act/gemeente/2024/CVDR696417 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0826/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-04-01 2026-04-01 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696417/nld@2026-04-29 /join/id/proc
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
- Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving bevat. Artikel 1.2 Waar deze regels gelden
- De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Oosterhout, tenzij in de regels anders is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.
- Bijlage II geeft een overzicht informatie-objecten bij dit omgevingsplan. Artikel 1.3 Normadressaat Aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in dit omgevingsplan specifiek anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 1.4 Verhouding omgevingsplan en het tijdelijk deel omgevingsplan (voorrangsregel) De regels in dit omgevingsplan gaan voor op de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, tenzij expliciet anders in dit omgevingsplan is bepaald. Hoofdstuk 2 GEBIEDSAANWIJZINGEN Afdeling 2.1 BEBOUWINGSCONTOUREN Artikel 2.1 Bebouwingscontour geur De locaties binnen de bebouwingscontour geur en buiten de bebouwingscontour geur zijn aangewezen als bebouwingscontouren voor geur zoals bedoeld in artikel 5.97 (bebouwingscontour geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.2 Bebouwingscontour houtkap De locaties bebouwingscontour houtkap zijn aangewezen als bebouwingscontour houtkap zoals bedoeld in artikel 5.165b (bebouwingscontour houtkap) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.3 Bebouwingscontour jacht De locaties bebouwingscontour jacht zijn aangewezen als bebouwingscontour jacht zoals bedoeld in artikel 5.165a (bebouwingscontour jacht) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Afdeling 2.2 BODEM Artikel 2.4 Bodemfunctieklasse - industrie De locaties bodemfunctieklasse - industrie zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - industrie zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.5 Bodemfunctieklasse - landbouw De locaties bodemfunctieklasse - landbouw zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - landbouw zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.6 Bodemfunctieklasse - natuur De locaties bodemfunctieklasse - natuur zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - natuur zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.7 Bodemfunctieklasse - wonen De locaties bodemfunctieklasse - wonen zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - wonen zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 2.8 Voormalige stortplaats De locaties voormalige stortplaats zijn aangewezen als voormalige stortplaats. Afdeling 2.3 ERFGOED Artikel 2.9 (Te verwachten) archeologisch monument De locaties (te verwachten) archeologisch monument zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied. Artikel 2.10 Beschermd stads- of dorpsgezicht De locatie beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen als Rijks beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 2.11 Gemeentelijk monument De locaties gemeentelijk monument zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Afdeling 2.4 LUCHTVAART Artikel 2.12 Funnel en IHCS De locatie luchtvaartverkeerzone – funnel en IHCS is aangewezen als belemmeringengebied voor de funnel en het Inner Horizontal and Conical Surface van de vliegbasis Gilze-Rijen. Artikel 2.13 ILS De locatie luchtvaartverkeerzone – ILS-zone is aangewezen als belemmeringengebied voor het Instrument Landing Systeem (ILS) van de vliegbasis Gilze-Rijen. Artikel 2.14 Radar De locatie vrijwaringszone – radar is aangewezen als belemmeringengebied voor het radarsysteem van de vliegbasis Gilze-Rijen. Hoofdstuk 3 MILIEU Afdeling 3.1 REGELS VOOR ALLE MILIEUACTIVITEITEN Paragraaf 3.1.
Artikel 3.1 Algemeen toepassingsbereik 1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
- Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
- dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
- dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
- waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
- Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
- Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in afdeling 3.
- Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt. Artikel 3.2 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor hebben voor het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
- De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
- De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse van de locatie bedrijventerrein vanwege lichthinder zoveel mogelijk wordt voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
- Het eerste lid en het tweede lid zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.3 Maatwerkvoorschriften
- Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.2, 3.8 en 3.9 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.
- Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.8 en 3.9 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.
- Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de volgende belangen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
- het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
- het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
- een doelmatig beheer van afvalstoffen.
- Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 3.5 Meet- en rekenbepalingen Voor het meten en berekenen van de waarden en normen in dit hoofdstuk zijn de normen uit hoofdstuk 6 en bijlage II van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 3.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 3.4, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 3.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
- Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
- Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 3.8 Informeren over een ongewoon voorval
- Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
- Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
- Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen. Afdeling 3.2 ENERGIE (gereserveerd) Afdeling 3.3 AFVAL Paragraaf 3.3.1 Zwerfafval Artikel 3.10 Afval: zwerfafval Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. Afdeling 3.4 VEILGHEID Paragraaf 3.4.1 Waarborgen veiligheid Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
- Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 3.13 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. Artikel 3.14 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 3.14.1 aanwezig.
- Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 3.14.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
- de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en
- geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
- Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 3.14.1Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t. 50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t. 1 liter Afdeling 3.5 GELUID DOOR ACTIVITEITEN Paragraaf 3.5.
Artikel 3.15 Toepassingsbereik 1.
Afdeling 3.5 is van toepassing op het toelaten: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
- In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.5 niet van toepassing op: a. geluidgevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; c. een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar, met uitzondering van artikel 3.19 van dit omgevingsplan en artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. het geluid door activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, met uitzondering van windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; e. het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; f. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; en g. een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.
- Deze afdeling is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
- Deze afdeling is niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
- Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden. Artikel 3.16 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- In afwijking van artikel 3.15, tweede lid, onder c, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
- In afwijking van artikel 3.15 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
- het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of
- een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
- het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of
- een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 3.17 Tijdelijke uitzondering windparken
- Afdeling 3.5 is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines waarvoor: a. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b.
- Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van kracht wordt. Artikel 3.18 Geluid: nevengebruiksfuncties Een nevengebruiksfunctie als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving mag geen geluidgevoelige ruimte bevatten of als geluidgevoelig gebouw worden gebruikt. Artikel 3.19 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Voor de toepassing van deze afdeling wordt als één activiteit beschouwd: a. een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
- rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of
- elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 3.20 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit: a. op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen, gelden:
- op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en
- op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; b. op een woonschip of woonwagen gelden op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en c. in een geluidgevoelige ruimte gelden in de geluidgevoelige ruimte. Artikel 3.21 Geluid: functionele binding De waarden voor het geluid door een activiteit, zijn niet van toepassing op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 3.22 Geluid: voormalige functionele binding De waarden voor geluid zijn voor de volgende activiteiten niet van toepassing op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit: a. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein; c. in de horecasector; of d. op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden. Artikel 3.23 Geluid: informatieplicht activiteit waarvoor geluidsonderzoek noodzakelijk is
- Dit artikel is van toepassing op een activiteit waarvoor een geluidsonderzoek noodzakelijk is.
- In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en h. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
- in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: I. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of
- in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
- Bij het berekenen van het gemiddelde aantal transportbewegingen, zoals bedoeld in het tweede lid onder a, wordt uitgegaan van een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
- Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het tweede lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
- Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het tweede lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift; c. in het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
- Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 3.23, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 3.24 Geluid: informatieplicht activiteit op gezoneerd industrieterrein en op een industrieterrein met gpp's
- Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
- Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
- 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
- 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.TVl
- Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 3.23 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
- Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
- de grenzen van het terrein; en
- de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Paragraaf 3.5.2 Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten Artikel 3.25 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten, met uitzondering van activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.5.
- In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf, met uitzondering van artikel 3.30, niet van toepassing op: a. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; b. evenementen:
- die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; of
- die geen festiviteiten als bedoeld in artikel 3.28 zijn; en c. geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Artikel 3.26 Geluid: aanvaardbaarheid Van een aanvaardbaar niveau van geluid geluidgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.
- Artikel 3.27 Geluid: standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen
- Het toelaatbaar geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.
- Tabel 3.27 .1 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen -- 70 dB(A) 70 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden -- 65 dB(A) 65 dB(A)
- Het toelaatbaar geluid door een activiteit in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen is niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.
- Tabel 3.27 .2 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen -- 55 dB(A) 55 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden -- 45 dB(A) 45 dB(A)
- Het toelaatbaar geluid door een activiteit die wordt verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein is op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.
- Tabel 3.27 .3 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen -- 75 dB(A) 75 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden -- 70 dB(A) 70 dB(A)
- In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, is een hogere waarde voor een activiteit van toepassing die op grond van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten op het moment van inwerking treding van dit artikel. Artikel 3.28 Geluid: uitzondering standaardwaarde en grenswaarde voor festiviteiten
- De waarden, bedoeld in de artikel 3.27, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die krachtens artikel 4.30 zijn aangewezen; en b. festiviteiten die krachtens artikel 4.31 zijn toegestaan.
- Waarbij aanvullend geldt dat: a. indien een festiviteit buiten plaatsvindt, en er is sprake van het ten gehore brengen van muziek, deze om 0:00 uur dient te worden gestaakt; b. indien een festiviteit niet buiten plaatsvindt, en er is sprake van het ten gehore brengen van muziek, na 0:00 uur de ramen en deuren gesloten dienen te blijven - behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.
- Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag. Artikel 3.29 Geluid: regels over activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken
- Een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c, Besluit kwaliteit leefomgeving wordt niet verricht.
- Het eerste lid is niet van toepassing als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.
- Artikel 3.30 Geluid: uitzonderingen geluidbronnen
- De waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.: kerkgeluid
- De regels over geluid, anders dan de waarden voor geluid, gelden niet voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a. Artikel 3.31 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
- Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 3.27, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
- Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen om het geluid te beperken die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Paragraaf 3.5.3 Geluid door specifieke activiteiten Artikel 3.32 Windturbines en windparken Voor het geluid van het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark, geldt als waarde de standaardwaarde 47 Lden en 41 Lnight voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.33 Tijdelijke uitzondering windparken Artikel 3.32 is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 3.34 Registratie gegevens windturbines
- De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling.
- De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard. Artikel 3.35 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 3.32, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 3.36 Civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
- Dit artikel is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein als bedoeld in bijlage XIII van het Besluit kwalitet leefomgeving.
- Voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, geldt als waarde de standaardwaarde 50 Bs,dan voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw. Afdeling 3.6 GELUID DOOR WEGEN, SPOORWEGEN EN INDUSTRIETERREINEN (gereserveerd) Afdeling 3.7 TRILLINGEN Artikel 3.37 Toepassingsbereik
- Deze afdeling is van toepassing op het toelaten: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
- In afwijking van het eerste lid is deze afdeling: a. niet van toepassing op een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. met uitzondering van artikel 3.39 van dit omgevingsplan en artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet van toepassing op een trillinggevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; c. met uitzondering van de artikelen 3.39, 3.40 en 3.41 niet van toepassing op:
- activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; en
- evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; en d. niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Artikel 3.38 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking In afwijking van artikel 3.37, tweede lid, onder b, is deze afdeling ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 3.39 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Voor de toepassing van deze afdeling wordt als één activiteit beschouwd: a. een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
- rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of
- elkaar functioneel ondersteunen. Artikel 3.40 Trillingen: functionele binding De standaardwaarden voor trillingen zoals opgenomen in de artikelen 3.42 en 3.43 zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 3.41 Trillingen: voormalige functionele binding De standaardwaarden voor trillingen zoals opgenomen in de artikelen 3.42 en 3.43 zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met de volgende activiteiten: a. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein; of c. in de horecasector. Artikel 3.42 Trillingen: standaardwaarden continue trillingen
- Voor de toelaatbare continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten gelden als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.
- Tabel 3.42 Standaardwaarden toelaatbare continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort Standaardwaarde 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur A1 trillingssterkte Vmax 0,1 0,1 A2 trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 A3 trillingssterkte Vper 0,05 0,05
- De continue trillingen voldoen aan: a. de opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1; en b. als niet wordt voldaan aan een waarde als bedoeld onder a: continue trillingen voldoen aan de opgenomen waarden onder A2 en A
- Op het bepalen van de trillingen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 3.43 Trillingen: standaardwaarden herhaald voorkomende trillingen
- Voor de toelaatbare herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten gelden als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.
- Tabel 3.43 Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur A1 trillingssterkte Vmax 0,2 0,2 A2 trillingssterkte Vmax 0,8 0,4 A3 trillingssterkte Vper 0,1 0,1
- De herhaald voorkomende trillingen voldoen aan: a. de waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1; en b. als niet wordt voldaan aan een waarde als bedoeld onder a: herhaald voorkomende trillingen voldoen aan de opgenomen waarden onder A2 en A
- Op het bepalen van de trillingen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 3.44 Trillingen: aanvaardbaarheid Van aanvaardbare trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als de trillingssterkte niet hoger is dan de standaardwaarden in tabel 3.42 en in tabel 3.
- Afdeling 3.8 GEUR Paragraaf 3.8.
Artikel 3.45 Toepassingsbereik 1.
Afdeling 3.8 is van toepassing op het toelaten: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
- In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving, niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar. Artikel 3.46 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- In afwijking van artikel 3.45, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 3.8.2 en 3.8.3, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 3.8.3 en 3.8.4 en artikel 22.117, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
- In afwijking van artikel 3.45, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 3.8.2 en 3.8.3, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 3.8.3 en 3.8.4 en artikel 22.117, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten op grond van: a. het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 3.47 Geurgevoelige gebouwen
- In aanvulling op artikel 5.91, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder een geurgevoelig gebouw ook begrepen: a. kantoorfunctie; b. bijeenkomstfunctie; c. logiesfunctie; en d. functie voor recreatief nachtverblijf.
- Een nevengebruiksfunctie als bedoeld in artikel 5.91, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet worden gebruikt als een geurgevoelig gebouw.
- In afwijking van het tweede lid geldt het verbod niet, indien dat op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid al is toegestaan op grond van een geldend bestemmingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning. Artikel 3.48 Geur: waar waarden gelden
- De waarden voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden: a. op de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; b. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
- De waarden voor geur door een activiteit op een locatie gelden op de grens van de locatie. Artikel 3.49 Geur: tot waar afstanden gelden
- De afstanden voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden: a. tot de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; b. tot de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
- De afstanden voor geur door een activiteit op een locatie gelden tot de grens van de locatie. Artikel 3.50 Geur: functionele binding De waarden en de afstanden die zijn opgenomen voor geur door een activiteit, zijn niet van toepassing op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Artikel 3.51 Geur: voormalige functionele binding De waarden of afstanden voor geur door de volgende activiteit zijn niet van toepassing op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit: a. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein; of c. in de horecasector. Paragraaf 3.8.2 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken Artikel 3.52 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.53 Geur zuiveringstechnisch werk: aanvaardbaarheid Van een aanvaardbaar niveau van geur door een zuiveringstechnisch werk op geurgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.54 of artikel 3.
- Artikel 3.54 Geur zuiveringtechnisch werk: grenswaarde
- Voor het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk geldt de grenswaarde 0,5 ouE/m3 voor de toelaatbare geur op een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur, met uitzondering van een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, of ter plaatse van de locatie bedrijventerrein.
- Voor het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk geldt de grenswaarde 1 ouE/m3 voor de toelaatbare geur op een geurgevoelig gebouw gelegen: a. op een gezoneerd industrieterrein; b. op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; c. ter plaatse van de locatie bedrijventerrein; of d. buiten de bebouwingscontour geur.
- Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 3.55 Geur zuiveringtechnisch werk: geen grenswaarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen De waarden, bedoeld in artikel 3.54, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige gebouwen die: a. op het moment van verlening van de omgevingsvergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gebouwd; of b. in de omgevingsvergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd. Artikel 3.56 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 3.55, is de waarde van de geur op een geurgevoelig gebouw als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig gebouw, voorafgaand aan de verandering, tenzij de grenswaarden, bedoeld in artikel 3.54, niet worden overschreden. Paragraaf 3.8.3 Geur door het houden van landbouwhuisdieren Artikel 3.57 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf.
