← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 (Overijssel)

In het kort

Dit besluit regelt de uitvoering van subsidies die de provincie Overijssel verstrekt, door het vaststellen van algemene bepalingen en begripsomschrijvingen voor subsidieverlening. Het treedt in werking op 1 januari 2017 en vervangt het eerdere Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben besloten: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011 per 1 januari 2017 in te trekken; het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssl 2017 vast te stellen en inwerking te laten treden op 1 januari 2017. Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 luidt als volgt: Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2017 Hoofdstuk1Algemeen Paragraaf1.1Algemene bepalingen Artikel1.1.1.Begripsomschrijvingen Toelichting: In dit artikel wordt de betekenis van een aantal begrippen omschreven, die vaker in dit Uitvoeringsbesluit subsidies worden gehanteerd. Begrippen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al worden omschreven, zijn niet in dit Uitvoeringsbesluit subsidies herhaald. In dit Uitvoeringsbesluit 2017 wordt verstaan onder: AGVV: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard; Asv: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; Toelichting: Subsidies die niet op basis van een subsidieparagraaf worden verstrekt maar op basis van de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 (Asv), worden ook wel Asv-subsidies genoemd. De Asv en het Ubs zijn een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23 Awb). Awb: de Algemene wet bestuursrecht; algemene de-minimisverordening: de Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun; Toelichting: Subsidie kan geoorloofde staatssteun zijn als het valt onder een Europese vrijstellingsverordening. Welke vrijstelling precies van toepassing is, wordt in de betreffende subsidieparagraaf of in de subsidiebeschikking vermeld. algemene de-minimisverordening landbouw: de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector; algemene de-minimisverordening visserij: de Verordening (EU) Nr. 717/2014 de Europese Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel; LVV: de Landbouw vrijstellingsverordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, Pb L193/1, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard medeoverheden: de gemeenten, waterschappen, andere provincies en de rijksoverheid; Toelichting: Hier wordt een verschil gemaakt tussen gemeenten en waterschappen aan de ene kant en diverse vormen van (semi-)overheden aan de andere kant, zoals overheidsvennootschappen, geprivatiseerde overheidsonderdelen, zelfstandige bestuursorganen e.d. Ook een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de wet Gemeenschappelijke Regelingen, al of niet met private partners, valt niet onder het begrip mede-overheden. Mkb-onderneming : een micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, PbL124/36; Toelichting: Een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Een micro-onderneming is een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt. Tot de categorie middelgrote ondernemingen behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Omgevingsvisie: de op 1 juli 2009 door Provinciale Staten vastgestelde visie en het uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel, inclusief de actualisatie zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 3 juli 2013. Toelichting: De Omgevingsvisie is te vinden op www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/. onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV dan wel artikel 2 lid 14 van de LVV; Toelichting: Van een onderneming in moeilijkheden is sprake: in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een mkb die minder dan drie jaar bestaat) als meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal; in het geval van een onderneming als ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen; wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit; in het geval van een onderneming die geen kmo is als de afgelopen twee jaar: de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0. subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, die voor een bepaalde termijn wordt verstrekt. Toelichting: De provincie verstrekt geen structurele subsidies. Afdeling 4.2.8 Awb ‘Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen’ is om die reden op provinciale subsidies niet van toepassing. De ‘bepaalde termijn’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking en is afhankelijk van de soort activiteit; dat kan om die reden variëren van een dag tot een aantal jaren voor grotere (infrastructurele) projecten. Als het gaat om jaarlijks min of meer doorlopende activiteiten is de gebruikelijke ‘bepaalde termijn’ maximaal vier jaar. Voor de periode van vier jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet helemaal gelijk hoeven te lopen), alsmede de looptijd van beleidsnota’s én het een goede termijn is om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die nog steeds met de verstrekte subsidies worden gediend. Een subsidie kan ook in de vorm van een garantstelling of een niet-marktconforme lening worden verstrekt; in dat geval is in de subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld hoe die garantstelling of gunstiger leningvoorwaarden er uit zien.] subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking komen voor de berekening van de hoogte van de subsidie; subsidieperiode: de periode vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit is uitgevoerd; Ubs: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel. Artikel1.1.2.Toepassingsbereik Toelichting: Omdat het vereiste van een wettelijke en niet wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen, de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Om ervoor te zorgen dat naast de Awb ook de bepalingen van de Algemene subsidieverordening of dit Uitvoeringsbesluit subsidies gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemd. In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. In dat geval wordt bij de behandeling van Europese subsidies de Europese regelgeving gevolgd. Voor alle overige subsidies geldt dat Gedeputeerde Staten in de subsidiebeschikking door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing kunnen laten om de toepassing van conflicterende bepalingen te voorkomen. De van de algemene reikwijdte uitgezonderde wettelijke grondslagen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij door hun aard niet aansluiten bij de bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit subsidies. Dit Uitvoeringsbesluit subsidies is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van subsidies op basis van de volgende wettelijke grondslagen: Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel; Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel; Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel; Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016; Subsidieregeling Rivierdijken; Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel; Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.; Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel; Wet personenvervoer 2000; Samenwerkingsovereenkomst Asbestbodemsaneringsopgave 2016-2022 Overijssel; Regeling Aanpak schades panden langs Kanaal Almelo-De Haandrik. Artikel1.1.3.Subsidieplafond Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen. Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Gedeputeerde Staten zullen voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidieparagrafen een subsidieplafond vaststellen dat voor een heel kalenderjaar geldt. De Awb gaat er van uit dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóór dat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Artikel1.1.4Wijze van verlening en vaststelling Toelichting: Hoofdregel is dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. In het aanvraagformulieren worden gegevens gevraagd die nodig zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. In het aanvraagformulier kan ook om mee te sturen bijlagen worden gevraagd. Als daaraan is voldaan, is een aanvraag volledig. Wanneer een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling gevraagd. Als ook na de gevraagde aanvulling sprake is van onvoldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen, wordt de aanvraag op basis van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gelaten. De datum waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen, is de datum waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd. Deze datum is van belang om te bepalen welke aanvraag als eerst inhoudelijk beoordeeld wordt en daarmee ook bepalend voor de volgorde waarin de subsidies verleend worden. Bij de inhoudelijk beoordeling kan blijken dat er nog een toelichting op de gegevens nodig is; de aanvrager wordt in dat geval daartoe in de gelegenheid gesteld. Komt die toelichting er niet of is er na ontvangst daarvan nog steeds onduidelijkheid, dan kan de aanvraag gemotiveerd worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk aan de regels uit dit Uitvoeringsbesluit subsidies is voldaan.Omdat de aanvraag al eerder als volledig is beschouwd heeft het vragen van een nadere toelichting geen invloed op de volgorde waarin de subsidies worden verstrekt. Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzondere subsidieparagraaf afwijken van de hoofdwijze van verlening van de subsidie, door bijvoorbeeld te kiezen voor een verlening op basis van een vastgestelde kwaliteitsvolgorde, de zogenoemde tendersystematiek. Bij een tendersystematiek worden alle aanvragen die op de sluitingsdatum van de tender volledig waren met elkaar vergeleken en de hoogst scorenden in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Bij de tendersystematiek kan een onvolledige aanvraag na sluitingsdatum om die reden alleen nog aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Het gaat dan om bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening onder de aanvraag, een bankrekeningbewijs of andere gegevens die geen invloed hebben op de inhoud van de activiteiten of de financiering ervan. Als bij een tenderregeling blijkt dat door verstrekking van een subsidie, waarbij het te verstrekken subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, het subsidieplafond wordt overschreden, dan weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie geheel, overeenkomstig artikel 4.25 lid 2 Awb. 1.Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie, voorzover het subsidieplafond dit toelaat, in volgorde van ontvangst van volledige aanvragen. 2.Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als: het voorgeschreven aanvraagformulier is ingevuld; en de gegevens zoals genoemd in artikel 1.2.1 en eventuele aanvullende gegevens die gevraagd worden in de betreffende subsidieparagraaf zijn overgelegd. Artikel1.1.5.Subsidiabele kosten 1.Loonkosten van medewerkers zijn subsidiabel als deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig en aantoonbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken: Volgens de loonkosten plus opslag voor medewerkers in dienst van de aanvrager. Voor de berekening van de loonkosten op deze wijze wordt de volgende formule gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten; Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele loonkosten. Het aantal productieve uren en percentage indirecte kosten (overhead) opslag waarmee het uurtarief mag worden berekend is maximaal 40%. Het hanteren van een vast uurtarief van € 35,- voor medewerkers in dienst van de aanvrager of voor natuurlijke personen die een onderneming drijven. Toelichting: Bij natuurlijke personen die een onderneming drijven kan het bijvoorbeeld gaan om een eenmanszaak, vof, cv of maatschap. Ook het loon van een directeur-grootaandeelhouder kan hier worden ondergebracht voor zover deze niet op de loonlijst staat. De inzet van ingehuurde ondernemers valt hier niet onder, maar kan onder kosten derden worden gebracht. 2.Kosten voor het gebruik van machines en apparatuur, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel machines en apparatuur die in bezit zijn als voor machines en apparatuur die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit. Toelichting: Kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit zijn subsidiabel . Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook bijkomende kosten zoals licenties voor software maar ook de eventuele onderhoudskosten van een machine of apparatuur. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. 3.Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze kosten aantoonbaar aan een derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen zijn, doelmatig zijn en betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn. Het maximaal subsidiabele uurtarief van derden is € 130,- exclusief btw. Het tweede en derde lid van dit artikel sluiten elkaar uit voor zover het gaat om machines en apparatuur. Dit betekent dat indien kosten voor aanschaf van machines en apparatuur subsidiabel zijn onder dit lid, de afschrijvingskosten voor dezelfde machines en apparatuur niet subsidiabel zijn onder het tweede lid. Toelichting: Het gaat om kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen, diensten en inhuur personeel. Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo min mogelijke kosten. Het aantoonbaar maken van kosten kan bijvoorbeeld door middel van een factuur, kwitantie of ingeval medeoverheden een subsidiebesluit. Het tweede en het derde lid van dit artikel sluiten elkaar uit voor zover het gaat om machines en apparatuur. Het is aan de aanvrager om aan te geven voor welke kosten hij subsidie wenst. 4.Kosten voor de inzet van vrijwilligers zijn subsidiabel. Toelichting: Het gaat hier om kosten als verzekeringspremies voor vrijwilligersinzet, lunches en andere kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. Vergoedingen die vrijwilligers ontvangen voor de inzet van uren zijn conform artikel 1.1.6 eerste lid niet subsidiabel. 5.De subsidie voor het verkrijgen van een controleverklaring bedraagt 100% van de kosten indien deze door Gedeputeerde Staten verplicht wordt gesteld en de kosten ervan op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke accountant zijn verschuldigd. Toelichting: Een controleverklaring is een verklaring die afgegeven wordt door een accountant waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt. Wanneer Gedeputeerde Staten een controleverklaring verplicht stellen, wordt dit in de verleningsbeschikking opgenomen Artikel1.1.6Niet subsidiabele kosten Toelichting: Deze kosten worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie omdat ze niet aangemerkt zijn als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. 1.De in de begroting bij de subsidiabele activiteiten opgenomen kostenpost Onvoorzien, kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar en vergoedingen voor de inzet van uren van vrijwilligers zijn niet subsidiabel; 2.Btw is niet subsidiabel, tenzij door de subsidieaanvrager in de aanvraag kan worden aangetoond dat de btw over de subsidiabele kosten niet met de fiscus of via het Btw-compensatiefonds kan worden verrekend. 3.Kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd, zijn niet subsidiabel, met uitzondering van de kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 vijfde lid. Toelichting: Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.1. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd. 4.Gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt zijn niet subsidiabel; Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan. Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als: er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen. Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.] Artikel1.1.7Algemene weigeringsgronden Toelichting: Met dit artikel worden de weigeringsgronden uit artikel 4:35 Awb aangevuld. Dat wetsartikel maakt het bijvoorbeeld mogelijk een subsidie te weigeren als naar verwachting het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. In een subsidieparagraaf kunnen aanvullend of afwijkend bijzondere weigeringsgronden worden genoemd. 1.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit naar haar oordeel als niet doelmatig kunnen worden aangemerkt of redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt. Toelichting: Omdat subsidies met gemeenschapsgelden worden gefinancierd, is een doelmatige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten van belang. Een activiteit doelmatig uitvoeren betekent dat naar mening van Gedeputeerde Staten de betreffende inspanningen en uitgaven voor de te subsidiëren activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de hiervoor ingezette middelen en kosten daarmee in verhouding staan.Uit het gebruik van het woord ’kunnen’ blijkt dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteit ook zonder de gevraagde subsidie gerealiseerd kan worden. 2.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de te verstrekken subsidie lager is dan € 1.000. Toelichting: Om de provinciale uitvoeringskosten ook doelmatig te houden, wordt een ondergrens gehanteerd voor een te verstrekken subsidie. 3.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien sprake is van stapeling van subsidie. Er is sprake van stapeling van subsidie als voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten al subsidie is verstrekt op grond van het Ubs of de Asv. Dit geldt niet indien sprake is van subsidie die verstrekt is uit Europese Fondsen of een subsidie in die verstrekt is in de vorm van een geldlening. Toelichting: Voor veel activiteiten geldt dat een combinatie van financiële bronnen bij elkaar wordt gebracht om realisering van die activiteiten mogelijk te maken. Een provinciale subsidie is daar vaak één van. Andere bronnen zijn onder andere subsidies van andere (semi-)overheden en/of Europese subsidies (vaak ook cofinanciering genoemd), private fondsen als het Oranjefonds of VSB-fonds, leningen van banken of revolverende overheidsfondsen, sponsoring, eigen middelen aanvrager of deelnemersbijdragen. Voor een provinciale subsidie geldt dat wanneer, zoals gebruikelijk, deze geen 100% van de subsidiabele kosten bedraagt, de aanvrager zelf het resterende deel gefinancierd moet krijgen uit andere bronnen dan provinciale subsidies. Gedeputeerde Staten vinden een dergelijke financiële betrokkenheid van de aanvrager van belang voor de realisatie van de activiteiten. Toelichting: Uitgangspunt is dat voor een activiteit één subsidieparagraaf is opgenomen in het Ubs. Toch kan het soms voorkomen dat meerder subsidieparagrafen of subsidiebronnen van de provincie ingezet kunnen worden. In dat geval kiest de aanvrager de meest passende of voor de aanvrager meest gunstige subsidieparagraaf of subsidiebron. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten meerdere provinciale subsidies te ontvangen. 4.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als uit de begroting blijkt dat de kosten niet gefinancierd kunnen worden. 5.Gedeputeerde Staten weigeren een subsidie in de vorm van een geldlening als naar haar oordeel de lening naar verwachting niet terugbetaald kan worden. 6.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als sprake is van een aanvrager ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.. Artikel1.1.8Staatssteun Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie alleen verstrekken indien voldaan wordt aan een Europese verordening op basis waarvan de subsidie toelaatbaar is verklaard. Toelichting: Overheden die steun willen verlenen, moeten zich houden aan de regels voor staatssteun. De staatssteunregels zijn neergelegd in de artikelen 107, 108 en 109 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun is in principe verboden. Er gelden echter vele uitzonderingen (vrijstellingsmogelijkheden) op het staatssteunverbod. Een maatregel levert pas staatssteun op als er aan alle voorwaarden van de cumulatieve criteria van het staatssteunverbod wordt voldaan. De Europese Commissie beoordeelt staatssteun op basis van vijf criteria: De steun wordt verleend aan een onderneming. Dit betekent dat het gaat om een organisatie die economische activiteiten verricht. Een economische activiteit is het aanbieden van een goed of dienst op een zekere markt. De steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd. Het verschaft een economisch voordeel aan een onderneming dat zij niet langs de normale commerciële weg gehad zou hebben.. Het voordeel is selectief, dat wil zeggen het komt ten goede aan bepaalde ondernemingen.. Het voordeel heeft een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten. Bij subsidieverlening is bijna altijd wel sprake van het tweede t/m het vierde criterium. Of voldaan wordt aan het eerste en vijfde criterium wordt nader getoetst op basis van vragen in het betreffende aanvraagformulier. Meer informatie over staatssteun is o.a. te vinden op www.europadecentraal.nl. Indien sprake kan zijn van staatssteun dan is in de betreffende subsidieparagraaf vermeld welke Europese vrijstellingsverordening van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld de algemene de-minimisverordening, de Algemene Vrijstellingsverordening (AGVV) of de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) zijn. Subsidies op basis van de AGVV en de LVV kunnen alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de AGVV dan wel LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen. Dit betekent in ieder geval dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben (artikel 6 van de AGVV en de LVV). Dit betekent dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart op het moment van de aanvraag. Ook mag de subsidieontvanger niet in moeilijkheden verkeren (artikel 1.1.1) en er mag geen terugvorderingsbesluit genomen zijn ten aanzien van eerder verleende staatssteun (de zogenoemde Deggendorfclausule) (artikel 1.1.4). Ook kan de subsidie lager worden verleend of vastgesteld indien de subsidie leidt tot overschrijding van de steunpercentages en steundrempels zoals opgenomen in hoofdstuk 1 dan wel het betreffende artikel van de AGVV of LVV. Alle financiële bijdragen van overheden voor de betreffende activiteit, worden bij elkaar opgeteld om het totale subsidiebedrag te bepalen (cumulatie) (artikel 8 van de AGVV en LVV). Op grond van de algemene de-minimisverordening kunnen overheden aan ondernemingen de-minimissubsidie tot € 200.000,- verstrekken over een periode van drie belastingjaren zonder dat dit staatssteun oplevert. Deze steun is zo minimaal (de-minimis) dat het weinig tot geen impact heeft op de interne markt. Voor een onderneming uit de visserij bedraagt de maximale de-minimissubsidie € 30.000,- en voor een landbouwonderneming maximaal € 20.000,- over een periode van drie belastingjaren. Artikel 1.1.9 Afronding bedragen Bij subsidieverstrekking gehanteerde bedragen worden naar boven afgerond op ééntallen. Toelichting: Hierbij gaat het om alle aan de subsidie gerelateerde besluiten, zoals een subsidieverlening, voorschotverlening en een subsidievaststelling. Paragraaf1.2De aanvraag Artikel1.2.1.Bij aanvraag in te dienen gegevens 1.De aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend door gebruik te maken van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier. Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door het invullen van een door of namens Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde digitaal aanvraagformulier op www.overijssel.nl/subsidie. Er zijn digitale formulieren voor subsidies op basis van subsidieparagrafen in dit Uitvoeringsbesluit, maar ook voor zogeheten ASV-subsidies die niet binnen het bereik van een subsidieparagraaf vallen. Doel van het aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken welke informatie hij bij de aanvraag moet geven zodat de behandeling van de aanvraag vlotter kan plaatsvinden. De volgende gegevens worden in ieder geval gevraagd in het aanvraagformulier: een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; 2.Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens: Toelichting: Volgens artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in Afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid is geregeld welke stukken en gegevens ingediend moeten worden bij een aanvraag voor subsidie. Het kan voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende gegevens worden gevraagd. Dan zal dan blijken uit de betreffende subsidieparagraaf. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resultaten die met de uitvoering van de activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; een begroting waaruit de kosten van te subsidiëren activiteiten en de dekking daarvan blijkt, onder vermelding van de van toepassing zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5. 3.Indien sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU overlegt de aanvrager, aanvullend op het eerste en tweede lid: Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. –een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de te subsidiëren activiteiten; een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening; toelichting: Het voorgeschreven model van deze de-minimisverklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier. 4. Wanneer de AGVV of de LVV van toepassing is overlegt de aanvrager tevens: een Mkb-verklaring; een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert. toelichting: De in dit lid bedoelde verklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier. In artikel 1.1.1 is een definitie gegeven van ‘onderneming in moeilijkheden’. 