← Nederland

Omgevingsverordening provincie drenthe (Drenthe)

In het kort

Deze wet, de Omgevingsverordening provincie Drenthe, regelt hoe de provincie Drenthe omgaat met de fysieke leefomgeving. Het stelt regels en kaders voor onder andere natuur, landschap, cultuurhistorie, archeologie en agrarische bedrijvigheid.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/provincie/2024/CVDR705506 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv22/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2024-10-27 2024-10-27 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR705506/nld@2024-10-29 /join/

het bepaalde in lid 2, sub b, van dit artikel kan archeologisch onderzoek achterwege blijven voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op: a. Waarde-Archeologie 2 en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m² en een diepte van meer dan 10 centimeter; b. Waarde-Archeologie 3 en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1000 m² en een diepte van 30 cm gemeten vanaf het maaiveld, met dien verstande dat deze dieptemaat wordt gesteld op 0 centimeter voor zover geen bouwvoor aanwezig is en op 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen in agrarische gebieden of; c. Waarde-Archeologie 3, voor zover dit plan tevens betrekking heeft op een voordenzone, en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 10 cm. Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden

  1. Kernkwaliteit Aardkundige Waarden bestaat uit Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog en Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel.
  2. De kernkwaliteiten zijn voor elk gebied vastgelegd in de Bijlage 3 Kernkwaliteiten Aardkundige Waarden.
  3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de gebieden Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog: a. houdt rekening met de aanwezige kernkwaliteiten; b. stelt regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.
  4. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het gebied Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel: a. betrekt de aanwezige kwaliteiten bij de toedeling van functies en activiteiten aan locaties; b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van dekernkwaliteiten is omgegaan. Artikel 3.5 Kernkwaliteit Stilte Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Kernkwaliteit Stiltegebied: a. houdt rekening met de voorkomende stilte; en b. maakt geen activiteiten mogelijk als beschreven in hoofdstuk 7, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat hiervoor de omgevingsvergunning kan worden verleend als genoemd in dat hoofdstuk. Artikel 3.6 Kernkwaliteit Natuur Op de bescherming van de Kernkwaliteit Natuur zijn de artikelen Artikel 3.30 en Artikel 3.31 van overeenkomstige toepassing Artikel 3.7 Combinatiemodel Artikel 3.1 tot en met Artikel 3.5 zijn niet van toepassing voor zover de raad in het desbetreffende omgevingsplan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits: a. de raad in het desbetreffende omgevingsplan tussen de strategische opgaven zoals genoemd in de Omgevingsvisie en de kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt, en; b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waarwenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen. Titel 3.2 Bruisend Drenthe Artikel 3.8 Basisbepaling bruisend Drenthe In een omgevingsplan wordt bij vaststelling uiteengezet hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen de strategische opgaven - voor zover van provinciaal belang - zoals weergegeven op de kaart Strategische Opgaven 2030 die in de omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd. Artikel 3.9 Ondergrond
  5. In een omgevingsplan waarin realisering van woonwijken, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw is voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor bodemenergie.
  6. Een omgevingsplan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning.
  7. Een omgevingsplan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk of radioactief afval in de ondergrond.
  8. Een omgevingsplan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers.
  9. Een omgevingsplan laat geen injectie van CO2 toe in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag tenzij deze ontwikkelingen in overeenstemming zijn met hetgeen daarover is opgenomen in de door provinciale staten vastgestelde Structuurvisie ondergrond. Artikel 3.10 Agrarische bedrijvigheid Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landbouwgebied voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect hebben op het functioneren van de agrarische sector in het gebied. Artikel 3.11 Grondgebonden agrarisch bedrijf
  10. Een omgevingsplan binnen het werkingsgebied Grondgebonden agrarische bedrijvigheid kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. 2.

het eerste lid kan een omgevingsplan in een groter bouwvlak voorzien, mits deze ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan. 3.

het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf betekent. Artikel 3.12 Intensieve veehouderij

  1. Een omgevingsplan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Dit geldt niet voor agrarische bedrijven waar door toepassing van de neventakbepaling, planologisch gezien de intensieve veehouderij niet meer als neventak kan worden beschouwd. Peildatum voor deze bepaling ligt op 20 augustus
  2. Een omgevingsplan staat aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toe met een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.
  3. Een omgevingsplan dat voorziet in bedrijfsbebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij - de bedrijfswoning uitgezonderd - bestaat uit ten hoogste 1 bouwlaag.
  4. Een omgevingsplan kan,

lid 2 van dit artikel, het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor het milieu en de landschappelijke inpassing berust op een landschappelijk inpassingsplan. 5.

het tweede en derde lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo's ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent. Artikel 3.12a Geitenhouderij en gezondheid

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.12 bevat een omgevingsplan een verbod om: a. een geitenhouderij te vestigen; b. de functie geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij;. c. het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten; d. de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten te vergroten, indien de geitenhouderij hiermee dichter bij kwetsbare functies komt te liggen of niet kan worden voldaan aan 3.13, tweede lid, van deze verordening; e. een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richten en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; f. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
  2. Indien een geitenhouderij is gesitueerd in een woonlint of nabij kwetsbare functies, kan een omgevingsplan voorzien in de verplaatsing van deze geitenhouderij indien aannemelijk is gemaakt dat met de verplaatsing sprake is van een verbetering van de gezondheidssituatie.
  3. Gedeputeerde Staten kan bij de beoordeling van een omgevingsplan voor een bestaande geitenhouderij afwijken van het verbod in het eerste lid onder d, indien uit onderzoek in voldoende mate is gebleken dat de gezondheid van personen die verblijven in nabij gelegen functies wordt geborgd. Gedeputeerde Staten betrekt bijde beoordeling in ieder geval; a. de afstand van de geitenhouderijtot bestaande of geprojecteerde kwetsbare functies en een advies van de GGD of andere onafhankelijke deskundige, zo lang er geen algemene nieuwe inzichten zijn; b. de maatregelen die het plan bevat die samengaan met winst voor het milieu, verdere verduurzaming (zoals bijvoorbeeld mest, energie en emissies) van het bedrijf en daarvoor voorzieningen nodig zijn, verbetering van dierenwelzijn en een goede landschappelijke inpassing.
  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als voor die activiteit vóór inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend bij het bevoegd gezag, tenzij de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 3.13 Verplaatsing en sanering
  5. Een omgevingsplan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar Landbouwgebied in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat: a. het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan; b. het bouwvlak, onverminderd de randvoorwaarden uit sub a van dit artikellid, voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot, en;. c. de bedrijfsbebouwing uit ten hoogste 1 bouwlaag bestaat. 2.

het eerste lid, onder a en b, kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo's in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent. 3.

Artikel 3

.12, lid 2, kan een omgevingsplan in een groter bouwvlak voor intensieve veehouderij voorzien, indien: a. de noodzaak daartoe aanwezig is voor een verdere verduurzaming (zoals bijvoorbeeld mest, energie en emissies) van het bedrijf en daarvoor voorzieningen nodig zijn (waaronder bebouwing) die ten gevolge van het ruimtegebrek niet kunnen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak van 2 hectare, of; b. de noodzaak daartoe aanwezig is voor een significante verbetering van het dierenwelzijn, mits het feitelijke en planologisch legale aantal aanwezige dieren daarmee niet toeneemt Artikel 3.12, vierde lid van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat:

  1. het bouwvlak ten hoogste 2,5 hectare bedraagt, of
  2. het bouwvlak ten hoogste 3 hectare bedraagt, indien in de regels van het ruimtelijk plan wordt verzekerd dat de stikstofdepositie van de intensieve veehouderij met ten minste 10% afneemt ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie, of
  3. het bouwvlak ten hoogste 3,5 hectare bedraagt, indien in de regels van het ruimtelijk plan wordt verzekerd dat de stikstofdepositie van de intensieve veehouderij met ten minste 20% afneemt ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie en dit plan gepaard gaat met een landschappelijk inpassingsplan van een geregistreerde landschapsarchitect dat ten minste 10% van het gehele agrarische bouwvlak bedraagt, of c. het gaat om samenvoeging in combinatie met sanering van een intensieve veehouderij. Het te saneren bedrijf moet grenzen aan het Natuurnetwerk Nederland of liggen in lintbebouwing of in een cluster van bebouwing. Hierbij geldt dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar provinciaal belang, waarbij:
  4. het uit te breiden bedrijf ligt in Landbouwgebied;
  5. de te saneren locatie duurzaam wordt beëindigd;
  6. er sprake is van winst op het gebied van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn op de uit te breiden locatie;
  7. er sprake is van landschappelijke inpasbaarheid die berust op een landschappelijk inpassingsplan;
  8. de uitbreiding samengaat met investering in duurzame energievoorziening en;
  9. de uitbreiding van de oppervlakte van het bouwvlak met stallen niet groter is dan de oppervlakte die de te saneren locatie volgens een omgevingsplan bij recht mogelijk maakt. Artikel 3.14 Overige agrarische activiteiten
  10. Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in de nieuwvestiging van glastuinbouw ter plaatse van het werkingsgebied Glastuinbouw.
  11. Een omgevingsplan kan voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat omgevingsplan wordt aangetoond dat: a. de nieuwe (bedrijfs)activiteit niet milieubelastend van aard is; en b. de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft.
  12. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in realisering van vergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven wanneer dit geen negatieve milieugevolgen met zich meebrengt.
  13. Of een vergistingsinstallatie negatieve milieugevolgen als bedoeld in lid 3 met zich meebrengt wordt door gedeputeerde staten beoordeeld aan de hand van het Beleidskader Co-vergisting
  14. Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling
  15. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits: a. de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt; b. onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen. c.

het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt. 2.

het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan voorzien in ten hoogste 4 woningen bij een sloopnorm van 2.000 m², voor zover de totale oppervlakte van alle woningen tezamen niet meer bedraagt dan 500 m².