- In afwijking van het bepaalde in artikel 5.104 Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder het houden van landbouwhuisdieren ook verstaan het houden van meer dan 10 paarden of pony's. Artikel 3.58 Geur landbouwhuisdieren: vanaf waar afstanden gelden Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.59 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: aanvaardbaarheid
- Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan: a. artikel 3.60, 3.61, 3.62 of 3.63; en b. artikel 3.
- Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is ook sprake als de afstand kleiner is dan de op grond van artikel 3.69 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als op die locatie: a. de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet toeneemt; en b. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Artikel 3.60 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: standaardwaarde
- Voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor geldt als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur een standaardwaarde van 2,0 ouE/m
- Voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor geldt als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur een standaardwaarde van 8,0 ouE/m
- In afwijking van het eerste lid geldt voor de geur op een geurgevoelig gebouw zijnde een werkschuur bij glastuinbouwbedrijf een standaardwaarde van 4,0 ouE/m
- Op het berekenen van geur is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing. Artikel 3.61 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
- Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, mag bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen; en b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.
- Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als: a. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en b. de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 3.61, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken. Artikel 3.62 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000
- De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor een locatie gelegen binnen de bebouwingscontour geur, ten minste een afstand van 100 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; of b. een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan.
- De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor een locatie gelegen buiten de bebouwingscontour geur, ten minste een afstand van 50 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; of b. een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan. Artikel 3.63 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning
- De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor ten minste een afstand van 100 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour geur: a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
- op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;
- in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en
- in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en b. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.
- De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor ten minste een afstand van 50 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen buiten de bebouwingscontour geur: a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
- op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;
- in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en
- in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en b. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd. Artikel 3.64 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: aanvaardbaarheid
- Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan: a. artikel 3.65 of3.67; en b. artikel 3.
- Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is ook sprake als de afstand kleiner is dan de op grond van artikel 3.65, 3.67 of 3.69 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als op die locatie het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Artikel 3.65 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: afstand tot geurgevoelig gebouw
- Voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor, wordt ten minste een afstand van 100 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.
- Voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor, wordt ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen. Artikel 3.66 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gehouden in een bestaand dierenverblijf: afstand tot geurgevoelig gebouw
- In afwijking van het bepaalde in artikel 3.65 geldt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in geurzone 1 of 2 als bedoeld in het derde en vierde lid, dat ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht wordt genomen.
- In afwijking van het bepaalde in artikel 3.65 geldt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in geurzone 1 of 2 als bedoeld in het het derde en vierde lid, dat ten minste een afstand van 25 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht wordt genomen.
- Geurzone 1 is het gebied dat is gelegen op minder dan 50 meter van een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur c.q. op minder dan 25 meter van een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwingscontour geur.
- Geurzone 2 is het gebied dat is gelegen tussen de 50 en 100 meter van een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur c.q. tussen de 25 en 50 meter van een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwingscontour geur. Artikel 3.67 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: afstand tot ruimte-voor ruimtewoning
- In afwijking van artikel 3.65 wordt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor ten minste een afstand van 100 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour geur: a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
- op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;
- in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en
- in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en b. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.
- In afwijking van artikel 3.65 wordt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor ten minste een afstand van 50 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen buiten de bebouwingscontour geur: a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
- op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;
- in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en
- in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en b. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd. Artikel 3.68 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand
- Artikel 3.65 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.
- In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afnemen. Artikel 3.69 Geur landbouwhuisdieren met en zonder geuremissiefactor: afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw
- Onverminderd de artikelen 3.61 tot en met 3.67 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor de afstand van de gevel van een dierenverblijf niet kleiner dan 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur.
- Onverminderd de artikelen 3.61 tot en met 3.67 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor de afstand van de gevel van een gevel van een dierenverblijf niet kleiner dan 25 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur. Artikel 3.70 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 3.69, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. die afstand niet afnemen; b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toenemen; en c. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen. Artikel 3.71 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 3.69, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: a. die afstand niet afnemen; en b. het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor niet toenemen. Paragraaf 3.8.4 Geur door andere agrarische activiteiten Artikel 3.72 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door andere agrarische activiteiten dan bedoeld in paragraaf 3.8.
- Artikel 3.73 Geur door andere agrarische activiteiten: aanvaardbaarheid Van een aanvaardbaar niveau van geur door andere agrarische activiteiten is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.74, 3.75, 3.76, 3.77, 3.78, 3.79 of 3.
- Artikel 3.74 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
- Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en f. het houden van meer dan 10 paarden of pony’s.
- Voor het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m3, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 4.835 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, een afstand van ten minste 100 m vanaf de opslagplaats tot een gergevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.
- Voor het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m3, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 4.835 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, een afstand van ten minste 50 m vanaf de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen. Artikel 3.75 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
- Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en d. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Voor het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in artikel 4.848 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 100 m vanaf de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.
