act/provincie/2024/CVDR709135 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv29/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2024-12-23 2024-12-23 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR709135/nld@2025-01-01 /join/
Afdeling 1
.1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1 Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. 2 Bijlage II bij deze verordening bevat een overzicht van geometrische informatieobjecten voor de toepassing van deze verordening. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen 1 De natte doorsnede van een schip is het product van de maximale breedte van het schip en de grootst optredende diepgang in stilliggende toestand. 2 Het referentieniveau van het omgevingsgeluid is de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus in de dag-, avond, of nachtperiode: a. het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de niet-omgevingseigen bronnen; b. het optredende equivalente geluidsniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB. 3 Voor toepassing van het tweede lid worden de nachtelijke periode alleen wegverkeersbronnen in rekening gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die nachtperiode. 4 De afmetingen van een bord, spandoek of informatiezuil worden gemeten langs de buitenomtrek. De onder- of achtergrond, die kennelijk tot het bord, spandoek of informatiezuil behoort, wordt hierin begrepen. 5 De tiphoogte van een windturbine is de totale hoogte van een windturbine, vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot aan het uiteinde of de tip van de rotor in de hoogste stand, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtsbijzijnde weg. Artikel 1.3 Ontheffing instructieregel 1 Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing verlenen van een instructieregel. 2 Het eerste lid geldt niet voor de instructieregels over faunabeheerplannen, bedoeld in afdeling 5.
- 3 Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen. Artikel 1.4 Aanvraag ontheffing instructieregels Bij een aanvraag om een ontheffing van instructieregels worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de instructieregels waarvan ontheffing wordt aangevraagd; b. een onderbouwing van de aanvraag om ontheffing; en c. als de ontheffing wordt aangevraagd vanwege een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: deze aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden. Hoofdstuk 2 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Algemene bepaling Artikel 2.1 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 2.2 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 2.3 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden deze ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening Artikel 2.4 Beoordelingsregel activiteiten met gevlgen voor waterlichaam 1 Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam leidt er in ieder geval niet toe dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteitleefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
- nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktelichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en
- toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3 Het verlenen van de omgevingsvergunning leidt er ook niet toe dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktelichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt. Afdeling 2.2 Activiteiten op provinciale infrastructuur Paragraaf 2.2.1 Activiteiten op provinciale wegen Artikel 2.5 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in artikel 2.6, in het: a. beperkingengebied beheer provinciale wegen; b. beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen; c. beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen; d. beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen ; e. beperkingengebied verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen; f. beperkingengebied uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom; g. beperkingengebied toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten; en h. beperkingengebied verbod toegangsdam buiten de berm voor landbouw en tuinbouwproducten. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg. Artikel 2.6 Oogmerk provinciale wegen 1 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg en het belang van onderhoud behoort. 2 Taken en bevoegdheden op grond van deze paragraaf kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale weg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur; c. het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en d. het beschermen van recreatieve en toeristische belangen. Artikel 2.7 Specifieke zorgplicht provinciale wegen 1 Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.6, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerd; b. het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare weg, wordt verzekerd; c. het vrije zicht wordt verzekerd; d. werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hier uit geen schade voor de weg kan ontstaan; e. geen vaste stoffen of voorwerpen, anders dan land- en tuinbouwproducten, in het beperkingengebied beheer provinciale wegen en in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen worden gedeponeerd, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen; f. land- en tuinbouwproducten alleen voor korte tijd worden gedeponeerd in het beperkingengebied toegangsdam buiten de berm voor landbouw- en tuinbouwproducten; g. het beperkingengebied beheer provinciale wegen en het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen niet worden verontreinigd met voor het verkeer of de weg hinderlijke of schadelijke vloeistoffen of beplantingsresten; h. de afwatering van het beperkingengebied beheer provinciale wegen en het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen niet wordt belemmerd; i. beplanting langs de weg in een zodanige conditie wordt gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers; j. borden, spandoeken, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; k. een strook van 5 meter buiten de insteek van bermsloten, die niet onder de onderhoudsplicht van een waterschap vallen, vrijgehouden wordt van beplanting, grondwallen of andere zaken; l. aanleg of wijziging van de provinciale weg alleen geschiedt door of namens de wegbeheerder; en m. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet. Artikel 2.8 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften 1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 2.7, artikel 2.11 en artikel 2.
- 2 Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.11 en artikel 2.18, tenzij anders is bepaald. 3 Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf kan worden verbonden. Artikel 2.9 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaatsvindt; b. de uit te voeren werkzaamheden; c. een situatieschets; d. maatvoering; e. de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en f. de duur van de activiteit. Artikel 2.10 Verbod activiteiten bij uitzichtstroken Met het oog op een veilig gebruik van de provinciale weg is het verboden bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzichtbelemmerende voorwerpen, waardoor het vrije uitzicht wordt belemmerd, te hebben dan wel te maken, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten in het beperkingengebied uitzichtstroken provinciale wegen buiten de bebouwde kom. Artikel 2.11 Beplanting 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg, steekt beplanting in het beperkingengebied beheer provinciale wegen niet hoger uit dan: a. 4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, anders dan fietspaden of andere paden, binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen; b. 3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden, binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden. 2 Delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, worden direct verwijderd. 3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen, te snoeien of te verwijderen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen. 4 In aanvulling op artikel 2.1 gelden het eerste tot en met derde lid ook voor de rechthebbenden van de beplanting. Artikel 2.12 Omgevingsvergunning veranderen van bermsloten 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen: a. het dempen van een bermsloot; b. het afdammen van een bermsloot; c. het wijzigen van de afvoercapaciteit van een bermsloot; en d. het maaien van de vegetatie op een berm in een bermsloot. 2 Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing op maaiwerk aan een bermsloot door of namens een waterschap, voorzover de zorg voor het watersysteem dat vereist. Artikel 2.13 Omgevingsvergunning uitwegen Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen: a. het hebben of maken van een uitweg naar de provinciale weg; b. het maken van wijzigingen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg; c. het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier naar bedrijfsmatig gebruik; en d. het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg ten gevolge van een verandering van de bedrijfsvoering. Artikel 2.14 Omgevingsvergunning duikers, goten, kabels, leidingen en vergelijkbare werken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker, goot, kabel, leiding, afrastering of vergelijkbaar werk te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen. Artikel 2.15 Omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een mast, paal, bord, vlag, spandoek, handelsreclame, kunstuiting, licht- of geluidgevende voorziening of vergelijkbaar object te hebben, plaatsen of wijzigen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen. 2 Het verbod geldt niet voor het hebben, plaatsen of wijzigen van een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Artikel 2.16 Verbod middelen vrijheid van meningsuiting Het is verboden een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet te plaatsen in het beperkingengebied verbod op objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen. Artikel 2.17 Meldingsplicht middelen vrijheid van meningsuiting 1 Het is verboden een middel dat gebruikt wordt voor het uiten van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet te plaatsen in het beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen, zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Een melding bevat: a. de locatie(s) waar het middel wordt geplaatst; b. het aantal te plaatsen middelen; c. de vorm van het te plaatsen middel; en d. de datum van plaatsing van het middel. Artikel 2.18 Algemene regels middelen vrijheid van meningsuiting 1 Met het oog op het veilig gebruik van de provinciale weg worden in het beperkingengebied objecten vrijheid van meningsuiting provinciale wegen niet meer dan twee middelen per locatie geplaatst. 2 De middelen voldoen aan de volgende maximale maten: a. de oppervlakte is maximaal 1,5 m2 b. de lengte in iedere richting is maximaal 1 m; c. de hoogte boven het maaiveld is maximaal 2,5 m; en d. de afstand van de onderzijde van het middel tot het maaiveld is maximaal 1m. 3 De middelen worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 2,50 meter uit de kant van de wegverharding. 4 De middelen worden binnen vier weken na de datum van plaatsing verwijderd. Artikel 2.19 Omgevingsvergunning bebouwingsvrije stroken Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen: a. het maken of hebben van een bouwwerk; of b. het vernieuwen, wijzigen of uitbreiden van een bestaand bouwwerk, tenzij het een interne verbouwing en vernieuwing van ondergeschikte betekenis betreft, waardoor de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot. Artikel 2.20 Omgevingsvergunning gedenktekens Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gedenkteken te plaatsen in het beperkingengebied beheer provinciale wegen. Artikel 2.21 Omgevingsvergunning standplaatsen en verkooppunten Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen: a. het innemen of hebben van een standplaats voor handel of bedrijf; en b. het inrichten of hebben van een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen. Artikel 2.22 Vangnetartikel (veranderen van het werk of werken maken of behouden en vaste stoffen of voorwerpen plaatsen) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale wegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone provinciale wegen: a. het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de weg; b. het maken, behouden, veranderen of verwijderen van een werk; en c. het storten, plaatsen, neerleggen of laten staan of liggen van een vaste stof of voorwerp. 2 Het verbod geldt niet voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10 tot en met artikel 2.