  1. De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende: a. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor bebouwing die op 1 januari 2014 al aanwezig was; b. in het omgevingsplan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm; c. Bij het realiseren van drie of meer woningen als bedoeld in leden 1 en 2 toont het omgevingsplan aan dat de aantallen en doelgroep passen binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma’s en prestatie afspraken; d. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; en e. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in Natuurnetwerk Nederland of Beekdal en bergingsgebied, tenzij de oorspronkelijke bebouwing in die gebieden wordt verwijderd. Artikel 3.16 Woningbouw
  2. Een omgevingsplan dat in Landelijk Gebied aansluitend op Bestaand Stedelijk Gebied voorziet in nieuwe woningbouw, toont de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: a. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's; b. benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur; c. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; d. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd, en e. geeft een lange termijnbeeld.
  3. Een omgevingsplan kan in Landelijk Gebied voorzien in incidentele woningbouwmogelijkheden wanneer sprake is van bedrijfswoningen, een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling.
  4. Onverminderd het bepaalde in lid 3, kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in een incidentele woningbouwmogelijkheid wanneer: a. de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing; b. er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; c. er sprake is van een landschappelijke inpassing passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan, en; d. het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie.
  5. In uitzonderlijke gevallen kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits wordt aangetoond dat: a. deze kleinschalig zijn; b. deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen; c. het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en d. het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere waarden, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie.
  6. Een omgevingsplan kan voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits: a. het bebouwing betreft die niet landschapsontsierend is; b. het omgevingsplan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit verzekert; c. het omgevingsplan ten hoogste 6 woningen mogelijk maakt en niet gepaard gaat met externe bouwactiviteiten; en d. wordt voldaan aan artikel 3.15, lid 3, sub a, c en d van deze verordening. Artikel 3.17 Regionale werklocaties
  7. Een omgevingsplan kan uitsluitend op Regionaal bedrijventerreinen voorzien in de vestiging van nieuwe bedrijven die behoren tot milieucategorieën 4, 5, of 6 van VNG publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'.
  8. Een omgevingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe Regionaal bedrijventerrein gaat vergezeld met een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het desbetreffende omgevingsplan.
  9. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in nieuwe Regionaal bedrijventerreinen of uitbreiding van een bestaande Regionaal bedrijventerrein indien: a. dit past in een Regionale bedrijventerreinenvisie, dan wel in een gemeentelijke werklocatievisie mits hierover regionale overeenstemming bestaat, en b. in het desbetreffende omgevingsplan wordt onderbouwd dat deze werklocatievisie voldoende actueel is. Artikel 3.17a Grote vestigers 1.

lid 1 van artikel 3.17 vestigt een bedrijf van 5 hectare of meer zich uitsluitend op Regionale bedrijventerreinen.

  1. Een bedrijf als bedoeld in lid 1 kan zich uitsluitend vestigen op Regionale bedrijventerreinen, indien: a. uit het omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen in het landschap, mits verzekerd is dat een landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd van ten minste 10% van bouwvlak; b. het omgevingsplan voorziet in een combinatie met andere functies die een meerwaarde hebben voor andere provinciale doelen en belangen; c. er sprake is van clustering langs de rijkswegen A32, A28 en A37 voor zover het gaat om logistieke bedrijvigheid; d. er sprake is van regionale economische binding of het omgevingsplan leidt tot een duurzame werkgelegenheidsimpuls.
  2. Bij het aanwenden van hun bevoegdheden nemen Gedeputeerde Staten de handreiking ‘Grootschalige ruimtevragers Drenthe’ in acht met betrekking tot de toepassing van lid 2 van dit artikel. Artikel 3.18 Lokale werklocaties
  3. Een omgevingsplan voorziet in Landelijk Gebied uitsluitend op een Lokaal bedrijventerrein in de vestiging van nieuwe bedrijven die behoren tot milieucategorie 1, 2 en 3 van de VNG publicatie Handreiking Bedrijven en Milieuzonering.
  4. Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuw of uitbreiding van een Lokaal bedrijventerrein wanneer: a. het omgevingsplan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het omgevingsplan; en b. de functie die wordt toebedeeld is toegespitst op kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid.
  5. Het bepaalde in lid 2, sub a, is niet van toepassing op het Bestaand Stedelijk Gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatie 1.

Artikel 3

.18, eerste lid, kan een omgevingsplan alleen voorzien in de vestiging of significante uitbreiding van een bestaand solitair in Landelijk Gebied gelegen bedrijf binnen categorie 1, 2 of 3 van de VNG publicatie Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, indien: a. het solitaire bedrijf op grond van een evenwichtige toedeling van functies niet op een bedrijventerrein gevestigd kan worden; b. er sprake is van een gegroeide ontwikkeling waarbij er geen mogelijkheden zijn om een eind te maken aan de ontstane ruimtelijke situatie; c. over de vestiging of uitbreiding van het bedrijf in het verleden bestuurlijke uitspraken zijn gedaan of intenties zijn vastgelegd, of; d. de vestiging of uitbreiding aansluit op de grens van het werkingsgebied Bestaand stedelijk gebied en het omgevingsplan gepaard gaat met een landschappelijke inpassing die gericht is op een plus op de landschapskenmerken of ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 2.

Artikel 3

.17, eerste lid kan een omgevingsplan buiten Regionaal bedrijventerreinen voorzien in de vestiging van één solitair bedrijf dat behoort tot milieucategorieën 4, 5, of 6 van VNG publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering', indien wordt aangetoond dat: a. geen plaats is voor dit bedrijf op een Regionaal bedrijventerrein, en; b. sprake is van een grote werkgelegenheidsimpuls, een actuele behoefte en een goede landschappelijke inpassing. 3.

Artikel 3

.17, eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in de vestiging van nieuwe bedrijven buiten een Regionaal bedrijventerrein die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' vallen in categorie 4, voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid. Artikel 3.20 Detailhandel