- Voor het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in artikel 4.848 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 50 m vanaf de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen. Artikel 3.76 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
- Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 4.841 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 3.76, in acht genomen. Tabel 3.76 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Afstand Niet afgedekt opslaan 50 m Afgedekt opslaan 25 m
- Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen. Artikel 3.77 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
- Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in artikel 4.855 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m3, worden bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf het mestbassin ten minste de afstanden, bedoeld in tabel 3.77, in acht genomen. Tabel 3.77 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m3 Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Afstand tot geurgevoelig gevoelig object Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 50 m 25 m Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 100 m 50 m Artikel 3.78 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
- Dit artikel is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Voor een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar aan dierlijke meststoffen, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf de voorziening ten minste een afstand van 100 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.
- Voor een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar aan dierlijke meststoffen, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf de voorziening ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen. Artikel 3.79 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
- Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en f. het voor onderhoud van de openbare ruimte opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen, bedoeld in artikel 3.250 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- Voor het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 100 m tot een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen. De afstand geldt vanaf de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval.
- Voor het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen. De afstand geldt vanaf de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval. Artikel 3.80 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
- Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 3.74, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 3.75, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 3.76, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 3.79, als: a. de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 3.74, tweede en derde lid, artikel 3.75, tweede en derde lid, artikel 3.76, tweede lid, of artikel 3.79, tweede en derde lid; b. het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; en c. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
- Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 3.77, eerste lid, als: a. de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 3.77, eerste lid, en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 3.77, tweede lid; b. het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en c. verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
- Voor een activiteit als bedoeld in het eerste of tweede lid: a. wordt de rechtmatig kleinere afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, in acht genomen; en b. moeten maatregelen of voorzieningen worden getroffen die ertoe leiden dat de geur aanvaardbaar is. Afdeling 3.9 BODEM Paragraaf 3.9.1 Saneren van de bodem Artikel 3.81 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem. Artikel 3.82 Bodem: maatwerkvoorschrift terugsaneren Met een maatwerkvoorschrift kan voor de terugsaneerwaarden teruggesaneerd worden tot de hoogste waarden behorend bij de bodemkwaliteitsklasse in de gebiedsspecifieke toepassingskaart. Paragraaf 3.9.2 Nazorg na saneren van de bodem Artikel 3.83 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als: a. saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van:
- het Besluit activiteiten leefomgeving;
- dit omgevingsplan;
- een omgevingsvergunning;
- of een maatwerkvoorschrift; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen die de bron van de verontreiniging niet wegnemen, maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet. Artikel 3.84 Bodem: nazorg na afloop van saneren van de bodem
- De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet. Paragraaf 3.9.3 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit kleiner dan of gelijk aan 25 m3 Artikel 3.85 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
- vooronderzoek conform NEN 5725 en/of;
- verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740;
- verkennend bodemonderzoek asbest en nader bodemonderzoek asbest volgens NEN 5707 of NEN 5897 als sprake is van een puinlaag; of
- nader bodemonderzoek conform NTA
- Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem. Artikel 3.86 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit
- Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.85, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur ervan.
- Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
- Bij het graven in de bodem in verband met een spoedoperatie als bedoeld in het derde lid onder b, die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, moet de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd over de locatie, het tijdstip en de aard van de spoedreparatie. Artikel 3.87 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
- Er worden maatregelen genomen om verspreiding van verontreinigingen van opgeslagen grond naar de onderliggende bodem en omgeving tegen te gaan.
- Partijen verontreinigde grond, opgeslagen in de openbare ruimte, zijn fysiek niet toegankelijk gemaakt. Artikel 3.88 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een leeflaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze leeflaag.
- Als sprake is van een duurzaam aaneengesloten afdeklaag zoals beton, asfalt, asfaltbeton betonplaat of bestrating met klinkers of tegels, die na de werkzaamheden wordt hersteld is geen milieukundige begeleiding noodzakelijk. Paragraaf 3.9.4 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 3.89 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m
- Artikel 3.90 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1220 Bal)
- In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van het bodemonderzoek als bedoeld in artikel 4.1221, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, ten minste een week voor het begin van de activiteiten verstrekt aan het bevoegd gezag.
- De resultaten van een bodemonderzoek zoals bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 die voldoet aan aan de eisen voor aanlevering bij Basisregistratie Ondergrond (BRO). Paragraaf 3.9.5 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 3.91 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3, voor zover het graven wordt verricht op een locatie met verontreinigingen boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Deze paragraaf is eveneens van toepassing bij het graven in stortmateriaal onder dezelfde condities. Artikel 3.92 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1225 Bal) In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van het daar bedoelde bodemonderzoek verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 en conform het informatiemodel BRO, zoals vermeld in de vigerende Basisregistratie Ondergrond Catalogus Milieuhygiënisch bodemonderzoek. Artikel 3.93 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1231 Bal)
- In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden er maatregelen genomen om verspreiding van verontreinigingen van opgeslagen grond naar de onderliggende bodem en omgeving tegen te gaan.
- In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn partijen verontreinigde grond die opgeslagen worden in de openbare ruimte fysiek niet toegankelijk. Artikel 3.94 Bodem: informatieplicht bij actuele risico's Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover onverwijld geïnformeerd. Paragraaf 3.9.6 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 3.95 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 3.96 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.95, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 3.9.7 Activiteiten op of in een voormalige stortplaats Subparagraaf 3.9.7.1 Tijdelijk gebruiken van een voormalige stortplaats Artikel 3.97 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk gebruiken van (een deel van) een voormalige stortplaats voor: a. het organiseren van een evenement. Artikel 3.98 Bodem: meldingsplicht gebruiken voormalige stortplaats
- Het is verboden een activiteit als bedoeld in 3.97 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk twaalf maanden nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen
- Een melding wordt ondertekend en bevat: a. een beschrijving van de activiteit die het betreft; b. start en duur van de activiteit die het betreft; c. naam en adres van degene die de activiteit verricht/organiseert; d. bodemonderzoeksrapporten die op de locatie zijn uitgevoerd; e. een risicorapport, zoals bedoeld in artikel 3.99, met een beoordeling van de risico’s en de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen.
- Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.
- De resultaten van een bodemonderzoek zoals bedoeld in het tweede lid onder d, worden verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 die voldoet aan aan de eisen voor aanlevering bij Basisregistratie Ondergrond (BRO). Artikel 3.99 Bodem: risicorapport
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de deelnemers aan een evenement wordt een risicorapport opgesteld, dat ten minste een beschrijving bevat van: a. de huidige (humane) risico’s:
- risico’s op contact met (verontreinigd) stortmateriaal als gevolg van onvoldoende dikte van de deklaag (minder dan 0,5 meter of bij functie wonen minder dan 1 meter); en
- risico’s voor de gezondheid als gevolg van een sterk verontreinigde deklaag (inclusief asbest); b. de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:
- de risico’s, bedoeld onder a, weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken; en
- beschadiging te voorkomen aan de afdeklaag en de eventueel aanwezige voorzieningen die zijngetroffen ter bescherming van de bodem- en grondwaterkwaliteit.
- Het risicorapport wordt verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- De voorzieningen en maatregelen worden uitgevoerd volgens de beschrijving in het risicorapport. Artikel 3.100 Graven of doorboren Met het oog op het beschermen van de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit worden op een voormalige stortplaats voor een activiteit als bedoeld in 3.97 geen activiteiten verricht waarbij de grond, de afdeklaag of het stortmateriaal op of in een voormalige stortplaats wordt afgegraven of doorboord. Subparagraaf 3.9.7.2 Graven in of doorboren van een voormalige stortplaats Artikel 3.101 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waarbij de grond, de afdeklaag of het stortmateriaal op of in een voormalige stortplaats wordt afgegraven of doorboord. Artikel 3.102 Bodem: meldingsplicht gebruiken voormalige stortplaats
- Het is verboden een activiteit als bedoeld in 3.101 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk twaalf maanden nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen
- In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond waarbij de deklaag niet wordt doorboord een termijn van een week.
- Een melding wordt ondertekend en bevat: a. een beschrijving van de activiteit die het betreft; b. start en duur van de activiteit die het betreft; c. naam en adres van degene die de activiteit verricht/organiseert; d. bodemonderzoeksrapporten die op de locatie zijn uitgevoerd; e. het verzet van grond en stortmateriaal dat plaats gaat vinden en de behandeling en bestemming van vrijkomende grond- en afvalstromen; f. een risicorapport zoals bedoeld in artikel 3.103, met een beoordeling van de risico’s, de effecten van het toekomstig gebruik en de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen.
- Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, worden de gewijzigde gegevens verstrekt. Artikel 3.103 Bodem: risicorapport
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid wordt een risicorapport opgesteld, dat ten minste een beschrijving bevat van: a. de huidige (humane) risico’s:
- risico’s op contact met (verontreinigd) stortmateriaal als gevolg van onvoldoende dikte van de deklaag (minder dan 0,5 meter of bij functie wonen minder dan 1 meter); en
- risico’s voor de gezondheid als gevolg van een sterk verontreinigde deklaag (inclusief asbest);
- risico’s van verontreinigd grondwater als gevolg van uitspoeling vanuit de voormalige stort; b. de effecten van het toekomstig gebruik van de locatie op de risico’s, bedoeld onder a; c. de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:
- de risico’s, bedoeld onder a, weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken; en
- de effecten, bedoeld onder b, te voorkomen of tegen te gaan; d. voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:
- beschadiging te voorkomen aan de afdeklaag en de eventueel aanwezige voorzieningen die zijngetroffen ter bescherming van de bodem- en grondwaterkwaliteit.
- de bereikbaarheid van de eventueel aanwezige nazorgvoorzieningen te garanderen;
- te voorkomen dat de uitvoering van nazorgmaatregelen wordt belemmerd; en
- verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen.
- Het risicorapport wordt verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- De voorzieningen en maatregelen worden uitgevoerd volgens de beschrijving in het risicorapport. Artikel 3.104 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit
- Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101 , worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding (indien van toepassing) gaan verrichten.
- Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt. Artikel 3.105 Bodem: gescheiden houden grond en stort materiaal Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal, die grond of stortmateriaal teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel. Artikel 3.106 Bodem: tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal, die grond of stortmateriaal teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel Artikel 3.107 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond of stortmateriaal
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond of stortmateriaal die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
- Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 3.105 worden gescheiden opgeslagen. Artikel 3.108 Bodem: kwaliteitsborging Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort. Artikel 3.109 Bodem: milieukundige begeleiding graafwerkzaamheden Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort. Artikel 3.110 Bodem: informatieplicht bij beëindigen activiteit Ten hoogste een week na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de datum van de beëindiging van de activiteit; b. als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 3.109: de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval:
- gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- de bestemming van grond of stortmateriaal die niet wordt teruggeplaatst; en
- de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan. Subparagraaf 3.9.7.3 Herontwikkelen van een voormalige stortplaats Artikel 3.111 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bouwwerk en werken en werkzaamheden op een voormalige stortplaats. Artikel 3.112 Bodem: meldingsplicht herontwikkeling voormalige stortplaats
- Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 3.111 te verrichten zonder dit ten minste acht weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk drie jaar nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van drie jaar zijn aangevangen.
