← Nederland

Provinciale Omgevingsvisie Limburg (Limburg)

In het kort

Deze wet is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2026 (POVI), een strategisch plan voor de fysieke leefomgeving in Limburg. Het beschrijft de ambities, doelen en kaders voor de lange termijn (2025-2050) om de schaarse ruimte in de provincie in te richten, te beheren en te gebruiken.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2026/CVDR763299 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv31/2025/ProvincialeOmgevingsvisieLimburg /join/id/stop/work_019 2026-06-22 2026-06-22 /akn/nl/act/provincie/2026/CVDR763299/nld@2026-06-23 /join/id/proces/pv31/2026/doel_170_1fdfa11630b94a998cafcd1fdee88ea2 2026-06-23 2026-06-23 /akn/nl/act/pv31/2025/ProvincialeOmgevingsvisieLimburg/nld@2026-06-22;1 /akn/nl/act/pv31/2025/ProvincialeOmgevingsvisieLimburg /akn/nl/act/pv31/2025/ProvincialeOmgevingsvisieLimburg/nld@2026-06-22;1 /join/id/stop/work_019 1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Hoofdstuk 1 Wat is POVI? § 1.1 Voorwoord en Leeswijzer Deutsch English Français Geachte lezer, Welkom bij de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2026 (POVI). Nederland en dus ook de provincie Limburg heeft de afgelopen jaren te maken gekregen met een toenemend aantal grote opgaven. Denk hierbij aan woningbouw, de transitie van het landelijk gebied, (drink)water dat schaarser wordt, de toenemende overlast door klimaatverandering, de natuur die achteruit gaat, de netcongestie etc. Het zijn opgaven die allemaal nodig zijn en allemaal tegelijk moeten worden opgepakt. Dat is complex, want we hebben niet overal de ruimte voor. Dat betekent dat we slim moeten om gaan met de ruimte die we hebben. Niet alles kan meer overal. We moeten keuzes maken én we moeten slimme combinaties maken. Het maken van het maken van keuzes en het maken van slimme combinaties staat in deze POVI centraal. Op die manier streven we een optimale balans tussen bescherming en benutten van onze (fysieke) leefomgeving. De Provinciale Omgevingsvisie (POVI is een wettelijke verplichting voor de Provincie. Onder de omgevingswet is het verplicht om een omgevingsvisie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) te publiceren. De provincie Limburg is de eerste die dat volgens de geldende normen doet, namelijk middels kaarten en het aanwijzen van gebieden waar de delen van de visie op van toepassing zijn. Het DSO biedt de mogelijkheid de tekst als een boekwerk te lezen. Maar het is ook mogelijk te selecteren en zodoende alle informatie op te vragen met betrekking tot een specifiek(e) thema, regio, opgaven of een specifieke plek. Het is dus ook mogelijk om via de kaart te kijken welke regels, ambities, opgaven etc. er gelden op een specifieke plek. Vanuit de tekst is dan direct zichtbaar op welke locaties en/of gebieden een stuk tekst van toepassing is door een koppeling met de kaart. De koppelingen zijn in de tekst gemakkelijk terug te vinden doordat deze blauw gekleurd zijn. Blauwe tekst zonder icoontjes linkt naar meer informatie over het onderwerp naar een ander deel in de visie of naar een externe website. De blauwe icoontjes in de tekst linken naar een kaartkoppeling, een begripsbepaling (i) of naar een externe locatie (bestand of website). Ze worden al zichtbaar door er met de muis overheen te gaan. De POVI is te vinden via: https://omgevingswet.overheid.nl en https://polviewer.nl Het is belangrijk om te weten dat het Rijk het DSO gemaakt heeft zodat alle kaarten van overheden in één systeem terug te vinden zijn. Om die reden is het mogelijk om in te zoomen tot op perceelsniveau

(20m). De provincie maakt echter geen beleid op perceelsniveau. Zelfs niet op gemeentelijk niveau. De provincie maakt wel beleid op bovengemeentelijk niveau en voor specifieke thema’s. Daardoor kan het voor komen dat een grens van een bepaalde kaartlaag dwars over uw perceel ligt. U zou daar van kunnen schrikken. Want wat betekent zo’n kleurtje dan? Maar het is ook handig: Zo ziet u precies welke thema’s op uw perceel van toepassing zijn. Als u dan in de toekomst iets zou willen doen op uw perceel, dan weet u precies met welke thema’s u wellicht rekening moet houden. Bij de beoordeling van initiatieven wordt rekening gehouden met de feitelijke situatie. Gedurende 2026 zal ook de omgevingsverordening aanpast worden op basis van wat er in de POVI staat. Als er provinciale regels gelden voor een bepaald thema, dan komen die in de omgevingsverordening te staan. Voor een samenvatting van de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg klikt u hier. Wij wensen u veel lees- en “surf”plezier! Gedeputeerde Staten Provincie Limburg § 1.2 Inleiding De wereld om ons heen verandert razendsnel. Klimaatverandering, een veranderende bevolkingssamenstelling, technologische innovaties, de transitie naar een circulaire economie en verscherpte geopolitieke verhoudingen raken ook Limburg. Deze ontwikkelingen hebben ook gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd is er in Limburg schaarste: aan fysieke ruimte, ruimte voor het milieu, aan capaciteit op het energienet en aan water. Ook staat op verschillende plekken de kwaliteit van de leefomgeving onder druk. Denk bijvoorbeeld aan de waterkwaliteit, bodemkwaliteit en waterveiligheid. Dit alles vraagt om zorgvuldige afwegingen en duidelijke keuzes binnen het fysieke domein − niet alles kan overal. § 1.3 Wat is de POVI? De Provinciale Omgevingsvisie (POVI) is het strategisch plan voor de fysieke leefomgeving in Limburg. In de POVI staan onze ambities, doelen en kaders voor de lange termijn (2025-2050). Het document biedt een integrale leidraad voor hoe we de schaarse ruimte in de provincie gaan inrichten, beheren en gebruiken. Daarbij kijkt de POVI naar de leefomgeving in de brede zin. Dus niet alleen naar traditionele ruimtelijke onderwerpen, maar ook naar thema's zoals gezondheid, leefbaarheid, milieu en veiligheid. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en de gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen. Elke bestuurslaag heeft daarbij een eigen rol en specifieke verantwoordelijkheden voor het beheer van de fysieke leefomgeving. De POVI is de visie op provinciaal niveau en houdt rekening met regionale verschillen. Ze richt zich op opgaven die gemeenten overstijgen en die niet door het Rijk kunnen worden opgepakt. De POVI is zelfbindend voor ons en richtinggevend voor onze partners. De POVI krijgt als fundament pas écht juridisch effect in de vervolgfases van de beleidscyclus: beleidsdoorwerking, uitvoering, terugkoppeling en bijsturing. De ambities uit de POVI worden dan soms vertaald naar juridisch bindende instrumenten uit de Omgevingswet, zoals de Omgevingsverordening en Projectbesluiten. Ook wordt de visie verwerkt in ander, thematisch provinciaal beleid. Op deze manier zien we de visie terug in concrete regels en maatregelen. Beleidscyclus Samenhang POVI, GOVI's, Omgevingsverordening en omgevingsplannen 1. Provinciale Omgevingsvisie (POVI): Dit is een strategisch, lange termijn document van de Provincie Limburg waarin wordt beschreven welke richting de fysieke leefomgeving op moet. Denk hierbij aan thema’s als ruimte, water, natuur, mobiliteit, milieu en duurzaamheid. De visie geeft richting, legt de gezamenlijke ambities vast en vormt het kader voor provinciaal beleid, maar is niet juridisch bindend voor burgers en bedrijven. De visie is breed gericht op de fysieke leefomgeving. Bij de concrete beleidskeuzes en maatregelen ligt de focus op de provinciale belangen. Deze worden in de POVI expliciet benoemd. De visie gaat over het provinciaal schaalniveau. Dat geldt ook voor de begrenzing van beleidskeuzes en zoneringen op de kaart. Door gebruik van het DSO lijkt het echter alsof de POVI even precies is als een omgevingsplan. . 2. Gemeentelijke Omgevingsvisie (GOVI): Elke gemeente stelt ook zo’n strategische visie op voor de fysieke leefomgeving binnen haar grenzen. Deze visie beschrijft op een gedetailleerder schaalniveau de lokale ambities en keuzes op het gebied van wonen, werken, mobiliteit, energie, klimaat, natuur, enzovoort. Ook deze visie is niet juridisch bindend, maar is wel richtinggevend voor beleid en plannen van de gemeente. 3. Provinciale Omgevingsverordening: Hierin vertaalt de Provincie haar visie en wettelijke taken in juridische regels. Deze regels zijn wél bindend en gelden direct voor bedrijven en burgers. Of ze hebben de vorm van instructiebepalingen richting gemeenten en waterschap. De verordening bevat o.a. regels over ruimtelijke ordening, natuur, grondwater, landschap en milieu. Deels gelden die breed voor een bepaalde zone, deels voor specifieke thema's. 4. Gemeentelijk Omgevingsplan: De opvolger van het bestemmingsplan. Het omgevingsplan bevat álle regels die gaan over de fysieke leefomgeving in de gemeente. Deze zijn juridisch bindend voor burgers en bedrijven. Het omgevingsplan moet aansluiten bij de gemeentelijke visie, én moet voldoen aan (niet in strijd zijn met) wettelijke kaders van provincie (verordening) en Rijk. Onderlinge verhouding en doorwerking: ● Rijk → Provincie → Gemeente: Het Rijk bepaalt landelijke kaders (Nota Ruimte – Nationale omgevingsvisie/Omgevingswet met AMvB's), de Provincie werkt dit uit voor de provincie, de gemeente voor haar eigen grondgebied. ● Visies (provinciaal en gemeentelijk) zijn richtinggevend, geven doelen en ambities weer, maar zijn niet bindend voor burgers en bedrijven. ● De Omgevingsverordening (op provinciaal niveau) en omgevingsplannen (op gemeentelijk niveau) bevatten concrete, juridisch bindende regels. ● Het gemeentelijk omgevingsplan moet in overeenstemming zijn met de provinciale omgevingsverordening. Visies inspireren en sturen regels, regels 'verankeren' de visie juridisch. § 1.4 Waarom nu een nieuwe POVI? Deze omgevingsvisie is een actualisatie van de POVI uit oktober 2021. De hoofdlijnen van de vorige visie gelden nog steeds, maar actualisatie is nodig. Net als het Rijk zien we dat de grote landelijke opgaven vragen om meer regie in het ruimtelijk domein. Het provinciale onderzoeksrapport ‘Ruimte met regie’ onderstreept dat de druk op de beschikbare ruimte en de kwaliteit van de leefomgeving vraagt om heldere keuzes. Wij spelen daarin een essentiële rol door meer sturing te geven aan (complexe) ruimtelijke vraagstukken op regionale schaal. Deze vraagstukken overstijgen vaak gemeentegrenzen en liggen te ver van het Rijk om op dat niveau effectief te worden opgepakt. Wij benoemen deze grote vraagstukken daarom als provinciaal belang. Deze geactualiseerde POVI is volgens de standaarden van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) opgebouwd. Dat maakt het mogelijk om een samenhangender en scherper plan te maken. Beleidsuitspraken kunnen in deze digitale omgeving namelijk direct gekoppeld worden aan specifieke gebieden, die zichtbaar zijn op een interactieve kaart. Met deze POVI vullen we onze door de wetgever beoogde rol in het ruimtelijk domein scherper in. § 1.5 POVI als onderdeel beleidscyclus De POVI is een centraal onderdeel van de beleidscyclus van de Omgevingswet. De visie in deze POVI zal voor een aantal thema’s nader uitgewerkt worden in programma’s onder de Omgevingswet of vertaald worden naar concrete actieprogramma’s en uitvoeringsagenda’s. De volgende provinciale programma’s onder de Omgevingswet als uitwerking van de POVI zijn in elk geval voorzien: ● Provinciaal Waterprogramma 2028-2033 ● Provinciaal Volkshuisvestingsprogramma ● Programma Energieopwek ● Programma Stroomgebied Geul (als uitvloeisel van het Programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg) Een aantal bestaande programma’s onder Omgevingswet loopt door: ● Programma Limburgs Offensief Stikstof, gericht op stikstofreductie en natuurherstel Natura 2000-gebieden (incl. hydrologische herstelmaatregelen) ● Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 ● Provinciaal Actieplan Geluid 2024-2029 Het samenstel van POVI en bijbehorende programma’s is een dynamisch geheel. Mogelijk komen er daar in de komende periode nog programma’s bij. Daarnaast bestaan er tal van uitvoeringsagenda’s of zijn die in voorbereiding. Onder meer Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK), Aanvalsplan Waterkwaliteit, Convenant Voldoende Zoetwater, Meerjaren Multimodale Agenda Zuid-Nederland voor mobiliteit. Belangrijk de komende periode is ook de voorbereiding van de aanbesteding van de nieuwe OV-concessie. Belangrijk document is ook de Verstedelijkingsstrategie Limburg Centraal van Rijk, de zes Limburgse gemeenten met een IC-station en Provincie. Om de POVI direct en juridisch bindend te laten doorwerken, worden bepalingen opgenomen in de Omgevingsverordening. Monitoring is een belangrijk onderdeel van de beleidscyclus. Essentieel om te kunnen beoordelen hoe de Limburgse omgeving (ruimtegebruik, beschikbaarheid voorraden, omgevingskwaliteit) zich ontwikkelt en in hoeverre we de doelen halen. Het planMER illustreert in de conclusies inzake monitoring en de leemten in kennis hoe belangrijk de provinciale koers naar een “databedreven provincie” is. De brede basismonitor brengt de thema’s uit de POVI in beeld. Indicatoren uit het dataportaal Limburg, de CBS regionale monitor brede welvaart en diverse sectorale monitors vormen input. We werken aan verdere optimalisatie van deze basismonitor, ook in het licht van onze ambitie om de datahuishouding door te ontwikkelen. We verkennen daarbij ook mogelijkheden om verbindingen te leggen met de regio’s. Afstemming met de monitors van onze buurprovincies (bv voor de Peel) en internationale afstemming krijgt daarbij ook aandacht. Met het Rijk zijn afspraken gemaakt over afstemming en uitwisseling van data. Op concreter niveau is er de beleidsmonitor, waarin doelen ook voor fysiek-ruimtelijke elementen getoetst wordt aan de hand van indicatoren uit het provinciale indicatorenplan. Dat plan is voortdurend in ontwikkeling. Hoofdstuk 2 De Limburgse hoofdopgaven en ambities § 2.1 Inleiding hoofdopgaven en ambities Limburg staat in het fysieke domein voor een aantal grote en complexe opgaven. Deze opgaven komen deels door schaarste: aan ruimte, milieuruimte, ruimte op het energienet en water. Daarnaast spelen trends en ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, technologische innovaties, individualisering, globalisering en geopolitiek een rol. Tegelijkertijd zijn er op mondiaal, Europees, landelijk en provinciaal niveau ambities om met de gevolgen van deze ontwikkelingen om te gaan. Bijvoorbeeld grote ambities voor natuurherstel, klimaatmitigatie, energie, landbouw, mobiliteit, digitalisering, circulaire economie en veiligheid. De grote en complexe opgaven vragen om keuzes. We willen dat Limburg een mooie en gezonde plek blijft om te leven – ook voor toekomstige generaties. Deze Provinciale Omgevingsvisie (POVI) richt zich op alle aspecten