5. Gedeputeerde Staten kunnen bij een aanvraag om een subsidie een in te vullen Bibob-formulier verplicht stellen, dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag. 6. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, maakt bij wijziging van de subsidieontvanger een in te vullen Bibob-formulier een verplicht onderdeel uit van de aanvraag tot wijziging. Toelichting: De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet Bibob) is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument om de integriteit van de overheid te beschermen. Bestuursorganen kunnen in het kader van een subsidie de achtergrond van de subsidieaanvrager – of ontvanger en diens zakelijke omgeving onderzoeken. Door het toepassen van de Wet Bibob wordt voorkomen dat bestuursorganen ongewild criminele activiteiten faciliteren. De leden 5 en 6 van dit artikel geven hier voor de provinciale subsidies uitvoering aan. In de provinciale ‘Beleidsregel voor de toepassing van de wet Bibob 2019’ (Provinciaal blad 2019, 4150) is opgenomen hoe Gedeputeerde Staten met deze bevoegdheid omgaan. Indien het invullen van een Bibob-formulier voor subsidies verplicht is, is dat in de betreffende paragraaf van dit Uitvoeringsbesluit opgenomen. Als uit het Bibob-onderzoek geen bijzonderheden naar voren komen, is er geen beletsel vanuit de Wet Bibob om de subsidie te verstrekken. Gedeputeerde Staten ronden de procedure van verlening of directe vaststelling van de subsidie dan verder af. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd. De bepalingen in het vijfde en zesde lid geldt zowel voor aanvragen op basis van dit Uitvoeringsbesluit als op basis van de ASV. Artikel1.2.2.Indieningstermijn aanvraag Een aanvraag voor subsidie kan het hele kalenderjaar worden ingediend. Artikel1.2.3.Beslistermijn Toelichting: De in dit artikel genoemde termijnen zijn maximale beslistermijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. Indien in een subsidieparagraaf een uiterste indieningstermijn is bepaald, dan wordt een aanvraag die na die datum is ontvangen afgewezen.Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). 1.Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na sluiting van een in de subsidieparagraaf opgenomen indieningstermijn. 2.De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt maximaal 22 weken indien: sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; ter beoordeling van de aanvragen een adviescommissie is ingesteld. Paragraaf1.3Verlening en vaststelling van de subsidie Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van een drietal arrangementen: arrangement 1: kleinere subsidies tot € 25.000,- arrangement 2: middelgrote subsidies van € 25.000,- tot € 125.000,- en arrangement 3: grotere subsidies vanaf € 125.000,-. Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen af van het subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten bepalen op basis van het geldende arrangement of er verantwoording moet plaatsvinden en de zwaarte van de verantwoording. Uitgangspunt is de hoogte van het subsidiebedrag. Ook hogere regelgeving, aanvullende verplichtingen of extra beheersmaatregelen kunnen tot een zwaardere verantwoording leiden. Doordat in de subsidiebeschikking wordt aangegeven welke verantwoordingseisen van toepassing zijn, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. Artikel1.3.1.Verlening en directe vaststelling subsidie 1.Gedeputeerde Staten geven een beschikking tot subsidieverlening, tenzij een subsidie direct wordt vastgesteld. 2.Bij het besluit tot verlening of directe vaststelling van subsidie geven Gedeputeerde Staten de datum aan waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en indien van toepassing op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt. 3.Een subsidie in de vorm van een geldlening wordt verleend onder de voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt of is gesloten. Artikel1.3.2.Betaling en bevoorschotting 1.Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1. wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats. Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt zonder dat daar een subsidieverlening aan vooraf is gegaan, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. Indien in de subsidiebeschikking het voorbehoud is gemaakt dat eerst een benodigde vergunning moet worden gekregen, kan betaling na ontvangst daarvan plaatsvinden omdat eerst aan het voorbehoud moet worden voldaan. 2.Als een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2. of artikel 1.5.3. wordt gegeven, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger voorschotten tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag verstrekken. Toelichting: Gebruikelijk is dat Gedeputeerde Staten niet meer dan 90% bevoorschotten en de voorschotten in één of meer termijnen beschikbaar stellen, waarbij het aantal termijnen vaak zal afhangen van de looptijd en/of het te verwachten bestedingsritme van de gesubsidieerde activiteiten. In de verleningsbeschikking wordt de omvang en wijze van bevoorschotting opgenomen. Het woord ‘maximaal’ geeft aan dat het ook voor kan komen dat er geen voorschot wordt verstrekt. Dat kan het geval zijn als bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit nog afhankelijk is van een nog te krijgen vergunning. Voor het moment waarop de vergunning is ontvangen kan immers nog niet worden begonnen met de realisering van de activiteiten. Paragraaf1.4Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel1.4.1.Meldingsplicht Toelichting: De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000,– het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan de subsidieverlening of subsidievaststelling worden gewijzigd of ingetrokken. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval passend worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan dit Ubs. De subsidieontvanger doet binnen vier weken via een digitaal formulier melding aan Gedeputeerde Staten, zodra: naar verwachting de voorwaarden of verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn opgelegd niet, niet geheel kunnen worden nagekomen; of naar verwachting de activiteiten niet binnen de in de beschikking vermelde datum zullen worden nagekomen. Artikel1.4.2.Digitale financiële verantwoording Indien de subsidie meer dan € 125.000,– bedraagt is de subsidieontvanger verplicht een digitale financiële verantwoording in te vullen en deze te overleggen bij de aanvraag tot vaststelling. In de aanvraag tot subsidievaststelling geeft de subsidieontvanger aan of de subsidiabele activiteiten zijn verricht en welke subsidiabele kosten werkelijk zijn gemaakt. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format. Toelichting: Het aanvraagformulier tot vaststelling is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. De financiële verantwoording dient ingevuld te worden in de daarvoor bestemde velden die onderdeel uitmaken van het digitale aanvraagformulier. Artikel1.4.3.Tussenrapportage Indien het verleende subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd. Artikel1.4.4.Instandhouding activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen dat de resultaten van de activiteiten in stand worden gehouden voor een periode van maximaal vijf jaar. Toelichting: Bij veel subsidies gaat het effect ervan zich pas voordoen als de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd. Het kan daarom van belang zijn expliciet in de verleningsbeschikking of bij de directe vaststellingsbeschikking vast te leggen dat voor een bepaalde periode de de resultaten van de activiteiten in stand moet worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld het actief houden van een gesubsidieerde website zijn of het gebruiken van een met provinciale subsidie aangeschaft apparaat of voertuig. Omdat de variëteit aan te subsidiëren activiteiten groot is, is één uniforme termijn niet goed uitvoerbaar. Daarom wordt in de betreffende subsidieparagraaf dan wel, bij ASV-subsidies, in het betreffende besluit bepaald of er sprake is van zo’n termijn en zo ja, voor hoe lang. Daarbij geldt vijf jaar instandhouding als maximale termijn. Als de aard van de activiteiten zich daartegen verzet, wordt een dergelijke instandhoudingsverplichting niet opgenomen. Artikel1.4.5Subsidieperiode 1.Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen om de activiteiten voor een in de subsidiebeschikking genoemde datum te starten dan wel binnen een in de subsidiebeschikking genoemde subsidieperiode af te ronden. 2.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de subsidieperiode aanpassen of verlengen indien sprake is van feiten en omstandigheden waarvan de subsidieaanvrager op het moment van de aanvraag niet op de hoogte kon zijn. 3.Gedeputeerde Staten verlenen geen uitstel indien de verlenging in strijd is met het beoogde beleidsdoel van de provincie of de activiteiten naar verwachting niet meer gerealiseerd gaan worden.. Toelichting: De subsidieperiode is de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele prestatie moet zijn afgerond. Omdat de subsidiabele kosten op die periode betrekking hebben (met uitzondering van de accountantsverklaring) is het van belang die termijn die voor het realiseren van de activiteiten nodig is, realistisch te schatten Artikel1.4.6.Deugdelijke administratie Toelichting: De subsidieontvanger voert een deugdelijke administratie, zodat bij vaststelling of een eventuele controle van de subsidie kan worden aangetoond dat de activiteit is uitgevoerd en wat aantoonbaar de daarmee samenhangende kosten en (eventuele) baten zijn. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een urenadministratie of andere gangbare manieren van inzichtelijk maken. 1.De subsidieontvanger is verplicht voor de verstrekte subsidies een administratie te voeren waaruit blijkt wat de voortgang is van de gesubsidieerde activiteiten en de financiering daarvan. 2.De administratie van de gemaakte subsidiabele kosten dienen te worden bewaard gedurende 12 maanden na subsidievaststelling of bij een directe vaststelling, gedurende 12 maanden na afloop van de subsidieperiode. Toelichting: Het gaat hierbij om de gehele administratie, zowel de urenadministratie als de financiële administratie. Financiële administratie bestaat uit bijvoorbeeld facturen, kwitanties en afgegeven subsidiebeschikkingen. Artikel1.4.7Evaluatie effecten van subsidie De ontvanger van een subsidie op basis van de Asv of dit Uitvoeringsbesluit is verplicht mee te werken aan een evaluatieonderzoek door of namens Gedeputeerde Staten. Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om subsidies op basis van een paragraaf van dit Ubs te (laten) evalueren. Met zo’n evaluatie wordt onderzocht of de subsidies hebben bijgedragen aan de met die paragraaf beoogde doelen uit de door Provinciale Staten vastgestelde beleidsdocumenten en de provinciale begroting. Bij de uitvoering van de evaluatie wordt rekening gehouden met de daarmee samenhangende administratieve lasten voor de subsidieontvanger. Paragraaf1.5Vaststelling van de subsidie Artikel1.5.1.Subsidies tot € 25.000 Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000,- wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld met uitzondering van subsidies waarvoor de Sisa-verantwoording, zoals genoemd in artikel 1.5.5, geldt. Artikel1.5.2.Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 25.000,– of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000,–, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het realiseren van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten via het daarvoor beschikbaar gestelde digitale formulier. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt: dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. indien sprake is van staatssteun overlegt de aanvrager een digitale financiële verantwoording zoals bedoeld in artikel 1.4.2. 3.