← Nederland

Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2011 (Overijssel)

In het kort

Dit besluit regelt de toekenning van subsidies door Gedeputeerde Staten van Overijssel voor diverse activiteiten, met uitzondering van openbaar vervoer en natuur- en landschapsbeheer. Het stelt regels vast voor onder andere de soorten subsidies, de behandeling van aanvragen en de subsidiabele kosten.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Hoofdstuk 1 Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen 1[Toelichting: In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, die in het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.Subsidie: In artikel 4:21, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een definitie van subsidie gegeven. Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die aan de volgende kenmerken voldoen:a. het betreft een aanspraak op financiële middelen;b. die door een bestuursorgaan worden verstrekt;c. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;d. anders dan als betaling voor het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.De provincie maakt een onderscheid tussen eenmalige en jaarlijkse subsidies.Eenmalige subsidie: Dit zijn subsidies die Gedeputeerde Staten voor een eenmalige activiteit wil verlenen.Jaarlijkse subsidie: De jaarlijkse subsidie wordt bij voorkeur voor meerdere jaren verleend en heeft veelal op voortdurende activiteiten van een instelling betrekking. Hierbij kan worden gedacht aan exploitatiesubsidies. In het Ubs is bepaald dat deze jaarlijkse subsidie voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend. Als deze subsidie voor langer dan drie jaar aan een instelling wordt verstrekt voor de uitvoering van dezelfde activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie, zoals beschreven in artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de subsidie voor een nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht te worden genomen. Er is bewust niet voor gekozen het regime van afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van toepassing te verklaren op de jaarlijkse subsidie. In de subsidieverleningsbeschikking bij jaarlijkse subsidies zal expliciet worden aangegeven welke bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb van toepassing zijn.] Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste een andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. eenmalige subsidie: de subsidievorm, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op verrichte resultaten óf op een combinatie van resultaten, bedrijfsvoering of middelen en waartegen geen rechtstreekse baat staat voor de provincie; e. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; f. bovengemeentelijk: de subsidieactiviteiten vinden plaats in ten minste twee Overijsselse gemeenten; g. regionaal: de subsidieactiviteiten vinden plaats in ten minste drie Overijsselse gemeenten; h. provinciaal: de subsidieactiviteiten vinden plaats in ten minste zestien Overijsselse gemeenten; i. jaarlijkse subsidie: subsidie die per boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan subsidieontvanger voor een periode van maximaal vier boekjaren worden verstrekt; j. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel; k. projectperiode: de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de beschikking tot verlening of vaststelling van de subsidie opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit moet zijn afgerond; l. de -minimisverordening: Verordening (EG) 1998/2006 PbEU L379/10 van de commissie van 15 december 2006, betreffende de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun; m. Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EG) nr. 800/2008, Pb L 214/3 van de commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden; n. medeoverheden: gemeenten, waterschappen en provincies; o. Vrijstellingsverordening Landbouw: Verordening (EG) 1857/2006 Pb L 358/3 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001. Artikel 1.1.2. Toepassingsbereik 2[Toelichting: Artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat de kern van de subsidietitel in de Awb, te weten de eis dat er voor het verstrekken van subsidie een wettelijke grondslag moet bestaan. Hierbij heeft de wens van de wetgever om een weloverwogen gebruik van het subsidie-instrument te bevorderen een rol gespeeld. Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen; de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Hier wordt volstaan met het noemen van de subsidie die rechtstreeks op grond van Europese subsidieprogramma's (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder b Awb) of de provinciale begroting worden verstrekt (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c Awb). Ook op buitenwettelijke subsidies zijn de bepalingen van titel 4.2 Awb over de verplichtingen van de subsidieontvanger, de betaling en terugvordering van subsidies en de subsidieverlening en -vaststelling van toepassing. Om ervoor te zorgen dat daarnaast ook de bepalingen van deze verordening gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemt.De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de Wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etc. In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. Bij de afhandeling van Europese subsidies (EFRO (regionale ontwikkeling), ESF (sociaal fonds) en het EOGFL (landbouw)) (inclusief provinciale cofinanciering) wordt de Europese regelgeving gevolgd. De regelingen en programma's met betrekking tot bijdragen uit de Europese fondsen kennen hun eigen criteria en procedureregels. Het uitvoeringsbesluit kent eigen procedureregels. Gedeputeerde Staten kunnen door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing te laten. Voor het deel provinciale cofinanciering kan maatwerk worden toegepast.Daarnaast zijn subsidiebesluiten op grond van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer uitgezonderd van de werking van het Ubs. De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer is in interprovinciaal verband tot stand gekomen (uniformiteit in 12 provincies). De uitvoering ligt in handen van een externe uitvoeringsorganisatie (de Dienst Regelingen). ] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en op grond van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer. Artikel 1.1.3. Subsidieplafond en volgorde van behandeling 3[Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst. De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Als een subsidieplafond niet tijdig is gepubliceerd, kan een aanvraag niet worden afgewezen wegens overschrijding van dat plafond. ] Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt. Artikel 1.1.4. Stapeling 1. Indien voor een activiteit subsidie kan worden verstrekt op grond van twee of meer hoofdstukken van dit besluit of op grond van de verordening dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten tot stapeling van de deelbedragen. 4[Toelichting: Niet zelden worden provinciale bijdragen aan activiteiten van aanvragers ‘gestapeld' met subsidies van andere overheden. Stapeling kan ook bínnen de provincie, bijvoorbeeld omdat er overlap zit tussen onderdelen van provinciaal beleid. Kulturhusen zijn daarvan een goed voorbeeld. Op grond van het beleid voor ‘vitaliteit kleine kernen' kan daarvoor subsidie worden verleend. Leefbaarheid van het platteland is echter ook één van de doelstellingen in het reconstructiebeleid en ook in dat kader kan subsidie worden verleend voor de bouw van een kulturhus. Daarnaast kan stapeling zich voordoen als een activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen bijvoorbeeld als een waterschap een werk uitvoert dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging en tegelijk ‘natte natuur' realiseert.] 2. Stapeling is mogelijk tot een maximum van 80% van de subsidiabele kosten. 5[Toelichting: Uitgangspunt is dat alle mogelijke provinciale subsidies voor een activiteit nooit meer dan 80% van de subsidiabele kosten bedragen. Hiermee wordt voorkomen dat een activiteit geheel afhankelijk wordt van provinciale subsidies. Er zal altijd eigen inbreng van de aanvrager of co-financiering van anderen dan de aanvrager nodig zijn. ] 3. Het tweede lid is niet van toepassing bij cofinanciering uit de Europese structuurfondsen. 6[Toelichting: Voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen is een voorwaarde dat er cofinanciering komt uit de lidstaat. Het is niet gewenst dat de normale regels daarop van toepassing zijn. Met de Europese bijdrage komt het totaal dikwijls boven het maximum in een provinciale regeling uit. In sommige gevallen is in dit uitvoeringsbesluit overigens een bijzondere regeling opgenomen voor stapeling met Europees geld. Voor kulturhusen geldt bijvoorbeeld in de regel dat de provincie maximaal 50% bijdraagt maar inclusief Europese middelen bedraagt de subsidie maximaal 75%. ] 4. Voor zover de voorschriften die gelden ten aanzien van de deelbijdragen van elkaar verschillen, bepalen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening welke voorschriften van toepassing zijn. 7[Toelichting: De voorschriften met betrekking tot bevoorschotting, verantwoording, enz. zijn niet bij alle subsidies hetzelfde. Om te voorkomen dat een aanvrager met verschillende regimes wordt geconfronteerd - hetgeen tot extra inspanningen en kosten zou leiden - dienen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden welke voorschriften van toepassing zijn. Daarbij kan derhalve worden afgeweken van de regels die normaal gelden voor de verschillende deelbijdragen. Overigens speelt naast het belang van de aanvrager ook het gelijkheidsbeginsel een rol bij de toepassing van dit artikel. Als een aanvrager aanzienlijke voordelen geniet in vergelijking met een aanvrager die geen gestapelde bijdrage ontvangt, dan zal terughoudend worden omgegaan met het afwijken van de normale voorschriften. ] Artikel 1.1.5. Subsidiabele kosten 8[Toelichting: Dit artikel is de kapstok om in de subsidiegrondslag alleen de volgende rechtstreeks aan de activiteit toe te rekenen kosten mee te nemen:1loonkosten; 2kosten voor gebruik van apparatuur, waaronder afschrijvingskosten; 3kosten voor gebruik van materiaal; 4kosten voor derden. Deze kosten zijn subsidiabel voor zover de activiteit overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.1.6 sub c binnen de projectperiode uitgevoerd wordt. ] 1. Interne loonkosten zijn subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, een getrouw beeld geven, verifieerbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken: 9[Toelichting: Voor de berekening van de loonkosten wordt aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger en is de keuze aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid onder sub a of b genoemde systematieken gehanteerd wordt. Wanneer sub a en b niet van toepassing zijn dan kan op basis van sub c een vast uurtarief van € 35 gehanteerd worden.Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat uren zorgvuldig worden bijgehouden in een, zo mogelijk, gesloten urenadministratie, welke verifieerbaar is en dat kosten navolgbaar worden toegerekend.] berekening van de loonkosten op basis van het Integraal kostprijstarief (IKT). Het IKT mag worden gehanteerd indien aan de vereisten zoals genoemd in ‘Toepassing Integraal kostprijstarief provincie Overijssel' is voldaan; 10[Toelichting: Het document ‘Toepassing Integraal kostprijstarief provincie Overijssel' is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. In dit document zijn de vereisten opgenomen waaraan de subsidieaanvrager of ontvanger moet voldoen om voor de berekening van de loonkosten het Integraal kostprijstarief (IKT) te mogen toepassen.Het gaat om de volgende vereisten:1het IKT is gebruikelijk en stelselmatig in gebruik door de subsidieaanvrager. Van stelselmatigheid is sprake indien de subsidieaanvrager of -ontvanger een IKT al minimaal twee jaar toepast. Wanneer de subsidieaanvrager of -ontvanger pas 1 jaar met het IKT werkt kan stelselmatigheid worden vastgesteld indien deze kan aantonen wat de IKT's zouden zijn geweest in de voorgaande twee jaren; 2het IKT is vooraf bepaald. Dat wil zeggen dat uiterlijk bij de subsidieverstrekking het tarief bepaald dient te zijn; 3het IKT wordt jaarlijks voorcalculatorisch bepaald; 4de werkelijke kosten dienen nacalculatorisch te worden vastgesteld; 5de subsidieaanvrager of ontvanger hanteert een kostentoerekeningsmodel gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen; 6het IKT bestaat enkel uit directe personeelskosten en algemene indirecte kosten (overhead); 7het IKT bevat geen debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten; 8het IKT is goedgekeurd door een accountant en gebaseerd op het voorgaande boekjaar. ] volgens de loonkosten plus vaste opslag. Voor de berekening van de loonkosten wordt de volgende formule gehanteerd: ((brutoloon op jaarbasis + sociale lasten) /(1600 * deeltijdfactor)) + 20%, waarbij het brutoloon inclusief vakantiegeld en eventuele eindejaarsuitkering is; 11[Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele kosten. Het aantal productieve uren en percentage overhead waarmee het uurtarief mag worden berekend is een vast getal. Met deze gegevens levert de subsidieaanvrager een berekening conform de volgende formule: ((brutoloon op jaarbasis + sociale lasten) /(1600 * deeltijdfactor )) + 20%. ] het hanteren van een forfaitair vastgesteld uurtarief van € 35. 