van de fysieke leefomgeving die daaraan kunnen bijdragen. We hebben vier overkoepelende ambities geformuleerd voor de toekomst van Limburg. Die sluiten zoveel mogelijk aan bij de lagenbenadering in de ruimtelijke ordening. De drie lagen in deze benadering zijn: ● de occupatielaag – het gebruik van grond voor stedelijke functies en functies in het landelijk gebied ● de netwerklaag – de infrastructuur voor mobiliteit en energie ● de ondergrond – het minder dynamische fundament van de ondergrond, geomorfologie en het watersysteem Verbeelding van de lagenbenadering Per ambitie omschrijven we de grote opgaven en wat we willen bereiken. De ambities vormen het vertrekpunt voor de leidende Limburgse principes, de zonering en een beschrijving van provinciale belangen, rol en instrumenten. De opgaven worden per thema geconcretiseerd in doelen. In bijlage 4 is een overzicht van belangrijkste doelen opgenomen. § 2.2 Sterke steden en dorpen en een goed vestigingsklimaat § 2.2.1 Hoofdopgaven sterke steden en dorpen en een goed vestigingsklimaat In onze steden en dorpen komen heel veel opgaven samen – op het gebied van wonen, economie, vestigingsklimaat, energie, bereikbaarheid, voorzieningen, water, vergroening van steden, erfgoed, gezondheid, veiligheid en sociale vraagstukken. Het is belangrijk om deze transities en opgaven in het bebouwd gebied in samenhang op te pakken. Zo kunnen we ook in de toekomst fijn blijven wonen en leven in Limburg. § 2.2.2 Opgaven voor de woon- en leefomgeving De opgaven in de woon- en leefomgeving spelen overal. In stadscentra, stedelijke wijken en dorpen hebben de opgaven wel verschillende accenten. Behoud van de leefbaarheid speelt zowel in Landelijke kernen als in het Stedelijk gebied. Voorzieningen staan er onder druk, terwijl die juist hier vaak een belangrijke sociale functie hebben. Ook de afname van het aantal jongeren en de sterke vergrijzing spelen een rol. Ouderen zijn vaker afhankelijk van het openbaar vervoer, dat in veel dorpen minder vaak komt. In stedelijke wijken zien we juist armoede en sociaaleconomische problemen die zich op bepaalde plekken concentreren. In steden worden de uitdagingen door klimaatverandering steeds groter. Denk aan hittestress en wateroverlast, vooral op plekken met weinig stedelijk groen. § 2.2.3 Opgaven demografische ontwikkelingen Sinds 2021 groeit de Limburgse bevolking licht, in tegenstelling tot eerdere voorspellingen. Dat komt niet door natuurlijke bevolkingsgroei, maar door een positief binnenlands en buitenlands migratiesaldo (sociale bevolkingsgroei). Maar toekomstige groei van de Limburgse bevolking is niet vanzelfsprekend. Een zekere mate van groei is essentieel met het oog op een goed vestigingsklimaat. We hanteren het ambitiescenario 2040 uit het woningbehoefteonderzoek van 2025 als vertrekpunt voor een strategie gericht op duurzame kwalitatieve groei. Daarvoor is het essentieel dat het vestigingsklimaat voor ondernemingen en werknemers continu wordt versterkt. De beschikbaarheid en bereikbaarheid van passend werk, passende woningen en een aantrekkelijke leefomgeving spelen een belangrijke rol in dat vestigingsklimaat. Ze bepalen mede in hoeverre Limburg talent weet aan te trekken en te behouden, wat van invloed is op onze bevolkingssamenstelling. § 2.2.4 Opgaven woningvoorraad De bestaande Limburgse woningvoorraad moet worden aangepast én aangevuld met woningen waar de grootste behoefte aan is. Een van de grootste uitdagingen daarbij is het bevorderen van doorstroming naar een passende woning. De toename van het aantal eenpersoonshuishoudens en het feit dat mensen steeds ouder worden en langer zelfstandig wonen heeft invloed op de vraag. Deze huishoudens hebben een woonplek nodig die past bij hun zorg- of ondersteuningsbehoefte. Een andere uitdaging bij nieuwe woningen is dat deze – net als bedrijven, winkels en andere voorzieningen – moeten kunnen worden aangesloten op het energienetwerk. Goede bereikbaarheid is ook een randvoorwaarde. Door klimaatverandering vraagt waterveiligheid meer aandacht dan voorheen in het bebouwd gebied. Naast passende woningen is ook een woon- en leefomgeving waar mensen prettig kunnen wonen én samenleven belangrijk. Het succes van de volkshuisvesting hangt onlosmakelijk samen met de sociaaleconomische situatie en gezondheidssituatie van de inwoners van steden en dorpen en met het versterken van gemengde wijken. § 2.2.5 Opgaven voor de economie en werklocaties De Limburgse economie is innovatief en bestaat uit een breed palet aan mkb-bedrijven. In 2023 werd Limburg aangemerkt als ‘innovation leader’ op het Regional Innovation Scoreboard van de EU. In 2022 kreeg de provincie de status van ‘more developed region’ in de EU Regional Competitiveness Index. Limburg is sterk exportgericht. In 2021 was de provincie goed voor circa 7% aan de totale Nederlandse export. Wij zijn trots op deze innovatiekracht en willen deze verder koesteren. De economische uitdagingen in Limburg worden voor een deel beïnvloed door macro-economische factoren, waarop we minder invloed hebben. Geopolitieke ontwikkelingen vragen om open strategische autonomie (OSA) op Europees niveau. Het wordt steeds duidelijker dat er een gezamenlijk Europees industrie-, grondstoffen- en energiebeleid nodig is. Zo kunnen we ons handelingsperspectief vergroten en onze afhankelijkheid verkleinen. Dergelijk beleid vraagt wel om extra fysieke ruimte. We werken samen met het Rijk en in EU-verband om bij te dragen aan de nationale en Europese doelen. De huidige geopolitieke situatie maakt Limburg kwetsbaar als het gaat om de levering van kritieke grondstoffen en materialen. De transitie naar een circulaire economie wordt daarmee steeds belangrijker om het verdienvermogen van de economie op langere termijn op peil te houden en minder afhankelijk te worden van de beschikbaarheid van materialen en grondstoffen. Naast het optimaliseren van de inzet van energie en grondstoffen zijn ketensamenwerking, het sluiten van kringlopen en het zoeken naar andere productieprocessen en verdienmodellen belangrijke uitdagingen hierbij. Ook al is het Limburgse mkb breed en gevarieerd, blijft het stimuleren van nieuwe startups, doorgroeien naar scale-ups en het omzetten van kennis en innovatie naar toepassingen in het mkb een aandachtspunt. Om de benodigde innovatie te versnellen en vernieuwing mogelijk te maken, is Research & Development (R&D) en de daarmee samenhangende financiering nodig. De krappe arbeidsmarkt is een uitdaging voor werkgevers in de meeste sectoren – ook landelijk. Mede door de demografische ontwikkeling dreigt er in Limburg sneller en sterker dan in andere delen van Nederland een tekort aan arbeidskrachten en jong talent te ontstaan. Voor hoogopgeleiden zijn er relatief weinig passende banen in Limburg. Ook de diversiteit aan banen is beperkt. Tegelijk is de arbeidsparticipatie al historisch hoog (overigens lager dan het landelijk gemiddelde), waardoor het moeilijk is openstaande vacatures te vervullen. Als we niets doen, dan zal de beroepsbevolking in Limburg tot 2050 naar verwachting met 2,5 tot 10% krimpen, terwijl voldoende personeel juist essentieel is voor het slagen van de transities en een evenwichtige arbeidsmarkt. Het aantrekken van (internationale) werknemers kan het tekort aan arbeidskrachten verminderen, samen met het inzetten van digitalisering, robotisering en automatisering. Het is ook essentieel om knelpunten op de grensoverschrijdende arbeidsmarkt op te lossen. Zo wordt het eenvoudiger om het arbeidspotentieel van onze buurlanden te benutten. Tot slot is het nodig te investeren in het beter op peil houden van kennis en vaardigheden van de werkzame beroepsbevolking (‘leven lang ontwikkelen’). Werknemers moeten zich blijven ontwikkelen om breed inzetbaar te blijven op een veranderende arbeidsmarkt. Het behouden van een toekomstbestendig grensoverschrijdend onderwijslandschap (mbo, hbo en wo), waar de arbeidsmarkt ook toegang toe heeft, is hiervoor een belangrijke voorwaarde. § 2.2.6 Ambities sterke steden en dorpen en een goed vestigingsklimaat We willen dat Limburg aantrekkelijk blijft, zodat jongeren blijven en nieuwe Limburgers zich langdurig hier willen vestigen. Dat is belangrijk met het oog op de huidige krapte op de arbeidsmarkt en de demografische ontwikkelingen. En daarbij hoort een passend woningaanbod. De Limburgse economie moet zich toekomstgericht blijven ontwikkelen naar een innovatieve en circulaire economie. Zo kunnen we de welvaart en werkgelegenheid in Limburg behouden. Dat heeft een relatie met onze woningbouwambitie en is daarom van provinciaal belang. § 2.2.7 Ambitie duurzame verstedelijking Limburg wil ruimte bieden aan de nieuwbouwopgave van woningen. Dat gebeurt in lijn met de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en met de afspraken met het Rijk (Woondeal Limburg, tot en met 2030). Daarnaast heeft Limburg een extra woningbouwambitie voor de middellange termijn (link naar Limburg Centraal, tot 2050). Het is belangrijk te zorgen voor een goede ontsluiting van deze woongebieden, tussen deze gebieden onderling en naar omliggende gebieden. Denk aan Nederlandse regio’s zoals Eindhoven/Brainport en de Randstad, maar ook aan steden over de grens zoals Aken en Luik. Dat vraagt om goede verbindingen tussen woon- en werkgebieden. We richten ons dan ook op verdichting van bestaande steden en dorpen, met een sterke concentratie rond intercitystations. Samen met de zes Limburgse intercitysteden willen we in de stationsomgevingen minstens 30.000 - 40.000 woningen realiseren. Limburg Centraal voert verder dan het toevoegen van woningen alleen. Het gaat om het realiseren van aantrekkelijke stedelijkheid, een mix van wonen en werken. Zo willen we de steden sterker maken om als samenhangend stedelijk netwerk te functioneren. Het is ook een katalysator voor sociaaleconomische herwaardering en revitalisering van het grotere stedelijk gebied en de regio als geheel. Compacte en aantrekkelijke (binnen)steden zijn een belangrijk uitgangspunt. We concentreren grotere ontwikkelingen en grootschalige voorzieningen in het Stedelijk gebied. Zo houden we druk op de herstructurering van de bestaande woningvoorraad. Het behouden en ontwikkelen van groene kwaliteit in de stedelijke omgeving is van belang voor de gezondheid van inwoners en voor de klimaatrobuustheid van de stad. Het is daarom essentieel om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen al vroeg aandacht te hebben voor de locatiekeuze. We bieden hierbij onder voorwaarden ruimte voor ontwikkelingen buiten het bestaand bebouwd gebied. Op tal van plekken in de vorm van een ‘straatje erbij’ en in een aantal gevallen in de vorm van uitleglocaties. Bij nieuwe ontwikkelingen houden we rekening met de gevolgen voor de bestaande netwerken. Denk aan de infrastructuur, het openbaar vervoer, de drinkwaterinfrastructuur en het energienetwerk. Het is van belang om deze netwerken optimaal te benutten en tegelijkertijd niet te overbelasten. Het is ook belangrijk om rekening te houden met de beperkingen die er gelden omtrent waterveiligheid. In gebieden langs beken waar het veiligheidsrisico hoog is, gelden er van ons uit beperkingen. Ook thema’s als stikstof en Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) vragen bijzondere aandacht. We willen doelgroepen binnen de beroepsbevolking (segment 18-55 jaar) aantrekken die zich langdurig in Limburg willen vestigen. Het gaat dan zowel om nieuwe inwoners als om onze eigen jeugd. Daarvoor stimuleren wij het bouwen of verbouwen van woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens en de doorstroming van ouderen en kleine huishoudens uit gezinswoningen. Daarbij hebben we aandacht voor het behoud van de leefbaarheid, door het in stand houden van een vitale structuur aan basisvoorzieningen en voldoende ontmoetingsplekken. Ook hebben we oog voor de herontwikkeling van historische gebouwen en de bescherming van historisch erfgoed. We stimuleren daarbij het circulair bouwen. Voor alle woningen en voorzieningen geldt dat we als overheid samen met vastgoedeigenaren moeten werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad. § 2.2.8 Ambitie economische kansen en strategische partnerschappen Er zijn voldoende economische kansen in Limburg. Zoals de verduurzaming van Chemelot, waarmee dit cruciale en waardevolle industriepark behouden blijft voor Limburg en Nederland. Chemelot Industriepark, Locatie Nedcar, Greenport Venlo, de grote logistieke bedrijventerreinen en de regionale luchthaven Maastricht Aachen Airport zijn van bijzondere betekenis voor de provincie. Dat geldt ook voor de vier Brightlands campussen – Brightlands Chemelot Campus, Brightlands Campus Greenport Venlo, Brightlands Maastricht Health Campus en de Brightlands Smart Services Campus – als centra voor innovatie en voor de mogelijke vestiging van de Einstein Telescope in Zuid-Limburg. En dat geldt zeker ook voor de Limburgse maakindustrie – niet alleen in Noord- en Zuid-Limburg, maar zeker ook in Midden-Limburg. Onze economische kansen hebben grensoverschrijdende potentie. Internationale samenwerking en diplomatie worden ingezet om grensoverschrijdende innovatie- en industrieclusters te realiseren. Zoals voor de Einstein Telescope. Nederland, België en Duitsland (Noordrijn-Westfalen) werken op regeringsniveau samen in een consortium dat de Einstein Telescope naar de Euregio Maas-Rijn wil halen. Daarnaast biedt de geografische ligging kansen voor een grensoverschrijdende kenniseconomie, met hoogstaande onderwijsinstellingen op relatief korte afstand van elkaar in drie verschillende landen. Richting de toekomst is het belangrijk om onze economische sectoren concurrerend te houden en in te spelen op mondiale ontwikkelingen, zoals de versterking van de Europese strategische autonomie en de defensie-industrie. Tegelijkertijd is het van belang om de Limburgse economie te verduurzamen. Die verduurzamingsslag omvat circulariteit, het verder beperken van de milieu-impact, energiebesparing en de omschakeling naar duurzame energiebronnen. Economische diplomatie wordt ingezet om strategische partnerschappen te ondersteunen en te ontwikkelen. Brainport Eindhoven staat voor een groeiopgave met implicaties voor de Limburgse economie, woonopgave, leefbaarheid, mobiliteit en arbeidsmarkt. Samen met Limburgse gemeenten en Brabantse partners (be)geleiden we deze groei en zorgen we voor afstemming van provinciale agenda's. § 2.2.9 Ambitie werklocaties Een belangrijke randvoorwaarde voor de versterking van de regionale economische structuur is het hebben van voldoende Werklocaties die voldoen aan de snel veranderde eisen van bedrijven en overheden op het gebied van onder meer digitalisering, verduurzaming, klimaatbestendigheid en bereikbaarheid. Na een lange periode waarin we over voldoende ruimte aan bedrijventerreinen beschikten, verwachten we