Deze wet regelt de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Zandvoort voor het jaar 2005 en vervangt de eerdere verordening uit 1996. Het doel is het handhaven van de openbare orde en veiligheid, en het reguleren van diverse activiteiten in de openbare ruimte.
De raad van de gemeente Zandvoort;Gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 08 maart 2005, nr. 2005/2336 Gelet op de overwegingen van de commissie raadszaken d.d. 29 maart 2005 Gelet op onderstaande wettelijke bepalingen: 147 en 149 Gemeentewet Besluit: de Algemene Plaatselijke Verordening Zandvoort 2005 vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening Zandvoort 1996, algeheel gewijzigd in 1999, inclusief alle overige wijzigingen gelijktijdig in te trekken. HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN ARTIKEL1.1BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN In deze verordening wordt - voor zover niet anders bepaald - verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen of zijkanten, alsmede de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, strandopgangen en - afgangen, strand, bos- en duinterreinen, en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, galerijen, liften en parkeergarages. De afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom : de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten bij besluit van 3 september 1963 de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Rechthebbende: een ieder, die over enige zaak of dier enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Beheerder of houder: een ieder, die over enig goed of dier de onmiddellijke zeggenschap heeft. Voertuigen: alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: treinen; kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede glijboten en ponten, surfplanken en jetski's. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage A van de Meststoffenwet. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen. Geluidsapparaat: een apparaat, bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid. Wet BIBOB: Wet Bevordering Integriteit Beoordeling door het Openbaar Bestuur. College: het college van burgemeester en wethouders. ARTIKEL1.2BESLISTERMIJN 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.In afwijking van het eerste lid van dit artikel houdt het bevoegde bestuursorgaan een een vergunning of een ontheffing aan, indien: voor het verlenen daarvan één of meer vergunningen op grond van de Wet Milieubeheer, de Woningwet, instemmen met meldingen of vrijstellingen van het bestemmingsplan op grond van de Wet op de Ruimtelijke ordening, vereist zijn; en de aanvraag of aanvragen voor deze vereiste vergunningen en vrijstellingen zijn ingediend of deze vereiste meldingen zijn gedaan; dan wel een toets op basis van de Wet BIBOB wordt uitgevoerd. 4.De in het vorige lid bedoelde aanhouding eindigt op het tijdstip waarop op alle voor het verlenen van de vergunning of ontheffing vereisten is beslist. ARTIKEL1.3INDIENING AANVRAAG 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan zes weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien in deze verordening een andere aanvraagtermijn of andere aanvraagprocedure is bepaald. 3.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen, kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd met ten hoogste acht weken. ARTIKEL1.4VOORSCHRIFTEN EN BEPERKINGEN 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. ARTIKEL1.5PERSOONLIJK KARAKTER VAN VERGUNNING OF ONTHEFFING De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. ARTIKEL1.6INTREKKING OF WIJZIGING VAN VERGUNNING OF ONTHEFFING De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien: ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; ten gevolge van gewijzigde omstandigheden of inzichten na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn na het bekend worden van het niet gebruiken; de houder dit verzoekt. ARTIKEL1.7INZAGE VERGUNNING OF ONTHEFFING De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste vordering van een ambtenaar, die belast is met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening, ter inzage af te geven. ARTIKEL1.8TERMIJNEN Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE AFDELING1ORDE EN VEILIGHEID OP DE WEG PARAGRAAF1BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN ARTIKEL2.1.1.1SAMENSCHOLING EN ONGEREGELDHEDEN 1.Het is verboden, op of aan de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten, te schreeuwen of op andere wijze lawaai te veroorzaken of op andere wijze de orde te verstoren. 2.Degene die op of aan de weg aanwezig is bij een tot toeloop van het publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing of bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden, zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.Het is verboden zich bij enig voorval, dat aanleiding geeft of kan geven tot gemaakt te vertonen, tenzij dit geschiedt door ambtenaren belast met de voorkoming en bestrijding van deze wanordelijkheden. 5.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het vierde gestelde verbod. 6.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. PARAGRAAF2OPTOCHTEN EN BETOGINGEN ARTIKEL2.1.2.1VERGUNNING OPTOCHT 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2, lid 1 op de weg te doen plaatsvinden. 