← Nederland

Omgevingsplan gemeente Duiven (Duiven)

In het kort

Dit omgevingsplan regelt de fysieke leefomgeving binnen de gemeente Duiven, met specifieke aandacht voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Het stelt regels en doelen vast voor diverse activiteiten en functies binnen dit gebied.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/gemeente/2024/CVDR696226 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0226/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-06-25 2025-06-25 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696226/nld@2025-08-15 /join/id/proc

Afdeling 1

.1 Begrippen en meet- en rekenbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan. 2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 3. Begripsbepalingen opgenomen in bijlage III zijn van toepassing op het wijzigingsplan Centerpoort-Noord II welke is opgenomen in titel 20.1. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen Bijlage IV bij dit omgevingsplan bevat meet- en regelbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan. Artikel 1.3 Voorrangsbepaling begrippen en meet- en rekenbepalingen 1. Voor zover de begripsbepalingen in bijlage III bij dit omgevingsplan strijdig zijn met de begripsbepalingen in bijlage II van dit omgevingsplan, hebben de begripsbepalingen in bijlage II voorrang op de begripsbepalingen in bijlage III met uitzondering van de begripsbepaling voor straatpeil. 2. Voor zover de reken- en meetbepalingen in bijlage IV strijdig zijn met de reken- en meetbepalingen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, hebben de reken- en meetbepalingen in hoofdstuk 22 voorrang op de reken- en meetbepalingen in Bijlage IV. Afdeling 1.2 Algemene bepalingen voor activiteiten Artikel 1.4 Geometrische begrenzing 1. De regels in dit omgevingsplan gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Duiven, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald in dit omgevingsplan. 2. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van alle geografische informatieobjecten voor de toepassing van dit omgevingsplan. Artikel 1.5 Normadressaat Aan de regels voor activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in dit omgevingsplan nadrukkelijk anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Hoofdstuk 2 Doelen en omgevingswaarden Hoofdstuk 3 Programma’s Hoofdstuk 4 Gebieden Hoofdstuk 5 Gebiedsaanwijzing Hoofdstuk 6 Algemene regels Hoofdstuk 7 Gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 8 Ruimtelijke bouwactiviteiten Hoofdstuk 9 Activiteiten met betrekking tot werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden en sloopactiviteiten Hoofdstuk 10 Milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 11 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Hoofdstuk 12 Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied Hoofdstuk 13 Overige activiteiten Hoofdstuk 14 Beheer en onderhoud Hoofdstuk 15 Financiële bepalingen Hoofdstuk 16 Procesregels Hoofdstuk 17 Handhaving Hoofdstuk 18 Monitoring en informatie Hoofdstuk 19 Gereserveerd TAM-omgevingsplannen Hoofdstuk 20 Wijzigingsplannen Titel 20.1 Centerpoort-Noord II Afdeling 20.1.1 Algemeen Artikel 20.1 Toepassingsbereik titel 20.1 1. De regels in titel 20.1 zijn van toepassing op de in dit omgevingsplan opgenomen activiteiten voor de gebiedsontwikkeling Centerpoort-Noord II. 2. De regels in deze titel gelden op de locatie besluitgebied - Centerpoort-Noord II. Artikel 20.2 Aanwijzing Er is een gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.3 Doelen Binnen het Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. het duurzaam ontwikkelen en beheren van een regionaal bedrijventerrein; b. het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat, waaronder: 1. het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan wonen; en 2. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling; c. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waaronder: 1. het waarborgen van de veiligheid; en 2. het beschermen van de gezondheid tegen onder meer geluid, geur en trillingen; d. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen. e. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling, waaronder: 1. het overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie, door: I. het ontwikkelen en in gebruik nemen van een decentraal energienetwerk; II. maximale opwekking van zonne-energie en kleinschalige windenergie; en 2. het bouwen binnen gesloten kringlopen, door: I. het opstellen van een materialenpaspoort; II. bio-based en duurzaam materiaalgebruik; III. het gebruik maken van modulaire bouwsystemen die demontabel zijn; IV. afvalstromen tijdens de bouw gescheiden in te zamelen en het stimuleren van hergebruik op de bouwplaats; en 3. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress, door: I. zoveel mogelijk groen en half verharding op de bedrijfskavel toe te passen; II. passieve koeling van gebouwen (positionering zon, gebruik lichte kleuren, creëren schaduw; III. toepassen van groene daken en gevels en aanplanten van bomen en planten; en 4. het bevorderen van duurzame mobiliteit, door: I. het realiseren van voldoende (fiets)parkeerplekken met laadpalen. f. het versterken van de biodiversiteit, waaronder: 1. het aanplanten van inheemse planten, bomen en bloemen; en 2. het plaatsen van broed- en nestkasten voor vogels, vleermuizen en insecten. Artikel 20.4 Voorrangsbepaling 1. Voor zover regels uit deze titel strijdig zijn met regels uit hoofdstuk 2 tot en met 19 van dit omgevingsplan, hebben de regels uit deze titel voorrang op de regels uit hoofdstuk 2 tot en met 19. 2. Voor zover regels uit deze titel strijdig zijn met regels uit hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, hebben de regels uit deze titel voorrang op de regels uit hoofdstuk 22. Voor het overige blijven de regels uit hoofdstuk 22 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan onverkort gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Afdeling 20.1.2 Gebiedsaanwijzing Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.2.1 Gebiedsaanwijzing - functies Centerpoort-Noord II Subparagraaf 20.1.2.1.1 Functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Artikel 20.5 Aanwijzing functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.6 Doelen functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II geldt het volgende doel: a. het ontwikkelen van een duurzaam en toekomstbestendig bedrijventerrein. Subparagraaf 20.1.2.1.2 Functie - groen Centerpoort-Noord II Artikel 20.7 Aanwijzing functie - groen Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing functie - groen Centerpoort-Noord II. Artikel 20.8 Doelen functie - groen Centerpoort-Noord II Binnen de functie - groen Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. de ruimte zoveel mogelijk groen en halfverhard uitvoeren, zodat rekening wordt gehouden met