegebied, artikel 2.41 Grenswaarde milieubelastende activiteit Stiltegebied en artikel 2.42 Grenswaarde externe werking stiltegebied bij: gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, Gemeentewet; gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onder e, en 2.1, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 8.42 Wet milieubeheer; de ontheffing bedoeld in artikel 8a.51 Wet luchtvaart. Lid 2 Het bevoegd gezag kan in geval van een bijzondere omstandigheid afwijken van de genoemde grenswaarden als: de afwijking van de grenswaarde zoveel mogelijk wordt beperkt; de overschrijding ten hoogste 5 dB(A) van de grenswaarde bedraagt. Lid 3 Er is in ieder geval sprake van een bijzondere omstandigheid als: de locatiegebonden milieubelastende activiteit door het onverkort toepassen van de grenswaarde redelijkerwijs niet mogelijk is; of uit onderzoek blijkt dat er geen alternatieve locatie mogelijk is. Lid 4 In aanvulling op artikel 2.21 lid 1, onder b Activiteitenbesluit verbindt het bevoegd gezag aan het toelaten van festiviteiten tot ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar de voorwaarde dat de grenswaarde als bedoeld in artikel 2.41 met ten hoogste 5 dB(A) wordt overschreden wat blijkt uit een daartoe opgestelde onderbouwing. Artikel2.48Ontheffing Stiltegebied Er kan ontheffing gevraagd worden van de artikel 2.43 tot en met artikel 2.46 overeenkomstig artikel 6.
  7. Afdeling 2.5 Infrastructuur Paragraaf2.5.1Provinciale weg Artikel2.49Verbod gedragingen buiten Provinciale weg Lid 1 Het is verboden om zich buiten de Provinciale Weg zodanig te gedragen dat daardoor de zorgplicht voor de provinciale weg wordt belemmerd of in het geding komt. Lid 2 Onder zorgplicht voor de provinciale weg wordt verstaan de wettelijke verplichting van de provincie om haar wegen te onderhouden, bedoeld in artikel 15 van de Wegenwet, en om de belangen te beschermen, bedoeld in artikel 2 van de Wegenverkeerswet
  8. Artikel2.50Verbod veranderen Provinciale weg Lid 1 Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten de Provinciale weg te veranderen. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het veranderen van de provinciale weg door of in opdracht van de provincie tijdens het uitvoeren van de zorgplicht voor de Provinciale weg. Lid 3 Ingeval er op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder d en e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist is die mede van toepassing is op een Provinciale weg, worden Gedeputeerde Staten door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Artikel2.51Verboden gebruik Provinciale weg Lid 1 Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten de Provinciale Weg te gebruiken voor ander gebruik dan voor verkeersdoeleinden. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing voor: de provincie tijdens het uitvoeren van de zorgplicht voor de provinciale weg; een gedenkteken, zolang die door de aanwezigheid, grootte, plaats of vormgeving de belangen die paragraaf 2.5.1 Provinciale weg beschermt niet in het geding brengt; voorwerpen en stoffen die kortstondig op de provinciale weg aanwezig zijn in verband met laad- en loswerkzaamheden, zolang deze voorwerpen of stoffen niet schadelijk, gevaarlijk of hinderlijk zijn of anderszins de belangen beschadigen die paragraaf 2.5.1 Provinciale weg beschermt; voor zover toestemming is verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de wegenverkeerswetgeving of artikel 2.50 Verbod veranderen Provinciale weg. Paragraaf2.5.2[gereserveerd] Afdeling 2.6 Natuur Paragraaf2.6.1Soortenbescherming Artikel2.52Vrijstelling soorten In verband met handelingen als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g, Wet natuurbescherming, is het in afwijking van artikel 3.10, eerste lid, Wet natuurbescherming, toegestaan om: de soorten uit de opgenomen tabel te vangen; de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de soorten uit de opgenomen tabel opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Amfibieen Bruine kikker Rana temporaria Gewone pad Bufo bufo Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris (oud: Triturus vulgaris) Meerkikker Rana ridibunda Middelste groene kikker (of bastaardkikker) Rana esculenta Zoogdieren Aardmuis Microtus agrestis Bosmuis Apodemus sylvaticus Dwergmuis Micromys minutus Dwergspitsmuis Sorex minutus Egel Erinaceus europeus Gewone bosspitsmuis Sorex araneus Haas Lepus europeus Huisspitsmuis Crocidura russula Konijn Oryctolagus cuniculus Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus Ree Capreolus capreolus Rosse woelmuis Clethrionomys glareolus Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus Veldmuis Microtus arvalis Vos Vulpes vulpes Wild zwijn Sus scrofa Woelrat Arvicola terrestris Artikel2.53Vrijstelling handelingen vogels ter bescherming tegen landbouwwerkzaamheden Lid 1 Ter bescherming tegen landbouwwerkzaamheden en vee is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.1 en artikel 3.2, zesde lid, Wet natuurbescherming, toegestaan handelingen uit te voeren bestemd en geschikt voor: vogels; eieren; niet vliegvlugge jongen als deze onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden weer in vrijheid worden gesteld. Lid 2 De vrijstelling geldt niet voor het verbod tot