12[Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. ] 2. Kosten voor gebruik van apparatuur, waaronder de afschrijvingskosten daarvan, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. 13[Toelichting: Dit lid bepaalt dat kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit subsidiabel zijn. Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook licenties voor software. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. ] 3. Kosten voor gebruik van materiaal zijn subsidiabel indien het verbruik ervan geadministreerd wordt én deze kosten rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Indien sprake is van gebruik van materiaal uit voorraad wordt uitgegaan van historische aanschafprijzen. Voor materiaal dat speciaal voor de activiteit wordt aangeschaft is het vierde lid van toepassing. 14[Toelichting: Dit lid bepaalt dat kosten die gemaakt worden voor gebruik van materiaal ten behoeve van de subsidiabele activiteit subsidiabel zijn als het verbruik word geadministreerd. Onder materialen vallen o.a. verbruiksgoederen zoals grondstoffen en onderdelen. Onder kosten voor materiaal uit voorraad kunnen de kosten van het verbruik van materialen, die al eerder zijn aangeschaft, worden opgevoerd. Hierbij moet worden uitgegaan van historische aanschafprijzen. Als er geen administratie van het verbruik van materialen uit voorraad is, dan kunnen de kosten niet rechtstreeks aan het project worden toegerekend. Onder kosten voor speciaal aangeschafte materialen kunnen de kosten van materialen die speciaal voor een project worden gekocht, bij begroting en bij vaststelling opgevoerd worden onder de post ‘kosten derden'. ] 4. Kosten derden zijn subsidiabel indien deze kosten op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn en rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen. 15[Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit en of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen en diensten. Het kan hier bijvoorbeeld ook gaan om materiaal en inhuur van personeel. ] Artikel 1.1.6 Niet subsidiabele kosten De volgende kosten zijn niet subsidiabel: a. boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar, vergoedingen voor de inzet van vrijwilligers én kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn; 16[Toelichting: Dit artikel is de kapstok om in de subsidiegrondslag de in dit artikel genoemde kosten niet mee te nemen. Deze kosten worden niet aangemerkt als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. ] b. BTW, tenzij door de subsidieaanvrager kan worden aangetoond dat de BTW over de subsidiabele activiteiten niet met de fiscus of via het BTW compensatiefonds kan worden verrekend. Indien de gevraagde subsidie € 125.000 of meer bedraagt dient het aantonen te gebeuren door middel van een verklaring van de belastingdienst of door een verklaring van een accountant. Indien de gevraagde subsidie minder dan € 125.000 bedraagt, dient het aantonen te gebeuren door middel een getekende verklaring van de aanvrager; c. kosten die betrekking hebben op de activiteiten die buiten de projectperiode zijn uitgevoerd, met uitzondering van de kosten die gemaakt worden, om de verstrekte subsidie te verantwoorden aan Gedeputeerde Staten, waaronder de kosten voor het verkrijgen van de controleverklaring van de accountant. 17[Toelichting: De projectperiode is de periode vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot en met de in de beschikking tot verlening van de subsidie opgenomen datum waarop de subsidiabel activiteit moet zijn afgerond. De kosten van de activiteiten die in de periode worden uitgevoerd kunnen subsidiabel zijn. Voor zover sprake is van kosten derden moet de betaling ook binnen de projectperiode plaats hebben gevonden. ] d. gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt. 18[Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 sub n worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan.Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn.Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als:1er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 vierde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of 2er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of 3er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen. Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.] Paragraaf 1.2 De aanvraag Artikel 1.2.1. Bij aanvraag in te dienen gegevens 19[Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. ] 1. De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend. Als daarvoor een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruik gemaakt. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat aanvragen elektronisch kunnen of moeten worden ingediend. 20[Toelichting: Een aanvraag voor subsidie moet schriftelijk worden gedaan. Dit kan door een schriftelijke brief. Soms is het invullen van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier vereist. Doel van een aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken wat voor informatie hij bij de aanvraag moet geven. Een aanvraag kan ook elektronisch worden gedaan, mits Gedeputeerde Staten deze digitale vorm open heeft gesteld. ] 2. Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens: 21[Toelichting: Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid zijn de minimale vereisten van de aanvraag voor subsidie geregeld. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. ] een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd; de doelstellingen en resultaten die daarmee worden nagestreefd en hoe de activiteiten aan het provinciale doel van beleid bijdragen; een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan. 3. De aanvrager maakt op verzoek bij de aanvraag melding van subsidies of andere vormen van staatssteun die de subsidieontvanger, alsmede het eventuele moederconcern danwel dochters van de onderneming of het eventuele moederconcern hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag voor subsidie. Tevens wordt melding gemaakt van eventuele andere aanvragen die in behandeling zijn op het moment van de aanvraag voor subsidie op grond van dit besluit. 22[Toelichting: Gelet op het maximaal te verstrekken subsidiebedrag is er de mogelijkheid gebruik te maken van een vrijstellingsverordening van de EG nr. 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 EG op de-minimissteun. Dit betekent dat de subsidieontvanger (dus per onderneming, alsmede het eventuele gehele moederconcern waartoe de onderneming behoort) niet meer dan € 200.000,-- aan subsidie over een periode van drie belastingjaren (dus inclusief eerdere ontvangen subsidies overheidsinstanties) aan steun mag ontvangen. De aanvrager moet daarom aangeven hoeveel de-minimussteun door de aanvrager in het lopende en de twee daar aan voorafgaande belastingjaren ontvangen is en verklaren dat de totale steun niet meer dan € 200.000,-- bedraagt. De vrijstelling is ook van toepassing op de afzet en verwerking van landbouwproducten en op de sector vervoer. Ten aanzien van het laatste geldt een specifieke beperking: de-minimissteun voor ondernemingen actief in de sector wegvervoer wordt beperkt tot € 100.000,--. Aankoop van vervoermiddelen voor vrachtvervoer over de weg (vrachtwagens) blijft uitgesloten. De de-minimisegel is onder andere niet van toepassing op de primaire productie van landbouwproducten en de visserijsector (voor deze twee sectoren gelden eigen de-minimisdrempels, zie hieronder), exportsteun en steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden bevoordeeld.Voor landbouwbedrijven (een primaire producent van landbouwproducten in de zin van Bijlage I EG-Verdrag) bedraagt de maximale steun € 7.500,--. Een vissersbedrijf kan tot € 30.000,-- steun binnen een periode van drie belastingjaren ontvangen, zonder dat de overheid dat vooraf aan de Europese Commissie moet melden. ] Artikel 1.2.2. Indieningstermijn aanvraag 23[Toelichting: Dit artikel dient in samenhang met artikel 1.1.5 en artikel 1.2.3 te worden gelezen. Na ontvangst van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten op basis van artikel 1.2.3 13 weken de tijd om te beslissen over de aanvraag voor subsidie.Het tweede lid geeft de aanvraagtermijn voor de jaarlijkse subsidie: op uiterlijk 1 oktober vóór het jaar of de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. Deze termijn maakt een tijdige beslissing mogelijk. Als het project start op 1 januari 2011, dan wordt geadviseerd om de aanvraag voor 1 oktober 2010 in te dienen. Stel dat de aanvraag voor dit project wordt ingediend op 1 december 2010, dan beslissen Gedeputeerde Staten voor 1 maart 2011. Als het project reeds is begonnen op 1 januari 2011 en de aanvraag wordt afgewezen door Gedeputeerde Staten, dan loopt de subsidieontvanger een financieel risico. Dit risico is voor eigen rekening van de aanvrager. Stel dat de aanvraag voor dit project wordt ingediend na 1 januari 2011, dan zijn de kosten die reeds gemaakt zijn niet subsidiabel, op basis van artikel 1.1.5. lid 3. ] 1. Tenzij in enig ander hoofdstuk van dit besluit anders bepaald, kan een aanvraag voor een subsidie het hele kalenderjaar worden ingediend. 2. Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt ingediend uiterlijk op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft. Artikel 1.2.3. Beslistermijn 24[Toelichting: De in dit artikellid genoemde termijnen zijn maximum termijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. In dit artikel zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 12 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden. Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ] 1. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, 13 weken na aanvang van het subsidietijdvak. 25[Toelichting: Als uitgangspunt geldt een beslistermijn van maximaal dertien weken, die begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). ] 2. De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt 22 weken indien: 26[Toelichting: In geval van EU-cofinanciering, inschakeling van een commissie en nadere controle hebben Gedeputeerde Staten meer tijd nodig om een verleningsbeschikking af te kunnen geven en kan de termijn van maximaal 22 weken worden toegepast. ] sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; over de aanvraag advies wordt ingewonnen; een nader onderzoek is ingesteld. 3. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is ingediend. 27[Toelichting: Op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie moet uiterlijk zijn beslist op 31 december voor het jaar of de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. ] Paragraaf 1.3 Verlening van de subsidie Artikel 1.3.1. Weigeringgrond 28[Toelichting: In artikel 4:35 Awb zijn een aantal weigeringsgronden opgenomen. Zo kan een subsidie bijvoorbeeld geweigerd worden als er duidelijke aanwijzingen zijn dat het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. Met artikel 1.3.1 worden die gronden aangevuld. In lid 1 blijkt uit het gebruik van het woord "kan" dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteiten ook zonder de subsidie gerealiseerd kunnen worden. Met lid 2 wordt een minimumbedrag gegeven voor subsidie: subsidie beneden de € 1.000,-- wordt niet verstrekt. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt. 2. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie in ieder geval als minder dan € 1.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt. 3. Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie aan een publieke instelling indien deze een jaarlijkse subsidie ontvangt en loon in welke vorm dan ook verstrekt aan een persoon die voor hem werkzaam is, dat uitgaat boven 130 procent van de bezoldiging van de minister, inclusief sociale verzekeringspremies, belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn. Artikel 1.3.2. Verlening subsidie 29[Toelichting: Ingevolge het eerste lid geven Gedeputeerde Staten al in het besluit tot verlening van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid is geregeld dat Gedeputeerde Staten de ontvanger verplichtingen kan opleggen. ] 1. Tenzij een subsidie door Gedeputeerde Staten direct wordt vastgesteld, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 30[Toelichting: Uit artikel 4:29 Awb volgt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan voorafgaande een beschikking tot subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven. Gedeputeerde Staten hebben besloten dat voor te verstrekken subsidie tot € 25.000,- de subsidie direct na de aanvraag wordt vastgesteld. Er volgt dus geen voorafgaande beschikking tot subsidieverlening. In alle andere gevallen zal de subsidievaststelling worden voorafgegaan door een beschikking tot subsidieverlening.In een beschikking tot subsidieverlening zal de datum worden vermeld waarop de gesubsidieerde activiteit(

  1. en)uiterlijk moet(