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd en aan de subsidieverplichtingen is voldaan, wordt de subsidie vastgesteld op het verleende bedrag, tenzij bij de verlening is bepaald dat een digitale financiële verantwoording als bedoeld in artikel 1.4.2 dan wel de Sisa-verantwoording als bedoeld in artikel 1.5.5 moet worden overlegd. In dat geval wordt de subsidie vastgesteld overeenkomstig de in de subsidiebeschikking genoemde wijze, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Uit het derde lid volgt dat wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. Redelijk kan ook zijn het naar rato lager vaststellen van de subsidie overeenkomstig de verhouding tussen de niet of niet helemaal gerealiseerde activiteiten en het daarmee samenhangende begrote bedrag. Het kan ook zijn dat staatssteunbepalingen ertoe leiden dat de subsidie lager dan de maximale verlening wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat onder een maximaal staatssteunpercentage moet worden gebleven om binnen een vrijstelling te kunnen blijven vallen. Artikel1.5.3.Subsidies vanaf € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 125.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, een financiële verantwoording en, indien in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking als zodanig verplicht, een accountantsverklaring conform het controleprotocol. 3.Uit het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd. Toelichting:Het inhoudelijk verslag is vormvrij en mag daarmee een al voor andere doeleinden opgesteld verslag zijn, zolang het maar voldoende informatie geeft om vast te kunnen stellen in welke mate de activiteiten zijn gerealiseerd. Wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, wordt de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. 4.Uit de financiële verantwoording als bedoeld in het tweede lid blijkt wat het totale bedrag is van de gerealiseerde subsidiabele kosten van de activiteiten en de dekking daarvan, voor zover van toepassing gespecificeerd naar: loonkosten van medewerkers met het bijbehorend uurtarief; kosten voor gebruik van machines en apparatuur; de kosten van derden; kosten met betrekking tot de inzet van vrijwilligers; kosten voor het op laten stellen van een controleverklaring door de accountant. 5.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten. Daarbij wordt uitgegaan van het in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking genoemde subsidiepercentage, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Indien de subsidiabele kosten lager uitvallen, dan zal de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is een maximale bijdrage waarbij de provincie optreedt als (mede)financier. Meer subsidie ontvangen dan nodig is, is om die reden niet aan de orde. Is in de verleningsbeschikking bijvoorbeeld opgenomen dat de subsidie 40% van de begrote subsidiabele kosten bedraagt, dan geldt dat percentage ook voor de werkelijke subsidiabele kosten bij de vaststelling van de subsidie. Vanuit financiële beheersbaarheid is de subsidie uiteindelijk nooit meer dan het maximaal verleende bedrag. Artikel1.5.4.Beslistermijn vaststelling subsidie Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Artikel1.5.5Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (SiSa-verantwoording) 1. In afwijking van artikel 1.4.2, 1.5.1, 1.5.2 tweede lid sub c en artikel 1.5.3 vierde lid, dienen gemeenten en openbare lichamen de regelingen dan wel subsidies die vallen onder de Financiële-verhoudingswet, artikel 17a jaarlijks voor 15 juli de werkelijk bestedingen te verantwoorden volgens het Single information, Single audit-principe (SiSa-verantwoording). Toelichting: Sisa-verantwoording betekent eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. SiSa is de manier waarop medeoverheden (provincies, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen) aan het Rijk of Provincies ieder jaar verantwoorden of en hoe ze specifieke uitkeringen hebben besteed. De subsidies waarvoor de Sisa-verantwoording geldt, wordt gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid. De SiSa verantwoording die hier aan de orde is, heeft met name betrekking op de verantwoording van de bestedingen. Gemeenten die de financiële verantwoording via SiSa indienen, hoeven dan niet meer de digitale provinciale financiële verantwoording in te dienen bij de provincie, tenzij in de specifieke regeling dan wel beschikking daarom wordt gevraagd. 2. Indien sprake is van een meerjarige subsidie wordt in afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid en 1.5.3, eerste lid een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen 13 weken na de laatste Sisa verantwoording. Hoofdstuk2Ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf2.1Effectuering Ruimtelijk beleid Artikel2.1.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen. Artikel2.1.2Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een Overijssels gemeentelijk samenwerkingsverband of een Overijssels rechtspersoon die zich inzet voor ruimtelijke activiteiten in Overijssel; toelichting: Dit betekent dat particulieren geen aanvraag kunnen indienen. het ruimtelijke project past binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel; het ruimtelijke project heeft een regionale schaal, uitstraling of werking of vervult een voorbeeldwerking. toelichting: Regionaal betekent dat de resultaten van het ruimtelijke project neerslaan in ten minste twee Overijsselse gemeenten. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. Artikel2.1.3Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.1.4Subsidiabele kosten 1.Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. 2.In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel. Toelichting: De start van het project kan eerder hebben plaatsgevonden dan de indiening van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat de kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel zijn. Artikel2.1.5Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: kosten voor bouw- en sloop; kosten voor investeringen; exploitatiekosten; overheadkosten. Artikel2.1.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Effectuering ruimtelijk beleid. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan. Paragraaf2.2Leefbare kleine kernen Ingetrokken Paragraaf2.3Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten Vervallen per 20 december 2019 Paragraaf2.4Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water Vervallen per 20 december 2019 Paragraaf2.5Waterveiligheid en klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta Ingetrokken Paragraaf2.6Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving Vervallen per 20 december 2019 Paragraaf2.7Flexibele Huisvesting Algemene toelichting De huisvestingstaakstelling legt een grote druk op de sociale huurwoningmarkt. Met deze regeling draagt de provincie bij aan het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor spoedzoekers. Artikel2.7.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: businesscase flexibele huisvesting: een plan voor de bouw van of verbouw of transformatie naar tijdelijke woningen voor spoedzoekers voor de periode van één en maximaal 15 jaar en waarbij de gevraagde maximale huurprijs per woning niet meer bedraagt dan de actuele aftoppingsgrens. huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, Tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; spoedzoeker: personen die meer dan gemiddelde urgentie ervaren om te verhuizen. Het kan gaan om redenen als beëindiging van de relatie, zelfstandig wonen, gezondheid, of het zijn van arbeidsmigranten of statushouders; tijdelijke woning: een (verplaatsbare) woning die gebonden is aan een locatie met een woonbestemming voor een periode van maximaal 15 jaar; transformatie: het veranderen van bestaand vastgoed naar tijdelijke woningen; verbouwen: de bouwkundige aanpassingen aan een woning. Artikel 2.7.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: de bouw van of verbouw of transformatie naar tijdelijke woningen voor spoedzoekers voor de periode van één en maximaal 15 jaar; het opstellen van een businesscase voor flexibele huisvesting. Artikel2.7.3Criteria 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon met een fysieke vestiging in Overijssel; de gevraagde maximale huurprijs per woning bedraagt niet meer dan de actuele aftoppingsgrens. De maximale huurprijs geldt niet voor huishoudens of gezinnen die bestaan uit zes of meer personen; Toelichting: De aftoppingsgrens is een begrip uit de huurtoeslag. Als je huurprijs hoger is dan deze grens wordt de huurtoeslag verlaagd. indien de aanvrager een gemeente is heeft de aanvrager concrete afspraken gemaakt met de eigenaar van de betreffende woningen of grond voor minimaal 1 jaar die zijn vastgelegd in een intentieverklaring; de activiteiten worden gerealiseerd in Overijssel; 2. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon met een fysieke vestiging in Overijssel, niet zijnde een gemeente of een woningcorporatie; de businesscase voor flexibele huisvesting wordt opgesteld door een deskundige met aantoonbaar ervaring op het gebied van het opstellen van een businesscase voor flexibele huisvesting. 3. Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening. Artikel2.7.4Hoogte van de subsidie 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub a bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000,- per gebouwde, verbouwde of getransformeerde tijdelijke woning en met een maximum van € 250.000,- per aanvraag. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum subsidie van € 20.000,- per aanvraag. Artikel2.7.5Subsidiabele kosten 1. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub a zijn, in afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd subsidiabel, mits deze na 1 juli 2019 zijn uitgevoerd. 2. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b zijn uitsluitend de kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid subsidiabel. Artikel2.7.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Flexibele Huisvesting. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager, voor zover het een gemeente betreft, een intentieverklaring als bedoeld in artikel 2.7.3 sub b. 3. In aanvulling op het eerste en tweede lid overlegt de aanvrager, indien het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft, een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid. Toelichting: Indien na ontvangst van de aanvraag uit het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten blijkt dat sprake is van een mogelijke situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, moet de aanvrager aanvullend het Bibob-formulier voor subsidies volledig invullen. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling. Artikel2.7.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.7.8Verplichtingen subsidieontvanger In aanvullingen op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2 uiterlijk 18 maanden na de datum van verlening van de subsidie te hebben uitgevoerd. Artikel2.7.9Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie € 5.000,- of minder bedraagt. Paragraaf 2.8 Vitaliteit van steden (stadsarrangementen) Algemene toelichting Gemeenten en de provincie selecteren gezamenlijk projecten die bijdragen aan het vitaler maken van de binnensteden. Een overzicht van die projecten wordt een stadsarrangement genoemd. Het kan gaan om projecten op het gebied van visievorming, uitwerking van concepten, maar ook om fysieke maatregelen om de binnenstad te veranderen. Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen Stadsarrangement A: een, in samenspraak met de provincie, door de gemeente of andere organisatie opgesteld overzicht van activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad van de betreffende gemeente. In het stadsarrangement is opgenomen wat de kostenverdeling per activiteit is, wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project uitgevoerd wordt. Stadsarrangement B: een, in samenspraak met de provincie, door de gemeente opgesteld overzicht van activiteiten ten behoeve van een bepaald gedefinieerd gebied die bijdragen aan het compacter maken van de binnenstad van de betreffende gemeente en die weerslag hebben op regionaal niveau. In het stadsarrangement B is opgenomen wat de voorwaarden zijn, wat de kostenverdeling per activiteit is, wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project wordt uitgevoerd. Stadsarrangement C: een, in samenspraak met de provincie, door de gemeente opgesteld overzicht van fysieke investeringen ten behoeve van een bepaald gedefinieerd gebied die bijdragen aan de realisatie van minimaal 200 woningen en die weerslag hebben op regionaal niveau. In het stadsarrangement C is opgenomen wat de voorwaarden zijn, wat de kostenverdeling per activiteit is, wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project wordt uitgevoerd. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verlenen voor activiteiten die de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad vergroten. Artikel 2.8.