doden, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, Wet natuurbescherming. Artikel2.54Vrijstelling handelingen amfibieën ter veiligstelling tegen het verkeer Lid 1 Ter veiligstelling tegen het verkeer is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.5, 3.6, tweede lid en artikel 3.10 Wet natuurbescherming, toegestaan om: beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders te vangen door middel van het plaatsen van schermen en met behulp van emmers; de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben; de soorten, genoemd onder a, te vervoeren. Lid 2 De vrijstelling bedoeld in het eerste lid, geldt slechts: voor het vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats; voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. Artikel2.55Vrijstelling handelingen amfibieën voor onderzoek en onderwijs Met het oog op het gebruik bij onderzoek en onderwijs is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.10 Wet natuurbescherming, toegestaan: eieren van de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad, te vangen; eieren van de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben; eieren van de soorten, genoemd onder a, te vervoeren; de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad onder zich te hebben, voor zover de metamorfose nog niet is voltooid; de soorten, genoemd onder d, te vervoeren. Artikel2.56Vrijstelling handelingen voor onderzoek en onderwijs Met het oog op het gebruik voor onderzoek of onderwijs is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.2, zesde lid en artikel 3.6, tweede lid, Wet natuurbescherming, toegestaan: keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot onder zich te hebben; de producten, genoemd onder a, te vervoeren. Artikel2.57Vrijstelling handelingen uitzetten diersoorten Lid 1 Voor zover, op basis van deze paragraaf 2.6.1 Soortenbescherming, soorten zijn gevangen is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, Wet natuurbescherming, toegestaan dieren of eieren van dieren uit te zetten. Lid 2 De uitzetting, bedoeld in het eerste lid, vindt zo spoedig mogelijk plaats op een voor de soort geschikte locatie. Paragraaf2.6.2Schade- en overlastbestrijding Artikel2.58Vrijstelling schadeveroorzakende soorten Lid 1 Ter voorkoming van schade is het in afwijking van artikel 3.1, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, Wet natuurbescherming, toegestaan voor de volgende soorten, handelingen, belangen, gevallen en middelen de genoemde handelingen te verrichten: Soorten Handeling Wettelijk belang Vrijstelling Middelen Steenmarter Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Belangrijke schade aan gebouwen of eigendommen gelegen binnen de bebouwde kommen Overlast in geval van vaste voortplantings-plaats of verblijfplaats in woningen, scholen, bedrijfsgebouwen of sport-accomodaties, gelegen binnen de bebouwde kommen -vangkooien Veldmuis Vangen Doden Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten Belangrijke schade aan gewassen. -rodenator -middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld. -klemmen Woelrat Vangen Doden Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Belangrijke schade of dreigende schade aan teelt van appels en peren Belangrijke schade of dreigende schade aan waterkeringen. -rodenator -middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld. -klemmen -vangkooien Lid 2 De vrijstelling geldt uitsluitend: voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade; voor de grondgebruiker respectievelijk een door hem op grond van artikel 3.15, zevende lid, Wet natuurbescherming aangewezen persoon; op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringend gebied; nadat passende en doeltreffende preventieve maatregelen zijn ingezet overeenkomstig het faunabeheerplan; als handelingen worden verricht overeenkomstig het faunabeheerplan. Lid 3 De vrijstelling voor het doden of het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de woelrat is uitsluitend van toepassing met gebruik van de toegestane middelen, op percelen waar teelt van appels en peren plaatsvindt. Lid 4 De vrijstelling voor het vangen of doden van de woelrat, ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen geldt enkel op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daaropvolgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. Lid 5 De vrijstelling voor het verstoren, opzettelijk vangen en verplaatsen van steenmarters, alsmede het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soort geldt alleen op grond van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortbeheerplan. Lid 6 Het opzettelijk vangen en verplaatsen van steenmarters alsmede het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen daarvan mag alleen worden uitgevoerd door een ecologisch terzake deskundige. Lid 7 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgeschort door Gedeputeerde Staten als bijzondere weersomstandigheden hiertoe aanleiding geven. Artikel2.59Vrijstelling overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom Lid 1 Ter bestrijding van overlast binnen de bebouwde kom is het gemeenten, in afwijking van artikel 3.1, eerste tot en met vierde lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, Wet natuurbescherming, toegestaan de daarin genoemde handelingen