Omgevingsverordening Overijssel 2017 Algemene toelichting 0.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de provincie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel schetst onze visie op de fysieke leefruimte in Overijssel, hoe we – samen met onze partners – vorm en kleur willen geven aan die ruimte en hoe wij als provincie ons daar de komende jaren voor inzetten. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn daarbij de leidende principes of ‘rode draden’. In de Omgevingsvisie zijn de onderwerpen benoemd die de provincie op dit moment tot haar belang rekent en is per thema nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn. In paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat. In de Omgevingsvisie is ook het instrumentarium gekozen waarmee aan de ene kant ruimte wordt geboden aan de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap wordt versterkt. Een instrumentarium waarmee de provincie haar ambities realiseert en waarmee tegelijk partners ruimte hebben hun doelen te realiseren. Bestuursfilosofie De provincie Overijssel streeft ernaar om maatschappelijke resultaten te boeken waar de bewoners van Overijssel belang aan hechten. Daartoe: Pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners aan; Bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen; Beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en heldere regels. 0.1.1 Verordening in palet aan instrumenten De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Deze instrumenten volgen uit de drie ‘productielijnen’ van de provincie: visie, waarborg en realisatie.2Voor meer informatie zie: De vitale coalitie van de provincie Overijssel
(2008). De productielijn ‘visie’ omvat instrumenten als de Omgevingsvisie Overijssel en het verwerven en delen van kennis. De productielijn ‘realisatie’ omvat instrumenten als (prestatie)afspraken, gebiedsontwikkelings- en uitvoeringsprojecten (inclusief inpassingsplan) en subsidies en fondsen. De verordening is één van de instrumenten uit de productielijn ‘waarborg’. Hieronder vallen ook toezicht en handhaving en instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing. Bij de inzet van instrumenten streven we naar toepassing van de meest optimale mix zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten bepalen we aan de hand van drie criteria die de hoofdlijnen vormen van onze bestuursfilosofie: Realisatie door partnerschap en positie bewoners: met welk participatievorm kunnen we maatschappelijke opgaven zo goed mogelijk aanpakken en is het in belang van de rechtsstaat? Effectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden bereikt? Doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte? 0.1.2 Inzet van de verordening We zetten de verordening in voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid. De drie criteria ‘realisatie door partnerschap’, ‘effectiviteit’ (decentraal wat kan, centraal wat moet en ruimte voor partners) en ‘doelmatigheid’ (deregulering en helderheid) zijn daarbij uitgangspunt. Dit betekent onder andere dat voorschriften zoveel mogelijk partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners in positie brengen om verantwoordelijkheid te nemen. Ook regelen we niet meer dan strikt noodzakelijk. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Dubbelingen met andere regelgeving vermijden we. Wat elders geregeld is, bijvoorbeeld in sectorale wet- en regelgeving, wordt niet nog eens geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen. Het uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een ‘ja, mits-constructie’ en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een ‘nee, tenzij-constructie’. Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om in het onderdeel dat zich richt op gemeentelijke ruimtelijke plannen (hoofdstuk 2) rechtstreeks werkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.
- lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreeks werkende bepalingen in dit hoofdstuk waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast. 0.1.3 Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich – net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel – op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. De Omgevingsverordening Overijssel 2017 heeft de status van: Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.
- Wet ruimtelijke ordening Milieuverordening in de zin van artikel 1.
- Wet milieubeheer Waterverordening in de zin van de Waterwet Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet Rechtsbescherming De Omgevingsverordening Overijssel 2017 bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen. De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen. In hoofdstuk 11 is bepaald aan welke (algemene) voorwaarden een verzoek om ontheffing moet voldoen. Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in andere specifieke wetgeving die aan de Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Bewoners van Overijssel worden bij elke wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening betrokken, in ieder geval volgens de openbare voorbereidingsprocedure. 0.1.4 Opbouw naar doelgroepen Hoewel het logisch lijkt om de Omgevingsverordening te rubriceren op thema’s is een dergelijke indeling niet handig gelet op het feit dat de ruimtelijke verordening, de waterverordening en de milieuverordening zich tot verschillende doelgroepen richten. Voor het thema water bijvoorbeeld geldt dat naast de (deels verplichte) regelingen in de waterverordening en de milieuverordening, er aanvullend ook via de ruimtelijke verordening bescherming van bepaalde belangen geregeld worden (onder andere primaire watergebieden, grondwaterbeschermingsgebieden). De ruimtelijke verordening is gericht op gemeenten, de waterverordening is met name gericht op waterschappen en de milieuverordening richt zich op bewoners, bedrijven en instellingen. Het is ongewenst dat gemeenten of waterschappen de hele verordening door moeten lopen om voorschriften te vinden die zij bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel een waterplan in acht moeten nemen. Het risico is te groot dat daarbij een bepaling over het hoofd wordt gezien. Dit leidt ertoe dat er een integrale regeling wordt geboden voor de diverse onderwerpen waarvoor de provincie normstellend wil optreden – de Omgevingsverordening feitelijk een kaft vormt met daarbinnen 7 verschillende ‘verordeningen’ gericht op verschillende doelgroepen, die onderling zijn afgestemd om dubbelingen te voorkomen. Het gaat dan om de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2), de milieuverordening (hoofdstuk 3), de waterverordening (hoofdstuk 4), de verkeersverordening (hoofdstuk 5), het luchthavenbesluit Twente Airport (hoofdstuk 6) de natuurverordening (hoofdstuk 7) en de Wro-coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000 (hoofdstuk 8). De overige hoofdstukken bevatten algemene bepalingen. 0.1.5 Hoofdstukindeling De opbouw naar doelgroepen levert de volgende hoofdstukindeling op: In Hoofdstuk 1 vind je enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn. In Hoofdstuk 2 is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.
- Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat de ruimtelijke verordening geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen, uitvoeringsbesluiten en ‘kruimelgevallen’. In Hoofdstuk 3 vind je de ‘milieuverordening’ die zich richt op bewoners, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Hoewel het betreffende onderdeel als ‘milieuverordening’ te boek staat, betreft het de onderwerpen grondwaterbescherming en grondwateronttrekking, bodemsanering en ontgrondingen, dus onderwerpen op het terrein van water en bodem. In Hoofdstuk 4 is de waterverordening opgenomen. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichting van de Waterwet. Hoofdstuk 4 is gebaseerd op de IPO-modelverordening en richt zich met name tot waterschappen. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’. Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het Luchthavenbesluit Twente Airport met alle artikelen die voor de luchthaven en de omgeving van toepassing zijn. In 7 Natuurverordening vind je de invulling van bevoegdheden die de provincie heeft op het gebied van natuurbescherming. Hoofdstuk 8 bevat de WRO-coördinatieverordening voor de Ontwikkelopgave Natura