de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; b. het blijvend versterken van de biodiversiteit door in de openbare ruimte verschillende soorten begroeiing toe te passen om beter om te kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering. Subparagraaf 20.1.2.1.3 Functie - verkeer Centerpoort-Noord II Artikel 20.9 Aanwijzing functie verkeer- Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing functie - verkeer Centerpoort-Noord II. Artikel 20.10 Doelen functie verkeer - Centerpoort-Noord II Binnen de functie - verkeer Centerpoort-Noord II geldt het volgende doel: a. het zorgdragen voor een verkeersveilige ontsluiting van het bedrijventerrein en de bedrijven door onder andere het aanleggen een gebruikmaken van vrijliggende fietspaden. Paragraaf 20.1.2.2 Gebiedsaanwijzing - erfgoed Centerpoort-Noord II Artikel 20.11 Aanwijzing waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II. Artikel 20.12 Doelen waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II Binnen het waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II geldt het volgende doel: a. het behoud van cultureel erfgoed, waaronder tevens begrepen het beschermen van archeologische waarden en monumenten. Paragraaf 20.1.2.3 Gebiedsaanwijzing - geluidruimte Centerpoort-Noord II Artikel 20.13 Aanwijzing geluidruimte bedrijventerrein - zone geuid verruimd Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II. Artikel 20.14 Doelen geluidruimte bedrijventerrein - zone 4 Centerpoort-Noord II Binnen het gebied geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. het realiseren van een aanvaardbaar akoestisch klimaat; b. het realiseren een gezonde woon- en leefomgeving; c. het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten. Paragraaf 20.1.2.4 Gebiedsaanwijzing - geurruimte Centerpoort-Noord II Artikel 20.15 Aanwijzing geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II Er is een gebiedsaanwijzing geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II. Artikel 20.16 Doelen geurruimte bedrijventerrein - zone 3 Centerpoort-Noord II Binnen het gebied geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II gelden de volgende doelen: a. het realiseren van een aanvaardbaar geurklimaat; b. het realiseren een gezonde woon- en leefomgeving; c. het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten. Afdeling 20.1.3 Algemene regels Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.3.1 Algemene regels - parkeren Centerpoort-Noord II Artikel 20.17 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.3.1 1. Deze paragraaf gaat over de regels met betrekking tot het parkeren van auto’s en fietsen. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.18 Gebodsbepaling Degene die een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit verricht, is verplicht om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op eigen terrein en deze duurzaam in stand te houden. Artikel 20.19 Beoordelingsregels gebodsbepaling 1. Voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 20.18 betekent dat voldaan wordt of zal worden voldaan aan de gemiddelde parkeernormen ten aanzien van auto's en fietsen zoals opgenomen in de 'Parkeernormennota Duiven' die in werking is getreden op 3 februari 2018, of diens rechtsopvolger. Dan wel, bij het ontbreken van gemeentelijk beleid, aan de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW Parkeerkencijfers 2018 (publicatie 381) of de meest recente uitgave hiervan op het moment van het starten van de bouwactiviteit of gebruiksactiviteit. 2. De benodigde parkeerplaatsen zoals bedoeld onder het eerste lid dienen te worden aangelegd en duurzaam in stand gehouden te worden op eigen terrein of gronden die duurzaam daarvoor aangewend kunnen worden en welke direct aansluitend bij het gebouw/perceel zijn gelegen. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is een vorm van strijdigheid met artikel 20.18 van dit omgevingsplan. Artikel 20.20 Binnenplanse afwijking: parkeren Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.19 indien: a. op andere wijze in de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien, of; b. uit (parkeer)onderzoek blijkt dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is in het openbaar gebied, of; c. er door andere omstandigheden, mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of bouwwerk, zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm. Artikel 20.21 Beoordelingsregel binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.20 wordt alleen verleend als: a. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; dit betekent in ieder geval dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad; en c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid. Paragraaf 20.1.3.2 Algemene regels - laden en lossen Centerpoort-Noord II Artikel 20.22 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.3.2 1. Deze paragraaf gaat over de regels met betrekking tot het laden en lossen. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.23 Gebodsbepaling Degene die een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit verricht, is verplicht om te voorzien in voldoende laad- en losruimte op eigen terrein en deze duurzaam in stand te houden. Artikel 20.24 Beoordelingsregels gebodsbepaling 1. Voldoende laad- en losruimte als bedoeld in artikel 20.23 betekent dat wordt voorzien in de behoefte voor het laden en lossen van goederen en daaronder mede begrepen de bijbehorende voorzieningen en manoeuvreerruimte zoals bepaald in de 'Parkeernormennota Duiven' die in werking is getreden op 3 februari 2018 of diens rechtsopvolger. Dan wel, bij het ontbreken van gemeentelijke beleid, aan de kaders van de meeste recente uitgave van de ASVV (uitgegeven door CROW) op het moment van het starten van een bouwactiviteit of gebruiksactiviteit. 2. De benodigde laad- en losruimte zoals bedoeld onder het eerste lid dient te worden aangelegd en duurzaam in stand te worden gehouden op eigen terrein of op gronden die daarvoor duurzaam kunnen worden aangewend en welke direct aansluitend bij het gebouw/perceel zijn gelegen. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is een vorm van strijdigheid met artikel 20.23 van dit omgevingsplan. Artikel 20.25 Binnenplanse afwijking: laden en lossen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.24 indien: a. op andere wijze in de benodigde laad- en losruimte wordt voorzien, of; b. uit (parkeer)onderzoek blijkt dat voldoende laad- en losgelegenheid in het openbaar gebied aanwezig is, of; c. er door andere omstandigheden, mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of bouwwerk, zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik kan worden volstaan met een lagere norm. Artikel 20.26 Beoordelingsregel binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.25 wordt alleen verleend als: a. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; dit betekent in ieder geval dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad; en c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid. Paragraaf 20.1.3.3 Algemene regels - water en watersystemen Centerpoort-Noord II Artikel 20.27 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.3.3 1. Deze paragraaf gaat over de regels met betrekking tot de waterberging en klimaatadaptatie. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. Artikel 20.28 Gebodsbepaling Degene die een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit verricht, is verplicht om te voorzien in voldoende waterberging en klimaatadaptieve maatregelen op eigen terrein en deze in stand te houden. Artikel 20.29 Beoordelingsregels gebodsbepaling Voldoende waterberging en klimaatadaptieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 20.28 betekent dat voldaan wordt aan de volgende regels: a. per 1 m2 verhard oppervlak op een bouwperceel wordt minimaal 60 liter regenwater per m2 op het bouwperceel geborgen, waarbij deze bergingscapaciteit binnen 24 uur weer volledig beschikbaar dient te zijn; b. de hemelwaterberging bevindt zich boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand; c. per 100 m2 verhard oppervlak op een bouwperceel wordt tenminste 10 m2 groen op eigen terrein aangelegd; verticaal dan wel op maaiveld; d. het parkeerterrein voor personenauto’s wordt waar mogelijk waterdoorlatend aangelegd en in stand gehouden. Artikel 20.30 Binnenplanse afwijking: water en watersystemen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.29 lid a: a. wanneer het realiseren van de benodigde waterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen op het eigen bouwperceel, kan onder voorwaarden worden afgevoerd via watergangen en groene bermen (wadi’

  1. s)en indien nodig worden geloosd op het oppervlaktewater dan wel het openbaar riool. Artikel 20.31 Beoordelingsregel binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.30 wordt verleend als: a. wordt aangetoond dat het hemel- en grondwater redelijkerwijs niet op eigen perceel kan worden geborgen, verwerkt of afgevoerd; en b. wordt aangetoond dat het hemel- en grondwater redelijkerwijs kan worden geborgen, verwerkt of afgevoerd in openbaar gebied. Afdeling 20.1.4 Gebruiksactiviteiten Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.4.1 Gebruiksactiviteit - algemeen Artikel 20.32 Toepassingsbereik afdeling 20.1.4 De regels in afdeling 20.1.4 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen gebruiksactiviteiten. Artikel 20.33 Verboden activiteiten De volgende activiteiten worden niet in het gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II verricht: a. een gebruiksactiviteit die niet in overeenstemming is met de functie die in afdeling 20.1.4 aan een locatie is toebedeeld; b. detailhandel, behoudens op de locaties waar dit specifiek is toegestaan; c. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bedrijfsactiviteiten gerichte gebruik en onderhoud; d. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bedrijfsactiviteiten gerichte gebruik en onderhoud; e. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting. Paragraaf 20.1.4.2 Gebruiksactiviteit - bedrijventerrein Artikel 20.34 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.4.2 1. Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteiten binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.35 Algemene regel: gebruik gronden De gronden binnen de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II worden gebruikt voor: a. het verrichten van bedrijfsactiviteiten; b. wegen, wandel- en fietspaden en ontsluitingsvoorzieningen in de vorm van in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen; d. water en watervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. infrastructurele voorzieningen; g. openbare nutsvoorzieningen. Artikel 20.36 Specifieke regel: gebruik gronden 1. In afwijking van artikel 20.35 mogen uitsluitend gronden binnen de locatie vulpunt waterstof Centerpoort-Noord II tevens worden gebruikt ten behoeve van een vulpunt voor waterstof. 2. In afwijking van artikel 20.35 mogen uitsluitend gronden binnen de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG/LNG Centerpoort- Noord II tevens worden gebruikt ten behoeve van een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG/LNG met daarbij behorende lichte horeca en ondergeschikte detailhandel behorende bij het verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG/LNG. Artikel 20.37 Melding gebruiksactiviteit 1. Het is verboden om een aan een locatie toegedeelde gebruiksactiviteit te starten of te wijzigen, die hinder door geluid, geur, trillingen, stof of licht kan veroorzaken, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in deze titel. 3. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres waarop de activiteit wordt verricht; c. de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; e. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels in afdeling 20.1.6 over geluid en geur; f. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de regels van afdeling 20.1.3 over parkeren, laden en lossen en water en watersystemen; en g. de dagtekening. 4. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de gegevens en bescheiden worden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het omgevingsplan over aan een locatie toegedeelde activiteit. 5. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het overleggen van een akoestisch onderzoek niet is vereist, als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels in het omgevingsplan. Paragraaf 20.1.4.3 Gebruiksactiviteit - groen Artikel 20.38 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.4.3 1. Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit binnen de functie - groen Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie groen Centerpoort-Noord II. Artikel 20.39 Algemene regel: gebruik gronden De gronden binnen de locatie groen Centerpoort-Noord II worden gebruikt voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. parken en plantsoenen; c. water en watervoorzieningen; d. wegen, wandel- en fietspaden en verhardingen; e. kunstwerken; f. openbare nutsvoorzieningen. Artikel 20.40 Specifieke regel: gebruik gronden De inrichting van de gronden ter plaatse van de locatie waterberging Centerpoort-Noord II mag niet zodanig worden gewijzigd dat op (een gedeelte van) die gronden waterberging niet langer mogelijk is. Paragraaf 20.1.4.4 Gebruiksactiviteit - verkeer Artikel 20.41 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.4.4 1. Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit binnen de functie - verkeer Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie verkeer Centerpoort-Noord II. Artikel 20.42 Algemene regels: gebruik gronden De gronden binnen de locatie verkeer Centerpoort-Noord II worden gebruikt voor: a. wegen, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeervoorzieningen; c. water en watervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. openbare nutsvoorzieningen. Artikel 20.43 Binnenplans afwijking: bedrijfsactiviteiten Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.42 voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 20.35. Artikel 20.44 Beoordelingsregels binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.43 wordt alleen verleend als: a. het gebruik van de gronden voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit het oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing; b. de activiteit niet leidt tot een onevenwichtige toedeling van functies aan locaties; c. door de activiteit geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefmilieu; en 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast. Afdeling 20.1.5 Bouwactiviteiten Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.5.1 Bouwactiviteiten - algemeen Artikel 20.45 Toepassingsbereik afdeling 20.1.5 De regels in afdeling 20.1.5 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen bouwactiviteiten. Artikel 20.46 Specifieke zorgplicht bescherming omgeving bouwwerkzaamheden De zorgplicht, bedoeld in artikel 7.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, houdt voor de activiteiten in deze paragraaf in ieder geval in dat: a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 20.47 Uiterlijk bouwwerk Een bouwwerk voldoet aan de ruimtelijke kwaliteitseisen voor bedrijventerreinen met welstandsniveau 'soepel', als bedoeld in de Welstandsnota gemeente Duiven 2013 of diens rechtsopvolger. Paragraaf 20.1.5.2 Bouwactiviteit - bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen Centerpoort-Noord II Artikel 20.48 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.2 1. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.49 Algemene regels bouwactiviteit - bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen Het vloerpeil van een bedrijfsgebouw ligt op ten minste 0,3 meter boven het straatpeil. Artikel 20.50 Vergunningplicht bouwactiviteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende bouwactiviteiten te verrichten: a. een bedrijfsgebouw te bouwen; b. een bedrijfsgebouw uit te breiden; en/of c. een bedrijfsgebouw te veranderen/wijzigen. Artikel 20.51 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen 1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld materialenpaspoort waarin de bij de bouw gebruikte materialen zijn gedocumenteerd. 2. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een ingevuld materialenpaspoort waarin de bij de bouw gebruikte materialen zijn gedocumenteerd. Artikel 20.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.50 wordt alleen verleend als: a. de totale bebouwing op het betreffende bouwperceel maximaal 70% is; b. de bouwhoogte van het betreffende bedrijfsgebouw maximaal 15 meter is, met dien verstande dat de bouwhoogte over maximaal 20% van het bebouwd oppervlak per bedrijf maximaal 18 meter mag bedragen; en c. de afstand van het betreffende bedrijfsgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 5 meter bedraagt. Artikel 20.53 Specifieke beoordelingsregel In aanvulling op artikel 20.52 mag binnen de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG/LNG Centerpoort- Noord II een bedrijfsgebouw ten behoeve van een tankshop worden gebouwd van maximaal 120 m2. Artikel 20.54 Binnenplanse afwijking: bedrijfsgebouw bouwen, uitbreiden of wijzigen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.52: a. voor het vergroten van de bouwhoogte van 15 meter voor bedrijfsgebouwen met maximaal 2 meter; b. voor het toestaan van een afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens van minimaal 3 meter. Artikel 20.55 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.54 wordt alleen verleend als: a. de afwijking noodzakelijk is voor de normale bedrijfsvoering; b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en c. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Paragraaf 20.1.5.3 Bouwactiviteit - bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Centerpoort-Noord II ter plaatse van de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II Artikel 20.56 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.3 1. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. Artikel 20.57 Algemene regels: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Op de gronden binnen de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II is de maximale bouwhoogte voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor: a. bedrijfsinstallaties en lichtmasten maximaal 8 meter; b. vlaggenmasten maximaal 6 meter; c. reclamezuilen maximaal 5 meter; d. erf- en terreinafscheidingen maximaal 4 meter; e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2 meter. Artikel 20.58 Specifieke regels: bouwwerk geen gebouw zijnde 1. Op de gronden binnen de locatie bedrijventerrein Centerpoort-Noord II: a. zijn maximaal 3 vlaggenmasten per bouwperceel toegestaan; b. is maximaal 1 reclamezuil per bouwperceel toegestaan. 2. Op de gronden binnen de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG/LNG Centerpoort- Noord II geldt de maximale bouwhoogte voor een luifel boven de afgiftepunten van 8 meter. Artikel 20.59 Binnenplanse afwijking: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen 1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.57 en artikel 20.58: a. voor het toestaan van maximaal 5 vlaggenmasten per bouwperceel; b. voor bedrijfsinstallaties met een bouwhoogte van meer dan 8 meter tot maximaal 20 meter; c. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde met een bouwhoogte van meer dan 2 meter tot maximaal 5 meter; d. voor het toestaan van een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van kunstwerken tot maximaal 40 meter. 2. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.57 en artikel 20.58 ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, mits wordt voldaan aan de volgend eisen; a. uit onderzoek blijkt dat site-sharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(