te verrichten voor de soorten, handelingen, belangen, gevallen en middelen die in artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten, eerste lid, zijn aangewezen. Lid 2 De vrijstelling voor het opzettelijk verstoren of vangen, al dan niet in combinatie met het verplaatsen en vernielen van nesten en rustplaatsen, geldt alleen op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortenbeheerplan. Lid 3 Het verstoren, vangen, opzettelijk vernielen van nesten en rustplaatsen mag alleen worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Artikel2.60Verbod verstorende activiteiten in Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten Lid 1 In Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten mogen in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk worden verontrust: brandganzen; grauwe ganzen; kolganzen; rotganzen; taigarietganzen; toendrarietganzen; smienten. Lid 2 Het opzettelijk verontrusten, bedoeld in het eerste lid, wordt, gelet op de verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn, geacht van wezenlijke invloed te zijn op de staat van instandhouding van deze soorten. Lid 3 In afwijking van artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten, eerste lid, is het de grondgebruiker, in de rust- en foerageergebieden, in de periode 1 november tot 1 april, slechts toegestaan van die vrijstelling gebruik te maken voor zover gebruikmaking hiervan niet leidt tot verontrusting van de aldaar aanwezige, in het eerste lid genoemde, soorten. Lid 4 Als de grondgebruiker de ingevolge de vrijstelling toegestane handelingen door een ander laat uitoefenen, is het derde lid ook van toepassing op die persoon. Lid 5 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor de opstallen, bedoeld in artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten, tweede lid, onder c voor zover het door de grondgebruiker gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven betreft. Artikel2.61één-op-één beheermethode wilde zwijnen Het doden van wilde zwijnen door middel van de één-op-één beheermethode, bedoeld in artikel 3.33, tweede lid, Wet natuurbescherming, is alleen toegestaan als dit in overeenstemming is met het faunabeheerplan. Paragraaf2.6.3Houtopstanden Artikel2.62Vrijstelling meldings- en herplantplicht Lid 1 Het verbod, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, Wet natuurbescherming, alsmede de verplichting, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming, zijn niet van toepassing als sprake is van: houtopstanden op oevers van vennen en poelen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist; of een tijdelijke houtopstand. Lid 2 Van een houtopstand als bedoeld in het eerste lid, onder c, is sprake als is voldaan aan de volgende voorwaarden: voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg bij Gedeputeerde Staten gemeld overeenkomstig artikel 6.12 Eisen vellingsmelding houtopstanden; de houtopstand is niet aangeplant ter voldoening aan een andere verplichting tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming en is tevens vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving; de houtopstand is aangeplant voor de productie van hout of biomassa; de houtopstand wordt binnen een periode van 40 jaar geheel geveld, gerekend vanaf het tijdstip van aanleg als bedoeld onder a. Artikel2.63Eisen herplanting Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming voldoet in elk geval aan de volgende eisen: de oppervlakte van de herbeplanting is tenminste even groot als de oppervlakte van de gevelde houtopstand; de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak vormen; het gebruik van sierheesters, tuinsoorten en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan; herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, Wet natuurbescherming niet aantasten; de herbeplante houtopstand kan op termijn tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen. Artikel2.64Ontheffingen herplantplicht Lid 1 Ontheffing van de herplantplicht, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet Natuurbescherming, is mogelijk als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: velling van een houtopstand die als gevolg van natuurlijke processen op heideterreinen of zandverstuivingen is ontstaan; velling van een houtopstand in verband met het omvormen naar een ander natuurbeheertype dan bos, op basis van de als onderdeel van het natuurbeheerplan vastgestelde ambitiekaart of maatregelkaarten; velling van een houtopstand ter bevordering van de cultuurhistorische, aardkundige of archeologische waarden ter plaatse. Lid 2 Ontheffing van de verplichting tot herplant op dezelfde grond, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet Natuurbescherming is mogelijk als dit niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden ter plaatse en, in aanvulling op artikel 2.63 Eisen herplanting, wordt voldaan aan de volgende eisen: de andere grond is gelegen in de provincies Noord-Brabant of Limburg; de andere grond is van gelijkwaardige grondkwaliteit; als de velling heeft plaatsgevonden op grond die is gelegen in of aan een boskern vindt herplant ook plaats in of aan een boskern; beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van ter plaatse aanwezige beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden; de andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming en tevens vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving. Lid 3 Ontheffing is mogelijk van de herplanttermijn, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet Natuurbescherming als natuurlijke of fysieke omstandigheden het niet mogelijk maken om binnen de termijn van 3 jaar aan de herplantplicht te voldoen. Afdeling 2.7 Landbouw Paragraaf2.7.1Bescherming Natura 2000 Artikel2.65Vrijstelling vergunningenplicht Natura-2000 Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming, is niet van toepassing op agrarische beregening uit grondwater als is voldaan aan de Regeling natuurbescherming Noord-Brabant. Artikel2.66Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij Lid 1 Vanaf 1 januari 2021 is het verboden een huisvestingssysteem toe te passen of in werking te hebben dat: is gerealiseerd op basis van een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit, die: voor de hoofdcategorie rundvee uit de Regeling ammoniak en veehouderij: langer dan 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden respectievelijk langer dan 20 jaar geleden is ingediend, voor alle andere diercategorieën: langer dan 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden, respectievelijk langer dan 15 jaar geleden is ingediend; niet voldoet aan de vereisten opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem bij deze verordening. Lid 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt als datum 1 januari 2020, indien het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 niet voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Lid 3 In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt als datum 1 oktober 2022, indien: het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting; voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2021 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend. Lid 4 In aanvulling op het eerste en tweede lid geldt voor veehouderijen die op 6 juli 2017 op bedrijfsniveau gemiddeld voldeden aan de op dat moment geldende technische staleisen opgenomen in bijlage 2 dat de veehouderij voldoende mogelijkheden krijgt, zonder dat de bedrijfsvoering van de onderneming in gevaar komt, om te zorgen dat elk toegepast huisvestingssysteem binnen de veehouderij op zichzelf kan voldoen aan de vereisten als opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem bij deze verordening. Artikel2.67Afwijkende regels voor specifieke categorieën In afwijking van artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij, eerste lid, aanhef, geldt: voor melkrundveehouderijen die toepassing geven aan een stro(oisel)stal als datum 1 januari 2024 indien: de stallen onderdeel zijn van een natuurinclusieve bedrijfsvoering; de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder; voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2022 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend; voor een veehouderij die gebruik wil maken van een innovatief huisvestingsysteem dat in ontwikkeling is, als datum 1 oktober 2022 indien: het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting; het systeem betrekking heeft op een brongerichte techniek met een aantoonbare kwaliteitsverbetering ten opzichte van op het moment van aanvraag beschikbare systemen; aannemelijk is dat aan het systeem tijdig een Rav-code is toegekend met een emissiefactor die voldoet aan bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem; uiterlijk 1 januari 2021 hiervan mededeling is gedaan door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. voor vlees- en fokstieren uit de diercategorie A6 en A7, als datum 1 januari 2023 indien voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2021 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend; voor geiten uit de diercategorie C1, C2 dan wel C3, als datum 1 januari 2023 indien voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2021 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend; Artikel2.68Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij Lid 1 Een huisvestingssysteem dat niet voldoet aan artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij mag toegepast worden tot uiterlijk 1 oktober 2022, indien: de veehouderij, waarvan het huisvestingssysteem deel uitmaakt, de bedrijfsvoering in zijn geheel beëindigt per uiterlijk 1 oktober 2022 en hiervan voor 1 januari 2021 bij de provincie mededeling is gedaan, door middel van het door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier; het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting; gelijktijdig met de mededeling bewijs wordt overlegd dat een melding Activiteitenbesluit is gedaan dat het houden van vee uiterlijk 1 oktober 2022 wordt gestaakt, respectievelijk een verzoek is gedaan tot intrekking van de omgevingsvergunning milieu per uiterlijk 1 oktober 2022; voor zover van toepassing gelijktijdig met de mededeling wordt verzocht om intrekking van de vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming per uiterlijk 1 oktober 2022; de elektrische installatie is goedgekeurd volgens NTA 8220 door een daartoe gecertificeerde instantie. Lid 2 Een huisvestingssysteem dat niet voldoet aan artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij mag toegepast worden tot uiterlijk 1 januari 2024 indien: de veehouderij waarvan het huisvestingssysteem deel uitmaakt, de bedrijfsvoering in zijn geheel beëindigt per uiterlijk 1 januari 2024 en hiervan voor 1 januari 2021 bij de provincie mededeling is gedaan, door middel van het door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier; het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting; gelijktijdig met de mededeling bewijs wordt overlegd dat een melding Activiteitenbesluit is gedaan dat het houden van vee uiterlijk 1 januari 2024 wordt gestaakt, respectievelijk een verzoek is gedaan tot intrekking van de omgevingsvergunning milieu per uiterlijk 1 januari 2024; voor zover van toepassing gelijktijdig met de mededeling wordt verzocht om intrekking van de vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming per uiterlijk 1 januari 2024; veehouderijen gevestigd binnen het werkingsgebied Beperkingen veehouderij instemmen dat het houden van vee planologisch wordt verboden op de locatie; vanaf 1 oktober 2022 ten hoogste het aantal dieren wordt gehouden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit de stallen waarvan sprake zou zijn geweest wanneer de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de tot 1 januari 2021 geldende emissiereductie eisen, zoals opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem; als peildatum voor het bepalen van het aantal dieren geldt het aantal dieren dat op 18 juni 2019 op de locatie gehouden kan worden op grond van de vergunning ingevolge artikel 2.7 Wet natuurbescherming, of bij gebreke daarvan de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer; indien het een melkveehouderij betreft, deze over de periode 2020 tot en met 2023 voldoet aan de voorwaarden voor: derogatie, wat blijkt uit een door RvO verleende derogatievergunning, of biologische bedrijfsvoering, wat blijkt een door SKAL uitgegeven certificaat; de elektrische installatie is goedgekeurd volgens NTA 8220 door een daartoe gecertificeerde instantie. Artikel2.69Eisen huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij Lid 1 In aanvulling op artikel 1.11 Wet natuurbescherming, geldt bij het realiseren van een nieuwe stal dat deze voldoet aan de technische staleisen zoals opgenomen in Bijlage 2 op het moment dat de voor het realiseren van die nieuwe stal vereiste: aanvraag om een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming is ingediend; melding ingevolge artikel 2.7, eerste lid Regeling natuurbescherming is gedaan; aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vastgestelde algemene maatregel van bestuur is ingediend, waarvoor op grond van artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een verklaring van geen bedenkingen is vereist; of, als onderdelen a tot en met c niet van toepassing zijn: een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend; een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan. Lid 2 Onder nieuwe stal wordt verstaan: een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf, waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning onderdeel bouwen vereist is en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het huisvestingssysteem uit de dan geldende Bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij; of waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de systemen opgenomen in artikel 2.70 Lijst met systemen, op het moment dat de daarvoor vereiste aanvraag om een vergunning is ingediend of de benodigde melding is gedaan, voor zover het aanleggen, aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof; een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf; een gebouw dat in de beoogde situatie als dierenverblijf wordt ingericht. Lid 3 Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een Rav-code is opgenomen in de lijst behorende bij de Regeling ammoniak veehouderij. Artikel2.70Lijst met systemen Systemen als bedoeld in artikel 2.69 Eisen huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij zijn: luchtwasser; warmtewisselaar; warmteheater; bevorderen van interne luchtcirculatie door middel van ventilatoren of verwarming; biofilter; aanpassing van mestputten bij vee; aanpassing van (rooster)vloeren bij vee; aanpassing van opslagsystemen voor dierlijke mest; schuine putwanden; water- of mestkanalen; systemen voor frequente mestafvoer (zoals riolering, mestpannen, mestbanden, mestschuiven); mestmix- en mestbeluchtingssystemen; systemen voor gescheiden opvang van urine en vaste mest; mestbehandeling of wijzigen samenstelling (zoals temperatuurwijziging, luchtdoorvoer, toevoegen van zuur of formaldehyde); aanpassing van ventilatiesystemen; ionisatie; droogfilterwand; droogtunnel; filters; wijzigingen in grond- of volièrehuisvesting; strooiselschuiven; luchtconditionering; buizenverwarming. Paragraaf2.7.2Ontwikkeling agrarische bedrijven Artikel2.71Tijdelijk verbod geitenhouderijen Lid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.47 Tijdelijk verbod geitenhouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor geitenhouderijen in Landelijk gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten is verboden. Lid 2 Als bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten geldt de oppervlakte die: als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en