  1. Een omgevingsplan kan binnen Bestaand Stedelijk Gebied uitsluitend in nieuwe plancapaciteit voorzien binnen of direct in aansluiting op het centrumgebied.
  2. Een omgevingsplan voorziet binnen Bestaand Stedelijk Gebied uitsluitend in nieuwe plancapaciteit buiten het centrumgebied, indien één (of meer) van de volgende aspecten van toepassing is: a. het een supermarkt betreft in een kleine kern (< 5.000 inwoners), die ruimtelijk niet (goed) inpasbaar is in het kleinschalige centrumgebied, waarbij in dat gebied nauwelijks sprake isvan een concentratie van winkels; b. het detailhandel betreft in branches die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden en die door de grootte van de winkel of de aard en omvang van het assortiment niet of minder goed passen binnen centrumgebieden; detailhandel in de branchegroep dagelijkse goederen en de branchegroep mode & luxe zijn essentieel en daarom uitgesloten; c. het kleinschalige ondergeschikte detailhandel aan huis betreft, en; d. het detailhandel betreft met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 500 m² op trafficlocaties of bij toeristische voorzieningen waarbij de detailhandel aansluit bij de aard van die voorzieningen.
  3. Een omgevingsplan voorziet niet in nieuwe plancapaciteit binnen Landelijk Gebied, tenzij: a. wordt aangetoond dat de plancapaciteit naar aard en omvang niet inpasbaar is in Bestaand Stedelijk Gebied. Detailhandel in de branchegroepen dagelijks en mode & luxe zijn uitgesloten; b. het detailhandel betreft met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 500 m² op trafficlocaties of bij toeristische voorzieningen waarbij de detailhandel aansluit bij de aard van die voorzieningen, of; c. het ondergeschikte detailhandel met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 200 m² bij een bedrijf betreft, waarbij de aard van de verkochte goederen in verband staat met de hoofdactiviteit van dat bedrijf.
  4. Ten behoeve van een omgevingsplan dat voorziet in plancapaciteit met een groter winkelvloeroppervlak dan 1.500 m² (wvo) vindt regionale afstemming plaats met naburige gemeenten, waarvan het omgevingsplan een schriftelijke samenvatting van het proces en de overwegingen van verschillende gemeenten bevat. Artikel 3.21 Mobiliteit Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landelijk Gebied met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, (dag)recreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven inzicht in: a. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen; b. de wijze waarop binnen het plan wordt voorzien in een adequate en veilige aansluiting op het bestaande wegen- en fietspadennet; c. de wijze waarop aansluiting op het Basisnetwerk openbaar vervoer wordt gerealiseerd. Artikel 3.22 Functiewijziging verblijfsrecreatie naar wonen
  5. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in functiewijziging van verblijfsrecreatie naar wonen indien: a. het gehele vakantiepark dan wel ruimtelijk samenhangende recreatiewoningen onderdeel is van één plan; b. de functiewijziging betrekking heeft op een gedeelte van, of gehele parken dan wel ruimtelijk samenhangende onderdelen daarvan en niet op losse recreatiewoningen; c. in het omgevingsplan inzicht wordt gegeven in de problematiek van het betreffende vakantiepark en dat een functiewijziging naar wonen bijdraagt aan de oplossing van deze problematiek; d. de bestaande recreatiewoningen geen stacaravans of vergelijkbare bouwwerken zijn, tenzij in het omgevingsplan wordt geborgd dat de functiewijziging naar wonen in ieder geval gepaard gaat met een verbetering van de uiterlijke verschijningsvorm en de randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de woning in het omgevingsplan worden vastgelegd. e. de betreffende woningen voldoen aan de minimale wettelijke eisen en in het omgevingsplan gemotiveerd wordt dat de functiewijziging past binnen de gemeentelijke woonvisie ofwel de balans tussen vraag en aanbod in de woningvoorraad, zodat deze aansluit bij de demografische behoefte, en; f. in het omgevingsplan wordt onderbouwd dat er een ruimtelijke, maatschappelijke en/of landschappelijke meerwaarde ontstaat, en het omgevingsplan vergezeld gaat van een uitvoeringsplan waarin de maatregelen staan die gericht zijn op de genoemde meerwaarde, dat juridisch verbonden is aan het betreffende omgevingsplan
  6. Gedeputeerde staten hechten er voor de beoordeling aan dat het omgevingsplan door en met betrokkenen tot stand is gekomen en zullen dit in hun afweging betrekken.
  7. Bij toepassing van dit artikel zijn de bepalingen van Artikel 3.16 niet van toepassing. Artikel 3.23 Nieuwe verblijfsrecreatie en uitbreiding verblijfsrecreatie Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuw vakantiepark of uitbreiding van een vakantiepark indien het omgevingsplan een levensvatbare langjarige bedrijfsmatige exploitatie van het vakantiepark waarborgt, zodat permanente bewoning van recreatiewoningen wordt voorkomen. Artikel 3.24 Windenergie
  8. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de toepassing van windenergie indien uit het desbetreffende omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap, waarbij: a. de windturbine(s) op locaties komen waar het dynamische en technische karakter van de turbines aansluit bij verwante functies, of in landschappen waar turbines minder waarneembaar of dominant zijn; b. de windturbine zodanig wordt geplaatst dat sprake is van een afzonderlijk waarneembare opstelling zodat er geen tot nauwelijks interferentie tussen de windturbines ontstaat, en; c. geborgd is dat de windturbine(s) na uitgebruik name worden verwijderd. 2.

het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan, wanneer het gaat om kleine installaties met een ashoogte van maximaal 15 m, voorzien in de toepassing van windenergie wanneer uit het desbetreffende plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap. Artikel 3.25 Zonne-energie

  1. Een omgevingsplan dat voorziet in de realisatie van zonne-akkers met een grotere oppervlakte dan 140 m² neemt de maximale gemeentelijke oppervlakte in acht in Bijlage 12 bij deze verordening.
  2. Een omgevingsplan kan, onverminderd het bepaalde in lid 1, uitsluitend voorzien in de realisatie van zonne-akkers met een grotere oppervlakte dan 140 m² indien: a. uit het omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap; b. er sprake is van een combinatie met andere functies of van een meerwaarde voor andere provinciale doelen en belangen; c. het omgevingsplan , voor zover dit voorziet in zonne-akkers op agrarische landbouwgronden, aantoont dat niet in de behoefte kan worden voorzien binnen Bestaand Stedelijk Gebied ; d. met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik rekening wordt gehouden met de beschikbare netcapaciteit en de afstand van de zonne-akker tot beschikbare aansluitingspunten; e. rekening wordt gehouden met de uitgangspunten van de Regionale Energiestrategie Drenthe; f. in het omgevingsplan wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte is vereist voor zonnepanelen, onderhoudspaden, voertuigpaden anders dan onderhoudspaden, schaduwval, transformatoropstellingen, omvormers, schakelstations, infrastructuur, onderhoudsgebouwen, en hekwerken; g. het omgevingsplan vergezeld gaat van een participatieverslag waaruit blijkt dat concrete inspanningen zijn verricht om draagvlak voor het initiatief te genereren, en; h. het omgevingsplan een maximale termijn van ten hoogste 25 jaar bevat, waarna de installaties dienen te worden verwijderd en de oorspronkelijke situatie hersteld.
  3. Bij het aanwenden van hun bevoegdheden nemen gedeputeerde staten de Beleidsregel Zon in acht met betrekking tot de uitleg van lid 2, sub a, b en g van dit artikel. Artikel 3.26 Ontheffing
  4. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van Burgemeester en Wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in Artikel 3.25, eerste lid, voor zover in dat geval de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Van bijzondere omstandigheden is uitsluitend sprake indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten: a. sprake is van meervoudig ruimtegebruik ten behoeve van een concreet omschreven en actuele gebiedsopgave die hiermee in overwegende mate aantoonbaar wordt geoptimaliseerd; b. de hoeveelheid zonne-akkers op land in een evenwichtige verhouding is met de hoeveelheid zonnepanelen op daken, dan wel dat wordt verzekerd dat de zonne-akkers gepaard gaan met een significante ontwikkeling voor zon op dak, en; c. wordt voldaan aan de regels van artikel Artikel 3.25, tweede lid.
  5. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in Artikel 3.25, eerste lid, ten behoeve van een omgevingsplan dat voorziet in een zonne-akker van ten hoogste 2,5 hectare, voor zover in dat geval de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Artikel 3.27 Radioastronomie
  6. Een omgevingsplan kan in Zonering radioastronomie zone I alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden en nadat advies hieromtrent is ingewonnen bij het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie.
  7. Met het oog op het voorkomen van elektromagnetische straling die een storend effect heeft op de waarnemingen van radiotelescopen, voorziet een omgevingsplan binnen 'Zonering radioastronomie zone II' alleen in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten nadat advies is ingewonnen bij het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie en voor zover in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het provinciaal belang bij het ontwikkelen van radioastronomie. Artikel 3.28 Koloniën van Weldadigheid
  8. Binnen de begrenzing van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" worden in het omgevingsplan regels opgenomen gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde;
  9. Een omgevingsplan kan in ieder geval niet voorzien in activiteiten die de kernkwaliteiten aantasten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid".
  10. De kernkwaliteiten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" zijn aangeduid en nader uitgewerkt in Bijlage 4 bij deze verordening. Artikel 3.29 Nationaal Park Drentsche Aa
  11. Een omgevingsplan kan, voor zover dit plan betrekking heeft op het geheel dan wel een gedeelte van het Nationaal Park Drentsche Aa, alleen voorzien in ontwikkelingen voor zover deze bijdragen aan het behoud en het versterken van en niet in strijd zijn met de doelstellingen, kwaliteiten en kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa zoals deze zijn opgenomen in het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplan Drentsche Aa 2.0 (2021 - 2030).
  12. In aanvulling op het eerste lid kan een omgevingsplan in ontwikkelingen voorzien wanneer: a. de kenmerken van het landschap worden versterkt en er rekening wordt gehouden met het draagvermogen van het landschap gelet op de bouwvolumes, schaalgrootte en verschijningsvormen, en; b. het omgevingsplan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en landschappelijk inpassingsplan die juridisch verbonden zijn aan het desbetreffende ruimtelijke plan.
  13. In aanvulling van het eerste lid kan een omgevingsplan in ontwikkelingen voorzien wanneer: a. er sprake is van een groot maatschappelijk belang met het oog op duurzame energieontwikkeling; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; c. er rekening wordt gehouden met het landschap en de eventuele nadelige gevolgen voor het landschap en tot de verhouding van het rendement; d. de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kwaliteiten kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa als bedoeld in het eerste lid waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:
  14. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken en kwaliteiten; en
  15. de compensatie plaatsvindt: I. aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied; II. door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; III. of op financiële wijze. Artikel 3.30 Bescherming Natuurnetwerk Nederland
  16. Een omgevingsplan of projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland bevat geen functies, activiteiten en regels die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland aantasten of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland.
  17. Een omgevingsplan of projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland onderbouwt in ieder geval: a. de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van Natuurnetwerk Nederland; b. hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd; en c. hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen. Artikel 3.31 Afwijking Natuurnetwerk Nederland 1.