- Hierin wordt geregeld dat de ruimtelijke besluiten die nodig zijn voor de Ontwikkelopgave Natura 2000 gecoördineerd tot stand moeten komen. Dit houdt kort gezegd in dat de besluiten gezamenlijk de benodigde procedure doorlopen (dan wel alles in één keer, danwel geclusterd). Hoofdstuk 9 is gereserveerd voor mogelijke toekomstige aanvullingen. De overige hoofdstukken bevatten procedurele en inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 10 gaat over toezichthouders en strafbepalingen. Hoofdstuk 11 regelt de procedure voor het aanvragen van ontheffingen. Om misverstanden te voorkomen wordt hier nog eens expliciet verklaard dat dit hoofdstuk geen algemene ontheffingsmogelijkheid bevat. Ook regelt dit hoofdstuk niet de rechtsbescherming voor derden. Er bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het verlenen of weigeren van een ontheffing, maar de procedure daarvan is al geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In Hoofdstuk 12 wordt de inwerkingtreding geregeld. Als datum van inwerkingtreding is 1 mei 2017 opgenomen. Bij de verordening zijn enkele bijlagen gevoegd, die informatie bevatten waarnaar in de voorschriften wordt verwezen, maar die zich er niet voor lenen in die voorschriften zelf op te nemen. 0.2 Ruimtelijke verordening 0.2.1 Wro: scheiding beleid en normstelling Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro biedt het wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid. De wet heeft een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat een goede ruimtelijke ordening is. De Wro gaat uit van een scheiding van beleid en normstelling. De hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid moet in één of meerdere structuurvisies worden vastgelegd en voorzien worden van een uitvoeringsparagraaf. Voor structuurvisies geldt dat zij bijna geheel vorm- en procedurevrij zijn en alleen de overheidslaag zelf binden. Om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen door middel van normering, zal de provincie het juridische instrumentarium moeten inzetten dat in de Wro hiervoor beschikbaar wordt gesteld. 0.2.2 Instrumenten onder de Wro De Wro biedt de provincie diverse instrumenten. Instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen In de eerste plaats biedt de Wro de provincie instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de volgende instrumenten: het provinciale inpassingsplan; de provinciale omgevingsvergunning waarbij ontheffing van het geldende bestemmingsplan wordt verleend ten behoeve van een bouwplan; de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen parallel te schakelen; en het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht, onteigening en grondexploitatiebevoegdheden). Instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf De provincie beschikt op grond van de Wro over de volgende instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf: de provinciale ruimtelijke verordening; en de proactieve aanwijzing. De ruimtelijke verordening is een instructie van Provinciale Staten (PS) gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke bestemmingsplannen binnen een jaar in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. Provinciale Staten kunnen bij het vaststellen van de verordening gevallen aanwijzen waarvoor een andere termijn geldt. De proactieve aanwijzing is een instructie aan één of enkele gemeenten om een gemeentelijk bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Instrumenten voor de beleidsdoorwerking achteraf Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische instrumenten worden ingezet: zienswijzen op ontwerpbestemmingsplannen; beroep tegen vastgestelde bestemmingsplannen; en de reactieve aanwijzing waarmee een (deel van) een bestemmingsplan wegens strijd met het provinciaal belang buitenwerking kan worden gesteld. Het instrument van reactieve aanwijzing kan worden ingezet op onderwerpen waarvoor vooraf kaders zijn gesteld in de provinciale ruimtelijke verordening. Er is alleen uitzondering op deze regel mogelijk voor onderwerpen die niet goed geregeld kunnen worden in de verordening of alleen op een wijze die onevenredig veel bestuurslasten met zich mee zou brengen. 0.2.3 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro In het document – Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro
(2008)is de provinciale bestuursfilosofie op basis van de Wro weergegeven. Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de instantie zijn die in bestemmingsplannen de gewenste goede ruimtelijke ordening juridisch vastleggen. Daarbij gaat de provincie er vanuit dat de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door middel van voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten. Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de gemeenteraad en beroep op de Afdeling Bestuursrechtspraak zal instellen tegen gemeentelijke (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo nodig een reactieve aanwijzing zal geven waarmee het betreffende bestemmingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie zal waar nodig door middel van de provinciale ruimtelijke verordening instructies geven aan gemeenteraden om bestemmingsplannen aan te passen aan de inhoud van de verordening. De provincie zal alleen overgaan tot het vaststellen van inpassingsplannen (= provinciale bestemmingsplannen) als een gemeente niet bereid is of niet (tijdig) in staat blijkt een bestemmingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt. De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang: Accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing Realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken Bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door reactieve aanwijzing/beroep. De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van belang voor de positie van de bewoners, als het Rijk dit eist of ter verkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur. Overige instrumenten zoals het inpassingsplan en de proactieve aanwijzing zet de provincie selectief in. De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere instrumenten zoals (prestatie-)afspraken, gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis verwerven en delen. 0.2.4 Principebesluit tot inzet van de ruimtelijke verordening Met de provinciale ruimtelijke verordening kan het provinciaal bestuur vooraf regels stellen die gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen in acht moeten nemen. De provincie Overijssel zet in principe alle instrumenten uit de gereedschapskist van de Wro in, dus ook de ruimtelijke verordening. We gaan hier terughoudend mee om en zetten de verordening alleen in als ons belang er om vraagt. 0.2.5 Barro en Bro Het Rijk heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgelegd wat de nationale belangen zijn in het domein van de ruimtelijke ordening. Omdat ook voor de SVIR geldt dat dat beleid alleen het Rijk zelf bindt, is er voor gekozen om bepaalde belangen juridisch te borgen door middel van algemene regels. Deze algemene regels zijn gebundeld in twee Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), het Barro en het Bro. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) staan instructieregels die voor het merendeel gericht zijn aan gemeenteraden. Deze inhoudelijke instructieregels verplichten om in bestemmingsplannen op een bepaalde manier rekening te houden met nationale belangen. Voor een beperkt aantal onderwerpen is gekozen voor een getrapte regeling. Daarbij krijgt de provincie de opdracht om een nadere invulling te geven aan een nationale belang en daarvoor in de provinciale verordening instructies over bestemmingsplannen op te nemen voor gemeenteraden. Niet elk nationaal thema waarvoor een getrapte regeling is gekozen, is voor elke provincie relevant. Zo zijn er in Overijssel geen erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde aangewezen. Voor de provincie Overijssel is alleen de opdracht om het Natuurnetwerk Nederland nader te regelen van toepassing. Met de regeling in titel 2.7 in de Omgevingsverordening wordt voldaan aan de opdracht in titel 2.10 (Natuurnetwerk Nederland) van het Barro. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft een nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het Bro moet ervoor zorgen dat bij de toepassing van de instrumenten van de Wro sprake is van zorgvuldige afwegingen en een heldere besluitvorming. Het Bro regelt vooral proces- en procedureregels, zoals de eisen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen of hoe een ontheffing moet worden aangevraagd. Het Bro bevat ook de meer inhoudelijk werkende Ladder voor Duurzame verstedelijking. Daarin is een rechtstreekswerkende motiveringseis opgenomen die principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik koppelt aan de eis van regionale afstemming. In de Omgevingsverordening wordt een nadere provinciale invulling gegeven aan de nationale Ladder voor Duurzame verstedelijking, waarbij een koppeling wordt gelegd met het principe van concentratie en de wijze waarop in Overijssel invulling wordt gegeven aan de regionale programmering van wonen, bedrijventerrreinen, kantoren en detailhandel. 0.2.6 Omgevingswet Het Rijk werkt aan een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht moet inzichtelijker en voorspelbaarder worden en het gebruiksgemak van iedereen vergroten. Ook moet er meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die naar verwachting in 2019 in werking treedt, integreert zo’n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Met de Omgevingswet wil het Rijk het wettelijk systeem ‘eenvoudig beter’ maken. De Omgevingsvisie van Overijssel biedt in de geest van de Omgevingswet al een integraal beleidskader voor alle aspecten van het fysieke domein die van provinciaal belang zijn. Omdat de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluit vooralsnog niet in werking treden, is deze Omgevingsverordening nog gebaseerd op de nu geldende wet- en regelgeving. Wel wordt rekening gehouden met de experimenten die met het oog op de nieuwe Omgevingswet worden gedaan met onder andere omgevingsplannen. Wanneer de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsbesluiten in werking treden, zal deze Omgevingsverordening daarop worden aangepast. 0.3 Milieuverordening Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een milieuverordening verplicht. Deze milieuverordening omvat in ieder geval: Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.
- Wm) Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel 1.
- Wm) Voor (potentiële) stiltegebieden geldt dat we er vanuit gaan dat deze voldoende bescherming krijgen door de ligging binnen het Natuurnetwerk Nederland. 0.4 Waterverordening Op grond van de Waterwet zijn de volgende onderdelen in de waterverordening verplicht: Regionale waterkeringen (2.
- Waterwet) Waterkwantiteit (2.
- Waterwet) Toedeling vaarwegbeheer (3.
- Waterwet) Regionale waterplannen (3.11., 4.
- en 4.
- Waterwet) Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.
- en 4.
- Waterwet) Peilbesluiten (5.
- Waterwet) Grondwateronttrekkingen (8.
- in relatie te lezen tot 6.