  2. en)zijn verricht. ] 2. Bij het besluit tot verlenen van subsidie geven Gedeputeerde Staten aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt. 31[Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van drietal arrangementen: - kleine subsidies tot € 25.000,- middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en - grote subsidies vanaf € 125.000. Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag.Gedeputeerde Staten moeten bij het besluit tot subsidieverlening bepalen hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving kan een zwaardere verantwoording eisen. Dit komt bijvoorbeeld voor op het beleidsveld inrichting landelijk gebied waar Europees recht soms tot zwaardere verantwoording verplicht. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welke verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. ] Artikel 1.3.3. Betaling en bevoorschotting 32[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.3.3. De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(
  3. en)voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger.De wijze van betaling en bevoorschotting verschilt per arrangement. ] 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1 wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats. 33[Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt die valt in arrangement 1, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. ] 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2 of artikel 1.5.3 wordt gegeven, verlenen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger een voorschot van maximaal 90% van het verleende subsidiebedrag. 34[Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt die in arrangement 2 of 3 valt, dan verlenen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger een voorschot van maximaal 90 %. Dat kan in één of meerdere termijnen zijn. Dit zal vaak afhangen van de looptijd van de activiteiten. ] 3. Bij jaarlijkse subsidie kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag. De voorschotten worden, in termijnen, beschikbaar gesteld. 35[Toelichting: Bij jaarlijkse subsidie zal in de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden vermeld. ] Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 1.4.1. Informatieplicht 1. De subsidieontvanger doet binnen twee weken melding aan Gedeputeerde Staten, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel vóór de in de beschikking vermelde datum waarop deze uiterlijk moeten zijn verricht, zullen worden verricht of dat vóór die datum niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 36[Toelichting: De informatieplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000, het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige subsidieverordening.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de informatieplicht niet geldt na vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.] 2. De subsidieontvanger informeert Gedeputeerde Staten binnen twee weken schriftelijk over: 37[Toelichting: Hierin zijn een aantal belangrijke wijzigingen opgenomen waarover de ontvanger de provincie verplicht moet informeren. ] besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten van de subsidieontvanger dan wel ontbinding van de rechtspersoon; relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, wijzigingen van de bestuurder(
  4. s)en het doel van de rechtspersoon. 3. Indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan € 25.000 en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd. 38[Toelichting: In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is ervoor gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies hoger dan € 25.000 slechts een keer per jaar tussentijdse verantwoording te vragen. Op basis van deze gegevens kan de provincie zich verantwoorden over de realisatie van beleid naar PS en derden. ] Artikel 1.4.2. Overige verplichtingen van de subsidieontvanger 39[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.2.2 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt. 2. [Vervallen] Paragraaf 1.5 Vaststelling van de subsidie Artikel 1.5.1. Subsidies tot € 25.000 40[Toelichting: De omvang van de verantwoordingsverplichting is gekoppeld aan de hoogte van het subsidiebedrag.Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om te verstrekken subsidies tot aan een bedrag tot € 25.000 direct vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie niet eerst wordt verleend (meer voorlopige toekenning) maar dat deze meteen wordt vastgesteld (waarbij de definitieve hoogte wordt bepaald en betaling volgt). Bevoorschotting is niet van toepassing zie artikel 1.3.3. Kenmerkend voor subsidies van minder dan € 25.000 is, dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard. Als de subsidie direct wordt vastgesteld blijft de subsidieontvanger verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. ] Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct verleend en vastgesteld. Artikel 1.5.2. Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 41[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 1.3.2 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.] 1. Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat: 42[Toelichting: Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten (vb concert of minimaal aantal bezoekers), waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een inhoudelijk verslag. ] de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 3. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 25.000, maar minder dan € 125.000, en de kosten en opbrengsten van de te verrichten activiteiten in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden, kan worden bepaald dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format. 43[Toelichting: Soms blijkt het niet mogelijk om vooraf de kosten en opbrengsten van de prestatie realistisch te begroten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij innovatieve activiteiten, als er nog geen standaard voor de daarmee samenhangende kosten en opbrengsten voorhanden is. In dergelijke gevallen is het mogelijk om af te rekenen op basis van een opgave van de totale werkelijke kosten en opbrengsten. De afrekening vindt plaats op basis van een verklaring van de subsidieontvanger over de totaal gerealiseerde kosten en opbrengsten. Bij toepassing van deze variant komt een afzonderlijke prestatieverantwoording te vervallen; een verklaring zoals omschreven in het tweede lid van artikel 1.5.2, volstaat. De opgave van de gerealiseerde kosten en opbrengsten vormt de grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Indien de subsidiabele kosten, na aftrek van de gerealiseerde opbrengsten (inclusief gerealiseerde bijdragen van derden) en de gerealiseerde eigen bijdrage, lager zijn dan begroot wordt de subsidie lager vastgesteld, tenzij rekening dient te worden gehouden met een in de van toepassing zijnde regelgeving geboden mogelijkheid tot het vormen van een egalisatiereserve. Indien de subsidiabele kosten hoger uitvallen dan begroot, wordt ten hoogste het verleende subsidiebedrag uitgekeerd. Steekproefsgewijs kan de subsidieverstrekker de opgegeven totalen controleren. In de verklaring geef de subsidieontvanger niet meer aan dan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is, wat in voorkomend geval de stand van de egalisatiereserve is, wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden is, en wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. ] Artikel 1.5.3. Subsidies vanaf € 125.000 44[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 1.3.2 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.Voor verleende subsidies van meer dan € 125.000,- geldt een verantwoording over prestaties en kosten. Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten (vb concert of minimaal aantal bezoekers), waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een inhoudelijk verslag (zie toelichting bij artikel 1.5.2). Daarnaast wordt over de kosten verantwoord, de wijze waarop dit plaatsvindt wordt per regeling bepaald. Er zijn standaard formats beschikbaar voor verantwoording over de kosten en verantwoording middels een controleverklaring.] 1. Indien de subsidieverlening € 125.000 of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: een inhoudelijk verslag; een kostenverantwoording, eventueel aangevuld met een accountantsverslag conform controleprotocol. 3. Uit het in het tweede lid onder a genoemde inhoudelijke verslag blijkt dat: de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 4. Uit de kostenverantworoding als bedoeld in het tweede lid onder b, blijkt: wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; wat, in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve is; wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden is; en wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 5. Kostenverantwoording als bedoeld in het tweede lid onder b vindt plaats conform format. Gedeputeerde Staten kunnen per regeling aangeven of zij aanvullend een controleverklaring verwachten. Deze wordt dan aangeleverd conform het controleprotocol. 6. Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:79 Awb, bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijk rechtspersoon is, bij de aanvraag tevens een controleverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 7. Overeenkomstig het vierde lid wordt de verleende subsidie vastgesteld op werkelijk gemaakte kosten. Artikel 1.5.4. Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (Sisa) 45[Toelichting: Single information, Single audit betekent eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. SiSa is de manier waarop medeoverheden (provincies, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen) aan het Rijk of Provincies ieder jaar verantwoorden of en hoe ze specifieke uitkeringen hebben besteed. De indicatoren worden landelijk vastgesteld. Uitgangspunt is om per specifieke uitkering zo weinig mogelijk verantwoordingsinformatie en controle te vragen. Er wordt aangesloten bij het reguliere jaarrekeningproces van de gemeenten. Dit houdt in dat: de provincie Overijssel gebruik maakt van de reguliere jaarstukken van de gemeente: het jaarverslag, de jaarrekening, inclusief SISA-bijlage en het verslag van bevindingen van de accountant waarin de accountant specifiek rapporteert over haar controle op de specifieke uitkeringen. Voor de specifieke uitkering worden geen bijzondere controleverklaringen meer gevraagd. In plaats daarvan wordt de noodzakelijke met name financiële beleidsinformatie per specifieke uitkering opgenomen in een bijlage bij de (reguliere) jaarrekening en tijdens de jaarrekening controle door de accountant gecontroleerd. Met uitzondering van de eerder genoemde financiële verantwoordingsplicht blijven de voorwaarden die in de beschikking of overeenkomst hebben gestaan van kracht. Wat betreft het verantwoordingsmoment wordt aangesloten bij de procedure die voor de reguliere jaarstukken geldt: uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar of tijdvak waar over verantwoording moet worden afgelegd aan de provincie worden de stukken via het CBS bij de provincie aangeleverd. Na ontvangst van de verantwoordingsinformatie kan de provincie Overijssel de regeling financieel vaststellen. Hierbij kan worden vertrouwd op de van de gemeente ontvangen gecertificeerde jaarstukken, welke zijn getoetst aan de afgesproken controles. Daarbij wordt ook het rapport van de bevindingen van de accountant en in het bijzonder de hierin opgenomen tabel met fouten en onzekerheden bij de vaststelling van de specifieke uitkering betrokken. Op basis van de verkregen verantwoordingsinformatie vindt vervolgens de inhoudelijke toets bij de provincie plaats. Dit kan leiden tot nadere vragen of maatregelen vanuit de provincie. Zie hiervoor ook de nota procedure aanlevering verantwoordingsinformatie die jaarlijks op de website van de Rijksoverheid wordt gepubliceerd. ] 1. In afwijking van de artikelen 1.5.1 tot en met 1.5.3 verantwoorden gemeenten de regelingen die worden genoemd in de 'Kruisjeslijst ontvangende medeoverheden' jaarlijks volgens het Sisa-principe. 46[Toelichting: De Sisa-circulaire met daarin o.a. de ‘kruisjeslijst ontvangende medeoverheden' (kruisjeslijst sisa) en de SISA bijlage worden jaarlijks aangepast en gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid. De Sisa systematiek wordt voor de regelingen uit de kruisjeslijst op alle openstaande beschikkingen en/of tweezijdige rechtshandelingen toegepast waaruit informatieverplichtingen voortvloeien. In uitzondering hierop wordt deze systematiek voor de regeling bodemsanering alleen toegepast voor alle na 1 januari 2008 aangegane overeenkomsten. ] 2. De Sisa-verantwoording geldt als aanvraag tot vaststelling van de subsidie. 47[Toelichting: In de Invulwijzer sisa medeoverheden Overijssel is per regeling aangegeven hoe het verzoek tot vaststelling dient te worden gedaan.] 3. In aanvulling op het tweede lid geldt voor meerjarige projecten de laatste Sisa verantwoording als de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Artikel 1.5.5. Vaststelling subsidie 48[Toelichting: In dit artikel is geregeld binnen welke termijn Gedeputeerde Staten besluiten ter zake van de vaststelling van de subsidie. De in dit artikel genoemde termijn is een maximum termijn. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen.] Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. 49[Toelichting: Als uitgangspunt geldt een beslistermijn van maximaal 22 weken, die begint op het moment van ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling. ] Paragraaf 1.6 Overige bepalingen Artikel 1.6.1. Staatssteun Gedeputeerde Staten wijzigen of trekken de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in, als de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun. 50[Toelichting: Als een subsidie is aan te merken als ontoelaatbare staatssteun, moeten Gedeputeerde Staten het subsidiebesluit wijzigen of intrekken.] Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen Familie, jeugd en gezin Paragraaf 2.1 Jeugdactiviteiten Eigen Kracht 51[Toelichting: De basis voor de implementatie van de eigenkrachtgedachte ligt in het Overijssels Bestuursakkoord ‘Kracht van Overijssel'. Eigen Kracht is onderdeel van het Overijssels jeugd(zorg)beleid, waarvoor de kaders door Provinciale Staten zijn vastgelegd in het Beleidskader Jeugdzorg Overijssel. Het vigerende kader heeft betrekking op de periode 2013 en 2014. Jaarlijks worden de beleidsvoornemens door Gedeputeerde Staten geconcretiseerd in een Uitvoeringsprogramma Jeugdzorg. Gedeputeerde Staten willen er voor zorgen dat de familiekring/het netwerk van een cliënt en de cliënt zelf verantwoordelijkheid nemen voor de situatie. Het is van belang dat de families zelf de leiding hebben in het proces om tot een eigen plan te komen en te borgen. ] Artikel 2.1.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Activiteiten eigen kracht: activiteiten met betrekking tot inbedding of borging van het principe eigen kracht; b. Beleidskader: Beleidskader Jeugdzorg Overijssel 2013-2014; c. Cofinanciering: In afwijking van artikel 1.1 sub c wordt bij cofinanciering minimaal een bijdrage van de aanvrager of andere partijen in de totale kosten van het project/de activiteiten verwacht; d. EK-c: een Eigen Kracht conferentie geeft mensen de mogelijkheid om zelf, samen met familie, vrienden en andere bekenden, een plan te maken voor een oplossing of voor hulp. De kracht voor de oplossing komt vanuit de familie en alle belangrijke mensen daaromheen. Gemaakte plannen zijn leidend voor de hulpverlening; e. Uitvoeringsprogramma (UP): het uitvoeringsprogramma Jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ). Artikel 2.1.2 Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verstrekken voor activiteiten eigen kracht, voorzover deze aantoonbaar een voortzetting betreffen in de zin van borging of implementatie van al eerder door Gedeputeerde Staten gesubsidieerde activiteiten of projecten op het gebied van eigen kracht. Artikel 2.1.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een gemeente of organisatie, die geheel of gedeeltelijk werkzaam is in het jeugddomein en die reeds eerder een subsidie heeft ontvangen in het kader van ‘eigen kracht'; b. het gaat om activiteiten die binnen het gevoerde beleid op het terrein van de verdere inbedding of borging van eigen kracht passen, als omschreven in het vigerende UP en het Beleidskader en die aantoonbaar verband houden met een eerder in het kader van een ‘eigen kracht' gesubsidieerd project; c. de resultaten van de activiteiten slaan neer in Overijssel. Artikel 2.1.4 Grondslag De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel 2.1.5 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 2.1.6 Weigeringsgrond In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als minder dan € 5.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt. Artikel 2.1.7. Subsidiabele kosten 52[Toelichting: Afwijking van artikel 1.1.6 sub c is wenselijk, omdat in de praktijk blijkt dat kinderen in noodsituaties direct zorg krijgen terwijl er nog geen formele aanvraag voor subsidie is ingediend. In het belang van het kind wordt in overleg met de provincie of de stichting afgesproken dat het kind alvast in zorg wordt genomen, in afwachting van de aanvraag. De zorg is dan al begonnen.] In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn de kosten van dat deel van de jeugdzorg dat al is uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel. Paragraaf 2.2 Jeugdzorg 53[Toelichting: Ter uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg stelt Provinciale Staten eenmaal per 4 jaar een Beleidskader jeugdzorg vast. Het vigerende kader betreft de periode 2013-2014. Jaarlijks worden de beleidsvoornemens door Gedeputeerde Staten geconcretiseerd in een Uitvoeringsprogramma (UP) Jeugdzorg en in het ‘Nieuwe bezems sturings- en subsidiekader'. De in het kader van de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg door Gedeputeerde Staten te subsidiëren instellingen zijn in dit UP opgenomen. De subsidiabele activiteiten betreffen het aanbod van jeugd- en opvoedhulp, inclusief de toeleiding daartoe, en het aanbod aan jeugdbescherming (JB) en jeugdreclassering (JR). Voor de bekostiging van JB en JR stelt het Rijk normprijzen vast. Voor de bekostiging van de overige activiteiten stelt Gedeputeerde Staten een normprijs in de beschikking vast.De provincie ontvangt van het Rijk een doeluitkering jeugdzorg. De hoogte van deze uitkering wordt geacht voldoende te zijn om de wettelijke taken van de stichting en de instellingen voor jeugd- en opvoedhulp naar behoren uit te kunnen voeren. Met de subsidieontvangers worden prestatieafspraken gemaakt waarbij de hiervoor beschikbaar gestelde subsidie per te leveren prestatie is genormeerd. Binnen de doeluitkering wordt de provincie geacht voldoende zorgaanbod ‘in te kopen' bij instellingen voor jeugd- en opvoedhulp om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen. De subsidie voor het zorgaanbod wordt verstrekt op basis van een vooraf geraamd aantal af te sluiten cliënt-zorgtrajecten en afgerekend op basis van het werkelijke aantal geleverde cliënt-zorgtrajecten. Binnen een cliënt-zorgtraject levert de instelling voor jeugd- en opvoedhulp alle provinciale jeugdzorg die nodig is om de doelen van de zorg te behalen. Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de vraag en de ontwikkeling hiervan. Bureau Jeugdzorg levert hiervoor een raming voor het komende jaar aan. De provincie Overijssel is verdeeld in bepaalde regio's. De verdeling hiervan wordt jaarlijks opgenomen in het UP. Per regio wordt met één instelling voor jeugd- en opvoedhulp (zgn. hoofdaannemer) prestatieafspraken gemaakt en een subsidierelatie aangegaan. Dit wordt jaarlijks vermeld in het UP. Het staat deze instelling vrij om de zorg door een andere instelling voor jeugd- en opvoedhulp (onderaannemer) te laten uitvoeren onder door Gedeputeerde Staten te stellen condities. Elk jaar wordt per cliënt-zorgtraject een normtarief vastgesteld door Gedeputeerde Staten en vermeld in het UP. Dit is het tarief dat een instelling voor jeugd- en opvoedhulp (hoofdaannemer) bij inkoop/afrekening ontvangt voor een succesvol afgesloten cliënt-zorgtraject. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om gedurende een door haar te bepalen periode hiervan af te wijken in verband met een overgangsregeling van het oude systeem van subsidiëren naar dit nieuwe systeem. In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan hoeveel cliënt-zorgtrajecten worden gesubsidieerd.Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van het werkelijke aantal afgesloten cliënt-zorgtrajecten tegen het vastgestelde cliënttarief. Wanneer het werkelijke aantal lager is, wordt een lagere subsidie vastgesteld. Gedurende het jaar kan Gedeputeerde Staten besluiten meer afgesloten trajecten te subsidiëren dan vooraf was geraamd wanneer er naar de opvatting van Gedeputeerde Staten meer zorg nodig is vanwege een aantoonbare significante stijging van de vraag naar jeugdzorg in de regio.Verschillen tussen verleende en vastgestelde subsidies worden in principe in een keer verrekend/nabetaald, tenzij naar de mening van Gedeputeerde Staten aspecten van redelijkheid en billijkheid een andere betaaltermijn rechtvaardigen. Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de instelling voor jeugd- en opvoedhulp gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de vraag van de cliënt. Een hoofdaannemer is vrij in de besteding van het totaal van de middelen van de cliënt-zorgtrajecten die de provincie bij haar inkoopt. Cliënt-zorgtrajecten komen alleen voor subsidie in aanmerking indien hieraan een geldige indicatie van de stichting aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de provincie Overijssel. Gedeputeerde Staten kunnen hier, in het kader van afspraken met andere provincies over buitenprovinciale plaatsingen, van afwijken.Ten aanzien van de subsidiëring van de activiteiten op het gebied van jeugdhulpverlening door de landelijk werkende instellingen kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie die betrekking heeft op de hulpverlening aan Overijsselse kinderen die op 1 januari 2013 bij de landelijk werkende instellingen in zorg waren op een andere manier bepalen dan op basis van het aantal cliënt-zorgtrajecten als hiervoor is omschreven. Voor de zorg aan kinderen die na deze datum in zorg zijn gekomen dienen de landelijk werkende instellingen zich als onderaannemer tot de Overijsselse hoofdaannemer(
  5. s)te wenden. ] Artikel 2.2.1. Begripsbepalingen 54[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg zijn hier niet herhaald.] In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. WJZ: de Wet op de Jeugdzorg. b. Uitvoeringsprogramma (hierna: UP): het Uitvoeringsprogramma jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WJZ. c. Beleidskader: het Beleidskader Jeugdzorg Overijssel, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WJZ. d. Nieuwe bezems sturings- en subsidiekader: Uitwerking en gespecificeerde uitleg per jaar van de uitvoering van het UP. e. Cliënt-zorgtraject: Het gehele proces van activiteiten en behandeldoelen van een unieke cliënt(systeem), vanaf het in zorg nemen tot en met het einde van de jeugdzorgindicatie van deze cliënt. Een cliënt-zorgtraject start bij ontvangst door de instelling voor jeugd- en opvoedhulp van de aanmelding van de cliënt of een besluit spoedzorg en eindigt bij het vervallen van de laatste zorgaanspraak. Het formele moment van vervallen van de laatste zorgaanspraak is het moment waarop de stichting de indicatie formeel beëindigt. f. Cliënttarief/trajecttarief: het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag, bedoeld voor de bekostiging van een cliënt-zorgtraject. g. Regionalisering: De provincie Overijssel is verdeeld in bepaalde regio's. De verdeling hiervan wordt jaarlijks opgenomen in het UP. h. Hoofdaannemer: De hoofdaannemer is een provinciale aanbieder van Jeugd- en Opvoedhulp en is eindverantwoordelijk voor het cliënt-zorgtraject. Per regio wordt met één instelling voor jeugd- en opvoedhulp prestatieafspraken gemaakt. i. Onderaannemer: Een hoofdaannemer kan andere organisaties inschakelen ten behoeve van het realiseren van de einddoelen in het indicatiebesluit. Deze organisaties opereren als onderaannemer. j. Bekostigingseenheid: een eenheid van jeugdzorg waarop op grond van de WJZ aanspraak bestaat en die door Gedeputeerde Staten als eenheid voor bekostiging van jeugdzorgaanbod zijn aangewezen. k. Cofinanciering: In afwijking van artikel 1.1 sub c wordt bij cofinanciering minimaal een bijdrage van de aanvrager of andere partijen in de totale kosten van het project/de activiteiten verwacht. l. EK-c: Een Eigen Kracht-conferentie (EK-