2.De vergunning wordt geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. ARTIKEL2.1.2.2KENNISGEVING BETOGINGEN OP OPENBARE PLAATSEN 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daar vóór de openbare aankondiging ervan tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid van de Wet openbare manifestaties. ARTIKEL2.1.2.3AFWIJKING TERMIJN De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. ARTIKEL2.1.2.4TE VERSTREKKEN GEGEVENS 1.Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regel-matig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. PARAGRAAF3VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN ARTIKEL2.1.3.1BEPERKING VAN HET AANBIEDEN E.D. VAN GESCHREVEN EN GEDRUKTE STUKKEN OF AFBEELDINGEN VOOR NIET-PROMOTIONELE ACTIVITEITEN 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen, niet zijnde bedoeld voor promotionele doeleinden, onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2.Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren en plaatsen. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of bezorgen van de in het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. ARTIKEL2.1.3.2BEPERKING VAN HET AANBIEDEN E.D. VAN GESCHREVEN EN GEDRUKTE STUKKEN OF AFBEELDINGEN VOOR PROMOTIONELE ACTIVITEITEN 1.Het is verboden zonder vergunning van het college gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen, monsters en/of andersoortig materiaal gebruikt voor promotionele doeleinden onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, uit te delen, aan te bevelen of bekend te maken op of aan de weg. 2.Het eerste lid geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of bezorgen van de in het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 3.Een vergunning wordt geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. PARAGRAAF4VERTONINGEN E.D. OP DE WEG ARTIKEL2.1.4.1FEEST EN MUZIEK EN WEDSTRIJD E.D. 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of aan de weg: een vertoning voor publiek te geven, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2; op enige wijze voor publiek muziek ten gehore te brengen; een feest of wedstrijd te geven of te houden. 2.De vergunning wordt geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. 3.Het bepaalde in eerste lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994 of artikel 5.4.1. van toepassing is. ARTIKEL2.1.4.2DIENSTVERLENING 1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig aan te bieden. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Een vergunning kan geweigerd worden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. ARTIKEL2.1.4.3STRAATARTIEST 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan de door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten daarvan. 2.De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. PARAGRAAF5BRUIKBAARHEID VAN DE WEG ARTIKEL2.1.5.1VOORWERPEN OF STOFFEN OP, AAN OF BOVEN DE WEG 1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt en geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.8; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3; voorwerpen of stoffen, die ten behoeve van het algemeen nut door of vanwege de gemeente worden geplaatst. 3.Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg; gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg; dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 4.Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 5.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Wegenreglement Noord-Holland 1970. 7.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. 9.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. ARTIKEL2.1.5.2AANLEGGEN, BESCHADIGEN EN VERANDEREN VAN EEN WEG 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, Wet beheer rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur, het Wegenreglement Noord-Holland 1970 of de Telecommunicatiewet. ARTIKEL2.1.5.3MAKEN OF VERANDEREN VAN EEN UITWEG 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Een vergunning wordt geweigerd indien strijd met het bestemmingsplan ontstaat. 4.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig gebruik van de weg; het doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 5.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor uitwegen die zijn aangegeven in een van gemeentewege goedgekeurd bouwplan. 6.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur en het Wegenreglement Noord-Holland 1970. PARAGRAAF6VEILIGHEID OP DE WEG ARTIKEL2.1.6.1VEROORZAKEN VAN GLADHEID 1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water of andere vloeistoffen op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Wegenverkeerswet 1994. ARTIKEL2.1.6.2HINDERLIJKE BEPLANTING OF VOORWERP Het is verboden op of aan de weg een boom, heg, struik of andere beplanting dan wel een voorwerp aan te brengen, te plaatsen of te hebben, die/dat aan het wegverkeer het uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren. ARTIKEL2.1.6.3WINKELWAGENTJES Vervallen conform besluit van 19 april 2005 ARTIKEL2.1.6.4OPENEN STRAATKOLKEN E.D. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, voorzieningen ten behoeve van de riolering, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. ARTIKEL2.1.6.5KELDERINGANGEN 1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare gedeelten van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.. ARTIKEL2.1.6.6ROOKVERBOD IN BOSSEN EN NATUURGEBIEDEN 1.Het is verboden te roken in bossen dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in bossen dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft brandende of smeulende voorwer-pen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende als tuin ingerichte erven. ARTIKEL2.1.6.7GEVAARLIJK OF HINDERLIJK VOORWERP 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van prikkeldraad, schrik-draad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. ARTIKEL2.1.6.8VALLENDE VOORWERPEN Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen vallen op de weg. ARTIKEL2.1.6.9VOORZIENINGEN VOOR VERKEER EN VERLICHTING 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. ARTIKEL2.1.6.10VERWIJDERING E.D. VOORZIENINGEN VOOR VERKEER EN VERLICHTING 1.Het is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. ARTIKEL2.1.6.11VEILIGHEID OP HET IJS 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het is verboden ijsvlakten te betreden of zich daarop te bevinden, wanneer dit kenbaar is gemaakt door middel van borden dan wel andere voorwerpen die van gemeentewege zijn geplaatst. 3.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. ARTIKEL2.1.6.12BERIJDEN VAN PAARD/PONY OP DE WEG 1.Het is een persoon, die de leeftijd van 14 jaar nog niet heeft bereikt, verboden een paard of een pony op de weg te berijden. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien de persoon beneden de leeftijd van 14 jaar tijdens die handeling onder direct toezicht of leiding staat van een persoon van tenminste 18 jaar die de rijkunst voldoende machtig is en de groep waarover hij leiding heeft niet groter is dan vijf ruiters. ARTIKEL2.1.6.13HANDHAVING BIJ DIVERSE VORMEN VAN OVERLAST 1.In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan door politieambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op een door de burgemeester aangewezen weg of plaats, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. De aanwijzing van de burgemeester kan ook het gehele grondgebied van de gemeente Zandvoort betreffen. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan: de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg, de plaats of het grondgebied, als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd; de burgemeester aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg, de plaats of het grondgebied, als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd; 3.De burgemeester beperkt en wijzigt het in het tweede lid, onder a en b genoemd verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 4.Het is verboden om zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. AFDELING2TOEZICHT OP EVENEMENTEN ARTIKEL2.2.1BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: Evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Wet op de filmvertoningen: markten als bedoeld in de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening; een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2.1,2.1.4.1, 2.1.4.2, 2.1.4.3, 2.3.3.2; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank-en Horecawet gelegenheid geven tot dansen. Groot evenement: een evenement waarbij tijdens de voorbereiding en uitvoering van dit evenement een gecoördineerde aanpak van politie, brandweer, Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR), gemeente en organisator van het evenement noodzakelijk wordt geacht, dan wel een evenement dat voldoet aan drie van de volgende vier criteria: het evenement vormt een belasting voor de leefomgeving; doorgaande wegen moeten worden afgesloten in verband met het te organiseren evenement; voor het evenement worden meer dan 500 bezoekers verwacht; het evenement veroorzaakt geluidhinder. Middelgroot evenement een evenement dat een belasting vormt voor de leefomgeving, maar verder slechts aan één van de volgende criteria voldoet: doorgaande wegen moeten worden afgesloten in verband met het te organiseren evenement; voor het evenement worden meer dan 500 bezoekers verwacht; het evenement veroorzaakt geluidhinder. Evenementengebied: een al dan niet afgesloten gebied waar een evenement plaatsvindt. 2.Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid. ARTIKEL2.2.2EVENEMENT 1.Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde en veiligheid; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. 3.De burgemeester kan voor het houden van een evenement een gebied aanwijzen als evenementengebied. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.3 gelden voor het aanvragen van grote en middelgrote evenementen de volgende termijnen: voor het houden van dit type evenementen dient op een door de burgemeester te bepalen tijdstip, aangemeld te worden volgens een door de burgemeester vastgesteld formulier; de aanvraag voor een groot evenement dient minimaal zestien weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt ingediend te worden; de aanvraag voor een middelgroot evenement dient minimaal twaalf weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt ingediend te worden. 5.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 beslist de burgemeester op een aanvraag voor een vergunning voor een groot of middelgroot evenement binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 6.De burgemeester kan zijn besluit voor ten hoogste acht weken verdagen. ARTIKEL2.2.3ORDEVERSTORING Het is verboden de orde te verstoren bij een evenement. ARTIKEL2.2.4AANWIJZEN TIJDELIJK VERBLIJF BIJ GROTE EVENEMENTEN 1.Bij grote evenementen zoals bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid sub b kan het college, direct gekoppeld aan de te houden evenementen, percelen geheel of gedeeltelijk aanwijzen voor de bestemming tijdelijk verblijf. Indien het college op grond van het eerste lid percelen aanwijst zijn de verboden op grond van de eerste leden van de artikelen 2.4.25 en 5.1.13 van deze verordening niet van toepassing op deze percelen. 