- Artikel 2.23 Weigeren, wijzigen en intrekken omgevingsvergunning 1 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 2.
- 2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk, wijzigen of intrekken als: a. de in het eerste lid bedoelde belangen dat vorderen; b. de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd. Paragraaf 2.2.2 Activiteiten op provinciale vaarwegen Artikel 2.24 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in artikel 2.25, in het: a. beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen; b. beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen; c. beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen; d. beperkingengebied ankerverbod provinciale vaarwegen; en e. beperkingengebied ankerplaatsen provinciale vaarwegen. 2 Op deze paragraaf zijn de begripsbepalingen uit artikel 1.01 van Deel 1 van het Binnenvaart politiereglement van toepassing. 3 In deze paragraaf worden onder schip mede begrepen: drijvende inrichting, luchtkussenvaartuig en woonschip. 4 Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of namens de vaarwegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een vaarweg of de regeling van het verkeer over die vaarweg. Artikel 2.25 Oogmerk provinciale vaarwegen 1 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg en het belang van onderhoud behoren. 2 Taken en bevoegdheden op grond van deze paragraaf kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur; c. het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en d. het beschermen van recreatieve en toeristische belangen. Artikel 2.26 Specifieke zorgplicht provinciale vaarwegen 1 Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.25, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen tevoorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaante maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg wordt verzekerd; b. het gebruik van de vaarweg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare vaarweg wordt verzekerd; c. het vrije zicht wordt verzekerd; d. werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade voor de vaarweg kan ontstaan; e. geen stoffen of voorwerpen in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; f. het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen niet wordt verontreinigd met voor het verkeer op de vaarweg hinderlijke en schadelijke vloeistoffen of beplantingsresten; g. houtgewas, bomen of takken van bomen langs de vaarweg zo worden geplaatst of onderhouden dat deze geen gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen veroorzaken; h. de vaarweg niet op enige wijze wordt veranderd; i. in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen en het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen een schip of drijvend voorwerp, niet wordt:
- onderworpen aan herstelwerkzaamheden; of
- geladen, gelost of ontgast j. aanleg of wijziging van de provinciale vaarweg alleen geschiedt door of namens de vaarwegbeheerder; en k. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet te voorkomen. Artikel 2.27 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 2.26 en artikel 2.
- Artikel 2.28 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingenactiviteit provinciale vaarwegen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de vaarweg en de locatie waar de activiteit plaatsvindt; b. de uit te voeren werkzaamheden; c. een situatieschets; d. maatvoering; e. de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en f. de duur van de activiteit. Artikel 2.29 Omgevingsvergunning scheepvaartafmetingen en diepgang van schepen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen A te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 130 meter, breder is dan 18 meter en meer diepgang heeft dan 3,70 meter. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen B te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 50 meter, breder is dan 7 meter en meer diepgang heeft dan 2,20 meter. 3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen C te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 130 meter, breder is dan 18 meter en meer diepgang heeft dan 4,5 meter. 4 Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen D te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading langer is dan 140 meter, breder dan 20,5 meter en meer diepgang heeft dan 7,90 meter. 5 Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen E te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading langer is dan 140 meter, breder dan 20,5 meter en meer diepgang heeft dan 7,90 meter, verminderd met het verschil tussen de buitenwaterstand en NAP+ 0.90 meter. 6 Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich in het beperkingengebied scheepvaartafmetingen en diepgang schepen provinciale vaarwegen F te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, langer is dan 140 meter, breder is dan 20,5 meter en meer diepgang heeft dan 7 meter. Artikel 2.30 Omgevingsvergunning slepen van schepen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een schip meer dan twee andere schepen te laten slepen in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen 2 Het verbod is niet van toepassing op het slepen van een klein schip. Artikel 2.31 Omgevingsvergunning duwstellen van schepen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter dat niet is voorzien van een actieve kopsturing van voldoende vermogen te laten varen in het beperkingengebied provinciale vaarwegen. 2 Het verbod is niet van toepassing als het duwstel wordt geassisteerd door een sleepboot. Artikel 2.32 Omgevingsvergunning veranderen van het werk of werken maken of behouden Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen: a. het veranderen van de vorm, de loop, de constructie, het profiel of de diepte van de vaarweg; b. het op andere wijze veranderen van de vaarweg; c. het buiten gebruik stellen van de vaarweg; d. het maken, houden of veranderen van een ligplaats of enige andere voorziening bestemd voor het meren of ankeren van schepen; en e. het maken, behouden, veranderen of verwijderen van een werk. Artikel 2.33 Omgevingsvergunning vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen: a. het storten, plaatsen, neerleggen of laten staan of liggen van een vaste stof of voorwerp; of b. het beplanten, behouden of vellen van een houtgewas. Artikel 2.34 Omgevingsvergunning stremmen of belemmeren van de scheepvaart Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verkeer geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen. Artikel 2.35 Omgevingsvergunning ligplaats innemen en meren Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of drijvend voorwerp een ligplaats in te nemen of te meren in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen; of b. binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd. Artikel 2.36 Verbod ankeren Het is verboden te ankeren of ankers, kabels of kettingen te laten slepen in het beperkingengebied ankerverbod provinciale vaarwegen. Artikel 2.37 Omgevingsvergunning ankeren Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of drijvend voorwerp te ankeren of ankers, kabels of kettingen te laten slepen in het beperkingengebied ankerplaatsen provinciale vaarwegen: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen; of b. binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd. Artikel 2.38 Omgevingsvergunning drijven van handel of het afleveren van koopwaar Het is verboden zonder omgevingsvergunning zich op de vaarweg of een kunstwerk op te houden voor het drijven van handel of het afleveren van koopwaar in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen. Artikel 2.39 Omgevingsvergunning gebruik van kunstwerken belemmeren of beletten Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van kunstwerken te belemmeren of te beletten in het beperkingengebied beheer provinciale vaarwegen of in het beperkingengebied vrijwaringszone werken provinciale vaarwegen. Artikel 2.40 Weigeren, wijzigen en intrekken omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteiten provinciale vaarwegen 1 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 2.
- 2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk, wijzigen of intrekken als: a. de in het eerste lid bedoelde belangen dat vorderen; of b. de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd. Afdeling 2.3 Activiteiten in milieubeschermingsgebieden Paragraaf 2.3.1 Grondwaterbeschermingsgebieden Subparagraaf 2.3.1.1 Algemeen Artikel 2.41 Toepassingsbereik 1 Paragraaf 2.3.1 is van toepassing op het verrichten van milieubelastende activiteiten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. 2 Paragraaf 2.3.1 is niet van toepassing op de uitvoering van taken door een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet. Artikel 2.42 Oogmerken De regels in paragraaf 2.3.1 zijn gesteld met het oog op het beschermen van het milieu en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water. Artikel 2.43 Specifieke zorgplicht 1 Degene die een milieubelastende activiteit verricht in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.42, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegenen kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone gevallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beeindiging van een activiteit. Artikel 2.44 Informeren over een ongewoon voorval Gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden onmiddellijk geinformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 2.45 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval De gegevens en bescheiden die aan de gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden verstrekt zijn: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. Artikel 2.46 Algemene regels 1 Dit artikel is van toepassing op het verrichten van een activiteit waarvoor een meldplicht geldt op grond van subparagraaf 2.3.1.2 tot en met subparagraaf 2.3.1.