na 2030 een tekort. Die behoefte willen we accommoderen, waarbij wij stevig inzetten op verdere verdichting, intensivering en het klimaatadaptief maken van de huidige locaties. Daarbij wijzen wij ook bedrijventerreinen van provinciaal belang aan. Naast Chemelot en Greenport Venlo kan daarbij gedacht worden aan terreinen die een cruciale rol (gaan) vervullen in de transitie naar een circulaire economie: terreinen met een hogere milieucategorie (HMC) en haventerreinen. Nieuwe werklocaties moeten goed zijn aangehaakt op de bestaande energie-infrastructuur om deze optimaal te benutten en de aanleg van onnodige nieuwe infrastructuur te voorkomen. § 2.3 Balans tussen functies in het landelijk gebied § 2.3.1 Hoofdopgaven balans tussen functies in het landelijk gebied Zo’n 70% van Limburg is landelijk gebied. Dit gebied wordt gekarakteriseerd door een (grensoverschrijdend) raamwerk van agrarische en natuurlijke landschappen met beken, rivieren en natuurgebieden, maar ook infrastructuren, kleine kernen en losse bebouwing. In dit gebied wonen en recreëren we. En er wordt gewerkt. Landbouw en vrijetijdseconomie zijn hier de dominante economische functies. Maar het gebied is ook een thuis voor vele, deels unieke plant- en diersoorten. Het karakteristieke landschap van Limburg willen we versterken en beschermen. We willen in Limburg een vitaal en herkenbaar landelijk gebied waar de mens kan leven en werken met goede toekomstperspectieven en waar de natuur, de bodem en het water in goede staat zijn. Bij die opgave staan we voor grote maatschappelijke, economische en ecologische uitdagingen, die alleen in samenhang opgepakt kunnen worden. We zijn trots op onze Limburgse land- en tuinbouw, die behoort tot de top van de wereld. De land- en tuinbouw is als belangrijkste gebruiker en beheerder van ons landelijk gebied van groot belang voor de voedselproductie en het aanzien en de kwaliteit van ons cultuurlandschap. De sector heeft zich in de afgelopen decennia meermaals opnieuw uitgevonden en zal dit de komende jaren opnieuw moeten doen. De Limburgse agrarisch ondernemers zijn hierbij een essentieel onderdeel van de oplossing voor alle uitdagingen die landen in het landelijk gebied. Ondernemers die de komende jaren willen doorgaan met ondernemen of daarmee willen starten, hebben hun blik op de toekomst gericht. Er zijn nu al ingrijpende veranderingen gaande in de landbouw. Dé grote uitdaging voor het landelijk gebied is om in Limburg een vitale toekomstgerichte landbouw te behouden en te ontwikkelen die hierbovenop voldoet aan de randvoorwaarden die gesteld worden vanuit natuur, water en klimaat. Niet alleen de landbouw, maar alle functies in het landelijk gebied hebben daarin een opgave. Een tweede uitdaging betreft de ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Niet alle stedelijke ontwikkelingen op het gebied van werklocaties, energie (opwek en infrastructuur) en woningbouw kunnen de komende jaren binnen bestaand stedelijk gebied geaccommodeerd worden. Bovengenoemde uitdagingen vragen om duidelijke keuzes over de ruimte die we de diverse functies willen bieden. Daarom kiezen we voor een meer gedifferentieerde zonering van het landelijk gebied. Zo wordt het mogelijk om meer gebiedsgerichte en passende keuzes te maken met oog op de ontwikkeling en bescherming van verschillende functies. Gelet op de omvang en complexiteit van deze opgaven, is duidelijk dat de aanpak van deze opgaven een langjarig traject betreft. § 2.3.2 Opgaven voor natuur en landschap Limburg heeft een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. We beschikken over waardevolle natuur die qua biodiversiteit uniek is in Nederland. Limburg vormt als groene schakel een strategisch gebied tussen belangrijke Europese natuurgebieden en kent grote identiteitsbepalende grensoverschrijdende landschappen en natuurgebieden. Deze aaneenschakeling van grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen biedt kansen voor het herstel van biodiversiteit en ecosystemen. Dat is een belangrijke troef. Voor ons welzijn en onze gezondheid, maar ook vanwege de maatschappelijke en economische waarde. Door de hoge bevolkingsdichtheid, vergaande verstedelijking, het intensief landgebruik en de hiermee gepaard gaande emissies, versnippering, verdroging en verstoring, komen de natuur en de biodiversiteit steeds meer onder druk te staan. De biodiversiteit wordt steeds kleiner. Deze afname van soorten wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door stikstof en de slechte kwaliteit van het water. Maar ook invasieve exoten, die hier zijn gekomen door toedoen van de mens, zorgen ervoor dat de biodiversiteit langzaam verdwijnt. Doordat het zo slecht gaat met onze natuur, zit vergunningverlening in vrijwel alle sectoren op slot. Daarom moeten we maatregelen nemen om verslechtering van de Natura 2000-gebieden te stoppen én te verbeteren. Daarnaast zorgt klimaatverandering voor veranderende temperaturen en weersomstandigheden. Daardoor hebben we ook meer last van verdroging en een verhoogd risico op natuurbranden. Al deze factoren hebben effect op onze Natura 2000-gebieden en de natuur daarbuiten. Als we de unieke natuur en biodiversiteit in Limburg willen behouden, moeten we deze beschermen, met zorg beheren en waar nodig herstelmaatregelen nemen. Dat is niet alleen nodig om te voldoen aan de Europese en nationale regelgeving; we doen dit ook om onze eigen leefomgeving gezond, veilig en aantrekkelijk te houden. Echter, voor het behouden en herstellen van natuur en biodiversiteit, niet-versnipperde natuur, bos en landschapselementen is ruimte nodig. Daarmee concurreert natuur met de toenemende ruimtevraag vanuit andere functies, zoals landbouw, wonen, energieopwekking, recreatie en stedelijke economie. § 2.3.3 Opgaven voor de agrarische sector In een wereld waarin door klimaatverandering, geopolitieke spanningen en groeiende bevolkingsaantallen de druk op voedselproductie toeneemt, is het waarborgen van regionale voedselproductie van strategisch belang. Limburg beschikt over diverse bodemsoorten en klimaatomstandigheden die het mogelijk maken om een breed scala aan voedsel te produceren – van zuivel en vlees tot groenten en fruit. We realiseren ons dat we nooit alle Limburgse monden kunnen voeden vanaf Limburgse grond, maar willen hier wel een substantiële bijdrage aan leveren. Dat vraagt om het reserveren van ruimte waarin de voedselproductie centraal staat. Tegelijkertijd zit de landbouwsector midden in een transitieopgave om te voldoen aan de eisen vanuit klimaat, natuur en water. Specifieke gebieden in Limburg vragen daarbij om extra inzet. Dat zijn onder andere de overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden, de beekdalen en de steilere hellingen in Zuid-Limburg, die in functie staan van zowel de landbouw als natuur, water, landschap en klimaat. Door het hoge aantal stoppende agrariërs, dat naar verwachting de komende jaren nog verder toeneemt, neemt de leegstand van agrarische bebouwing (vrijkomende agrarische bebouwing – VAB) toe. Dat brengt risico’s met zich mee voor de ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en veiligheid (ondermijning). § 2.3.4 Opgaven voor ruimtelijke kwaliteit en landschap Onze provincie kent veel verschillende landschappen met elk hun eigen belangrijke kwaliteiten op het gebied van reliëf, cultuurhistorie, natuurlijkheid, weidsheid of juist beslotenheid. Van de verspreid liggende oude cultuurlandschappen in het heuvelland, het Maasdal en op de zandgrond, de jonge ontginningslandschappen en de meer natuurlijke landschappen op de steile hellingen en in de beekdalen, de Pelen en de Maasduinen. De ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van deze gebieden hebben grote invloed op het vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven, op de toeristische mogelijkheden en ook op ons bodem-, water- en natuurlijk systeem. Tegelijkertijd is onze omgeving een drager van de Limburgse cultuur en identiteit, en bieden landschappelijke karakteristieken oplossingen voor sectorale en provinciale opgaven. Inzet op het ontwikkelen en beschermen van ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit draagt daarmee niet alleen bij aan de versterking van de cultuur en identiteit van onze provincie, maar bovendien aan de versterking van de sociaaleconomische positie van Limburg. De afgelopen decennia is het landgebruik in Limburg echter ingrijpend veranderd, net als op veel plaatsen in Nederland. Daardoor zijn het unieke karakter van onze landschappen en de ruimtelijke kwaliteit onder druk komen te staan. Daarnaast zijn er ook nieuwe kwaliteiten ontstaan. De vraag hoe we ons landschap herkenbaar en aantrekkelijk kunnen houden, wordt met de toenemende druk steeds urgenter. Het landschap is namelijk het substraat voor de grote opgaven van deze tijd, zoals het opvangen van klimaatverandering, verduurzamen van de landbouw, de woonopgave en de energietransitie. Ruimtelijke kwaliteit zien wij als de ruimtelijke dimensie van omgevingskwaliteit en gaat over de juiste functie op de juiste plek en de juiste vormgeving. Het is daarmee zowel een ordenende- als een ontwerpopgave. Ruimtelijke kwaliteit willen we realiseren door nieuwe initiatieven in de fysieke leefomgeving te verbinden met de bestaande kenmerken en identiteiten van onze (historische) cultuur- en natuurlandschappen. Daarbij gaat het niet alleen om de belevingswaarde (schoonheid en unieke identiteit van een plek), maar ook om gebruikswaarde, toekomstwaarde (duurzaam, aanpasbaar en robuust ontwerp voor de lange termijn) en herkomstwaarde (aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van het gebied). Om de ruimtelijke kwaliteit sterker te positioneren in de ruimtelijke ordening vragen we structureel aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en inzet van ontwerp. Niet alleen om aanwezige kwaliteiten en waarden als vertrekpunt te nemen, maar ook om nieuwe kwaliteiten en waarden toe te voegen. De grondgebonden land- en tuinbouw heeft van oudsher sterk bijgedragen aan de ontwikkeling en het beheer van het aantrekkelijke en afwisselende cultuurlandschap. Beheer en behoud van deze unieke landschaps- en cultuurwaarden is essentieel, maar kostbaar. Dat vraagt om nieuwe verdienmodellen. De hoeveelheid grasland in Limburg neemt in gestaag tempo af. Sinds het jaar 2000 met maar liefst 13%. Dat speelt met name rond de Peel en in Zuid-Limburg. § 2.3.5 Ambitie zonering natuur en landbouw We streven naar een goede balans tussen de gebiedseigen functies in het landelijk gebied: natuur, landschap, (drink)water, landbouw, erfgoed, toerisme en recreatie. Daarnaast willen we in beperkte mate ruimte bieden voor noodzakelijke stedelijke ontwikkelingen. Dat vraagt om zonering van het landelijk gebied. We wijzen hiervoor naast het Natuurnetwerk Limburg (NNL) drie typen landbouwgebied aan waarin bepaalde functies al dan niet een plek kunnen krijgen. Dat leidt tot de volgende zonering van het landelijk gebied: ● Natuurnetwerk Limburg ● Groenblauwe Landbouwzone (landbouw met water- en natuuropgaven) ● Primair landbouwgebied (hoogproductief landbouwgebied) ● Verwevingsgebied (landbouw met stad-landopgaven) In de drie typen landbouwgebied is landbouw de hoofdgebruiker, maar dient de bedrijfsvoering wel afgestemd te worden op de doelen die we voor deze gebieden hebben. In het Primair Landbouwgebied is landbouw de dominante functie. Daarmee wordt het belang van deze sector en van de voedselproductie onderstreept. Om deze functie ook voor de lange termijn te garanderen, zien we in dit gebied beperkt ruimte voor nieuwe niet-agrarische ontwikkelingen. De (door optimaal gebruik van de bestaande voorraad) beperkte planningsopgave voor nieuwe werklocaties zal wél deels in dit gebied moeten landen. Ook energieopwek is er niet uitgesloten, rekening houdend met voorwaarden zoals de Limburgse zonneladder. Uiteraard dient de landbouw in dit gebied te voldoen aan landelijk of generiek beleid en regelgeving, en rekening te houden met specifieke belangen, zoals bijvoorbeeld in grondwaterbeschermingsgebieden. Om landbouw(grond) te beschermen, willen we in dit gebied ruimte bieden voor nieuwvestigers (starters) en verplaatsers uit de landbouwsector uit kwetsbare gebieden. We sturen daarbij op kwalitatieve verbetering. We zien hier slechts onder voorwaarden ruimte voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) en bouwkavels voor niet-agrarische functies. Indien hergebruik voor landbouwfuncties niet mogelijk is, stimuleren we sanering van niet-courante bebouwing en bouwkavels. De Groenblauwe landbouwzone – het overgangsgebied tussen landbouw en natuur – staat in functie van zowel landbouw als natuur, water en landschap. We streven hier naar een landbouw die rekening houdt met de waarden in dit gebied. De Groenblauwe Landbouwzone is geen uniforme zone, maar kent een achttal gebiedsdifferentiaties, met elk hun eigen doelen, beleid en instrumentarium: ● de Maasvallei ● de beekdalen ● natte laagten ● droogdalen ● hellingen ● overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden (waterbelang en natuurbelang) ● intrekgebieden Natura 2000-gebieden ● ecologische verbindingszones In het Verwevingsgebied streven we naar een emissiearme landbouw. Aan bestaande agrarische bedrijven in deze zone leggen we geen nieuwe beperkingen op. Ontwikkelingen die inspelen op de overgang tussen stad en land en aansluiten bij de behoeften van het bebouwd gebied zijn in deze zone kansrijk. Bedrijven die al voldoen aan een emissiearme bedrijfsvoering hoeven niet per definitie ook nog aanvullend te focussen op bijvoorbeeld stadsgerichte functies. Het Natuurnetwerk Limburg – het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland – omvat de meeste Limburgse natuurgebieden, waaronder de Natura 2000-gebieden. De focus ligt hier op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur. We kiezen ervoor de omvang van het Natuurnetwerk Limburg te houden op het huidige niveau. Indien areaaluitbreiding van natuur nodig is, vindt dit bij voorkeur plaats in de Groenblauwe Landbouwzone. Hetzelfde geldt voor de uitbreiding van het bosareaal. Afhankelijk van het gewenste natuurtype, streven we in deze gevallen naar een combinatie van bos of natuur met bijpassende landbouw. Voor het behoud van de kwaliteiten in het Natuurnetwerk Limburg en vooral de bijbehorende Natura 2000-gebieden, is het van belang dat de abiotische omstandigheden (water, bodem, lucht) op orde worden gebracht. Dat kan door inrichting en beheer binnen de natuurgebieden, het voldoende robuust maken van het Natuurnetwerk Limburg en door het terugdringen van drukfactoren vanuit de omliggende gebieden, veelal de Groenblauwe Landbouwzone. Met de beschreven zonering geven we ruimtelijk sturing aan de diverse opgaven voor het landelijk gebied. Doorwerking vindt plaats door middel van stimulerend