Artikel 3

.30 kan een omgevingsplan of projectbesluit voorzien in nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten voor zover: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en c. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij;

  1. de activiteiten niet mogen leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken;
  2. de compensatie plaatsvindt: I. aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij Natuurnetwerk Nederland; II. in Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gronden beleidsmatig niet zijn aangeduid als natuur, inclusief nieuwe natuur; III. door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of IV. op financiële wijze; en V. de compensatie plaatsvindt binnen twee jaar na vaststelling van het omgevingsplan dat voorziet in de aantasting. d. in het omgevingsplanof projectbesluit wordt opgenomen:
  3. op welke wijze schade aan Natuurnetwerk Nederland zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;
  4. hoe wordt geborgd dat de maatregelen voor de compensatie als bedoeld onder het eerste lid, onder c, sub 1, daadwerkelijk wordt uitgevoerd en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.
  5. Een omgevingsplan of projectbesluit kan

Artikel 3

.30 een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een provinciale of intergemeentelijke omgevingsvisie of programma blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten ook tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van Natuurnetwerk Nederland te verbeteren, waarbij in samenhang met een ander omgevingsplan of een of meer andere projectbesluiten die eveneens behoren tot de desbetreffende omgevingsvisie: a. de kwaliteit van Natuurnetwerk Nederland verbetert, waarbij de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland niet afneemt; b. het areaal van Natuurnetwerk Nederland wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerend Natuurnetwerk Nederland ontstaat, en; c. in dat omgevingsplan of projectbesluit verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat. Artikel 3.32 Bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap

  1. Het is verboden binnen Landgoed Overcingel zonder omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten activiteiten te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor de in het aanwijzingsbesluit genoemde natuurwaarden en aanwezige cultuurhistorische kenmerken.
  2. Dit verbod is niet van toepassing op activiteiten die verricht worden overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 3.34 dan wel activiteiten ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 3.59, aanhef, sub a en b, van het Besluit Kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.33 Beheerplan
  3. Gedeputeerde Staten kunnen, in overeenstemming met de eigenaar of de gebruiker, voor Landgoed Overcingel, dan wel een gedeelte daarvan, een beheerplan vaststellen. Dit beheerplan heeft tot doel de beschrijving te geven van het beheer dat noodzakelijk is voor het behoud, het herstel of de ontwikkeling van de in het aanwijzingsbesluit genoemde natuurwaarden en aanwezige cultuurhistorische kenmerken. Het beheerplan kan een beschrijving bevatten van activiteiten die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in Artikel 3.
  4. Gedeputeerde Staten kunnen een bedrag beschikbaar stellen voor de uitvoering van het beheerplan met een maximum van € 2.500,-- per jaar.
  5. Gedeputeerde Staten brengen het beheerplan ter kennis van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het bijzondere provinciale natuurgebied dan wel het bijzondere provinciale landschap is gelegen.
  6. De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan.
  7. Gedeputeerde Staten kunnen een vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen.
  8. Het beheerplan wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. Artikel 3.34 Landgoederen Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van nieuwe landgoederen met een huis van allure, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het landgoed bevat minimaal vijf hectare nieuw aan te planten bos waarbij artikel 3.35 in acht word genomen; b. de oppervlakte van het landgoed bedraagt minimaal tien hectare; c. het landgoed is openbaar toegankelijk; d. het landgoed vormt een ecologische, economische en esthetische eenheid waarbij sprake is van samenhang tussen bebouwing, beplanting, infrastructuur en landgebruik; e. het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid. Artikel 3.35 Bosclustering Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de aanleg van nieuw bos, als het nieuwe bos grenst aan één van de volgende gebieden: a. een bestaand bos dat groter is dan 50 hectare, of aan een kleinere waardevolle bosgemeenschap; b. een natuurgebied dat groter is dan 50 hectare; c. een bestaand of toekomstig recreatiegebied, dat groter is dan 10 hectare; d. een woonkern waarbij bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden niet worden aangetast. Artikel 3.36 Water
  9. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gebieden in het Beekdal, voorziet niet in nieuwe kapitaalintensieve functies. 2.

het eerste lid kan een omgevingsplan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang; b. er zijn geen reële alternatieven; c. de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en; d. het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd.