- 2 Degene die is belast met de werkzaamheden wordt voorafgaand daaraan door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het waterwingebied of de grondwaterbeschermingszone en de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels. 3 Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit. 4 Er worden zodanige voorzieningen getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een boorgat geen bodembedreigende stoffen via dit boorgat in de bodem terecht kunnen komen. 5 Voor het maken van een boorspoeling wordt alleen klei toegepast. Andersoortige organische of anorganische hulpstoffen worden niet gebruikt, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad. 6 Er worden zodanige voorzieningen getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen bodembedreigende stoffen in de bodem terecht kunnen komen. 7 Bij ingrepen toe te passen opvulmaterialen, zoals bentoniet, zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring. Deze verklaring is op het werk aanwezig. 8 De plaats van opslag van bouwmaterialen en -materieel is afgedekt met folie. 9 In een bouwput worden geen schadelijke stoffen opgeslagen. 10 De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig, dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is. 11 Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt wordt verzameld en afgevoerd naar een erkend verwerker. 12 Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater wordt opgevangen in een daartoe geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd naar een erkende verwerker. 13 Gemorste en anderszins vrijgekomen schadelijke stoffen worden onverwijld verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem in het betreffende gebied is uitgesloten. 14 Gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden onverwijld geinformeerd over lekkage of morsen waardoor grond of grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt. 15 Als tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de volgende voorschriften: a. huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet wordt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar een openbaar riool afgevoerd; b. als aan onderdeel a om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan, wordt:
- toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen afgevoerd naar een opvangtank of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt;
- keukenafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt; en
- ander afvalwater te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar riool; en c. een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd. Artikel 2.47 Aanvraagvereisten melding grondwaterbeschermingsgebieden Een melding voor een activiteit als bedoeld in deze paragraaf bevat: a. als de aanvrager niet de eigenaar van de locatie is: een bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; b. een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; en c. een beschrijving van de milieubelastende activiteit met een vermelding van de diepte van de ingreep ten opzichte van het maaiveld. Artikel 2.48 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwaterbeschermingsgebieden Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in subparagraaf 2.3.1.2 tot en met subparagraaf 2.3.1.19 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als de aanvrager niet de eigenaar van de locatie is: een bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; b. een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; c. in het geval van een ingreep in of op de bodem: een tekening met een dwarsdoorsnede van de ingreep; d. een beschrijving van de te verrichten milieubelastende activiteit, waaronder gegevens met betrekking tot:
- de omvang;
- de aard, samenstelling en hoeveelheid van de te gebruiken materialen;
- de constructie;
- het gebruik van installaties of andere werken; en
- het oogmerk van de te verrichten milieubelastende activiteit; e. als schadelijke stoffen op of in de bodem worden gebracht: een beschrijving van deze stoffen, waaronder soort, vorm, de wijze van opslag en de hoeveelheid; f. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om verontreiniging van de bodem en het grondwater tegen te gaan; en g. een beschrijving van de alternatieven die zijn onderzocht en een onderbouwing van de gekozen werkwijze. Artikel 2.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwaterbeschermingsgebieden 1 Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in subparagraaf 2.3.1.2 tot en met subparagraaf 2.3.1.19 zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 en artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 2 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaatsvindt; b. rekening is gehouden met de kwetsbaarheid van het betreffende gebied en zekerheid is verkregen dat het verlenen, mede gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig met is met de belangen, bedoeld in artikel 2.42; en c. het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit voldoende is aangetoond en er geen redelijke alternatieven voorhanden zijn. Subparagraaf 2.3.1.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel 2.50 Vergunningen graven en ontgronden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of te ontgronden in een waterwingebied. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een grondwaterbeschermingszone te graven of te ontgronden voor: a. het aanleggen of verwijderen van een openbaar riool, kabel of leiding dieper dan 4 m onder het maaiveld; of b. het aanleggen van een persriool. Artikel 2.51 Vergunning aanleggen, veranderen, of verwijderen van een ondergronds bouwwerk 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ondergronds bouwwerk aan te leggen, te veranderen of te verwijderen in een waterwingebied. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een grondwaterbeschermingszone een ondergronds bouwwerk aan te leggen voor: a. een palenmatras of de aanleg van een weg, spoorweg of een parkeerterrein; of b. een ander werk, tenzij een gladde heipaal zonder verbreding of verbrede voet wordt gebruikt. Artikel 2.52 Vergunning maken van een boorgat 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorgat te maken in een waterwingebied. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorgat te maken dieper dan 4 m onder het maaiveld in een grondwaterbeschermingszone. Artikel 2.53 Vergunning uitvoeren van een sondering 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sondering uit te voeren in een waterwingebied. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sondering uit te voeren, anders dan voor bodemonderzoek tot aan het zoetbrakgrensvlak, in een grondwaterbeschermingszone. Artikel 2.54 Vergunning activiteiten slecht-doorlatend eigenschappen van bodemlagen Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. een gestuurde boring te verrichten; b. werkzaamheden te verrichten voor bodemstabilisering, met inbegrip van verticale en horizontale drainage; c. een fundering aan te leggen; d. stoffen te gebruiken die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kunnen aantasten; of e. een activiteit te verrichten die de slecht-doorlatende eigenschap van een bodemlaag kan aantasten. Artikel 2.55 Aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam, adres- en woonplaatsgegevens van de eigenaar van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt; b. indien de aanvrager niet de eigenaar van de locatie is: een bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; c. een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; d. in het geval van een ingreep in of op de bodem: een tekening met een dwarsdoorsnede van de ingreep; e. een beschrijving van de te verrichten milieubelastende activiteit, waaronder gegevens met betrekking tot:
- de omvang;
- de aard, samenstelling en hoeveelheid van de te gebruiken materialen;
- de constructie;
- het gebruik van installaties of andere werken; en
- het oogmerk van de te verrichten milieubelastende activiteit; f. indien schadelijke stoffen op of in de bodem worden gebracht: een beschrijving van deze stoffen, waaronder soort, vorm, de wijze van opslag en de hoeveelheid; g. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om verontreiniging van de bodem en het grondwater tegen te gaan; en h. een beschrijving van de alternatieven die zijn onderzocht en een onderbouwing van de gekozen werkwijze. Artikel 2.56 Beoordelingsregels 1 Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 en artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 2 Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt alleen verleend als: a. er geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaatsvindt; b. rekening is gehouden met de kwetsbaarheid van het betreffende gebied en zekerheid is verkregen dat het verlenen, mede gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig met is met de belangen, bedoeld in artikel 2.42; en c. het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit voldoende is aangetoond en er geen redelijke alternatieven voorhanden zijn. Artikel 2.57 Meldplicht 1 Het is verboden te graven of te ontgronden in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Een melding bevat: a. de naam, adres- en woonplaatsgegevens van de eigenaar van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt; b. indien de aanvragen niet de eigenaar van de locatie is, bewijs van toestemming van de eigenaar voor het verrichten van de activiteit; c. een situatietekening waarop de milieubelastende activiteit is aangegeven; en d. een beschrijving van de milieubelastende activiteit waarvoor een melding wordt gedaan met een vermelding van de diepte van de ingreep ten opzichte van het maaiveld. 3 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in de artikel 2.50 tot en met artikel 2.