  6. c)geeft mensen de mogelijkheid om zelf, samen met familie, vrienden en andere bekenden, een plan te maken voor een oplossing of voor hulp. De kracht voor de oplossing komt vanuit de familie en alle belangrijke mensen daaromheen. Gemaakte plannen zijn leidend voor de hulpverlening. m. Stichting: een stichting die een Bureau Jeugdzorg in stand houdt, als bedoeld in artikel 1f WJZ. Artikel 2.2.2. Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen een jaarlijkse subsidie verstrekken voor: a. de toeleiding naar de jeugd- en opvoedhulp; b. het uitvoeren van justitiële taken in het kader van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering; c. het uitvoeren van toegangstaken en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK); d. het bieden van zorg aan Overijsselse cliënten. Artikel 2.2.3. Criteria 55[Toelichting: Voor subsidiëring van de stichting komen in aanmerking de taken zoals genoemd in de artikelen 5 en 10 van de WJZ. De subsidiëring van de overige uit de WJZ voortvloeiende taken maakt onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ. Hierin wordt bepaald dat in principe alleen subsidie wordt verstrekt voor zover de uitvoering van taken betrekking heeft op cliënten afkomstig uit Overijssel. Het derde lid van dit artikel maakt hierop een uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van de voorheen landelijk werkende instellingen die taken van een stichting uitvoeren. Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende instellingen en provincies.Voor subsidiëring van het zorgaanbod komen in aanmerking de cliënt-zorgtrajecten die worden uitgevoerd ten behoeve van kinderen uit Overijssel en op basis van een daartoe strekkende indicatiebesluit van de stichting. De instelling voor jeugd- en opvoedhulp, die hoofdaannemer is van een regio, wordt gesubsidieerd op basis van aantallen afgesloten cliënt-zorgtrajecten maal het cliënttarief.Op grond van de WJZ heeft de acceptatieplicht van de instelling alleen betrekking op cliënten uit de provincie Overijssel waarvoor Gedeputeerde Staten de betreffende instelling voor jeugd- en opvoedhulp ook een subsidie hebben verstrekt (zie lid 3b). Omdat de provincie Overijssel bij het inkopen van jeugdzorg niet gehouden is deze in te kopen bij instellingen voor jeugd- en opvoedhulp uit de eigen provincie, kan een instelling ook zorg verlenen aan cliënten uit een andere provincie dan de provincie van vestiging van de instelling, mits Gedeputeerde Staten ook bij deze instelling zorg heeft ingekocht. Als dit niet het geval is dan kan deze instelling voor jeugd- en opvoedhulp geen zorg voor dergelijke cliënten uitvoeren. De betreffende cliënt zal zijn aanspraak op zorg daarom slechts tot gelding kunnen brengen bij een instelling, die hiervoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin hij of zij voorafgaand aan het tot stand komen van de aanspraak duurzaam verbleef. Daarnaast kan Gedeputeerde Staten afspraken maken met andere provincies over buitenprovinciale plaatsingen. In de subsidiebeschikking en/of in het Nieuwe bezems sturings- en subsidiekader worden de hieruit voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden vastgesteldDe cliënt heeft in principe de vrijheid om te kiezen bij welke instelling voor jeugd- en opvoedhulp hij/zij zijn/haar indicatie wil verzilveren. Dit kan dus ook een instelling zijn die in een andere regio gevestigd is dan dat de cliënt woonachtig is. Een instelling aan wie subsidie wordt verstrekt is verplicht om cliënten uit Overijssel die zich bij hen aanmelden te accepteren. Zie ook de algemene toelichting van deze paragraaf.] 1. Een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.2. moet voldoen aan de volgende criteria: De aanvrager dient HKZ-gecertificeerd te zijn. De administratie van de aanvrager moet op een zodanig overzichtelijke en doelmatige wijze gevoerd worden dat op ieder moment een actueel en betrouwbaar beeld bestaat over het functioneren op de volgende punten: gegevens over de cliënten (inclusief indicatiebesluiten en hulpverleningsplannen); financiële gegevens. [vervallen] 2. Aanvullend op het eerste lid van dit artikel kan de stichting die in het UP is opgenomen voor het uitvoeren van de taken bedoeld als in artikelen 5 en 10 van de WJZ en overige taken bedoeld in artikel 10 derde lid, een aanvraag indienen voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.2 sub a, b en c. 3. Aanvullend op het eerste en tweede lid van dit artikel kan de stichting alleen een aanvraag indienen voor de taken of de functies die worden uitgevoerd voor cliënten die bij aanvang van de bemoeienis van de stichting duurzaam verblijven in Overijssel. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kunnen zij hiervan afwijken. 4. Aanvullend op het eerste lid van dit artikel moet een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.2 sub d voldoen aan de volgende criteria: De aanvrager dient een instelling van jeugd- en opvoedhulp te zijn waarmee Gedeputeerde Staten een subsidierelatie heeft; Het moet zorg betreffen voor cliënt-zorgtrajecten waarvoor een indicatiebesluit of besluit spoedzorg is afgegeven door de stichting en voor cliënten die afkomstig zijn uit Overijssel; Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het sub b van dit artikel in verband met afspraken met andere provincies over buitenprovinciale plaatsingen; Elke cliënt van Overijsselse herkomst dient door de instelling geaccepteerd te worden, conform de Wet op de Jeugdzorg. Artikel 2.2.4. Grondslag subsidie 56[Toelichting: Zie de algemene toelichting van deze paragraaf.] 1. De subsidie aan de stichting wordt bepaald op basis van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven. Hiervoor geldt als basis de door het Rijk vastgestelde normprijzen voor de bekostiging van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringstaken. De normprijs voor de overige activiteiten wordt door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De normprijzen worden opgenomen in de beschikking. 2. De subsidie aan een instelling voor jeugd- en opvoedhulp (alleen de hoofdaannemer) voor het uitvoeren van cliënt-zorgtrajecten, wordt bepaald op basis van het door Gedeputeerde Staten vastgesteld tarief per cliënt-zorgtraject. Dit tarief wordt opgenomen in het UP. 3. De subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid bedraagt ten hoogste het bedrag dat Gedeputeerde Staten hiervoor hebben opgenomen in het UP van het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft. Dit bedrag kan worden aangepast op basis van de voor het jaar door de minister vastgestelde indexering. Artikel 2.2.5. Subsidiabele kosten 1. In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn de kosten van het deel van de jeugdzorg dat al is uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel. 57[Toelichting: Afwijking van artikel 1.1.6 sub c is wenselijk, omdat in de praktijk blijkt dat kinderen in noodsituaties direct zorg krijgen terwijl er nog geen formele aanvraag voor subsidie is ingediend. In het belang van het kind wordt in overleg met de provincie of de stichting afgesproken dat het kind alvast in zorg wordt genomen, in afwachting van de aanvraag. De zorg is dan al begonnen. ] 2. In afwijking van artikel 1.1.5 worden de subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 2.2.4 bepaald. Artikel 2.2.6. Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De stichting overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1. tweede lid bij de aanvraag voor subsidie tevens: het bedrag van de aangevraagde subsidie en de opbouw daarvan op basis van de tarieven in overeenstemming met artikel 2.2.4., eerste lid, voorzien van een gedetailleerde toelichting en de onderbouwing daarvan; de wettelijke taken of functies die de organisatie zal uitvoeren; de geraamde aantallen cliënten voor het jaar waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft per taak of functie als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste lid van de WJZ; het aantal cliënten per taak of functie waarvoor de betreffende taak of functie is uitgevoerd in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; de activiteiten die zullen worden uitgevoerd voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ. 2. De instelling voor jeugd- en opvoedhulp (hoofdaannemer) overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1. tweede lid bij de aanvraag voor subsidie tevens: een jaarplan, waarin onder andere aandacht is voor de samenwerking met andere instellingen (onderaannemers); een raming van het aantal verwachte af te sluiten cliënt-zorgtrajecten in betreffend jaar tegen het vastgestelde tarief in haar regio. [vervallen] Artikel 2.2.7. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 2.2.8. Volgorde van behandeling 58[Toelichting: In het UP staan de bedragen en instellingen en stichting vermeld. Gaande het jaar worden eventuele budgetten op basis van de vraag naar jeugdzorg verdeeld.] In afwijking van artikel 1.1.3. verdelen Gedeputeerde Staten het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de subsidieaanvragen. Artikel 2.2.9. Weigeringsgrond In afwijking van artikel 1.3.1. tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als minder dan € 5.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt. Artikel 2.2.10. Voorschotverlening Aanvullend op artikel 1.3.3. vierde lid worden de termijnen bepaald op basis van het door het Rijk gehanteerde schema van betaling van de jaarlijkse doeluitkering. Artikel 2.2.11. Reserveringen en egalisatiereserve 59[Toelichting: In dit artikel zijn bepalingen over het toestaan van reserveringen en het vormen van vermogen opgenomen.] 1. De hoofdaannemer is vrij in de wijze waarop deze het cliënt-zorgtraject inricht en de middelen in een individueel cliënt-zorgtraject besteed. Overschotten en tekorten van de werkelijke kosten van een cliënt-zorgtraject ten opzichte van het cliënttarief komen ten goede of voor rekening van de hoofdaannemer. 2. Reserveringen kunnen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering en kunnen plaatsvinden conform goed gebruik in het economisch verkeer. Het in een jaar gerealiseerde exploitatietekort, dat resteert na verrekening van de provinciale subsidie, wordt gedekt uit de egalisatiereserve. Indien deze reserve niet toereikend is dan wordt het resterende tekort in een termijn van maximaal 5 jaren ten laste van de exploitatierekening afgeschreven, deze afschrijvingen leiden niet tot extra subsidiëring. 3. De egalisatiereserve die met provinciale subsidie is opgebouwd mogen alleen worden besteed aan kosten die direct verband houden met het uitvoeren van de taken/functies/cliëntt-zorgrajecten waarvoor deze zijn verkregen en voor zover deze niet bestreden kunnen worden uit de voor dat jaar verleende subsidie. 4. [vervallen] 5. Het is de door Gedeputeerde Staten gesubsidieerde jeugdzorginstellingen toegestaan om kosten die verband houden met de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten ten laste van de instellingsreserve te brengen. Artikel 2.2.12. Vergoedingsplicht bij vermogensvorming 60[Toelichting: Wanneer de gesubsidieerde activiteiten worden beëindigd is de ontvanger verplicht het met provinciale subsidie opgebouwde vermogen op eerste verzoek aan Gedeputeerde Staten te betalen.] 1. In de gevallen bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Awb is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie. 2. De hoogte van de vergoeding is de egalisatiereserve, zoals genoemd in artikel 2.2.11., die met provinciale subsidie is opgebouwd. Artikel 2.2.13. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling In afwijking van artikel 1.5.2. eerste lid dan wel artikel 1.5.3. eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend. Artikel 2.2.14. Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling 61[Toelichting: Dit artikel regelt de voorwaarden waaraan de financiële verantwoording minimaal dient te voldoen en uit welke onderdelen deze bestaat. Ook wordt bepaald dat de verantwoording moet worden voorzien van een controleverklaring die wordt ingericht volgens het model uit de landelijke Regeling Bekostiging Jeugdzorg. Getracht is de verantwoording zo minimaal mogelijk te laten zijn. ] 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag tevens: de jaarrekening, waarin zijn opgenomen: het financiële verslag van het bestuur van de ontvanger; de balans met toelichting, waaruit blijkt wat de stand van de egalisatiereserve is; de resultatenrekening met toelichting, waarin substantiële afwijkingen ten opzichte van de begroting worden verklaard; de uitkomsten van de prestatie-indicatoren zoals deze zijn opgenomen in het UP; een controleverklaring en assurance-rapport van de accountant. De accountant dient haar controle uit te voeren over het subsidietijdvak met inachtneming van de landelijke "Regeling bekostiging jeugdzorg" (inclusief bijlagen). Voor deze controlewerkzaamheden is het vigerende "Controleprotocol voor de accountantscontrole bij bureau jeugdzorg en de zorgaanbieders" van toepassing. 2. In aanvulling op het eerste lid van dit artikel overlegt de stichting tevens bij de aanvraag: het totale aantal jeugdigen dat zich in het begrotingsjaar bij haar heeft gemeld en het aantal jeugdigen waarvoor de verschillende taken en/of functies als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste lid van de WJZ zijn uitgevoerd; het totale aantal cliënt-zorgtrajecten waarvoor door haar in het subsidiejaar een indicatiebesluit is afgegeven en het aantal afgesloten cliënt-zorgtrajecten; het aantal van de cliënt-zorgtrajecten waarvoor door haar een indicatiebesluit is vastgesteld, voor zover deze in het desbetreffende jaar zijn uitgevoerd door een instelling voor jeugd- en opvoedhulp die daarvoor niet door Gedeputeerde Staten zijn gesubsidieerd en het totale aantal cliënten waarop dit betrekking heeft. 3. In aanvulling op het eerste lid van dit artikel overlegt de instelling van jeugd- en opvoedhulp (de hoofdaannemer) tevens bij de aanvraag: een overzicht met het aantal cliënten in zorg per begindatum van het subsidietijdvak, de ingestroomde unieke cliënten/gestarte cliënt-zorgtrajecten en het totale aantal afgesloten cliënt-zorgtrajecten dat op basis van een indicatiebesluit door de instelling is uitgevoerd; [vervallen] het werkelijk aantal in de regio in het betreffende jaar ingezette aantal bekostigingseenheden inclusief de werkelijk gemiddelde kostprijs per bekostigingseenheid; welke aantallen cliënten per balansdatum in zorg zijn en de kosten die hiervoor al gemaakt zijn (bedrag "onderhanden werk"); [vervallen]; het aantal bekostigingseenheden dat door de instelling voor jeugd- en opvoedhulp is uitgevoerd ten behoeve van cliënten die voorafgaand aan het bieden van zorg niet duurzaam verbleven in de provincie Overijssel en het totale aantal cliënten waarop deze zorgeenheden betrekking hebben; het jaardocument jeugdzorg. 