Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Westervoort (Westervoort)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan regelt de fysieke leefomgeving in de gemeente Westervoort en stelt regels voor activiteiten, bouwwerken en het gebruik van grond en water. Het doel is het waarborgen van veiligheid, gezondheid en een goede leefomgeving.

Voor wie: Iedereen die activiteiten uitvoert of bouwwerken realiseert in de gemeente Westervoort; Eigenaren en gebruikers van bouwwerken in de gemeente Westervoort.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Familierecht
Artikelen
396
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Begripsbepalingen voor de toepassing van het omgevingsplan.
  • Gebiedsaanwijzingen voor bodembeheer en bodemfunctieklassen.
  • Algemene regels voor activiteiten en bouwwerken.
  • Specifieke eisen voor aansluitingen van bouwwerken op nutsvoorzieningen en afvoer van water.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die activiteiten uitvoert of bouwwerken realiseert in de gemeente Westervoort.
  • Eigenaren en gebruikers van bouwwerken in de gemeente Westervoort.

Wat zijn de kernpunten?

  • Afstanden en hoogten worden op specifieke wijze gemeten, bijvoorbeeld afstanden loodrecht en hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein.
  • Voor bepaalde activiteiten kan een omgevingsvergunning nodig zijn als afwijking van de regels.
  • Het uiterlijk van bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de regels over het uiterlijk en de redelijke eisen van welstand.
  • Gebruikers van bouwwerken hebben een zorgplicht om gevaar voor gezondheid of veiligheid, overlast of hinder te voorkomen.
  • Bouwwerken moeten aangesloten zijn op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of de kosten niet hoger zijn dan bij 100 m.
  • Bouwwerken moeten aangesloten zijn op het distributienet voor gas als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de kosten niet hoger zijn dan bij 40 m.
  • Bouwwerken moeten aangesloten zijn op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de kosten niet hoger zijn dan bij 40 m.
  • Een bouwwerk moet een toereikende bluswatervoorziening hebben, tenzij de aard, ligging of het gebruik dit niet vereist, en de afstand tot een brandweeringang is ten hoogste 40 m.