- Waterwet) Handhaving Daarnaast bevat paragraaf 4.3 bepalingen met betrekking tot het beheer en onderhoud van vooral provinciale vaarwegen. 0.4.1 Afstemming waterverordening In IPO-verband zijn afspraken gemaakt over de inhoudelijke afstemming van de waterverordeningen van provincies die te maken hebben met provinciegrensoverschrijdende waterschappen. De insteek is dat de provincie waarin het kleinste deel van het grondgebied van het waterschap valt, de waterverordening ‘overneemt’ van de provincie waarin het grootste deel valt.. In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet heeft als uitgangspunt dat decentrale overheden hun regels over de fysieke leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening hebben we dit al geregeld voor de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen, Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe. Dit hoofdstuk richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van deze waterschappen voor zover gelegen binnen het grondgebied van de provincie Overijssel. Op grond van de afspraken in IPO-verband geldt de waterverordening van Flevoland voor het waterschap Zuiderzeeland tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 0.5 Verkeersverordening Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’. 0.6Luchthavenbesluit Twente Airport De Commissie Wientjes heeft in oktober 2014 aanbevolen om een regiobreed advies op te laten stellen voor het versterken van de economie en de werkgelegenheid in het gebied te stimuleren door aansluiting te zoeken bij het nationale topsectorenbeleid op het gebeid van Advanced Materials and Manufacturing (AMM) binnen de topsector High Tech Systems and Materials (HTSM) (ref. 1). De commissie adviseert om van Twente Airport een iconische, internationale ontwikkel-, demonstratie- en productiezone te maken. De naam die de commissie aan deze ontwikkeling heeft gegeven is Technology Base Twente (TecBT). Daarbij adviseert zij om de bestaande start- en andingsbaan te behouden als uniek bezit voor de Technology Base Twente, waarbij naast de HTSM/AMM bedrijven ook ruimte ontstaat voor luchthavengerelateerde bedrijvigheid en voor General en Business Aviation. Het gebruik van de baan moet op een logische manier inhaken bij de gebiedsontwikkeling en een toegevoegde waarde leveren als vestigingsfactor voor Twente. Om de vliegfunctie te behouden is op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit nodig. In het luchthavenbesluit worden de milieugebruiksruimte en het ruimtebeslag van de luchthaven c.q. de zones met bouwbeperkingen bepaald. Het aanvragen van een luchthavenbesluit gebeurt door Area Development Twente (ADT), die optreedt als exploitant van de luchthaven. ADT heeft die aanvraag voor het door Provinciale Staten van Overijssel te nemen luchthavenbesluit op 17 maart 2016 ingediend. Gevraagd wordt om –vooruitlopend op de instelling van een luchthavenexploitatiemaatschappij- het volgende gebruik van de luchthaven mogelijk te maken. ruimte voor in totaal ca. 20.000 vliegbewegingen; ruimte voor voor ca. 10.000 zweefvliegbewegingen; vliegbewegingen te laten plaatsvinden op weekdagen van 6.00 tot 23.00 uur met een extensieregeling voor bijzondere situaties; gebruik van het luchthavengebied met daarop de start- en landingsbaan; de verharde baan heeft een operationele lengte van 2406 meter. Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van de direct ten zuiden daarvan gelegen onverharde baan voor zweefvliegactiviteiten. Provinciale Staten van Overijssel hebben mede op basis van de aanvraag een luchthavenbesluit opgesteld. 0.7 Natuurverordening Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is een samenvoeging van de Boswet, Flora- en Faunawet en Natuurbeschermingswet. De Wet natuurbescherming regelt de wijze waarop de bescherming van de natuur vorm krijgt en geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij nieuwe bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is geregeld in hoofdstuk
- In hoofdstuk 7 zijn voor de onderdelen gebiedsbescherming, houtopstanden, soortenbescherming, tegemoetkoming faunaschade, faunabeheerplan, faunabeheereenheid en wildbeheereenheden regels opgenomen. 0.8 Wro-coördinatieverordening Ontwikkelopgave Natura 2000 Per 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Ten behoeve van het PAS zijn PAS-gebiedsanalyses vastgesteld, waarin de huidige situatie van de Natura 2000-gebieden staat beschreven en de beoogde instandhoudingdoelstellingen in relatie tot stikstof. Om de instandhoudingdoelstellingen te behalen zijn PAS-maatregelen op genomen die de komende jaren uitgevoerd moeten worden. Realisatie van de PAS-maatregelen in en nabij de Natura 2000-gebieden draagt bij aan een goede balans tussen enerzijds behoud en herstel van natuurlijke kwaliteiten en anderzijds de economische ontwikkeling in de omgeving van deze Natura 2000-gebieden. Op deze manier ontstaat er weer ontwikkelingsruimte. Daarnaast moeten op basis van de Wet natuurbescherming provincies en/of het Rijk voor alle Natura 2000-gebieden een beheerplan vaststellen. Deze beheerplannen bevatten de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingdoelstellingen. De PAS-gebiedsanalyses vormende basis voor de beheerplannen, maar naast de stikstofgerelateerde PAS-maatregelen zijn er ook andere maatregelen die nodig zijn voor realisatie van de instandhoudingdoelstellingen opgenomen. De PAS-maatregelen uit de PAS-gebiedsanalyses moeten over het algemeen voor 1 juli 2021 gerealiseerd zijn. De niet-PAS maatregelen uit de beheerplannen moeten binnen zes jaar na vaststelling van het beheerplan zijn gerealiseerd. Dit betekent dat er een aanzienlijke ontwikkelopgave voor natuurbescherming en -ontwikkeling ligt voor de provincie Overijssel. Voor de uitvoering van de beoogde maatregelen zijn meerdere (overheids)besluiten (ruimtelijke plannen, vergunningen, ontheffingen, etc.) noodzakelijk. Elk van deze besluiten kent een eigen (voorbereidings)procedure en termijn(en). Om de beoogde maatregelen tijdig te kunnen nemen, is het noodzakelijk om de besluiten en bijbehorende procedures zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt in de artikelen 3.33 en 3.34 Provinciale Staten (PS) de mogelijkheid om de voorbereiding, behandeling en bekendmaking van deze besluiten te coördineren door de provinciale coördinatieregeling uit de Wro van toepassing te verklaren op alle percelen waar deze maatregelen nodig zijn. Hiertoe is een coördinatieverordening vastgesteld door Provinciale Staten. In hoofdstuk 8 is deze coördinatieverordening opgenomen. 0.9 (gereserveerd) PM 0.10 Toezicht en strafbepaling Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de provincie als toezichthouder uit te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen. 0.11 Ontheffingsbepalingen Op een aantal punten in de verordening is voorzien in ontheffingsmogelijkheden voor Gedeputeerde Staten om te zorgen voor de nodige flexibiliteit. Benadrukt wordt dat de ontheffingen gekoppeld zijn aan de aard van het betreffende hoofdstuk. Dit betekent dat de ontheffing in hoofdstuk 2 een vrijstelling inhoudt voor een gemeenteraad van de opdracht die in de verordening in algemene zin aan gemeenteraden wordt gegeven om hun bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. De ontheffingen in hoofdstuk 3 maken onder voorwaarden specifieke activiteiten mogelijk binnen gebieden waarvoor een algemeen geformuleerd verbod geldt (bijvoorbeeld activiteiten waardoor schadelijke stoffen in het grondwater terecht zouden kunnen komen). De ontheffingen in hoofdstuk 4 richten zich niet alleen op waterschappen, maar op een ieder die veranderingen wil aanbrengen aan scheepvaartwegen en/of werken wil uitvoeren in de oevers van scheepvaartwegen. In hoofdstuk 11 zijn de procedurebepalingen ten aanzien van ontheffingsaanvragen opgenomen. Ook vind je hier de hardheidsclausule waarmee afweken kan worden van de regels in hoofdstuk
- Afwijken kan alleen als een ontwikkeling onevenredig belemmerd wordt door de regels in het ruimtelijk deel van de Omgevingsverordening terwijl dit niet in verhouding staat tot de provinciale belangen waarvoor de regels zijn vastgesteld. Ook moet vooraf een ontheffing verleend worden door GS. 0.12 Overgangs- en slotbepalingen In hoofdstuk 12 van deze Omgevingsverordening worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd die moeten voorkomen dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van de ruimtelijke verordening richten zich in hoofdzaak op nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt een specifieke overgangsbepaling, waarbij de wettelijke termijn tot aanpassing van 1 jaar is verruimd. 0.13 Wijze van publicatie De Verordening zal digitaal worden vastgesteld, maar ook analoog beschikbaar komen. Vooral voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit is een digitale en interactieve wijze van benaderen voor de praktijk handig: het digitale systeem met kaartlagen maakt het mogelijk om verschillende gegevens eenvoudig te combineren en af te wegen. Aan de verordening hebben we een eigen set kaarten toegevoegd die met name voor het helder definiëren van het toepassingsbereik van bepalingen onmisbaar zijn. De kaarten zijn gemaakt op een schaal van 1:100.