  1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Bergingsgebied strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.
  2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Grondwaterbeschermingsgebied of Waterwingebied, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied. Artikel 3.37 Provinciale wegen Een omgevingsplan maakt binnen het werkingsgebied provinciale weg geen handelingen, activiteiten of bestemmingen mogelijk die strijdig zijn met het meest doelmatige en efficiënte huidige of toekomstige gebruik van deze wegen. Titel 3.3 Slotbepalingen Artikel 3.38 Termijn verwerken instructieregels De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet. Hoofdstuk 4 Natuurbescherming Titel 4.1 Soortenbescherming Artikel 4.1 Vergunningvrije gevallen ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud
  3. Het verbod van artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor exemplaren van de in de Bijlage 5 aangewezen soorten, voor zover de activiteit wordt verricht met het oog op de volgende belangen: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.
  4. Het vangen van exemplaren van soorten als bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om deze te verdrijven van de locatie waar de activiteit plaatsvindt.
  5. Het opzettelijk doden van exemplaren van soorten als bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is deze te verdrijven of te vangen.
  6. Voor het vangen van exemplaren wordt alleen gebruik gemaakt van de in Bijlage 6 genoemde vangmiddelen.
  7. Exemplaren van soorten die zijn gevangen met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling mogen worden uitgezet.
  8. Uitzetting als bedoeld in het vorige lid vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vangst op een voor de betreffende soort geschikte locatie. Artikel 4.2 Vergunningvrije gevallen veiligstelling tegen verkeer
  9. De verboden van artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, en van artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden niet voor het vangen en het opzettelijk verstoren van amfibieën.
  10. Het eerste lid is alleen van toepassing op het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en onder de voorwaarde dat de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. Artikel 4.3 Vergunningvrije gevallen onderzoek en onderwijs
  11. Het verbod van artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen van eieren van de meerkikker (Pelophylax ridibundus), bastaardkikker (Pelophylax esculenta), bruine kikker (Rana temporaria) en gewone pad (Bufo bufo).
  12. Het verbod van artikel 11.61, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het uitzetten van eieren en van daaruit voortgekomen exemplaren van de in het eerste lid genoemde soorten, mits de metamorfose nog niet is voltooid.
  13. Het eerste lid en het tweede lid zijn alleen van toepassing voor handelingen in het kader van het gebruik van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.
  14. Het uitzetten van eieren en dieren als bedoeld in het tweede lid dient plaats te vinden op de locatie waar de eieren zijn gevangen. Artikel 4.4 Vergunningvrije gevallen weidevogelbescherming
  15. De verboden van artikel 11.37, eerste lid, onderdelen b. tot en met d., van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden niet voor activiteiten in het kader van de bescherming van weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.
  16. Het eerste lid is alleen van toepassing binnen het territorium van de betreffende weidevogel. Artikel 4.5 Vergunningvrije gevallen schadesoorten
  17. Als schadeveroorzakende soorten als bedoeld in de artikel 11.44, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de soorten genoemd in Bijlage
  18. Grondgebruikers mogen de soorten bedoeld in het eerste lid opzettelijk verstoren op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of het volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied.
  19. Het tweede lid geldt ook voor de persoon of de wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich draagt en deze op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar toont.
  20. Het tweede lid is niet van toepassing op het in de periode van 1 oktober tot 1 april opzettelijk verstoren van overwinterende ganzen in de in Bijlage 9 aangewezen rustgebieden.
  21. Bij het opzettelijk verstoren van de soorten als bedoeld in het tweede lid mag alleen gebruik worden gemaakt van de in Bijlage 8 genoemde middelen.
  22. De in het tweede lid bedoelde schade heeft uitsluitend betrekking op belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren, als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c., sub 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving. Titel 4.2 Faunabeheer Afdeling 4.2.1 Faunabeheereenheid Drenthe Artikel 4.6 Faunabeheereenheid Drenthe In aanvulling op de eisen gesteld in artikel 8.1 van de Omgevingswet voldoet de faunabeheereenheid Drenthe aan de volgende eisen: a. bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid Drenthe worden de rechten en plichten als genoemd in artikel 8.2 Omgevingswet opgenomen die de leden van de wildbeheereenheden in Drenthe hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid Drenthe toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid Drenthe toegestane handelingen; en b. de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe gelegen gronden, waarop de in de faunabeheereenheid Drenthe samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht, zijn gelegen in de provincie Drenthe. Artikel 4.7 Bestuurssamenstelling
  23. In het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe zijn bestuurszetels beschikbaar voor de volgende organisaties: a. drie zetels voor jachthouders of jachthouder vertegenwoordigende organisaties, landbouw en grondbezit; b. drie zetels voor terrein beherende, dier, vogel, milieu en/of landschap beschermende organisaties.
  24. Elke organisatie als bedoeld in het eerste lid kan slechts één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.
  25. Een bestuurszetel kan worden ingevuld door een bestuurslid dat meerdere organisaties vertegenwoordigt. Artikel 4.8 Voorzitter Het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. Artikel 4.9 Informatieverstrekking De Faunabeheereenheid Drenthe informeert de achterban van alle in Artikel 4.7, eerste lid, bedoelde organisaties en jachthouders over de uitvoering van haar werkzaamheden. Artikel 4.10 Jaarlijks verslag
  26. Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Drenthe, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. cijfermatige rapportages over de uitvoering van omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit op basis van artikel 8.2 Omgevingswet en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid; b. telcijfers voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort; c. rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen ten aanzien van het voorkomen van schade.
  27. Het verslag als bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar te worden verstrekt.
  28. Het jaarlijks verslag wordt door de faunabeheereenheid Drenthe gepubliceerd op haar website en is daar voor een ieder raadpleegbaar gedurende de looptijd en tot tenminste twee jaren na het verstrijken van de looptijd van het faunabeheerplan waarop een jaarverslag betrekking heeft. Afdeling 4.2.2 Faunabeheerplan Artikel 4.11 Faunabeheerplan algemeen
  29. Een faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe.
  30. De terreinen van de luchthavens Eelde en Hoogeveen behoren niet tot het werkgebied van de Faunabeheereenheid Drenthe.
  31. Ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak (vanwege bijvoorbeeld de verspreiding van de soort, populatie en leefgebied) kan afgeweken worden van het eerste lid.
  32. Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal 6 jaar
  33. De faunabeheereenheid Drenthe kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het vierde lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.
  34. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid Drenthe de in het vierde lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal 12 maanden verlengen. Artikel 4.12 Inhoud faunabeheerplan
  35. Een faunabeheerplan bevat minimaal de volgende gegevens: a. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van schade is gewaarborgd; b. een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden; c. de omvang van het werkgebied van het faunabeheerplan; d. een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen die kunnen worden ingezet om schade aan het belang genoemd in artikel 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te voorkomen; e. de voorwaarden waaronder het mogelijk is gebruik te maken van de aan de Faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning.
  36. Een faunabeheerplan voldoet voorts aan het navolgende: a. gebruikte telgegevens van voorgaande jaren zijn gecontroleerd en gevalideerd; b. relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; c. bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.
  37. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen waar een faunabeheerplan aan moet voldoen voor zover het gaat om regels voor reeën. Artikel 4.13 Inhoud faunabeheerplan, duurzaam beheer van populaties In aanvulling op Artikel 4.12 bevat een faunabeheerplan met betrekking tot duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, tevens: a. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van het duurzaam beheer van populaties is gewaarborgd; b. kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn; c. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; e. de gewenste stand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten in relatie tot omvang van schades aan de belangen als bedoeld in artikel 8.74h, tweede lid, artikel 8.74i, tweede lid en artikel 8.74j, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; f. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel e, te bereiken; h. een gemotiveerde beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; i. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die geen lid zijn van een wildbeheereenheid in de provincie Drenthe, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; j. beschrijving van de wijze waarop een gunstige staat van instandhouding per diersoort gewaarborgd wordt. Artikel 4.14 Inhoud faunabeheerplan, beheer- en schadebestrijding In aanvulling op Artikel 4.12 en Artikel 4.13 bevat een faunabeheerplan indien sprake is van schadebestrijding tevens: a. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding is gewaarborgd; b. kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn; c. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; e. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; f. een beschrijving van de gunstige staat van instandhouding en hoe deze gewaarborgd wordt; g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken; h. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; i. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald; j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; k. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in sub j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; l. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, deze activiteit dient, waarbij wordt aangegeven of sprake is van het behartigen van een publiek belang dan wel een privaat belang en welke organisaties hierbij belanghebbend zijn; m. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen. Artikel 4.15 Inhoud faunabeheerplan, jacht Het faunabeheerplan bevat naast hetgeen dat is vereist op grond van Artikel 4.13 met betrekking tot de uitoefening van de jacht, tevens: a. kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de wildsoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt, waarbij inbegrepen verspreidingsgegevens en trends van de Drentse populaties op langere termijn; b. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per wildsoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan; c. de wijze waarop de faunabeheereenheid de jaarlijkse afschotgegevens van wildsoorten rapporteert en openbaar maakt. Artikel 4.16 Goedkeuring faunabeheerplan
  38. Een faunabeheerplan kan ter goedkeuring worden aangeboden aan gedeputeerde staten nadat het bestuur van de Faunabeheereenheid Drenthe zich achter het plan heeft geschaard.
  39. Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, tweede volzin, Omgevingswet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 4.11 tot en met 4.
  40. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan. Afdeling 4.2.3 Wildbeheereenheden Artikel 4.17 Werkgebied
  41. De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van tenminste 4.000 hectare binnen de provincie Drenthe.
  42. Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot: a. het grondgebied van andere provincies; en b. een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.
  43. De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid zelf vastgesteld en aangegeven op een topografische kaart.
  44. Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.
  45. De betrokken wildbeheereenheden informeren gedeputeerde staten schriftelijk als sprake is van het wijzigen van een begrenzing. Artikel 4.18 Begrenzing werkgebied
  46. Het bestuur van iedere wildbeheereenheid zorgt voor het vastleggen van de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheid alsmede de begrenzing van ingelegen jachtvelden in een faunaregistratiesysteem.
  47. Grenswijzigingen van het werkgebied van een wildbeheereenheid of van de ingelegen jachtvelden worden door het bestuur van de wildbeheereenheid binnen één maand aangepast in het systeem als bedoeld in het eerste lid.
  48. De begrenzing van het werkgebied en grenswijzigingen van de wildbeheereenheden in Drenthe worden gepubliceerd op de website van de provincie Drenthe. Artikel 4.19 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid Ingevolge artikel 8.2, vijfde lid, onder b van de Omgevingswet, worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders met een jachtakte om zich te organiseren in een wildbeheereenheid. Artikel 4.20 Jaarlijkse activiteiten
  49. De wildbeheereenheid neemt voor het gehele gebied waarover zich haar zorg uitstrekt in het kader van het faunabeheerplan jaarlijks deel aan; a. trendtellingen van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit zijn verstrekt; b. trendtellingen van diersoorten welke in verband met de schadehistorie zijn opgenomen in het faunabeheerplan; c. afschotregistratie van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit zijn verstrekt; d. afschotregistratie van diersoorten waarvoor aan de WBE een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zijn verstrekt, en e. registratie van dood gevonden dieren.
  50. Trendtellingen voor diersoorten, niet zijnde ree, worden uitgevoerd conform de meest recente 'Instructie voor WBE's bij de organisatie van faunatellingen' uitgegeven door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging.
  51. De verzamelde gegevens vanuit het eerste en tweede lid worden voor 1 september van het jaar waarin is geteld, door de wildbeheereenheden ingevoerd in een faunaregistratiesysteem. Afdeling 4.2.4 Tegemoetkoming Faunaschade Artikel 4.21 Aanvraag om tegemoetkoming
  52. Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 15.53 Omgevingswet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.
  53. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.
  54. Schade welke die niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Artikel 4.22 Taxatie van de schade
  55. De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ
  56. Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier 'bevestiging taxatie grondgebruiker' kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ
  57. Titel 4.3 Houtopstanden Artikel 4.23 Maatwerkregel vereisten melding voorgenomen velling
  58. Een melding als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op digitale wijze gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  59. Bij de melding wordt een topografische kaart aangeleverd met een schaal van 1:25000 waarop de locatie van de velling is aangegeven. Artikel 4.24 Maatwerkregel herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze
  60. Onder op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verstaan: a. een herbebossing die gericht wordt uitgevoerd om de doelen van houtproductie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie te realiseren; of b. een spontane natuurlijke verjonging.
  61. De herbeplanting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit boomsoorten die geschikt zijn om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand en heeft binnen drie jaar een bedekkingsgraad van 80%. Artikel 4.25 Maatwerkregel voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond
  62. Een aanvraag voor een toestemming voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geschiedt uiterlijk twee jaar na de velling.
  63. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan op digitale wijze ingediend door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld aanvraagformulier.
  64. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten afwijken van het eerste lid. Artikel 4.26 Maatwerkvoorschrift voorwaarden herbeplanting op andere grond
  65. Gedeputeerde staten kunnen een toestemming voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geven indien: a. het perceel of de percelen waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd zijn gelegen in provincies Drenthe, Groningen of Friesland; b. de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd van minimaal gelijkwaardige kwaliteit is als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; c. de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd minimaal dezelfde oppervlakte heeft als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; en d. met de herbeplanting op andere grond naar het oordeel van gedeputeerde staten de waarden van houtproductie, natuur, landschap en cultuurhistorie niet onevenredig worden geschaad.
  66. De herbeplanting wordt gerealiseerd op landbouwgrond indien de herplantplicht ontstaat door een omvorming van bos naar landbouwgrond.
  67. Indien de gevelde opstand deel uitmaakte van een boskern vindt herbeplanting plaats in of aansluitend aan een boskern.
  68. Op de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd rusten geen bos- of natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan op grond van de Wet natuurbescherming of haar voorlopers of op grond van andere wet- en regelgeving.
  69. De herbeplanting vindt plaats op een bosbouwkundig verantwoorde wijze, zoals beschreven in artikel 4.
  70. Artikel 4.27 Maatwerkvoorschrift vrijstelling herplantplicht productiebos
  71. De plicht tot herbeplanten van dezelfde grond als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien: a. voorafgaand aan de aanleg van de te vellen houtopstand melding was gedaan bij gedeputeerde staten en de mededeling als bedoeld in het derde lid is gedaan; en b. op de grond waarop de te vellen houtopstand staat geen bos- of natuurcompensatieverplichtingen rusten die zijn ontstaan op grond van de Wet natuurbescherming of haar voorlopers of op grond van andere wet- en regelgeving.
  72. Een melding als bedoeld in het eerste lid, sub a, wordt op digitale wijze gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Bij de melding wordt een topografische kaart aangeleverd met een schaal van 1:25000 waarop de locatie van de velling is aangegeven.
  73. Gedeputeerde staten doen binnen acht weken na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid mededeling over de vrijstelling.
  74. Gedeputeerde staten informeren de gemeente waarin de te bebossen grond is gelegen, over de vrijstelling.
  75. De vrijstelling vervalt na veertig jaar na de datum van aanleg, zoals deze datum blijkt uit de melding bedoeld in het tweede lid.
  76. De eigenaar van de grond dient op het moment van velling de mededeling over de vrijstelling als bedoeld in het derde lid te kunnen overleggen. Titel 4.4 Ammoniak en veehouderij Afdeling 4.4.1 Beoordelingsregels voor verzuring gevoelige gebieden Artikel 4.28 Toepassingsbereik
  77. Deze titel is van toepassing op vergunningen voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen in voor verzuring gevoelig gebied, voor zover het gaat om de ammoniakemissie uit dierenverblijven.
  78. Veehouderijen bedoeld in lid 1 zijn agrarische bedrijven als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving die milieubelastende activiteiten verrichten als bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving (het exploiteren van een IPPC-installatie voor het houden van pluimvee of varkens) of milieubelastende activiteiten bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving (het exploiteren van een andere milieubelastende installatie), met inbegrip van paarden en/of pony's die gehouden worden voor het berijden er van, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf. Artikel 4.29 Weigeringsgronden oprichten en veranderen veehouderij
  79. Het college van burgemeester en wethouders weigert een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij bedoeld in Artikel 4.28 lid 2 , als een tot deze activiteiten behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een bij deze verordening aangewezen voor verzuring gevoelig gebied.
  80. Het college van burgemeester en wethouders weigert een omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij bedoeld in Artikel 4.28, lid 2, als a. de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en b. een tot de deze activiteiten behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een bij deze verordening aangewezen voor verzuring gevoelig gebied. Artikel 4.30 Uitzonderingen weigeringsgronden oprichten veehouderij
  81. Het college van burgemeester en wethouders kan