- Artikel 2.58 Algemene regels Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.57, wordt voldaan aan de volgende regels: a. de aanleg van een leiding vindt plaats via een gegraven sleuf; b. de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende laag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; en c. na afronding van de werkzaamheden worden de slecht-doorlatende bodemlagen zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld met bentoniet of een ander geschikt kleiproduct. Subparagraaf 2.3.1.3 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen Artikel 2.59 Vergunning opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste of vloeibare schadelijke stoffen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. 2 Het verbod geldt niet voor: a. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal, bovengronds, gebruik in en bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; b. schadelijke stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat voor het doen functioneren van dat vervoermiddel, werktuig of apparaat, als deze deugdelijk zijn geladen en verpakt, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; of c. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen. Artikel 2.60 Meldplicht opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste of vloeibare schadelijke stoffen 1 Het is verboden vaste of vloeibare schadelijke stoffen op te slaan, over te slaan, te vervoeren of op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.4 Grond en baggerspecie Artikel 2.61 Vergunning grond of baggerspecie Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. het toepassen van grond of baggerspecie dat niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen; b. het toepassen van grond of baggerspecie dat niet voldoet aan de achtergrondwaarde als het wordt toegepast in het duingebied; c. het opslaan van meer dan een partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie bij een grondbank of grondreinigingsbedrijf; of d. het bewerken van grond of baggerspecie. Artikel 2.62 Meldplicht grond of baggerspecie 1 Het is verboden grond of baggerspecie toe te passen, op te slaan of te bewerken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.5 Meststoffen Artikel 2.63 Verbod meststoffen 1 Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. het aanleggen of gebruiken van een installatie voor het behandelen van dierlijke meststoffen en het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie; b. het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen; en c. het verspreiden van dierlijke meststoffen voor beweiding in duingebied. 2 Het verbod geldt niet voor normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen. Artikel 2.64 Vergunning meststoffen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning plantaardige meststoffen op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. 2 Het verbod geldt niet voor normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen. 3 Het verbod geldt niet voor de verspreiding van meststoffen ten behoeve van beweiding in een waterwingebied, voor zover dat gebied buiten het duingebied ligt. Artikel 2.65 Meldplicht meststoffen 1 Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen of een installatie aan te leggen of te gebruiken voor het behandelen van dierlijke meststoffen of het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Het is verboden dierlijke meststoffen, anders dan drijfmest, te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als dat plaatsvindt overeenkomstig paragraaf 3.2.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.63 of artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.6 Vuurwerk en explosieven Artikel 2.66 Verbod vuurwerk en explosieven 1 Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. het op- of overslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; b. het opslaan of toepassen van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor civiel gebruik; of c. het opslaan, bewerken of gebruiken van ontplofbare stoffen op een terrein als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet voor de opslag, overslag, herverpakking of bewerking van vuurwerk van categorie F1 in een hoeveelheid van minder dan 200 kg of categorie F2 en F3 in een hoeveelheid minder dan 25 kg. 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt niet voor de opslag van een vuurwerkverkooplocatie tot een hoeveelheid van 10.000 kg. Artikel 2.67 Meldplicht vuurwerk en explosieven 1 Het is verboden vuurwerk of explosieven op te slaan, over te slaan, te herverpakken, te bewerken of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.7 Afvalstoffen Artikel 2.68 Verbod afvalstoffen 1 Het is in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone verboden afvalstoffen op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen: a. anders dan voor grond-, weg- of waterbouw; of b. als het gevaarlijke afvalstoffen betreft. 2 Het verbod geldt niet voor: a. de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; of b. tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. Artikel 2.69 Vergunning afvalstoffen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalstoffen, anders dan gevaarlijke afvalstoffen, in het kader van grond, weg- of waterbouw op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, als het gaat om de nuttige toepassing van afvalstoffen. 2 Het verbod geldt niet voor: a. de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; of b. tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling. Artikel 2.70 Meldplicht afvalstoffen 1 Het is verboden afvalstoffen op te slaan, over te slaan, in te zamelen, te verwerken, te mengen of in de bodem te brengen, te verbranden of afvalstoffen voor hergebruik of recycling voor te bereiden of te behandelen, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.68 of artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.8 Lozingen in of op de bodem Artikel 2.71 Verbod lozingen 1 Het is verboden lozingen in of op de bodem te verrichten in een waterwingebied. 2 Het verbod geldt niet: a. voor lozingen waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht als waar het uit afkomstig is, en:
- waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd;
- de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen door een bewerking; en
- waaraan geen warmte is toegevoegd; b. voor het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; c. voor het reinigen van een landbouwvoertuig of andere machine op een landbouwbedrijf als die machine niet wordt gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; d. op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of e. in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is. Artikel 2.72 Vergunningen lozingen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning lozingen in of op de bodem te verrichten in een grondwaterbeschermingszone. 2 Het verbod geldt niet: a. voor lozingen waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht als waar het uit afkomstig is, en:
- waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd;
- de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen door een bewerking; en
- waaraan geen warmte is toegevoegd; b. voor het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; c. voor het reinigen van een landbouwvoertuig of andere machine op een landbouwbedrijf als die machine niet wordt gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; d. op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of e. in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is. Artikel 2.73 Meldplicht lozingen 1 Het is verboden lozingen te verrichten in of op de bodem in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.71 of artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.9 Infrastructuur Artikel 2.74 Vergunning infrastructuur 1 Het is verboden de volgende werken aan te leggen of gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. een weg of terrein dat open staat voor gemotoriseerd verkeer, met in begrip van terreinen voor het sporten of recreeren met gemotoriseerde voertuigen; of b. een spoorweg. 2 Het verbod geldt in een grondwaterbeschermingszone niet voor het aanleggen of gebruiken van een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal. Artikel 2.75 Meldplicht infrastructuur Het is verboden een weg met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal aan te leggen of te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Subparagraaf 2.3.1.10 Buisleidingen Artikel 2.76 Vergunning buisleiding Het is verboden zonder omgevingsvergunning een buisleiding voor het doorvoeren van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. Subparagraaf 2.3.1.11 Recreatieterreinen, anders dan een camping Artikel 2.77 Vergunning recreatieterrein, anders dan een camping Het is verboden zonder omgevingsvergunning een recreatieterrein, anders dan een camping, aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. Subparagraaf 2.3.1.12 Begraafplaatsen Artikel 2.78 Verbod begraafplaatsen Het is verboden een begraafplaats, een terrein voor de uitstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. Subparagraaf 2.3.1.13 Bouwwerken Artikel 2.79 Vergunning bouwwerken 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te gebruiken in een waterwingebied. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone, als slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen worden aangetast. 3 Het verbod geldt niet voor gewoon onderhoud aan bouwwerken. Artikel 2.80 Meldplicht bouwwerken 1 Het is verboden een bouwwerk te bouwen of te gebruiken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplicht is aangewezen in artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.14 Mijnbouw of bodemenergiesysteem Artikel 2.81 Verbod aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem Het is verboden een mijnbouwwerk of bodemenergiesysteem aan te leggen of te exploiteren in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. Subparagraaf 2.3.1.15 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie Artikel 2.82 Verbod opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie 1 Het is verboden een opslagtank voor de opslag van schadelijke stoffen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om: a. de opslag in opslagtanks voor handelsdoeleinden; b. het voorafgaand aan vervoer opslaan van chemicalien of brandstoffen in opslagtanks; of c. de opslag in ondergrondse opslagtanks. 2 Het is verboden een tankinstallatie voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of andere werktuigen aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. 3 Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied: a. het aanleggen of gebruiken van een stookinstallatie, anders dan voor een huishouden; b. het aanleggen of gebruiken van een koelinstallatie van met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak; of c. het maken van materialen, eindproducten of halffabricaten met behulp van:
- een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW;
- een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of
- een oplosmiddeleninstallatie. 4 Het is verboden organisch-chemische producten, anorganische-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten of explosieven te maken in een grondwaterbeschermingszone met behulp van: a. een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW; b. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of c. een oplosmiddeleninstallatie. Artikel 2.83 Vergunning opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone voor zover artikel 2.82, eerste lid, niet van toepassing is. 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in een grondwaterbeschermingszone: a. het aanleggen of gebruiken van een stookinstallatie; b. het aanleggen of gebruiken van een koelinstallatie met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak. 3 Het is in een grondwaterbeschermingszone verboden zonder omgevingsvergunning materialen, eindproducten en of halffabricaten te maken voor zover artikel 2.82, derde lid, niet van toepassing is. Artikel 2.84 Meldplicht opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie 1 Het is verboden een opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie aan te leggen of te gebruiken in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden of als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 2.82 of artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.16 Productie van papier, karton of hout Artikel 2.85 Verbod productie van papier, karton of hout 1 Het is verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen in een grondwaterbeschermingszone. 2 Het verbod geldt niet voor activiteiten die alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; c. voor educatieve doeleinden; of d. als dit onderdeel uitmaakt van bosbouw of natuurbeheer. Artikel 2.86 Meldplicht productie van papier, karton of hout 1 Het is verboden papierpulp, papier of karton te maken of hout of houtproducten te conserveren met chemische stoffen in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.17 Drukkerijen Artikel 2.87 Verbod drukkerijen 1 Het is verboden materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk te bedrukken in een grondwaterbeschermingszone. 2 Het verbod geldt niet als deze activiteiten alleen worden verricht: a. bij een huishouden; b. bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of c. voor educatieve doeleinden. Artikel 2.88 Meldplcht drukkerijen 1 Het is verboden materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk te bedrukken in een grondwaterbeschermingszone zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit is verboden in artikel 2.