- De kaarten zijn online te raadplegen op de website http://www.omgevingsvisie.nl/. Colofon UitgaveOmgevingsverordening Overijssel, EindredactieTrijnie Drint Kaarten Beleidsinformatie provincie Overijssel beleidsinformatie@overijssel.nl Inlichtingen bijTrijnie Drint omgevingsvisie@overijssel.nl omgevingsvisie.nl AdresgegevensProvincie Overijssel Luttenbergstraat 2 Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 499 88 99 DisclaimerDeze versie van de Omgevingsverordening Overijssel bieden wij conform het Besluit ruimtelijke ordening elektronisch (digitaal) aan op www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast wordt de Omgevingsverordening ook in een viewer getoond die u kunt benaderen via onze provinciale website www.omgevingsvisie.nl. Tevens stellen wij analoge versies beschikbaar. Bij verschillen tussen de analoge en digitale versie geldt de digitale versie op www.ruimtelijkeplannen.nl Hoofdstuk1Algemeen Titel1.1 Algemene begrippen Artikel1.1.1 In deze verordening wordt verstaan onder: Omgevingsvisie Overijssel: provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 12 april 2017; bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel tenzij in de verordening anders is bepaald. nieuwe ontwikkelingen: ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden aangepast, uitgewerkt of gewijzigd voordat daaraan medewerking kan worden verleend. Titel1.2Toepassingsbereik Artikel1.2.1 Lid 1 Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op: beheersverordeningen, als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); wijzigings- of uitwerkingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b van de Wet ruimtelijke ordening; projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet (Chw); omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening; omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) omgevingsplannen als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet die in afwijking van de Wet ruimtelijke ordening opgesteld worden op basis van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet; verklaringen van geen bedenkingen die van een raad of college van burgemeester en wethouders van een gemeente worden gevraagd op grond van artikel 2.27 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ten behoeve van een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening. Lid 2 In deze verordening wordt onder een toelichting op een bestemmingsplan ook verstaan:een toelichting op of een ruimtelijke onderbouwing van een verordening of een besluit als bedoeld in het eerste lid. Artikel1.2.2 vervallen Hoofdstuk2Ruimtelijke verordening Titel2.1 Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit zie toelichting titel 2.1 Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit Artikel2.1.1Begripsbepalingen zie bijlage 8 In deze verordening wordt verstaan onder: ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is; duurzaamheid: duurzame ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien; sociale kwaliteit: het welzijn van de mens voor zover het gaat om het voldoen aan menselijke behoeften die samenhangen met de inrichting of vormgeving van de leefomgeving; gebiedskenmerken: de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten: Kaart Gebiedskenmerken Natuurlijke laag (Hoe) Kaart Gebiedskenmerken Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Hoe) Kaart Gebiedskenmerken Stedelijke Laag (Hoe) Kaart Gebiedskenmerken Laag van de beleving (Hoe) ontwikkelingsperspectieven: de als zodanig op de kaart Ontwikkelingsperspectieven (kaartnummer 160200_1) in bijlage 8 aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en kansen; versterken van ruimtelijke kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd; kwaliteitsontwikkeling: is het proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving; bestaand bebouwd gebied: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro; stedelijke functies: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen; Groene Omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied; bestaande erven: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de Groene Omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro; stedelijke ontwikkelingen: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorend groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden; niet aan de Groene Omgeving gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet functioneel aan de Groene Omgeving is gebonden; stedelijke netwerken: Zwolle Kampen Netwerkstad, de Netwerkstad Twente en de Cleantech regio (Deventer); streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg; herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft; transformatie: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie; schuifruimte: nieuwe locaties voor wonen of werken ten behoeve van de uitplaatsing van functies in het kader van herstructurering; lokaal gewortelde bedrijvigheid: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaal-economische structuur/voorzieningen. Artikel2.1.2Principe van concentratie Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Lid 2 In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken. Lid 3 In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte voor zover dit past binnen de regionale programmering van de betreffende regio. Lid 4 In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte van een buurgemeente als dit past binnen de regionale programmering van de betreffende regio. Artikel2.1.3Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Artikel2.1.4Toekomstbestendigheid In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus: de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Artikel2.1.5Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2 In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. Lid 3 In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 4 Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Lid 5 In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Lid 6 Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken. Lid 7 Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken. Lid 8 Van normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 6 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer: er sprake is van zwaarwegende sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen en voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken. Lid 9 Van richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 7 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt. Artikel2.1.6Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Zie toelichting artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Lid 1 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Lid 2 Lid 1 is niet van toepassing op de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven en op zelfstandige opstelling van zonnepanelen. Lid 3 In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Artikel2.1.7Kwaliteitsimpuls agro en food Zie toelichting artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food Lid 1 Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. Lid 2 In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf in een bestemmingsplan een nieuw agrarisch bouwperceel worden opgenomen als: een ondernemer zijn agrarisch bedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen; of een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Lid 3 Een nieuw agrarisch bouwperceel als bedoeld in lid 2 mag uitsluitend in een bestemmingsplan worden opgenomen als: is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel te benutten voor de hervestiging van het agrarisch bedrijf; een evenredige omvang aan bestaande of voormalige agrarische bebouwing in Overijssel wordt gesloopt en wegbestemd; het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. Lid 4 In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel in beperkte mate worden aangepast en/of uitgebreid als: is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken. Lid 5 In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel grootschalig worden aangepast en/of uitgebreid als: is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. Lid 6 In aanvulling op het gestelde onder 3 en 5 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Artikel 2.1.7a Specifieke bepalingen voor de geitenhouderij lid 1 Begripsbepaling Geitenhouderij: veehouderij met meer dan 10 geiten. lid 2 Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij In afwijkingvan artikel 2.1.7is het verboden om: een geitenhouderij te vestigen, een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheelof gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij, het aantalgeiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehoudente vergroten, de oppervlakte van dierenverblijven te vergroten, tenzijhet vergunde, dan wel gemeldeaantal geiten aantoonbaar niet groeit, een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richtenen een gebouw of grondenvoor het houdenvan geiten in gebruik te nemen, tenzij het vergundedan wel het gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit, bouwwerken of gronden tijdelijkte gebruiken voor een geitenhouderij. Het verbodonder a is niet van toepassing voor zover voor die activiteit op 28 september 2018: een ontvankelijke melding als bedoeldin artikel 1.10van het Activiteitenbesluit bij het bevoegdgezag is ingediend, of een omgevingsvergunning is verleend danwel een ontvankelijke aanvraag voor eenomgevingsvergunning bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemenebepalingen omgevingsrecht. Het verbod,bedoeld onder a, geldt niet voor bedrijven die door de Stichting Skal Biocontrole zijn gecertificeerd, enkel voor de diercategorie C.3 (opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen) uit de Regeling ammoniak en veehouderij en waarvan de afzonderlijke dierenop het bedrijf zelf zijn geboren. Deze uitzondering is enkel van toepassing voor zover de benodigde uitbreiding plaatsvindt voor het afmesten van geitenbokken in onmiddellijke samenhang met onherroepelijk verkregen rechten voorde betrokken diercategorie uit een andere geitenhouderij in de provincie Overijssel. Het verbod,bedoeld onder a, geldt voorhet betreffende plangebied totdat een voordat plangebied onherroepelijk bestemmingsplan in overeenstemming is met dat verbod. De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan bedoeld onder c uiterlijk voor 6 maart 2022 vast. Artikel2.1.8Kwaliteitsimpuls zonnevelden Zie toelichting Artikel2.1.8.