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is in het geval van Stadsarrangement A een Overijsselse gemeente of een andere organisatie die genoemd is in het stadsarrangement als de subsidieaanvrager en in het geval van Stadsarrangement B en stadsarrangement C een Overijsselse gemeente die genoemd is in het Stadsarrangement als subsidieaanvrager; de activiteit is opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening; Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. [vervallen.] Artikel2.8.4Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld bedrag zoals opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.8.4aSubsidiabele kosten Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing. Toelichting: De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief welke bij het opstellen van het betreffende stadsarrangement is vastgesteld (lumpsum bedrag). Artikel 2.8.5 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast. Artikel2.8.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Vitaliteit van steden (stadsarrangementen). 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager het door de provincie en gemeente opgestelde stadsarrangement. 3. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede sub c hoeft de aanvrager geen begroting en dekkingsplan te overleggen bij de aanvraag voor subsidie. Artikel 2.8.7 Verplichtingen subsidieontvanger De subsidieontvanger is, in aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 verplicht: bij aanvraag van Stadsarrangement A de activiteiten binnen drie jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd en bij aanvraag van stadsarrangement B of stadsarrangement C de activiteiten binnen vijf jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd; de ervaringen en kennis die opgedaan is te delen met partijen die er om vragen; om bij een subsidieverlening hoger dan € 1 miljoen een bestuursovereenkomst te sluiten met de provincie. Artikel 2.8.8 Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de gemeente. Paragraaf2.9Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) Overijssel Paragraaf2.9.1Algemeen Algemene toelichtingDeze subsidieregeling is een uitwerking van artikel 3 van de door de Provincie Overijssel, LTO Noord, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Vechtstromen en Waterschap Rijn en IJssel op 7 februari 2018 afgesloten bestuursovereenkomst “Cofinanciering overhevelingsgelden binnen het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) en het aanbrengen van DAW-projecten”. Het is tevens een uitwerking van de bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. De doelstelling van de subsidieregeling is om een positief effect op de kwaliteit van water en bodem te bereiken en om een robuuster watersysteem met minder wateroverlast en grotere beschikbaarheid van water te realiseren. Het ondersteunt daarmee het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer in de provincie Overijssel. De subsidie kan een bijdrage leveren aan de internationale doelstellingen zoals beoogd in de Kaderrichtlijn Water (KRW) en/of de Nitraatrichtlijn. Deze zijn voor het oppervlaktewater uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de bijbehorende factsheets van de KRW-waterlichamen in Overijssel en de waterbeheerplannen van de waterschappen. Ook kan de subsidie een bijdrage leveren aan de regionale klimaatdoelen door het vergroten van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten. Voor Oost Nederland zijn de hierbij behorende doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021. In subparagraaf 2.9.1 zijn de algemene bepalingen opgenomen die voor alle werkgebieden en waterschappen gelden. Subparagrafen 2.9.2 t/m 2.9.4 bevatten een overzicht van de maatregelen (subsidiabele activiteiten), de maximale subsidiebedragen en aanvullende en afwijkende voorwaarden die voor het betreffende werkgebied gelden. Bijlage 1 bevat het overzicht van alle maatregelen. Het overzicht is gebaseerd op: de uitvoeringsregeling Deltaplan Agrarisch Waterbeheer van Drenthe (1-7-2017) en de lijst van maatregelen die voor de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland uitgevoerd kunnen worden. Deze lijst is een selectie uit de lijst van het Bestuurlijk Overleg Open Teelten (BOOT) van 2018. In bijlage 2 is een overzicht van maatregelen opgenomen die voor het werkgebied Waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing zijn. Artikel2.9.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: deelnemer: de in artikel 2.9.1.2 sub a genoemde partijen; fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn, inclusief de machines of installaties die hiervoor nodig zijn; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, zoals iemand die de grond gebruikt om er bijvoorbeeld vee te weiden, gewassen te verbouwen of er een activiteit laat plaatsvinden die hij daar beheert; landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, (glas)tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met uitzondering van bosbouw; landbouwbedrijf: een bedrijf actief in de landbouw dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; maatregelcategorie: de categorieën zoals genoemd in bijlage 1 Totaaloverzicht maatregelen Waterkwaliteit en Zoetwatervoorziening; samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit niet in een groep verbonden deelnemers, waarvan ten minste één landbouwer of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigt, niet zijnde een vennootschap. Toelichting: Indien sprake is van een aanvraag van een samenwerkingsverband dan zijn de deelnemers, overeenkomstig artikel 2.9.1.7 tweede lid sub a verplicht een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten. Artikel2.9.1.2.Criteria 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2.1, 2.9.3.1 en 2.9.4.1 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een landbouwbedrijf of een groep van landbouwbedrijven, een eigenaar van gronden met bestemming landbouw, een grondgebruiker, een loonwerkbedrijf, een landbouwmechanisatiebedrijf, een leverancier van landbouwproductiemiddelen, een landbouworganisatie, een drinkwaterbedrijf, een waterschap; of een samenwerkingsverband van onder i genoemde partijen, bestaande uit tenminste twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de subsidiabele maatregelen en tenminste één landbouwer of een organisatie die hen vertegenwoordigt; vervallen; de resultaten of effecten van de maatregelen komen aantoonbaar voor meer dan 50% ten goede aan de landbouwsector in de provincie Overijssel of worden voor 100% uitgevoerd op landbouwgrond in de provincie Overijssel; de maatregelen zijn economisch doelmatig, marktconform en milieuefficiënt; Toelichting: Economisch doelmatig betekent hier efficiënt: Maatregelen worden uitgevoerd op de plaats en op de wijze waarop ze maximaal renderen. Marktconform betekent dat de kosten in overeenstemming zijn met de markt of het marktmechanisme conform het marktprijzensysteem. Milieuefficiënt is het streven om de maatregel zo milieuvriendelijk mogelijk te maken. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie: aan artikel 14 van de LVV als sprake is van materiële en immateriële investeringen zoals opgenomen in bijlage 1 en 2 inclusief de met de investering samenhangende externe advisering; aan artikel 21 van de LVV indien sprake is van demonstraties en trainingen, workshops en coaching; aan artikel 22 van de LVV indien sprake is van niet met de investering samenhangende adviesdiensten. Toelichting: Overeenkomstig artikel 1.1.8 kunnen subsidies op basis van de LVV alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen. Artikel2.9.1.3Hoogte van de subsidie 1. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 voor maatregelcategorie 1 en 2, bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, met een maximum subsidie van € 10.000,- per landbouwbedrijf; 2. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 voor maatregelcategorie 3 en 4, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum subsidie van € 10.000,- per landbouwbedrijf en een maximum van € 1.500,- per landbouwbedrijf voor de maatregel zoals opgenomen onder maatregelcategorie 4 onder sub a. Toelichting: De subsidie van € 1.500,- (maatregelcategorie 4 sub

  1. a)heeft betrekking op het opstellen (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: waterkwantiteit (droog, nat) en waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem. 3. De subsidie voor maatregelen uit de maatregelcategorie 5 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met maximum van 20% van de totale subsidie. 4. De subsidie voor voorbereiding bedraagt maximaal 20% van de totale subsidie. Toelichting: Onder voorbereiding wordt verstaan de voorbereiding en coördinatie van het project, het penvoerderschap, de administratieve handelingen betreffende de subsidieaanvraag, opstellen van tussen- en eindrapportages alsmede opstellen van financiële verantwoordingen. Artikel2.9.1.4Subsidiabele kosten 1. In afwijking van artikel 1.1.5 zijn de volgende kosten die noodzakelijk zijn en in relatie tot de subsidiabele activiteit staan, subsidiabel: deelname aan activiteiten die kennisdeling tot doel hebben; de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; de kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies; de voorbereidingskosten voor het project of de activiteit; de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven volgens lid 2 van dit artikel; de communicatiekosten voor het betrekken van deelnemers en het delen van de resultaten; materiaalkosten. 2. Bovenstaande kosten, met uitzondering van personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven, zijn alleen subsidiabel wanneer: de kosten gebaseerd zijn op marktconforme prijzen en tarieven; de specificaties van aangeschafte goederen of diensten en daarmee de kosten niet hoger zijn dan strikt noodzakelijk voor de subsidiabele activiteit. 3. Voor personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven voor eigen arbeid, gelden de volgende uurtarieven: voor personeelskosten op het niveau van MBO: maximaal € 58,- per uur; voor personeelskosten op het niveau van HBO: maximaal € 79,- per uur; voor personeelskosten op het niveau van WO: maximaal € 99,- per uur. 4. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, zijn voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen wel subsidiabel, mits deze gemaakt zijn tot uiterlijk één jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Toelichting: In artikel 1.1.6 zijn de overige niet subsidiabele kosten opgenomen. Artikel2.9.1.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Toelichting: Gedeputeerde Staten stellen deelplafonds vast voor bepaalde werkgebieden en maatregelen. Artikel2.9.1.6Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening 1. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2.1, 2.9.3.1 en 2.9.4.1 kan worden ingediend vanaf 9 november 2020 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 30 november 2020 vóór 17.00 uur. 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Toelichting: Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De tijdige volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem volgt dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die leidt tot een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Artikel2.9.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) Overijssel. 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2.1, artikel 2.9.3.1 en artikel 2.9.4.1: een samenwerkingsovereenkomst als sprake is van een samenwerkingsverband; een projectplan waarin ten minste is opgenomen: een beschrijving van de aanleiding van het project; een beschrijving van de doelstellingen van het project; een beschrijving van de activiteiten die benodigd zijn om het project uit te voeren; de verwachte resultaten van het project; de verwachte realisatietermijn van het project; een overzicht van de fysieke maatregelen; een begroting en een dekkingsplan waarin in ieder geval is opgenomen: de voorbereidingskosten inclusief de kosten van de penvoerder, de communicatiekosten personeelskosten en gehanteerde uurtarief en niveau van de betrokken medewerkers; kosten van de maatregelen, onder vermelding van de met de investering samenhangende advieskosten, personeelskosten, gehanteerde uurtarief, niveau van de betrokken medewerkers en het begunstigde landbouwbedrijf; overige advieskosten; een dekkingsplan; 3. De aanvrager maakt gebruik van het door de provincie beschikbaar gesteld Model Samenwerkingovereenkomst, het Model Projectplan en het model Begroting en dekkingsplan. Toelichting: In dit lid genoemde modellen zijn te downloaden via http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Artikel2.9.1.8Volgorde van behandeling 1. In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 2.9.1.2 gestelde criteria en de criteria in de betreffende subparagraaf, in een prioriteitsvolgorde. Aanvragen die worden ingediend voor subparagraaf 2.9.2, 2.9.3 en 2.9.4 worden afzonderlijk geprioriteerd op basis van Scoretabel 1. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond en de vastgestelde deelplafonds dit toelaat. Uitsluitend subsidieaanvragen die zeven of meer punten scoren worden meegenomen in de prioriteitsvolgorde. 2. Indien sprake is van gelijke score dan wordt de volgorde bepaald door loting. Scoretabel 1Wegingscriteria Punten a. Diversiteit van de samenwerking: - een landbouwbedrijf of een groep van landbouwbedrijven: 1 punt Toelichting: Een groep bestaande uit bijvoorbeeld 5 landbouwbedrijven ontvangt 1 punt en niet 5 punten. - een eigenaar van gronden met bestemming landbouw, een grondgebruiker of een loonwerkbedrijf: 1 punt - een landbouworganisatie: 1 punt - een drinkwaterbedrijf, een waterschap: 1 punt b. Fysieke maatregelen: meer dan 50% van de gevraagde subsidie is voor fysieke maatregelen: 2 punten c. Doelbereik: De aangevraagde adviezen en plannen geven aan welke vervolgstappen genomen moeten worden om aan de hierna genoemde doelen te voldoen. De aangevraagde maatregelen leiden direct tot deze doelen: - een geringer gebruik van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater, zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering en minder uitputting van hulpbronnen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid): maximaal 6 punten; - verbetering van ecologische en chemische waterkwaliteit zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water: maximaal 6 punten; - een klimaatbestendiger bedrijfsvoering op het vlak van een hogere grondwatervoorraad, meer water vasthouden in de bodem of het tegengaan van maaivelddaling: maximaal 6 punten. Totale score= score voor a+b+c Artikel2.9.1.9Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de gevraagde en de te verstrekken subsidie per aanvraag minder is dan € 10.000,-; de activiteiten zijn gestart voordat de subsidie is aangevraagd, met uitzondering van de voorbereidingskosten, als bedoeld in artikel 2.9.1.4 vierde lid. Artikel2.9.1.10Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1 t/m 1.4.4 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de maatregelen uiterlijk 31 december 2023 te hebben uitgevoerd. Paragraaf2.9.2Werkgebied Waterschap Drents Overijsselse Delta Artikel2.9.2.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor maatregelen die opgenomen zijn in bijlage 1 voor zover die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 6. Toelichting: Het gaat om het gehele beheersgebied in Overijssel van WDODelta. Kaart 6 is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. Artikel2.9.2.2Criteria Vervallen Artikel2.9.2.3Hoogte van de subsidie 1. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 onder maatregelcategorie 1 t/m 3 bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van: € 10.000,- per landbouwbedrijf voor maatregelen zoals genoemd in bijlage 1 maatregelcategorie 1 (waterkwaliteit) onder sub a en een maximum van € 5.000,- per deelnemer voor de overige maatregelen onder maatregelcategorie 1 en 3 (waterkwaliteit); € 10.000,- per landbouwbedrijf voor maatregelen zoals genoemd in bijlage 1 maatregelcategorie 2. 2. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 onder Maatregelcategorie 4 en 5 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van 30% van de totale subsidie met uitzondering van: € 1.500,- per landbouwbedrijf voor maatregelen zoals genoemd in bijlage 1, maatregelcategorie 4 sub a. 3. De subsidie voor voorbereiding bedraagt maximaal 20% van de totale subsidie. Toelichting: Onder voorbereiding wordt verstaan de voorbereiding en coördinatie van het project, het penvoerderschap, de administratieve handelingen betreffende de subsidieaanvraag, het opstellen van tussen- en eindrapportages alsmede het opstellen van financiële verantwoordingen. Paragraaf2.9.3werkgebied Waterschap Vechtstromen Artikel2.9.3.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen die opgenomen zijn in bijlage 1 voor zover die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 5. Toelichting: de in dit artikel genoemde kaart is te vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Paragraaf2.9.4werkgebied Waterschap Rijn en IJssel Artikel2.9.4.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen die opgenomen zijn in bijlage 1 en die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 6, met uitzondering van de maatregel onder sub h van maatregelcategorie 3 en de maatregel onder sub f van maatregelcategorie 4. Toelichting: De in dit artikel genoemde kaart is te vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Bijlage 1 Totaal overzicht maatregelen Waterkwaliteit en ZoetwatervoorzieningMaatregelcategorie 1 Conform artikel 14.3.a en 14.3.b LVV voor de volgende maatregelen waterkwaliteit (maximum subsidie 40%): aanschaf en installatie spuittechnieken die drift vergaand reduceren zoals wingsprayer en luchtondersteuning; aanschaf en installatie apparatuur voor Mechanische onkruidbestrijding; aanschaf en installatie Zuiveringssystemen voor afvalwater voor verwijdering (bijvoorbeeld voor reiniging spuitapparatuur); aanleg opvangvoorziening voor tegengaan Erfafspoeling; creëren van Gesloten kringloop in de glastuinbouw. Maatregelcategorie 2 Conform artikel 14.3.a en 14.3.b en c LVV voor de volgende maatregelen grondwatervoorraad en zoetwatervoorziening (maximum subsidie 40%): aanschaf Beslissingsondersteunende systemen beregening; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen (BOS) op basis van bodemonderzoek aangevuld met beschikbare meetresultaten. Maatregelcategorie 3 Conform artikel 14.3.d en 14.3.e voor de volgende maatregelen waterkwaliteit (maximum subsidie 80%): advies Kringloopwijzer in de melkveehouderij; advies over teelten uit de grond en/of substraat met recirculatieplicht en nul lozing; uitvoering van de afvoer van nitraatrijke en/of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen Gewasbeschermingsmiddelen; aanschaf Gewis voor het meest optimale spuitmoment; advies over bemesten op basis van gewasonttrekking op basis van waarnemingen en aanschaf tool; aanschaf van sensor gestuurde of andere selectieve en/of gerichte spuitapparatuur; vergoeding productieverlies door verlenging periode van uitrijverbod onbewerkte mest; aanschaf en installatie meteo en grondwater gestuurd bemesten (managementsysteem); aanschaf en installatie precisiebemesting (GPS, rijenbemesting en dergelijke); aanschaf en installatie gerichte bemesting via druppelsystemen en dergelijke; aanschaf en installatie apparatuur hergebruik fosfor en stikstof uit slootbagger (kwaliteitsbaggeren); aanschaf en installatie apparatuur rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld; aanleg en beheer droge bufferstroken (mest- en spuitvrij) langs water; aanleg van (gebiedsgericht) zuivering van drainagewater (stikstof/fosfor, in sloot/slootkant/bodem). Maatregelcategorie 4 Conform artikel 14.3.d en 14.3.e en LVV voor de volgende maatregelen grondwatervoorraad en zoetwatervoorziening (maximum subsidie 80%): opstellen (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: waterkwantiteit (droog, nat) en waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; gezamenlijk opstellen van een plan ‘Vruchtbare kringloop’ door meerdere bedrijven in een gebied; advies over gezamenlijk aanpassen gewasteelt: natte teelten. Het betreft hier het gezamenlijk opstellen van het plan door meerdere bedrijven in een gebied; aanschaf en installatie apparatuur voor nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel; uitvoeringskosten voor het verhogen van het organische stofgehalte door toepassen stikstofarme en/of fosforarme gewasresten niet zijnde mest; aanschaf en installatie regelbare/peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met klimaat adaptieve regelbare drainage; aanschaf, installatie en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen; aanschaf en installatie onderwaterdrainage; productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel; aanschaf en installatie apparatuur om water vast te houden in een kavelsloot door: het plaatsen van een LOP-stuw of het verhogen van een bestaande duiker of deze volledig te dempen of het verhogen van de slootbodem. aanschaf en installatie apparatuur voor hergebruik gewasresten (stro, blad) op het bedrijf; aanleg en beheer natuurvriendelijke oevers en/of waterbergingsoever; aanleg natte bufferstroken; aanleg en beheer helofytenfilters in nabijheid watergang; voorlichting over (bewust) niet beregenen; aanschaf en installatie regelbare en/of peil gestuurde drainage; aanleg en beheer infiltratiegreppel (afspoeling tegen gaan); aanschaf, installatie en beheer van apparatuur om greppels afsluitbaar te maken; productieverlies door opzetten peil. Maatregelcategorie 5 Conform artikel 21 LVV voor de volgende maatregelen op het gebied van kennisdeling (maximum subsidie 100%): demonstraties en trainingen, workshops en coaching. b.als onderdeel van voorlichting en kennisdeling: gewaskeuze aanpassen Toelichting LVV Toelichting maatregelcategorie 1 t/m 4 Het gaat hierbij om met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven. De in bijlage 1 opgenomen maatregelen zijn gericht op verbetering van de duurzaamheid van een landbouwbedrijf, verbetering van het natuurlijk milieu, modernisering van een landbouwbedrijf dan wel de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen. Deze maatregelen voldoen aan de in artikel 14 lid 3 sub a t/m e LVV genoemde doelstellingen. Ook de advieskosten die nodig zijn voor de investering vallen onder artikel 14 LVV. De maatregelen die niet leiden tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf zijn opgenomen in maatregelcategorie 3 en 4. Voor deze maatregelen geldt een subsidiepercentage van maximaal 80% overeenkomstig artikel 14 lid 3 sub d en lid 14 van de LVV. Overige advies aan landbouwondernemingen valt onder artikel 22 van de LVV. Deze subsidieparagraaf heeft klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en waterbescherming, als bedoeld in artikel 22 lid 2 onder b en lid 4 van de LVV tot doel. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de volgende criteria: de aanbieder van de adviesdiensten ontvangt de subsidie; de organisaties die de adviesdiensten verstrekt, beschikt over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en zijn betrouwbaar gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekken; als de adviesdiensten door producentengroeperingen en -organisaties worden verleend, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde zijn om toegang tot die diensten te krijgen. Maatregelcategorie 5 bevat demonstraties, trainingen, workshops en coaching ten behoeve van landbouwbedrijven. Deze activiteiten zijn gericht op kennisoverdracht en voorlichting en voldoen daarmee aan artikel 21 van de LVV. Bijlage 2 Maatregelen Werkgebied Waterschap Drents Overijsselse Delta1. Thema waterkwaliteit realiseren van een wasplaats en een zuiveringsvoorziening gewasbeschermingsmiddelen zodat geen restlozing plaatsvindt of het realiseren van een zuiveringsvoorziening voor de restanten van de aangemaakte gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld voor reiniging van spuit-apparatuur); aanschaf en installatie zuiveringssystemen voor afvalwater voor verwijdering in de bloembollenteelt; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen (BOS) beregening in de bloembollenteelt; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen, bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie in de bloembollenteelt; creëren van Gesloten kringloop in de glastuinbouw; opstellen bedrijfswaterplan of bedrijfswaterscan: waterkwantiteit of waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen gewasbeschermingsmiddelen; aanschaf Gewis voor het meest optimale spuitmoment; advies over bemesten op basis van gewasonttrekking op basis van waarnemingen en aanschaf tool; aanschaf van sensor gestuurde of andere selectieve of gerichte spuitapparatuur; productieverlies door verlenging periode van uitrijverbod onbewerkte mest; aanschaf en installatie meteo en grondwater gestuurd bemesten; aanschaf en installatie precisiebemesting, bijvoorbeeld GPS en rijenbemesting; aanschaf en installatie gerichte bemesting via druppelsystemen en dergelijke; aanschaf en installatie apparatuur hergebruik fosfor en stikstof uit slootbagger; aanschaf en installatie apparatuur rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld; aanleg en beheer droge bufferstroken langs water; aanleg van zuivering van drainagewater; uitvoering van de afvoer van nitraatrijke of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan; aanleg en beheer natuurvriendelijke oevers en/of waterbergingsoever; aanleg natte bufferstroken; aanleg en beheer helofytenfilters in nabijheid watergang; aanleg en beheer infiltratiegreppel; productieverlies door opzetten peil; maatregelen op het erf gericht op het voorkomen of beperken van emissies en afspoeling. 