- Subparagraaf 2.3.1.18 Reinigingsactiviteiten Artikel 2.89 Verbod reinigingsactiviteiten 1 Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone: a. een opslagtank of verpakking waarin schadelijke stoffen zijn opgeslagen inwendig te reinigen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of de verpakkingen zijn gebruikt; b. voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers, of bulkcontainers waarin schadelijke stoffen zijn vervoerd inwendig te reinigen; c. een gemotoriseerd voertuig of werktuig, autobus, spoorvoertuig of vliegtuig te onderhouden, repareren of schoonmaken; of d. een verbrandingsmotor of gasturbine te reviseren. 2 Het verbod geldt niet voor: a. het onderhouden en repareren van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf; en b. het schoonmaken van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf, als dat landbouwvoertuig of die machine niet is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden. Artikel 2.90 Vergunning chemisch reinigen textiel Het is verboden zonder omgevingsvergunning textiel chemisch te reinigen een grondwaterbeschermingszone. Artikel 2.91 Meldplicht reinigingsactiviteiten Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 2.89, tweede lid, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Subparagraaf 2.3.1.19 Seveso-inrichtingen en andere installaties Artikel 2.92 Verbod installaties Het is verboden een activiteit met betrekking tot een installatie als bedoeld in bijlage X te verrichten in een grondwaterbeschermingszone. Artikel 2.93 Vergunning Seveso-inrichtingen en andere installaties Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in verband met een installatie, anders dan bedoeld in bijlage X, te verrichten of een Seveso-inrichting te exploiteren in een grondwaterbeschermingszone. Subparagraaf 2.3.1.20 Locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten Artikel 2.94 Verbod locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten Het is verboden een locatiegebonden bedrijfsmatige milieubelastende activiteit te verrichten in een waterwingebied. Paragraaf 2.3.2 Stiltegebieden Artikel 2.95 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in stiltegebied a, stiltegebied b en stiltegebied overig. Artikel 2.96 Oogmerk stiltegebieden De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van stilte en het voorkomen en beperken van geluidbelasting ter bescherming van stiltegebieden. Artikel 2.97 Doelstelling voor het geluidsniveau in stiltegebieden A en B De regels in paragraaf 2.3.2 zijn gericht op het bereiken en behouden van de volgende doelstelling: a. in stiltegebied a een gemiddeld geluidsniveau LAeq van ten hoogste 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode; en b. in stiltegebied b een gemiddelde geluidsniveau LAeq van bij voorkeur 40dB (A) maar ten hoogste 48 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Artikel 2.98 Specifieke zorgplicht 1 Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een stiltegebied, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Voor activiteiten in een stiltegebied houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van de stiltegebieden worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; en c. geen significante verstoring worden veroorzaakt. Artikel 2.99 Verbod waterscooters en andere aangewezen toestellen Het is verboden met een waterscooter te varen of een ander aangewezen toestel te gebruiken in stiltegebieden. Artikel 2.100 Vergunning gebruik muziekinstrument, muziekinstallatie of vergelijkbaar geluidsapparaat in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, te gebruiken in stiltegebieden . 2 Het verbod geldt niet voor een muziekinstrument, muziekinstallatie of ander vergelijkbaar geluidsapparaat dat wordt gebruikt: a. binnen 50 meter van een woonhuis als het geluidsniveau 35dB(A) is op een afstand van meer dan 50 meter van dit apparaat; b. bij een evenement zoals genoemd in artikel 5.43 onder g. Artikel 2.101 Vergunning gebruik motorrijtuig buiten openbare weg in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning in stiltegebieden een motorrijtuig te gebruiken buiten: a. openbare wegen die open staan voor gemotoriseerd verkeer; en b. andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen. 2 Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorrijtuig: a. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; b. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; c. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; of d. voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig. Artikel 2.102 Vergunning gebruik vaartuig of luchtkussenvoertuig in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vaartuig, anders dan een waterscooter, of luchtkussenvoertuig te gebruiken in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig of luchtkussenvoertuig: a. op andere wateren dan Deltawateren met een snelheid van minder dan 6 kilometer per uur; b. zonder verbrandings- of explosiemotor; c. voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; d. bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of e. voor de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid. Artikel 2.103 Vergunning vuurwerkgebruik in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning vuurwerk te gebruiken in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor: a. het gebruik van vuurwerk dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen; b. het gebruik van vuurwerk voor het afwenden van dreigend gevaar; of c. het gebruik van consumentenvuurwerk op een afstand van minder dan 50 m van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende de in het Vuurwerkbesluit aangewezen periode. Artikel 2.104 Vergunning gebruik airgun of ander knalapparatuur in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een airgun of andere knalapparatuur te gebruiken in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor beheer en schadebestrijding met knalapparatuur, waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Als er binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten samen het maximum van 3 knallen per uur. Artikel 2.105 Vergunning gebruik motorisch aangedreven werktuig in stiltegebieden Het is verboden zonder omgevingsvergunning een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen te gebruiken voor seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen in stiltegebieden. Artikel 2.106 Vergunning voor gebruik van geluidsapparatuur in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omroepinstallatie, sirene, hoorn of ander toestel bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid te gebruiken in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor het gebruik voor: a. de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; b. het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of c. de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid. Artikel 2.107 Vergunning gebruik modelvliegtuig, modelboot en modelauto in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een modelvliegtuig, modelboot, modelauto of RPAS (drones) te gebruiken in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor: a. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto zonder een verbrandingsmotor; of b. het gebruik van een RPAS (drone) voor:
- de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;
- het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels; of
- de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegheid. Artikel 2.108 Vergunning gebruik vuurwapen in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vuurwapen te gebruiken in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen: a. door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; b. in geval van nood; of c. voor activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.109 Vergunning toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen in stiltegebieden 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorrijtuigen of bromfietsen te houden of daar aan deel te nemen in stiltegebieden. 2 Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen of bromfietsen. Artikel 2.110 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije activiteiten Artikel 2.99 tot en met artikel 2.109 gelden niet voor: a. land- tuin-, bosbouw en beroepsmatige visserij; b. het onttrekken van grondwater voor de winning voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water in een aangewezen grondwaterbeschermingsgebied; en c. beroepsscheepvaart. Artikel 2.111 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning stiltegebieden Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit; b. een kaart waarop de plaats van de activiteit is aangegeven; c. een onderzoek naar de akoestische gevolgen van de activiteit overeenkomstig de Omgevingsregeling; d. de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken; e. een omschrijving van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel of uit te voeren activiteit; en f. tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel of de activiteit zich afspeelt. Artikel 2.112 Beoordelingsregels omgevingsvergunning stiltegebieden De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als: a. de activiteit tijdelijk is; b. zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe dwingen en alternatieven buiten stiltegebieden ontbreken; en c. er rekening wordt gehouden met het karakter van de stiltegebieden. Artikel 2.113 Intrekken vergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als het belang van de heersende natuurlijke rust in de stiltegebieden of invloedsgebieden dit vereist. Afdeling 2.4 Ontgrondingen op land en in regionale wateren Artikel 2.114 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van ontgrondingsactiviteiten als bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.115 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden. Artikel 2.116 Vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor: a. grondbewerking voor de normale uitoefening van een land-, tuin- en bosbouwbedrijf; en b. ontgrondingen op grond van een natuurontwikkelingsplan dat is vastgesteld door gedeputeerde staten, of een investeringsplan behorend bij een door gedeputeerde staten vastgestelde subsidiebeschikking in het kader van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap. Artikel 2.117 Afwijking van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten In afwijking van artikel 16.7, aanhef en onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van waterlopen en sloten alleen zonder omgevingsvergunning verricht als deze: a. een bovenbreedte hebben van minder dan 5 m; b. een bodembreedte hebben van maximaal 1,50 m; en c. een diepte hebben van maximaal 1 m beneden het in het peilbesluit vastgestelde zomerpeil, of bij gebrek daaraan, 2,50 m beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek. Artikel 2.118 Buiten behandeling laten aanvraag omgevingsvergunning Gedeputeerde staten kunnen de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit buiten behandeling laten, als de aanvrager niet de eigenaar is van één of meer percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, en de aanvraag niet door de eigenaar mede is ondertekend. Afdeling 2.5 Grondwatersanering Artikel 2.119 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het saneren van verontreinigd grondwater ook verstaan het verrichten van activiteiten ten gevolge waarvan verontreinigd grondwater wordt verminderd of verplaatst. Artikel 2.120 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem. Artikel 2.121 Specifieke zorgplicht 1 Degene die verontreinigd grondwater saneert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.120, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Voor milieubelastende activiteiten in houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante verstoring wordt veroorzaakt; en d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet. Artikel 2.122 Melding grondwatersanering 1 Het is verboden verontreinigd grondwater te saneren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Een melding bevat: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen; c. een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd, waaronder een omschrijving van de grondwaterkwaliteit die met de maatregelen bereikt wordt; d. een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en e. een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting moeten worden getroffen. 3 Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. Artikel 2.123 Verstrekken gegevens en bescheiden locatie en startdatum grondwatersanering 1 Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 2.124 Verstrekken gegevens en bescheiden uitvoerder en milieukundige begeleider 1 Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten. 2 Onverwijld na het wijzigen van de naam of het adres, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 2.125 Uitvoering van de activiteit grondwatersanering 1 Met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt de activiteit zodanig verricht dat: a. het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; en b. nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven. 2 De activiteit wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB
- 3 De activiteit wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in Artikel 2.122, tweede lid, onder b. 4 Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de activiteit verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in Artikel 2.122, tweede lid, onder d. Artikel 2.126 Evaluatie grondwatersanering 1 Gedeputeerde staten worden ten minste vier weken voor het beëindigen van de activiteit geïnformeerd over de verwachte einddatum. 2 Na beëindiging van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL
- Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: a. een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan; b. een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit; c. als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en d. als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen. 3 Het evaluatieverslag wordt ten hoogste vier weken na het beëindigen van de activiteit aan gedeputeerde staten verstrekt. 4 De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de activiteit een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het evaluatieverslag. 5 Met de uitvoering van de nazorgmaatregelen is belast degene die de activiteit heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag. Artikel 2.127 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de artikelen artikel 2.121, artikel 2.125 en artikel 2.