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: Zelfstandige opstelling van zonnepanelen: installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing, maar zelfstandig opgesteld is in het vrije veld. Artikel2.1.8.2Realisatie zelfstandige opstelling zonnepanelen Lid 1 In de Groene Omgeving mogen zelfstandige opstellingen van zonnepanelen uitsluitend worden toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik van de gronden. Lid 2 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de opstelling van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen in de Groene Omgeving als de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond én is aangetoond dat het verlies van ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Lid 3 De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in lid 2 dient te worden onderbouwd vanuit de volgende criteria: de mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik; maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken en/of te compenseren; de mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied; de bijdrage die geleverd wordt aan maatschappelijke doelen. Lid 4 In aanvulling op het gestelde onder 2 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Artikel2.1.9Sociale kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen waarbij provinciale belangen in geding zijn, wordt aangegeven op welke wijze bewoners en gebruikers betrokken zijn bij de ontwikkeling van de plannen. Titel2.2Woningbouw zie toelichting titel 2.2 Woningbouw Artikel2.2.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: Nieuwe woningen: te realiseren woningen, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven Actueel onderzoek woningbouw: door de raad vastgesteld onderzoek waarin de behoefte van de gemeente aan nieuwe woningen is onderbouwd op basis van de regionale behoefte woningbouw, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens. Regionale behoefte woningbouw: door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nog te realiseren woningen is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses. Woonafspraken: bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing, toekomstbestendigheid bestaande voorraad, programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt. Regio: de gemeenten die onderdeel uitmaken van de samenhangende woningmarkt die bediend wordt met de woningbouwmogelijkheden die een gemeente biedt. Artikel2.2.2Realisatie nieuwe woningen Lid 1 Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Lid 2 In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek woningbouw, voorzien. Lid 3 In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn, mag – in afwijking van lid 2 – in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de woonafspraken. Lid 4 De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Lid 5 Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek woningbouw waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten. Lid 6 In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. Artikel2.2.3Actueel onderzoek Lid 1 Het actueel onderzoek woningbouw zoals bedoeld in artikel 2.2.1 wordt eens in de 2 jaar geactualiseerd. Lid 2 Gedeputeerde Staten stellen de nadere eisen vast waaraan actueel onderzoek woningbouw als bedoeld in artikel 2.2.1 moet voldoen. Lid 3 Wanneer een gemeente nalaat om het onderzoek woningbouw als bedoeld in artikel 2.2.1 onder b tijdig te actualiseren, dan kunnen Gedeputeerde Staten een actueel onderzoek woningbouw voor de betreffende gemeente vaststellen die in de plaats komt van het eerdere onderzoek naar de behoefte woningbouw van de gemeente. Artikel2.2.4Vervangende instemming provincie Lid 1 In het geval gemeenten in de regio weigeren in te stemmen met het actueel onderzoek woningbouw, treedt de instemming van Gedeputeerde Staten daarvoor in de plaats. Lid 2 Gedeputeerde Staten weigeren de vervangende instemming in elk geval als de te bouwen woningen niet passen binnen de regionale behoefte woningbouw als bedoeld in artikel 2.2.1 sub c. Artikel2.2.5Opdracht tot aanpassing bestemmingsplannen Lid 1 Bestemde, maar nog niet gerealiseerde woningbouwmogelijkheden in geldende bestemmingsplannen waarvan met actueel onderzoek woningbouw niet kan worden aangetoond dat daaraan de komende 10 jaar behoefte is, moeten worden geschrapt. Lid 2 De eis in lid 1 om capaciteit te schrappen geldt niet voor bestemde, maar nog niet gerealiseerde woningbouwmogelijkheden die passen binnen de geldende woonafspraken, zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Lid 3 Binnen 6 maanden na de vaststelling van actueel onderzoek woningbouw stelt de raad vast welke woningbouwmogelijkheden moeten worden geschrapt om te voldoen aan de opdracht in lid 1 Lid 4 Binnen een termijn van 2 jaar na het raadsbesluit als bedoeld in lid 3 worden de daarin benoemde woningbouwmogelijkheden met een herziening van het bestemmingsplan geschrapt. Lid 5 In afwijking van lid 4 geldt voor gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn als termijn waarbinnen overcapaciteit geschrapt moet worden de termijn zoals die hiervoor in de woonafspraken is vastgelegd. Titel2.3 Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties)) Artikel2.3.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: Nieuw bedrijventerrein: een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven. Kantorenlocatie: werklocatie met zelfstandige kantoren Actueel onderzoek bedrijventerreinen: door de raad vastgesteld onderzoek waarin de behoefte van de gemeente aan nieuw bedrijventerrein is onderbouwd op basis van de regionale behoefte werklocaties, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens. Regionale behoefte bedrijventerreinen: door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nieuw bedrijventerrein is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses. Afspraken bedrijventerreinen: bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer: ambitieniveau voor de economische ontwikkeling van de regio, profilering van bedrijventerreinen, toekomstbestendig maken en houden van de bestaande voorraad, (her)programmering van het aanbod aan bedrijventerreinen, en de bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt. Regio: de gemeenten die onderdeel uitmaken van de samenhangende markt voor bedrijventerreinen die bediend wordt met de vestigingsmogelijkheden die een gemeente biedt aan bedrijven. Artikel2.3.2Realisatie nieuw bedrijventerrein zie toelichting artikel 2.3.2 Bedrijventerreinen Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuw bedrijventerrein als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen. Lid 2 In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek bedrijventerreinen, voorzien. Lid 3 In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor afspraken bedrijventerreinen van toepassing zijn, mag - in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de afspraken bedrijventerreinen. Lid 4 De behoefte aan nieuw bedrijventerrein zoals bedoeld in lid 1 wordt geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende afspraken bedrijventerrein zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Lid 5 Wanneer de realisatie van nieuw bedrijventerrein niet past binnen geldende afspraken bedrijventerreinen of wanneer er voor de gemeente geen afspraken bedrijventerreinen gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten. Lid 6 In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. Artikel2.3.3Actueel onderzoek zie toelichting bij artikel 2.3.3 Kantoren Lid 1 Het actueel onderzoek bedrijventerreinen zoals bedoeld in artikel 2.3.1 wordt eens in de 2 jaar geactualiseerd. Lid 2 Gedeputeerde Staten stellen de nadere eisen vast waaraan actueel onderzoek bedrijventerreinen als bedoeld in artikel 2.3.1 moet voldoen. Lid 3 Wanneer een gemeente nalaat om het onderzoek bedrijventerreinen als bedoeld in artikel 2.3.1 onder c tijdig te actualiseren, dan kunnen Gedeputeerde Staten een actueel onderzoek bedrijventerreinen voor de betreffende gemeente vaststellen dat in de plaats komt van het eerdere onderzoek naar de behoefte aan bedrijventerreinen van de gemeente. Lid 4 vervallen Artikel2.3.4Vervangende instemming provincie Lid 1 In het geval gemeenten in de regio weigeren in te stemmen met het actueel onderzoek bedrijventerrein, treedt de instemming van Gedeputeerde Staten daarvoor in de plaats. Lid 2 Gedeputeerde Staten weigeren de vervangende instemming in elk geval als het te realiseren bedrijventerrein niet past binnen de regionale behoefte bedrijventerreinen als bedoeld in artikel 2.3.1 sub d. Lid 3 Vervallen Artikel 2.3.5 Opdracht tot aanpassing bestemmingsplannen Lid 1 Bestemde, maar nog niet gerealiseerde mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein in geldende bestemmingsplannen waarvan met actueel onderzoek bedrijventerreinen niet kan worden aangetoond dat daaraan de komende 10 jaar behoefte is, moeten worden geschrapt. Lid 2 De opdracht in lid 1 om capaciteit te schrappen geldt niet voor bestemde, maar nog niet gerealiseerde mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein die passen binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen, zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Lid 3 Binnen 6 maanden na de vaststelling van actueel onderzoek bedrijventerreinen stelt de raad vast welke mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein moeten worden geschrapt om te voldoen aan de opdracht in lid