2. Thema beschikbaarheid van water uitvoering van de afvoer van nitraatrijke en/of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen beregening; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie; afvoer nitraatrijke of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan (hier gericht op compostering); Aanschaf en installatie apparatuur voor nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel; Uitvoeringskosten voor het verhogen van het organische stofgehalte door toepassen stikstofarme en/of fosforarme gewasresten niet zijnde mest; Aanschaf en installatie regelbare/peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met Klimaatadaptieve regelbare drainage; Aanschaf, installatie en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen; Aanschaf en installatie onderwaterdrainage; Productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel; maatregelen met als doel minder waterafvoer ten behoeve van erosiepreventie. 3. Thema maaivelddaling aanleg regelbare of peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met Klimaatadaptieve regelbare drainage; plaatsen en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen; aanschaf en installatie onderwaterdrainage; productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel. 4. Thema waterplannen opstellen Bedrijfswaterplan of Bedrijfswaterscan: waterkwantiteit of waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; opstellen van een plan ‘Vruchtbare kringloop’ door meerdere landbouwbedrijven in een gebied; demonstraties en trainingen, workshops en coaching. Toelichting LVV Toelichting maatregelcategorie onder Thema 1 t/m 3 Het gaat hierbij om met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven. Deze maatregelen zijn gericht op verbetering van de duurzaamheid van een landbouwbedrijf, verbetering van het natuurlijk milieu, modernisering van een landbouwbedrijf dan wel de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen. Deze maatregelen voldoen aan de in artikel 14 lid 3 sub a t/m e LVV genoemde doelstellingen. Inclusief de voor deze investering gemaakte kosten voor advies. Overig advies aan landbouwondernemingen valt onder artikel 22 van de LVV. Deze subsidieparagraaf heeft klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en waterbescherming, als bedoeld in artikel 22 lid 2 onder b en lid 4 van de LVV tot doel. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de volgende criteria: de subsidie wordt rechtstreeks betaald aan de aanbieder van de adviesdiensten; de organisaties die de adviesdiensten verstrekt, beschikt over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en zijn betrouwbaar gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekken; als de adviesdiensten door producentengroeperingen en -organisaties worden verleend, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde zijn om toegang tot die diensten te krijgen. Onder Thema 5 genoemde demonstraties, trainingen, workshops en coaching ten behoeve van landbouwbedrijven. Deze activiteiten zijn gericht op kennisoverdracht en voorlichting en voldoen daarmee aan artikel 21 van de LVV. Paragraaf2.10Stimuleren wooninitiatieven Artikel2.10.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: landelijk gebied: het grondgebied buiten de bebouwde kom; Toelichting: het gaat hier om het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen. braakliggend terrein: een stuk grond dat geen functie vervult en niet wordt onderhouden; commercieel vastgoed: bedrijfsgebouwen, woonhuizen, winkels, kantoren en agrarische bebouwing die zonder eigen gebruik als einddoel worden aangekocht of verkocht; leegstand: een gebouw dat langer dan 12 maanden niet in gebruik is, danwel langer dan 12 maanden voor een ander doel in gebruik is dan waarvoor het gebouw vóór leegstand werd gebruikt; maatschappelijk vastgoed: een gebouw of terrein met een publieke functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang of zorg en tevens alle andere objecten die niet onder de definitie van commercieel vastgoed vallen; wooneenheid: elke eenheid in een woongebouw dat ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en dat minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette; kleine kern: een dorp of buurtschap met maximaal 5.000 inwoners. Artikel2.10.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van wooneenheden in leegstaand vastgoed of op braakliggend terrein in Overijssel. Toelichting: Het gaat hierbij om zowel activiteiten als onderzoek en procesondersteuning als het realiseren van de bouw of verbouw met als doel het realiseren van een wooneenheid of wooneenheden. Artikel2.10.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon; de activiteiten scoren ten minste 6 punten op basis van scoretabel 1; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening; Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. Scoretabel 1Wegingscriteria Te behalen punten a. duur van leegstand Het gebouw staat aantoonbaar meer dan drie jaar leeg: 2 punten Het gebouw staat aantoonbaar meer dan twee jaar leeg: 1 punt b. doelgroep De te realiseren wooneenheden zijn bestemd voor het huisvesten van: - starters op de woningmarkt (zowel kopers als huurders): 1 punt - ouderen vanaf 65 jaar om langer zelfstandig te kunnen wonen: 1 punt c. mate waarin bijgedragen wordt aan de volgende provinciale opgaven: 1. Verduurzaming bebouwde omgeving 2. Klimaatbestendig bouwen 3. Asbestverwijdering daken 4. Langer zelfstandig wonen 5. Invulling vrijkomend vastgoed 6. Leefbaarheid kleine kernen - Bijdrage aan twee of drie provinciale opgaven: 1 punt - Bijdrage aan meer dan 3 provinciale opgaven: 2 punten d. er is sprake van toepassing van nieuwe producten, werkwijzen, methoden of technieken; - ja: 1 punt - nee: 0 punten e. mate van betrokkenheid van inwoners - inwoners zijn actief betrokken bij de ideeënvorming en voorbereiding of inwoners zijn initiatiefnemer van het plan; 2 punten f. oorspronkelijke bestemming van het vastgoed - Commercieel vastgoed: 1 punt - Maatschappelijk vastgoed: 2 punten g. mate van cofinanciering - Gevraagde provinciale subsidie < 50% van de totale subsidiabele kosten: 1 punt - Gevraagde provinciale subsidie =/> dan 50% van de totale subsidiabele kosten: 0 punten h. ligging van het vastgoed - Landelijk gebied: 2 punten - Kleine kern: 2 punt - Totaal score= a+b+c+d+e+f+g+h Artikel2.10.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000,- per aanvraag. Artikel2.10.5Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 is de aankoop van gronden niet subsidiabel. Artikel2.10.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Stimuleren wooninitiatieven. 2. In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie, als bedoeld in artikel 2.10.2, een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen: een probleemanalyse; de doelgroep: voor wie de te realiseren wooneenheden bedoeld zijn; een omschrijving van de activiteiten; een omschrijving of sprake is van toepassing van nieuwe producten, werkwijzen, methoden of technieken; een omschrijving of en op welke wijze sprake is van betrokkenheid van inwoners; een kaart en minimaal twee foto’s van de locatie; een planning van de activiteiten. 3. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid. Artikel2.10.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.10.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: sprake is van cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 7.12.1; Toelichting: Cultureel erfgoed is uitgesloten, omdat voor cultureel erfgoed gebruik gemaakt kan worden van paragraaf 7.12 Herbestemming cultureel erfgoed. de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000,-; voor de activiteiten subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 2.7 Huisvesting statushouders. Artikel2.10.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: de opgedane kennis en het proces ter beschikking te stellen aan andere initiatieven; binnen 12 maanden na datum van subsidieverlening te starten met de uitvoering; de activiteiten binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd. Artikel2.10.10Looptijd Deze paragraaf is geldig tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten. Paragraaf2.11Impuls circulair bouwen Artikel2.11.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: circulair bouwen: het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Bouwen op een wijze die economisch verantwoord is en bijdraagt aan het welzijn van mens en dier. voorbeeldproject: project waarbij sprake is van circulair bouwen dat als voorbeeld kan dienen voor opdrachtgevers in de bouw, de bouwsector en onderwijsinstellingen die circulaire opleidingen verzorgen en onderzoek doen naar circulair bouwen; Artikel2.11.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten op het gebied van circulair bouwen in Overijssel: aanpassingen in het onderwijs op VMBO-, MBO- of HBO-niveau; Toelichting: Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van geschikte onderwijsmethoden of -modules of het organiseren van praktijkonderzoek. onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe producten, diensten processen of het verbeteren van bestaande producten, diensten of processen; het uitvoeren van voorbeeldprojecten. Artikel2.11.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: gevestigd in Overijssel; is geen natuurlijk persoon; én is een onderwijsinstelling als sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 2.11.2 sub a; indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c dan: wordt deze uitgevoerd in Overijssel; is sprake van samenwerking vanuit de bouwsector met de maakindustrie, de grond-, weg- en waterbouwsector of de kunststofindustrie uit Overijssel; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. Artikel2.11.4Hoogte van de subsidie 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub a bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvraag en per onderwijsinstelling. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvraag. 3. De subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,- per woning en een maximum van € 100.000,- per aanvraag. Toelichting: Als er sprake is van staatssteun dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening of vaststelling. Artikel2.11.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.11.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Impuls Circulair bouwen’. 2. Indien sprake is van een aanvraag voor het uitvoeren van een voorbeeldproject als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid een projectplan waarin is opgenomen: een omschrijving van de activiteiten; een omschrijving van de betrokkenheid van de bouwsector, de maakindustrie, de grond-, weg- en waterbouwsector of de kunststofindustrie uit Overijssel; een planning. 3. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 sub c een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid. Artikel2.11.7Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: de opgedane kennis vrij beschikbaar te stellen aan anderen die daarom vragen; de activiteiten binnen 24 maanden na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd. Artikel2.11.8Looptijd Deze paragraaf is geldig tot 1 september 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten. Paragraaf2.12Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) Algemene toelichtingDe provincie wil eigenaren van een erf met gebouwen in het buitengebied, waaronder (voormalige) agrariërs, ondersteunen bij het voorbereiden op de toekomst. Deze ondersteuning vindt ten eerste plaats door de inzet van provinciale en gemeentelijke erfcoaches die eerstelijnsadvies geven. De erfcoach bespreekt passende realistische wensen, ideeën en mogelijkheden met de betreffende erfeigenaar. Voor beantwoording van een complexe hulpvraag van de eigenaar kan advies van een of meerdere specialist(