Familierecht

8

Familierecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (396)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 5.1 Aanwijzing en geometrische begrenzing bodembeheergebied
  3. Artikel 5.2 Aanwijzing en geometrische begrenzing bodemfunctieklassen
  4. Artikel 6.1 Meetbepalingen
  5. Artikel 6.2 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking
  6. Artikel 6.3 Nadere invulling omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking
  7. Artikel 6.4 Maatwerkvoorschriften
  8. Artikel 6.5 Repressief welstand
  9. Artikel 6.6 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  10. Artikel 6.7 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  11. Artikel 6.8 Aansluiting op distributienet voor gas
  12. Artikel 6.9 Aansluiting op distributienet voor warmte
  13. Artikel 6.10 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  14. Artikel 6.11 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  15. Artikel 6.12 Bluswatervoorziening
  16. Artikel 6.13 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  17. Artikel 6.14 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  18. Artikel 6.15 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  19. Artikel 6.16 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  20. Artikel 6.17 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  21. Artikel 6.18 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  22. Artikel 6.19 Overbewoning woonruimte
  23. Artikel 7.1 Toepassingsbereik afdeling 7.1
  24. Artikel 7.2 Mantelzorg
  25. Artikel 7.3 Toepassingsbereik subparagraaf 7.1.2.1
  26. Artikel 7.4 Informatieplicht wijzigen van gebruik waardoor een bodemgevoelige loca
  27. Artikel 7.5
  28. Artikel 7.6
  29. Artikel 7.7 Algemene indieningsvereisten binnenplanse afwijking
  30. Artikel 8.1 Toepassingsbereik afdeling 8.1
  31. Artikel 8.2 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  32. Artikel 8.3 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwactiviteit
  33. Artikel 8.4 Erf- of perceelafscheiding, automatisch in overeenstemming met dit omg
  34. Artikel 8.5
  35. Artikel 8.6 Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits in overeenstemmi
  36. Artikel 8.7 Een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, mits in overeenstemming me
  37. Artikel 8.8
  38. Artikel 8.9
  39. Artikel 8.10
  40. Artikel 8.11 Een buisleiding, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan
  41. Artikel 8.12 Een bouwwerk veranderen, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan
  42. Artikel 8.13
  43. Artikel 8.14
  44. Artikel 8.15 Inperking op vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 vanwege
  45. Artikel 8.16 Meldingsplicht bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw
  46. Artikel 8.17
  47. Artikel 8.18
  48. Artikel 8.19
  49. Artikel 8.20
  50. Artikel 8.21 Specifieke beoordelingsregels maatregelen bij overschrijding waarde to
  51. Artikel 8.22 Algemene indieningsvereisten binnenplanse afwijking
  52. Artikel 8.23 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  53. Artikel 8.24 Indieningsvereisten meldingsplicht bodemgevoelig vergunningsvrij gebou
  54. Artikel 9.1 Toepassingsbereik subparagraaf 9.1.1.1
  55. Artikel 9.2 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  56. Artikel 9.3 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  57. Artikel 9.4 Milieukundige begeleiding bij nazorg
  58. Artikel 9.5
  59. Artikel 9.6 Gescheiden houden van grond
  60. Artikel 9.7
  61. Artikel 9.8 Toepassingsbereik paragraaf 9.1.3
  62. Artikel 9.9
  63. Artikel 9.10
  64. Artikel 9.11 Toepassingsbereik paragraaf 9.1.4
  65. Artikel 9.12
  66. Artikel 9.13
  67. Artikel 9.14 Afdeklaag
  68. Artikel 9.15 Toepassingsbereik paragraaf 9.1.5
  69. Artikel 9.16 Bodem: mitigerende maatregelen
  70. Artikel 10.1 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit slopen
  71. Artikel 10.2 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk
  72. Artikel 11.1
  73. Artikel 11.2
  74. Artikel 12.1 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument alge
  75. Artikel 12.2
  76. Artikel 12.3
  77. Artikel 12.4 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit voor het verplaatsen van e
  78. Artikel 12.5 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit slopen van een gemeentelij
  79. Artikel 12.6 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 12.2, 12.4 en 12.5
  80. Artikel 12.7 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  81. Artikel 13.1 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit uitweg
  82. Artikel 13.2 Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit handelsreclame
  83. Artikel 13.3 Indieningsvereisten  omgevingsplanactiviteit vellen van een houtopstan
  84. Artikel 15.1 Toepassingsbereik afdeling 15.1
  85. Artikel 15.2 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  86. Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  87. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
  88. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
  89. Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  90. Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  91. Artikel 22.6
  92. Artikel 22.7 Repressief welstand
  93. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  94. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  95. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  96. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  97. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  98. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  99. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  100. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  101. Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  102. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  103. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  104. Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  105. Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  106. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  107. Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  108. Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  109. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  110. Artikel 22.25 Mantelzorg
  111. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  112. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
  113. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  114. Artikel 22.29
  115. Artikel 22.30
  116. Artikel 22.31
  117. Artikel 22.32
  118. Artikel 22.33
  119. Artikel 22.34
  120. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  121. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
  122. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  123. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
  124. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
  125. Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  126. Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  127. Artikel 22.42 Oogmerken
  128. Artikel 22.43 Normadressaat
  129. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  130. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  131. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  132. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  133. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
  134. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  135. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  136. Artikel 22.51 Toepassingsbereik
  137. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  138. Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
  139. Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  140. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  141. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
  142. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
  143. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
  144. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
  145. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  146. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
  147. Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  148. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  149. Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  150. Artikel 22.65
  151. Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
  152. Artikel 22.67
  153. Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
  154. Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  155. Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  156. Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
  157. Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  158. Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  159. Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  160. Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  161. Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
  162. Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  163. Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  164. Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  165. Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
  166. Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  167. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  168. Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  169. Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  170. Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
  171. Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
  172. Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
  173. Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  174. Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
  175. Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  176. Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  177. Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
  178. Artikel 22.93 Geur: functionele binding
  179. Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
  180. Artikel 22.95 Geur: cumulatie
  181. Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  182. Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
  183. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  184. Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
  185. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
  186. Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
  187. Artikel 22.102
  188. Artikel 22.103
  189. Artikel 22.104
  190. Artikel 22.105
  191. Artikel 22.106
  192. Artikel 22.107