- Lid 4 Binnen een termijn van 2 jaar na het raadsbesluit als bedoeld in lid 3 worden de daarin benoemde mogelijkheden voor het realiseren van bedrijventerrein met een herziening van het bestemmingsplan geschrapt. Lid 5 Voor gemeenten waarvoor afspraken bedrijventerreinen van toepassing zijn geldt als termijn waarbinnen overcapaciteit geschrapt moet worden de termijn zoals die hiervoor in de afspraken bedrijventerreinen is vastgelegd. Artikel 2.3.6 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties. Lid 2 In afwijking van het eerste lid kan met een bestemmingsplan medewerking worden verleend aan de totstandkomingvan nieuwe zelfstandige kantoren als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat: er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte; de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan. Lid 3 In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. Titel2.4 Detailhandel zie toelichting titel 2.4 Detailhandel Artikel2.4.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: kernwinkelgebieden: de delen van binnensteden en dorpscentra waar detailhandelsvestigingen geconcentreerd zijn en wijkwinkelcentra; stedelijke centra: steden binnen de stedelijke netwerken Zwolle Kampen Netwerkstad, Netwerkstad Twente en de Cleantech regio (Deventer); streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg; volumineuze detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals showrooms voor auto's, boten en caravans, bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken; grootschalige detailhandel: winkelformules met een zeer groot winkelvloeroppervlak dat (hoog)-frequent wordt bezocht en waarin een aanbod plaatsvindt van niet-volumineuze goederen; weidewinkel: zelfstandige detailhandelsvestingen aan de rand van bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen of in de Groene Omgeving. Onder weidewinkel wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van ‘verkoop bij de boer'. Artikel2.4.2Kernwinkelgebieden Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden. Zie toelichting artikel 2.4.2 Artikel2.4.3Volumineuze detailhandel Zie toelichting artikel 2.4.3 Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien niet in nieuwe mogelijkheden om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de mogelijkheid worden geboden voor de vestiging van volumineuze detailhandel voor de lokale behoefte waarvoor in kernwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden. Lid 3 In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen in streekcentra en stedelijke centra de mogelijkheid geboden worden voor de vestiging van volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling. Voorwaarde daarbij is dat met een ruimtelijke onderbouwing: de behoefte aannemelijk is gemaakt; aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kernen; aangetoond is dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. Artikel2.4.4Grootschalige detailhandel Zie toelichting artikel 2.4.4 Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe grootschalige detailhandelsvestigingen op locaties in of aansluitend op bestaande kernwinkelgebieden. Lid 2 Grootschalige detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling mogen uitsluitend worden toegelaten in de bestaande kernwinkelgebieden van de stedelijke centra, nadat met een ruimtelijke onderbouwing: de behoefte aannemelijk is gemaakt; aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kernen; aangetoond is dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. Lid 3 In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan op bedrijventerreinen binnen de stedelijke centra met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel op bedrijventerreinen binnen de stedelijke centra waarvoor in de bestaande kernwinkelgebieden geen ruimte gevonden kan worden. De aanvraag omgevingsvergunning moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing die voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in lid 2 onder a, b en c. Lid 4 In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel op locaties elders binnen de stedelijke centra in geval de grootschalige detailhandel thematisch aan deze perifere locatie is gebonden en op basis van een ruimtelijke onderbouwing die voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in lid 2 onder a, b en c. Artikel2.4.5Weidewinkels Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid tot vestiging van nieuwe weidewinkels. Zie toelichting artikel 2.4.5 Titel2.5 Radioactief afval zie toelichting titel 2.5 Radioactief afval Artikel2.5.1 Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe ondergrondse opslagmogelijkheden voor radioactief afval. Artikel2.5.2 Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe bovengrondse opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval. Titel2.6 Nationale Landschappen zie toelichting titel 2.6 Nationale Landschappen Artikel2.6.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Nationaal Landschap: gebieden met (inter)-nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken; kernkwaliteit: de essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap; Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr. PS/2005/1363); Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr. PS/2006/867). Artikel2.6.2Begrenzing Lid 1 Als Nationaal Landschap IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op de kaart Nationale Landschappen in Overijssel is aangegeven. Lid 2 Als Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart Nationale Landschappen in Overijssel is aangegeven. Lid 3 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de begrenzing van Nationaal Landschap aan te passen als dit nodig is voor ontwikkelingen met een groot openbaar belang mits aannemelijk gemaakt is dat daardoor de kernkwaliteiten die aanleiding zijn geweest voor de aanwijzing tot Nationaal Landschap niet onevenredig worden aangetast. Artikel2.6.3Kernkwaliteiten Lid 1 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn: de grote mate van openheid; de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek; het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen; de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel bijlage 7a in bijlage 7 van deze verordening. Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in bijlage 7b in bijlage 7 van deze verordening. Artikel2.6.4Nieuwe ontwikkelingen Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening. Titel2.7 Natuurnetwerk Nederland (NNN) zie toelichting titel 2.7 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Artikel2.7.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: compensatieplan: plan waarin overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen het NNN te compenseren en mitigeren; Natuurnetwerk Nederland (NNN): samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2; gebiedscategorie: typering zoals aangegeven op de kaart van een deelgebied van de NNN, bestaande uit: Bestaand: gebieden die beschikbaar zijn voor het realiseren van de natuurdoelen als omschreven in bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN; Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet beschikbaar zijn voor de realisering van het NNN, bestaande uit de volgende subcategorieën: Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden te beschermen of te vergroten; Zoekgebied natuur : gebied waar de natuurdoelen zowel via agrarisch natuurbeheer als door natuurbeheer kunnen worden bereikt; Overig te realiseren natuur: concreet begrensde nog te realiseren natuur. wezenlijke kenmerken en waarden: actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in de bijlage 1b Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN; saldobenadering: een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het NNN), maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een vergroting van de oppervlakte en/of een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur op gebiedsniveau. zie toelichting artikel 2.7.1 Begripsbepalingen Artikel2.7.2Werkingsgebied zie toelichting artikel 2.7.2 Werkingsgebied Lid 1 Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van het NNN op de digitale kaart ‘NNN' horende bij deze verordening. Lid 2 Provinciale Staten passen de begrenzing van het NNN aan op ontwikkelingen waarvoor op grond van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van artikel 2.7.
- Lid 3 Provinciale Staten passen de begrenzing van het NNN op ondergeschikte punten aan, indien dit nodig is op basis van aanpassing van het Natuurbeheerplan en andere provinciale besluiten die gericht zijn op de uitvoering van de NNN, mits de wezenlijke kenmerken en waarden worden behouden. Lid 4 Bij de herbegrenzing als bedoeld in lid 2 en 3 geldt de voorwaarde dat het areaal van het NNN per saldo ten minste gelijk blijft. Lid 5 De voorwaarde als bedoeld in lid 4 geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000'. Artikel2.7.3Beschermingsregime zie toelichting artikel 2.7.3 Beschermingsregime Lid 1 Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 Werkingsgebied zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen het NNN geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan. Lid 2 Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Lid 3 Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te realiseren': moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd; moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van het NNN en ook als zodanig beschikbaar zijn. Lid 4 Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als NNN wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. Lid 5 De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden. Lid 6 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen het NNN en waaruit moet blijken op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten. Lid 7 vervallen Lid 8 Daar waar op het moment van het van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren', verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft plaatsgevonden. Lid 9 De verplichting op grond van lid 2 en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en het aanbrengen van terreinverhardingen. Artikel2.7.4Afwijkingsmogelijkheden Zie toelichting artikel 2.7.4 Afwijkingsmogelijkheden Lid 1 De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor een relatief grootschalige ingreep of een combinatie van ingrepen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat: er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, voor zover de negatieve effecten ten gevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden, overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende maar tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Het besluit hiertoe dient tegelijk genomen te worden met het besluit tot wijziging van de bestemming of de regels ter zake het gebruik van de grond. Lid 2 Voor de onderbouwing van het bepaalde in lid 1 sub c en d wordt een compensatieplan vastgesteld. Lid 3 De gemeenteraad is bevoegd om bij vaststelling van een bestemmingsplan voor een combinatie van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de NNN door toepassing van de saldobenadering af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.
- Lid 4 De toelichting op het bestemmingsplan, als bedoeld in het derde lid, bevat een (samenhangende) gebiedsvisie waarop de saldobenadering toegepast wordt en beschrijft in ieder geval: de omvang van het gebied waarop de gebiedsvisie betrekking heeft; de doelen van de gebiedsvisie, in het bijzonder wat betreft de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland waardoor een beter functionerend natuurnetwerk ontstaat; op welke wijze het verlies van ecologische waarden en kenmerken én areaal wordt gecompenseerd; op welke wijze de uitvoering van de gebiedsvisie is verzekerd. Lid 5 De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.
- mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging: de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast, per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN, plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties. Lid 6 Wanneer het bestemmingsplan waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in het eerste, derde en vijfde lid onherroepelijk is geworden, doen burgemeester en wethouders hiervan melding bij Gedeputeerde Staten via het daarvoor beschikbare Meldingsformulier. Artikel2.7.5Compensatieplan Zie toelichting artikel 2.7.5 Compensatieplan Lid 1 Uit het compensatieplan, zoals bedoeld in artikel 2.7.4, lid 2 blijkt in ieder geval dat: de nadelige effecten zoveel mogelijk worden beperkt en – voor zover deze niet kunnen worden beperkt – voldoende worden gecompenseerd. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 1 betekent dit dat er geen nettoverlies van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden plaats vindt; de compensatie door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie elders plaatsvindt; de compensatie op financiële wijze afdoende is geregeld als fysieke compensatie als bedoeld in lid b niet mogelijk is; de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch mogelijk is dan wel mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan dat voorziet in de betreffende ontwikkeling in het geval de compensatie binnen hetzelfde plangebied plaats vindt; de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door (wijziging van) een ander bestemmingsplan dan het bestemmingsplan dat in de betreffende ontwikkeling voorziet in het geval dat de compensatie elders plaats vindt; voldoende compensatiemaatregelen zullen worden getroffen, waarbij zowel de aard, omvang, kwaliteit, locatie als tijdvak van uitvoering van de maatregelen en voorzieningen worden beschreven; de inrichting- en beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen duurzaam geregeld zijn; de compensatie uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd kan worden; en er een deugdelijke monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging zal plaats vinden. Lid 2 Indien het compensatieplan betrekking heeft op de uitvoering van een combinatie van ingrepen bevat het plan in aanvulling op lid 1 in ieder geval: een gebiedsvisie waarin de plannen, projecten of handelingen in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit blijkt dat het oppervlak natuur binnen het NNN minimaal gelijk blijft dan wel het NNN-areaal wordt vergroot, waarborgen dat de plannen, projecten of handelingen conform de gebiedsvisie als bedoeld in sub a in onderlinge samenhang worden gerealiseerd. Lid 3 Indien de compensatie bedoeld in het eerste en tweede lid voorziet in ingrepen die gerealiseerd worden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan dient het compensatieplan specifieke waarborgen te bevatten dat de vereiste compensatie daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Deze waarborg dient tenminste te omvatten: de wijze waarop financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het compensatieplan alsmede voor de financiering van het ontwikkelingsbeheer, de uiterste termijn voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het compensatieplan. Lid 4 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de compensatie zoals bedoeld in dit artikel. Titel2.8Bos en natuurgebieden buiten het NNN Zie toelichting titel 2.8 Bos en natuurgebieden buiten het NNN Artikel2.8.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de NNN die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd, zwaarwegende maatschappelijke belangen: algemene belangen die behartigd worden door de overheid en/of maatschappelijke organisaties, niet zijnde het belang van een particulier of het belang van enkelingen. Artikel2.8.2 Lid 1 Bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Lid 2 Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast. Lid 3 In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen ontwikkelingen die uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk zijn worden toegestaan als: er geen reële alternatieven zijn, de negatieve effecten van de ontwikkeling zo beperkt mogelijk worden gehouden de overblijvende negatieve effecten in voldoende mate worden gecompenseerd. een heldere onderbouwing wordt aangeleverd van het bepaalde in lid a, b en c. Lid 4 In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen kleinschalige ontwikkelingen worden toegestaan als: daardoor de waarde van een bos- of natuurgebied slechts in beperkte mate wordt aangetast en er per saldo sprake is van een versterking van de waarden van het gebied en/of vergroting van het oppervlakte daarvan en is aangetoond dat er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep mogelijk zijn. Titel2.9 (vervallen) (vervallen) Titel2.10Glastuinbouwlocaties Zie toelichting titel 2.10 Glastuinbouwlocaties Artikel2.10.1 Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het daarvoor op de kaart Glastuinbouwlocaties als ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder. Titel2.11Cultureel erfgoed Zie toelichting titel 2.11 Cultureel erfgoed Artikel2.11.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden. Artikel2.11.2 In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Titel2.12Verblijfsrecreatie Zie toelichting titel 2.12 Verblijfsrecreatie Artikel2.12.1 In deze verordening wordt verstaan onder: recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen; recreatieverblijf: een gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt; kampeermiddel: een tent, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden gebruikt als toeristisch nachtverblijf; bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer dat in de recreatieve verblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden. Artikel2.12.2 Lid 1 Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft: de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt; de locaties voor verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op kaart Recreatie waarbij geldt dat op locaties aangeduid met ‘alleen kleinschalige complexen’ zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat er sprake zal zijn van recreatief gebruik. Lid 2 Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, voor zover deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie. Artikel2.12.3 Lid 1 De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet. Lid 3 In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht objectgebonden overgangsrecht, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet, voor zover op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in een geldende bestemmingsplan voorzien was in een dergelijk objectgebonden overgangsrecht. Artikel2.12.4 Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een woonbestemming wordt toegekend. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan aan een recreatiewoning een woonbestemming worden toegekend, indien wordt voldaan aan een van de volgende voorwaarden: de recreatiewoning werd vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond en deze permanente bewoning is sindsdien onafgebroken voortgezet, of op de gronden van de recreatiewoning rust krachtens een onherroepelijk bestemmingsplan op 12 april 2017 objectgebonden overgangsrecht op grond waarvan de recreatiewoning voor permanente bewoning mag worden gebruikt; en indien wordt voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen; er kan worden voldaan aan de relevante milieuregelgeving; en de bouwmogelijkheden binnen de te realiseren woonbestemming zijn niet ruimer dan nodig is voor de invulling van de huidige woonfunctie. Titel2.13Drinkwatervoorziening Zie toelichting titel 2.13 Drinkwatervoorziening Artikel2.13.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: waterwingebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden; grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden; grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden; intrekgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden; intrekgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden; stand still-principe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen; stap vooruit-principe: beginsel dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren; methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig vastgestelde methodiek; niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies; harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning; grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden. Artikel2.13.2Waterwingebieden Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning. Artikel2.13.3Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening. Artikel2.13.4Niet-risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe. Artikel2.13.5Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe. Artikel2.13.6Grote of grootschalige -risicovolle functies In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe. Artikel2.13.7Grondwaterbeschermingsgebieden met een stedelijke functie In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stap vooruit-principe. Artikel2.13.8Intrekgebieden met stedelijke functies In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stand still-principe. Artikel2.13.9Toelichting op bestemmingsplan Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming. Titel2.14Watergebiedsreserveringen Zie toelichting titel 2.14 Watergebiedsreserveringen Artikel2.14.1Primaire watergebieden Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden zoals op kaart Watergebiedsreserveringen aangegeven, voorzien niet in ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe kapitaalintensieve functies die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren. Artikel2.14.2Waterbergingsgebieden Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden die als zodanig op de kaart Watergebiedsreserveringen zijn aangegeven, regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en voorzien niet in ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe kapitaalintensieve functies die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren. Artikel2.14.3Overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebied in verband met het overstromingsrisico) Bestemmingsplannen die betrekking hebben op overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebieden in verband met het overstromingsrisico) die als zodanig op de kaart Watergebiedsreserveringen zijn aangegeven, voorzien niet in ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe kapitaalintensieve functies in verband met het overstromingsrisico. Artikel2.14.4Overstroombaar gebied Lid 1 Bestemmingsplannen die betrekking hebben op het overstroombaar gebied als zodanig op de kaart Watergebiedsreserveringen zijn aangegeven, voorzien alleen in nieuwe stedelijke functies binnen deze gebieden als in het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd. Lid 2 De toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in: de risico’s bij overstroming; de maatregelen en de voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken. Artikel2.14.5Essentiële waterlopen Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen die op de kaart Watergebiedsreserveringen als zodanig zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe ontwikkelingen die: de functie van deze waterlopen voor de waterafvoer beperken; de toekomstige verruiming van de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water onmogelijk maken. Titel2.15Windturbines Zie toelichting titel 2.15 Windturbines Artikel2.15.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: windturbine: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt. Artikel2.15.2Uitsluiting windturbines Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die: op grond van artikel 2.7.2 gerekend worden tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of op grond van artikel 2.6.2 worden aangemerkt als Nationaal Landschap Titel2.16Basisrecreatietoervaartnet Zie toelichting titel 2.16 Basisrecreatietoervaartnet Artikel2.16.1 In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op de kaart Recreatie. Titel2.17Fiets- en wandelroutestructuren Zie toelichting titel 2.17 Fiets- en wandelroutestructuren Artikel2.17.1Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie. Titel2.18Externe Veiligheid Zie toelichting titel 2.18 Externe Veiligheid Artikel2.18.