  2. re)gebouwen niet mogelijk is; b. de antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing en roaming; c. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk ingepast in de omgeving; d. de antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing (geen woonbebouwing); e. de antenne-installatie wordt niet gebouwd op en bij monumenten; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 40 meter; g. de ontwikkeling past binnen de kaders van het geldende gemeentelijke en/of landelijke antennebeleid; en h. voor zover binnen de bebouwde kom, wordt de antenne-installatie niet gesitueerd op gronden die in dit omgevingsplan zijn voorzien van de functie - wonen. Artikel 20.60 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.59 wordt alleen verleend als: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Paragraaf 20.1.5.4 Bouwactiviteit - bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Centerpoort-Noord II ter plaatse van de functie - groen Centerpoort-Noord II Artikel 20.61 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.4 1. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen binnen de functie - groen Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie groen Centerpoort-Noord II. Artikel 20.62 Algemene regel: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Op de gronden binnen de locatie groen Centerpoort-Noord II is de maximale bouwhoogte voor: a. lichtmasten maximaal 6 meter; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter. Artikel 20.63 Binnenplanse afwijking: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen 1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.62 voor het toestaan van een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van kunstwerken tot maximaal 40 meter. 2. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.62 voor het toestaan van een bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. uit onderzoek blijkt dat site-sharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(
  3. re)gebouwen niet mogelijk is; b. de antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing en roaming; c. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk ingepast in de omgeving; d. de antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing (geen woonbebouwing); e. de antenne-installatie wordt niet gebouwd op en bij monumenten; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 40 meter; g. de ontwikkeling past binnen de kaders van het geldende gemeentelijke en/of landelijke antennebeleid; en h. voor zover binnen de bebouwde kom, wordt de antenne-installatie niet gesitueerd op gronden die in dit omgevingsplan zijn voorzien van de functie - wonen. Artikel 20.64 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.63 wordt alleen verleend als: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Paragraaf 20.1.5.5 Bouwactiviteit - bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Centerpoort-Noord II ter plaatse van de functie - verkeer Centerpoort-Noord II Artikel 20.65 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.5.5 1. Deze paragraaf gaat over de bouwactiviteit bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen binnen de functie - verkeer Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie verkeer Centerpoort-Noord II. Artikel 20.66 Algemene regel: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen Op de gronden binnen de locatie verkeer Centerpoort-Noord II is de maximale bouwhoogte voor een bouwwerk geen gebouw zijnde voor: a. lichtmasten maximaal 6 meter; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter. Artikel 20.67 Binnenplanse afwijking: bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen 1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.66 voor het toestaan van een bouwwerk geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken tot maximaal 40 meter. 2. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.66 voor het toestaan van een bouwwerk geen gebouwen zijnde ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten van maximaal 40 meter, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. uit onderzoek blijkt dat site-sharing bij bestaande antenne-installaties of bestaande hoge(
  4. re)gebouwen niet mogelijk is; b. de antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing en roaming; c. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk ingepast in de omgeving; d. de antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing (geen woonbebouwing); e. de antenne-installatie wordt niet gebouwd op en bij monumenten; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 40 meter; g. de ontwikkeling past binnen de kaders van het geldende gemeentelijke en/of landelijke antennebeleid; h. voor zover binnen de bebouwde kom, wordt de antenne-installatie niet gesitueerd op gronden die in dit omgevingsplan zijn voorzien van de functie - wonen. Artikel 20.68 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoel in artikel 20.67 wordt alleen verleend als: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; en b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. Afdeling 20.1.6 Milieubelastende activiteiten Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.6.1 Milieubelastende activiteit - algemeen Artikel 20.69 Toepassingsbereik afdeling 20.1.6 De regels in afdeling 20.1.6 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen milieubelastende activiteiten. Artikel 20.70 Samenhangende milieubelastende activiteiten In deze afdeling wordt voor de regels over geluid en geur als één activiteit beschouwd: a. activiteiten als bedoeld in de afdeling 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 20.71 Verboden milieubelastende activiteiten De volgende activiteiten worden niet in het gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II verricht: a. activiteiten met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. activiteiten waarvoor een m.e.r.-(beoordeling-)plicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving; en d. het exploiteren van IPPC-Installaties. Paragraaf 20.1.6.2 Milieubelastende activiteit - geluid Centerpoort-Noord II Artikel 20.72 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.6.2 1. Deze paragraaf gaat over geluid veroorzaakt door activiteiten binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. 3. Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van aan een locatie toegedeelde activiteiten, met uitzondering van: a. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; b. windturbines en windparken; c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; d. de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van een weg na een ongeluk; en e. wonen. 4. De waarden in deze paragraaf zijn niet van toepassing op: a. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; b. het geluid van een activiteit op 'geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding' met die activiteit; en c. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is. Artikel 20.73 Algemene regels: waar de waarden gelden De waarden in deze paragraaf gelden, tenzij anders bepaald: a. op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of een woonwagen: 1. op de gevel, als het gaat om een bestaand geluidgevoelig gebouw; en 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; en b. op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. Artikel 20.74 Algemene regels: geluidwaarden geluidveroorzakende activiteit Bij het uitoefenen van geluidveroorzakende activiteiten in de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II geldt dat wordt voldaan aan de volgende regels: a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT van geluidveroorzakende activiteiten moet voldoen aan de waarden zoals opgenomen in tabel 20.74.1. De waarden gelden op de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, tenzij in dit artikel anders is bepaald. b. het maximale beoordelingsniveau van geluidveroorzakende activiteiten moet voldoen aan de waarden zoals opgenomen in tabel 20.74.2. De waarden gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. c. bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied tussen de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht en de afstand waar de waarde geldt. d. de in dit artikel gegeven geluidwaarden gelden op een hoogte van 5, 10 en 30 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geluidsbelasting optreedt, gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte. e. de in dit artikel gegeven geluidwaarden gelden niet voor situaties die niet representatief zijn voor de activiteit. Tabel 20.74.1 Ligging activiteit Waar de norm geldt 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Binnen de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II 100 m vanaf de grens van de activiteitlocatie 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Voor zover de afstand van 100 meter vanaf de grens van de activiteitlocatie tot buiten de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II komt, geldt de afstand tot de grens van de zone verruimd of, als die afstand minder is dan 50 meter, geldt een afstand van 50 meter Tot grens zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II of 50 meter 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Tabel 20.74.2 Ligging activiteit Waar de norm geldt Geluidsoort 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Binnen de zone geluidruimte bedrijventerrein - zone geluid verruimd Centerpoort-Noord II op de gevel van geluidgevoelig gebouw Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen - 70 dB(A) 70 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden - 65 dB(A) 65 dB(A) Artikel 20.75 Binnenplanse afwijking: geluidwaarden geluidveroorzakende activiteit Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.74 indien: a. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden; en b. andere maatregelen die de geluidbelasting verminderen zo veel mogelijk worden getroffen. Artikel 20.76 Beoordelingsregels: binnenplanse afwijking De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.75 wordt alleen verleend als: a. de geluidwaarden maximaal 5 dB hoger zijn dan de waarden in artikel 20.74; b. de geluidwaarden niet leiden tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen in tabel 20.76.1; c. het bepaalde onder b is niet van toepassing op aanwezige geluidgevoelige gebouwen, als: 1. maatregelen aan de gevel om voor dat gebouw te voldoen aan de waarden, bedoeld in tabel 20.76.1, leiden tot zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard; 2. de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid in zijn gebouw door activiteiten en onderzoek naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of 3. de eigenaar weigert geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen. Tabel 20.76.1 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen - 55 dB(A) 55 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden - 45 dB(A) 45 dB(A) Paragraaf 20.1.6.3 Milieubelastende activiteit - trillingen Centerpoort-Noord II Artikel 20.77 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.6.3 1. Deze paragraaf gaat over trillingen door een activiteit binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II op een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. 3. De normen in deze paragraaf zijn niet van toepassing op: a. trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van 'trillinggevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding' met die activiteit. Artikel 20.78 Algemene regels: waar de waarden gelden De waarden in deze paragraaf gelden, tenzij anders bepaald: a. in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Artikel 20.79 Algemene regels: trillingveroorzakende activiteit Bij het uitoefenen van een trillingveroorzakende activiteit in het gebied Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II geldt dat wordt voldaan aan de volgende regels: a. bij het verrichten van een trillingveroorzakende activiteit geldt dat voldaan wordt aan de normen voor toelaatbare continue trillingen als gevolg van die activiteit zoals opgenomen in onderstaande tabel 20.79.1; b. bij het verrichten van een trillingveroorzakende activiteit geldt dat voldaan wordt aan de normen voor toelaatbare herhaald voorkomende trillingen als gevolg van die activiteit zoals opgenomen in onderstaande tabel 20.79.2; c. op een locatie waar dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het bouwen van een trillinggevoelig gebouw toelaat, zijn de normen pas van toepassing als het gebouw is gerealiseerd. Tabel 20.79.1 Trillingsoort 07.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur A1 onderste norm voor trillingsterkte Vmax 0,1 0,1 A2 bovenste norm voor trillingsterkte Vmax 0,4 0,2 A3 norm voor trillingsterkte Vper 0,05 0,05 Tabel 20.79.2 Trillingsoort 07.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur A1 onderste norm voor trillingsterkte Vmax 0,2 0,2 A2 bovenste norm voor trillingsterkte Vmax 0,8 0,4 A3 norm voor trillingsterkte Vper 0,1 0,1 Paragraaf 20.1.6.4 Milieubelastende activiteit - geur Centerpoort-Noord II Artikel 20.80 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.6.4 1. Deze paragraaf gaat over geur veroorzaakt door een activiteit binnen de functie - bedrijventerrein Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden op de locatie Ontwikkelgebied Centerpoort-Noord II. 3. De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het verrichten van aan een locatie toegedeelde activiteiten binnen een zone voor geur, met uitzondering van geur door: a. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; en b. het exploiteren van zuiveringtechnische werken. Artikel 20.81 Algemene regels: geurveroorzakende activiteit Bij het uitoefenen van een geurveroorzakende activiteit in een zone voor geur geldt dat wordt voldaan aan de volgende regels: a. bij het verrichten van een activiteit binnen de zone geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord IIis de toelaatbare geur niet meer dan de waarden in tabel 20.81.1. De waarden gelden op de in de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, tenzij in dit artikel anders is bepaald; b. bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de in dit artikel gegeven geurwaarden gelden op een hoogte van 1,5 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geurbelasting optreedt gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte; d. de in de artikel gegeven geurwaarden gelden niet voor situaties die niet representatief zijn voor de activiteit. Tabel 20.81.1 Werkingsgebied Waar de norm geldt Als 98 percentiel Als 99,9 percentiel Binnen de zone geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II 100 m vanaf de grens van de activiteitlocatie 0,5 ouE/m3 2 ouE/m3 Voor zover de afstand van 100 meter vanaf de grens van de activiteitlocatie tot buiten de zone geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II komt, geldt de afstand tot de grens van de zone verruimd of, als die afstand minder is dan 50 meter, geldt een afstand van 50 meter. Tot grens zone geurruimte bedrijventerrein - zone geur verruimd Centerpoort-Noord II of 50 meter 0,5 ouE/m3 2 ouE/m3 Afdeling 20.1.7 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Centerpoort-Noord II Paragraaf 20.1.7.