Artikel 4

.29, lid 1, een omgevingsvergunning verlenen als de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van het Besluit activiteiten leefomgeving viel, en a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn; b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de dierenverblijven van de veehouderij die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken en de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde die is toegestaan in het Besluit activiteiten leefomgeving; c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij:

  1. aangemerkt zou zijn als een veehouderij en,
  2. van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a en,
  3. de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken en,
  4. de ammoniakemissie per dierplaats gelijk is aan de maximale emissiewaarde die is toegestaan in het Besluit activiteiten leefomgeving; d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a; e. het aantal dieren dat wordt gehouden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet hoger is dan bedoeld onder a, of f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.
  5. Het college van burgemeester en wethouders weigert

Artikel 4

.29, lid 1, een omgevingsvergunning niet, als de dieren in de veehouderij uitsluitend of in hoofdzaak worden gehouden voor natuurbeheer. Artikel 4.31 Uitzonderingen weigeringsgronden veranderen veehouderij Het college van burgemeester en wethouders kan

Artikel 4.29, lid 2 een omgevingsvergunning verlenen als: a.

de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissiedie de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

  1. zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of
  2. mocht veroorzaken op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen, als deze emissie lager is dan de veehouderij zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; b. in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij:
  3. Melkrundvee werd gehouden en,
  4. de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en
  5. de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken en,
  6. als de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; c. de uitbreiding schapen of paarden betreft; d. de uitbreiding dieren betreft die gehouden worden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet, of e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Artikel 4.32 Niet meerekenen dieren waarvoor eerder uitzondering is gemaakt Dieren waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van Artikel 4.31, sub b tot en met e, of Artikel 4.30, lid 1, onder c tot en met f, worden bij een later verzoek voor aanpassing van de omgevingsvergunning niet meegerekend bij het bepalen van de emissie van ammoniak uit dierenverblijven die voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen worden veroorzaakt. Hoofdstuk 5 Bodem en gesloten stortplaatsen Titel 5.1 Bodemsanering overgangsrecht Omgevingswet Artikel 5.1 Overgangsrecht Voor de provincie Drenthe met uitzondering van het grondgebied van de gemeente Emmen geldt dat voor bodemverontreinigingen, vallend onder het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, de Wet bodembescherming van toepassing blijft. Titel 5.2 Gesloten stortplaatsen Artikel 5.2 Omgevingsvergunningplichtige activiteit
  7. Het is verboden zonder of

een omgevingsvergunning activiteiten te verrichten in, op, onder of over een gesloten stortplaats.