  193. Artikel 22.108
  194. Artikel 22.109
  195. Artikel 22.110
  196. Artikel 22.111
  197. Artikel 22.112
  198. Artikel 22.113 Subparagraaf
  199. Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  200. Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
  201. Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  202. Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  203. Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
  204. Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  205. Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  206. Artikel 22.121 Toepassingsbereik
  207. Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  208. Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
  209. Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
  210. Artikel 22.125 Toepassingsbereik
  211. Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  212. Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  213. Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  214. Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  215. Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  216. Artikel 22.131 Toepassingsbereik
  217. Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
  218. Artikel 22.133 Reservering artikel
  219. Artikel 22.134 Reservering artikel
  220. Artikel 22.135 Reservering artikel
  221. Artikel 22.136 Reservering artikel
  222. Artikel 22.137 Toepassingsbereik
  223. Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
  224. Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
  225. Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
  226. Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  227. Artikel 22.142 Toepassingsbereik
  228. Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  229. Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  230. Artikel 22.145 Toepassingsbereik
  231. Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  232. Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
  233. Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  234. Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  235. Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  236. Artikel 22.151 Toepassingsbereik
  237. Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
  238. Artikel 22.153 Koelwater
  239. Artikel 22.154 Toepassingsbereik
  240. Artikel 22.155 Periodiek reinigen
  241. Artikel 22.156 Toepassingsbereik
  242. Artikel 22.157 Inerte goederen
  243. Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  244. Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  245. Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  246. Artikel 22.161
  247. Artikel 22.162 Toepassingsbereik
  248. Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
  249. Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  250. Artikel 22.165 Toepassingsbereik
  251. Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  252. Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  253. Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  254. Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  255. Artikel 22.170 Toepassingsbereik
  256. Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  257. Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
  258. Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  259. Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  260. Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
  261. Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  262. Artikel 22.177 Toepassingsbereik
  263. Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  264. Artikel 22.179 Water
  265. Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  266. Artikel 22.181 Toepassingsbereik
  267. Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  268. Artikel 22.183 Water
  269. Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  270. Artikel 22.185 Toepassingsbereik
  271. Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  272. Artikel 22.187 Water: lozingsroute
  273. Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  274. Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  275. Artikel 22.190 Water
  276. Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  277. Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  278. Artikel 22.193 Bodem
  279. Artikel 22.194 Water
  280. Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  281. Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  282. Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  283. Artikel 22.198 Water
  284. Artikel 22.199 Geur
  285. Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  286. Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  287. Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  288. Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  289. Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  290. Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  291. Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
  292. Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  293. Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  294. Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  295. Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  296. Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  297. Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  298. Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  299. Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  300. Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  301. Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  302. Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
  303. Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
  304. Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
  305. Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
  306. Artikel 22.221 Toepassingsbereik
  307. Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
  308. Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  309. Artikel 22.224 Toepassingsbereik
  310. Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  311. Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  312. Artikel 22.227 Toepassingsbereik
  313. Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  314. Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
  315. Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  316. Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  317. Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  318. Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  319. Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  320. Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  321. Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  322. Artikel 22.237 Toepassingsbereik
  323. Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  324. Artikel 22.239 Licht
  325. Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  326. Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  327. Artikel 22.242 Bodem: opslag
  328. Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  329. Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  330. Artikel 22.245 Geur
  331. Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  332. Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  333. Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  334. Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  335. Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  336. Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  337. Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  338. Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  339. Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  340. Artikel 22.255 Bodem: logboek
  341. Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  342. Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  343. Artikel 22.258 Toepassingsbereik
  344. Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  345. Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  346. Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  347. Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  348. Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  349. Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  350. Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  351. Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  352. Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  353. Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  354. Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  355. Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  356. Artikel 22.271 Toepassingsbereik
  357. Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  358. Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  359. Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  360. Artikel 22.275
  361. Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
  362. Artikel 22.277 Toepassingsbereik
  363. Artikel 22.278
  364. Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
  365. Artikel 22.280
  366. Artikel 22.281
  367. Artikel 22.282
  368. Artikel 22.283 Toepassingsbereik
  369. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
  370. Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
  371. Artikel 22.286
  372. Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
  373. Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
  374. Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
  375. Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
  376. Artikel 22.291
  377. Artikel 22.292
  378. Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
  379. Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
  380. Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  381. Artikel 22.296
  382. Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
  383. Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
  384. Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  385. Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  386. Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  387. Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
  388. Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  389. Artikel 23.1 Overgangsbepaling milieubelastende activiteit
  390. Artikel 23.2 Voorrangsbepaling hoofdstuk 22
  391. Artikel 23.3
  392. Artikel 23.4 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  393. Artikel 23.5
  394. Artikel 23.6
  395. Artikel 23.7 Overgangsrecht gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijk
  396. Artikel 24.1 (citeertitel)