- Afdeling 2.6 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen Artikel 2.128 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in, op, onder, of over de gesloten stortplaatsen waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor de gesloten stortplaatsen wordt uitgevoerd. Artikel 2.129 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu. Artikel 2.130 Specifieke zorgplicht 1 Degene die een activiteit verricht in een gesloten stortplaatsen en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.129, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en b. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet. Artikel 2.131 Vergunningplicht activiteiten gesloten stortplaatsen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gesloten stortplaatsen: a. een milieubelastende activiteit te verrichten; b. een bouwactiviteit te verrichten; c. een werk te maken of te behouden; d. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen; of e. andere activiteiten te verrichten, indien die activiteiten de uitvoering van de maatregelen ten behoeve van de nazorgvoorzieningen kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2 Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer. Artikel 2.132 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de voorgenomen activiteit bij de stortplaatsen en het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. het adres, de kadastrale aanduiding en een actuele kadastrale kaart waarop de locatie van de voorgenomen activiteit is aangegeven; c. naam en adres van een ieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied; d. de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; e. de maatregelen die worden getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; f. de maatregelen die worden getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; en g. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder d, e en f bedoelde maatregelen. Artikel 2.133 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als: a. er maatregelen worden genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de leefomgeving; b. voorzieningen ter bescherming van de bodem regelmatig worden geïnspecteerd; c. de bodem onder de gesloten stortplaats regelmatig wordt onderzocht; en d. er wanneer dat nodig is maatregelen worden getroffen om:
- de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; en
- anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren. Artikel 2.134 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaatsen Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Afdeling 2.7 Ontgassen van binnenschepen Artikel 2.135 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen vanaf een binnenschip op een vaarweg. Artikel 2.136 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en de gezondheid. Artikel 2.137 Specifieke zorgplicht Degene die een ladingtank met restladingdampen ontgast vanaf een binnenschip op een vaarweg ontgast en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.136, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolg en zoveel mogelijk te beperken of omgedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 2.138 Vergunningplicht varend ontgassen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ladingtank te ontgassen met restladingsdampen vanaf een binnenschip op een vaarweg, als de restladingsdampen afkomstig zijn van: a. benzeen (UN 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of f. vloeibare koolwaterstoffen met meer dan 10% benzeen (UN 3295). 2 Het verbod is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat: a. de concentratie van de restladingdamp in het uitgeblazen mengsel op de plaats van uittreding vanuit de ladingtank niet meer bedraagt dan 10% van de onderste explosiegrens; b. de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld in het eerste lid; c. de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan bedoeld in het eerste lid; d. om redenen van drukverevening die vanwege van veiligheid moet plaatsvinden; of e. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. Artikel 2.139 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning varend ontgassen Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de gewenste startdatum van de activiteit; b. de soort restladingsdamp en de omvang van de restladingsdamp die ontgast wordt; c. de reden en noodzaak van de voorgenomen activiteiten; en d. de verwachte duur van de activiteit. Artikel 2.140 Beoordelingsregels omgevingsvergunning varend ontgassen De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er sprake is van een bijzondere omstandigheid voor een eenmalig geval; en b. het belang van bescherming van het milieu en de gezondheid niet onevenredig wordt geschaad. Afdeling 2.8 Activiteiten in duisternisgebieden Artikel 2.141 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in duisternisgebieden en in het invloedgebied duisternisgebieden. Artikel 2.142 Oogmerk Deze afdeling is gericht op het voorkomen of beperken van lichthinder in duisternisgebieden. Artikel 2.143 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit, als bedoeld in artikel 2.141, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de heersende duisternis in duisternisgebieden, is verplicht: a. de noodzakelijke maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Afdeling 2.9 Natura 2000-activiteiten Afdeling 2.10 Flora- en fauna-activiteiten Paragraaf 2.10.
Artikel 2
.144 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van flora- en fauna-activiteiten. Artikel 2.145 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. goed jachthouderschap; c. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; d. het waarborgen van de veiligheid; e. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; f. bestendig beheer of onderhoud; of g. onderzoek en onderwijs. Artikel 2.146 Tijdelijk Technisch Artikel - mini checkers 1 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Bouw en uitbouw 2 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Bomen of beplanting 3 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Bedrijfsvoering 4 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Gebouw bouwen 5 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Monument 6 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Vis uitzetten 7 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Zendmast plaatsen 8 In dit lid staat het haakje voor de mini checker: Slopen Paragraaf 2.10.2 Vergunningvrije gevallen Artikel 2.147 Aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten Vogelrichtlijn: verbod vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van vogels 1 Het verbod, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren, of het opzettelijk wegnemen van nesten, van de grauwe gans. 2 Het eerste lid geldt alleen als de activiteit wordt verricht: a. door of in opdracht van een grondgebruiker; b. op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden; d. in de periode van 15 februari tot 1 april daaropvolgend; en e. in overeenstemming met het faunabeheerplan. 3 In aanvulling op het tweede lid geldt het eerste lid ook: a. maximaal 1 keer in de periode van 1 april tot 15 april daaropvolgend; b. in gebieden in beheer bij een terreinbeherende organisatie; c. door of in aanwezigheid van de terreinbeherende organisatie; en d. als er geen risico is op verstoring van ter plekke broedende moerasvogels. 4 Beoordeling van het risico, bedoeld in het derde lid, onder d, vindt plaats door de terreinbeherende organisatie aan de hand van een jaarlijkse inventarisatie van kwetsbare broedvogels. 5 De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. Artikel 2.148 Aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten Vogelrichtlijn: verbod doden van vogels 1 Het verbod, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van: a. grauwe gans; b. kolgans; en c. brandgans. 2 Het eerste lid geldt alleen als de activiteit wordt verricht: a. door of in opdracht van een grondgebruiker; b. op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden; d. in overeenstemming met het faunabeheerplan; en e. in overeenstemming met artikel 2.149, artikel 2.150 en artikel 2.