2.Open vuren en kampvuren op tijdelijke campings zijn verboden, tenzij de houder van de toestemming voor het tijdelijk verblijf hiervoor een ontheffing heeft van de commandant van de brandweer. 3.Het is verboden op door het college te bepalen plaatsen op de weg te vervoeren of aanwezig te hebben of te houden van: aggregaten, koelinstallaties, biertaps, meer dan een halve kubieke meter hout, losse banden en andere campingvreemde artikelen die overlast veroorzaken of kunnen veroorzaken. ARTIKEL2.2.5TOESTEMMING EXPLOITEREN VAN EEN TIJDELIJK VERBLIJF 1.Het is verboden om zonder toestemming van de burgemeester op een aangewezen perceel voor tijdelijk verblijf een tijdelijke camping/verblijf in te richten en of te exploiteren. 2.Aan de toestemming zoals bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester nadere voorschriften voor het tijdelijk verblijf stellen die de houder, beheerder of eigenaar binden. Deze voorschriften strekken ertoe het tijdelijke verblijf veilig te laten zijn en de volksgezondheid te beschermen. 3.De burgemeester kan aanwijzingen, instructies of bevelen geven in het belang van de openbare orde, (brand)veiligheid en volksgezondheid. 4.De toestemming wordt door de burgemeester geweigerd indien niet is aangetoond dat voldaan wordt aan de eisen die met betrekking tot de sanitaire voorzieningen worden gesteld. ARTIKEL2.2.6VERSTORING ORDE EN VEILIGHEID BIJ EEN TIJDELIJK VERBLIJF Een ieder is verplicht de voorschriften, aanwijzingen, instructies en bevelen op te volgen, indien dit wordt bevolen door de politie, de brandweer of een door de burgemeester aangewezen ambtenaar. AFDELING3TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN PARAGRAAF1TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN ARTIKEL2.3.1.1BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN 1.Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het publiek toegankelijke inrichting waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, dan wel in een aanverwante inrichting, logies voor vier of meer personen wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. 2.Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. 3.Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt. 4.Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.8 van deze verordening. 5.Onder leidinggevende wordt in deze paragraaf verstaan: degene, die onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting. 6.Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; alsmede personen bedoeld in artikel 438 derde lid van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. ARTIKEL2.3.1.2SLUITINGSTIJDEN 1.Het is de houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, met uitzondering van de houders van een strandpaviljoen verboden zonder vergunning van de burgemeester dit bedrijf geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, tussen 01.00 uur en 06.00 uur. 2.Indien aan de houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, door de burgemeester een vergunning tot verruiming sluitingstijd als bedoeld in het eerste lid is verleend, dient het terras als bedoeld in 2.3.1.1, derde lid, gesloten te zijn om 02.00 uur. 3.Het is de houder van een strandpaviljoen verboden zonder ontheffing van de burgemeester dit paviljoen geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, tussen 00.00 uur en 06.00 uur. 4.De vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en/of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. 5.De ontheffing als bedoeld in het derde lid wordt alleen verleend indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid. 6.Het bepaalde in het eerste en derde lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. ARTIKEL2.3.1.3AFWIJKING SLUITINGSUUR, ALGEHELE SLUITING 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, bij openbaar bekend te maken besluit tijdelijk andere dan de in artikel 2.3.1.2 genoemde sluitingsuren vaststellen of tijdelijk algehele sluiting van een of meer horecabedrijven dan wel terrassen bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van het bedrijf die het betreft. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door Opiumwet. ARTIKEL2.3.1.4TOEGANG AMBTENAREN Dit artikel is vervallen. ARTIKEL2.3.1.5AANWEZIGHEID IN GESLOTEN HORECABEDRIJF Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.2 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.3 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. ARTIKEL2.3.1.6DIT ARTIKEL IS VERVALLEN ARTIKEL2.3.1.7ORDEVERSTORING Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. ARTIKEL2.3.1.8EXPLOITATIEVERGUNNING HORECABEDRIJF 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren. 2.De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3.De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 4.Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 5.De vergunning wordt in elk geval niet verleend indien de houder en/of leidinggevenden aan de volgende criteria voldoen: zij staan onder curatele dan wel zijn uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet; zij hebben voor een inrichting met een Drank- en Horecavergunning de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet bereikt, dan wel voor een inrichting met een verlof alcoholvrije drank de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt. 6.Een vergunning wordt niet verleend indien de houder en/of leidinggevende geen verklaring omtrent het gedrag kunnen overleggen, die ten hoogste drie maanden voor de vergunningaanvraag is afgegeven. 7.De burgemeester kan de vergunning weigeren indien sprake is van het geval en onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB. 8.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 9.Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het zevende lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van één of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 10.Het bepaalde in het achtste en negende lid geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp is voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of Wegenreglement Noord-Holland 1970. ARTIKEL2.3.1.9COLLEGE ALS BEVOEGD BESTUURSORGAAN Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2, 2.3.1.3, en 2.3.1.8. PARAGRAAF2TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF ARTIKEL2.3.2.1BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. ARTIKEL2.3.2.2KENNISGEVING EXPLOITATIE Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen tien werkdagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. ARTIKEL2.3.2.3NACHTREGISTER De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. ARTIKEL2.3.2.4VERSCHAFFING GEGEVENS NACHTREGISTER Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. ARTIKEL2.3.2.5DIT ARTIKEL IS VERVALLEN PARAGRAAF3TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN ARTIKEL2.3.3.1BEGRIPSOMSCHRIJVING Deze paragraaf verstaat onder: speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren; wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen; behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt; kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is; hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend: waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend; en waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder; laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca. ARTIKEL2.3.3.2SPEELGELEGENHEID 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op; speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de wet vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de wet te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de wet of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de wet, te verrichten. 2.De burgemeester weigert de vergunning indien: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefomgeving rond de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; de vestiging daarvoor geschiedt in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is verleend als bedoeld in art. 30 van de Huisvestingswet. 3.De burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien: het bepaalde in de wet wordt overtreden; in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of openbare orde in het bedrijf; de openbare orde en veiligheid of de woon-en leefomgeving door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld. 4.Artikel 2.3.1.2 is van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf. ARTIKEL2.3.3.3SPEELAUTOMATEN 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten niet zijn toegestaan. AFDELING4MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID ARTIKEL2.4.1BETREDEN GESLOTEN WONING OF LOKAAL 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorende erf te betreden. 3.Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. ARTIKEL2.4.2PLAKKEN EN KLADDEN 1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van de onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur-of verfstof, enige afbeeldingen, letters, cijfers of tekens aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden op een in het vierde lid bedoeld aanplakbord handelsreclame aan te brengen. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. ARTIKEL2.4.3VERVOER PLAKGEREEDSCHAP E.D. 1.Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, plakmiddel, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2. ARTIKEL2.4.4VERVOER INBREKERSWERKTUIGEN 1.Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien genoemde gereed-schappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. ARTIKEL2.4.5BETREDEN VAN PLANTSOENEN E.D. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, of kinderspeelplaatsen buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. ARTIKEL2.4.6RIJDEN OVER BERMEN E.D. 1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt. 4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wegenreglement Noord-Holland 1970 of de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. ARTIKEL2.4.7DOBBELEN E.D. Het is verboden op of aan de weg met kaarten, geld, dobbelstenen of dergelijke voorwerpen om geld of om op geldwaardeerbare zaken te spelen. ARTIKEL2.4.8HINDERLIJK GEDRAG OP OF AAN DE WEG 1.Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. 