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696258 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0293/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-04-23 2026-04-23 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696258/nld@2026-04-24 /join/id/proces/gm0293/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0293/2024/procedure918b56f3778841df9a9d247290eb9678 /join/id/proces/gm0293/2025/procedure46aacbc3a013421190dc987978653fde /join/id/proces/gm0293/2026/procedure84f626e9e13c4788be201cc2e7b71731 2026-04-24 2026-04-29 2026-04-24 2026-04-29 2026-04-24 2026-04-29 /akn/nl/act/gm0293/2020/omgevingsplan/nld@2026-04-22;10335663 /akn/nl/act/gm0293/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0293/2020/omgevingsplan/nld@2026-04-22;10335663 /join/id/stop/work_019 4 Omgevingsplan gemeente Westervoort

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit, bijlage I bij de Omgevingsregelingen bijlage II van dit omgevingsplan zijn van toepassing op ditomgevingsplan, met uitzondering van hoofdstuk 22.

2.

Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 20 van dit omgevingsplan.

3.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

4.

Bijlage IV bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2

Doelen en omgevingswaarden

Hoofdstuk 3

Programma's met programmatische aanpak

Hoofdstuk 4

Gebieden

Hoofdstuk 5

Gebiedsaanwijzing

Afdeling 5.1

Gebiedsaanwijzing - bodem

Artikel 5.1Aanwijzing en geometrische begrenzing bodembeheergebied

Voor het afwijken van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, artikel 4.1275 en artikel 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden de volgende gebiedsaanwijzingen: a. bodembeheergebied grond en baggerspecie; b. zones op basis van de ontgravingskwaliteit; en c. zones op basis van de toepassingseisen.

Artikel 5.2Aanwijzing en geometrische begrenzing bodemfunctieklassen

Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de: a. bodemfunctieklasse landbouw/natuur; b. bodemfunctieklasse wonen; en c. bodemfunctieklasse industrie.

Hoofdstuk 6

Algemene regels over activiteiten

Afdeling 6.1

Algemene regels - activiteiten

Artikel 6.1Meetbepalingen

1.

De waarden in regels van dit omgevingsplan die in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 6.2Omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking

1.

Voor zover voor een activiteit in dit omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

2.

Het eerste lid is ook van toepassing voor zover voor een activiteit in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven regels.

Artikel 6.3Nadere invulling omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking

1.

Voor zover de regels over het bij omgevingsvergunning afwijken voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.2, de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze gelezen als een bevoegdheid.

2.

Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.2 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Afdeling 6.2

Algemene regels - bouwwerken, open erven en terreinen

Paragraaf 6.2.1

Bouwwerken, open erven en terreinen - algemeen

Artikel 6.4Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 6.2.2

Algemene regels over bouwen en in stand houden van bouwwerken Subparagraaf 6.2.2.1 Algemene regels over bouwwerken in stand houden

Artikel 6.5Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd met de regels over het uiterlijk van bouwwerken uit dit omgevingsplan en de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het uiterlijk van de in het eerste lid genoemde bouwwerken mogen niet in ernstige maten in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, zoals bedoeld in artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet.

Subparagraaf 6.2.2.2 Algemene regels over aansluitingen en veiligheid van bouwwerken

Artikel 6.6Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, voor zover dit al geregeld is in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 6.7Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woning voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 6.8Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woning voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 6.9Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woning voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 6.10Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 6.11Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 6.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 6.12Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 6.13Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 6.14Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerstelid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 6.13, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 6.15Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 6.2.3

Algemene regels over open erven en terreinen

Artikel 6.16Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 6.17Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in onderstaande tabel 'Brandgevaarlijke stoffen' aanwezig.

Tabel: Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter

1)Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 6.17.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1.de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
2.de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Artikel 6.18Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Afdeling 6.3

Algemene regels - wonen

Artikel 6.19Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Hoofdstuk 7

Gebruiksactiviteiten

Afdeling 7.1

Gebruiksactiviteit - algemeen

Paragraaf 7.1.1

Algemene regels over gebruiksactiviteiten

Artikel 7.1Toepassingsbereik afdeling 7.1

De regels in afdeling 7.1 van dit omgevingsplan zijn van toepassing op de in dit omgevingsplan genoemde gebruiksactiviteiten.