instrumentarium (o.m. subsidies) en regulerend instrumentarium via onder andere de Omgevingsverordening. Met een programmatische aanpak pakken we met als vertrekpunt de zonering in de POVI per Natura 2000-gebied de stikstofopgave op en nemen maatregelen die bijdragen aan een geborgde daling van stikstofdepositie en aan natuurherstel. Per gebied bekijken we welke maatregelen en instrumenten nodig zijn om deze dalende lijn te halen en te borgen, in aanvulling op landelijke/generieke maatregelen. Per gebied nemen we ook natuurherstellende maatregelen en verbeteringsmaatregelen. Deze maatregelen zijn erop gericht om – gegeven het overschot aan stikstofdepositie – de verslechtering te stoppen en de betreffende natuurwaarden uiteindelijk te herstellen en in stand te houden. Het betreft een combinatie van: ● systeemherstellende maatregelen, zoals hydrologische verbeteringen; ● inrichtingsmaatregelen, zoals venherstel; ● effectgerichte maatregelen intensiever, zoals maaien of begrazen. Bij de uitwerking van deze omgevingsvisie beoordeelt de provincie per gebied welke opgaven daar feitelijk aan de orde zijn, welk doel daarmee moet worden bereikt en welke gevolgen dat heeft voor het bestaande gebruik en eventuele ontwikkelmogelijkheden. Daarbij kijkt de provincie in ieder geval naar de noodzaak van een maatregel, de uitvoerbaarheid daarvan en de aanwezigheid van minder belastende alternatieven. Voor het geval landelijke regels of normen rechtstreeks van toepassing of leidend zijn, vormen deze het uitgangspunt. Aanvullende provinciale maatregelen worden in dat geval alleen ingezet indien gemotiveerd is dat zij, gelet op gebiedsspecifieke omstandigheden en de gevolgen voor het betrokken gebied, nodig zijn voor het bereiken van provinciale doelen. Indien aanvullende lokale maatregelen van toepassing zijn, zal de provincie deze meenemen in haar afwegingen. Wanneer landelijke regels of normen ontbreken, kiest de provincie voor de maatregel of combinatie van maatregelen die noodzakelijk zijn om provinciale doelen te bereiken, waarbij in de afweging expliciet de mate van extra beperking voor het betrokken gebied wordt meegenomen. De provincie werkt dit per gebied uit op basis van de feitelijke situatie ter plaatse en motiveert daarbij duidelijk welke maatregelen nodig zijn, waarom daarvoor is gekozen en waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan. § 2.3.6 Ambitie behoud kwaliteit Limburgse landschap We willen de kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het Limburgse landschap behouden en versterken in combinatie met de ruimtelijke opgaven en transities die spelen. Wij nemen een stevigere rol ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Zo verbinden we nieuwe initiatieven in de fysieke leefomgeving aan bestaande kenmerken en identiteiten van onze cultuur- en natuurlandschappen. Dat betekent het versterken en vernieuwen van deze kwaliteiten door ze ontwikkelingsgericht in te zetten. Door nieuwe initiatieven zorgvuldig in te passen en aan te sluiten op de karakteristieken van een gebied, kunnen het karakter en het onderscheid met andere gebieden versterkt worden. Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de Groenblauwe Landbouwzone dragen in hoge mate bij aan de kwaliteit van ons landschap en de beleving hiervan. Dat zijn dan ook de gebieden waar we, vanuit provinciaal belang, inzetten op bescherming van landschappelijke kernkwaliteiten. § 2.4 Toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen § 2.4.1 Hoofdopgaven toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen Goede bereikbaarheid en een betrouwbare energievoorziening zijn essentiële randvoorwaarden voor onze economische en maatschappelijke ambities. § 2.4.2 Opgaven voor ons energiesysteem en -infrastructuur Energie is een basisvoorziening en een cruciale randvoorwaarde voor veel functies en ontwikkelingen. De afgelopen jaren zijn de levering en betaalbaarheid van energie onder druk komen te staan. Ook de beschikbaarheid van energie is niet langer vanzelfsprekend op iedere locatie en ieder tijdstip van de dag. Ondertussen is de transitie naar een duurzaam energiesysteem, met veel hernieuwbare opwek, dat bijdraagt aan de reductie van CO2, in volle gang. In Limburg dragen we ook bij aan deze mondiale, Europese en nationale doelen, maar zien we dat de ontwikkeling van duurzame lokale en regionale energieopwek stagneert. De bereikbaarheid van (betaalbare) energie vinden wij dermate belangrijk dat we dit tot provinciaal belang benoemen. Er is op dit moment sprake van groeiende schaarste op het elektriciteitsnetwerk (netcongestie). Zowel energieleveranciers (bijvoorbeeld zonne- en windparken) als energievragers (bijvoorbeeld woonwijken, bedrijventerreinen en scholen) kunnen steeds moeilijker of zelfs geen aansluiting krijgen op het elektriciteitsnet. Een situatie die volgens netbeheerders nog jaren zal voortduren, terwijl een robuuste energie-infrastructuur nodig is voor nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen. Daarnaast zien we dat energie-intensieve functies en ontwikkelingen niet altijd in de buurt van mogelijke energievoorziening(
  1. en)liggen of gepland zijn. Dit kan hoge maatschappelijke kosten met zich meebrengen als er toch een aansluiting moet komen. Dat betekent dat we slim moeten kijken naar de locatie van grote energievragers en van nieuwe opweklocaties. De netcongestie is ook een beperkende factor voor de mogelijkheden voor duurzaamheidsinitiatieven, zoals de snelle uitrol van grootschalig zon-op-dak en de verduurzamingsopgave van Chemelot. § 2.4.3 Opgaven voor mobiliteit en bereikbaarheid De strategische ligging van Limburg in Noordwest-Europa, te midden van de Randstad, Brainport/BrabantStad, de Vlaamse Ruit (inclusief Brussel) en het Rijn-Ruhrgebied (inclusief Keulen, Bonn en Düsseldorf) biedt kansen voor ontwikkelingen rondom de corridors tussen deze gebieden (A2 en A73 in noord-zuidrichting; A67, A74 en A76 in oost-westrichting; met binnen die corridors ook internationale spoor- en vaarwegen en buisleidingen). We werken continu aan een robuust en fijnmazig netwerk van verbindingen (weg, water, lucht, spoor, buis, ov, fiets, digitaal) om elkaar te ontmoeten, om te leven, te ondernemen en te recreëren. We vinden daarbij goede, kwalitatieve en betaalbare bereikbaarheid (ook per ov), evenals het stimuleren van multimodaal goederenvervoer en het beïnvloeden van het mobiliteitsgedrag van mensen en bedrijven, van groot belang. De (grensoverschrijdende) bereikbaarheid per auto van en in Limburg is, zeker na de aanstaande verbreding van de A2 tussen Het Vonderen en Kerensheide, behoorlijk goed op orde, met uitzondering van de wens om de A2 tussen Weert en Eindhoven te verbreden. De internationale treinverbindingen zijn nog ondermaats. Aanhaking op internationale hogesnelheidslijnnetwerken (hsl-netwerken) biedt kansen om het vliegverkeer over korte afstanden terug te dringen. Het openbaar vervoer (
  2. ov)in Limburg staat in toenemende mate onder druk, zeker de ontsluiting via ov van het platteland. De behoefte aan toegankelijk ov zal alleen maar toenemen door de sterk toenemende vergrijzing in Limburg. Over 15 jaar telt onze provincie circa 200.000 inwoners van 75 jaar en ouder. Tegelijkertijd is er sprake van een structureel veranderd reisgedrag (bijvoorbeeld door thuiswerken). De opgave op het gebied van mobiliteit gaat over meer dan bereikbaarheid. Het gaat juist ook over leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid (bijdrage aan CO2-reductiedoelstelling en aanpak stikstof). § 2.4.4 Ambities toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen We streven naar toekomstbestendige netwerken die bijdragen aan een goed vestigingsklimaat, maar ook van maatschappelijke meerwaarde zijn. Deze netwerken zijn technisch van aard, maar hebben ook grote sociaaleconomische impact. Ze zijn een belangrijke randvoorwaarde voor de bestaanszekerheid van inwoners, bedrijven en instellingen in Limburg. § 2.4.5 Ambitie toekomstbestendig energiesysteem Energie moet toegankelijk, betaalbaar en beschikbaar zijn voor iedereen. We zien grote uitdagingen rondom de energie-infrastructuur en energievoorzieningen. Die hebben vaak een bovenlokaal karakter. Het is dan ook passend dat wij een stevigere rol pakken in de aanpak van de energie-infrastructuur, de energieopwek en in energieplanologie. In de uitvoering van ontwikkelingen rondom energie-infrastructuur zetten we ons ruimtelijk instrumentarium breed in. We spannen ons maximaal in om de benodigde vergunningen zo spoedig mogelijk verleend te krijgen. Daarmee nemen we waar nodig de rol van bevoegd gezag. Wij doen dat in samenwerking met gemeenten en de netbeheerders. Om te kunnen voorzien in de toekomstige energiebehoefte van Limburg, is elektriciteit van buiten de provincie cruciaal. Aansluiting op de (inter)nationale infrastructuur is dan ook van groot belang. We zien Maasbracht en Graetheide als goede inlandse aanlandingspunten voor elektriciteit vanuit wind op zee. De ontwikkeling van de Delta Rhine Corridor (DRC) is van wezenlijk belang voor de verduurzaming van de Limburgse industriële bedrijven en energiecentrales. Desondanks blijven lokale hernieuwbare opwek en het benutten van lokale (restwarmte)bronnen van provinciaal belang. We streven naar 2,533 TWh duurzame elektriciteitsopwek binnen de provinciegrenzen voor 2030. In de energiemix sluiten we niets uit. We moeten nieuwe ontwikkelingen die energie vragen zorgvuldig plannen, rekening houdend met het aanbod en de toegankelijkheid van energie. Dat vraagt om energieplanologie, gericht op een zorgvuldige ruimtelijke situering van zowel energieopwek als energievragers met het oog op een optimale benutting van het bestaande elektriciteitsnetwerk en het voorkómen van aanleg van onnodig lange en dure aansluitingen op dit net. Daarnaast kunnen we energieplanologie inzetten als strategisch instrument binnen de energietransitie, uiteraard met zorgvuldige afweging ten aanzien van onder andere natuur, landschap, ondergrond, water en leefmilieu. In bepaalde gebieden sluiten we realisatie van windturbines of zonneparken uit, in andere willen we juist een actieve rol vervullen met oog op snelle realisatie. § 2.4.6 Ambitie toekomstbestendige mobiliteitsnetwerken We willen dat goederen en personen altijd binnen een acceptabele tijd en tegen aanvaardbare kosten op hun bestemming kunnen komen. Om te leven, ondernemen, recreëren en elkaar te ontmoeten. Dat gebeurt via aaneengesloten (inter)nationale en (eu)regionale netwerken van verbindingen via weg, spoor, water, lucht en buis. Daarvoor investeren we in een toekomstbestendige, toegankelijke, veilige, slimme, schone en grenzeloze mobiliteit. Deze mix van toekomstbestendige netwerken draagt bij aan een goed vestigingsklimaat. De goederenvervoercorridors tussen de mainports Rotterdam, Antwerpen en het Ruhrgebied (Duisburg) zijn, logistiek gezien en vanwege de omvang van goederenstroom, van grote economische toegevoegde waarde voor Nederland. We zetten daarom in op de doorontwikkeling van de goederenvervoercorridors tot Topcorridors, waarbij de focus ligt op: ● het bevorderen van economische groei; ● het verbeteren van de doorstroming en verkeersveiligheid; ● het vergroten van de leefbaarheid en duurzaamheid; ● het op peil houden van beheer en onderhoud. Daarnaast zetten we in op een optimale multimodale bereikbaarheid van de economische centra. Met oog voor een betrouwbare doorstroming van het verkeer op snelwegen en regionale wegen, en de behoeften vanuit de logistieke sector. Daarbij kan worden ingespeeld op innovaties (smart mobility) en de verduurzaming van de vervoermiddelen (e-mobility). Ook de internationale bereikbaarheid vraagt aandacht. Door de euregionale ligging van Limburg zijn grensoverschrijdende verbindingen voor onze provincie van grote betekenis. Hoog op onze agenda staat het verbeteren van de capaciteit, kwaliteit en bediening van de (bestaande) spoorinfrastructuur met het buitenland. Daarbij zetten we in op het beter benutten en stapsgewijs versterken van bestaande en potentiële grensoverschrijdende spoorcorridors, zodat vanuit meerdere Limburgse intercitystations een goede en waar mogelijk directe aansluiting op internationale netwerken kan ontstaan. Goede verbindingen met internationale HSL-stations dragen bij aan het beperken van vliegen op afstanden tot 750 kilometer. Het is belangrijk om te zorgen voor grensoverschrijdende afstemming van technische, administratieve en juridische systemen, zodat deze verbindingen in de praktijk gerealiseerd en doorontwikkeld kunnen worden. We willen optimaal aanhaken bij de buitenlandse netten en HSL-stations van Luik, Brussel, Antwerpen, Aken en Düsseldorf. Het transport over water is op dit moment beperkt. Met het wegnemen van fysieke belemmeringen, het verbeteren van de infrastructuur en een intensieve samenwerking tussen de verschillende stakeholders, kunnen we de aanwezige potenties beter benutten en zo bijdragen aan een forse CO₂-reductie en inspelen op ontwikkelingen binnen de Europese Unie. § 2.5 Een vitale bodem en een robuust watersysteem § 2.5.1 Opgaven voor bodem De vitaliteit van de (Limburgse) bodems staat onder druk door menselijke activiteiten, met name door intensieve landbouw, verstedelijking en klimaatverandering. De natuurlijke kringloop is geregeld verstoord, waardoor bodems hun veerkracht verliezen en functies als waterberging en voedselproductie in gevaar komen. Dat vraagt om herstel van de bodem. § 2.5.2 Opgaven voor water Het veranderende klimaat leidt tot extremer weer. Naast een hogere temperatuur, met meer en grotere hitte, zullen veranderingen vooral te merken zijn aan de neerslag. Hoewel de totale hoeveelheid neerslag waarschijnlijk slechts beperkt zal toenemen, moeten we rekening houden met een andere verdeling van de neerslag. We krijgen meer en langere droge perioden in de zomer en daarnaast meer zware regenbuien. We zullen het watersysteem (de Maas, regionale wateren en grondwater) in Limburg moeten voorbereiden op en aanpassen aan dit veranderende weer (‘water en bodem sturender’). Droogte is voor natuur en landbouw een steeds groter probleem. De hydrologische situatie van onze 17 grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden is nog niet op orde, terwijl door de economische ontwikkeling en het hierbij behorende watergebruik de vraag nog toeneemt. Ook ons grond- en drinkwater kan op termijn onder druk komen te staan door de toenemende droge perioden. Aan de andere kant moeten we ons watersysteem zo goed mogelijk inrichten om zware buien op te vangen en af te voeren, om wateroverlast te voorkomen of te verkleinen. Er ligt verder ook een grote uitdaging op het gebied van waterkwaliteit. De kwaliteit van ons grond- en oppervlaktewater is de afgelopen decennia sterk verbeterd, maar de laatste jaren stagneert deze verbetering. Het water in de Limburgse beken en in de Limburgse bodem is nog niet schoon. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) vraagt van ons land om uiterlijk in 2027 maatregelen uitgevoerd te hebben om waterkwaliteit en kwantiteit op orde te hebben. Het Rijk is hiervoor primair verantwoordelijk. Om mee te helpen, zullen we de komende periode alles op alles moeten zetten om maatregelen uit te voeren om de waterkwaliteit en -kwantiteit te verbeteren. Niet (alleen) omdat de Europese richtlijn dat van ons vraagt, maar ook omdat schoon en voldoende water een voorwaarde is voor onze natuur, onze economie en de leefbaarheid van Limburg. Ook de nutriëntenbelasting in veel grondwaterbeschermingsgebieden is te hoog. De grens van de Nitraatrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn en KRW van 50 mg/l nitraat wordt overschreden. § 2.5.3 Ambitie vitale bodem Herstel van de bodem is nodig met het oog op een vitale en gezonde bodem die bijdraagt aan de winning van schoon drinkwater, weerbaarheid van gewassen tegen ziekten en plagen, voedingsstoffen voor planten, opslagruimte voor warmte en koude, binding van koolstof en een spons die ruimte biedt om water te bergen bij veel regen en terug te leveren bij droogte. Organisch stofbeheer biedt een integrale oplossing: toevoeging van organische stof (compost, groenbemesters en gewasresten) verbetert de sponswerking van de bodem, wat cruciaal is voor klimaatadaptatie (meer waterbuffering bij extremen) en koolstofvastlegging. § 2.5.4 Ambitie robuust watersysteem We willen ons watersysteem op een zo natuurlijk mogelijke wijze inrichten, zodanig dat het goed in staat is om aan de ene kant zware buien op te vangen en wateroverlast te beperken en aan de andere kant ook om perioden van langdurige droogte te kunnen opvangen. Het is belangrijk dat we in Limburg beschikken over voldoende water. Met het oog op de winning van drinkwater, voor de landbouw, natuur, industrie, scheepvaart en recreatie. Ook is het belangrijk dat dit water schoon is en voldoet aan de gestelde kwaliteitsdoelen. § 2.6 Euregionale context Limburg ligt in het sterk verstedelijkte Noordwest-Europa, te midden van grote bevolkingsconcentraties zoals de Randstad, Brainport Eindhoven, de Vlaamse Ruit (inclusief Brussel) en het Rijn-Ruhrgebied (inclusief Keulen, Bonn en Düsseldorf). In een zone van 100 km rondom Limburg wonen 30 miljoen mensen. Twee derde van de Limburgse bevolking woont in het sterk verstedelijkte Zuid-Limburg. Na de Randstad is dit het gebied met de hoogste bevolkingsdichtheid van Nederland. Bovendien grenst Zuid-Limburg direct aan de stedelijke regio’s Luik, Verviers, Tongeren, Hasselt, Genk en Aken. Het is daarom van belang om de Limburgse opgaven en ambities te bekijken in de context van het euregionale leefgebied en het samenhangend stedelijk netwerk. Vanuit Noord-Limburg spelen daarin vooral Stadsregio Arnhem Nijmegen (voorheen Knooppunt Arnhem-Nijmegen), de regio’s Eindhoven en Helmond en aangrenzende Duitse gemeenten een rol. Voor Midden-Limburg zijn vooral de relatie Weert-Eindhoven, de verbinding Weert-Hamont-Antwerpen en de interactie met het aangrenzende Duitse gebied met grote bevolkingsconcentraties van belang. Voor Zuid-Limburg zijn op de eerste plaats de relaties met Belgisch Limburg (Lanaken-Riemst, Hasselt en Genk) en de agglomeraties Aken en Luik belangrijk. De schaalsprong Brainport – een groei met ca. 90.000 woningen en 70.000-100.000 banen tot 2040 - is een grote uitdaging die van nationale betekenis is. Die straalt bovendien uit naar Limburg en is in het bijzonder van betekenis voor de steden in Noord- en Midden-Limburg, dus Weert, Roermond en Venlo. Weert maakt daarbij deel uit van het dagelijks leefgebied van de Brainport, vanuit Roermond en Venlo zijn de reistijden zodanig dat daar wonen in combinatie met werken in de Brainportregio goed mogelijk is. Het leefgebied van de Limburgers strekt zich uit over lands- en provinciegrenzen. De Limburgse grensligging biedt vanuit economisch perspectief zowel kansen als uitdagingen. De kansen kunnen beter benut worden als de Europese agglomeratie versterkt wordt. Voorbeelden die daaraan bijdragen zijn: economische netwerken en kennisnetwerken, het gezamenlijk wegnemen van administratieve (en culturele) grensbarrières, het tot stand brengen van grote projecten zoals de Einstein Telescope en het verbeteren van de mobiliteit. Limburg neemt actief deel aan de Euregio’s en speelt in op ontwikkelingen binnen de Europese Unie. Voor het benutten van deze kansen is een stevige alliantie met onze partners in de Euregio nodig en moet er een goede samenwerking tussen bedrijven en instellingen ontstaan. Euregionale/grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de provinciale beleidsthema’s is (daar waar aan de orde) een provinciaal belang. We streven naar het verder versterken van het netwerk in Vlaanderen, Wallonië en Noordrijn-Westfalen. Limburg vormt als groene schakel een strategisch gebied tussen belangrijke Europese natuurgebieden, zoals de Veluwe, de Eifel, de Ardennen en de Hoge Kempen. Onze provincie kent ook grote identiteitsbepalende grensoverschrijdende landschappen en natuurgebieden die van grote recreatieve betekenis zijn zoals Natuurpark Maas-Swalm- Nette, GrensPark Kempen~Broek, het Drielandenpark en RivierPark Maasvallei. Deze aaneenschakeling van grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen biedt kansen voor het herstel van biodiversiteit en ecosystemen. De Maas ontspringt in Frankrijk en stroomt door België naar Nederland. Ook veel regionale Limburgse rivieren en beken zijn grensoverschrijdend: ze stromen vanuit Vlaanderen, Wallonië of Noordrijn-Westfalen onze provincie binnen, om uiteindelijk uit te monden in de Maas. Dit betekent dat de waterkwaliteit en waterkwantiteit in de Maas en in de Limburgse beken wordt beïnvloed door bovenstrooms liggende landen. Daarnaast strekt onze belangrijkste strategische grondwatervoorraad, de Roerdalslenk, zich uit van Noord-Brabant, via Vlaanderen en Limburg naar Noordrijn-Westfalen. Het water uit deze slenk moeten wij daarom delen met onze buurlanden en -provincie en in het beheer van deze slenk moeten wij rekening houden met elkaars belangen ten aanzien van schoon en voldoende grondwater. § 2.7 Regionale context en ambities § 2.7.1 Samenhangende aanpak van opgaven In veel gevallen zal het nodig zijn om opgaven in samenhang op te pakken en zo win-winsituaties te creëren. Soms zullen opgaven echter met elkaar concurreren om de beperkt beschikbare ruimte. Dat vraagt om keuzes waarbij de belangen van economie, landbouw, wonen, energievoorziening, veiligheid en gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die balans zal per gebied anders uitpakken. Dat past bij het principe om te werken vanuit de kenmerken en identiteit van gebieden. Daarom zijn de afgelopen jaren op regionale schaal ontwerpende onderzoeken uitgevoerd in samenwerking met gemeenten. Wij willen deze samenwerking ook in de toekomst voortzetten. § 2.7.2 Ontwerpende onderzoeken en ontwikkelperspectieven De regionale ambities komen voort uit de ontwerpende onderzoeken die in samenwerking tussen ons, de gemeenten, het waterschap en het Rijk tot stand zijn gekomen. Voor de POVI 2025 zijn dit de documenten die zijn getoetst in de milieueffectrapportage (m.e.r.). Ze geven een verfijning van het toekomstige beeld van Limburg. Door een initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling te spiegelen aan de regionale ambitie, is het voor een initiatiefnemer scherper of het initiatief bijdraagt aan het toekomstige wensbeeld voor de regio richting 2050. Die verfijning geven we per regio weer. Opgaven en ambities die gelden voor Limburg als geheel, net als de onderdelen die aan gemeenten of het Rijk zijn, laten we in de beschrijving van regionale ambities achterwege. De eindrapportages met de volledige verhaallijnen per regio met deelgebieden zijn te vinden op de provinciale website en op de website van de regio Noord-Limburg. § 2.7.3 Regio Noord-Limburg § 2.7.3.1 Centrale ambitie Noord-Limburg Noord-Limburg is in 2050 een productieve, gezonde en duurzame regio, omlijst en dooraderd met robuuste groenblauwe assen: de Peelvenen op de westflank, de groene gordel met de Maasduinen op de oostflank, de Maas als blauwe ruggengraat en de beken als belangrijke dwarsverbindingen. Daarbij benut de regio de ruimtelijke kwaliteit van contrasten in het landschap: het zandland en het rivierland, het productielandschap naast het natuurlijke en ontspannen landschap, de barrières die de regio afbakenen en de sterke gemeenschappen die de regio bij elkaar houden. Qua economie blijft de regio voortbouwen op de gunstige geografische ligging op de as Rotterdam, Brainport en Ruhrgebied en de hierbij behorende transportassen over weg, spoor en water. Het economisch profiel met agrofood, logistiek, maakindustrie, vrijetijdseconomie en zorg is sterk verweven met het Noord-Limburgse wordingsverhaal, wat de kwaliteit van het landschap en leefomgeving versterkt. § 2.7.3.2 Gebiedsspecifieke ambities voor Noord-Limburg De regio differentieert hierbij drie deelgebieden met ieder een eigen karakter: ● Voor de Peelzone wordt beoogd om de Peelvenen te verbinden tot één robuuste natuurzone waar hoogveenherstel centraal staat: permanente peilverhoging speelt hierbij een belangrijke rol. De landbouw beweegt met nieuwe verdienmodellen mee met de benodigde hydrologische condities. De ontstaansgeschiedenis van de Peelvenen wordt nadrukkelijker uitgedragen om zo het recreatieve profiel te versterken. ● Voor de hoge zandgronden tussen Peelvenen en Maasvallei wordt beoogd om het productieve en hoogdynamische landschap verder te versterken en benutten. Met water (waterkwaliteit en -kwantiteit) als randvoorwaarde is er ruimte voor innovatieve landbouw, gecontroleerde groei van de grotere woonkernen en gerichte invulling van bedrijventerreinen. De agrarische innovatiekracht – die eigen is aan dit gebied – wordt opnieuw aangewend om de gebiedsopgaven op een passende manier op te pakken. Het op peil brengen van de benodigde energie-infrastructuur is daarbij van belang. De beekdalen worden benut voor zowel de invulling van groenblauwe dooradering als voor het ontwikkelen van een recreatief uitloopgebied vanuit de kernen. De algemene zoneringen dragen bij aan een zorgvuldige inpassing van deze diverse ruimtelijke functies. ● In de Maasvallei en de Oostflank tot slot wordt beoogd de robuuste, groene as met een parelketting van gezonde dorpen en Venlo als regionale centrumstad te versterken. Buiten de kernen wordt ingezet op gevarieerde agrarische zones met toekomstgerichte landbouw, passend bij de ingezette nieuwe algemene zonering. De landschappelijke karakteristieken langs de Maas worden steviger herkenbaar en beleefbaar. Daarmee wordt de ruimte langs de Maas hier primair ingezet als wateropvang, groene oevers en recreatief uitloopgebied. In tegenstelling tot de westflank van de Maas, kent de regio hier een dynamiek van kleinschaligheid, met een recreatief aantrekkelijk cultuurhistorisch landschap met robuuste natuurgebieden. Door deze natuurgebieden te verbinden tot een groene as, ontstaat een grootschalig grensoverschrijdend ecologisch netwerk. Voor de toekomstige energie-infrastructuur is de ontsluiting van Energielandgoed Wells Meer van belang. Toekomstbeeld Noord-Limburg vogelvlucht (copyright RUIMTEVOLK) § 2.7.4 Regio Midden-Limburg § 2.7.4.1 Centrale ambitie Midden-Limburg Het landschap is in Midden-Limburg een belangrijk uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen. Zo moet het systeemherstel voor water en bodem een aanjager zijn voor oplossingen in het landelijk gebied en meerwaarde creëren. De regio zet hierbij in op: ● Duidelijke hiërarchie in kernen binnen het regionale systeem: ○ Weert en Roermond als centrumsteden die (boven)regionale groei opvangen. ○ Nederweert, Echt, Susteren en Heythuysen als middencategorie (grote dorpen of kleine steden) waar bescheiden groei nabij (ov-)knooppunten plaatsvindt. ○ Kleinere dorpen: enkel kwalitatieve groei voor lokale behoefte. ● Binnen het regionale systeem wordt naar een samenhangend pakket van mobiliteitsoplossingen gekeken, waaronder combinaties tussen spoor, snelfiets, hoogwaardig ov en het heractiveren van het traject voor personenvervoer tussen Weert en Hamont. ● Benutten verschillen tussen Maas- en zanddorpen. ● Diversiteit subregionale identiteiten en landschappen benutten, evenals de verschillende snelheden in het (gebruik van het) landschap en de diversiteit aan economische dragers die hieraan verbonden zijn.  ● Duidelijke contrasten tussen stad en land: ruimte openhouden of -maken tussen de kernen. ● Clauscentrale en Delta Rhine Corridor als aanjager voor de verduurzaming en innovatie van de economie. Maar: lokaal profijt als voorwaarde. ● Het veroveren/heroveren van de publieke waarde van de Maas. ● Sterke nationale parken en grensparken met allure zijn een voorwaarde voor de profilering van de hele regio. Een beekdalbrede benadering in de beekdallandschappen De regio heeft de ambitie – onder andere om te voldoen aan de wettelijke plicht vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) – om de beken meer ruimte geven, het waterpeil omhoog brengen en de beleefbaarheid benutten. Dat leidt tot andere condities voor agrariërs, maar ook tot aantrekkelijke condities om het recreatieve landschap verder vorm te geven. Rond de natuurbeken wordt daarvoor ingezet op de zogenaamde beekdalbrede benadering. Voor een verdere beschrijving van de visie van de provincie ten aanzien van de beekdalen, zie ook § 6.10.2. § 2.7.4.2 Gebiedsspecifieke context voor Midden-Limburg De belangrijkste accenten uit de ambities voor de vier deelgebieden in Midden-Limburg zijn samengevat: ● Peelzone: een watervasthoudend landschap, waarbij het waterpeil omhooggaat en de functie het peil volgt. Dat leidt tot andere condities voor agrariërs: meer kansen voor plantaardige teelten en biobased productie. Dit deelgebied kent een innovatief en hightech profiel, met inzet op de biobased keten als basis. De Peelkanalen spelen een belangrijke rol voor wateraanvoer voor zowel (grondwaterafhankelijke) natuur als de landbouw: inzet op zuiverende teelten.  ● Beekdallandschap Leudal e.o.: een beekdalbrede benadering. Beken meer ruimte geven en waterpeil omhoog brengen. Dat leidt tot andere condities voor agrariërs, maar ook tot aantrekkelijke condities om het recreatieve landschap verder vorm te geven. Bos/bosschages toevoegen om zowel de waterkwaliteit te verbeteren als groenblauwe dooradering te realiseren. Voor een verdere beschrijving van de visie van de provincie ten aanzien van de beekdalen, zie ook § 6.10.2. ● De Maaszone: ruimte voor de Maas. Waterveiligheid wordt geborgd door – naast de geplande dijkversterkingen – de bergingsruimte voor de Maas te vergroten via het benutten van oude Maasmeanders. Dat biedt grote waterveiligheidswinst benedenstrooms en biedt condities om te werken aan ecologische en landschapsversterkende doelen. De leesbaarheid van de Maas, het Lateraalkanaal, Maasplassen en Maasmeanders wordt geaccentueerd. Ook wordt het economische profiel van de Maas uitgebouwd richting duurzame en watergebonden bedrijvigheid. Het parelsnoer van historische kernen in de Maasvallei wordt sterker zichtbaar gemaakt. De Clauscentrale heeft potentie als knooppunt in het nationale energienetwerk. ● Beekdallandschap Roerdal en plateauzoom: een beekdalbrede benadering. Beken meer ruimte geven en waterpeil omhoog brengen. Dat leidt tot andere condities voor agrariërs, maar ook tot aantrekkelijke condities om het recreatieve landschap verder vorm te geven. Bos/boschages toevoegen om zowel de waterkwaliteit te verbeteren als groenblauwe dooradering te realiseren. De Roer krijgt meer ruimte en de kwelzones aan de voet van de steilrand worden omarmd en benut. Volgend uit de algemene zoneringen, zal er rondom het Natura 2000-gebied De Meinweg extensiever grondgebruik plaatsvinden. Bereikbaarheid van het buitengebied wordt verbeterd, waarmee ook toeristische spreiding wordt gestimuleerd. Midden-Limburg vogelvlucht (copyright RUIMTEVOLK) § 2.7.5 Regio Zuid-Limburg (NOVEX Zuid-Limburg) § 2.7.5.1 Centrale ambitie Zuid-Limburg Op basis van het ontwerpend onderzoek Panorama Zuid-Limburg en de Agenda Zuid-Limburg, hebben de gemeenten in samenwerking met ons, het waterschap en het Rijk een NOVEX-ontwikkelperspectief opgesteld. De regio Zuid-Limburg richt zich op het versterken en het in balans brengen van het stedelijke hoefijzer en de landelijke groene long te midden van de grote steden. Daarvoor focust de regio zich primair op drie schaalsprongen: ● naar een nieuwe economie; ● naar nieuwe ruimtelijke kwaliteit. ● van achterstanden naar voorsprong. In het ontwerpend onderzoek Zuid-Limburg is geen uitsplitsing gemaakt naar deelgebieden, zoals dat in Noord- en Midden-Limburg wel gedaan is. De drie schaalsprongen die hierna worden toegelicht zijn daarmee van toepassing op de gehele regio. § 2.7.5.2 Schaalsprong naar een nieuwe economie De regio ziet de (economische) toekomst van Zuid-Limburg als een grensoverstijgende kenniseconomie en circulaire economie. De economische toekomst van Zuid-Limburg kent een brede basis in industrie, hoogwaardige maakindustrie en kenniseconomie. Daarnaast zijn een vitale, groene vrijetijdseconomie en een duurzame agrarische sector belangrijke pijlers. De verdere uitbouw van de Brightlands campussen en de circulaire transitie van Chemelot, zijn twee cruciale ontwikkelingen die de regio verankeren als een broedplaats voor een grensoverstijgende kenniseconomie en circulaire economie. Brightlands fungeert als een innovatieve hub die gericht is op het bevorderen van onderzoek, ontwikkeling en ondernemerschap in uiteenlopende sectoren, waaronder gezondheid, circulariteit en materialen. Daarnaast speelt Chemelot een essentiële rol als een van de grootste chemische industriecomplexen in Europa. Streven is dan ook om Chemelot te ontwikkelen tot een toonaangevende circulaire site. Deze innovatieve ontwikkelingen moeten hand in hand gaan met scherpe aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving. § 2.7.5.3 Schaalsprong naar nieuwe ruimtelijke kwaliteit Het toekomstbestendig maken van het vijfsterrenlandschap Zuid-Limburg is essentieel voor het in stand houden van het vestigingsklimaat in Zuid-Limburg en de positie van de regio als internationale, innovatieve kenniseconomie. Dit landschap is een belangrijk uitloopgebied voor de eigen inwoners, waar daarnaast jaarlijks miljoenen gasten worden ontvangen. Er wordt voor dit gebied gekozen voor het beschermen en versterken van het eeuwenoude cultuurlandschap. Als elementen hun functie verliezen, zal gekeken worden of nieuwe functies, passend bij het landschap, toegekend kunnen worden (bijvoorbeeld door de herbestemming van cultuurhistorisch erfgoed) In zowel het bebouwd als landelijk gebied liggen grote (deels grensoverschrijdende) opgaven voor het realiseren van een toekomstbestendig en robuust water-, bodem- en natuursysteem. Dat vraagt om het versterken van de natuur die er is en het toevoegen van biodiversiteit op plekken waar we slimme functiecombinaties kunnen maken, zoals natuurinclusieve landbouw, recreatie en waterberging. Ook het behouden en vergroten van de belangrijke zoetwatervoorraden vraagt in en rondom deze gebieden om herstel van het natuurlijke systeem. § 2.7.5.4 Schaalsprong van achterstanden naar voorsprong De regio gaat voor sterke en gezonde steden en kernen in Zuid-Limburg. Dat betekent dat op de ene plek forse achterstanden moeten worden ingehaald en op andere plekken de leefbaarheid op peil moet worden houden. Dat vraagt zowel om een brede programmatische aanpak als om verschillende gebiedsgerichte aanpakken. Het gaat daarbij om grote fysieke investeringen in wonen, bereikbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat met de nodige voorzieningen, maar ook met meer ‘zachte’ investeringen in bijvoorbeeld preventie, welzijn en veiligheid en arbeidsplaatsen. Limburg Centraal is daarbij een belangrijke ontwikkeling in het versterken van wonen en werken in het groen nabij mobiliteitsvoorzieningen in en om de stad. De aanwezigheid van een sterke cultuursector (zowel professioneel als amateur), het volledige kunstvakonderwijs en een zich sterk ontwikkelende creatieve industrie maken de regio een aantrekkelijke plek om te wonen en bieden de regio een unieke positie om de bindende en innovatieve kracht van deze sectoren te verbinden aan de sociaal-maatschappelijke, economische en ecologische ontwikkeling van onze regio. § 2.7.5.5 Schuurpunten Panorama Zuid Limburg Het ontwerpend onderzoek van Zuid-Limburg benoemt een vijftal schuurpunten: 1. Water en bodemsysteem sturend: Tijdens het schrijven van Panorama Zuid-Limburg heersten er zorgen dat het principe ‘water en bodem sturend’ zou leiden tot schurende belangen. De nieuwe zonering, geactualiseerde kaarten van de Groenblauwe Landbouwzone en de waterveiligheidskaarten geven gebiedsgericht antwoord op de vraag wat in het kader van water, bodem en natuur in bepaalde gebieden wel en niet kan en aanbevolen wordt. 2. Energieopwek: Hoeveel en op welke plek? Gezien de groeiende druk op het elektriciteitsnet en het grote belang van toegang tot (betaalbare) stroom, hebben we besloten om (delen van) het thema energie te benoemen tot provinciaal belang. Opwek is daar onderdeel van. We benoemen in de POVI zoekgebieden waar wij een actieve rol willen vervullen bij de realisatie. Ook de hierbij behorende energie-infrastructuur benoemen we tot provinciaal belang. 3. Leefbaarheid kleine kernen: Vanwege de keuze om ‘rode functies’ met name te laten landen in de stedelijke vraag, zijn het schuurpunt en de vraag ontstaan of het mogelijk is in sommige gevallen ook buiten het bebouwd gebied te bouwen, vooral ook om de leefbaarheid in kleine kernen te behouden. Dat geldt niet enkel voor woningbouw, maar ook voor economische ontwikkelingen die bijdragen aan de leefbaarheid, cultuur en cohesie van kleine kernen. Binnen het nu voorgestelde beleid stellen we in principe: bouwen binnen de kern en enkel onder voorwaarde daarbuiten en in het verlengde van de huidige bebouwing. Straatjes erbij voorzien voor een belangrijk deel in de behoefte van gemeenten en passen binnen de huidige Woondeal-afspraken. 4. Leefbaarheid stedelijk gebied: In Panorama Zuid-Limburg is gekozen de grootste toekomstige ruimteclaims voor bijvoorbeeld energieopwek, wonen en bedrijventerreinen te laten landen in de stedelijke band. Tegelijkertijd dient in het kader van leefbaarheid en het principe water en bodem sturend ook ruimte te zijn voor groenblauwe structuren in dit gebied. Hiermee stijgt de ruimtelijke druk op het stedelijk gebied in Zuid-Limburg. 5. Circulaire economie: De transitie naar een circulaire economie, net als de verduurzaming van Chemelot, behoeven ruimte. Mede daarom biedt de POVI ruimte voor groei van bedrijventerreinen en benoemen we bepaalde locaties tot provinciaal belang. Het eindrapport met de volledige verhaallijn voor de regio Zuid-Limburg is te vinden op de provinciale website. § 2.7.6 NOVEX de Peel In de Peel komen veel fysieke opgaven samen die om een oplossing vragen, elkaar beïnvloeden en ruimte vragen. Denk aan de landbouw- en energietransitie, aanpak van droogte, verbeteren van natuur en waterkwaliteit, leefbaarheid, verstedelijking, economische vitaliteit, beschikbaarheid van voorzieningen en mogelijke reactivering van vliegbasis De Peel. Opgaven van zowel regionaal en provinciaal als nationaal belang. Dat heeft ertoe geleid dat het Rijk in het Programma NOVEX
(2022)de Peel heeft aangewezen als NOVEX-gebied. Bij onze inzet en intentie voor NOVEX De Peel hoort een richtinggevend perspectief – een meerkleurige toekomst in de Peel: ondernemend, natuurlijk en leefbaar. Met dit Zich Ontwikkelend NOVEX-perspectief richting 2050 (ZON2050) spelen we daar zo goed mogelijk op in. Het richtinggevendperspectief voor NOVEX de Peel – een gebied dat een groot deel van Noord- en Midden-Limburg bedekt – biedt een meerkleurige toekomst: een gezonde balans tussen natuur, landbouw en leefomgeving, met het water en de bodem als drager. Het perspectief is een samenhangend kaartbeeld gebaseerd op verschillende kaartlagen: een klimaatrobuust systeem, het historische raamwerk, verbindende natuur, duurzame bereikbaarheid, energie- en grondstofstromen en thematische accenten. De toekomst is meerkleurig, maar niet alles kan overal of in dezelfde mate. Daarom zijn er accenten geplaatst voor verschillende delen van de Peel. Groen is de kleur van de Natuurlijke Peel in drie nuances: de Peelvenen, de beekdalen en het Maasdal. Hier geven we voorrang aan natuur, bodem en water en gezondheid. Deze delen van de Peel worden natter en natuurlijker. Geel is de kleur van de Ondernemende Peel in drie nuances: het grootse productielandschap van de noordelijke horst, de afwisselende dekzanden op de flanken en de oude vruchtbare gronden. Ruimte voor economische activiteiten en energieopwekking hebben hier prioriteit. Rood is de kleur van de Leefbare Peel in drie nuances: de centrale steden, de verstedelijkte kernen en leefbare dorpen. Leefbaarheid, beleving en een gezonde leefomgeving staan hier voorop. Afbeelding Ontwikkelperspectief de Peel Voor het Limburgse deel overlapt het ontwikkelperspectief van NOVEX de Peel met de ontwerpende onderzoeken van Noord- en Midden-Limburg. Het ontwikkelperspectief is een verder uitgewerkte versie van deze ontwerpende onderzoeken voor het hele gebied van de Peel. Met het ZON2050 spelen we zo goed mogelijk in op de meerkleurige toekomst. Via de Regionale Uitvoerings- en Investeringsagenda (RUIA) zetten we van jaar tot jaar nieuwe accenten, op basis van de leerpunten opgedaan tijdens de uitvoering van de sleutelprojecten. De bottom-up benadering is daarbij essentieel. Het ZON2050 is een kompas op hoofdlijnen, niet uitputtend. De gesprekken in de streek in 2024 hebben laten zien dat ZON nog wel verdieping nodig heeft. Dit past ook bij het karakter van een zich ontwikkelend perspectief. Tussen rijk en regio zijn in de RUIA 2025 afspraken gemaakt over verdieping en verbreding. Wij doen deze verdieping met maatschappelijke partners en koepelorganisaties, in samenhang met de sleutelprojecten. Hoofdstuk 3 Hoe gaan we onze ambities realiseren? § 3.1 Regie & samenwerking De grote hoeveelheid aan grote opgaven in het fysieke domein vraagt om scherpe keuzes. Zeker tegen de achtergrond van de schaarste – niet alleen aan ruimte, milieuruimte, ruimte op het energienet en aan water, maar ook aan financiële middelen en menskracht. Die keuzes zijn nodig om de voortgang van de beoogde transities (landelijk gebied, energie en circulaire economie) niet in gevaar te brengen. Niet voor niets staat ook bij het Rijk ruimtelijke ordening veel steviger op de agenda dan in het afgelopen decennium. Voor het maken van die keuzes staan de gezamenlijke overheden aan de lat, ieder vanuit zijn eigen wettelijke rol, taak en verantwoordelijkheid. Wij nemen de regie om gezamenlijk tot de voor Limburg noodzakelijke keuzes te komen en uit te voeren. Onder ‘regie’ verstaan wij hierbij het nemen van een verbindende positie gericht op samenwerking, waarbij in dit samenspel vertrouwen een cruciale succesfactor is. Dat doen we met als vertrekpunt de rolverdeling die in de Omgevingswet is afgesproken, met de lokale overheden operationeel primair aan zet. Het nemen van regie moet er ook voor zorgen dat besluiteloosheid wordt voorkomen. Niet door als autoriteit boven de gemeenten te gaan staan, maar in verbinding, om ervoor te zorgen dat er voortgang wordt geboekt. Soms meer sturend, soms met doorzettingsmacht om tot besluiten te komen. Een proces van dialoog is daarin belangrijk, maar uiteindelijk zal er een beslissing moeten worden genomen. Samen met de gemeenten en het waterschap bekijken we hoe we de in Limburg spelende nationale, provinciale en regionale opgaven op een goede manier kunnen oppakken, met de nodige ruimte voor gemeentelijke autonomie. Mede vanuit een gezamenlijke visie op de ontwikkeling van de regio's, waarvan we de essentie ook verankeren in deze POVI. Het omgevingsbeleid moet immers aansluiten bij de specifieke opgaven, uitdagingen en context van de betreffende regio. Deze POVI en de daarin vastgelegde keuzes worden vastgesteld door Provinciale Staten. Door het samen optrekken met medeoverheden gaan we ervan uit dat de visie toch vooral ook een breed gedragen visie op de ontwikkeling van Limburg is. Een dialoog en samenwerking die uiteraard niet stopt bij het actualiseren van de POVI. Met het oog hierop vinden wij het belangrijk om een effectieve bestuurlijke overlegstructuur per regio in te richten. Net zoals we dat doen met het Rijk. Belangrijk is om de afspraken met elkaar over de aanpak van opgaven en de rollen hierbij ook helder vast te leggen. Met het Rijk doen we dat onder meer in afspraken in de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving en Bestuurlijke Overleggen MIRT, in het Ruimtelijke Arrangement en in sectorale afspraken (soms ook afspraken van het Rijk met de gezamenlijke provincies of met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de koepelorganisatie van de provincies). Met de regio's doen we dat door middel van afspraken in de Bestuurlijke Overleggen Fysieke Leefomgeving Limburg (BOFLL) en via sectorale afspraken. § 3.2 Provinciaal Belang De overheid richt zich op het algemeen belang: datgene wat voor het welzijn van de bevolking in zijn geheel nuttig, gewenst of nodig is. Het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten werken als gezamenlijke overheid aan dat algemene belang. Wij richten