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op de kaart Externe Veiligheid aangegeven wegen die vrijgegeven zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg; essentiële functies en gebouwen: functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een gebied; kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; beperkt kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; groepsrisico: cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron; plaatsgebonden risico: risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met een risicobron; invloedsgebied: gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico; exploitant: de instantie die verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de risicobron; risicokaart: een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware ongevallen; plasbrandaandachtsgebied: strook met een breedte van 30 meter gemeten vanaf de rand van de weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen; Regeling externe veiligheid transportroutes: Regeling externe veiligheid transportroutes zoals die luidde op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening; Regeling Bouwbesluit 2012: Regeling Bouwbesluit 2012 zoals die luidde op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel2.18.2Buisleiding gevaarlijke stoffen en belemmeringenstroken vervallen Artikel2.18.3Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke stoffen vervallen Artikel2.18.4Nieuwe ontwikkelingen en transport gevaarlijke stoffen Zie toelichting artikel 2.18.4 Nieuwe ontwikkelingen nabij provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen Lid 1 In de toelichting op bestemmingsplannen die geheel of gedeeltelijk in het invloedsgebied liggen van een of meerdere wegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van dit routenetwerk wordt geborgd. In de Omgevingsvisie wordt er vanuit gegaan dat het vervoer van gevaarlijke stoffen alleen over wegen gaan (en dus niet over vaarwegen). Lid 2 Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en of beperkt kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een weg nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor de functie van de weg als onderdeel van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Lid 3 In de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1wordt in elk geval ingegaan op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet. Lid 4 Indien een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, wordt in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk tevens ingegaan op: 1°. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°. de als gevolg van het bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft; het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan zijn overwogen en de in dat plan opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Lid 5 Lid 4 kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond dat: het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in artikel 4, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in lid 4, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het lid 4, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. Lid 6 Indien toepassing wordt gegeven aan lid 5, bevat de toelichting bij het besluit de onderbouwing daarvan. Lid 7 Het groepsrisico wordt berekend volgens de Regeling externe veiligheid transportroutes. Lid 8 Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1, stelt het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio waarbinnen het betreffende bestemmingsplangebied ligt, in de gelegenheid advies uit te brengen over de in lid 3 en, voor zover van toepassing, lid 4 genoemde onderwerpen. Lid 9 Onverminderd de leden 7 en 8 worden in de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1, de redenen vermeld die het rechtvaardigen om in het plasbrandaandachtsgebied nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toe te laten, Lid 10 Voor nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in een plasbrandaandachtsgebied is paragraaf 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012 overeenkomstig van toepassing. Lid 11 Het bestemmingsplan als bedoeld in lid 1, bevat (een samenvatting van) het advies als bedoeld in lid
- Artikel2.18.5Essentiële functies en gebouwen Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit. Lid 2 Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen als zich binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit. Titel2.19Mobiliteit Zie toelichting titel 2.19 Mobiliteit Artikel2.19.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: hoofdinfrastructuur: weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra; hoofdfietsverbindingen: hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra; multimodale knooppunten: locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor). Artikel2.19.2Nieuwe ontwikkelingen In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten. Titel2.20Winlocaties grondstoffen Zie toelichting titel 2.20 Winlocaties grondstoffen Artikel2.20.1Ontgrondingen Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe, multifunctionele winlocaties, indien deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de winlocatie zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe bestemming. Artikel2.20.2Zoutwinningen Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap conform de gebiedskenmerken. Titel2.21(vervallen) Titel2.22Onconventioneel gas (schaliegas, steenkoolgas) Artikel2.22.1Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: onconventioneel gas: fossiele gassen die opgesloten zitten in de hardere bodemlagen in de diepe ondergrond zoals schaliegas en steenkoolgas, die alleen gewonnen kunnen worden door een constante bewerking, zoals ‘fracking’; fracking: het proces waarbij onder hoge druk een mix van water, chemicaliën en zandkorrels de kleisteenlaag wordt ingespoten, waardoor scheuren ontstaan waarlangs het gas naar de boorschacht kan lopen en gewonnen kan worden. Artikel2.22.2Installaties voor proefboringen en winning van schaliegas en steenkoolgas Bestemmingsplannen voorzien niet in het oprichten en gebruik van installaties voor proefboringen naar en winning van onconventioneel gas, zoals schaliegas en steenkoolgas. Hoofdstuk3Milieuverordening (grondwaterbescherming en bodem) Titel3.1Grondwaterbescherming, algemeen Paragraaf3.1.1Begripsbepalingen en zorgplicht in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones zie toelichting paragraaf 3.1.1 Begripsbepalingen en zorgplicht (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones) Artikel3.1.1.1Begrippen In dit hoofdstuk en in de bijlagen bij dit hoofdstuk wordt verstaan onder: achtergrondwaarden, baggerspecie, bouwstof, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse Wonen en kwaliteitsklasse A, toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond of baggerspecie, werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit; begraafplaatsen en terreinen voor de verstrooiing van as: begraafplaatsen of terreinen voor de verstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen; betrokken grondwateronttrekker: de drijver van een onttrekkingsinrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, uitsluitend of mede bestemd voor het onttrekken van grondwater voor de (openbare) drinkwatervoorziening, in wiens belang het betreffende gebied wordt beschermd; bijlage: bij deze verordening behorende bijlage; bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming; bodemenergiesysteem: een gesloten of een open bodemenergiesysteem; bodemenergiesysteem gesloten: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie; bodemenergiesysteem open: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie; buisleiding: buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gas met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas, alsmede een buisleiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; gewasbeschermingsmiddel, biociden: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; inrichting: inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht; lozing: het op of in de bodem brengen van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen; lozen vanuit een particulier huishouden: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit lozing afvalwater huishoudens; mechanische ingreep: een werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen boringen, grond- en funderingswerken; meststoffen, dierlijke meststoffen respectievelijk anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet; NEN 3650: Norm van het Nederlands Normalisatie-instituut ‘Eisen voor buisleidingsystemen’, uitgave juni 2012; NTA 8000: Nederlandse technische afspraak van het Nederlands Normalisatie-instituut ‘Specificatie voor een risicomanagementsysteem (RMS) voor risico's van buisleidingsystemen voor het transport van gevaarlijke stoffen in de beheerfase’, uitgave april 2009; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo; schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen, met inbegrip van de stoffen zoals opgenomen in bijlage 2a Niet limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones; waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning, die als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming bij deze verordening zijn aangewezen; wet: Wet milieubeheer; Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel3.1.1.2Zorgplicht Lid 1 Ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning buiten een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken. Lid 2 Indien die schade zich voordoet of dreigt voor te doen, behoort tot de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, onmiddellijk Gedeputeerde Staten en de betrokken grondwateronttrekker informeert. Paragraaf3.1.2Gebiedsaanwijzing: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones zie toelichting paragraaf 3.1.2 Gebiedsaanwijzing (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones) Artikel3.1.2.1Milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning Lid 1 Als milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning worden aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming Lid 2 Een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning kan bestaan uit verschillende zones, die als zodanig zijn aangewezen op de kaart, als bedoeld in het eerste lid: waterwingebied; grondwaterbeschermingsgebied; boringsvrije zone. Artikel3.1.2.2Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot wijzigen grenzen gebieden Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen de grenzen van de gebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, wijzigen als er sprake is van: wijzigingen op perceelsniveau; verkleining of opheffing van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een drinkwaterwinning; verkleining van een gebied bij voorzienbare sluiting van een drinkwaterwinning; vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m3 grondwater per jaar. Lid 2 In aanvulling op artikel 1.4 van de wet worden eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid. Lid 3 In aanvulling op het tweede lid wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid. Lid 4 Gedeputeerde Staten duiden de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, tweede lid, onder a en b, op afdoende wijze aan door middel van borden. Titel3.2Grondwaterbescherming Paragraaf3.2.1Waterwingebieden zie toelichting paragraaf 3.2.1 Waterwingebieden Artikel3.2.1.1Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden zie toelichting artikelen 3.2.1.1 t/m 3.2.1.3 Activiteiten binnen inrichtingen Lid 1 Het is verboden in een waterwingebied een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op te richten. Lid 2 Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning. Lid 3 Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren. Lid 4 Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren. Artikel3.2.1.2Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in waterwingebieden zie toelichting artikelen 3.2.1.1 t/m 3.2.1.3 Activiteiten binnen inrichtingen Lid 1 Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een waterwingebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Lid 2 Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3 Voorschriften en inst