Artikel 7.2Mantelzorg

1.

Voor de toepassing van de artikelen uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met een (bedrijfs)woning.

2.

Het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan.

Paragraaf 7.1.2

Informatieplichten gebruiksactiviteit Subparagraaf 7.1.2.1 Informatieplicht wijziging van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat

Artikel 7.3Toepassingsbereik subparagraaf 7.1.2.1

Deze subparagraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 1.1. van dit Omgevingsplan ontstaat.

Artikel 7.4Informatieplicht wijzigen van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat

1.

Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat, wordt aan het college van burgemeester en wethouders volgende gegevens verstrekt: a. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 8.18 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermde maatregelen wordt getroffen.

2.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Paragraaf 7.1.3

Algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning gebruiksactiviteit

Artikel 7.5

Specifieke beoordelingsregel voor het wijzigen van het omgevingsplan of het verlenen van een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit waarbij een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan In het kader van het evenwichtige toedelen van functies aan locaties en ter bescherming van de gezondheid wordt een bodemgevoelige locatie uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 8.18 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico's worden weggenomen.

Artikel 7.6

Specifieke beoordelingsregel in gebruik nemen van een bodemgevoelige locatie als de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden Een bodemgevoelige locatie wordt pas in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over en heeft ingestemd met de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.

Paragraaf 7.1.4

Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning gebruiksactiviteit

Artikel 7.7Algemene indieningsvereisten binnenplanse afwijking

1.

Bij de aanvraag voor het afwijken van de regels uit hoofdstuk 7 van het omgevingsplan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk. c. een plattegrondtekening van het bouwwerk van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:
1.de afmetingen van het bouwwerk;
2.het gebruik van de ruimtes in het bouwwerk.

2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Hoofdstuk 8

Bouwactiviteiten

Afdeling 8.1

Bouwactiviteit - algemeen

Paragraaf 8.1.1

Algemene regels over bouwactiviteiten

Artikel 8.1Toepassingsbereik afdeling 8.1

De regels in afdeling 8.1 van dit omgevingsplan zijn van toepassing op de in dit omgevingsplan genoemde bouwactiviteiten.

Artikel 8.2Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat, voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn vastgesteld; en b. het straatpeil is vastgesteld.

Paragraaf 8.1.2

Vergunningplicht bouwactiviteit en uitzonderingen Subparagraaf 8.1.2.1 Vergunningplicht bouwactiviteit

Artikel 8.3Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Subparagraaf 8.1.2.2 Uitzonderingen op de vergunningplicht, automatisch in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 8.4Erf- of perceelafscheiding, automatisch in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de bepalingen uit hoofdstuk 6 en 8 is een erf- of perceelafscheiding in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

Hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; b.

Op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; c.

Achter de doorgetrokken voorgevellijn van het hoofdgebouw; en d.

Op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij er geen regels over het uiterlijk van bouwwerken van toepassing zijn.

Artikel 8.5

Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, automatisch in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de bepalingen uit hoofdstuk 6 en 8 is een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan, op de locatie vergunningsvrij bijbehorend bouwwerk bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

Op de grond staand; b.

Gelegen in het achtererfgebied; c.

Op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d.

Niet hoger dan 5 m; e.

De ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; f.

Niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g.

Voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 2.

Het hoofdgebouw h.

Voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1.

Als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en 2.

Voor zover het een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is, is dit gebouw functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; i.

De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

1.bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
2.bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en 3. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; of j.

Uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

1.een woonwagen;
2.een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of 3. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; k.

Als een bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.

In zijn geheel of in delen verplaatsbaar; en 2.

De oppervlakte niet meer dan 100 m2; en 3.

Buiten de bebouwde kom;

Subparagraaf 8.1.2.3 Uitzonderingen op de vergunningplicht, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 8.6Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan

Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op de locatie vergunningsvrij bijbehorend bouwwerk bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

Op de grond staand; b.

Gelegen in het achtererfgebied; c.

Op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d.

Niet hoger dan 5 m; e.

De ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; f.

Niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

Artikel 8.7Een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan

Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op de locatie vergunningsvrij recreatief nachtverblijf bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

Op de grond staand; b.

Niet hoger dan 5 m; en c.