- 3 Het eerste lid geldt niet binnen de aangewezen ganzenrustgebieden in de periode van 1 november tot 1 april daaropvolgend. 4 Het eerste lid geldt niet op zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag. 5 De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. Artikel 2.149 Algemene regels schadebestrijding grauwe gans 1 Het doden van grauwe gans vindt plaats in de periode van 15 februari tot 1 november daaropvolgend met gebruik van geweer en lokvogels. 2 Het doden van grauwe gans vindt in de periode van 1 november tot 15 februari daaropvolgend, alleen plaats: a. met gebruik van een hagelgeweer; b. tussen een half uur voor zonsopkomst en 12.00 uur; c. op percelen met nog oogstbare landbouwgewassen; d. als eerst op het betreffende schadeperceel aanwezig zijn:
- minimaal één visueel middel, in voldoende aantallen verspreid over het perceel aanwezig; en
- minimaal één akoestisch middel, in voldoende aantallen controleerbaar in het veld aanwezig en in werking; e. voor maximaal 3 jachtaktehouders tegelijk per 3 hectare schadeperceel; en f. als per verjaagactie maximaal twee ganzen worden gedood. 3 In afwijking van het tweede lid, onder e, kan voor schadepercelen groter dan 3 hectare 1 extra jachtaktehouder worden ingezet voor iedere hectare aansluitend schadegewas. 4 Het tweede lid geldt niet: a. op percelen grasland ingezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op percelen met groenbemestingsgewassen; en c. op percelen met oogstresten. Artikel 2.150 Algemene regels schadebestrijding kolgans 1 Het doden van kolgans vindt in de periode van 1 november tot 1 april daarop volgend alleen plaats: a. op percelen met nog oogstbare gewassen; en b. als eerst op het betreffende schadeperceel aanwezig zijn:
- minimaal één visueel middel, in voldoende aantallen verspreid over het perceel aanwezig, en
- minimaal één akoestisch middel, in voldoende aantallen controleerbaar in het veld aanwezig en in werking. 2 Onverminderd het eerste lid vindt het doden van kolgans in de periode van 15 februari tot 1 april daaropvolgend alleen plaats: a. op percelen grasland ingezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de betreffende winterperiode van dat jaar; b. als op het betreffende schadeperceel verjaging door menselijke aanwezigheid plaatsvindt; en c. als gedurende de periode na 12.00 uur er preventieve maatregelen zijn getroffen in de vorm van verjaging door middel van mensen in het veld, honden of vogelafweerpistolen. 3 Het eerste en tweede lid gelden alleen: a. voor het gebruik van een hagelgeweer; b. tussen een half uur voor zonsopkomst en 12.00 uur; c. voor maximaal 3 jachtaktehouders tegelijk per 3 hectare schadeperceel; en d. als per verjaagactie maximaal twee ganzen worden gedood. 4 In afwijking van het derde lid, onder c, kan voor schadepercelen groter dan 3 hectare 1 extra jachtaktehouder worden ingezet voor iedere hectare aansluitend schadegewas. 5 Het eerste lid geldt niet: a. op percelen grasland ingezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op percelen met groenbemestingsgewassen; en c. op percelen met oogstresten. Artikel 2.151 Algemene regels bestrijding brandgans Het doden van brandgans vindt alleen plaats: a. op de gronden binnen het beheergebied brandganzen; b. in de periode van 1 mei tot 1 november daaropvolgend; en c. met gebruik van het geweer en lokvogels. Artikel 2.152 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten 1 Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van damhert. 2 Het eerste lid geldt alleen als de activiteit wordt verricht: a. door of in opdracht van een grondgebruiker; b. op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. in overeenstemming met het faunabeheerplan; en d. in overeenstemming met artikel artikel 2.
- 3 Het eerste lid geldt niet op zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag. 4 Het eerste lid geldt niet voor het opzettelijk doden door middel van drijven. 5 De grondgebruiker, of degene die de activiteit verricht, informeert en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. Artikel 2.153 Algemene regels schadebestrijding damhert Het doden van damhert vindt alleen plaats: a. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; b. op de gronden binnen het beheergebied zwervende damherten; en c. met gebruik van het geweer. Artikel 2.154 Aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten: beheer, onderhoud, gebruik, inrichting of ontwikkeling van gebieden 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, en artikel 11.54, eerste lid, van het besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de in bijlage VIII genoemde soorten bij het verrichten van een activiteit in verband met: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde; b. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of e. bestendig gebruik. 2 Het eerste lid geldt alleen voor het verrichten van een activiteit die niet al vergunningvrij is op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode, bedoeld in artikel 11.59, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.155 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: bescherming weidevogels De verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor het verrichten van een activiteit die bestemd en geschikt is voor de bescherming van weidevogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee. Artikel 2.156 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: veiligstellen tegen het verkeer Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.46, 11.47 en 11.54, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen, onder zich hebben en vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats van beschermde kikkers, padden en salamanders, als deze activiteit plaatsvindt ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer en de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. Artikel 2.157 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: onderwijs en onderzoek 1 Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het vangen en vervolgens weer op de oorspronkelijke vangplaats uitzetten van eieren van de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculenta), meerkikker (Pelophylax ridibundus), bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo) voor onderzoek en onderwijs. 2 Het eerste lid geldt niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid. Artikel 2.158 Aanwijzing vergunningvrije gevallen: vervoer van ziek of gewond dier 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b en 11.54, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, niet zijnde een gewone zeehond of een grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier, anders dan in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. 2 Het eerste lid geldt alleen als: a. de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die op grond van de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging; en b. het een zieke of gewonde ree, edelhert, damhert of wild zwijn betreft, vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder. Paragraaf 2.10.3 Uitzondering bij bijzondere weersomstandigheden Artikel 2.159 Geen schadebestrijding en jacht bij bijzondere weersomstandigheden Gedeputeerde staten kunnen activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.10.2 en de jacht op wildsoorten beperken of stopzetten in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken. Paragraaf 2.10.4 Onderwater flora en fauna Artikel 2.160 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten met gevolgen voor onderwater flora en fauna langs, op of onder een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.161 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de onderwater flora en fauna, met uitzondering van de van nature in Nederland in het wild levende dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onder a van de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage IX van de wet en soorten genoemd in de Visserijwet
- Artikel 2.162 Specifieke zorgplicht 1 Degene die een activiteit verricht langs, op of onder een oppervlaktewater en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.161, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit en of handeling achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. waterdieren en waterplanten niet nodeloos worden verstoord of in hun voortbestaan worden bedreigd; en b. alle passende maatregelen worden genomen om waterdieren en waterplanten te beschermen. Artikel 2.163 Vergunningplicht activiteiten onderwater flora en fauna Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten langs, op of onder een oppervlaktewater te verrichten: a. het uitsteken, afsnijden of anderszins verwijderen, voorhanden hebben of vervoeren van waterplanten en wieren; b. het nodeloos verontrusten, het vangen, het doden, het voorhanden hebben of vervoeren van waterdieren; of c. het bij zich hebben van voorwerpen die kennelijk tot doel hebben een onder a of b bedoelde activiteit te verrichten. Artikel 2.164 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning onderwater flora en fauna Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit; b. een onderbouwing van het doel van de activiteit; c. een kaart met de locatie van de activiteit; d. de omvang en duur van de activiteit; e. een beschrijving van de waterdieren en waterplanten waar het om gaat en de hoeveelheid die wordt gevangen; en f. welke middelen worden gebruikt. Artikel 2.165 Beoordelingsregels omgevingsvergunning onderwater flora en fauna De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit wordt verricht door of namens een rechtspersoon; b. de activiteit uitsluitend wordt verricht voor:
- educatieve doeleinden; of
- onderzoeksdoeleinden; c. de activiteit geen zeekreeft, Noordzeekrab, spinkrab, kokerworm, zeedahlia, dodemansduim of spons betreft; d. de activiteit tijdelijk is; e. er geen gebruik wordt gemaakt van niet-selectieve middelen; en f. onnodig lijden van waterdieren wordt voorkomen. Afdeling 2.11 Activiteiten die het vellen en herbeplanten van houtopstanden betreffen Paragraaf 2.11.