4. Gedeputeerde Staten kunnen over de verantwoording nadere informatie vragen. Artikel 2.2.15. Verplichtingen subsidieontvanger 1. De Stichting rapporteert ten minste per kwartaal per regio het aantal afgesloten cliënt-zorgtrajecten en het aantal cliënt-zorgtrajecten in zorg ultimo het kwartaal. 2. De hoofdaannemer levert beleidsinformatie aan de Stichting volgens het landelijk rapportageformat. De Stichting levert deze gegevens elk kwartaal aan de provincie aan. 3. De hoofdaannemer rapporteert elk kwartaal de in- en uitstroom van het aantal cliënten aan de provincie. Hiervoor is een rapportageformat opgesteld. 4. De hoofdaannemer is primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorgverlening door hoofdaannemer en onderaannemer. 5. De effectiviteit van de zorg wordt gemeten aan de hand van de landelijk overeengekomen prestatie-indicatoren. 6. De aanvrager zorgt ervoor dat haar accountant meewerkt aan een door of namens Gedeputeerde Staten in te stellen onderzoek naar de door haar accountant verrichte controlewerkzaamheden. Paragraaf 2.3 Senioren [ingetrokken] Paragraaf 2.4 Transitie en transformatie jeugdzorg 62[Toelichting: Gedeputeerde Staten zijn op basis van de Wet op de Jeugdzorg verantwoordelijk voor de zorg voor jeugdigen en hun opvoeders bij ernstige opvoed- en opgroeiproblemen.In het regeerakkoord 2010 is een ingrijpende wijziging van het jeugdstelsel afgesproken. De provinciale taak jeugdzorg wordt naar verwachting vanaf 1 januari 2015 gedecentraliseerd naar de afzonderlijke gemeenten.Met de verschuiving van de jeugdzorg naar de gemeenten wil de regering ervoor zorgen dat hulp voor cliënten sneller beschikbaar is, beter aansluit bij de eigen kracht en de sociale netwerken van hun ouders of verzorgers en meer samenhang heeft met andere vormen van zorg bij het gezin. Ook verwacht de regering een eenvoudiger stelsel, met meer effectiviteit en efficiency en minder bureaucratieGedeputeerde Staten hechten aan het belang van continuïteit en kwaliteit van de provinciale jeugdzorg en het verminderen van wachtlijsten tot het moment van decentralisatie. Gedeputeerde Staten zien het, in het verlengde van haar huidige provinciale jeugdzorgtaak, als haar verantwoordelijkheid bij te dragen aan een goede overdracht van de provinciale jeugdzorg en wil de gemeenten ondersteunen in hun verantwoordelijkheid zich voor te bereiden op het moment van overheveling van de provinciale jeugdzorg. Met deze regeling willen Gedeputeerde Staten bijdragen bij activiteiten die de gemeenten voorbereiden op het moment van overheveling.] Artikel 2.4.1. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. beleidskader: meerjarig beleidsprogramma jeugdzorg. b. uitvoeringsprogramma (hierna: UP): het uitvoeringsprogramma Jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg. c. transitie jeugdzorg: de verschuiving van de wettelijke taken van jeugdzorg van de provincie naar gemeenten, zoals bedoeld in het regeerakkoord 2010. d. transformatie jeugdzorg: de opgave van de gemeenten om het huidige stelsel te veranderen naar een nieuw jeugdstelsel. e. jeugdzorg: provinciaal gefinancierde jeugdzorg conform de Wet op de jeugdzorg. Artikel 2.4.2. Subsidiabele activiteiten 63[Toelichting: Gezamenlijke activiteiten van gemeenten zijn mogelijk, maar de gemeenten moeten ieder een afzonderlijke aanvraag indien. De individuele aanvraag kan hiervoor deels overeenkomen met de aanvraag van de gemeenten waarmee samengewerkt wordt. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen of relevant zijn voor de transitie en transformatie jeugdzorg in Overijssel. Artikel 2.4.3. Criteria Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de activiteit past binnen het provinciaal jeugdzorgbeleid, zoals omschreven in het vigerende UP en beleidskader; c. de activiteit is vernieuwend voor de aanvrager of betreft een doorontwikkeling van een vernieuwend project; d. de activiteiten heeft een leereffect voor de gemeente op het gebied van toekomstige uitvoering van de jeugdzorg, eventueel in relatie met aanpalende beleidsterreinen; 64[Toelichting: De vernieuwing kan betrekking hebben op diverse aspecten bv. op de lokale situatie, voor de jeugdzorg algemeen, een cultuuromslag, integraliteit, intersectorale samenwerking, ontbureaucratisering/ontkokering of op de samenwerking met andere gemeenten. Informatie en ervaringen die er al zijn (bij andere gemeenten binnen of buiten Overijssel) dienen meegenomen te worden bij het ontwikkelen van de activiteiten.] e. de aanvraag is vooraf afgestemd met de provinciaal beleidsmedewerker jeugd. Artikel 2.4.4. Grondslag subsidie 65[Toelichting: De maximale subsidiebedrag per gemeente is gebaseerd op het inwonersaantal van de gemeente per 1 januari 2011. Een gemeente mag meerder aanvragen indienen, gezamenlijk mogen deze niet meer bedragen dan het maximumbedrag. ] De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van 70% van de totale projectkosten met de volgende maximale subsidies per gemeente: a. € 250.000 voor Borne, Dalfsen, Dinkelland, Haaksbergen, Losser, Oldenzaal, Olst-Wijhe, Ommen, Staphorst, Twenterand, Tubbergen, Wierden en Zwartewaterland; b. € 500.000 voor Almelo, Hardenberg, Hellendoorn, Hof van Twente, Kampen, Raalte, Rijssen-Holten en Steenwijkerland; c. € 800.000 voor Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle. Artikel 2.4.5. Subsidiabele kosten [Vervallen] Artikel 2.4.6. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 2.4.7. Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: a. de te verlenen subsidie minder dan € 5.000 bedraagt; b. de activiteit in strijd is met het provinciale jeugdzorgbeleid. Artikel 2.4.8. Stukken bij de aanvraag voor subsidie 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Transitie en Transformatie jeugdzorg. 2. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 een projectplan waaruit blijkt: wat de gemeentelijke doelen, prestaties en inzet gemeentelijke middelen zijn met betrekking tot de transitie en transformatie jeugdzorg; hoe de gemeente invulling zal geven aan uitwisseling van kennis en ervaring zowel in de voorbereiding als tijdens het uitvoeren van de activiteiten; 66[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen sturen op spreiding van onderwerpen in de projecten over de provincie.] hoe de resultaten van de activiteit geborgd worden in het gemeentelijk beleid. Artikel 2.4.9. Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 is de aanvrager verplicht de relevante ervaringen of resultaten in de voorbereiding, tijdens de uitvoering en na afronding van de activiteit te delen met andere gemeenten. Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen Zorg en gezondheid Paragraaf 3.1 Zorg [ingetrokken] Paragraaf 3.2 Ondersteuning uitvoering Wet maatschappelijke ondersteuning De provincie heeft een wettelijke taak op het gebied van de Wmo. Gedeputeerde Staten dragen zorg voor het voeren van beleid betreffende steunfunctiewerk. Gedeputeerde Staten vullen deze taak in door het laten uitvoeren van steunfunctietaken en door het financieren van projecten van gemeenten in het kader van de Wmo. Deze subsidieregeling bevat de criteria waaraan deze projecten moeten voldoen. Artikel 3.2.1. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning, 29 juni 2006, Stb. 2006/351. Artikel 3.2.2. Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die gemeenten ondersteunen bij hun taken voor de uitvoering van de Wmo. Artikel 3.2.3. Criteria Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: 1. De aanvrager is een Overijsselse gemeente; 2. De activiteit betreft de uitvoering ten minste één van de negen prestatievelden, zoals benoemd in de Wmo; 67[Toelichting: Prestatievelden Wmo zijn: 1. het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;2. op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden;3. het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;4. het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;5. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;6. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;7. het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang;8. het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen;9. het bevorderen van verslavingsbeleid.] 3. De activiteit is uiterlijk 31 december 2015 afgerond. Artikel 3.2.4. Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel 3.2.4a Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.1.6 sub a zijn de gemeentelijke apparaatskosten wel subsidiabel. 68[Toelichting: Deze afwijking is noodzakelijk, omdat de provincie een wettelijke taak heeft om de uitvoering van de WMO te ondersteunen. ] Artikel 3.2.5. Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Ondersteuning uitvoering Wet maatschappelijke ondersteuning. 2. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1. een projectplan waarin is uitgewerkt: de aanleiding voor het project; aan de uitvoering van welk prestatieveld in de Wmo dit project bijdraagt; wat de beoogde concrete resultaten, doelen en effecten zijn; de looptijd en fasering van het project; wat de begrote kosten en inkomsten zijn; welke andere gemeenten en andere participanten aantoonbaar betrokken zijn bij het project; hoe de resultaten van het project beschikbaar worden gesteld aan andere gemeenten. Artikel 3.2.6. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 3.2.7. Indieningstermijn aanvraag 1. In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag voor een subsidie ingediend kan worden vanaf 1 mei en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 juni van het betreffende kalenderjaar. 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Artikel 3.2.8. Volgorde van behandeling 69[Toelichting: De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het subsidieplafond dat toelaat. ] 1. In afwijking van artikel 1.1.3. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat. 2. Aanvullend op het eerste lid geldt voor de subsidieaanvragen dat de prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van de score scoretabel 1. Aan de hand van scoretabel 1 wordt berekend welke totale score het project behaalt voor de volgende onderdelen: a. het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten; b. de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en andere financiers dan de provincie Overijssel in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel; c. de mate waarin het ontwikkelde concept of de opgedane kennis aantoonbaar worden overgedragen aan andere Overijsselse gemeenten. 3. Bij een gelijke score bepaalt ten eerste het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten de prioriteitsvolgorde, met dien verstande dat het project waar het aantal deelnemende gemeenten het hoogst is, een hogere prioriteit krijgt. Mocht dit resulteren in een gelijke score dan bepaalt de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en overige financiers, in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel, de prioriteitsvolgorde. 70[Toelichting: Scoretabel 1Onderdeel; Cijfer; Weging; Score; 1. het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten; matig

(1), goed
(3), uitstekend
(4); 50%; Cijfer x 0,5 = score 1; 2. de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en andere financiers dan de provincie Overijssel in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel; matig
(1), goed
(3), uitstekend
(4); 30%; Cijfer x 0,3 = score 2; 3. de mate waarin het ontwikkelde concept of de opgedane kennis aantoonbaar worden overgedragen aan andere Overijsselse gemeenten.; matig
(1), goed
(3), uitstekend
(4); 20%; Cijfer x 0,2 = score 3; ; ; ; Totale score = score 1 + score 2 + score 3]; Artikel 3.2.
  1. Verplichtingen van de subsidieontvanger In aanvulling op artikel 1.4.
  2. en 1.4.
  3. dient de subsidieontvanger de opgedane kennis of het ontwikkelde concept beschikbaar te stellen aan andere Overijsselse gemeenten. Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen Cultuur, sport en vrije tijd Paragraaf 4.1 Archeologie [Ingetrokken] Paragraaf 4.2 Restauratieachterstanden Rijksmonumenten [Ingetrokken] Paragraaf 4.3 Podiumplan [Ingetrokken] Paragraaf 4.4 Cultuurdeelname [Ingetrokken] Paragraaf 4.5 Productiefonds Overijssel 2013-2015 71[Toelichting: De provincie Overijssel geeft in 2013-2015 een impuls aan de vergroting van de dynamiek, diversiteit en vitaliteit van de kunstensector in Overijssel. Hiervoor heeft zij de subsidieregeling Productiefonds Overijssel 2013-2015 in het leven geroepen.Dit om aan de ene kant een aantrekkelijker werkklimaat voor jonge getalenteerde makers te stimuleren. En aan de andere kant om als aanvulling op het reguliere aanbod bijzondere producties mogelijk te maken.Het gaat de provincies om bijzondere initiatieven met artistieke en productionele kwaliteit en bijzondere betekenis voor Overijssel. Met deze impuls kan een nieuw en nog breder en groter publiek voor de kunsten in Overijssel bereikt worden. ] Artikel 4.5.