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Centerpoort-Noord II Artikel 20.82 Toepassingsbereik afdeling 20.1.7 De regels in afdeling 20.1.7 zijn van toepassing op de in deze titel opgenomen activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed. Paragraaf 20.1.7.2 Activiteiten ter plaatse van Waardengebied - archeologische vindplaats Artikel 20.83 Toepassingsbereik paragraaf 20.1.7.2 1. Deze paragraaf gaat over de activiteiten met betrekking tot waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II. 2. De regels uit deze paragraaf gelden binnen de locatie waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II. Artikel 20.84 Vergunningplicht a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren op de locatie waardengebied - archeologische vindplaats Centerpoort-Noord II; b. Het verbod als bedoeld in lid a is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke worden uitgevoerd in het kader van archeologisch (voor)onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een erkende archeologische partij. Artikel 20.85 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.84 goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 20.86 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.84 wordt alleen verleend als: a. uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of b. schade door de activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Artikel 20.87 Voorschriften omgevingsvergunning In de situatie als bedoeld in artikel 20.86, onderdeel b, kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. Hoofdstuk 21 GERESERVEERD Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  1. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet. Artikel 22.6 Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand
  2. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  4. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  6. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  7. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  8. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
  9. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
  10. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
  11. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  12. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
  13. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
  14. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
  15. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  16. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
  17. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  18. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  19. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  20. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
  21. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
  22. Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
  23. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  24. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
  25. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
  26. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
  27. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
  28. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  29. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
  30. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  31. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  32. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
  33. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  34. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
  35. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
  36. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
  37. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
  38. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
  39. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
  40. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
  41. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen 1Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  42. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  43. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
  44. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  45. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m
  46. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte. Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  1. Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  2. Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
  3. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  4. op de grond staand;
  5. gelegen in achtererfgebied;
  6. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
  7. niet hoger dan 5 m;
  8. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
  9. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  10. op de grond staand;
  11. niet hoger dan 5 m; en
  12. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  13. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
  14. voorzien van een plat dak;
  15. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
  16. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
  17. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
  18. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  19. niet hoger dan 4 m; en
  20. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  21. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  22. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  23. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
  24. een silo; of
  25. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
  26. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
  27. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
  28. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  29. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
  30. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
  31. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
  32. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  33. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
  34. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
  35. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  36. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  37. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