ons daarbij in het bijzonder op de zaken van provinciaal belang. Dat zijn in elk geval onze (wettelijke) kerntaken. Daarnaast pakken we autonoom taken op. Bijvoorbeeld vanuit onze regierol. Het begrip ‘provinciaal belang’ is niet nader afgebakend in de Omgevingswet. In de Memorie van Toelichting worden wel enkele voorbeelden van provinciale belangen genoemd. Aan de hand van de volgende criteria bepalen wij het provinciaal belang: ● er is sprake van de uitvoering van één of meerdere kerntaken van de Provincie; ● er is sprake van een gemeentegrensoverschrijdende/(boven)regionale problematiek; ● er is sprake van een algemeen belang voor de bevolking, de omgevingskwaliteit of het bedrijfsleven in de provincie Limburg. Deze criteria gelden zowel afzonderlijk van elkaar als in combinatie. In de thematische hoofdstukken wordt aangegeven wat de provinciale belangen zijn en hoe wij onze rol en instrumentarium gaan inzetten bij zaken waar sprake is van ruimtelijke impact en impact op de omgevingskwaliteit. Wij oefenen onze taken en bevoegdheden dus uit als dat nodig is met het oog op het provinciaal belang, als dat belang niet doeltreffend en doelmatig kan worden behartigd door een gemeente of het waterschap, of als dat bij wet is bepaald. § 3.3 Limburgse principes § 3.3.1 Inleiding Limburgse principes De Limburgse principes gaan vooral over hoe we de opgaven en de ambities richting 2050 vertalen naar concrete beleidskeuzes – in deze POVI of in toekomstige provinciale programma's. De Limburgse principes vormen ook een richtinggevend kompas voor beoordeling van nieuwe plannen en projecten, wanneer POVI, programma's of Omgevingsverordening ruimte laten voor een maatwerkafweging. De principes sluiten aan bij de afwegingsprincipes uit nationaal omgevingsbeleid en bij de Duurzame Ontwikkelingsdoelen die de Verenigde Naties in 2015 (als Sustainable Development Goals (SDG’s)) hebben vastgesteld. § 3.3.2 Principe 1: Recht doen aan een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant In Limburg streven we naar een leefomgeving die recht doet aan de gezondheid en veiligheid van mens, dier en plant. Dit principe sluit aan bij de Omgevingswet, waarin artikel 2.1 de doelstelling van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving definieert als het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid en het milieu. Gezondheid Een gezonde leefomgeving is essentieel voor de gezondheid en het welzijn van onze inwoners. We zetten ons in voor schone lucht, schoon water en een bodem die vrij is van verontreinigingen. Bij ontwikkelingen of initiatieven in onze provincie geven we gezondheids- en milieuaspecten een volwaardige plek in de belangenafweging. Daarbij voorkomen we dat gezondheids- en milieurisico’s verschoven worden in de tijd of naar andere plekken. We streven ook naar het behoud en herstel van biodiversiteit door het beschermen van natuurgebieden en het bevorderen van ecologische verbindingen. Dat draagt niet alleen bij aan de gezondheid van onze ecosystemen, maar ook aan de gezonde leefomgeving van onze inwoners. Versterking van stedelijk groen en stadsnatuur draagt bij aan een beter binnenstedelijk klimaat en aan het welzijn van inwoners in de steden. Groen ingerichte bedrijventerreinen dragen positief bij aan de gezondheid van werknemers. Daarnaast bevorderen we een gezonde levensstijl door het creëren van veilige en toegankelijke openbare ruimtes waar mensen kunnen sporten, ontspannen en elkaar ontmoeten. Naast lichamelijk welbevinden dragen ook mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociaal-maatschappelijk participeren en dagelijks functioneren bij aan de gezondheid. Relevant daarbij zijn onder meer: ● De milieubeginselen van de EU: het voorzorgbeginsel, het preventiebeginsel, het beginsel van bestrijding van verontreiniging aan de bron en het principe ‘de vervuiler betaalt’. ● Kernwaarden Rijk: eerlijke verdeling van milieulasten en gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het milieubeleid. ● Feitelijke status van het leefmilieu in Limburg als vertrekpunt. ● Wettelijke en provinciaal vastgestelde milieuregels als kader. ● Daadwerkelijke behoefte aan (milieu)ruimte voor ontwikkelingen, met aandacht voor maatregelen die de milieulast voor de omgeving verminderen. ● Aandacht voor de omgekeerde werking. Onze milieuregels zijn erop gericht om mensen te beschermen tegen hinder. Omgekeerd moet voorkomen worden dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Een voorbeeld hiervan is het toestaan van transformatie naar een woonfunctie in het buitengebied, wat ertoe kan leiden dat een nabijgelegen landbouwbedrijf in de toekomst minder of geen uitbreidingsmogelijkheden heeft. Veiligheid Veiligheid is een integraal onderdeel van een gezonde leefomgeving. We maken onderscheid tussen fysieke veiligheid en sociale veiligheid. Fysieke veiligheid omvat verschillende aspecten die samen bijdragen aan een veilige leefomgeving, zoals de veiligheid in relatie tot natuur, water en klimaat; de woonomgeving; cyberdreigingen; maatschappelijke onrust; vitale infrastructuur; verkeersveiligheid, publieke gezondheid; en transport van en activiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij sociale veiligheid gaat het om de door burgers ervaren veiligheid in de samenleving. De veiligheidsbeleving van alle burgers (subjectieve veiligheid) is van groot belang. In deze POVI is het regionaal waterveiligheidsrisico op kaart gezet. In de provincie Limburg werken we samen met gemeenten, waterschappen en andere partners om risico's op overstromingen, bodemverontreiniging en andere milieugevaren te minimaliseren. Door proactief te plannen en te investeren in preventieve maatregelen, zorgen we ervoor dat Limburg een veilige plek blijft om te wonen, werken en recreëren. Veiligheid betekent ook het bewust nemen van aanvaardbare risico’s, waarbij we streven naar een balans tussen bescherming en vrijheid. We hebben de verantwoordelijkheid om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen veiligheid altijd mee te nemen als een van de aspecten in de afweging. Bij nieuwe of aangepaste ruimtelijke inrichting kan de veiligheidsbeleving via gerichte participatieprocessen en ontwerpprincipes aanzienlijk worden verbeterd. We hanteren een aantal kernwaarden, gebaseerd op het Provinciaal risicoprofiel en de Kernwaarden voor veiligheid en gezondheid van de veiligheidsregio's. Daarnaast vraagt de nationale veiligheid om aandacht voor defensie: van het belang van civiel-militaire productie tot innovatie en ruimte om te oefenen. Ook de noodzaak tot meer autonomie op het gebied van strategische grondstoffen, een vitale arbeidsmarkt en solide infrastructuur zijn van belang. Deze brede blik is nodig om bevolking en bedrijven weerbaar te maken, ook in de provincie Limburg. § 3.3.3 Principe 2: Recht doen aan de kenmerken en identiteit van gebieden Bij de afweging of we ruimte willen bieden aan nieuwe ontwikkelingen, houden we rekening met de kenmerken en de identiteit (eigenheid) van het gebied. We streven daarbij naar een duurzame, gebiedsgerichte ontwikkeling, waarbij we de eigenheid van het gebied en de ruimtelijke kwaliteit versterken. Die gebiedskenmerken zijn vaak verankerd in de ondergrond (bodem, geomorfologie, watersysteem) en de reden om water en bodem meer sturend te laten zijn in ruimtelijke afwegingen. Daarnaast zijn de gebiedskenmerken een uiting van de ontstane cultuur(historische) landschappen en natuurlandschappen. In lijn met dit principe nemen de ontwerpende onderzoeken die per regio zijn uitgevoerd een belangrijke plek in de POVI in. Dat geldt ook voor de zonering die we hanteren. Om ruimtelijke kwaliteit provinciebreed meer prioriteit te geven, zijn de gebiedskenmerken nader geduid in gebiedspaspoorten, aangevuld met inspirerende ontwerpbeginselen. Aanvullend kiezen we ervoor om vanuit provinciaal belang de landschappelijke kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de Groenblauwe Landbouwzone te (blijven) beschermen en versterken. § 3.3.4 Principe 3: Zorgvuldig omgaan met onze schaarse ruimte en voorraden (boven- en ondergronds) Onze ruimte en voorraden zijn schaars. Het areaal van Limburg ligt vast. In het verleden is door de groei van stedelijke functies (wonen, bedrijventerreinen) het bebouwd gebied in omvang toegenomen. Dat is ten koste gegaan van het landelijk gebied. Gezien de opgaven in het landelijk gebied is dat zeker geen automatisme meer. Tegelijkertijd zien we dat er tal van functies zijn die in de toekomst om meer ruimte vragen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de energieopwek en -opslag. Bij schaarse voorraden kan gedacht worden aan: ● water (drinkwater, water voor industrie, natuur en landbouw, maar ook water voor de scheepvaart); ● grondstoffen (bouwgrondstoffen, industriële grondstoffen); ● energie, waar we heel zorgvuldig mee moeten omgaan. We zien ook door klimaatverandering het gebruik van water en energie juist toenemen. Reden om in onze afwegingen steeds de impact op die schaarse ruimte en voorraden mee te wegen. Dat geldt ook voor de milieuruimte (zie principe 1). Concreet betekent dit: ● We streven naar beperking van de vraag naar schaarse voorraden waar dit mogelijk is. Denk aan energiebesparing, waterbesparing of minder grondstoffengebruik voor de industriële productie. ● We zetten in op een zo goed mogelijke benutting van de bestaande voorraad. Denk aan bedrijventerreinen, wegen, spoorwegen en waterwegen, het openbaar vervoer en energie-infrastructuur. Dat vraagt om goed onderhoud van die bestaande voorraad en het op peil houden van de kwaliteit, zodat aangesloten wordt bij de veranderende wensen en behoeften. ● We faciliteren geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen als de behoefte daaraan niet kan worden aangetoond of als er in de bestaande voorraad goede alternatieven beschikbaar zijn: we bouwen niet voor leegstand. Bestaande structurele leegstand moet aangepakt worden. Als dat niet kan met een vergelijkbare invulling als voorheen, moet dit gebeuren door een passende functie. In het uiterste geval is sloop aan de orde. ● Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke functies houden we rekening met de ligging en capaciteit van de bestaande netwerken: weginfrastructuur, ov-systeem en energie-infrastructuur. We willen voorkomen dat er nieuwe kostbare infrastructuur aangelegd moet worden terwijl er aan de andere kant restcapaciteit onbenut blijft. ● We streven naar het maximaal benutten van mogelijkheden voor hergebruik van materialen en stoffen in de bouw, industrie en samenleving. Dat is de insteek van de circulaire economie. Zo voorkomen we ook het ontstaan van afval. We zetten in op een zo hoogwaardig mogelijk hergebruik, in lijn met de R-ladder. ● Met oog op een zorgvuldig gebruik van de ruimte bevorderen we functiecombinaties. Denk aan meervoudig ruimtegebruik en stapeling van functies (in de hoogte), maar ook in de tijd. Ook het stapelen (combineren) van doelen past daarbij. ● We willen afwenteling voorkomen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten duurzaam zijn. Ze moeten tegemoetkomen aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat we vraagstukken afwentelen naar toekomstige generaties, naar andere regio’s binnen en buiten Limburg of naar specifieke groepen in de samenleving. Onze grondhouding is: benut kansen en los de problemen van vandaag zoveel mogelijk nu op (of maak nu een begin met de oplossing van vraagstukken waarvan het oplossen een zaak van lange adem zal zijn). We willen voorkomen dat ingrepen resulteren in schade of verontreiniging op een later moment en dat baten en lasten onevenredig worden verdeeld. § 3.3.5 Principe 4: Versterken bebouwd én landelijk gebied We staan voor ‘verantwoord verstedelijken’. Om Limburg klaar te maken voor de toekomst, zullen we een aantal nieuwe functies moeten faciliteren, zoals energie-infrastructuur en woonlocaties. Daarmee zal een deel van onze provincie verder verstedelijken. We koesteren de variatie in stedelijke en landelijke gebieden echter ook en willen die behouden. Daarom willen we de beweging van verstedelijking in een goede en duurzame balans op laten gaan met de ontwikkeling van ons landelijk gebied. Bovendien willen we dat ontwikkelingen plaatsvinden op plekken waar we de leefbaarheid (bijvoorbeeld ontmoetingen en nabijheid van voorzieningen) voor Limburgers zo goed mogelijk kunnen faciliteren. We willen steden en dorpen compact houden en stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied concentreren. Dat kan in de steden ook betekenen dat er gekozen wordt voor hoogbouw. Met meer mensen in de steden versterken deze hun agglomeratiekracht. Concentratie van wonen, werken, voorzieningen, onderwijs en culturele activiteiten draagt bij aan levendigheid en aantrekkelijkheid, ook van betekenis voor de economie en de vestigingsplaatsaantrekkelijkheid. De landelijke gebieden vormen een tegenhanger van deze stedelijke gebieden. Zo gaan we voor sterke, compacte steden en een uitgestrekt landelijk gebied, waar de belangen van landbouw, natuur en water leidend zijn. Bij ontwikkelingen van nieuwe stedelijke functies zoals wonen en bedrijventerreinen is het belangrijk om te onderzoeken of en in welke mate deze ontwikkeling kan landen binnen het bestaand bebouwd gebied. Met inachtneming van de opgaven op het gebied van vergroening, klimaat en water die in datzelfde bebouwde gebied liggen. Als dat niet kan, zal buiten het bestaand bebouwd gebied naar een goede plek gezocht moeten worden. Belangrijk is dan om daarbij aan te sluiten bij de algemene zonering, maat, schaal en functie van de reeds bestaande bebouwingsstructuur. Daarnaast om rekening te houden met een goede bereikbaarheid van voorzieningen, voort te borduren op de identiteit en kenmerken van het gebied en een zorgvuldige overgang van stad naar land, waarbij dorps- of stadsranden goed afgehecht worden. § 3.4 Algemene Zonering § 3.4.1 Algemene Zonering In hoofdstuk 2 is geschetst welke grote opgaven allemaal op Limburg afkomen en is het belang benadrukt om keuzes te maken. In deze POVI worden veel van die keuzes gemaakt. Ze worden toegelicht in de diverse themahoofdstukken. De keuze pakt niet overal hetzelfde uit. Met het oog daarop hebben we Limburg in zones ingedeeld. Die zonering maakt een differentiatie mogelijk van opgaven, doelen en aanpakken naar verschillende deelgebieden (zones), rekening houdend met de kenmerken van deze gebieden. In deze POVI gaan we uit van een gebiedsdekkende indeling in zeven zones, verdeeld over landelijke en bebouwde gebieden. Hoofdtype Zone Landelijke gebieden Natuurnetwerk Limburg (NNL) Groenblauwe landbouwzone (GBLZ) Primair landbouwgebied Verwevingsgebied Bebouwde gebieden Stedelijk gebied Landelijke kernen Werklocaties De essentie van de zonering van het landelijk gebied is toegelicht in § 2.3.