  4. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. productie: het geheel van artistieke creatie, ontwikkeling en uitvoering van een nieuwe uiting op het terrein van ten minste één van de volgende kunstdisciplines: muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, film, nieuwe media, literaire cultuur, niet zijnde een festival, boek, cd- of dvd-uitgave of een tentoonstelling; b. artistiek inhoudelijke kwaliteit: de artistiek inhoudelijke kwaliteit van een productie blijkt uit het vakmanschap, de zeggingskracht en de oorspronkelijkheid van de productie; 72[Toelichting: Vakmanschap is een noodzakelijke randvoorwaarde om de beoogde artistieke kwaliteit ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Zeggingskracht en oorspronkelijkheid zijn uiteindelijk bepalend voor de artistieke kwaliteit. Het is dan ook van groot belang dat in de beschrijving van de productie voldoende inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze de aanvrager deze zeggingskracht en oorspronkelijkheid denkt te realiseren. Daarvoor is noodzakelijk dat in de aanvraag duidelijk wordt gemaakt vanuit welke inhoudelijke visie de productie gestalte krijgt.Het vakmanschap van de kunstenaar bestaat niet alleen uit ambachtelijke vaardigheden. Vakmanschap van een kunstenaar is méér dan ambacht , namelijk door de specifieke greep van (een) specifieke kunstenaar(s) op materiaal. Dat materiaal kan bestaan uit verf, steen, muziek, taal of wat in de kunsten ook maar als grondstof gebruikt kan worden (ook oorspronkelijk werk van een ander). De specifieke greep van de kunstenaar is wat hij of zij met dat materiaal doet, te vertellen heeft, vorm wil geven, tot uitdrukking wil brengen, met een publiek wil delen: zijn artistieke visie. De combinatie van zijn ambachtelijke vaardigheden en visie vormen het vakmanschap van de kunstenaar. Sterker, dit is wat hem kunstenaar maakt en een kunstwerk doet creëren, in plaats van een producent die een product maakt. Zonder visie kan een werk ambachtelijk kwaliteit hebben, het is dan echter geen kunst. Zeggingskracht ontstaat uit het vakmanschap plus wat wel de ‘noodzaak' of ‘urgentie' van een kunstwerk genoemd wordt. Terwijl vakmanschap een objectief te omschrijven fenomeen is, is noodzaak/urgentie subjectiever. Het is de overtuiging die een kunstwerk in zich draagt en vanuit zichzelf profileert. Het is een eigenschap die door iedere, zeker de geoefende, ontvanger ongeacht smaak, esthetische opvatting of persoonlijke mening, in een kunstwerk herkend wordt. Het vakmanschap van een kunstenaar is geen garantie voor deze zeggingskracht. Echter, wanneer het vakmanschap van de kunstenaar in essentie onvoldoende wordt benut, zal er zeker geen sprake zijn van zeggingskracht in het kunstwerk. Dat geldt niet alleen voor werken die af zijn, het geldt ook voor plannen. Het vakmanschap en de zeggingskracht geven een kunstwerk zijn oorspronkelijkheid. Oorspronkelijkheid is een combinatie van authenticiteit, originaliteit en zelfstandigheid in een kunstwerk. De specifieke greep van de kunstenaar op het materiaal maakt het werk oorspronkelijk. Een kunstwerk kan nooit oorspronkelijk zijn als het vakmanschap er niet ten volle in terugkomt. De visie van de kunstenaar is hierin een essentieel criterium, hij is per slot van rekening de geestesvader van het gecreëerde.] c. festival: een feest of openbare gebeurtenis met verschillende activiteiten of evenementen; d. tentoonstelling: een tijdelijke of permanente gelegenheid waarbij één of meer personen of organisaties objecten tonen voor een publiek van particulieren of bedrijven, die voor dit doel naar deze gelegenheid komen. Artikel 4.5.
  5. Subsidiabele activiteiten 73[Toelichting: Op basis van deze regeling kan subsidie aangevraagd worden voor de kosten van professionele producties in alle kunstdisciplines. Het gaat om producties waarvan een artistieke kwaliteit verwacht kan worden. Rechtspersonen zoals culturele instellingen kunnen een aanvraag indienen, maar ook natuurlijke personen zoals individuele kunstenaars (beeldend kunstenaars, componisten, auteurs). De subsidiabele kosten zijn alle voor de productie noodzakelijke kosten die aantoonbaar rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de productie binnen de projectperiode. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden voor het voorbereiden, ontwikkelen en uitvoeren van de productie subsidiabel zijn. Aanvragen voor festivals, boekuitgaven, tentoonstellingen, cd-dvd uitgave en aanvragen ter aanvullende bekostiging van de reguliere activiteiten van door de provincie Overijssel gesubsidieerde instellingen komen niet in aanmerking. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een productie. Artikel 4.5.
  6. Criteria 74[Toelichting: De subsidieaanvragen worden beoordeeld door een op voordracht van de provincie Overijssel ingestelde commissie van onafhankelijke deskundigen op te verwachten artistieke kwaliteit (te weten vakmanschap, zeggingskracht en oorspronkelijkheid), te verwachten onderscheidende kwaliteit en toegevoegde waarde voor het bestaande kunst- en cultuuraanbod in Overijssel, op te verwachten nationale uitstraling, op kwaliteit van de maker(s), op de mate waarin de producties in Overijssel worden ontwikkeld en uitgevoerd en op de mate waarin sprake is van betrokkenheid van Overijsselse kunstenaars. De aanvraag wordt ingediend bij de provincie Overijssel. ] Een aanvraag voor subsidie voor een productie moet voldoen aan de volgende criteria: a. De productie wordt ontwikkeld in Overijssel; b. Een deel van de uitvoeringen vindt plaats in Overijssel; c. De maker of een deel van de bij de productie betrokken kunstenaars is gevestigd of woonachtig in Overijssel; d. De productie maakt geen deel uit van regulier door Rijk of provincie Overijssel gesubsidieerde activiteiten van de instelling; e. De productie is geen festival, boekuitgave, tentoonstelling, cd of dvd uitgave; f. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening; g. De productie heeft artistiek inhoudelijk kwaliteit; h. De productie staat onder leiding van personen die aantoonbaar beschikken over artistieke kwaliteiten als maker en ervaring hebben in het artistiek en productioneel leiden van projecten. Dit moet aangetoond worden aan de hand van CV's, met relevant arbeids- en opleidingsverleden; i. De productie onderscheidt zich vanwege haar toegevoegde waarde voor het kunst- en cultuuraanbod van de in artikel 4.5.1 genoemde kunstdisciplines in Overijssel; j. De productie heeft een landelijke uitstraling. Artikel 4.5.
  7. Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 60.000,-- per aanvraag. Artikel 4.5.
  8. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.2.
  9. geldt dat een aanvraag kan worden ingediend vanaf 1 februari
  10. Artikel 4.5.
  11. Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  12. De aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier ‘Productiefonds Overijssel 2013-2015'.
  13. De aanvrager overlegt, in afwijking van artikel 1.2.
  14. tweede lid, bij zijn aanvraag voor subsidie: een productieplan betreffende het doel en het artistieke concept van de productie, de wijze waarop de beoogde doelen worden bereikt, de personen en instellingen uit Overijssel die bij de productie zijn betrokken, een beschrijving van een marketingstrategie betreffende de publieksgroep of publieksgroepen die aanvrager met de productie wil bereiken en de marketinginstrumenten die worden ingezet. een gespecificeerde begroting, de geraamde kosten met dekkingsplan en de geraamde opbrengsten conform artikel 1.1.5; [vervallen]; CV's van de maker en artistieke leiding van de productie; indien aanwezig een speellijst. Artikel 4.5.
  15. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 4.5.
  16. Volgorde van behandeling [vervallen] Artikel 4.5.
  17. Adviescommissie Een aanvraag voor subsidie wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie Productiefonds Overijssel 2013-2015 die advies geeft over de artistieke kwaliteit van de productie, de artistieke kwaliteit van de maker(s), de toegevoegde waarde voor het bestaande kunst- en cultuuraanbod in Overijssel en de nationale uitstraling van de productie, zoals opgenomen in artikel 4.5.3 sub g t/m j. Artikel 4.5.
  18. Weigeringsgrond
  19. [vervallen]
  20. In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten een subsidie als minder dan € 10.000 aan subsidie zal worden verstrekt. Paragraaf 4.6 Beeldende Kunst en Vormgeving Art (E)motion [Ingetrokken] Paragraaf 4.7 Cultureel erfgoed [Ingetrokken] Paragraaf 4.8 Stimulering Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel [ingetrokken] Paragraaf 4.9 Sportaccommodaties en jeugd [ingetrokken] Paragraaf 4.10 Overijssel werkt! KwaliteitsImpuls Toerisme in Overijssel [ingetrokken] Paragraaf 4.11 Bedrijfsnatuurplannen recreatieondernemers (pMJP 3.2.5) [Ingetrokken] Paragraaf 4.12 Routenetwerken (pMJP 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4) [ingetrokken] Paragraaf 4.13 Vrijetijdseconomie Artikel 4.13.
  21. Subsidiabele activiteiten
  22. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel: [vervallen] activiteiten die bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van de toeristische routenetwerken fietsen, wandelen, ruiteren en varen, dan wel de recreatieve voorzieningen in Overijssel, niet zijnde beheer en onderhoud.
  23. [vervallen] Artikel 4.13.
  24. Criteria
  25. [vervallen]
  26. [vervallen]
  27. Een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid sub b moet tevens voldoen aan het criterium dat het een bijdrage moet leveren aan minimaal één van de volgende doelen: het verbinden van toeristische routenetwerken met belevingselementen op, langs en in de buurt van deze routenetwerken; het verhogen van de thematische belevingswaarde van de routenetwerken, met inbegrip van de verbinding met het toeristische bedrijfsleven; 75[Toelichting: Projecten voor het verhogen van de thematische belevingswaarde moeten een bijdrage leveren aan de identiteit van de A-merken (WaterReijk, IJsseldelta, Vechtdal, Salland, Twente of Hanzesteden) en/of aan de B-merken (puur genieten, plezier varen, cultuurparels.] het verbinden van toeristische fiets-, wandel-, ruiter- en vaarroutenetwerken aan elkaar, inclusief de noodzakelijke verbindingen van stad naar platteland; het verbinden van utilitaire fietspaden met recreatieve fietspaden; het wegnemen van knelpunten in het fietsroute- en wandelroutenetwerk; het bevorderen van de verkeersveiligheid ten aanzien van gebruik, ligging en dimensionering; het bevorderen van de inzet van innovatieve technieken en technologieën, zowel voor wat betreft de ontsluiting van de route-informatie als de informatievoorziening ten behoeve van de beleving van de gast. Artikel 4.13.
  28. Grondslag subsidie
  29. [vervallen]
  30. De subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 lid 1 sub b bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten. Artikel 4.13.
  31. Subsidiabele kosten 76[Toelichting: De kosten van ‘Onvoorzien' boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.]
  32. In aanvulling op artikel 1.1.
  33. zijn de volgende kosten niet subsidiabel: interne kosten; verrekenbare belastingen, heffingen of lasten; rente, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; afschrijvingskosten; kosten van planschade; kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; grondverwervingskosten; kosten van projectvoorbereiding (opstellen projectplannen).
  34. De subsidiabele kosten van een recreatief fietspad bedragen ten hoogste € 120.000,-- per kilometer.
  35. De subsidiabele kosten van de activiteit als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid sub b bedragen ten minste € 25.000,--. Artikel 4.13.
  36. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 4.13.
  37. Weigeringsgrond Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien: a. het project niet voldoet aan de speerpunten van het beleid, zoals opgenomen in de economische nota van de Provincie Overijssel; b. de co-financiering van het project door derden niet verzekerd is; c. binnen het project geen duidelijke projectverantwoordelijke is aangewezen; Artikel 4.13.