op 7 juli 2017 legaal aanwezig was; of mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning. Lid 3 In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verlenen, als het een vestiging of omschakeling betreft vanwege de verplaatsing van een bestaande geitenhouderij vanwege een aantoonbaar belang voor de bescherming van de gezondheid onder een gelijkblijvende omvang van deze geitenhouderij. Lid 4 In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verlenen, als: de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten die de geitenhouderij krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 7 juli 2017 mag houden; het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m² dierenverblijf hanteert. Artikel2.72Verbod uitbreiding veehouderij Lid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied en artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een veehouderij in Stedelijk gebied en Beperkingen Veehouderij dat: een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten; binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden. Lid 2 Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die: op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning. Lid 3 Het verbod bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt niet voor een veehouderij gevestigd in Beperkingen veehouderij, die voldoet aan de voorwaarden van een grondgebonden veehouderij, als opgenomen in de nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij als bedoeld in artikel 5.
  9. Artikel2.73Zorgvuldige veehouderij Lid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor veehouderijen in Landelijk Gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij is verboden. Lid 2 Het verbod uit het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging van een bestaand gebouw naar dierenverblijf aan de volgende voorwaarden is voldaan: maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; de maatregelen onder a. in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij; de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, inpasbaar is in de omgeving; is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3; een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief; binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden. Lid 3 Als bestaande oppervlakte van een dierenverblijf geldt de oppervlakte die: als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en op 17 maart 2017 legaal aanwezig was, of mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning. Artikel2.74Stalderen Lid 1 Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden. Lid 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat: binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Lid 3 Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die: op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning. Lid 4 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 5 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: het betreft een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf; het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. Lid 6 Het bewijs dat aan de voorwaarden van het tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten. Artikel2.75Afwijkende regels stalderen voor een stoppende veehouderij In afwijking van artikel 2.74 Stalderen, vijfde lid, onder b, geldt voor veehouderijen die op 1 januari 2024 stoppen met de bedrijfsvoering en die gebruik maken van artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij dat alleen de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren dat nodig is om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, meetelt als inbreng voor een te saneren dierenverblijf. Artikel2.76Sanerings- en verplaatsingslocatie Agrarisch bedrijf Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf een verbod voor het oprichten van bebouwing ten behoeve van een veehouderij of glastuinbouwbedrijf. Paragraaf2.7.3Mestbewerking Artikel2.77Mestbewerking Lid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid, en artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied is verboden. Lid 2 Het verbod uit het eerste lid geldt niet als wordt voldaan aan de voorwaarden uit: artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid; of artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking. Lid 3 Als bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de oppervlakte van: de bebouwing die: op 13 juni 2017 legaal aanwezig was, of mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017 verleende omgevingsvergunning; de onbebouwde grond die op 13 juni 2017 legaal mag worden gebruikt. Hoofdstuk3Instructieregels aan gemeenten Afdeling 3.1 Algemeen Paragraaf3.1.1Algemene bepalingen Artikel3.1Toepassingsbereik Lid 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen: een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, Wet ruimtelijke ordening; een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening; een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken; een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 Crisis- en herstelwet. Lid 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder toelichting bij een bestemmingsplan tevens begrepen de motivering van het besluit en de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning en projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in het eerste lid onder c. en d. Artikel3.2Rangorde In geval meerdere bepalingen in dit hoofdstuk gelijktijdig van toepassing zijn op een gebied of in het geval dat er meerdere bepalingen van toepassing zijn binnen één bouwperceel, geldt de meest beperkende bepaling tenzij dit uitdrukkelijk anders is bepaald. Artikel3.3Verhouding hoofdfunctie en nevenfunctie Als op grond van dit hoofdstuk vestiging van een functie of gebruiksactiviteit op een bouwperceel is toegestaan, is die functie of activiteit ook als nevenfunctie toegestaan, tenzij dit expliciet anders is bepaald. Artikel3.4Algemene maatwerkbepaling Lid 1 Een bestemmingsplan kan in een specifiek geval, vanwege bijzondere omstandigheden, een ondergeschikte afwijking bevatten van de maten zoals in deze verordening genoemd, als daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel van de regel. Lid 2 Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken wanneer dit nodig is vanwege een groot openbaar belang als: is verzekerd dat er elders een gelijkwaardige ruimtelijke ontwikkeling planologisch, juridisch en feitelijk wordt opgeheven waarbij de aanwezige bebouwing is gesloopt, die in directe relatie staat tot de nieuwvestiging; dit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, mede gelet op de bepalingen in deze verordening; dit geen onevenredige aantasting van waarden geeft; de ruimtelijk-economische belangen voor de langere termijn aanwezig zijn; de juridische of feitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de omliggende gemeenten ontbreken; ingeval het een veehouderij betreft in Beperkingen Veehouderij, de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder; ingeval de locatie in het Natuur Netwerk Brabant ligt, er overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant. Lid 3 Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken van bebouwing, onder overeenkomstige toepassing van de regels die voor het betreffende werkingsgebied zijn op genomen, als dit vanuit het algemeen belang nodig is voor: het transporteren en leveren van energie, gas of water; communicatiedoeleinden; de bouw van waterstaatswerken. Paragraaf3.1.2Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel3.5Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Artikel3.6Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel3.7Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel3.8Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel3.9Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing; de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Afdeling 3.2 Basis op orde Paragraaf3.2.1Waterwinning voor menselijke consumptie Artikel3.10Waterwingebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Waterwingebied strekt uitsluitend tot instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening waarbij een medebestemming voor natuur of bos is toegelaten. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; het gebruik van uitloogbare materialen verbiedt. Artikel3.11Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: functies en activiteiten beperken die risico’s geven voor de kwaliteit van het grondwater, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten die (potentieel) schadelijke stoffen gebruiken; het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden. Lid 3 Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: zink, lood, koper; gewolmaniseerd hout; teerbitumen. Artikel3.12Boringsvrije zone Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Boringsvrije Zone strekt mede tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen. Paragraaf3.2.2Stiltegebied Artikel3.13Toedeling activiteiten en functies in Stiltegebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Stiltegebied strekt mede tot behoud van stilte en rust in het gebied en houdt daarmee rekening bij de toedeling van functies en activiteiten. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten die behoren tot het normale gebruik, beheer en onderhoud van binnen het gebied aanwezige functies en gronden. Artikel3.14Externe werking [stiltegebied] Een bestemmingsplan houdt bij een evenwichtige toedeling van activiteiten en functies in de Attentiezone Stiltegebied rekening met het behoud van de stilte en rust in het daarbinnen gelegen Stiltegebied. Paragraaf3.2.3Natuur Netwerk Brabant Artikel3.15Bescherming Natuur Netwerk Brabant Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Lid 2 Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Lid 3 Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid. Artikel3.16Externe werking Natuur Netwerk Brabant Lid 1 In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie. Lid 2 Op de overdraai van de wieken van een windturbine die buiten het Natuur Netwerk Brabant staat, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Lid 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Artikel3.17Afwijkende regels ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor: nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig artikel 3.18; het nee, tenzij-principe, overeenkomstig artikel 3.19; de saldo-benadering, overeenkomstig artikel 3.20; een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig artikel 3.