  1. Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de wet Milieubeheer. Artikel 5.3 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen Onder de in Artikel 5.2 bedoelde activiteiten vallen: a. een milieubelastende activiteit te verrichten; b. werken te maken of te behouden; c. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; d. andere activiteiten te verrichten indien die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet Milieubeheer, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. Artikel 5.4 gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op een gesloten stortplaats worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de voorgenomen activiteit bij de stortplaats en het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. het adres, de kadastrale aanduiding en een actuele kadastrale kaart waarop de locatie van de voorgenomen activiteit is aangegeven; c. naam en adres van een ieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied; d. de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; e. de maatregelen die worden getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; f. de maatregelen die worden getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; en g. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder d, e en f bedoelde maatregelen. Artikel 5.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen Gedeputeerde Staten kunnen voor gesloten stortplaatsen op grond van art. 4.5 lid 1 en lid 2 Omgevingswet vergunningsvoorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning. Artikel 5.6 Omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Artikel 5.7 Specifieke zorgplicht
  2. Degene die een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  3. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd, en b. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet. Hoofdstuk 6 Grondwaterbescherming Titel 6.1 Zorgplicht Artikel 6.1 Zorgplichtbepaling Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een Grondwaterbeschermingsgebied, Waterwingebied, Verbodszone diepe boring Nietap,Verbodszone diepe boring Assen, Verbodszone diepe boring Hoogeveen Holtien en Zuidwolde, Verbodszone diepe boring Annen Breevenen en Kruidhaars en Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, als dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel als die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Titel 6.2 Grondwaterbescherming Afdeling 6.2.1 Indieningsvereisten Artikel 6.2 Melding
  4. Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven: a. de naam en het adres van degene die de melding doet; b. de dagtekening; c. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; d. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; e. op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.
  5. De melding wordt gedaan aan gedeputeerde staten uiterlijk 9 weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgegaan.
  6. Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen 6 weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.
  7. De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld.
  8. Indien de voorgenomen toepassing niet binnen 6 maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan. Afdeling 6.2.2 Waterwingebieden Artikel 6.3 Milieubelastende activiteiten in waterwingebieden
  9. Het is verboden om in een Waterwingebied een milieubelastende activiteit uit te voeren waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  10. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenmilieubelastende activiteitaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het uitvoeren van een activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 6.4 Overige activiteiten in waterwingebieden
  11. Het is in een Waterwingebied verboden: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; c. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; d. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd; e. een lozing in de bodem uit te voeren.
  12. Als een (potentieel) schadelijke stof wordt aangemerkt: a. een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM; b. stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst'; c. stoffen met een schadelijke werking op de smaak op geur van het grondwater, alsmede mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; en d. Gewasbeschermingsmiddelen, biociden en derivaten daarvan.
  13. Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- of funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.
  14. Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde veschadelijke stoffen hebben inbrengen of gebruikenrbod geldt niet voor: a. het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; d. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een ongeopende verpakking; e. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een afgesloten verpakking en beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; f. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit; g. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming.
  15. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een waterbeheerprogramma. Artikel 6.5 Waterbeheerprogramma De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, een waterbeheerprogramma op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheerd en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In het waterbeheerprogramma kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in Artikel 6.4 in het voor dat gebied opgestelde beheerprogramma naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn. Afdeling 6.2.3 Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 6.6 Verboden
  16. De volgende beperkingsgebiedactiviteiten zijn in een Grondwaterbeschermingsgebied verboden: a. een milieubelastende activiteit, als bedoeld in:
  17. afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;
  18. artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;
  19. artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen; en
  20. artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen. b. Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; c. Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; d. Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld; e. bodemenergiesystemen dieper dan 3 meter onder het maaiveld in de bodem te drukken; f. ten aanzien van hemelwater van gebouwen en verhardingen een lozingsactiviteit te verrichten; g. een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten; h. parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding; i. een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën aan te leggen, te vervangen, te veranderen of te verleggen; j. een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben; k. IBC-bouwstof toe te passen; l. grond of baggerspecie toe te passen, en; m. het tot stand brengen van werken of verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.
  21. Als voor het grondwater schadelijke stof wordt aangemerkt een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM. Artikel 6.7 Uitzonderingen
  22. Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie op of in de bodem indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie: a. de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel; b. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.
  23. Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie in oppervlaktewater indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie: a. de achtergrondwaarde niet overschrijdt, of; b. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.
  24. Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen. Artikel 6.8 Algemene meldplichten

het bepaalde in Artikel 6.6, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan aan gedeputeerde staten: a. Boorputten op te richten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. de bodem te onderzoeken of saneren in het kader van de Wet bodembescherming; c. tijdelijke bronbemaling te verrichten; d. veedrinkputten aan te leggen die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld. Artikel 6.9 Meldplicht graafwerkzaamheden

het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub d, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten: a. graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter en waarbij; b. het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken. Artikel 6.10 Meldplicht funderingswerkzaamheden

het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub d, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan palen dieper dan 3 meter in te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; b. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en die niet grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of; c. schroefpalen. Artikel 6.11 Meldplicht lozingsactiviteit gebouwen en verhardingen

het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub f, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan lozingsactiviteiten te verrichten in de vorm van oppervlakkige infiltraties: a. ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; b. ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem. Afdeling 6.2.4 Verbodszone diepe boringen Artikel 6.12 Verboden

  1. Het is in de Verbodszone diepe boring Nietap verboden: a. Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; b. Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 5 meter; c. een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten; d. een bodemenergiesysteem te installeren
  2. Het is in de Verbodszone diepe boring Assen verboden: a. Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; b. Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 5 meter; c. een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten; d. een bodemenergiesysteem te installeren.
  3. Het is in de Verbodszone diepe boring Hoogeveen Holtien en Zuidwolde verboden: a. Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; b. Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 40 meter; c. een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten; d. een bodemenergiesysteem te installeren.
  4. Het is in de Verbodszone diepe boring Annen Breevenen en Kruidhaars verboden: a. Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; b. Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 3 meter; c. een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten; d. een bodemenergiesysteem te installeren. Artikel 6.13 Algemene meldplichten

het bepaalde in Artikel 6.12, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten: a. Boorputten op te richten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. de bodem te onderzoeken of te saneren in het kader van de Wet bodembescherming; c. tijdelijke bronbemaling te verrichten; d. veedrinkputten aan te leggen die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld. Artikel 6.14 Meldplicht graafwerkzaamheden Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12, lid 1, sub b, lid 2, sub b, lid 3, sub b, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten: a. graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter en waarbij; b. het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken. Artikel 6.15 Meldplicht funderingswerkzaamheden Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12, lid 1, sub b, lid 2, sub b, lid 3, sub b, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan palen dieper dan 3 meter in te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; b. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en die niet grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of; c. schroefpalen. Afdeling 6.2.5 Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Artikel 6.16 Spuitvrije zones en bescherming Drentsche Aa

  1. Het is verboden om binnen het Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa - Spuitvrije zone oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen.
  2. Het is verboden om binnen het Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa - Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen toe te passen of te laten toepassen.
  3. Het verbod in lid 2 van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring en jacobskruiskruid op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen. Afdeling 6.2.6 Aanduiding gebieden Artikel 6.17 Bebording
  4. De waterleidingmaatschappij moet het Grondwaterbeschermingsgebied en Waterwingebied aanduiden door middel van een bord, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld.
  5. Een bord met het opschrift 'grondwaterbeschermingsgebied' respectievelijk 'waterwingebied' wordt geplaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden. Afdeling 6.2.7 Overige bepalingen Artikel 6.18 Omgevingsvergunning
  6. Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het college van gedeputeerde staten een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van de verboden opgenomen in Artikel 6.4 en Artikel 6.6, sub c, d, f, g, h en k, met dien verstande dat: a. een omgevingsvergunning voor het afwijken van sub g uitsluitend wordt verleend indien wordt verzekerd dat sprake is van transport van niet-verontreinigd aardgas; b. aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
  7. De aanvrager vermeldt in de aanvraag het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.
  8. Het college van gedeputeerde staten stelt de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning. Hoofdstuk 7 Stiltegebieden Afdeling 7.1 Verbodsbepalingen Artikel 7.1 Grootschalig evenement Het is verboden in een Stiltegebied een grootschalig evenement te houden of te organiseren waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; b. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker Artikel 7.2 Activiteit Het is verboden in een Stiltegebied gebruik te maken van een drone, modelvliegtuig, modelboot, modelauto of daarmee vergelijkbaar apparaat. Artikel 7.3 Motorvoertuig of bromfiets buiten openbare weg Het is verboden in een Stiltegebied zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel 7.4 Toertocht motorvoertuigen of bromfietsen Het is verboden in een Stiltegebied een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. Afdeling 7.2 Uitzonderingen en omgevingsvergunningen Artikel 7.5 Uitzondering stiltegebied De verboden in Artikel 7.2, Artikel 7.3 en Artikel 7.4 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op: a. de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van Stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies of het gebruik op het eigen erf; b. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving. Artikel 7.6 Omgevingsvergunning stiltegebied Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten genoemd in Afdeling 7.1 en Artikel 7.
  9. Afdeling 7.3 Aanduiding gebieden Artikel 7.7 Bebording stiltegebied Gedeputeerde staten duiden een Stiltegebied aan door middel van borden. Hoofdstuk 8 Ontgrondingen Artikel 8.1 Toepassingsbereik ontgrondingen Dit hoofdstuk is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten. Artikel 8.2 Aanwijzing vergunningplichtige ontgrondingsactiviteiten
  10. De vrijstelling genoemd in artikel 16.7, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing indien de activiteit plaatsvindt op een locatie: a. dat is gelegen binnen de werkingsgebieden Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog of Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel; b. dat is gelegen binnen de Waarde-archeologie 1, Waarde-archeologie 2 of Waarde-archeologie 3; c. die mogelijk een periglaciale laagte is (pingoruïne, potentiële pingoruïne of uitblazingskom).
  11. De vrijstelling genoemd in artikel 16.7, onder h, van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing als de locatie waar de ontgronding plaatsvindt: a. ligt binnen de werkingegebieden Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog of Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel; b. ligt binnen Waarde-archeologie 1, Waarde-archeologie 2 of Waarde-archeologie 3; c. mogelijk een periglaciale laagte is (pingoruïne, potentiële pingoruïne of uitblazingskom). Artikel 8.3 Aanwijzing vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten
  12. In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten tevens niet voor werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits: a. er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren; b. de gemiddelde hoogteligging van de gronden na beeindiging van de werkzaamheden niet wordt verminderd; c. de grondlagen dieper dan 1 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; d. er geen archeologische verwachtingen en/of archeologische of aardkundige waarden worden aangetast, en; e. de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van houtwallen.
  13. In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten tevens niet voor werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits: a. er geen archeologische verwachtingen en/of archeologische of aardkundige waarden worden aangetast; b. de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; c. er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaats heeft, en; d. de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van houtwallen. Artikel 8.4 Meldingen Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren die dan wel op grond van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving dan wel op grond van Artikel 8.3 zijn aangewezen als vergunningsvrije ontgrondingsactiviteiten waarbij 1.000 m³ of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan gedeputeerde staten. Artikel 8.5 Advies waterschappen Bij het verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt het waterschap in wiens werkingsgebied de activiteit plaatsvind of zal gaan plaatsvinden, in de gelegenheid gesteld om voordat de beschikking wordt genomen hierover aan gedeputeerde staten advies uit te brengen. Hoofdstuk 9 Vaarverbod Drentsche Aa Artikel 9.1 Vaarverbod
  14. Het is verboden om zonder of