  38. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling In afwijking van artikel 1.5.
  39. eerste lid dan wel artikel 1.5.
  40. eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen 6 maanden na realisatie van de prestatie. Artikel 4.13.
  41. Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.
  42. tweede lid of artikel 1.5.
  43. tweede lid bij de aanvraag tevens 3 foto's van het gerealiseerde project. Artikel 4.13.
  44. Verbod vervreemding
  45. Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.13.
  46. tweede lid, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, dan wel het recht van opstal.
  47. Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken. Paragraaf 4.14 Vrijwilligers [ingetrokken] Paragraaf 4.15 Evenementen en festivals 77[Toelichting: Evenementen en festivals leveren een belangrijke bijdrage aan het versterken van de regionale economie. Door het zoeken van de verbinding met het lokale/regionale bedrijfsleven en door dwarsverbanden te leggen met kunst, cultuur, sport, zorg, natuur en nevenactiviteiten van de landbouwontstaan nieuwe arrangementen . Deze interesseren gasten voor een langer bezoek aan of een verblijf in Overijssel. Daarnaast leveren evenementen en festivals ook een bijdrage aan de verscherping van het profiel van de toeristische A-merken in Overijssel. Doelstelling van deze subsidieregeling is de economische spin off van festivals en evenementen te vergroten.] Artikel 4.15.
  48. Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. festival: een feest of openbare gebeurtenis met verschillende activiteiten of evenementen; b. economische spin off: het totaal van de volgende effecten: meer bezoekers, uitbreiding sponsoring, meer werkgelegenheid, meer publiciteitswaarde en vergroten economische betekenis; c. evenement: een georganiseerde openbare gebeurtenis rond een thema, dag of week; d. innovatief project: een project dat nieuw in Overijssel is rondom een evenement of een festival met als doel het vergroten van de economische spin off van het evenement of festival; e. [vervallen]; f. toeristische A merken: merken, met inbegrip van het thema Hanzesteden als bedoeld in de nota Regionaal Economisch Beleid: ‘De kracht van Overijssel 2012-2015". 78[Toelichting: De toeristische A-merken zijn: IJsseldelta, Salland, WaterReijk, Twente en Vechtdal aangevuld met de Hanzesteden.] Artikel 4.15.
  49. Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. [vervallen]; b. een innovatief project rondom een evenement of festival dat in 2013 of 2014 plaatsvindt in Overijssel. 791[Toelichting: Voorbeelden van innovatie projecten: 1innovatieve samenwerkingsverbanden met bedrijfsleven en partners; 2moderne en slimme vormen van crowdmanagement & inzet van multimedia; 3moderne en slimme vormen van publieksbereik en -binding en marketing. ]1innovatieve samenwerkingsverbanden met bedrijfsleven en partners; 2moderne en slimme vormen van crowdmanagement & inzet van multimedia; 3moderne en slimme vormen van publieksbereik en -binding en marketing. ] Artikel 4.15.
  50. Criteria
  51. [vervallen].
  52. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.15.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon die een evenement of festival organiseert in Overijssel; het project is innovatief, experimenteel en draagt bij aan ten minste één van de provinciale doelstellingen als bedoeld in het hoofdlijnenakkoord 2011-2015 ‘Kracht van Overijssel'; de activiteit is vernieuwend voor de aanvrager; de activiteit dient als voorbeeld en is overdraagbaar naar andere evenementen of festivals; als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel 4.15.
  53. Grondslag subsidie
  54. [vervallen].
  55. De subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.15.
  56. sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van €100.000 per aanvraag. Artikel 4.15.
  57. Indieningstermijn aanvraag
  58. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat: [vervallen]. een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.15.2 onder sub b kan worden ingediend vanaf 1 augustus 2014 en moet zijn ontvangen uiterlijk op 1 oktober 2014 voor 19.00 uur.
  59. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Artikel 4.15.
  60. Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie
  61. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Evenementen en Festivals.
  62. [vervallen].
  63. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.15.2 sub b een marketing- en communicatieplan. Artikel 4.15.
  64. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 4.15.
  65. Volgorde van behandeling
  66. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.15.
  67. in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.
  68. [vervallen].
  69. De prioriteitsvolgorde als bedoeld in het eerste lid wordt voor subsidies op basis van artikel 4.15.2 sub b bepaald op basis van scoretabel
  70. Aan de hand van scoretabel 2 wordt berekend welke totaalscore het innovatief project behaalt voor de volgende onderdelen: de mate waarin de activiteit voldoet aan het Hoofdlijnenakkoord 2012-2015 ‘Kracht van Overijssel'. Daarbij gaat het om: De verbinding met de Kroonjuwelen van Overijssel zijnde natuur, rivierenlandschap, Overijssels merengebied, agrarisch buitengebied, cultuurlandschap, erfgoed, Hanzesteden, Landgoederen óf; energiebesparing, hernieuwbare energiebronnen, afvalbeperking; de mate van innovativiteit; in hoeverre de activiteit als voorbeeld kan dienen en overdraagbaar is. 80[Toelichting: De prioriteitsvolgorde van de innovatieve projecten wordt bepaald aan de hand van de totale score die het project behaalt. Hierover adviseren de RBT's. Voor het bereken van de score wordt Scoretabel 2 gebruikt.Scoretabel 2: Innovatieve projectenOnderdeel; Cijfer; Weging; Score; De mate van innovativiteit.; matig
(1), goed
(3), uitstekend
(4); 30%; (Cijfer) x 0,3 = score1; In hoeverre de activiteit als voorbeeld kan dienen en overdraagbaar is.; matig
(1), goed
(3), uitstekend
(4); 30%; (Cijfer) x 0,3 = score2; De mate waarin het bijdraagt aan het Hoofdlijnenakkoord 2012-2015 'Kracht van Overijssel', als bedoelt onder 4.15.8. derde lid, onder sub a.; matig
(1), goed
(3), uitstekend
(4); 40%; (Cijfer) x 0,4 = score3; ; ; ; Totale score = score1+score2+score3; Bij gelijke score bepaalt het % bijdragen van bedrijven en sponsoren op de begroting de rangorde.] Artikel 4.15.
  1. Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd voor zover: a. de te verlenen subsidie minder dan € 25.000,--bedraagt; b. de aanvraag een sponsorverzoek betreft; c. de aanvraag ten behoeve van kermissen, carnavalsoptochten, braderieën, circussen, dance-events, congressen of beurzen is. Artikel 4.15.
  2. Verplichtingen subsidieontvanger [Vervallen]. Paragraaf 4.16 Cultuureducatie ‘Cultuur aan de basis' Artikel 4.16.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultuureducatie: het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen binnen het leergebied kunstzinnige oriëntatie van het primair onderwijs. De Kerndoelen zijn vastgesteld in het Besluit vernieuwde kerndoelen Wet Primair Onderwijs; b. doorgaande leerlijn: de uitwerking per leerjaar van wat een kind aan het eind van het primair onderwijs moet kennen en kunnen. Deze uitwerking is gebaseerd op de kerndoelen kunstzinnige oriëntatie en geeft daarnaast zicht op de plaats van cultuur binnen andere vakken, de aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs en de aansluiting tussen binnenschools en buitenschools leren. Artikel 4.16.2 Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. een aanbod van cultuureducatieve activiteiten voor het primair onderwijs; b. activiteiten gericht op de ontwikkeling, de verdieping en de vernieuwing van doorgaande leerlijnen cultuureducatie; c. activiteiten die bijdragen aan de vakinhoudelijke deskundigheid van leerkrachten inclusief vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie; 81[Toelichting: Het gaat hierbij zowel om pedagogisch-didactische vaardigheden als ook om vaardigheden in de verschillende kunstdisciplines en kennis over het cultureel erfgoed. ] d. activiteiten gericht op het versterken van de meerjarige samenwerking van de school met de lokale culturele omgeving ten behoeve van de kunstzinnige en culturele ontwikkeling van leerlingen. 82[Toelichting: Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een meerjarige samenwerking tussen een culturele organisatie met een onderwijsinstelling. ] Artikel 4.16.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de aanvraag moet betrekking hebben op ten minste drie van de vier in artikel 4.16.2 genoemde subsidiabele activiteiten voor de periode 2013, 2014, 2015 en 2016; c. er is aantoonbaar gemaakt door de aanvrager dat het bedrag voor cultuureducatie op de gemeentelijke cultuurbegroting voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 ten minste 75% bedraagt van het bedrag dat in 2012 op de gemeentelijke begroting was opgenomen voor cultuureducatie; 83[Toelichting: De aanvrager overlegt een collegevoorstel waarin B&W of de gemeenteraad dit voornemen bevestigt. ] d. ten minste 50% van de scholen in een gemeente committeert zich uiterlijk 1 juni 2014 inhoudelijk en financieel aan het gemeentelijke cultuureducatieplan. Artikel 4.16.4 Grondslag subsidie De subsidie bedraagt per gemeente maximaal het bedrag zoals opgenomen in tabel 1, waarbij de subsidie voor de activiteit als bedoeld onder 4.16.2 sub a maximaal 50% van de totale subsidie bedraagt. 84[Toelichting: De maximale subsidie is gebaseerd op het leerlingenaantal per gemeente, volgens de gegevens van DUO, peildatum 1 oktober 2012.Tabel 1Gemeente; Maximale subsidie; Almelo; € 24.189; Borne; € 6.324; Dalfsen; € 8.856; Deventer; € 30.294; Dinkelland; € 8.454; Enschede; € 44.166; Haaksbergen; € 6.879; Hardenberg; € 19.386; Hellendoorn; € 11.583; Hengelo; € 27.453; Hof van Twente; € 10.125; Kampen; € 17.661; Losser; € 6.138; Oldenzaal; € 10.101; Olst Wijhe; € 4.785; Ommen; € 5.868; Raalte; € 11.433; Rijssen Holten; € 13.050; Staphorst; € 6.258; Steenwijkerland; € 12.930; Tubbergen; € 7.701; Twenterand; € 11.154; Wierden; € 7.296; Zwartewaterland; € 8.004; Zwolle; € 42.783]; Artikel 4.16.5 Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.2.2 kan een aanvraag worden ingediend vanaf 3 januari 2013 en moet deze ontvangen zijn uiterlijk op 1 april
  3. Artikel 4.16.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag
  4. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Cultuureducatie ‘Cultuur aan de basis'.
  5. In aanvulling op artikel 1.2.
  6. tweede lid overlegt de aanvrager bij zijn aanvraag voor subsidie: een vierjarig activiteitenplan, voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 met daarin het aantal, de aard en de frequentie van de activiteiten die worden uitgevoerd op gebied van cultuureducatie, de samenwerkingsafspraken met het onderwijs en culturele instellingen; indien aanwezig, een intentieverklaring van het schoolbestuur voor deelname aan het gemeentelijke cultuureducatieplan; 85[Toelichting: Deze intentieverklaring dient voor 1 juni 2014 ingediend te worden. In de intentieverklaring geeft het schoolbestuur aan dat zij voornemens is een inspanning te verrichten op bijvoorbeeld samenwerking in ontwikkeling doorlopende leerlijn, ontwikkeling van visie op cultuureducatie, activiteiten die bijdragen aan de deskundigheid van leerkrachten, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatieactiviteiten die de relatie tussen school en en de lokale culturele omgeving versterken.] indien aanwezig, een overzicht van scholen die zich financieel en inhoudelijk committeren aan het gemeentelijk cultuureducatieplan. 86[Toelichting: Hierbij is sprake van een ontwikkelmodel: aan deze voorwaarde moet voor 1 juni 2014 zijn voldaan.] Artikel 4.16.7 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Paragraaf 4.17 Cultuurmakelaars Artikel 4.1

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.