De oppervlakte niet meer dan 70 m2;

Artikel 8.8

Een sport- of speeltoestel anders dan voor particulier gebruik, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een sport- of speeltoestel anders dan voor particulier gebruik op de locatie vergunningsvrij sport- en speeltoestel bouwen, in stand houden en gebruiken, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

Niet hoger dan 4 m; en b.

Alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

Artikel 8.9

Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver op een gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien.

Artikel 8.10

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering op de locatie vergunningsvrij een agrarisch bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen, in stand houden en gebruiken, voor zover het gaat om: a.

Een silo; of b.

Een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

Artikel 8.11Een buisleiding, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan

Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 8.12Een bouwwerk veranderen, mits in overeenstemming met dit omgevingsplan

Het verbod, bedoeld in artikel 8.3, geldt niet voor een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a.

Geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b.

Geen uitbreiding van het bouwvolume; en c.

Geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29m, onder b tot en met r, van Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Subparagraaf 8.1.2.4 Inperkingen op de vergunningsvrije bouwwerken uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3

Artikel 8.13

Inperking op de vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 vanwege illegaal bouwwerk 1.

De artikelen uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 8.5, of 8.6, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 7.2, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 8.14

Inperking op de vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 en 8.1.2.3 vanwege cultureel erfgoed 1.

De artikelen in subparagraaf 8.1.2.2 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

2.

Op een activiteit die wordt verricht: a.

In, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is subparagraaf 8.1.2.3 niet van toepassing. b.

Bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn alleen artikelen 8.4, 8.8, 8.9, 8.10, 8.11 en 8.12 van toepassing. c.

Op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie­aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is subparagraaf 8.1.2.3 en artikel 8.4 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

1.inpandige wijzigingen;
2.een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
3.een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of 4. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 8.15Inperking op vergunningsvrije regels uit subparagraaf 8.1.2.2 vanwege externe veiligheid

Artikel 8.5, en artikel 7.2, aanhef en onder a is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1.artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voorzover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2.artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4.artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5.artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6.artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7.artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8.artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9.artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10.artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11.artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12.artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of 14. artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.

Paragraaf 8.1.3

Meldingplichten bouwactiviteit

Artikel 8.16Meldingsplicht bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw

1.

Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

Paragraaf 8.1.4

Algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwactiviteit

Artikel 8.17

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van de artikelen 6.6, 6.15 en 6.19; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1.de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
3.aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisico's wegnemen; en 4. in afwijking van sub 2 hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond en het niet een verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 8.18

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.

De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

Het zinsdeel ''in meer dan 25 m3 bodemvolume'' in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van asbest en respirabele asbestvezels.

Artikel 8.19

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit 1.

Een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dat is toegelaten met toepassing van artikel 8.17, eerste lid, onder c, sub 2, wordt pas in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over en schriftelijk heeft ingestemd met de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 8.17, eerste lid, onder c, sub 2.

2.

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning of de omgevingsplanwijziging, als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 8.20

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

In afwijking van artikel 8.17 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; of c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of d. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 8.21Specifieke beoordelingsregels maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit

Een Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een locatie waar sprake is van een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 8.18 wordt alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. in afwijking van lid b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond en het niet een verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft; d. aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen.

Paragraaf 8.1.5

Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning bouwactiviteit

Artikel 8.22Algemene indieningsvereisten binnenplanse afwijking

1.

Bij de aanvraag voor het afwijken van de regels uit hoofdstuk 8 van het omgevingsplan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk. c. een plattegrondtekening van het bouwwerk van de bestaande toestand en van de nieuwe toestand met daarop:
1.de afmetingen van het bouwwerk;
2.het gebruik van de ruimtes in het bouwwerk.

2.

Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 8.23Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken uit dit omgevingsplan dan wel de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
1.tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
2.principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
3.kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
1.een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
2.als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 8.18, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en 3. de resultaten van een bodemonderzoek worden ook vertrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Paragraaf 8.1.6

Algemene indieningsvereisten meldingsplicht bouwactiviteit

Artikel 8.24Indieningsvereisten meldingsplicht bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw

1.