een omgevingsvergunning in Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Vaarweg te varen, een vaartuig te leggen, te laten drijven of te laten liggen.

  1. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van onderhoud en onderzoek ten behoeve van de instandhoudingsdoelstelling genoemd in het Natura-2000 beheerplan Drentsche Aa. Artikel 9.2 Uitzondering op het vaarverbod Het verbod als bedoeld in Artikel 9.1 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig waarmee werkzaamheden worden verricht ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel 9.3 Bebording Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.1 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden. Hoofdstuk 10 Water Afdeling 10.1 Omgevingswaarden Artikel 10.1 Toepassingsbereik omgevingswaarden Met deze afdeling wordt invulling gegeven aan de verplichting in artikel 2.13 Omgevingswet om omgevingswaarden vast te stellen voor: de veiligheid van de regionale waterkering die bij deze verordening zijn aangewezen; de gemiddelde kans op overstroming per jaar van gebieden die bij deze verordening zijn aangewezen met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht. Artikel 10.2 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  2. Voor de veiligheid van Regionale Kering Norm 1:100 geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 op 100 per jaar van de maatgevende waterstanden waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.
  3. Voor de veiligheid van Regionale Kering Norm 1:200 geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 op 200 per jaar van de maatgevende waterstanden waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren. Artikel 10.3 Termijn en aard omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen
  4. Aan de omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen moet uiterlijk 1 januari 2030 worden voldaan.
  5. De omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen. Artikel 10.4 Omgevingswaarden Wateroverlast
  6. Als omgevingswaarden voor het voorkomen of beperken van wateroverlast geldt de gemiddelde kans op overstroming per jaar zoals in Artikel 10.5 is vastgesteld.
  7. De omgevingswaarden bedoeld in lid 1 zijn bepalend voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht gelet op het overwegend landgebruik dat voor een gebied is aangegeven.
  8. Bij de zorg voor regionale wateren neemt het waterschapsbestuur de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 10.5, in acht.
  9. De omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 10.5, gelden voor wateroverlast afkomstig uit leggerwaterlopen. Artikel 10.5 Uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast
  10. Binnen het werkingsgebied 'bebouwd gebied' geldt een gemiddelde kans op overstromingen van 1/100 per jaar.
  11. Binnen het werkingsgebied 'Glastuinbouwgebieden' geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1/50 per jaar, met dien verstande dat 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
  12. Binnen het werkingsgebied 'Akkerbouw' geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1/25 per jaar, met dien verstande dat 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
  13. Binnen het werkingsgebied 'Grasland' geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar, met dien verstande dat 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
  14. Binnen het werkingsgebied 'Natuur en open water' geldt geen norm voor gemiddelde kans op overstroming.
  15. Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving. Artikel 10.6 Termijn en aard omgevingswaarden wateroverlast
  16. Aan de omgevingswaarden wateroverlast moet uiterlijk in 2027 worden voldaan.
  17. De omgevingswaarden voor wateroverlast zijn inspanningsverplichtingen.
  18. De omgevingswaarden wateroverlast worden in acht genomen in het waterbeheerprogramma. Afdeling 10.2 Monitoring omgevingswaarden watersystemen Paragraaf 10.2.1 Monitoring en gegevensverzameling omgevingswaarden waterveiligheid Artikel 10.7 Monitoring omgevingswaarden regionale waterkeringen
  19. Monitoring voor de omgevingswaarden regionale waterkeringen, als bedoeld in Artikel 10.2, vindt plaats door de algemene actuele waterstaatkundige toestand te beoordelen van de regionale waterkeringen.
  20. Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de maatgevende waterstanden als bedoeld in Bijlage
  21. Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring. Artikel 10.8 Verslag veiligheid regionale waterkeringen
  22. Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt periodiek een verslag op over de algemene actuele waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen die onder zijn beheer vallen.
  23. Het verslag bevat de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen op: a. de omgevingswaarde die op het dijktraject van toepassing is; en b. de maatgevende waterstanden waarmee rekening moet worden gehouden; en c. de gegevens in de legger (artikel 10.15).
  24. Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt het verslag uit aan gedeputeerde staten. Paragraaf 10.2.2 Monitoring en gegevensverzameling omgevingswaarden wateroverlast Artikel 10.9 Monitoring omgevingswaarden wateroverlast
  25. Monitoring voor de omgevingswaarde wateroverlast, bedoeld in Artikel 10.5 vindt plaats door te beoordelen of bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht voldoen aan de norm die voor dat gebied is gesteld.
  26. Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring van de omgevingswaarde wateroverlast. Artikel 10.10 Verslag wateroverlast
  27. Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt periodiek een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van regionale wateren die onder zijn beheer vallen.
  28. Het verslag bevat een beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in het kader van de omgevingswaarden wateroverlast en een beoordeling van de mate waarin aan deze omgevingswaarde is voldaan.
  29. Het verslag bevat ook een omschrijving van voorzieningen die op basis van de beoordeling bedoeld in het tweede lid nodig worden geacht.
  30. Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt het verslag uit aan gedeputeerde staten. Afdeling 10.3 Rangorde bij waterschaarste Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks
  31. In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, sub c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. het gebruik van industrieel proceswater; b. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.
  32. In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. peilhandhaving; b. doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw; c. beregening van gras/maïs; d. doorspoelen; e. overige belangen. Artikel 10.12 Afwijking watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht 1.

hetgeen is opgenomen in Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks - Lid 1 wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht als bedoeld in Bijlage 14, bij de in artikel 3.14, eerste lid, onder c Bkl bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. onttrekking voor proces- en gietwater; b. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; c. beregening van kapitaalintensieve gewassen. 2.

hetgeen is opgenomen in Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks - Lid 2 wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht, bij de in artikel 3.14, vierde lid Bkl bedoelde behoeften voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid; b. scheepvaart; c. peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw; d. beregening gras/mais; e. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; f. doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW). Afdeling 10.4 Waterbeheerprogramma Artikel 10.13 Inhoud waterbeheerprogramma Het waterbeheerprogramma bevat, naast het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet en artikel 4.3 Bkl, ten minste: a. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; b. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; c. een raming van de kosten van de, gedurende de programmaperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode. Artikel 10.14 Voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma Het dagelijks bestuur informeert gedeputeerde staten ten minste eenmaal per jaar over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgetelde maatregelen. Afdeling 10.5 Aanleg en beheer van waterstaatswerken Artikel 10.15 Legger waterstaatswerken 1. Op grond van artikel 2.39 van de Omgevingswet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel. 2.

artikel 2.39 van de Omgevingswet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen. 3. Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet met betrekking tot ligging, vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen. Artikel 10.16 Opstellen peilbesluiten Het algemeen bestuur van een waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.