- Een melding wordt ondertekend en bevat a. een beschrijving van de activiteit die het betreft; b. naam en adres van degene die de activiteit verricht; c. een hergebruiksplan zoals bedoeld in artikel 3.113, met een beoordeling van de risico’s voor de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit, de effecten van het toekomstig gebruik en de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om het voorgenomen gebruik mogelijk te maken.
- Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, worden de gewijzigde gegevens verstrekt. Artikel 3.113 Bodem: hergebruiksplan Een hergebruiksplan zoals bedoeld in artikel 5.32 onder j en artikel 6.2, derde lid, bevat ten minste een omschrijving van: a. het voorgenomen gebruik van de voormalige stortplaats; b. de huidige situatie van de locatie, de bodem en het grondwater; c. bodemonderzoeksrapporten die op de locatie zijn uitgevoerd; d. de huidige risico’s:
- risico’s op contact met (verontreinigd) stortmateriaal als gevolg van onvoldoende dikte van de deklaag (minder dan 0,5 meter of bij functie wonen minder dan 1 meter);
- risico’s als gevolg van een sterk verontreinigde deklaag (inclusief asbest);
- risico’s van verontreinigd grondwater als gevolg van uitspoeling vanuit de voormalige stort;
- risico’s van verontreinigd naastgelegen oppervlaktewater als gevolg van afspoeling van de voormalige stort;
- risico’s als gevolg van stortgasvorming;
- zettingsrisico’s; e. de effecten van het toekomstig gebruik van de locatie op de risico’s, bedoeld onder d; f. de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om het voorgenomen gebruik mogelijk temaken en om:
- de risico’s, bedoeld onder d, weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken; en
- de effecten, bedoeld onder e, te voorkomen of tegen te gaan; g. het verzet van grond en stortmateriaal dat plaats gaat vinden en de behandeling en bestemming van vrijkomende grond- en afvalstromen; h. het tijdpad voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan; en i. de nazorg en het beheer van de getroffen voorzieningen en maatregelen. Artikel 3.114 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit
- Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.111, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding (indien van toepassing) gaan verrichten.
- Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt. Artikel 3.115 Bodem: gescheiden houden grond en stortmateriaal Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, het opslaan en het afvoeren of terugplaatsen van grond en stortmateriaal, grond en stortmateriaal gescheiden gehouden. Artikel 3.116 Bodem: tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal, die grond of stortmateriaal teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel. Artikel 3.117 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond of stortmateriaal
- Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond of stortmateriaal die bij het graven is vrijgekomenniet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
- Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 3.115 worden gescheiden opgeslagen. Artikel 3.118 Bodem: kwaliteitsborging Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenningbodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort. Artikel 3.119 Bodem: milieukundige begeleiding graafwerkzaamheden Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenningbodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort. Artikel 3.120 Bodem: informatieplicht bij beëindigen activiteit Ten hoogste een week na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 3.111, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de datum van de beëindiging van de activiteit; b. als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 3.119: de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval:
- gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
- de bestemming van grond of stortmateriaal die niet wordt teruggeplaatst; en
- de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan. Paragraaf 3.9.8 Grond of baggerspecie toepassen Artikel 3.121 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie. Artikel 3.122 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1266 Bal) In aanvulling op artikel 4.1266, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt het toetsformulier ingevuld dat is opgenomen in bijlage 5 van de Nota Bodembeheer. Artikel 3.123 Milieukundige verklaring (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1267 Bal) In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder d tot en met k, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan bij een onverdachte situatie worden volstaan met ingevuld toetsformulier zoals opgenomen in bijlage 5 van de Nota Bodembeheer. Paragraaf 3.9.9 Grond ter plaatse van bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom toepassen Artikel 3.124 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van grond op of in de bodem ter plaatse van bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom. Artikel 3.125 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1266 Bal)
- Bij indienen van de melding voor het toepassen van grond ter plaatse van bermen van doorgaande wegen in het buitengebied, moet aanvullend op artikel 4.1266 van het Besluit activiteiten leefomgeving, informatie over de volgende voorwaarden worden aangeleverd: a. De partij voldoet aan één van de volgende eisen:
- De partij is afkomstig uit het beheergebied uit een weg of berm van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg. Door middel van een verificatieonderzoek (bodemonderzoek conform de NEN 5740 met een gepaste strategie om de bodemkwaliteit aan te tonen dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001) van de bovengrond (0,0 - 0,50 m -mv.) is aangetoond dat de kwaliteit minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie;
- De partij is afkomstig uit het beheergebied en voldoet op basis van een NEN 5740-onderzoek met passende strategie dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001 aan de kwaliteitsklasse industrie. b. Deze vrijgekomen grond kan uitsluitend worden toegepast op locaties die zijn aangewezen als toepassingskwaliteit industrie. c. Uit het vooronderzoek dan wel Toets herkomst conform de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de vrijkomende bermgrond, anders dan de afspoeling van de naastgelegen weg. d. Voor de definitie van een berm van zowel de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie wordt aangesloten bij de brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). e. Voor bermen gelegen in het Natuur Netwerk Brabant kan onder wegen en bermen van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg, tevens grond met de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast, tot maximaal 1,5 meter vanaf de verharding.