Een melding als bedoeld in artikel 8.16 wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 8.21 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of ander beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Hoofdstuk 9

Milieubelastende activiteiten

Afdeling 9.1

Milieubelastende activiteit - bodembeheer

Paragraaf 9.1.1

Graven in de bodem Subparagraaf 9.1.1.1 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3

Artikel 9.1Toepassingsbereik subparagraaf 9.1.1.1

1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

1.een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b van de Omgevingswet; of 2. een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit; of c. locaties die zijn aangewezen als locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.1.

2.

Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op graven in de waterbodem.

Artikel 9.2Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.1 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur van de activiteit.

2.

Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 9.3Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 9.4Milieukundige begeleiding bij nazorg

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL 6000 als op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag.

Artikel 9.5

Informeren toezichthouder bij spoedreparatie, maatwerkregel over gegevens en bescheiden bij spoedreparatie in artikel 4.1228 Besluit activiteit leefomgeving Bij een spoedreparatie in de grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie.

Artikel 9.6Gescheiden houden van grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden.

Subparagraaf 9.1.1.2 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3

Artikel 9.7

Informeren toezichthouder bij spoedreparatie, maatwerkregel over gegevens en bescheiden bij spoedreparatie in artikel 4.1228 Besluit activiteit leefomgeving Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie.

Paragraaf 9.1.2

GERESERVEERD

Paragraaf 9.1.3

Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 9.8Toepassingsbereik paragraaf 9.1.3

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie.

Artikel 9.9

Bodemvreemd materiaal toepassen, maatwerkregel over bodemvreemd materiaal als bedoeld in artikel 4.1271 Besluit activiteiten leefomgeving 1.

In gebieden met de bodemfunctieklasse industrie is het percentage steenachtig materiaal of hout bedoeld in artikel 4.1271, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving ten hoogste 20 gewichtsprocent.

2.

In gebieden met de bodemfunctieklasse wonen en bodemfunctieklasse landbouw/natuur is het percentage steenachtig materiaal of hout bedoeld in artikel 4.1271, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving ten hoogste 5 gewichtsprocent.

Artikel 9.10

Gebiedspecifiek toetsingskader Nota bodembeheer, maatwerkregel over kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving De kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota bodembeheer Milieuregio Arnhem, Gemeente Westervoort 2011 (en eventuele latere addenda en wijzigingen) zijn van toepassing op de locatie bodembeheergebied.

Paragraaf 9.1.4

Saneren van de bodem

Artikel 9.11Toepassingsbereik paragraaf 9.1.4

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem.

Artikel 9.12

Bodemonderzoek in bestandsformaat XML, maatwerkregel over een melding als bedoeld in artikel 4.1236 Besluit activiteiten leefomgeving In aanvulling op het gestelde in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Artikel 9.13

Minimale dikte afdeklaag, maatwerkregel over afdekken als saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1241, lid 3 Besluit activiteiten leefomgeving 1.

In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, derde lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte die in onderstaande tabel 'Minimale dikte van de afdeklaag' is aangegeven.

Tabel: Minimale dikte van de afdeklaag Bodemgebruik Minimale dikte leeflaag in cm Industrie/bedrijven locaties waar de gemiddelde grondwaterstand <50 cm-mv is niet grondgebonden teelten in kassen 50 2.

In aanvulling op artikel 4.1241, derde lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving moet de kwaliteit van de leeflaag ook voldoen aan artikel 9.9.

Artikel 9.14Afdeklaag

Een waterdoorlatende verharding is toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is.

Paragraaf 9.1.5

Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 9.15Toepassingsbereik paragraaf 9.1.5

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 9.16Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 9.15 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico's en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Hoofdstuk 10

Sloopactiviteiten

Afdeling 10.1

Sloopactiviteit algemeen

Paragraaf 10.1.1

Vergunningplicht sloopactiviteit

Artikel 10.1Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit slopen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, voor zover bepaald in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Paragraaf 10.1.2

Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning sloopactiviteit

Artikel 10.2Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt gemotiveerd waarom dit verantwoord is ten opzichte van de op die locatie geldende beschermende waarden.

Hoofdstuk 11

Activiteiten met betrekking tot werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden

Afdeling 11.1

Uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden

Paragraaf 11.1.1

Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden

Artikel 11.1

Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, voor zover bepaald in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Paragraaf 11.1.2

Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden

Artikel 11.2

Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid, wordt gemotiveerd waarom dit verantwoord is ten opzichte van de op die locatie geldende beschermende waarden.