  1. Daarin staat dat we naast het Natuurnetwerk Limburg (NNL) drie typen landbouwgebied aanwijzen: Primair landbouwgebied voor hoogproductieve landbouw; Groenblauwe landbouwzone voor landbouw in combinatie met water- en natuuropgaven; Verwevingsgebied voor landbouw in combinatie met stad-land opgaven. De zonering van het bestaand bebouwd gebied omvat van oudsher het stedelijk gebied, landelijke kernen en werklocaties. We schetsen voor elk van deze zones: ● de visie op de zone: aan welke opgaven geven we hier prioriteit? Voor welke functies zien we in dit gebied ruimte voor ontwikkeling en voor welke minder?; ● het karakter en begrenzing van de zone; ● de hoofdlijnen van de in te zetten instrumentenmix, inclusief bepalingen in de Omgevingsverordening die specifiek op de betreffende zone betrekking hebben. De regels die gelden voor specifieke thema's, die in alle zones van toepassing (kunnen) zijn worden beschreven in de Omgevingsverordening Limburg. Het gaat dan bijvoorbeeld om regels voor waterwingebieden en grondwaterbeschermings-gebieden, regionale waterveiligheidszones, extensiveringsgebieden, de ammoniak-emissie vanuit stallen en stiltegebieden. Maar ook regels voor thema's als wonen, energie, vrijetijdseconomie en landbouw. § 3.4.2 Zonering Natuurnetwerk Limburg Visie op de zone De focus ligt hier op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur en op het completeren van het natuurnetwerk. Voor stedelijke ontwikkelingen is in het NNL geen plek. In de Natura 2000-gebieden ligt de nadruk op de natuurwaarden en het bereiken van de doelen waarvoor deze gebieden door het Rijk zijn aangewezen. Karakter en begrenzing zone De Limburgse natuurgebieden vormen samen het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland, het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Het NNL is vooral gelegen in delen van beekdalen, op hellingen en op veen- en stuifzandgebieden van de hoger gelegen gebieden. De Natura 2000-gebieden vormen een selectie binnen het NNL. Dit zijn er in Limburg
  2. De begrenzing van het NNL is overeenkomstig het Natuurbeheerplan najaar 2026, vastgesteld door GS. Het areaal van dit gebied is ca. 53.100 ha. Hoofdlijnen instrumentenmix We investeren in het behoud en de ontwikkeling van de kwaliteit van de natuur in het NNL door het verlenen van subsidies voor functiewijziging, inrichting en natuurbeheer. De Omgevingswet verplicht ons om de begrenzing, wezenlijke kenmerken en waarden en het beschermingsregime van het NNL te verankeren in de Omgevingsverordening. Mocht ondanks deze bepalingen toch sprake zijn van aantasting door nieuwe ontwikkelingen dan geldt er op grond van de Omgevingsverordening een verplichte natuurcompensatie. Uitgangspunt daarbij is dat de oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het natuurnetwerk minimaal gelijk blijft. De beheerplannen van de 24 Natura 2000-gebieden in Limburg beschrijven welke maatregelen nodig zijn voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de relevante soorten en habitats. Vanuit Europa geldt wet- en regelgeving die gericht is op beheer en bescherming van deze natuurwaarden. § 3.4.3 Zonering Groenblauwe Landbouwzone Visie op de zone De Groenblauwe landbouwzone combineert landbouw met opgaven voor water, natuur en landschap. Hier vraagt een aantal doelen en opgaven extra aandacht: het beperken van de impact van stikstof op kwetsbare natuur, het omgaan met water, het ruimte geven aan beken en de Maas, verbeteren van de waterkwaliteit, verbeteren van de biodiversiteit (onder meer door goede verbindingen tussen natuurgebieden) en op behoud en versterking van de kernkwaliteiten van het landschap (groene karakter, visueel-ruimtelijk karakter, cultuurhistorisch erfgoed en reliëf). We streven daarbij waar mogelijk naar stapeling van doelen en slimme combinaties van functies. De Groenblauwe landbouwzone is geen uniforme zone: deze zone is opgebouwd uit acht deelgebieden. ● Maasvallei ● beekdalen ● natte laagten ● droogdalen ● hellingen ● overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden ● intrekgebieden Natura2000 ● ecologische verbindingszones Die specifieke opgaven en doelen voor elk van deze acht gebieden zijn beschreven in de betreffende paragrafen. ● Maasvallei ● beekdalen ● natte laagten ● droogdalen ● hellingen ● overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden (Natuur/Water) ● intrekgebieden Natura2000 ● ecologische verbindingszones Ze vragen van ontwikkelingen dat deze rekening houden met de waarden in dit gebied. Het gebied vraagt ook om een landbouw die daarmee rekening houdt. Bijvoorbeeld in de vorm van agrarisch natuur- en landschapsbeheer, grasland, natte teelten en emissiearme land- en tuinbouw d.m.v. precisie land- en tuinbouw. Precisielandbouw kan daarbij ook een vorm van intensivering zijn, waarbij door gerichte en gecontroleerde teelt de emissies verder kunnen worden gereduceerd. Als er vanuit de VHR-opgave of de Europese Natuurherstelverordening uitbreiding van natuur areaal nodig is, zal de ruimte daarvoor bij voorkeur gevonden moeten worden in de Groenblauwe landbouwzone. Hier is ook ruimte voor realiseren van bosareaal. Karakter en begrenzing zone De Groenblauwe landbouwzone grenst deels aan het NNL en omvat hoofdzakelijk de meest natte dooradering van het landschap. De landbouw is de grootste grondgebruiker. Elk van de acht deelgebieden van deze zone is in een aparte kaartlaag vastgelegd. In de kaartenbijlage is uitgelegd hoe de begrenzing van elk van die kaartlagen is bepaald. Opgeteld bepalen de acht onderliggende kaartlagen de begrenzing van de Groenblauwe landbouwzone. De Groenblauwe landbouwzone is aangevuld met kleine gebiedjes die geen deel vormen van een van deze acht lagen, maar wel verbonden zijn met de groenblauwe structuren. De begrenzing van de Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden heeft een voorlopig karakter. Op basis van de resultaten van de gebiedsgerichte onderbouwing (op basis van onderzoek) en gebiedsprocessen LOS leggen we die later definitief vast. Specifieke regels voor deze gebieden komen eveneens pas op een later moment. Daar waar de kaartlagen doorlopen onder een andere zone (NNL, Verwevingsgebied, Stedelijk gebied, Landelijke kernen of Werklocaties) krijgt het gebied de aanduiding van die andere zone. Het behoort dan niet tot de Groenblauwe landbouwzone. Met één uitzondering: daar waar de Maasvallei doorloopt onder Verwevingsgebied merken we die aan als Groenblauwe landbouw-zone. Het areaal van de Groenblauwe landbouwzone is ca. 53.300 ha. Hoofdlijnen instrumentenmix De instrumenten waarop wordt ingezet zijn: visie (heldere doelen per deelgebied, zodat iedereen weet wat het toekomstperspectief is), programma's en gebiedsprocessen ter uitwerking van de visie, stimulerende en financiële middelen en bepalingen in de Omgevingsverordening Relevante programma's zijn met name het Provinciaal Waterprogramma, het Programma Limburgs Offensief Stikstof (LOS), het Natuurprogramma 2023-2030 en het Programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg. De financiële instrumenten betreffen vaak Europese, Rijks en provinciale middelen, gericht op de innovatie en transitie van de landbouw en op het versterken van agrarisch natuur en landschapsbeheer. Een financieel instrument betreft ook schadeloosstelling en afwaardering als gevolg van beperkingen in grondgebruik (beschikbaarheid (Rijks)middelen als voorwaarde). Een ander mogelijk instrument is het landinrichtingsinstrumentarium uit de Omgevingswet. Voor zeven van de acht onderliggende kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone geldt de vereiste voor gemeenten om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen in deze zone te motiveren. Die vereiste is vastgelegd in een instructieregel in de Omgevingsverordening. Die motiveringsplicht is toegespitst op de kaartlaag (of lagen) die op de betreffende plek van toepassing zijn. En daarmee op de specifieke opgaven en doelen waarmee in dat deelgebied rekening gehouden moet worden. Voor elke kaartlaag omvat die motiveringsvereiste in elk geval ook de impact op de landschappelijke kernkwaliteiten en de impact op het NNL. Voor de Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden zal, in afwijking van het bovenstaande, in de Omgevingsverordening geen specifieke motiveringsvereiste worden opgenomen. Voor deze overgangsgebieden zullen op een later moment op basis van gebiedsgerichte onderzoeken en gebiedsprocessen in het kader van het Programma Limburgs Offensief Stikstof (LOS) nadere regels in de verordening worden opgenomen. De landbouw kan daar indien voortkomend uit onderzoek en/of de gebiedsprocessen te maken krijgen met gebruiksbeperkingen gericht op minder bemesting, minder bestrijdingsmiddelen en vernatting van gronden. Waar sprake is van overlap van de Overgangsgebieden met andere kaartlagen geldt de motiveringsplicht voor die andere lagen uiteraard wel. Bovendien zal voor nieuwe ontwikkelingen met mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden een natuurvergunning nodig zijn, in dat kader is ook een motivering vereist van de impact van de beoogde ingreep. De Omgevingsverordening bevat daarnaast een natuurcompensatieplicht die geldt voor alle acht kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone, ook indien deze onder het Verwevingsgebied doorlopen. § 3.4.4 Zonering Primair landbouwgebied Visie op de zone In het Primair landbouwgebied is landbouw de dominante functie en is er ruimte om hoogproductieve, emissiearme landbouw te ontwikkelen. Hightechbedrijven die ingericht zijn om precies, efficiënt en duurzaam voedsel te produceren zijn hier de norm. De Provincie onderstreept hiermee het belang van voedselproductie. In dit gebied hebben agrariërs meer ruimte dan in andere zones in het landelijk gebied om te ondernemen (in Regels op de Kaart is te zien welke regels er op elke plek gelden). De opgaven voor milieu, natuur en water voor de landbouw in deze gebieden zijn relatief beperkt, vergeleken met de andere delen van het landelijk gebied. Dat betekent echter niet dat er geen opgaven liggen. Ook hier is bijvoorbeeld het werken aan de wateropgaven en drinkwatervoorziening van belang. In het Primair landbouwgebied streven we naar een innovatieve landbouw, maar ook een landbouw die zich doorontwikkelt en steeds emissiearmer wordt. Dat betekent slimmer werken met minder uitstoot. Dit kan bijvoorbeeld door de verdere toepassing van precisielandbouw en andere innovaties. Dit biedt mogelijkheden om in deze zone te intensiveren, zodat in andere zones een minder milieubelastende landbouw kan plaatsvinden. Om de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijfslocaties en – gronden niet onnodig te beperken zijn we in deze zone terughoudend met het bieden van ruimte aan nieuwe niet-agrarische functies of aan uitbreiding van bestaande niet-agrarische functies, bijvoorbeeld met woonfuncties. En evenzeer terughoudend t.a.v. de ontwikkeling van niet-agrarische functies in vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). Vooral omdat we juist in dit gebied graag zien dat gebouwen en gronden behouden blijven voor agrarische activiteiten. We willen hier ook ruimte bieden voor nieuwvestigers (starters) en verplaatsers uit de landbouwsector uit kwetsbare gebieden. We willen in elk geval voorkomen dat nieuwe niet-agrarische ontwikkelingen resulteren in onnodige nieuwe beperkingen voor bestaande en nieuwe landbouwbedrijven in deze zone. Karakter en begrenzing zone De begrenzing van het Primair landbouwgebied binnen het landelijk gebied is bepaald op basis van de ligging van NNL, Groenblauwe landbouwzone en Verwevingsgebied. Grote delen van landbouwkundig waardevolle gebieden zoals de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw, de plateaus in Zuid-Limburg en de (voormalige) landbouwontwikkelingsgebieden maken deel uit van het Primair landbouwgebied. Gelet op het globale karakter van het Primair landbouwgebied als zone op de POVI-kaart liggen hierbinnen ook functies met een niet-agrarisch karakter, zoals wegen, groen en landschapselementen en recreatieve voorzieningen. We zijn voornemens om dergelijke gebieden, voor zover groter van omvang, bij een volgende actualisatie van de POVI in samenspraak met gemeenten uit deze zone te halen. Onderzocht moet worden of en hoe dit mogelijk is. Bebouwingsclusters en solitaire bedrijfskavels > 1 ha maken nu al geen deel uit van de zone Primair landbouwgebied. Als in de gebiedsprocessen, voortkomend uit het Programma Limburgs Offensief Stikstof (LOS), de begrenzing van de Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden wordt aangepast, verandert daarmee mogelijk ook de begrenzing van het Primair landbouwgebied. Het areaal primair landbouwgebied is ca. 59.600 ha. Hoofdlijnen instrumentenmix In dit gebied worden stimulerende instrumenten ingezet. De regels vanuit milieu, natuur en water zijn beperkter dan in andere zones. Dat betekent niet dat er geen regels zijn. Ook hier gelden algemene provinciale regels, bijvoorbeeld over ammoniak en bescherming van de drinkwaterwinning. In de Omgevingsverordening (afdeling 7.1 Instructieregels primair landbouwgebied) nemen we een 'nee, tenzij’ bepaling op voor de ontwikkeling van nieuwe en de uitbreiding van bestaande niet-agrarische activiteiten. Die regels vragen om een afweging door gemeenten op basis van een aantal criteria. Waaronder de voorwaarde dat nieuwe functies of uitbreidingen minimale beperkingen opleveren voor bestaande, blijvende (en mogelijke toekomstige) landbouwbedrijven. Bestaande niet-agrarische functies, bijvoorbeeld voorzieningen voor vrijetijdseconomie of (drink)waterbeheer, houden uiteraard hun plek. Om uitbreiding of nieuwe bedrijventerreinen conform planningsopgave mogelijk te maken, staan we (via de verordening) maatwerk toe, mits dit aansluit bij de Limburgse principes en provinciale belangen. Ook energieopwekking is in deze zone niet uitgesloten, rekening houdend met voorwaarden zoals de Limburgse zonneladder. Als verantwoord hergebruik niet mogelijk is, stimuleren we sanering van niet-courante bebouwing en bouwvlakken om ondermijning en verloedering/ verval te voorkomen. Onze inzet is om bij agrarische bedrijfsbeëindigingen in het Primair landbouwgebied de daarbij vrijkomende bedrijfswoningen niet om te zetten naar reguliere burgerwoningen. Daardoor zouden die woningen namelijk een ruimere bescherming krijgen dan voorheen, waardoor de bestaande landbouw opeens te maken kan krijgen met extra regels. We roepen gemeenten op om in het Primair landbouwgebied, waar nodig en verantwoord, gebruik te maken van de in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geboden bevoegdheid om voor dergelijke woningen (met een voormalige functionele binding) af te wijken van de omgevingswaarden voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. § 3.4.5 Zonering Verwevingsgebied Visie op de zone De zone Verwevingsgebied is een overgangszone tussen stad en land. In dit gebied komen veel functies samen, namelijk landbouw, wonen, recreatie, natuur, water en soms stedelijke uitbreiding. Juist vanwege die verweving spelen hier, meer dan elders in het landelijk gebied, de belangen van gezondheid en het beperken van hinder voor bewoners in de bebouwde omgeving. Voor veel van die belangen (bv geur, spuitzones) zijn de gemeenten primair aan zet, binnen kaders en regels van het Rijk. Er blijft in deze zone, ook in de toekomst, ruimte voor landbouw. Dit is namelijk de belangrijkste grondgebruiker in dit gebied. De Provincie zet ook hier in op een emissiearme landbouw. Aan bestaande agrarische bedrijven in deze zone leggen we geen nieuwe beperkingen op. Natuur- en wateropgaven spelen ook hier, dat geldt zeker in die delen van het verwevingsgebied waaronder kaartlagen van de groenblauwe landbouwzone doorlopen. Vanwege de sterke verweving van functies vraagt de ruimtelijke kwaliteit hier extra aandacht. Conform het Limburgse principe ‘Versterken bebouwd én landelijk gebied’ willen we steden en dorpen compact houden en stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied concentreren. Daarna is het Verwevingsgebied het meest in aanmerking komende gebied voor eventuele uitbreiding van stedelijke functies die niet in het bestaand bebouwd gebied terecht kunnen. Denk daarbij aan de ‘straatjes erbij’ aansluitend aan de zones Stedelijk gebied of Landelijke kern o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.