- De voorwaarden zoals genoemd in het eerste lid zijn niet van toepassing op: a. Verplaatsing van grond van wegen en bermen van doorgaande wegen en spoorwegen over gemeentegrenzen heen. Hier is het wel verplicht om een verificatieonderzoek te verrichten. De gemeente toetst of dit onderzoek is uitgevoerd. b. Bij verplaatsing van grond van wegen en bermen van doorgaande wegen naar andere wegen en bermen van doorgaande wegen binnen de gemeentegrenzen is geen verificatieonderzoek vereist. Paragraaf 3.9.10 Bouwstoffen toepassen: staalslakken en thermisch gereinigde grond Artikel 3.126 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van staalslakken en thermisch gereinigde grond. Artikel 3.127 Bodem: meldingsplicht
- Het is verboden een activiteit als bedoeld in 3.126 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk twaalf maanden nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen.
- Het toepassen van staalslakken en thermisch gereinigde grond is alleen toegestaan als: a. een plan van aanpak is aangeleverd dat is afgestemd met de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB); b. de toepassing plaatsvindt in een grootschalige bodemtoepassing (minimaal 5000 m3); c. de toepassing plaatsvindt onder een duurzaam aaneengesloten afdeklaag zoals beton, asfalt, asfaltbeton betonplaat of bestrating met klinkers of tegels; d. de toepassing plaatsvindt boven de gemiddelde hoogte grondwaterstand (GHG); en e. de toepassing voldoet aan de zorgplicht. Voor deze beoordeling worden de richtlijnen gevolgd die zijn genoemd in het document ‘Toepassing van thermisch gereinigde grond'. Paragraaf 3.9.11 Niet gescheiden ontgraven bij tijdelijke uitname van grond Artikel 3.128 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij sprake is van tijdelijke uitname ten behoeve van werkzaamheden aan kabels- en/of leidingen, waaronder werkzaamheden aan het riool. Artikel 3.129 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1225 Bal) Bij het ontvangen van de melding voor het graven in de bodem met betrekking tot het terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom, wordt getoetst of aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De werkzaamheden bevinden zich op een locatie die is aangeduid alsbodemfunctieklasse - landbouw, bodemfunctieklasse - natuur, bodemfunctieklasse - wonen of bodemfunctieklasse - industrie. b. In het volledige verticale bodemtraject is reeds sprake van geroerde grond. Indien binnen dit traject (gedeeltelijk) ongeroerde grond wordt aangetroffen, dient deze ongeroerde grond separaat te worden ontgraven, afzonderlijk te worden opgeslagen en vervolgens te worden teruggeplaatst op de oorspronkelijke locatie binnen het betreffende bodemtraject. c. Uitsluitend grond uit het traject maaiveld tot onderzijde van het onderste bodemtraject (maximaal 2,5 m -mv) zoals op de ontgravingskaart in de bodemkwaliteitskaart is aangegeven, mag geroerd worden teruggeplaatst in de sleuf. d. Bij het terugplaatsen van uitgekomen grond, dient altijd de zorgplicht in acht te worden genomen. Afdeling 3.10 WATER Paragraaf 3.10.1 Afvalwaterbeheer Subparagraaf 3.10.1.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering Artikel 3.130 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. ontwatering. Artikel 3.131 Lozen van grondwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit
- Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.
- In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken. Artikel 3.132 Lozen van grondwater: bij saneringen
- Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
- Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid op of in de bodem, zijn de emissiegrenswaarden , bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van toepassing, gemeten in een steekmonster.
- Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid in een schoonwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 3.132, van toepassing, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.132 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK’s 1 μg/l BTEX 50 μg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 μg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 μg/l Minerale olie 500 μg/l Cadmium 4 μg/l Kwik 1 μg/l Koper 11 μg/l Nikkel 41 μg/l Lood 53 μg/l Zink 120 μg/l Chroom 24 μg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l
- Het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid wordt niet geloosd in een vuilwaterriool. Artikel 3.133 Lozen van grondwater: bij ontwatering
- Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
- Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid, in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
- Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.
- Het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.
- Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen. Artikel 3.134 Lozen van grondwater: meet- en rekenbepalingen
- Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
- Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
- Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; h. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; i. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2; j. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1; k. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578; l. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693; m. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680; n. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913; o. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673; p. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; q. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993; r. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1; s. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562; t. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en u. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-
- Subparagraaf 3.10.1.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 3.135 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is. Artikel 3.136 Lozen van afvloeiend hemelwater: informatieplicht
- Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 3.137 Lozen van afvloeiend hemelwater
- Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
- Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
- Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. afkomstig is van wonen; of b. al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.
- In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
- Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen. Subparagraaf 3.10.1.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 3.138 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Artikel 3.139 Lozen van huishoudelijk afvalwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit
- Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
- Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.140 Lozen van huishoudelijk afvalwater: geen voedselvermaling Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd. Artikel 3.141 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
- De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
- In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.142 Lozen van huishoudelijk afvalwater: zuiveringsvoorziening
- Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.
- Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.
- Tabel 3.142 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Repres