  10. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op Natura 2000 - gebied. Artikel3.18Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant Lid 1 Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bepalen dat ontwikkelingen binnen een omheind militair terrein zijn toegestaan als negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel als mogelijk worden beperkt en er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie. Lid 3 Een bestemmingsplan kan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan als: het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door Stedelijk gebied loopt; de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Artikel3.19Toepassing van het Nee, tenzij-principe Lid 1 Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat een onderbouwing dat: er sprake is van een groot openbaar belang; er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant; er geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen; de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt; er bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. Lid 2 Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat: gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten; een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen; tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen. Lid 3 Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. Artikel3.20Toepassing van de saldobenadering Lid 1 Bij de saldobenadering is er sprake van een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel. Lid 2 Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan de saldo-benadering, bevat een visie die de ontwikkelingen binnen het betrokken gebied in samenhang beziet en die tot doel heeft een grotere kwaliteitswinst voor meerdere functies, waaronder de natuur, te bereiken. Lid 3 De visie beschrijft in ieder geval: de omvang van het gebied; de doelen voor de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant waardoor een beter functioneren van het Natuur Netwerk Brabant ontstaat; er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. Lid 4 Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. Artikel3.21Kleinschalige herbegrenzing Lid 1 Een bestemmingsplan kan een ontwikkeling binnen Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat: de aantasting van areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is; de ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant; de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel; er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing; er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. Lid 2 Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. Artikel3.22Compensatie Lid 1 De verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door: fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 3.23; financiële compensatie, overeenkomstig artikel 3.
  11. Lid 2 De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling: natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag; tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak; tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak; bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk; bij verstoring van natuur: maatwerk. Artikel3.23Fysieke compensatie Lid 1 De fysieke compensatie vindt plaats in: de niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant; de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones. Lid 2 Fysieke compensatie kan ook plaatsvinden in, aansluitend op of nabij het aangetaste gebied als dit deel uitmaakt van de saldobenadering bedoeld in artikel 3.20 Toepassing van de saldobenadering. Lid 3 Een bestemmingsplan waarvoor een compensatieplicht geldt, borgt de uitvoering van de compensatie. Lid 4 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid bevat een verantwoording over: de omvang van het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken en op welke locatie dat optreedt; de locatie waar en de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd; de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie; de termijn van uitvoering; de inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen; het reguliere- en ontwikkelingsbeheer. Lid 5 De uitvoering van de fysieke compensatie wordt binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, bedoeld in het derde lid afgerond. Lid 6 In aanvulling op het vijfde lid, wordt bij een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de aantasting daadwerkelijk start. Lid 7 In afwijking van het vijfde lid kan bij een omvangrijke en zware compensatieverplichting, de uitvoering van de compensatie een termijn van maximaal tien jaar bedragen, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Artikel3.24Financiële compensatie Lid 1 De financiële compensatie wordt bepaald op grond van de omvang van de compensatieverplichting overeenkomstig artikel 3.22, tweede lid, en omvat de volgende kostenelementen: kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering; kosten van de aanschaf van vervangende grond; kosten van de basisinrichting; kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd. Lid 2 De financiële compensatie wordt uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort in de provinciale compensatievoorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling. Artikel3.25Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van: ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied en in Verstedelijking Afweegbaar; ten minste 25 meter in alle overige gebieden. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels, om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, die in ieder geval: het oprichten van bebouwing beperken; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken. Lid 3 Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing. Artikel3.26Attentiezone waterhuishouding Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. Artikel3.27Behoud en herstel van watersystemen Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: het oprichten van bebouwing beperken; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken; het ophogen van gronden beperken. Paragraaf3.2.4Aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden Artikel3.28Aardkundige waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied: is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Artikel3.29Cultuurhistorische waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Artikel3.30Nieuwe Hollandse Waterlinie Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Nieuwe Hollandse Waterlinie: is mede gericht op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden; stelt regels ter bescherming van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden. Lid 2 De kernkwaliteiten van de Nieuwe Holl

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.