2.

Een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Hoofdstuk 12

Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed

Afdeling 12.1

Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed - algemeen

Paragraaf 12.1.1

Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed

Artikel 12.1Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentennummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijke monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 12.2

Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen 1.

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 12.1, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

1.overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen:
1.een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
2.opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

I. plattegronden;

II. doorsneden;

III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht;

3.als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
4.plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

I. plattegronden;

II. doorsneden;

III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 5. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

1.de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 12.3

Nadere indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 12.1 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 12.4Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit voor het verplaatsen van een gemeentelijk monument

1.

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 12.1, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

1.overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;
2.foto’s van de bestaande toestand; en 3. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen:
1.situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;
2.opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

I. plattegronden;

II. doorsneden;

III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

I. plattegronden;

II. doorsneden;

III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 12.5Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit slopen van een gemeentelijk monument

1.

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 12.1, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

1.overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen:
1.als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;
2.opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

I. plattegronden;

II. doorsneden;

III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 12.6Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 12.2, 12.4 en 12.5

1.

Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 12.2, 12.4 en 12.5 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a.

1:1000, als het gaat om een situatietekening; b.

1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c.

1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d.

1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

2.

Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

3.

Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

4.

Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:

1.gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 12.7Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

De artikelen 12.1, 12.2, 12.3, 12.4, 12.5 en 12.6 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Hoofdstuk 13

Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied

Afdeling 13.1

Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied - algemeen

Paragraaf 13.1.1

Algemene indieningsvereisten omgevingsvergunning voor activiteiten in openbaar toegankelijk gebied

Artikel 13.1Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit uitweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 13.2Indieningsvereisten omgevingsplanactiviteit handelsreclame

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en d. de tekst van de reclame.

2.

Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 13.3Indieningsvereisten  omgevingsplanactiviteit vellen van een houtopstand

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de situatietekening iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

2.

Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en d. de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Hoofdstuk 14

Overige activiteiten

Hoofdstuk 15

Beheer en onderhoud

Afdeling 15.1

Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 15.1Toepassingsbereik afdeling 15.1

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

Artikel 15.2Nazorg na afloop van saneren van de bodem

1.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 16

Financiële bepalingen

Hoofdstuk 17

Procesregels

Hoofdstuk 18

Handhaving

Hoofdstuk 19

Monitoring en informatie

Hoofdstuk 20

Wijzigingsplannen

Hoofdstuk 21

GERESERVEERD

Hoofdstuk 22

ACTIVITEITEN

Afdeling 22.1

ALGEMEEN

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Afdeling 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

Paragraaf 22.2.2

Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Artikel 22.6

Paragraaf 22.2.3

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas

Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte

Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

Artikel 22.13Bluswatervoorziening

Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Paragraaf 22.2.4

Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16Overbewoning woonruimte

Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

Paragraaf 22.2.5

In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Paragraaf 22.2.6

Cultureel erfgoed

Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek

Paragraaf 22.2.7

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen

Artikel 22.24Meetbepalingen

Artikel 22.25Mantelzorg

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.29

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Artikel 22.30

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Artikel 22.31

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Artikel 22.32

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 22.33

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 22.34

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Paragraaf 22.2.8

Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Afdeling 22.3

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:

1.dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
2.dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

4.

Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in subparagraaf 9.1.1.1, paragraaf 9.1.5 en afdeling 15.1.

Artikel 22.42Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:

1.het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
2.het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4.

Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2

Energiebesparing

Artikel 22.51Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52Energie: maatregelen

1.

Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

4.

Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

5.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

6.

Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3

Zwerfafval

Artikel 22.53Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4

Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54Toepassingsbereik

1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; c. op een niet-geluidgevoelige gevel; d. een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; en e. een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

3.

Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

4.

Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 8.5 en 7.2, tweede lid.

Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

1.in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i.

70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2.

Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

3.

Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

4.

Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3.

Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

1.

70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

2.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

5.

Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

6.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

1.de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

7.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.

De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.

De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65

Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67

Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.

Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

2.

Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

1.voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69Geluid: eerbiedigende werking

1.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

2.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

2.

Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

3.

De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

2.

Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73Geluid: festiviteiten

1.

De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

2.

Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

2.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.77Registratie gegevens windturbines

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.