2.Het bepaalde in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht de Wegenverkeerswet 1994. ARTIKEL2.4.9HINDERLIJK DRANKGEBRUIK 1.Het is verboden op de weg, welke deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat deel uit maakt van een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank-en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet; c.het strand, zoals bedoeld in artikel 5.3.1, onder a. ARTIKEL2.4.10HINDERLIJK GEDRAG BIJ OF IN GEBOUWEN 1.Het is aan anderen dan rechthebbenden verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartements-gebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. ARTIKEL2.4.11HINDERLIJK GEDRAG IN VOOR PUBLIEK TOEGANKELIJKE RUIMTEN Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, kinderspeelplaats, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. ARTIKEL2.4.12NEERZETTEN VAN FIETSEN E.D. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang wordt versperd. ARTIKEL2.4.13OVERLAST VAN FIETS OF BROMFIETS OP MARKT- EN KERMISTERREIN E.D. 1.Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een kermis, uitvoering, bijeenkomst, evenement of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van dit terrein. 2.Het is verboden zich met een fiets of bromfiets te verplaatsen op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt gehouden wordt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. ARTIKEL2.4.14BESPIEDEN VAN PERSONEN Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw of deze woonwagen bevindende persoon, te bespieden. Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw of woonwagen bevindende persoon te bespieden. ARTIKEL2.4.15DIT ARTIKEL IS VERVALLEN ARTIKEL2.4.16DIT ARTIKEL IS VERVALLEN ARTIKEL2.4.17ALARMINSTALLATIES 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. ARTIKEL2.4.18LOSLOPENDE HONDEN, VERBODEN PLAATSEN, IDENTIFICATIEPLICHT 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere dan door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatie-merk, die de eigenaar of houder duidelijk doet kennen; 2.Het in het eerste lid, aanhef en onder a gestelde verbod is niet van toepassing op een door het college aangewezen en als zodanig ingerichte hondenuitlaatplaats. 3.Het verbod geldt niet voorzover eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. ARTIKEL2.4.18AHONDEN OP HET STRAND 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden in het tijdvak van 15 april tot 1 oktober tussen 09.00 uur en 19.00 uur zich met een hond op het gehele strand te bevinden. 2.het is verboden gedurende het tijdvak van 15 april tot 1 oktober honden onaangelijnd op het strand te laten verblijven. 3.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. ARTIKEL2.4.19VERONTREINIGING DOOR HONDEN 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op enig gedeelte van de weg, met uitzondering van de goot van een rijbaan; in een plantsoen, op een groenstrook of een grasperk met uitzondering van de door het college aangewezen plantsoenen, groenstroken en grasperken; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of sportvoorziening; op een andere door het college aangewezen plaats. 2.Het in het eerste lid, aanhef en onder a. en b. bepaalde is niet van toepassing op een door het college aangewezen en als zodanig ingerichte hondenuitlaatplaats. 3.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. ARTIKEL2.4.20GEVAARLIJKE HONDEN 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.In afwijking van artikel 2.4.18, aanhef en onder d, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 4.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. ARTIKEL2.4.21HOUDEN VAN HINDERLIJKE OF SCHADELIJKE DIEREN 1.Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen, waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4.Het bepaalde in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. ARTIKEL2.4.22LOSLOPEND VEE De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering is verplicht er voor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee de weg niet kan bereiken. ARTIKEL2.4.23DUIVEN 1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8:00 uur en 18:00 uur. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde gebod. 3.Het college kan tussen 1 maart en 1 juni een periode aanwijzen waarbij eigenaren of houders van duiven verplicht zijn deze binnen te houden. ARTIKEL2.4.24BIJEN 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg; 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid onder a gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. ARTIKEL2.4.25OVERNACHTEN OP OF AAN DE WEG 1.Het is verboden op of aan de weg te overnachten. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de openluchtrecreatie. ARTIKEL2.4.26NATUURLIJKE BEHOEFTE DOEN Het is verboden op of aan de weg, zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. AFDELING5BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN ARTIKEL2.5.1BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN In deze afdeling wordt verstaan onder: Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar; Ongeregelde goederen: goederen die wegens hun aard of uitvoering, herkomst of staat waarin zij verkeren, niet tot de algemeen gangbare goederen kunnen worden gerekend; Horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, leden 1 en 2; Houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, lid 4. ARTIKEL2.5.2VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT HET VERKOOPREGISTER 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. ARTIKEL2.5.3VOORSCHRIFTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 437, EERSTE LID, VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a. bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn register(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.