  2. en)nodig zijn. Erfeigenaren, pachters of huurders kunnen op basis van deze subsidieparagraaf subsidie aanvragen voor advies en ondersteuning van specialisten voor de uitwerking van een realistisch, actiegericht en haalbaar toekomstplan voor het erf. Artikel2.12.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: agrarische bebouwing: gebouwen die in gebruik zijn of in gebruik zijn geweest voor agrarische activiteiten; landelijk gebied: grondgebied buiten de bebouwde kom; Toelichting: zijnde het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen; erfcoach: iemand die in opdracht van de provincie of gemeente de eigenaar op weg helpt bij het opstellen van een toekomstplan voor het erf in het buitengebied. Artikel2.12.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor advies en ondersteuning bij het uitwerken van een haalbaar toekomstplan voor een erf in het landelijk gebied. Toelichting: Onderdeel van een toekomstplan kan ook loopbaanadvies zijn. Artikel2.12.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager: is eigenaar, pachter of huurder van een erf met minimaal 500 m2 aan oppervlakte agrarische bebouwing in het Overijsselse landelijk gebied; heeft, of verwacht leegstand van agrarische bebouwing op het erf; wil het erf geschikt maken voor de toekomst; heeft nog geen afspraken met de gemeente gemaakt over woningbouw of sloop; heeft een concrete hulpvraag gericht op herbestemming, transformatie, sloop, voortzetting, verhuur of verkoop voor een toekomstgericht erf; heeft een gesprek gehad met een erfcoach en deze adviseert een vervolgtraject; indien de aanvrager een pachter of huurder is, heeft deze schriftelijke toestemming verkregen van de erfeigenaar. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening of de algemene de-minimisverordening landbouw. Artikel2.12.4Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,- per aanvraag. Artikel2.12.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.12.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB). 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2: een offerte van een specialist die wordt ingeschakeld om aanvrager te adviseren en te ondersteunen bij het uitwerken van een toekomstplan; een door de erfcoach ondertekende verklaring conform het door de provincie beschikbaar gestelde format; indien de aanvrager een pachter of huurder is, een schriftelijke toestemming van de erfeigenaar. Artikel2.12.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.12.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als: de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf; [vervallen]; sprake is van enkel een agrarisch advies voor landbouwinnovaties, doorontwikkeling, schaalvergroting of uitbreiding van het erf. Artikel2.12.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: binnen twaalf maanden na subsidieverlening te starten met het vervolgtraject als bedoeld in artikel 2.12.3 sub a onder vi; mee te werken aan een evaluatie van de provincie. Artikel2.12.10Looptijd Deze paragraaf loopt tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten. Paragraaf 2.13 Zoetwatervoorziening Overijssel 2020 t/m 2021 Algemene toelichting Op 7 september 2015 is de bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 regio Oost getekend door de minister van I&M. De regionale partijen hebben de bestuursovereenkomst individueel ondertekend in de periode juni – november 2015. Het doel van deze bestuursovereenkomst is om over voldoende zoetwater te beschikken en nadelige effecten van droogte tegen te gaan in de regio Oost -Nederland . Gedeputeerde Staten van Overijssel is één van de vele ondertekenaars. Ter uitwerking van de bestuursovereenkomst is het werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 met als titel “Wel goed water geven!” op 27 mei 2015 vastgesteld door het Regionaal bestuurlijk Overleg Rijn-Oost (RBO). De regionale partijen hebben daarna individueel met het werkprogramma ingestemd. De maatregelen en projecten, waarvan verwacht wordt dat ze bijdragen aan het doel van de bestuursovereenkomst, zijn vooraf aangedragen door de regionale partners en opgenomen in het werkprogramma. In dit werkprogramma is op hoofdlijnen beschreven welke maatregelen een initiatiefnemer of groep van initiatiefnemers gaat uitvoeren, waar de uitvoering(globaal) plaatsvindt en welke investeringen het betreft. Het Rijk heeft via deelname aan de bestuursovereenkomst aangegeven te zullen bijdragen aan de uitvoering van het werkprogramma. De provincie geeft deze gelden via een subsidieregeling door aan initiatiefnemers, die maatregelen en projecten uitvoeren. In 2019 is extra geld van het Rijk beschikbaar gekomen voor zoetwatermaatregelen in Oost-Nederland voor die gebieden waar in 2018 de gevolgen van de droogte het grootst waren. Voor Overijssel gaat het over de regio Twente. In het Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost van december 2019 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de verdeling van dit extra Rijksgeld. Op basis van deze afspraken verstrekken Gedeputeerde Staten subsidie aan 1 waterschap en 8 gemeenten voor activiteiten of projecten die bijdragen aan het behouden van voldoende zoetwater en die zijn gericht op het tegengaan van effecten van droogte in de provincie Overijssel. Artikel2.13.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuursovereenkomst: bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 regio Oost, getekend op 7 september 2015, zoals gepubliceerd in de Staatscourant met publicatienummer 2015, 31821; RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost: bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van regionale overheden, Rijk en drinkwatersector uit het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het RBO coördineert de uitvoering van de bestuursovereenkomst en het werkprogramma; werkprogramma: het door het RBO op 27 mei 2015 vastgestelde werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge zandgronden 2016-2021 “Wel goed water geven!”, waarin beschreven is welke maatregelen een initiatiefnemer of groep van initiatiefnemers gaat uitvoeren, waar de uitvoering globaal plaatsvindt en welke investeringen het betreft. Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteit Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan het behouden van voldoende zoetwater en die zijn gericht op het tegengaan van effecten van droogte én die opgenomen zijn in bijlage 2 van het werkprogramma. Toelichting: Het werkprogramma is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie Artikel2.13.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is het waterschap Vechtstromen of een van de volgende gemeenten: Almelo; Borne; Enschede; Hengelo; Losser; Oldenzaal; Rijssen-Holten; Wierden; de activiteit wordt uitgevoerd binnen de provincie Overijssel in de periode 2020-2021; de aanvrager realiseert zijn toegezegde aandeel in het investeringsvolume, zijnde het regionaal bod zoals opgenomen in bijlage 3 van de bestuursovereenkomst. Artikel 2.13.4 Niet subsidiabele kosten 1. In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: personeelskosten in welke vorm ook van de gemeente of het waterschap; kosten van reguliere activiteiten van de subsidieontvanger. 2. In afwijking van artikel 1.1.6 sub a zijn legeskosten wel subsidiabel. 3. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, zijn kosten die gemaakt zijn voordat een aanvraag is ingediend subsidiabel vanaf 1 januari 2020. Artikel 2.13.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 115.925,- per gemeente en een maximum van € 119.750,- voor Waterschap Vechtstromen. Artikel 2.13.6 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen een meerjarensubsidieplafond vast voor 2020 en 2021, onder voorbehoud van vaststelling van de begroting 2021 door Provinciale Staten. Artikel 2.13.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Zoetwatervoorziening Overijssel 2020 t/m 2021. 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2: de project fiche eventueel aangevuld met een projectplan; een kaart waaruit blijkt op welke locatie de activiteiten worden uitgevoerd. Artikel 2.13.8 Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 is de subsidieontvanger verplicht: voor 1 februari 2021, middels het daarvoor beschikbaar gestelde format, een voortgangsrapportage in te dienen met daarin opgenomen: de reeds uitgevoerde activiteiten; de geplande activiteiten; een overzicht van de gedane investeringen in het afgelopen jaar, uitgesplitst naar eigen middelen en inzet subsidie; een raming van de investering voor het komende jaar uitgesplitst naar eigen middelen en inzet subsidie. de activiteiten voor 31 december 2021 te hebben uitgevoerd. Artikel 2.13.9 Looptijd Deze regeling is geldig tot 1 december 2021, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten. Paragraaf 2.14 Leefbaar Platteland 2.0 Algemene toelichting: De provincie Overijssel is trots op het platteland en wil de kwaliteit van het buitengebied graag in stand houden en versterken. Het platteland krijgt de komende jaren te maken met grote opgaven, zoals de energietransitie, de bouw van voldoende woningen, veranderingen in de landbouw, kwetsbare natuur en behoud van sociale voorzieningen. Bewoners en ondernemers kennen als geen ander de uitdagingen en kansen op het platteland. Zij voelen zich uitgedaagd na te denken over hun plek, hun thuis en hoe ze daar prettig kunnen blijven wonen en werken in de toekomst. Het platteland kiest dus positie. De provincie geeft inwoners en ondernemers die de leefbaarheid van het platteland willen versterken een steuntje in de rug. De provincie biedt financiële ondersteuning in de vorm van een regeling voor de uitvoering van integrale toekomstplannen die de leefbaarheid op het platteland versterken. Artikel 2.14.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: businesscase: de afweging om een project te beginnen. In de businesscase worden de kosten tegen de baten afgewogen. Aan de hand van de businesscase wordt besloten om wel of niet te starten of verder te gaan met een project. Met een businesscase wordt de haalbaarheid en toekomstbestendigheid van het project aangetoond; leefbaarheid: de mate waarin de omgeving aansluit bij de eisen en wensen die door de inwoners worden gesteld op het gebied van lokaal organiserend vermogen, ruimtelijke kwaliteit, gezondheid, verbinding stad en platteland, wonen, lokale identiteit, voorzieningenniveau, lokale of regionale economie; platteland: buiten de steden gelegen gebied, buurtschap, dorp of een kleine kern met maximaal 15.000 inwoners; projectplan: een plan voor het starten van een project of gebiedsontwikkeling, waarmee de haalbaarheid van het project wordt aangetoond. Het plan omvat minimaal een plan van aanpak (inclusief stappenplan), een financiële paragraaf en het (beoogde) resultaat van het project; ruimtelijke kwaliteit: alles wat openbare ruimte geschikt maakt voor mens, plant en dier. De juiste ontwikkeling op de juiste plek, en op de juiste manier ingepast in de omgeving; sociale kwaliteit: de mate waarin sprake is van zelforganiserend vermogen van inwoners; toekomstplan: een plan voor het ontwikkelen van een bepaald gebied; toekomstplan: een integraal plan voor een bepaald gebied, waaruit blijkt dat er sprake is van een initiatief of project dat op samenhangende, toekomstbestendige wijze de leefbaarheid van dat bepaalde gebied versterkt. Artikel2.14.2 Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen ter uitvoering van een toekomstplan. Artikel2.14.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon; de aanvrager heeft een maatschappelijk belang, dat wil zeggen een aantoonbare relatie dan wel belang bij de leefomgeving van het bepaalde gebied waarvoor wordt aangevraagd; er is sprake van een idee of projectplan dat op samenhangende, toekomstbestendige wijze lokale opgaves aanpakt die bijdragen aan de leefbaarheid op het platteland; het idee of plan is afgestemd met de gemeente; het projectgebied is het platteland; de fysieke maatregelen versterken op een samenhangende, toekomstbestendige wijze de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van het platteland en het desbetreffende dorp; de activiteiten scoren ten minste 75 punten op basis van scoretabel 1, waarbij voor het eerste wegingscriterium, Integrale gebiedsontwikkeling, minimaal 15 punten moeten worden behaald; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening. Scoretabel 11. Integrale gebiedsontwikkeling Het project betreft een integrale gebiedsontwikkeling en draagt bij aan minimaal drie aspecten die van invloed zijn op de leefbaarheid van het platteland: 1. verbinding tussen stad en platteland; 2. versterken lokale identiteit, inclusief immaterieel erfgoed; 3. toekomstbestendig voorzieningenniveau; 4. lokale en/of regionale economie; 5. een passend woningaanbod; 6. gezondheid; 7. zelforganiserend vermogen: samen dingen regelen en doen 8. Aanpak van transitiethema’s: versterken

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.