Artikel 2
.166 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het vellen en herbeplanten van houtopstanden. Deze afdeling gaat niet over de activiteiten, bedoeld in artikel 11.112, lid 2, van het besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2.167 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de instandhouding van het bosareaal in Zeeland; of c. het beschermen van landschappelijke waarden. Paragraaf 2.11.2 Meldplicht vellen houtopstand Artikel 2.168 Uitzondering op meldplicht vellen houtopstand Het verbod, bedoeld in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vellen van verjongingsgaten als: a. deze niet groter zijn dan anderhalf maal de boomhoogte; b. deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; en c. het vellen maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt binnen hetzelfde bosperceel. Artikel 2.169 Gegevens melding vellen houtopstand Gelijktijdig met de melding, bedoeld in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar en een schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de velling; b. een situatietekening van de locatie van de te vellen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 met daarop ingetekend de te vellen houtopstand en de kadastrale percelen; c. de oppervlakte van de velling (in are) en, als het rijbeplanting betreft, het aantal bomen; d. de boomsoort; e. de leeftijd van de houtopstand; en f. de reden van de velling. Paragraaf 2.11.3 Plicht tot herbeplanting Artikel 2.170 Eisen aan herbeplanting 1 Een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: a. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde of teniet gegane oppervlakte; b. de herbeplante houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. de herbeplante houtopstand vormt binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak, waarbij in geval van rijbeplanting de plantafstand niet groter dan 10 meter mag zijn; d. het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan; e. herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; f. de herbeplante houtopstand vertegenwoordigt ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden ten opzichte van de gevelde of teniet gegane houtopstand in kwantiteit en kwaliteit; en g. een spontane natuurlijke verjonging, die aan de eisen voldoet zoals in dit artikel is beschreven, is een toegestane vorm van bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, geldt dat in bestaande situaties met duurzame boomsoorten die op een grotere plantafstand staan, herplanting eveneens op dezelfde grotere plantafstand is toegestaan (als maximale maat) mits dezelfde soort bomen wordt herplant. Artikel 2.171 Eisen aan herplanting op andere grond 1 Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de andere grond is gelegen in de provincie Zeeland; b. de andere grond is onbeplant en vrij van een plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. de andere grond is vrij van een plicht tot natuurcompensatie; d. op de andere grond rust niet al een verplichting tot mitigatie of compensatie op grond waarvan bomen dienen te worden aangeplant; e. beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het betreffende gebied; f. de gevelde of teniet gegane houtopstand maakt geen onderdeel uit van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare, dat daardoor in oppervlakte afneemt; g. de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; h. de gevelde of teniet gegane houtopstand draagt niet bij aan de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet; i. de gevelde of teniet gegane houtopstand betreft geen oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem; j. de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 2.170; en k. de aanvraag voor herbeplanting op andere grond wordt gedaan uiterlijk twee jaar na de velling. 2 Het eerste lid, aanhef en onder g tot en met i, geldt niet als de houtopstand moet wijken om een werk in overeenstemming met een omgevingsplan mogelijk te maken. Artikel 2.172 Uitzondering op plicht tot herbeplanting De plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaan van houtopstanden, als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen. Afdeling 2.12 Activiteiten landschap Paragraaf 2.12.1 Distelbeheer Artikel 2.173 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het hebben en gebruiken van gronden waarop volgens het omgevingsplan landbouw kan worden verricht en die daadwerkelijk in gebruik zijn als landbouwgrond, en een daaraan grenzende strook van 30 meter. Artikel 2.174 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van agrarische belangen. Artikel 2.175 Uitbreiding normadressaat In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de regels van deze paragraaf ook voldaan door de eigenaar van of andere zakelijk gerechtigde op de landbouwgrond. Artikel 2.176 Distelbeheer Op landbouwgronden wordt voorkomen dat de distelsoorten Cirsium Arvense (akkerdistel) en Sonchus Arvensis (akkermelkdistel) tot bloei komen. Paragraaf 2.12.2 Borden Subparagraaf 2.12.2.
Artikel 2
.177 Toepassingsbereik 1 Paragraaf 2.12.2 is van toepassing op het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van bedrijventerreinen van ten minste een hectare. 2 Paragraaf 2.12.2 is niet van toepassing op het plaatsen van: a. borden behorend tot verkeerstekens, verkeersaanwijzingen of bewegwijzering, met inbegrip van toeristische bewegwijzering, in overeenstemming met de regels krachtens de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet; b. borden voor een campagne voor de verkeersveiligheid op wegen en vaarwegen, mits de borden geen handelsreclame bevatten; c. borden op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; d. officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen; en e. vlaggen op sportterreinen. Artikel 2.178 Oogmerken De regels in paragraaf 2.12.2 zijn gesteld met het oog op het beschermen van het landschap. Artikel 2.179 Maatwerkvoorschriften 1 Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over subparagraaf 2.12.2.2 tot en met subparagraaf 2.12.2.
- 2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van subparagraaf 2.12.2.2 tot en met subparagraaf 2.12.2.
- Subparagraaf 2.12.2.2 Algemene regels permanente borden en spandoeken Artikel 2.180 Toegelaten permanente borden en spandoeken 1 Een permanent bord wordt alleen geplaatst als is voldaan aan de regels in deze paragraaf. 2 De regels in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een permanent geplaatst spandoek. Artikel 2.181 Goede staat borden Een bord verkeert in goede staat. Artikel 2.182 Borden voor meubilering of stoffering Een bord dat kennelijk behoort tot de meubilering of de stoffering van een gebouw: a. is tegen het gebouw geplaatst; b. steekt niet uit boven het gebouw; en c. heeft een relatie met het feitelijk gebruik van het gebouw. Artikel 2.183 Borden voor beroep, bedrijf of dienst 1 Een bord dat betrekking heeft op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, anders dan een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation als bedoeld in artikel 2.187, dat of die feitelijk wordt uitgeoefend in een gebouw: a. bestaat uit maximaal 2 borden; en b. heeft een maximale oppervlakte van 2 m2 per bord. 2 In het geval van 2 of 3 bedrijven gesitueerd aan één oprit: a. kunnen de afzonderlijke bedrijven ieder maximaal twee borden plaatsen; en b. heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 2 m
- 3 In afwijking van het tweede lid: a. kunnen de bedrijven gezamenlijk één bord plaatsen; en b. heeft het bord een maximale oppervlakte van 4 m
- 4 In het geval van 4 of meer bedrijven gesitueerd aan één oprit: a. kunnen de afzonderlijke bedrijven ieder maximaal twee borden plaatsen; en b. heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 2 m
- 5 In afwijking van het vierde lid: a. kunnen de bedrijven gezamenlijk maximaal 2 borden plaatsen; en b. heeft ieder bord een maximale oppervlakte van 4 m
- 6 De borden, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid: a. worden geplaatst bij het gebouw of de inrit daarnaartoe; b. zijn niet verlicht; en c. hebben een maximale hoogte van 2,5 meter boven het maaiveld. Artikel 2.184 Borden over objecten of gebieden Een bord dat informatie verschaft over een object, een gebied, grensaanduidingen van een gemeente, de provincie of Nederland, aanduidingen met "verboden toegang" of een terrein beherende instantie: a. wordt feitelijk geplaatst bij het object of gebied; b. verschaft feitelijke, verdiepende informatie over het object of gebied; c. bevat geen handelsreclame; d. heeft een maximale oppervlakte van 2 m2; e. heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; en f. is niet verlicht. Artikel 2.185 Borden op sportterreinen Een bord dat is geplaatst op een sportterrein heeft de tekst en de afbeelding gericht naar het speelveld. Artikel 2.186 Borden voor gedachten en gevoelens Een bord voor gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet: a. heeft een maximale oppervlakte van 2 m2; b. heeft een maximale hoogte van 2,50 meter boven het maaiveld; c. is niet verlicht; en d. bevat geen handelsreclame. Artikel 2.187 Borden bij benzinestations en wegenwachtstations Een bord dat is geplaatst op het terrein van een benzinestation of ANWB Wegenwachtstation heeft direct betrekking op de aldaar uitgevoerde activiteiten. Artikel 2.188 Borden op rotondes 1 Een bord dat in overleg met de wegbeheerder op een rotonde kan worden geplaatst: a. geeft aan dat het onderhoud van de rotonde wordt gesponsord; b. heeft een maximale lengte van 0,50 meter; c. heeft een maximale breedte van 0,30 meter; d. heeft een maximale hoogte van 0,70 meter vanaf het maaiveld; en e. is niet verlicht. 2 Er worden maximaal twee borden per rotonde geplaatst. Artikel 2.189 Borden voor de verkoop van agrarische producten 1 Voor de verkoop van agrarische streekproducten worden maximaal drie borden geplaatst, waarvan maximaal twee direct bij het verkooppunt van het bedrijf of bij het bedrijf zelf en één binnen een straal van een kilometer van het bedrijf. 2 Een bord dat wordt geplaatst binnen een straal van een kilometer van het bedrijf: a. bevat geen handelsreclame; b. heeft een oppervlakte van maximaal 2,50 m2; en c. heeft een hoogte van maximaal 2,50 m vanaf het maaiveld. Subparagraaf 2.12.2.3 Algemene regels tijdelijke borden en spandoeken Artikel 2.190 Toegelaten tijdelijke borden en spandoeken 1 Een tijdelijk bord wordt alleen geplaatst als is voldaan aan de regels in deze paragraaf. 2 De regels in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op een tijdelijk spandoek. Artikel 2.191 Goede staat tijdelijke borden Een tijdelijk bord verkeert in goede staat. Artikel 2.192 Verkiezingsborden Een tijdelijk bord dat uitsluitend is bedoeld voor de verkiezing van een