  38. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  39. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest. Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.
  40. Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  41. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
  42. Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  43. In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
  44. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  45. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
  46. Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
  47. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
  48. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
  49. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
  50. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
  51. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
  52. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  53. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  54. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  55. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
  56. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
  57. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan. Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
  58. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;
  59. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
  60. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
  61. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  62. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
  63. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
  64. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
  65. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  66. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  67. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  68. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  69. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  70. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  71. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  72. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
  73. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  74. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
  75. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
  76. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN Paragraaf 22.3.

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik 1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  1. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
  2. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
  3. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
  4. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
  5. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
  6. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.
  7. Artikel 22.42 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
  8. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  9. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
  10. een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 22.43 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  11. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  12. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
  13. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
  14. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  15. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  16. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.
  17. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.
  18. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  19. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  20. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  21. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
  22. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  23. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  24. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  25. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  26. Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing Artikel 22.51 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  27. Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
  28. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  29. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
  30. Dit artikel is van toepassing tot 1 december
  31. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
  32. Op een activiteit waarop lid 5 van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 lid 1 tot en met 4 niet van toepassing. Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Paragraaf 22.3.4 Geluid Subparagraaf 22.3.4.

Artikel 22.54 Toepassingsbereik 1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  1. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
  3. Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  4. In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
  5. In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
  6. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  7. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
  8. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
  9. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  10. In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
  11. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of
  12. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
  13. Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
  14. Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
  15. Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
  16. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  17. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
  18. vierde, vijfde, zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
  19. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
  20. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
  21. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
  22. Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
  23. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
  24. de grenzen van het terrein; en
  25. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  26. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  27. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.
  28. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
  29. Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  30. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  31. Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
  32. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  33. Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)
  34. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.
  35. Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
  36. De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 1

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.